dinsdag 24 november 2015

Wie is toch deze? (Lk. 8)


1 Kronieken 19-20; 1 Petrus 1; Jona 3; Lukas 8

Het stillen van de storm (Lukas 8:22-25) zoals weergegeven in Lukas’ evangelie draagt bijzonder gewicht:

(1) De essentie van het verslag is duidelijk, hoewel het bijna zijdelings licht werpt op de ware uitputting die Jezus soms ervoer in de loop van zijn uitgebreide bediening, waarin ‘Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van het Koninkrijk Gods’ (8:1).

Niet alleen kon Hij in slaap vallen in de boot, Hij kon zelfs blijven doorslapen toen de boot heen en weer sloeg en rondtoste in een storm die ernstig genoeg was om vissers bang te maken.

(2) De slotzinnen van deze paragraaf vestigen de aandacht op zijn belangrijkste aandachtspunt: wie Jezus is. ‘Wie is toch deze’, vragen de discipelen, ‘dat Hij ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?’ (8:25).

De paragraaf vormt zelfs het begin van een reeks wonderen. In de volgende verzen geneest Jezus een door demonen bezeten man (8:26-39), wekt Hij een dood meisje op en geneest Hij een zieke vrouw (8:40-56), geeft Hij aan de Twaalven een gelijkaardig gezag (9:1-9), en dan geeft hij de vijfduizend te eten (9:10-17) – wat dan een volkomen geschikte plaats is om even halt te houden en na te denken over wie Jezus is (9:18 e.v.).

Degene die heerst over de natuurelementen en de krachten van de geestenwereld en die zelfs de dood zelf kan afwenden is niet alleen de beloofde ‘Christus Gods’ (9:20) maar wordt ook verheerlijkt in het bijzijn van drie apostelen (9:28-36), die iets van de heerlijkheid aanschouwen die normaal gezien achter zijn vleesgeworden vorm verborgen bleef.

(3) Maar je moet ook nadenken over de vreemde vraag die Jezus stelt: ‘Waar was uw geloof?’ (8:25). We mogen dit niet verkeerd begrijpen. Jezus geeft zijn volgelingen niet een uitbrander omwille van een of ander duidelijk falen om de goedheid van de wereld te zien of de onvermijdelijkheid van een happy end.

Stormen kosten mensen soms echt het leven, kanker kan een vijftienjarige wegnemen, ongevallen gebeuren, goede mensen sterven. Het tegendeel denken is geen geloof aan de dag leggen maar Pollyanisch optimisme.

Het geloof dat de discipelen hadden moeten vertonen is geloof in Jezus – niet gewoon maar geloof dat Hij hen hier kon en wilde helpen, maar rijk geloof in Hem dat het, precies omdat Hij de beloofde Messias is die werd gezonden door de Almachtige God, dwaas is te geloven dat een ‘toevallige’ storm Hem en zij die bij Hem waren kon doden.

Hun vrees verraadt minder dan een stevig en vertrouwend verstaan van wie Jezus is. (Zie op dit punt ook vol. 1, de overdenking van 3 februari.)

(4) Nu is de bijdrage van 8:22-25 aan de bredere context duidelijker: de gelijkenis van de zaaier is op zoek naar hoorders van het woord die volharden en vrucht voortbrengen (8:10-11, 15). De volgende zinnen dragen de lezer op, ‘Ziet dan toe, hoe gij hoort’ (8:18, cursief toegevoegd). Jezus’ echte moeder en broers ‘zijn dezen, die het woord Gods horen en doen’ (8:21, cursief toegevoegd). Dus nu onze tekst: echte discipelen tonen hun geloof wanneer ze zo duidelijk erkennen wie Jezus is dat ze Hem in alle omstandigheden vertrouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 23 november 2015

Wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde (Lk. 7)

1 Kronieken 18; Jakobus 5; Jona 2; Lukas 7

Twee verbluffende gedachten komen samen in Lukas 7:36-50:

(1) De eerste heb ik al eerder vermeld in deze twee volumes, maar het is de moeite waard ze opnieuw te vermelden. Wie heeft het recht zonden te vergeven? Wanneer iemand je heeft beroofd van je spaarcenten of je echtgenote heeft vermoord, zou ik niet het recht hebben de dader te vergeven. Op menselijk vlak is de benadeelde partij de enige die vergeving kan schenken.

Vanuit Gods gezichtspunt is, ongeacht hoe mensen zelf getroffen worden, de eerste overtreding natuurlijk tegen God zelf (vgl. Ps. 51:6). Dus kan God elke zonde vergeven omdat Hij altijd de benadeelde partij is.

Op menselijk vlak heeft de zondige vrouw uit dit verhaal Jezus op geen enkele manier schade berokkend. Op dit vlak had Hij niet het recht haar te vergeven. Maar het verhaal handelt over Jezus’ vergeving van deze vrouw (7:48) – en andere gasten, een beetje in de war door deze ontwikkeling, stellen de vraag, ‘Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft?’ (7:49). Inderdaad, wie is Hij?

(2) Het axioma dat Jezus ontwikkelt in dit gesprek met Simon is verbazingwekkend. Aan de ene kant is het axioma overduidelijk: de persoon die veel dingen vergeven is, zal normaal dankbaarder zijn tegenover de weldoener, dan de persoon die weinig vergeven is. Zoals Jezus zegt: ‘wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde’ (7:47).

Het axioma verklaart het gedrag van zowel de man als de farizeeër: zij vloeit over van tranen van louter dankbaarheid, terwijl hij onderkoeld en hooghartig is.
Maar indien dit axioma te sterk benadrukt wordt, zou het betekenen dat zij die een relatief ‘goed’ leven geleid hebben, God onvermijdelijk minder liefhebben dan zij die zich bekeerden vanuit een leven van vreselijk verval?

Je zou dan kunnen redeneren dat er bepaalde voordelen zijn als je voor je bekering aan lager wal zat: je waardeert genade in verhouding tot de graad van verdorvenheid die door genade moet worden overwonnen.

Dit mist het punt. Op sociaal vlak zijn de zonden van de vrouw natuurlijk veel erger dan die van de farizeeër. Maar de gradaties van zonde die iemand begaat op het sociale vlak zijn niets vergeleken met de gruwelijkheid van de opstand waarin elk van ons zich heeft gewenteld.

Simon de farizeeër is zelfs nog niet op het punt gekomen waar hij inziet dat hij vergeving nodig heeft. Stel je in plaats voor dat twee mensen zich allebei bekeerd hebben, een uit een sociaal verachtelijke achtergrond en een vanuit een gedisciplineerde en ‘rechtvaardige’ achtergrond: wat dan?

Beiden moeten bidden dat ze de lelijkheid van hun eigen zonden mogen zien, of zonden nu sociaal afgekeurd worden of als het om de lelijke zonden gaat (die vaak door Jezus worden veroordeeld) van arrogantie en zelfgenoegzaamheid.

Want tenzij we de genade krijgen om het verschrikkelijke van onze zonden te zien, is het tamelijk zeker dat we nooit de heerlijkheid van genade zullen vatten, en we Jezus te weinig zullen liefhebben.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 22 november 2015

Ik vrees de HERE, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft (Jona 1)


1 Kronieken 17; Jakobus 4; Jona 1; Lukas 6

Ongeacht wanneer het boek Jona precies werd geschreven, kan Jona zelf vrij accuraat worden gesitueerd. Volgens 2 Koningen 14:25, was Jona, zoon van Amittai, een profeet uit Gat-Hachefer die de militaire successen van koning Jerobeam II voorspelde (rond 793 tot 753 v.C.).

Mocht je een quiz organiseren en vragen welke verbale associatie je maakt als je het woord Jona hoort, zouden de meesten mensen waarschijnlijk ‘grote vis’ of ‘walvis’ of iets dergelijks antwoorden. Maar we mogen niet vergeten dat de grote vis tekstueel slechts exact drie verzen inneemt – drie van de achtenveertig.

De commentaar van G. Campbell Morgen gaat nog altijd op: ‘Mensen hebben zo aandachtig naar de grote vis gekeken dat ze de grote God niet meer konden zien’. De grootheid van God wordt geaccentueerd door Jona’s dubbele belijdenis (1:9; 4:2). Hier staan we stil bij de eerste: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HERE, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft’ (1:9).

(1) Zowel vanuit ons perspectief als uit dit van Jona betekent deze belijdenis dat God alles maakte, dat Hij de soevereine Heer is over het volledige universum. Waarschijnlijk verstonden de heidense zeelieden daar niet zo veel onder. Voor hen hebben de goden verschillende terreinen. Wanneer deze Hebreeër beweert dat de God voor wie hij vlucht de Schepper van de zee is (wat Hij ook nog meer mag geschapen hebben), zou de bewering voor hen precies omwille van de storm aan geloofwaardigheid winnen.

(2) Maar voor Jona (en voor ons) heeft de bewering twee andere ondertonen.

Ten eerste: niet alleen heeft God de zee gemaakt, maar alles; en Hij bestuurt ook alles. Dus is er geen ontkomen aan deze God. Zelfs indien Jona een manier zou kunnen vinden om veilig aan wal te geraken, kan deze God hem overal terugvinden.

Jona erkent het pijnlijke feit dat je aan deze God niet kunt ontsnappen – als deze ‘Hound of heaven’ (lett. ‘hemelse jachthond’, naar een gedicht van Francis Thompson, JL) je op de hielen zit en vastbesloten is je niet te laten ontkomen. Dit is waarom hij om de dood vraagt.

Ten tweede: de loutere grootheid van God is wat maakt dat het zin heeft als God vastbesloten is de zondige stad Nineve een kans te geven zich af te keren van haar zonde. Indien monotheïsme waar is, indien er maar één God is, dan moet deze God in zekere zin God van alles zijn, niet slechts de God van het verbondsvolk.
Dit kon Jona niet verdragen. Hij kon zien dat, net achter de horizon, Assyrië een geweldige vijand zou worden voor zijn eigen volk, het volk van God – en hier biedt God hen dan ruim de kans zich te bekeren.

(3) Vanuit een canoniek perspectief zie je hier nog maar eens de missionaire God – veel meer toegewijd aan het bereiken van ‘outsiders’ dan zijn volk dit is. Hier is Hij ook de grond aan het voorbereiden, stap voor stap, voor de grote zendingsopdracht die gelovigen beveelt het goede nieuws van Jezus Christus over de hele wereld te verkondigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 21 november 2015

De overmoed van uw hart heeft u misleid, u, die woont in rotskloven, in uw hoge woning (Obadja)


1 Kronieken 16; Jakobus 3; Obadja; Lukas 5

We dachten eerder na over de oordelen die God uitsprak over Edom, het volk dat bestond uit de afstammelingen van Esau (en dus de verre neven van de Israëlieten). Ezechiël is zeer expliciet (Ez. 35; zie de overdenking van 2 oktober); Hosea is minder prozaïsch maar zegt vergelijkbare dingen (Hosea 13; zie de overdenking van 7 november).

Hier in Obadja is een volledig boek (weze het dan een kort) gewijd aan dit thema. We schrijven de tijd na de plundering van Jeruzalem in 587 v.C., en mogelijk zo laat als de vroege postballingschapperiode toen de Joden begonnen terug te keren naar het land.

De vervulling van deze profetieën vond plaats over een langere periode. De hoofdstad van Edom was tegen 312 zeker in handen van de Nabateïsche Arabieren. Een coalitie van Arabieren was al al langer dan een eeuw in de plaats gekomen van de Edomieten.

In de vroege periode werden zij geleid door koning Gesem, die rond 440 een van Nehemia’s tegenstanders was. Je moet je afvragen waarom de Oudtestamentische profeten zoveel tijd en ruimte wijdden aan Edom.

(1) Doorheen dit kleine boek is het thema van Gods gerechtigheid zeer aanwezig. Indien Edom zou wegkomen met haar triomfalisme en leedvermaak, wanneer haar eigen gedrag niets beter was dan dit van de natie van de Joden waarmee ze spotte, dan is er geen gerechtigheid.

(2) Het punt kan veralgemeend worden. ‘Want nabij is de dag des HEREN over alle volken; zoals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden, uw daad zal op uw eigen hoofd terugvallen’ (15, cursief toegevoegd). Alhoewel Edom in bepaalde opzichten uniek is (van alle omliggende volken had het als enige bloedbanden met Israël), vormt het op een ander vlak een belangrijk model voor alle volkeren.

Wanneer we tegenstanders zien vallen, kunnen we beter erkennen dat God Degene is die tijdelijke oordelen oplegt – en op een dag krijgen we allemaal te maken met eeuwig oordeel. Tijdelijke oordelen vormen op die manier Gods profetische aankondigingen van wat iedereen zal overkomen.
Jezus argumenteert langs vergelijkbare lijnen (Lk. 13:1-5) met betrekking tot relatief kleine groepen met individuele personen. Hier benadrukt Obadja dat hetzelfde waar is op het vlak van het volk. De Nazi’s vielen: moeten we dan leedvermaak koesteren en onszelf op de borst kloppen in triomfalistische vrolijkheid?

Moeten we niet bedenken dat Duitsland een land was van buitengewoon onderwijs en technische competentie, en het strekte zich uit naar macht, expansiedrang en een cascade van boosheid – en viel? Moeten we niet vrezen en God om genade smeken opdat we mogen wandelen in integriteit, eer en liefde of deugdzaamheid?

(3) In bepaalde opzichten is Obadja een commentaar op Amos 9:12. Net als Juda, wordt ook Edom afgesneden. Niettemin ligt de hoop van de wereld in de toekomst van Juda, niet in die van Edom – en dit koninkrijk is des Heren (17-21). Dit was voldoende reden om Gods verbondsvolk niet te verachten, toen niet en nu niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 20 november 2015

Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten (Amos 9)

1 Kronieken 15; Jakobus 2; Amos 9; Lukas 4

Alhoewel Amos 9 een aantal nogal afschrikwekkende dreigementen van oordeel bevat, eindigt het op een positief akkoord in een driedelige harmonie.

(1) Het oordeel zal niet totaal zijn, maar gedeeltelijk. ‘Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen’, verklaart de Heer (9:8). Het ziften zal zeer grondig gebeuren (9:9-10), maar God zal een overblijfsel sparen.

Ongeveer vanaf de tijd van Elia, wordt het overblijfselthema met elke nieuwe eeuw sterker. Wie erover nadenkt pikt het op en wordt zeer bemoedigd: God bewaart altijd een aantal trouwe mensen.

(2) ‘Te dien dage’ – een profetische formule die uiterst flexibel is in betekenis – zal God ‘de vervallen hut van David weder oprichten’ (9:11). God zal het Davidisch koningshuis weer in zijn vroegere pracht herstellen – zelfs nog grootser, zoals het volgende vers suggereert.

Amos waarschuwde het noordelijke koninkrijk; op dat ogenblik was het Davidisch koningshuis, hoezeer ook geslonken, nog altijd ongeschonden in het zuiden. Deze profetie voorziet niet het herstel van het koningshuis nadat het voor een tijd heeft opgehouden te bestaan (wat de wijze is waarop de latere profeten spreken, anderhalve eeuw na Amos). Veeleer voorspelt het het herstel van het koningshuis in zijn vroegere heerlijkheid en meer.

(3) De slotverzen van het hoofdstuk (9:13-15) schetsen een zodanige tijd van vruchtbaarheid in het land dat de ploeger wordt ingehaald door de maaier – een prachtig beeld van bijna wonderlijke vruchtbaarheid. De vervallen steden zullen worden heropgebouwd en Israël zal nooit meer uit het land worden ontworteld.

Wanneer worden deze profetieën vervuld? De eerste is zeker vervuld in de gebeurtenissen van rond de ballingschap, maar vergelijkbare gebeurtenissen hebben zich sindsdien vele malen voorgedaan. God heeft toen een overblijfsel bewaard, en Hij heeft dat sindsdien altijd gedaan.

Sommigen denken dat, eens de buitensporige taal van de slotverzen met een korrel zout wordt genomen, deze beloften werden vervuld toen het volk naar het land terugkeerde na de ballingschap. Maar de tekst zegt dat het ‘niet meer’ zou worden ontworteld, en dit gebeurde natuurlijk wel.

Dus moet je ofwel concluderen dat Amos blunderde of dat deze belofte niet werd vervuld in de periode na de ballingschap. Die periode was zeker geen getuige van het herstel van het Davidische rijk. Dus voorzien sommigen een letterlijke vervulling in de toekomst.

Maar christenen zullen zich herinneren hoe 9:11-12 wordt toegepast door Jakobus bij de apostelvergadering in Jeruzalem (Hd. 15:16-17). Hij benadrukt dat Jezus de Davidische koning is, dat zijn regering deze belofte vervult, dat de zegeningen voor de heidenen waarop hier wordt gezinspeeld in vervulling gaan bij het uitbreiden van het evangelie naar de heidenen.

Dit suggereert een typologische vervulling van een aantal Oudtestamentische profetieën – een benadering die consequenties heeft voor hoe we ook bepaalde andere Oudtestamentische profetieën lezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 19 november 2015

Onstilbare honger naar het Woord des Heren (Amos 8)

1 Kronieken 13-14; Jakobus 1; Amos 8; Lukas 3

Er zijn veel dingen in Amos 8 waar we tot ons nut bij kunnen stilstaan: het klagerige gekerm dat religieuze diensten te lang duren en tijd roven die beter kan gebruikt worden om zaken te doen (8:5); de schimmige praktijken die de winsten fors verhogen (8:5b); de groeiende slavernij die voortkomt uit de economische verarming (8:6); de bittere ironie van 8:7 (als je je herinnert dat ‘Jakobs heerlijkheid’ God zelf is); de apocalyptische taal van 8:9 (vergelijk Joël 2:30-31 en Handelingen 2:19-20); het kleurrijke beeld van de ‘rijpe vruchten’ (8:1-2).

Maar ik wil hier focussen op de verzen 11-12: ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik een honger in het land zal zenden – geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen. Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet’.

Dit is een uitdrukking van een ‘gebruik het of verlies het’-filosofie. Het verbondsvolk in Amos’ dagen stelt er zich mee tevreden haar leven niet te laten leiden door Gods openbaring, en dus zal het die verliezen. Of de ‘woorden des Heren’ verwijzen naar boodschappen die ze van profeten als Amos te horen kregen, of naar het geschreven Woord van God (waarvan al aanzienlijke delen beschikbaar waren) maakt weinig verschil.

Het punt is dat de mensen die zich niet aan de woorden van God wijden, die uiteindelijk ook zullen verliezen. Het verlies is catastrofaal. De enige geschikte analogie is een hopeloze hongersnood.

Het is makkelijk te zien hoe dit oordeel doorwerkt in de geschiedenis. Om ingewikkelde historische redenen had Frankrijk het op de Hugenoten gemunt en vervolgde het hen tot ze bijna uitgeroeid waren, dus kregen de Bijbel en de Reformatie nooit vaste voet aan de grond in Frankrijk zoals dit het geval was in Engeland.

Soms is de antipathie tegenover de Bijbel eerder voortgekomen uit ontsporing dan door vervolging. In veel Westerse landen was de moraal tot voor een paar decennia grotendeels verbonden met de Tien Geboden. Nu weten nog maar heel weinig mensen slechts wat de Tien Geboden zijn. Het resultaat is niet vrijheid en integriteit, maar een terugkerende minachting die zijn superioriteit tentoonspreidt over iets dat zelfs niet langer begrepen wordt, laat staan gerespecteerd – en wat zal het einde van deze dingen zijn?

Zoveel Bijbels, zoveel Bijbels – en ze worden zo weinig met aandacht gelezen. De volgende stap is de Bijbel als bron voor bewijsteksten; de stap daarna is de Bijbel als curieus relikwie; de volgende de Bijbel als antiquarische magie; de volgende ontzettende onwetendheid – en al die tijd een groeiende honger naar iets dat wijs is, stabiel, verstandig, profetisch, iets dat waar is. En de honger wordt niet gestild.

De enige oplossing is de vervulling van Jezus’ gebed in Johannes 17:17.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 18 november 2015

Gebed is de hand leggen op Gods gewilligheid (Amos 7)

1 Kronieken 11-12; Hebreeën 13; Amos 7; Lukas 2

In Amos 7:1-9 doet de profeet voorbede bij God om twee catastrofale oordelen af te wenden. In beide gevallen ziet de Here van zijn voornemen af (7:3, 6). Maar dan legt God een paslood aan om aan te tonen hoe verdraaid Israël is, en Hij belooft dat Hij het volk niet langer zal sparen (7:6-9). Twee gedachten:

(1) Indien God oneindig geduldig was, zou er geen oordeel zijn. Heel wat mensen denken op die manier over God. God is goed, dus kan Hij niet anders dan ons vergeven: dat is zijn job. Zo redeneerde Catharina de Grote. De Bijbel benadrukt dat een dergelijk beeld van God hopeloos vertroebeld is. Anderzijds, indien God ogenblikkelijk recht deed geschieden, dan zou er geen plaats zijn voor mededogen of lankmoedig uitstel.

Dergelijke spanning is verbonden met vele deugden. Ware moed veronderstelt vrees die overwonnen is. Als er helemaal geen angst is, kan er ook geen moed zijn.
Evenzo, als er geen toorn is, is lankmoedigheid niet langer een deugd; die gaat dan op in een vreemdsoortige mengeling van aardigheid en morele onverschilligheid.

Zo bestaat een groot deel van wat deze scènes de oude Israëlieten leren uit het feit dat Gods geduld opraakt. De reden dat Hij hen nog niet uit de weg geruimd heeft is dat Hij lankmoedig is. Maar ware lankmoedigheid veronderstelt dat het recht vroeg of laat moet overwinnen: het is een oproep tot bekering voor het te laat is.

(2) God verhoort de voorbede van Amos hier en laat af – zoals in een aantal andere pakkende passages waarin God hartstochtelijke voorbede verhoort (Gen. 18:23-33; 20:7; Ex. 32:9-14; Job 42:8-9).

Hoe valt dit te rijmen met een gedeelte als 1 Samuël 15:29? ‘Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben’? Indien ik zeker zou zijn dat ik Gods gedachten op een bepaalde absolute manier zou kunnen veranderen, dan zou ik toch doodsbenauwd zijn het te proberen, want ik weet veel, veel minder dan Hem.

Maar ‘het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt’, wordt ons verteld (Jak. 5:16-18). Het punt is zeker dat deze God niet een soort koude, deterministische, mechanische kracht is. Hij is een persoonlijke God die zowel middelen bepaald heeft als doeleinden – middelen zoals ook voorbede.

Willen we bidden volgens Gods wil (1 Joh. 5:14), dan had Luther het juist: ‘Gebed is niet het overwinnen van Gods tegenzin. Gebed is de hand leggen op Gods gewilligheid’. Het is niet zozeer een middel om God in een positie te praten die Hem tegenstaat, het is een door God beschikt middel om de zegeningen te verwerven die God in de volmaaktheid van zijn deugden graag wil schenken. Maar die volmaaktheid van deugden betekent ook dat er een punt kan komen waarop de botsing van heiligheid en zonde uitmondt in onverbiddelijke toorn die niet meer kan worden afgewend.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 17 november 2015

Ik verafschuw de hoogmoed van Jakob en haat zijn paleizen (Amos 6)

1 Kronieken 9-10; Hebreeën 12; Amos 6; Lukas 1:39-80

Om de sterkte van Amos 6 goed te begrijpen is het nuttig om wat na te denken over twee thema’s: zelfgenoegzaamheid en de machtselite.

(1) Ik moet beginnen met je te herinneren aan een verhaal dat ik vertelde in de overdenking van 15 januari. Een van mijn geschiedenisleraars op de middelbare school verhaalde hoe hij tegen het einde van Wereldoorlog II met verlof naar huis was gestuurd omwille van een letsel. Hij had veel van zijn makkers zien ombrengen; andere waren nog op het slagveld.

Hij reed mee met de bus in een Canadese stad en hoorde een duidelijk rijke en opzichtige vrouw op de bank voor hem praten tegen haar medereizigster. Haar man verdiende heel veel geld in de productie van wapens. Ze vertrouwde de mevrouw naast haar toe: ‘Ik hoop dat deze oorlog niet snel eindigt. We hadden het nog nooit zo goed.’

Dit is het lelijke gezicht van zelfgenoegzaamheid. Het beeld van ‘de zorgelozen op Sion’ (6:1) is niet minder weerzinwekkend. Daar zijn ze dan, jengelend op hun gitaren, terwijl ze zich even begaafde muzikanten wanen als David (6:5), slurpend van hun Chardonnay, de omgeving geladen met hun parfums en aftershaves (6:6) – maar ze treuren niet over alles wat verkeerd en verdorven is.

(2) Quasi elke maatschappij ontwikkelt een elite. Een absolute monarchie of dictatuur toont dit aan op een duidelijke manier. Communisme, in theorie klassenloos, ontwikkelt zijn eigen elite, zijn eigen heersers; het geboortevoorrecht maakt plaats voor de voorrechten van partijlidmaatschap en politieke macht.

In een democratie kan er een relatieve gelijkheid van kansen zijn, maar dit is niet hetzelfde als afwezigheid van klassen. Veeleer verzekert gelijkheid van kansen op zijn best enige mobiliteit binnen een min of meer gelaagde maatschappij: outsiders kunnen insiders worden, en de grote massa kan doordringen tot de elite. Aristocratie en dictatuur worden dan vervangen door meritocratie; de regering van de rijken en de adel is vervangen door de regering van de succesvollen en intelligenten en snoodaards.

Natuurlijk is dit bijna onvermijdelijk, zoals veel sociologen hebben uitgelegd: omwille van praktische redenen is directe regering door het volk onmogelijk. Er moeten vertegenwoordigers zijn, mensen die aangewezen worden om beslissingen te kunnen nemen en zaken uit te werken – en een nieuw machtsblok is geboren.

Misschien is het grootste pluspunt van democratie dat het voorziet in een vredige manier om elke paar jaar rotte plekken te kunnen wegsnijden, en anderen te kiezen. Maar vanuit Gods perspectief gaat leiderschap hand in hand met verantwoordelijkheid.

Amos 6 is gericht tegen de hoofdsteden van Juda en Israël (Sion en Samaria) en tegen de ‘voornaamsten’ of ‘uitgelezenen’ (6:1). De lelijke zelfgenoegzaamheid uit dit hoofdstuk is de zelfgenoegzaamheid van heersers en leiders die de leiding nemen in decadentie, compromis, ongerechtigheid, theologisch verval, en hun zelfgecreëerde comfort. En waar, in de kerk en in de bredere cultuur, gaan leiderschap en zelfgenoegzaamheid vandaag hand in hand? Op hoeveel vlakken? En wat vindt God daarvan?


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 16 november 2015

De vriendelijkheid van God: audiofile lezing



Terwijl Parijs afgelopen vrijdag 13 november jammerlijk getroffen werd door terreur, kon je in CC De Steiger in Menen terecht voor een lezing met een positieve boodschap, over 'De vriendelijkheid van God'. Het was Claude Vanmaelsaeke die deze lezing gaf.

Beluister de audiofile van de lezing 'De vriendelijkheid van God' (mp3).

Deze lezing vormde de start van het tweede deel van de serie over 'God leren kennen', met als startpunt de eigenschappen van de vrucht van de Geest.


Dank aan Emmanuel Verhaeghe voor de geluidsopname.

Wee hun, die verlangen naar de dag des HEREN (Amos 5)

1 Kronieken 7-8; Hebreeën 11; Amos 5; Lukas 1:1-38

Bij een eerste lezing lijkt Amos 5 nogal een rommeltje. Het bestaat uit zeer uiteenlopende stukjes – met niet alleen verschillende thema’s, maar ook verschillende vormen en literaire genres.

De [Engelstalige, JL] NIV-vertaling erkent het punt door de verzen 8 en 9 tussen aanhalingstekens te zetten (in het Hebreeuws zijn er geen aanhalingstekens) [Ook de Nederlandstalige NBV-vertaling heeft een duidelijk onderscheid aangebracht voor deze verzen, JL]. De eerste drie verzen zijn een klaagzang, een grafzang, die somber de val van Israël betreurt.

De verzen 4-6 en 14-15 vormen een evangelistische oproep. Dit is hoe Israël moet reageren willen ze aanvaard worden door de Heer en overleven. De verzen 7 en 10-13 behandelen de onderdrukking en corruptie in het land. De laatste twee verzen (16-17) keren terug naar de klaagzang.

Het is makkelijk genoeg om over deze uiteenlopende thema’s afzonderlijk na te denken. Je kunt bijvoorbeeld langer stilstaan bij hoe het zoeken van de Heer zelf (5:4-6, 14-15) belangrijker is dan de esthetisch welgevallige vorm van de eredienst (5:4-5), over hoe ware bekering ook een enorme haat tegenover zonde omvat, niet alleen op een afstandelijk, theoretisch vlak, maar ook op het vlak van praktische integriteit en sociale verantwoordelijkheid, inclusief rechtvaardigheid in de rechtbanken (5:15).

Is er een maatschappij die dit meer moet horen dan de onze, waar er steeds minder aandacht is voor recht en gerechtigheid en steeds meer aandacht voor het louter manipuleren van de nauwkeurig vastgelegde wetten? En zo zouden we ons doorheen alle thema’s en vormen uit 5:1-17 kunnen werken.

Voor bepaalde doeleinden is dergelijke thematische analyse natuurlijk nuttig. Het vindt zijn extreem in de liberale criticus die denkt dat het hoofdstuk een mislukte mengeling is van bronnen die met schaar en lijm kan worden goed gezet. Maar dit gaat voorbij aan de genialiteit en kracht van het hoofdstuk.

Dit is een collage, verwant aan een snelle opeenvolging van filmbeelden die dansen van oorlog naar preek naar begrafenis naar oordeel naar zonde en naar bekering.

De oorspronkelijke toehoorders van Amos waren hem vijandig gezind. Om hun aandacht vast te houden moest hij hen van hun sokkel blazen, en de resulterende snelle overgangen geven kracht aan het geheel, precies omdat ze schokkend en onverwacht zijn. We worden gedwongen om niet alleen over de thema’s zelf na te denken, maar ook over hun onderlinge verbindingen met andere thema’s.

De richting van het geheel wordt uiteengezet in de eindverzen van het hoofdstuk (5:18-27). Bij al hun zelfzucht en morele ambivalentie behouden deze mensen een religieuze ijver die verlangt naar ‘de dag van de Heer’ – zoals zovelen onder ons hunkeren naar ‘een opwekking’.

Maar God zegt dat Hij hun religieuze feesten veracht en hun samenkomsten haat. Aan zijn eis kan niet getornd worden: ‘Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek’ (5:24). Anders zal de ‘dag des Heren’, wanneer Hij hen werkelijk ontmoet, een dag zijn van donker oordeel, oneindig veraf van het paradijselijke licht waar zij op hopen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 15 november 2015

Hoort dit woord, gij koeien van Basan (Amos 4)

1 Kronieken 5-6; Hebreeën 10; Amos 4; Psalmen 148-150

In bepaalde opzichten vloeit Amos 3 zeer natuurlijk over in Amos 4. God heeft gezegd dat de waarschuwingen van de profeten verbonden zijn met reële gevaren (3:7-8). Nu markeert hij een aantal van de zonden die zijn waarschuwingen uitlokten (4:1-5) en legt hij een aantal van deze waarschuwingen uit en wat ze voor de toekomst betekenen als ze niet ter harte worden genomen (4:6-13).

(1) De eerste waarschuwing is gericht tot de rijke vrouwen van Israël (4:1-3), minachtend beschreven als ‘koeien van Basan’ – spreekwoordelijk voor weldoorvoed, vet en lui, eerder dan slank en fit. Deze vrouwen hebben hun rijkdom en positie misbruikt, ze hebben ‘geringen verdrukt en armen vertrapt’ (4:1). De anekdote in één zin is vernietigend: ze zeggen tot hun echtgenoten, ‘Breng aan, dat wij drinken!’ (4:1).

Dit roept een beeld op van verwende, bazige, decadente matrones, die alleen gediend willen worden en nooit zelf dienen, en die heersen over hun echtgenoten, terwijl ze hun verveling doorslikken met alcohol.

Dus zweert de soevereine Heer ‘bij zijn heiligheid’, wat verwant is met zeggen dat Hij bij zichzelf zweert, en dus bij hetgeen onveranderlijk is en waarbij niets en niemand groter is. Hij zweert dat Hij hen gevankelijk zal wegvoeren met angels en ketenen, vernederd en terneergeworpen, in pijn temidden het puin van hun stad (4:2-3).

(2) In de laatste helft van het voorgaande hoofdstuk (3:9-15) haalde God fors uit naar drie misselijkmakende kenmerken van het leven in het land: sociale onderdrukking, genotzucht en verdorven godsdienst. De eerste twee worden uitgediept in de eerste drie verzen van hoofdstuk 4, zoals we net zagen.

Het derde, verdorven godsdienst, wordt nu op fijne profetische hoon onthaald (4:4-5). ‘Komt naar Betel en pleegt afval, naar Gilgal – vermeerdert de afval!’, wat gelijkstaat met zeggen ‘Ga naar Canterbury (de zetel van de aartsbisschop van Canterbury, de primaat van de Anglicaanse Kerk, JL) en zondig; ga naar de baptistische hoofdkwartieren en zondig nog meer’ (vul het mekka in van je eigen denominatie!).

De plaatsen waar Israël historisch getrouw de voorgeschreven offeranden bracht (voor de tempel voorrang kreeg) zijn nog altijd offerplaatsen, maar worden nu gekenmerkt door fijne esthetiek, religieus enthousiasme, en heel veel gepronk. Waar zijn de verbroken geest en het verbroken en verbrijzelde hart (vgl. Ps. 51:19)?

(3) In de volgende verzen (4:6-13) blikt God terug op een aantal van de tijdelijke oordelen die Hij het volk op verschillende momenten heeft opgelegd als waarschuwingen van veel groter oordeel dat nog komt.

Deze waarschuwingen bleken ondoeltreffend: getuige het vreselijke refrein, ‘Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN’ (4:8, 9, 10, 11). Daarom zal de God van Israël hen ontmoeten (4:12) – Hij zal hen ontmoeten, juist, maar niet in de heerlijkheid van theofanie, maar in de verschrikking van het oordeel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 14 november 2015

De Here HERE heeft gesproken, – wie zou niet profeteren? (Amos 3)

1 Kronieken 3-4; Hebreeën 9; Amos 3; Psalmen 146-147

Hier sta ik stil bij twee thema’s uit Amos 3:

(1) ‘U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken’ (3:2). De basisstelling is eenvoudig: voorrechten brengen verantwoordelijkheid met zich mee. Maar de kwestie gaat dieper, minstens langs twee sporen.

(a) Het specifieke voorrecht hier is uitverkoren zijn om God te kennen en door Hem gekend te worden – en alle kennis van deze God houdt nabijheid tot heiligheid in. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat dit voorrecht straf op de zonden met zich mee brengt.

(b) Maar dit is in ieder geval een voorrecht op zich. Zonde die wordt gekoesterd leidt uiteindelijk tot veroordeling en verderf; bestrafte zonde kan leiden tot bekering en berouw, waar de Heer ook naar op zoek is.

Deze tekst sluit absoluut de visie uit dat uitverkiezing door God zou betekenen dat je vrijgesteld bent van gehoorzaamheid en trouw aan Hem, of dat God de grote suikeroom is in de lucht. Zoals J.A. Motyer het stelde: ‘Bijzondere voorrechten, bijzondere verplichtingen; bijzondere genade, bijzondere heiligheid; bijzondere openbaring, bijzondere nauwgezetheid; bijzondere liefde, bijzonder aanspreekbaar… De kerk van God ontkomt nooit aan de risico’s van zijn uniciteit.’

(2) De opeenvolging van retorische vragen in de verzen 3-5 kan in westerse ogen aanvankelijk irrelevant lijken. Maar ongetwijfeld waren ze Amos’ manier om zijn boodschap over te brengen aan toehoorders die zowel tegenover hem als zijn boodschap vijandig stonden. In een cultuur die houdt van raadsels en spreuken, namen zijn vragen hen mee in zijn gedachtegang, nog voor ze doorhadden wat er werkelijk aan de gang was.

De les wordt duidelijker met elke nieuwe vraag: gebeurtenissen hebben oorzaken. Als mensen elkaar ontmoeten en samengaan, is het omdat ze het eens waren om zo te handelen. Als een leeuw brult, is het omdat hij zijn prooi heeft gedood. Als een klapnet dichtklapt, is het omdat een of andere vogel of een dier daar aanleiding toe gaf. Als een waarschuwingsbazuin klinkt, is het omdat een gevaarlijke vijand gesignaleerd werd. Gebeurtenissen hebben oorzaken.

Op die manier komt hij tot twee lessen.

(a) Als een ramp een stad treft, dan moet God daar achter zitten (3:6). Natuurlijk zijn er veel secundaire oorzaken, maar uiteindelijk is het God zelf die er achter zit. Amos gelooft niet in toeval, tegenslag, of een eindige God die zo nu en dan een uitschuiver maakt. Hij gelooft in voorzienigheid – en geloven in voorzienigheid betekent geloven dat God in rampen de taal van waarschuwing of oordeel spreekt.

(b) De waarschuwingen die God geeft komen overeen met reële gevaren. De hoorn schalt om te waarschuwen voor een echte vijand. God kan genadige waarschuwingen uiten via zijn knechten, de profeten (3:7) – en dergelijke waarschuwingen zijn geen gebakken lucht, of slechts religieus gewauwel, maar waarschuwingslampen die overeenkomen met dreigend gevaar.

Dus bekeer je: ‘De leeuw heeft gebruld, – wie zou niet vrezen?’ En schiet niet op de boodschapper: ‘De Here HERE heeft gesproken, – wie zou niet profeteren?’ (3:8).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 13 november 2015

Wee België (Amos 2)

1 Kronieken 1-2; Hebreeën 8; Amos 2; Psalm 145

Wee China. In de vorige eeuw heeft het vijftig miljoen mensen van zijn eigen mensen afgeslacht in naam van de gelijkheid. Trots en hooghartig handhaaft het een officieel atheïstisch standpunt, terwijl het de kerk vervolgt en die kerk ondertussen, gevoed door het bloed van de martelaren, in een halve eeuw is vermenigvuldigd met vijftig.

Wee Rusland. In het tweede decennium van de vorige eeuw heeft het een enorm sociaal experiment opgestart dat resulteerde in de dood van meer dan veertig miljoen mensen. Het onderwierp land na land, zo zeker als het was dat de wind van de geschiedenis gunstig zat. Het begon uit te blinken in het voortbrengen van de ‘revolutionaire mens’, maar slaagde er niet in de beloofde ‘nieuwe mens’ van het Marxistisch gedachtegoed voort te brengen, en moest zich op die manier verbergen achter illusies en leugens tot zijn economische incompetentie het naar de ondergang voerde.

Wee Duitsland. Bevoorrecht als thuis van enkele van de grootste Hervormers, werd het intellectueel bijzonder arrogant, en startte het de voorbije eeuw twee wereldoorlogen die voor vele miljoenen dood en verderf brachten, met daarbij de verschrikkingen van de nazi’s. Vandaag bouwt het excellente BMW’s maar heeft het een materialistische ziel, en aanbidt het niets groter dan de Duitse Mark.

Wee Groot-Brittannië. Op een bepaald ogenblik bestuurde het een kwart van de wereldbevolking; het is erfgenaam van een deel van het prachtigste christelijke gedachtegoed en de mooiste literatuur ooit voortgebracht, maar het werd trotser en neerbuigender dan ooit voor de volken die het koloniseerde en de mensen die het tot slavernij dwong. Nadat het herhaaldelijk het erfgoed van kennis van God achteloos verspilde, maakt het richtingloos en gedegradeerd overal brokken.

Wee Canada. Het beschouwt zichzelf graag als moreel superieur aan zijn naaste buur, terwijl het schuilt onder de militaire paraplu van de VS. Het glijdt af naar een morele afgrond, en de beslissingen van het hooggerechtshof zijn al even moreel corrosief als overal elders in de Westerse wereld, terwijl de Engels-Franse verdeeldheid door gebrek aan beleefdheid en respect aan beide zijden neigt naar vijandschap en een breuk.

Wee de Verenigde Staten. Men beroemt zich op zijn status van enige overblijvende wereldmacht, maar staat er nooit bij stil hoe God al elke wereldmacht uit de geschiedenis wegveegde. Haar beminde vrijheden, dit grote erfgoed, is in toenemende mate een façade geworden om de ergste immoraliteit en zelfzucht achter te verbergen.

Voor het land op zijn geheel is er geen enkele kwestie, maar dan ook geen enkele, die belangrijker wordt geacht dan de toestand van de economie.

Dit is de redenering van Amos. In Amos 1 blijft hij rond de heidense buren hangen, terwijl hij het oordeel van God uitspreekt. Hier in Amos 2 richt hij zich tot Moab, tot Juda (zijn ‘Canada’), om dan uiteindelijk aan te belanden bij Israël.

Israëlitisch publiek zou beginnen met zelfvoldane tevredenheid tijdens de eerste delen: hoe zou het hen vergaan? En begrijp dan goed: de opeenvolging van mijn ‘weeën’ hierboven, zou kunnen herschikt worden om te eindigen met gelijk welk land – zoals het jouwe.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 12 november 2015

De HERE brult uit Sion en uit Jeruzalem verheft Hij zijn stem (Amos 1)

2 Koningen 25; Hebreeën 7; Amos 1; Psalm 144

De profetie van Amos roept het volk van God terug naar het gedrag dat door het verbond wordt gestipuleerd. Maar aangezien zoveel van Israëls wangedrag verbonden is met sociale ongerechtigheid, niet uitsluitend individuele zonden, bevat deze profetie enkele van de meest scherpe veroordelingen van sociale ongerechtigheid die we maar kunnen vinden.

Enkele voorafgaande opmerkingen over Amos 1:

(1) In tegenstelling tot Ezechiël, die een onderwezen priester was vooraleer hij profeet werd, en in tegenstelling tot Jesaja en Jeremia die heel hun leven lijken profeten te zijn geweest, en in tegenstelling tot Daniël, wiens werk in het ‘seculiere’ strijdperk lag maar die een eersteklas training kreeg, was Amos noch een professioneel godsdienstig leider, noch een geleerde. Hij was een schapenfokker (1:1) – zoals Elisa een landbouwer was en onze Heer een timmerman.

(2) In tegenstelling tot het boek Joël, specifieert dit boek de regering waaronder Amos predikte: onder Uzzia, koning van Juda, en Jerobeam II van Israël (1:1). We kennen de datum niet van de aardbeving waarnaar Amos alludeert, maar de twee koningen in kwestie mochten zich verheugen in lange regeerperiodes in de eerste helft van de achtste eeuw v.C., de eerste van rond 790 tot 740 v.C., de tweede van rond 793 tot 753 (inclusief co-regentschappen met hun respectievelijke vaders).

In die tijd was Assyrië, de regionale macht, niet op expansie gericht, dus stonden de twee koninkrijken Juda en Israël niet van buiten uit onder druk, en werden ze politiek en militair sterk. (Assyrië werd pas een bedreiging na 745, toen Tiglath-Pileser III de troon besteeg).

(3) Amos was een zendeling, d.w.z. een cross-culturele prediker van het woord van God. Hij was een schapenfokker uit Tekoa, in Juda, maar zijn bediening speelde zich af in Israël. In die tijd breidde Jerobeam II, een bekwaam man, het grondgebied even ver uit als Salomo had gedaan.
Maar ondanks alle voorspoed en groei, bleef de rijkdom in handen van slechts heel weinigen. In combinatie met het morele verval en voortdurende afgoderij, betekende dit dat het land op weg was naar de ondergang – en buiten Amos waren er maar heel weinig die de gevaren opmerkten.

(4) Als majesteitelijk koning ‘brult’ de Heer als een leeuw uit Sion, terwijl Hij dreigt met oordeel (1:2). Zijn geduld raakt op. Dit is de reden voor een populaire Amos-commentator (J. Alec Motyer) om zijn boek de titel te geven ‘The Day of the Lion’ (‘De dag van de Leeuw’) en een andere (Roy Clements) ‘When God’s Patience Runs Out’ (‘Als Gods geduld opraakt’).

(5) De formulering ‘Om drie overtredingen van X, ja om vier’ (1:3, 6, 9, 11, 12) is een dichterlijke manier in het Hebreeuws om vier zonden aan te duiden. In Amos 1 zijn de zonden de zonden van Israëls buurlanden: de God die zijn eigen verbondsvolk tuchtigt, is niettemin Rechter van de hele aarde – een waarheid die zowel somber als bemoedigend is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 11 november 2015

Antwoord mij naar uw trouw, naar uw gerechtigheid (Ps. 143)

2 Koningen 24; Hebreeën 6; Joël 3; Psalm 143

Traditioneel wordt Psalm 143 gezien als de laatste van zeven boetepsalmen, ongetwijfeld omdat vers 2 universele schuld erkent. Maar ongeacht hoe belangrijk deze waarheid in de Bijbel op zijn geheel is, in deze psalm komt dit thema alleen in dit ene vers naar voren.

Het grootste deel van de psalm is gewijd aan de moeilijkheden waar David mee te maken krijgt, door toedoen van vijanden (143:1-6), en aan Davids groeiende vastberadenheid als hij zich richt op het volgen van Gods wegen, wat zijn vijanden ook mogen doen.

Enkele opmerkingen:

(1) David doet initieel beroep op Gods trouw en gerechtigheid (143:1). Dit is volkomen gepast, net zoals de goedheid van een heerser of de integriteit van een rechter met vreugde onthaald wordt door wie een fout probeert recht te zetten.

De moeilijkheid is natuurlijk dat als wij als zondaars een beroep doen op de gerechtigheid van God om vrijspraak te bekomen, we ons makkelijk kunnen voorstellen dat wijzelf vreselijk onrein zijn vergeleken met de zuivere heerlijkheid van de onbedekte heiligheid van de Almachtige.

Vandaar vers 2: David erkent ‘niemand die leeft, is voor U rechtvaardig’. Dit is een spanning die niet eerder finaal opgelost geraakt dan aan het kruis (Rom. 3:21-26; vgl. 1 Joh. 1:9).

(2) Waar de verzen 3-4 zich wentelen in het moeras van de vertwijfeling, zien we hoe David er in de verzen 5-6 begint uit te klimmen.

Lezen we voor het eerst de zin ‘Ik gedenk aan de dagen van ouds’, dan zouden we als lezers nog kunnen denken dat David zich overgeeft aan nostalgie, terwijl hij terugdenkt aan ‘de goede oude tijd’. Maar hij is niet zo dwaas, zoals de rest van het vers aantoont: in plaats daarvan wijdt hij zich aan het denken aan alle dingen die God gedaan heeft – met andere woorden, hij overdenkt al Gods creatieve en tuchtigende en verlossende daden uit het verleden; hij zet zich er toe na te denken over de God van de Bijbel.

Ook is dit niet slechts een intellectuele oefening, zoals je lijstjes naziet voor een naderend examen. David weet dat zijn focus op wat God heeft gedaan, een door God gegeven middel is om aansluiting te vinden bij de levende God zelf, en dit is wat hij wil: ‘Ik strek mijn handen tot U uit, mijn ziel smacht naar U als een dorstig land’ (143:6).

(3) Drie keer in de verzen 8-10 bidt David voor leiding. Elk verzoek heeft een iets andere focus.

‘Maak mij de weg bekend, die ik gaan moet’ (143:8) weerspiegelt Davids vertwijfeling, maar is ook een hint dat er unieke en individuele elementen zijn aan de leiding die hij nodig heeft (zoals er individuele roepingen zijn in de kerk, Joh. 21:21-22).

‘Leer mij uw wil te doen’ (143:10:a) focust nu volledig op Gods agenda (‘want Gij zijt mijn God’). Gods wil kennen en doen is waar het om gaat bij leiding.

‘[U]w goede Geest geleide mij in een effen land’ (143:10b) is toegeven dat we ook kunnen vallen of rebelleren, struikelen of afdwalen – en altijd hebben we hulp nodig.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 10 november 2015

Groot is de dag des HEREN en zeer geducht! (Joël 2)

2 Koningen 23; Hebreeën 5; Joël 2; Psalm 142

De openingsverzen van Joël 2 bieden een verbluffend beeld van de naderende sprinkhanenzwermen. Het laatste vers van het gedeelte (2:11) maakt duidelijk dat deze sprinkhanen het leger van de Heer zijn.

Feit is dat ‘de dag des Heren’ in het Oude Testament, d.w.z. de dag wanneer de Heer zich manifesteert, al even vaak een dag van oordeel is als van zegen en licht: ‘groot is de dag des HEREN en zeer geducht! Wie zal hem verdragen?’ (2:11).

Overgezet naar de finale dag van de Heer, geldt hetzelfde: hij is zeer groot en geducht. Wie kan hem verdragen? Alleen zij die voor bescherming hun toevlucht hebben genomen tot de veiligheid die alleen God zelf biedt zullen in staat zijn op de laatste dag, wanneer de toorn van God ten volle blijkt, te zeggen ‘I need no other argument / I need no other plea; / It is enough that Jesus died / And that he died for me’ (L. H. Edmonds). (Vrij vertaald: ‘Ik heb geen ander argument nodig / ik heb geen andere pleitgrond nodig / Het is genoeg dat Jezus stierf / En dat Hij stierf voor mij’)

Twee zeer gedenkwaardige passages volgen:

Ten eerste vinden we in Joëls vermaning om terug te keren naar de Heer het volgende merkwaardige vers: ‘Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil (2:13).

De gewoonte om jute te dragen of om zijn kleren te scheuren in tijden van grote smart of als een teken van rouw was goed ingeburgerd. Zoals alle uiterlijke tekenen kon het echter gewoon nagedaan worden. In plaats van een uiterlijk kenmerk van innerlijke bekering, kon het gemakkelijk een bijkomend stukje religieuze vorm worden.

God wil een verandering die van binnenuit voortkomt, niet een uiterlijk vertoon dat hoopt zegeningen van Hem af te troggelen. Dit suggereert ook, in sterke bewoordingen, dat diep berouw niet alleen behelst dat je je afkeert van zondig gedrag, maar ook een emotionele, diepe respons – een verscheurd hart, een diepbeschaamde afkeer van voorgaande betrokkenheid met zonde.

Dit brengt geen mensen voort die proberen een nieuw contract met God te onderhandelen, maar mannen en vrouwen die, overtuigd door de Geest, in wanhoop uitroepen, ‘Wat moeten wij doen?’ (Hd. 2:37).

Ten tweede vertellen de slotverzen van het hoofdstuk ons (2:28-32) wat God ‘daarna’ zal doen, d.w.z. na de zegeningen die Hij belooft uit te gieten over het volk in de vorm van hun vaderland en oogst. Hij zal zijn Geest uitstorten over alle mensen (2:28) , zo krachtig dat allen God zullen kennen en allen een profetische Geest zullen bezitten.

Deze verzen worden door Petrus geciteerd als vervuld op de Pinksterdag (Hd. 2:17-21); ze zijn parallel aan verschillende beloften van het nieuwe verbond (Jer. 31; Ez. 36). Zie de overdenking van 15 juli in volume I, en, in dit volume, van 3 augustus en 3 oktober.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 9 november 2015

Wee die dag, want nabij is de dag des HEREN (Joël 1)

2 Koningen 22; Hebreeën 4; Joël 1; Psalmen 140-141

De profetie van Joël is om verschillende redenen merkwaardig. De meeste canonieke Oudtestamentische profetieën worden uitgesproken door profeten die de tijd van hun dienstwerk aanduiden met een verwijzing naar de regering van koningen (bijv. Hosea 1:1). Joël doet niets in die zin. Ook hebben we geen idee wie zijn vader Petuël is.

Schattingen over de ontstaansdatum van het boek variëren van de negende eeuw v.C. tot de tweede eeuw v.C. De tempel is duidelijk in gebruik (bijv. 1:13), maar het is onzeker of dit de eerste tempel is (gebouwd tijdens de regering van Salomo) of de tempel die werd gebouwd nà de ballingschap.

In bepaalde opzichten is die onbepaaldheid een voordeel. Terwijl we de specificiteit verliezen die veel van de Oudtestamentische profetische geschriften kenmerkt, verkrijgen we een soort tijdloos gevoel dat misschien de toepassing makkelijker maakt.

Het is bijna zeker dat wat aan de crisis voorafging een sprinkhanenplaag was (hoewel sommigen de sprinkhanen zien als beeld voor een machtig leger). Die ervaring is de vorm geworden die de profeet gebruikt om het volk op te roepen tot bekering in het licht van het voorbije en voorspelde oordeel.

Het is ook de achtergrond voor enkele van de meest levendige profetieën voor de toekomst, vervuld bij de komst van het evangelie, die we vinden in geheel de Oudtestamentische canon (zie in het bijzonder de overdenking van morgen).

De sprinkhanenplaag die wordt geschetst in Joël 1 is een welbekend fenomeen in bepaalde delen van de wereld vandaag. Eens sprinkhanen zijn uitgezwermd, kun je ze bijna onmogelijk stoppen.

Werkelijk verschrikkelijke sprinkhanenplagen werden gezien voor wat ze waren: het oordeel van God. Dit is waarom Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de tempel de mogelijkheid vermeldt dat God zijn volk zou tuchtigen met sprinkhanen – en hij schrijft voor wat eraan te doen (1 Koningen 8:37).

Joël doet dit. Hij nodigt in het bijzonder de priesters uit (‘gij dienaren van het altaar’, 1:13) om rouwgewaden aan te trekken, te treuren en een heilig vasten en een plechtige bijeenkomst uit te roepen, terwijl hij de oudsten naar de tempel sommeert om de Heer te aanroepen (1:13-14).

Joël zelf beëindigt het hoofdstuk met de kreet ‘Tot U, HERE, roep ik’ (1:19).

Dit is een goede plaats om een ogenblik na te denken over hoe we dergelijke rampen moeten zien. We mogen niet het standpunt van fatalisten overnemen. Als we sprinkhanen vandaag kunnen tegenhouden (satellieten kunnen soms beginnende insectenzwermen spotten, waarna ze gestopt worden door vrachtwagens met pesticiden), dan moeten we dit doen – op precies dezelfde manier als we oorlog, plagen, aids, honger en andere rampen een halt moeten toeroepen.

Maar in een theïstische wereld waarin God soeverein is, moeten we ook het dwingende oordeel van God horen die zijn beelddragers oproept om hun zondige egoïsme af te zweren en genade van Hem af te smeken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 8 november 2015

Door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld (Hos. 14)

2 Koningen 21; Hebreeën 3; Hosea 14; Psalm 139

Het slothoofdstuk van de profetie, Hosea 14, heeft een zachtere toon. Het is bijna alsof de donder van rebellie en oordeel zichzelf heeft uitgeput, en genade zegeviert.

Het hoofdstuk begint en eindigt met vermaning van Hosea. Daartussen vind je eerst de woorden van het volk (of, meer precies, de woorden die de profeet het volk opdraagt te zeggen), en dan de woorden van God. Ik zal kort elk van deze vier delen overdenken.

(1) Hosea begint met bekering: ‘Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God’ (14:2). ‘Bekering’ wordt perfect beantwoord door ‘uw God’: de profeet roept niet op tot een zekere nieuwe en gevaarlijke geestelijke reis, maar roept op om zich af te keren van de rebellie, terug te keren tot de Heer die ze zo lang gekend hebben.

Ze moeten de kern van het probleem onder ogen zien: ‘door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld’ (14:2). Er is nooit enige weg terug zonder doordrongen te zijn van deze fundamentele realiteit.

Bovendien is wat de profeet wil niet slechts een terugkeer naar een formele loyaliteit aan een wettenstelsel. Hij wil dat ze ‘met woorden komen’ wanneer ze terugkeren (14:3). Woorden kunnen natuurlijk leeg zijn: soms zeggen daden meer dan woorden. Maar vaak vereist oprecht berouw niet alleen berouwvol gedrag, maar ook woorden – niet een sombere terugkeer tot voorgeschreven rituelen en kerkbezoek, maar het soort berouw dat woorden doet opborrelen die onthullen wat er in het hart is.

(2) En welke woorden zouden ze moeten spreken? Hosea vertelt het hen (14:3b-4). Ze moeten om de vergeving van hun zonden vragen; ze moeten vragen dat God hen zou aannemen; ze moeten afstand doen van hun politieke banden, daarmee impliciet erkennend dat dergelijke verbindingen hen van het vertrouwen in God afhouden; ze moeten hun afgoderij afleggen en hun hoop stellen in de levende God. Hoe zou de echo van dergelijke gebeden klinken in onze eigen levens?

(3) De woorden van de Heer (14:5-9) zijn liefelijk. ‘Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af’ (14:5).

Dan beschrijft God in een reeks beelden de zegeningen die Hij zal zijn en zal schenken voor Israël. De slotzinnen van het gedeelte versterken nog eens de theologische les van het volledige hoofdstuk: ‘Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken’ (14:9).
God bezit alle ‘groenheid’, de vastheid van het altijd groene, en alle voedsel en rijkdom van een vruchtdragende boom (vgl. Ps. 1:3).

(4) Hosea besluit het boek: ‘Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des HEREN zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er’ (14:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 7 november 2015

Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij (Ps. 137)

2 Koningen 20; Hebreeën 2; Hosea 13; Psalmen 137-138

Het past dat we Hosea 13 moeten lezen in verbinding met Psalm 137. Hosea 13 brengt de beloften van de profeet met betrekking tot oordeel naar hun hoogtepunt. God zal het trotse Samaria (Efraïm) vernietigen. Gelijkaardige waarschuwingen werden regelmatig gebulderd tegen Juda, maar zij toonden geen tekenen van berouw. In 587 v.C. verwoestte God Jeruzalem en de laatste grote golf mensen werd in ballingschap gevoerd.

Hier in Psalm 137 verwoorden de gevangen van die ramp hun volkomen wanhoop, en bijna heel hun focus ligt op de secundaire uitvoerders – hun gevangennemers, de Edomieten, het volk van Babylon. En beide perspectieven houden steek en zijn complementair.

Hier zal ik over de vier delen van Psalm 137 nadenken.

(1) Het eerste (137:1-3) is zo levendig dat het klinkt als de herinnering van ooggetuigen. Een reliëf uit het Assyrisch paleis van Sanherib in Nineve beeldt drie krijgsgevangen af die op hun lieren spelen terwijl een soldaat met hen mee stapt; ongetwijfeld gebeurde dit ook in Babylon.

‘Babels stromen’ waren een kanalensysteem dat verbonden was met de rivierensystemen van Tigris en Eufraat. De ‘citers’ (lieren) waren instrumenten van vreugde. In de symbolische taal van Openbaring 5, wanneer de leeuw die tegelijk het lam is de boekrol uit de rechterhand van de Almachtige aanneemt, waarmee hij aantoont dat hij waardig is de boekrol te openen en al Gods plannen in zegen en oordeel ten uitvoer te brengen, barsten alle ‘citers’ los; het is een moment van onuitsprekelijke vreugde, het tegengestelde van deze paragraaf.

(2) Maar de ballingen weigeren te zingen (137:4-6). Alle associaties van de liederen van de Heer zijn verbonden met Jeruzalem en de tempel. Voor hen was hun besliste weigering, zelfs tegenover hun mishandelende gevangennemers, niet alleen een teken van pathos en harteleed (v. 4), maar ook van passie en trouw (vv. 5-6).

(3) De Edomieten hadden zich zichtbaar verheugd in de verwoesting van Jeruzalem en er mogelijk ook aan meegeholpen. Op dit punt heeft de profeet Ezechiël meer te zeggen (Ez. 35; zie de overdenking voor 2 oktober).

God haat zelfgenoegzaamheid en een wraakgierige geest. Het oordeel over Jeruzalem kwam, uiteindelijk, van God – maar hij zou ook hen oordelen die zich verheugden in Jeruzalems val en eraan bijdroegen.

Een van de lelijkste recente bewijzen van die zelfgenoegzame wraakgierigheid binnen de rangen van belijdend evangelicalisme was de slogan ‘geen tranen voor homo’s’ (Eng.: ‘no tears for queers’), nadat een jonge homofiele man was doodgeslagen.

(4) Aan het einde van een belegering gebeurt het dat soldaten van de overwinnaar kleine kinderen bij hun enkels vastgrijpen en ze doden door hun hoofden tegen een muur te slaan. Wat dergelijk barbarisme strikt gesproken vereist wil gerechtigheid kunnen zegevieren, is vergelijkbaar lijden.

Deze opgewonden zinnen zijn geen koude beleidslijnen, maar de hartenkreten van morele verontwaardiging. We moeten de kwelling horen, vooraleer we ook God horen beklemtonen dat Hem de wraak toekomt (Rom. 12:19).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 6 november 2015

Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid (Ps. 136)

2 Koningen 19; Hebreeën 1; Hosea 12; Psalmen 135-136

Bepaalde Psalmen schenken ons een glimp van de eredienst van het oude Israël, en Psalm 136 is daar een van. Waarschijnlijk werd dit in beurtzangen gezongen: ofwel een beperkt deel van het koor, of een deel van de vergadering in de tempel zou de leidende zin van elke cyclus zingen, en de hele vergadering zou uitbarsten en antwoorden met ‘want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’.

De vergelijking tussen 136:18-22 en 135:10b-12 suggereert dat bepaalde andere psalmen ook op deze manier gezongen werden. In de Joodse traditie staat deze psalm bekend als de Grote Hallel, ‘de Grote Psalm van Lofprijs’. Het refrein zelf bejubelt Gods ‘liefde’: het Hebreeuwse woord is ‘hesed’, dat bijzonder moeilijk consequent met één Nederlands (of Engels) woord kan weergegeven worden.

De (Engelstalige) King James Version opteert bijvoorbeeld voor ‘steadfast love’ (De meeste Nederlandse vertalingen kiezen hier voor ‘goedertierenheid’, NBV opteert voor ‘trouw’ en Willibrord voor ‘liefde’, JL). Het is verbonden met Gods trouw aan het verbond, en in diverse contexten kan het naar behoren weergegeven worden als ‘genade’, liefde’, zelfs ‘verbondstrouw’ – met ondertonen van een wederkerige verplichting.

Wat deze psalm zo diepzinnig maakt is niet de compactheid van het refrein maar zijn verbinding met een uitgebreide bewijsgrond – bewijs dat Gods goedertierenheid eeuwig duurt. De psalm spreekt over Gods karakter (136:1), de uitgestrektheid van zijn soevereiniteit (136:2-3), zijn creatieve kracht (136:4-9), de buitengewone bewijzen van zijn sterkte toen Hij zijn volk uit Egypte verloste (136:10-22), en zijn genade die Hij evenzeer bewees aan zijn uitverkorenen als aan elk schepsel dat onder de hemel voedsel nodig heeft (136:23-25).

Vergelijk deze specificiteit met een aantal hedendaagse lofgezangen die ons eindeloos oproepen om de Heer te prijzen, zonder dat ze ons duidelijk maken waaróm we de Heer zouden moeten prijzen, of ons misschien maar een reden of twee geven.

Die lofgezangen neigen er vaak naar de nadruk te leggen op de lofprijs; hier ligt de nadruk op Degene die geprezen wordt, zodat de aanbidding het aroma heeft van niets meer te zijn dan de onvermijdelijke respons op een zo geweldige God. Het ene focust op wat wij doen, het andere op wie God is en wat Hij heeft gedaan.

Enkele slotoverdenkingen:

(1) De uitdrukking ‘looft’ of ‘prijst’ (Eng.: ‘give thanks’) waarmee de eerste drie verzen en het laatste beginnen, suggereert meer dan een gewone ‘heel erg bedankt’. Het heeft te maken met ‘belijden’ (in de oudmodische betekenis), ‘erkennen’ (met bedachtzame Godgerichtheid), met dankbare aanbidding.

(2) Deze God duldt geen rivalen. Hij is de God der goden, de Heer der heren (136:2, 3).

(3) Gevormd als ze zijn door het pluralisme, vinden onze oren het vreemd het refrein ‘want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ toe te voegen bij zinnen als ‘die grote koningen versloeg’ en ‘Farao met zijn leger in de Schelfzee stortte’. Maar deze daden waren uitdrukkingen van Gods verkiezende liefde voor zijn uitverkoren volk. De notie dat God alle mensen op precies dezelfde manier en in elk opzicht liefheeft, vindt maar weinig grond in de Schrift.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 november 2015

Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt (Hos. 11)

2 Koningen 18; Filemon; Hosea 11; Psalmen 132-134

In Hosea 9 zegt God over zijn verbondsvolk: ‘Al hun boosheid is in Gilgal, daar heb Ik ze dan ook gehaat; wegens hun boze handelingen zal Ik ze uit mijn huis verdrijven. Ik zal ze niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandelingen’ (9:15).

Maar hier in Hosea 11 verklaart God, ‘Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt’ (11:8). Hoe moeten we deze twee passages samen zien?

Ten eerste is deze emotionele onrust de taal van de afgewezen echtgenoot: in dit boek speelt de Almachtige God de rol van de bedrogen echtgenoot. Maak alle voorbehoud dat je wilt bij antropomorfisme, dit is al evenzeer de manier waarop God zich voorstelt in de Schrift als de passages waar zijn volkomen soevereiniteit wordt bevestigd.

Het is het naast elkaar zetten van dergelijke thema’s dat het orthodoxe confessionalisme ertoe dreef te beklemtonen dat God tegelijk, aan de ene kant, soeverein en transcendent is, en aan de andere kant, persoonlijk en in interactie met zijn beelddragers.

Ten tweede maakt het naast elkaar zetten van Gods toorn en Gods liefde het onnodig om verzen uit twee hoofdstukken weg te halen (9 en 11).

In hoofdstuk 11 is de spanning al bijna niet te dragen. Het hoofdstuk begint met een korte historische terugblik. God verloste Israël uit Egypte ten tijde van de Exodus (11:1) en Hij leert haar lopen, door haar te leiden ‘met mensenbanden’, ‘met koorden der liefde’ (11:4).

Maar hoe meer Hij Israël begunstigde, hoe meer zij afdwaalden (11:2), en ze weigerden absoluut om zich te bekeren (11:5). Dus zal God tot hen komen met grote toorn: ‘Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen en verteren, wegens hun overleggingen. (…) En al roepen zij tot Hem omhoog, Hij zal hen geenszins opheffen’ (11:6-7).

Het klinkt alsof het te laat is. En dan, plotseling, bijna alsof God tegen zichzelf spreekt, vraagt Hij hoe Hij hen ooit zou kunnen prijsgeven (11:8).
Wat is het antwoord? Het antwoord ligt in het karakter van God zelf. Hij is niet net als een bedrogen echtgenoot. ‘Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed’ (11:9).

Of, nog preciezer, zoals de volgende twee verzen aantonen, zal Hij niet finaal in toorn tot hen komen. Zij zullen in gevangenschap gaan, maar Hij zal opnieuw brullen met de koninklijke sierlijkheid van de leeuw en zal zijn kinderen roepen uit het westen, uit Egypte, uit Assur, en ze zullen terug in hun huizen wonen.

Binnen het grotere canonieke kader betekent het feit dat God God is en niet maar een sterveling, het feit dat zowel aan zijn toorn als aan zijn liefde moet voldaan worden, dat toorn en liefde samen zullen komen aangesneld – tot ze elkaar ontmoeten in het kruis, het kruis van de mens die ook werd geroepen uit Egypte om de volmaakte zoon te zijn, het volmaakte tegenbeeld van Israël (11:1; Matt. 2:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 4 november 2015

Ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht (Ps. 131)


2 Koningen 17; Titus 3; Hosea 10; Psalmen 129-131

Velen hebben opgemerkt dat Psalm 131 vooruitgrijpt naar de leer van Jezus in Matteüs 18:1-4, waar Hij vraagt, ‘Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen?’ – en dan een klein kind roept om tussen de discipelen te gaan staan.

In bepaalde opzichten moet de volgeling van Jezus als een kind zijn, en deze psalm levert zijn eigen bijdrage aan dit thema. Maar kinderlijkheid is niet hetzelfde als kinderachtigheid; eenvoud is niet hetzelfde als achterlijkheid; nederigheid is geen slaafsheid. De psalm zal krachtiger spreken als we nadenken over een aantal van de kenmerken ervan:

(1) Volgens het opschrift is dit een psalm van David. Je zou je wel kunnen afvragen tijdens welke periode in zijn loopbaan hij dit schreef. Meer dan een schrijver heeft geopperd dat het uit een vroege periode komt, voor de successen van zijn middelste en latere jaren een bepaalde arrogantie voortbrachten die het voor hem onmogelijk maakte om te schrijven ‘ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn’ (131:1).

Dat is natuurlijk mogelijk. Niettemin zou een zeer jonge man die nog niet de gelegenheid had zich bezig te houden met grootse dingen, niet gauw deze woorden schrijven – en als hij het al deed, zouden ze lichtelijk pretentieus klinken, een beetje als een hoogdravend excuus om de moeilijke zaken niet aan te pakken.

Je kunt het punt niet finaal bewijzen, maar ik vermoed dat deze psalm makkelijker kan worden verstaan als hij voortkomt uit het einde van Davids leven, nadat hij was verbroken door zaken als met Batseba en Uria, en door de opstand van zijn zoon Absalom.

Verbroken, minder snel denkend dat alleen hij verstaat, trager om zijn paraplu open te trekken, en meer onder de indruk van de wijze voorzienigheid van God, schrijft David (zo stel je je voor) nu tot rust gekomen: ‘HERE, mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots; ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn’ (131:1).

(2) Bepaalde commentatoren (en zelfs vertalingen) stellen het kind van vers 2 voor als zogend aan de borst. Maar dit is niet wat de tekst zegt. David stelt zichzelf voor als ‘een gespeend kind bij zijn moeder’. Dit kind weent niet langer, net zomin als David, voor wat het daarvoor als onmisbaar zag.

Ook dit suggereert dat David nu volwassen genoeg is om iets op te geven – namelijk, in het licht van vers 1, de zelfverzekerde zoektocht om alles te verstaan, voortgekomen uit meer dan een beetje arrogantie. De onvolwassenheid die hij verlaat is als een klein kind dat kronkelt om zijn moeders borst te pakken te krijgen. Maar David is dit punt voorbij. Hij is gespeend, en hij is voldaan. Vgl. Filippenzen 4:11 e.v.

(3) De maturiteit die David heeft bereikt is niet alleen gegrond in vluchtgedrag uit de complexiteiten van het leven, maar in vertrouwen in de Heer (131:3), wiens volmaakte verstand een bolwerk vormt voor onze hoop.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 november 2015

De profeet stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid (Hos. 9)

2 Koningen 16; Titus 2; Hosea 9; Psalm 126-128

‘Gekomen zijn de dagen der bezoeking, gekomen de dagen der vergelding. Israël zal het ervaren’ (9:7). Dit hoofdstuk (Hosea 9) verduidelijkt een aantal van de verbanden tussen zonde en oordeel.

(1) De taal van hoererij wordt verdergezet: ‘want gij zijt overspelig van uw God afgeweken, gij hebt het loon der ontucht liefgehad op alle dorsvloeren van het koren’ (9:1). Zowel politiek als religieus flirtte Israël voortdurend met vreemde goden en vreemde machten. Het hield ontzettend van alle ceremoniële godsdienstigheid. Maar de dagen komen dat het zal verstrooid worden, gedwongen om ‘het land des HEREN’ te verlaten (9:3, 17).

Israël zal naar ‘Egypte’ terugkeren (9:3); sommige Israëlieten belandden daar inderdaad, maar Egypte is ook een cryptische omschrijving voor elk vreemd, onderdrukkend land. Efraïm (= Israël) zal onrein voedsel, ‘het onreine eten’ in Assur (9:3). Hier wordt niet alleen de ceremoniële onreinheid bedoeld, maar ook het vooruitzicht van een gedwongen ballingschap. Alle offerandes voor haar zo geliefde feesten en hoogtijden zullen opdrogen (9:5); de straffen zijn verbonden met de zonden.

(2) Systematische verwerping van de profeten betekent dat de mensen Gods waarschuwingen niet kunnen horen – en zo verzekert hun cynisme dat ze in de oordelen struikelen waarvoor de profeten waarschuwen. ‘Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid’ (9:7-8, NBV). Hoe toepasselijk is dit vandaag?

(3) De geschiedenis van Israël gaat van werkelijk prachtige banden met de levende God – vanuit Gods gezichtspunt was het als vond Hij ‘druiven in de woestijn’ (9:10) – tot verschrikkelijke vernedering. Het incident met Baäl-Peor (9:10; vgl. Num. 25) is typisch, want het combineert zowel fysieke als geestelijke verontreiniging: de Moabitische vrouwen verleidden de mannen van Israël, en de plaatselijke Moabitische Baäl trok hun aanbidding aan.

Onze cultuur volgt seks al even gretig en soms verbindt ze dit met de zelfvervulling van new age spiritualiteit. Het resultaat voor ons zal hetzelfde zijn als bij Baäl-Peor: het volk werd al ‘even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde’ (9:10). Wat je aanbidt, daar ga je al gauw op lijken (Ps. 115:8); meer nog, je identificeert je ermee, verdedigt het, maakt er gemene zaak mee – en als het een gruwel is voor God, dan word je gauw een gruwel voor Hem.

Zo gaat de ‘heerlijkheid’ weg (9:11), of het nu in de betekenis is van reputatie of zelfrespect, of moreel leiderschap, of, uiteindelijk, de tegenwoordigheid van God zelf (Ez. 8:6; 11:23).

Een koning of president verdedigen omwille van zijn economische beleid wanneer de morele kern verdwenen is, betekent dat we al even gemeen zijn geworden als de dingen waar we van houden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 november 2015

Tot Mij roepen zij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U! Doch Israël verfoeit het goede (Hos. 8)

2 Koningen 15; Titus 1; Hosea 8; Psalmen 123-125

Het enige bindende element tussen de verschillende zonden die worden veroordeeld in Hosea 8 is wellicht de menselijke onafhankelijkheid. De ‘arend’ uit 8:1 is wellicht een aasgier. ‘Een [aasgier] … tegen het huis des HEREN’ is een manier om te zeggen dat Jeruzalem zo goed als dood is: de aaseters verzamelen al voor hun feestmaal. Het volk mag dan in relatieve voorspoed en vrede leven, de onheilspellende tekenen zijn er al voor wie ogen heeft om te zien.

Bewijzen van zondige onafhankelijkheid zijn onder meer:

(1) Een hypocriete loyaliteit aan het verbond (8:1-3). Wat het hypocriet maakt is dat Israël uitroept: ‘Mijn God! Wij, Israël, kennen U!’, terwijl het het verbond verbreekt en tegen Gods Wet rebelleert (8:1). Dit is de verwerping van wat goed is – en daar zijn gevolgen aan verbonden (8:3). Vgl. 1 Joh. 2:4.

(2) Uitdagende alternatieven voor het Davidisch koningshuis (8:4). Dit is wat er bedoeld wordt met de beschuldiging ‘Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten
Mij om; vorsten, zonder dat Ik ervan wist’. De Heer zette zijn zegel op het Davidisch koningshuis, maar om hun onafhankelijkheid van Jeruzalem te bewaren, opteerden de tien stammen, die nu Israël vormen, voor hun eigen monarchen. Ze waren niet ‘verkozen’ in een of andere democratische betekenis; ze volgden elkaar regelmatig op via bloedige staatsgrepen. Maar ze waren niettemin de keuze van de noordelijke stammen, in die mate dat ze dezen verkozen boven loyaliteit aan het geslacht van David. Het is altijd zo dat, tenzij de Here het huis bouwt, zij die arbeiden dit tevergeefs doen (Ps. 127:1); hier wordt de zonde concreet door de vervreemding van de messiaanse lijn.

(3) Het ontwikkelen van afgoden, van de religieuze keuze van de cultuur (8:4-6, 11-13). Initieel werden twee gouden kalveren opgericht, een in Dan en een in Bethel, om de aantrekking van Jeruzalems tempel te compenseren (1 Kon. 12:27-30). Bovendien zouden mensen in Israël niet meer zo ver moeten reizen. Alhoewel ze dus formeel wel de altaren voor zondoffers in stand houden, werden ze op deze manier altaren ‘om te zondigen’ (8:11).

(4) het voortdurend vertrouwen op dure en onbetrouwbare bondgenoten (8:8-10). In plaats van op de Heer te vertrouwen, denken ze dat hun slimme diplomatie met regionale supermachten hen zal redden. God wordt vernederd, en Israël (‘Efraïm’) wordt verder verleid door afgoderij.

(5) Vertrouwen op rijkdom en militaire macht (8:14). Israël (het noorden) heeft zijn paleizen; Juda (het zuiden) versterkt vele steden – zesenveertig eigenlijk.
Maar God zal ze vernietigen (8:14b). Toen Assyrië Israël versloeg (722 v.C.), nam het ook alle ommuurde steden van Juda in, behalve Jeruzalem (2 Kon. 18:13), dat gespaard werd tot Nebukadnessar meer dan een eeuw later opkwam.

Welke tekenen van zondige onafhankelijkheid kenmerken onze cultuur? Wat zal God eraan doen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 1 november 2015

Eenheid is een neveneffect, niet het doel (Ps. 122)

2 Koningen 14; 2 Timotheüs 4; Hosea 7; Psalmen 120-122

Onder de opgangsliederen of bedevaartpsalmen (zie vol. 1, overdenking van 29 juni) vind je ook de prachtige Psalm 122. Hier begeleidt de psalmist vreugdevol hen die opgaan naar Jeruzalem voor een van de feestelijke hoogtijden: ‘Laten wij naar het huis des HEREN gaan’ (122:1). De pelgrims zijn in vers 2 al aangekomen: ‘Onze voeten staan in uw poorten, o Jeruzalem’.

Twee thema’s overheersen in de resterende verzen van de psalm.

Ten eerste benadrukken de verzen 3-5 de eenheid van Gods volk, die bewerkt wordt door hun gemeenschappelijke aanbidding in Jeruzalem van de enige ware God en hun gemeenschappelijke onderwerping aan de heerschappij en het recht van het huis van David.

Natuurlijk was er verscheidenheid – niet alleen de verscheidenheid die eigen is aan elke groep mensen, maar ook de verscheidenheid die inherent is aan de twaalf ‘stammen’ (122:4), elk met zijn eigen specifieke karakter. De eenheid ging dieper dan bloedbanden. Ze was gebaseerd op een gemeenschappelijk verbond met de ene God. Dit waren ‘de stammen des HEREN’ (122:4).

Geen wonder dan dat wanneer de noordelijke tien stammen in opstand kwamen, de leider, Jerobeam, erg bevreesd was dat Jeruzalem en zijn tempel als steunpunt zouden dienen voor hernieuwde eenheid (1 Kon. 12:26 e.v.).

Maar eenheid was slechts het neveneffect van de feestelijke opgangen naar Jeruzalem. Het doel van deze opgangen was iets anders: ‘Een voorschrift voor Israël is het de naam des HEREN te loven’ (122:4). Wanneer God het middel wordt tot het doel, wordt nooit eenheid bereikt; wanneer God zelf het doel is, zijn de heerlijke neveneffecten van eenheid en vrede nooit ver weg.

De zuivere Godgerichtheid van Bijbelse godsdienst is een van de dingen die ze gewoonlijk onderscheiden van het heidendom, dat gewoonlijk godsdienst beschouwt als een middel tot een bepaald doel (vgl. Hosea 2:5).

Ten tweede roept David, in een ander onderscheid tussen middelen en doel, het volk op te bidden voor de vrede van Jeruzalem, niet omwille van een abstract ideaal of omwille van de stad op zich, maar omwille van het volk zelf (122:8) en bovenal ‘om het huis van de HERE, onze God’ (122:9).

Politieke vrede nastreven en daarbij de mensen vergeten is maar nep. De oproep te bidden voor de ‘vrede’ van ‘Jeruzalem’ (122:6) bevat een woordspeling: we moeten bidden voor het sjalom van Jeruzalem; de Hebreeuwse medeklinkers zijn dezelfde en herinneren er ons aan dat Jeruzalem welbeschouwd mensen het vooruitzicht biedt van volheid van ‘welzijn’.

Louter fysieke voordelen nastreven voor mensen terwijl je de tegenwoordigheid en de plannen van de Here God vergeet is op zijn best kortetermijndenken en op zijn slechtst een weg naar rampspoed en de hel zelf. ‘Om het huis van de HERE, onze God’, zo schrijft David, ‘wil ik het goede voor u zoeken’ (122:9).

Denk na over hoe je deze twee punten kunt transponeren naar het christelijke tegenbeeld (Heb. 12:22-24), vooral in gedetailleerde toepassing (Heb. 12:28-13:13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.