Posts tonen met het label vervolging. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vervolging. Alle posts tonen

donderdag 14 januari 2016

In deze landen worden gelovigen meest vervolgd



De christenvervolging neemt opnieuw wereldwijd toe. Open Doors publiceert een lijst met landen waar gelovigen het zwaarst worden vervolgd. Of de landen waar gebed het meest voor nodig is. Noord-Korea krijgt concurrentie op deze trieste ranglijst. Lees meer over de ranglijst christenvervolging op de website van Open Doors. Dit zijn de trends en feiten.



Ook Christianity Today publiceert op zijn website de lijst met landen waar geloven het moeilijkst is. In het Engels spreekt men over de World Watch List van Open Doors. Lees het volledige artikel van Christianity Today: North Korea Gets Competition: The Top 50 Countries Where It's Now Hardest To Be a Christian

vrijdag 10 januari 2014

Wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig (Mt. 10)

Genesis 11; Matteüs 10; Ezra 10; Handelingen 10
Terwijl Hij met ontferming is bewogen wanneer de scharen Hem doen denken aan schapen zonder een herder, instrueert Jezus zijn discipelen: ‘Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen’ (Matt. 9:38) – en dan organiseert Hij een zendingsopdracht als training voor de twaalven die zijn kring van vertrouwelingen vormen (Mat. 10).

Er zijn heel wat mooie dingen uit dit hoofdstuk te leren. Te oordelen naar de beschrijving (bijv. 10:18) beschouwt Jezus het als een soort voorbode van een missie die een leven lang zal duren. Hier moet ik focussen op slechts één element.

Dat element is de conflictsgraad die Jezus voorziet bij deze evangelistische onderneming. Soms zullen hele gemeenschappen Jezus’ volgelingen verwerpen (10:11-14). Als ze in latere jaren met hun getuigenis de hoogste regeringskringen zullen bereiken, dan zullen diezelfde regeringen toch soms harde sancties opleggen (10:17-19).

De prioriteiten van het evangelie zullen een dusdanige breuk brengen binnen families dat sommige gezinsleden andere zullen verraden (10:21, 35). In het slechtste geval zal de vervolging christen getuigen van de ene naar de andere stad achtervolgen (10:22-23). In bepaalde gevallen zal die vervolging eindigen in martelaarschap (10:28).

Iedereen die ook maar een beetje vertrouwd is met de geschiedenis weet hoe vaak en huiveringwekkend deze profetieën werden vervuld. Het feit dat velen in het Westen grotendeels voor zo lange tijd gevrijwaard bleven van de ergste vormen van deze vervolgingen, heeft gemaakt dat we minder op onze hoede zijn – zelfs christenen kunnen denken dat de maatschappij ons een probleemloos leven verschuldigd is.

Maar nu het judeo-christelijke erfgoed van het Westen verzwakt, zouden we ons op een dag wel eens kunnen bevinden in de realiteit die zendingsspecialisten wel kennen maar de rest van ons soms negeert: de voorbije anderhalve eeuw bracht meer bekeringen, en ook meer martelaren dan de eerste 18 eeuwen samen.

Wat zal ons houvast bieden in dergelijke tijden? Dit hoofdstuk vermeldt diverse kostbare punten van steun: de erkenning dat onze Meester Jezus al gehaat werd voor ons (10:24-25); de verzekering dat op het einde gerechtigheid zal geschieden en dat zal zichtbaar worden dat die gerechtigheid geschiedt (10:26-27); de erkenning dat een gezonde vrees voor God de vrees voor mensen doet afnemen (10:28); rustig vertrouwen in de soevereiniteit van God, zelfs in deze omstandigheden (10:29-31); de bemoedigende erkenning dat zij die ons ontvangen ook Christus ontvangen, en daarmee ook God (10:40); Christus’ eigen belofte dat de beloningen van de eeuwigheid niet kunnen ontbreken (10:41-42).

In elk geval staat een fundamenteel principe op het spel: het is de manier waarop christenen dingen zien; het is zelfs verbonden met het christen zijn. ‘Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden’ (10:38-39).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 8 januari 2014

Top 10 van landen met meeste christenvervolging

Knack publiceert deze droevige top 10 en weet 'Wereldwijd neemt de christenvervolging toe. In Syrië alleen al werden in 2013 minstens 1.123 christenen gedood omwille van hun geloof.'

Lees het volledige stuk op de Knack website, met per land een korte commentaar: Top 10 van landen met meeste christenvervolging

Dit zijn trouwens de 10 landen:
1. Noord-Korea
2. Somalië
3. Syrië
4. Irak
5. Afghanistan
6. Saudi-Arabië
7. Malediven
8. Pakistan
9. Iran
10. Jemen

Open Doors publiceert jaarlijks zelfs een ranglijst met de 50 landen waar christenen het zwaarst worden vervolgd.



"Denk aan de gevangenen alsof u zelf ook gevangen bent, en denk aan hen die slecht behandeld worden, alsof u ook zelf lichamelijk slecht behandeld wordt." (Hebr. 13:3)

"Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten." (1 Petr. 5:8-9)

dinsdag 17 december 2013

U kan de wereld niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn (Joh. 7)


2 Kronieken 19-20; Openbaring 8; Zacharia 4; Johannes 7

Sommigen van ons denken nogal naïef dat, als Jezus vandaag leefde, onze tolerante cultuur het Hem niet al te moeilijk zou maken, laat staan Hem zou kruisigen. We zouden Hem gewoonweg marginaliseren, Hem behandelen alsof Hij een ongevaarlijke excentriekeling is. Is dat zo? Niet volgens Johannes. De kwestie is verbonden met onze gevallen aard en haar reactie op heiligheid.

Dit is nergens duidelijker dan in Johannes 7:7. Jezus’ broers hebben er bij Hem op aangedrongen dat Hij zou terugkeren naar Jeruzalem. Als Hij een beroemdheid wil worden, zo redeneren ze, dan moet Hij zich tonen in de hoofdstad op de hoogtijdagen.

Ze denken als politici: wat zal je publieke aandacht bezorgen? Maar Jezus zegt dat de ‘juiste tijd’ voor Hem nog niet was gekomen. Zij kunnen hun eigen tijdstabel volgen; Hij doet en zegt alleen wat de Vader Hem te doen en te zeggen geeft (7:6; vgl. 5:19 e.v.).

Uiteindelijk zal Hij opgaan naar het feest, maar nu nog niet (7:8). En wanneer Hij dan gaat, gaat Hij stilletjes, zonder tromgeroffel (7:10), terwijl Hij weigert de aandacht te trekken, met alle politieke herrie die dit zou veroorzaken.

Een belangrijke reden voor deze terughoudendheid wordt ons gegeven in 7:7: ‘U kan de wereld niet haten,’ zo vertelt Jezus zijn broers, ‘maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn’.

Vier korte opmerkingen.

(a) De ‘omdat’-bepaling is zowel verwarrend als onthullend. De veronderstelling is natuurlijk dat de wereld niet alleen boos is, maar het ook verschrikkelijk verfoeit dat haar zondigheid aan het licht wordt gebracht en wordt getoond zoals ze werkelijk is.
Jezus zorgt ervoor dat ‘de wereld’ zich vreselijk ongemakkelijk voelt, zowel door zijn vlekkeloze karakter als door zijn oprechte spreken.

Hoe lang had Jezus geleefd in het Rusland van Stalin? Of in het Duitsland van Hitler? Of in Noord-Ierland? Of in de Balkan? Of in de Verenigde Staten? [Of in Nederland of België?, JL] Volgens mij zouden we Hem minstens doorverwezen hebben voor psychiatrisch onderzoek.

(b) Maar ik betwijfel of het daarbij zou blijven. Denk nog maar aan één klein terrein. Sommige van mijn vrienden kregen herhaaldelijk doodsbedreigingen omdat ze zich publiekelijk uitspreken tegen homoseksuele huwelijken. Dit zijn geen homofoben of homohaters. Sommigen onder hen bleken wonderlijk veel vrucht voort te brengen onder en liefde te betonen aan zowel homo- als heteroseksuelen. Als Jezus vandaag onder ons zou dienen, dan twijfel ik er niet aan dat dergelijke doodsbedreigingen zouden uitmonden in moord.

(c) De implicatie van 7:7 is dat Jezus’ broers tot de wereld behoren. Dit is waarom ze er zo goed in passen. Zijn we wel trouw, als niemand ons haat?

(d) Deze onverholen ontmaskering van de wereld is geen zelfvoldaan protagonisme of verwerpelijke eigendunk. Jezus is rechtvaardig; Hij is heilig. Waar zonde en heiligheid in botsing komen, zal er altijd een explosie volgen. En wij, zondaars, moeten tot de erkentenis komen van onze verregaande zondigheid, of we zullen ons nooit tot de Verlosser wenden voor hulp.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 10 augustus 2013

En Jeremia zonk in het slijk (Jer. 38)


Ruth 3-4; Handelingen 28; Jeremia 38; Psalmen 11—12

Het is niet eenvoudig om te zien hoe de gebeurtenissen van Jeremia 38 verband houden met de gebeurtenissen van Jeremia 37-11-21. Sommigen denken dat het om twee volledig verschillende episodes uit het leven van de profeet gaat; anderen denken dat Jeremia 38 een uitbreiding is van het voorgaande hoofdstuk. Hoe je de kwestie ook oplost, het uiteindelijke gesprek in dit hoofdstuk tussen Jeremia en koning Zedekia vergt ernstige overdenking.

De gebeurtenissen op zich kunnen makkelijk begrepen worden. Al diverse decennia predikte Jeremia de komende verwoesting van Jeruzalem. Hij is grotendeels genegeerd of bespot. Met Nebukadnessars troepen overal rond de muren bereikt Jeremia’s geloofwaardigheid echter ongetwijfeld een hoogtepunt.

Dus wanneer hij aankondigt dat al wie in de stad blijft zal omkomen door het zwaard, honger of de pest, terwijl wie zich overgeeft zal overleven (38:2), is er nu veel meer kans dat hij zal geloofd worden dan vijf jaar eerder. De vorsten van de stad echter, die niet geloofden dat deze woorden van de Heer waren, zien dit religieus God-gepraat als niets minder dan verraad – verraad met het nefaste gevolg dat het vertrouwen van de overblijvende troepen ondermijnd wordt.

Er wacht Jeremia een onaangename straf. De meeste woningen in Jeruzalem hadden in die tijd waterreservoirs, vaak in flessenvorm, om drinkwater op te slaan. Deze put was ongebruikt, maar op de bodem ervan had je dikke modder. Liet je Jeremia voor langere tijd in deze plaats, waarschijnlijk zonder voedsel en water, dan kwam hij om.

Wat Jeremia naar de mens gesproken redt, is het feit dat koning Zedekia nog altijd zijn advies inwint. Jeremia windt er geen doekjes om. Hoewel het politiek niet opportuun is, zegt Jeremia aan de koning dat hij de Heer moet gehoorzamen en zich aan de Babyloniërs moet onderwerpen: het alternatief is de weg naar de ondergang (38:20-21).

Misschien vond Zedekia dit om historische redenen moeilijk te geloven: bij een oorlog met een belegering was het vaste patroon dat hij ten dode opgeschreven was, zelfs als hij zich overgaf, omdat hij tot op dit ogenblik weerstand had geboden.

Ongetwijfeld vond hij Jeremia’s woorden ook om een andere reden moeilijk te geloven: hij was nog altijd al te zeer afhankelijk van zijn ‘vrienden’ – die, zo benadrukt Jeremia, op een dag bespot zouden worden als nutteloze bondgenoten die de koning in de modder leidden (38:22).

Het naast elkaar plaatsen van de hoofdstukken 37 en 38 (de overdenking van gisteren en van vandaag) is geen toeval. Het leiderschap van Gods volk kan rampzalig verkeerd lopen bij de top, met ondergeschikten die beter zijn maar te zwak of bevreesd om de verandering te bewerken die zo hard nodig is (Jer. 37). Of het leiderschap kan doorheen de hiërarchie zwak of corrupt zijn, met aan de top een figuur die te besluiteloos of te zeer een watje is om zaken op te ruimen. Het droevigst gesteld is het met die christen instellingen waar zwakheid of corruptie op beide vlakken overheerst.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 augustus 2013

Zo kwam Jeremia in het gevangenhuis (…) en Jeremia bleef daar lange tijd (Jer. 37)


Ruth 2; Handelingen 27; Jeremia 37; Psalm 10
Diverse malen zagen we dat het verloop van het boek Jeremia zelden chronologisch is. Hier springen we van de regering van Jojakim in hoofdstuk 36 naar Zedekia (Jer. 37), het marionet-staatshoofd dat er kwam nadat de laatste legitieme koning van Juda, Jojakin, naar Babylon gebracht was in 597 v.C. De datum is 589-588.

De twee gebeurtenissen die beschreven worden in dit hoofdstuk weerspiegelen de verdere degeneratie van het leiderschap en illustreren toch opnieuw Gods lankmoedigheid.

(1) De eerste gebeurtenis (37:1-10) wordt schijnbaar voorafgegaan door het feit dat Farao Chofra (zie ook 44:30, JL) deed alsof hij uittrok om de Babyloniërs het hoofd te bieden en Jeruzalem te bevrijden. Het bericht was voldoende onrustwekkend voor de Babyloniërs om tijdelijk de belegering van Jeruzalem op te heffen en zich op deze nieuwe bedreiging te richten.

Zedekia stuurt een aantal afgezanten naar Jeremia met de vraag voorbede te doen – wellicht om deze tijdelijke adempauze definitief te maken. Jeremia antwoordt met de woorden van 37:7-10: het uitstel is tijdelijk, de Babyloniërs zullen terugkeren, Jeruzalem zal verwoest worden. Dus laat je niet misleiden er anders over te denken.

(2) Tijdens het uitstel poogt Jeremia de stad te verlaten door de Benjaminpoort, schijnbaar met de intentie zijn nieuw verworven eigendom in Anatot te gaan bekijken (37:11-21; vgl. 32:9). Maar hij wordt gearresteerd, geslagen en gevangen gezet onder de beschuldiging van overloperij.

De oversten geloven geen woord van wat de profeet zegt, dus blijft hij gevangen in een ondergrondse kerker in het huis van de schrijver van het land. De vorsten zijn heel anders dan hun voorgangers onder Jojakin (26:19; 36:19), die open leken te staan voor Jeremia maar onder de duim zaten van een koppige en zondige monarch.

Hier doen de vorsten laatdunkend tegen Jeremia en zijn ze ronduit wreed voor hem, terwijl koning Zedekia, eerder uit wanhoop en vrees dan uit principe, probeert in contact te blijven met Jeremia en zijn opsluiting uiteindelijk minder pijnlijk maakt.

Dit suggereert allemaal dat er in elke hiërarchie, inclusief regering en kerk, veel manieren zijn waarop dingen kunnen verkeerd gaan. Soms zijn er heel wat zwakke, besluiteloze maar niet al te immorele handlangers die gemanipuleerd worden door een zondige leider. Soms is er een besluiteloze leider die aangestuurd wordt door een stel onbekwame, trouweloze en zondige handlangers.

Overdenk het volgende: ‘Waarom, HERE, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood? Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken –laat hen verstrikt worden in de boze plannen die zij bedacht hebben. De goddeloze immers roemt naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen, hij versmaadt de HERE. De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God’ (Ps. 10:1-4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 30 juli 2013

En het ganse volk liep tegen Jeremia te hoop in het huis des HEREN (Jer. 26)


Richteren 13; Handelingen 17; Jeremia 26; Markus 12
Omdat toegewijde lezers de Bijbelse schrijvers als helden van het geloof beschouwen, zien ze soms het feit over het hoofd dat veel van deze schrijvers in hun eigen tijd veracht, verworpen en geminacht werden.

Natuurlijk zijn sommigen die bijdroegen aan de canon van de Schrift rijk geworden of beroemd of beide: Salomo komt in gedachten. Sommigen die machtig waren krijgen op een bepaald punt in hun leven te maken met moeilijkheden en tegenstand: denk maar aan David. Maar veel van de profeten werden veracht; sommigen van hen lieten het leven.

Zoals de Heer Jezus zei: ‘Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd’ (Mt. 5:11-12, cursief toegevoegd).

We zagen al dat Jeremia geen al te gelukkig lot was beschoren. Vanaf hier (Jer. 26) wordt het droevige beeld duidelijker. Voor zijn meest hardnekkige critici klinkt Jeremia’s boodschap, vooral zijn voortdurende hameren op het feit dat Jeruzalem en zijn tempel zouden vernield worden tenzij het volk berouw toonde, wel heel erg als verraad met een laag godslastering.

Verraad omdat Jeremia beschuldigd kon worden van het demoraliseren van het volk en maakte dat het minder goed aan de Babylonische stormloop kon weerstaan; godslasterlijk omdat hij eigenlijk zegt dat God de stad ofwel niet kon of niet wilde bewaren. Dus proberen de notabelen een judiciële terechtstelling te organiseren.

Wat Jeremia naar de mens gesproken redt, is zijn sterke nadruk op het feit dat hem doden gelijkstaat met een streng oordeel over zich halen. ‘Want in waarheid, de HERE heeft mij tot u gezonden om ten aanhoren van u al deze woorden te spreken’ (26:15).

Sommigen willen hem daarom het voordeel van de twijfel geven; anderen herinneren eraan dat Micha van Moreset (de Bijbelse Micha) gelijkaardige woorden van beschuldiging sprak. (De chronologie van de profeten maakt het waarschijnlijk dat sommige van de oudste mensen die voor Jeremia staan ook Micha werkelijk gehoord hadden). Dus wordt Jeremia vrijgelaten.

Anders vergaat het zijn collega Uria, de zoon van Semaja. We weten niets over Uria, behalve wat in deze verzen vermeld staat (26:20-23). Jeremia was niet de enige profeet die trouw Gods woord verkondigde.

Toen Uria net als Jeremia met de dood bedreigd werd, vluchtte hij naar Egypte, in tegenstelling tot Jeremia. Op dat ogenblik was Israël nog steeds een vazalstaat van Egypte, en was er een bepaald onderling uitwisselingsverdrag van kracht. Uria werd teruggevoerd en geëxecuteerd. Zijn vlucht had zijn beschuldigers ervan overtuigd dat hij werkelijk een soort verrader was. Denk dus nogmaals na over de hierboven geciteerde woorden van Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 juli 2013

Jeremia’s geloof en zielestrijd (Jer. 20)


Richteren 7; Handelingen 11; Jeremia 20; Markus 6
Het hoofdstuk voor ons (Jer. 20) biedt zowel inzicht in Jeremia’s externe omstandigheden in deze fase van zijn bediening als in zijn innerlijke onrust.

(1) Jeremia’s externe omstandigheden: de priester Paschur, de zoon van Immer, is ‘hoofdopziener’ in de tempel, waarschijnlijk hoofd van de veiligheidsmensen, die onder de huidige hogepriester dienst doen.

De profetische acties en woorden van Jeremia uit het voorgaande hoofdstuk, waarmee hij de vernietiging van Jeruzalem en zijn tempel aankondigt, worden bijna gezien als hoogverraad, of godslasterlijk, temeer daar Paschur een van degenen was die ‘vals geprofeteerd’ hebben (20:6), bewerend dat God deze stad nooit in handen van de heidenen zou laten vallen (vgl. 14:14-15).

Dus liet hij Jeremia aanhouden en slaan, wellicht met de wettelijke limiet van veertig zweepslagen (Deut. 25:3 – dit aantal werd in de tijd van Paulus met één verminderd zodat de limiet niet per ongeluk werd overschreden, 2 Kor. 11:24).

Jeremia moet een nacht in de gevangenis doorbrengen, een uitgelezen middel om de vreselijke pijn van verkrampte spieren te garanderen. Tegen de volgende morgen is Paschur op andere gedachten gekomen en laat hij Jeremia gaan.

Als hij denkt dat deze toegeeflijkheid de profeet angstig zal doen ineenkrimpen, heeft hij het verkeerd: Jeremia maakt van de gelegenheid gebruik om Paschur een nieuwe naam te geven die ‘Schrik-van-rondom’ betekent (20:3-4) – een nieuwe beeldrijke voorzegging van het oordeel dat zeker komt, wanneer al Paschurs valse profetieën zullen ontmaskerd worden.

(2) De innerlijke onrust van Jeremia: is de profeet naar buitenuit moedig, dan tonen de volgende verzen (20:7-18) iets van zijn persoonlijke angst. Op dit moment heeft Jeremia al tientallen jaren oordeel gepredikt, en het is nog niet gekomen. Het is steeds makkelijker geworden om hem af te wijzen en te bespotten. De lankmoedigheid van de Heer wordt een excuus voor cynisme (zoals in 2 Petr. 3:8-9).

Jeremia grijpt tijdelijk terug naar stilte, maar het profetische woord brandt zodanig sterk in hem dat hij het niet kan inhouden (20:8-9). Dus spreekt hij, en zijn voormalige ‘vrienden’ luisteren met neerbuigende spot, terwijl ze hopen dat hij iets zal zeggen dat hen in staat zal stellen hem aan de autoriteiten over te leveren en deze dwaze man in de problemen te brengen (20:10).

Jeremia wordt heen en weer geslingerd tussen een gefocust en schitterend geloof dat volkomen vertrouwt dat de Heer hem finaal zal rechtvaardigen (20:11-13), en een verlammende wanhoop die rechtuit wenst dat hij nooit geboren was en zich wentelt in begrijpelijk zelfbeklag (20:14-18).

Misschien zijn er dienstknechten van de Heer die dergelijke hoogten en laagten nooit meegemaakt hebben. Maar ze zijn zeldzaam. Zeker zij die dienen op moeilijke plaatsen weerspiegelen bijna zonder uitzondering in een bepaalde mate de ervaringen van Jeremia. Bid voor christen leiders, in het bijzonder voor hen wiens kring bijzonder ontmoedigend is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 19 juli 2013

Al stond Mozes met Samuël vóór Mij, dan zou mijn ziel zich toch niet tot dit volk neigen (Jer. 15)


Richteren 2; Handelingen 6; Jeremia 15; Markus 1
Jeremia 15 biedt ons enkele van de meest treffende inzichten in het innerlijke leven en de gedachten van de profeet Jeremia:

(1) Jeremia heeft voorspraak gedaan bij God voor het verbondsvolk (Jer. 14). Maar God beveelt Jeremia te stoppen, want Hij zal niet luisteren (14:11-12). Hij zegt nu bovendien dat zelfs als Mozes en Samuel voor Hem stonden en voorbede zouden doen voor het volk, Hij hen niet zou sparen (15:1).

Eeuwen eerder hadden Mozes en Samuel met succes gebeden voor Israël (Ex. 32:11-14; Num. 14:13-24; Deut. 9:18-20, 25-29; 1 Sam. 7:5-9; 12:19-25) – hoewel het belangrijk is te bedenken dat ze er ook – in zekere mate – voor zorgden dat het volk gewillig was om tot God terug te keren met berouw en hernieuwde gehoorzaamheid.

Dit heeft Jeremia niet kunnen bereiken. Nu vertelt God hem dat hij dit ook niet zàl bereiken: het volk zal in gevangenschap gaan. De onrechtvaardigheid en afgoderij onder Manasse maakten de maat vol (15:4; zie 2 Kon. 21:10-15; 23:26; 24:3).

(2) In 15:10 wenst Jeremia ronduit dat hij nooit geboren was. Voor het gehele land is hij een ‘man van twist en gekrakeel’. Iedereen vervloekt hem, niet omdat hij onbetrouwbaar was in zaken, maar omdat hij trouw het woord van de Heer overbrengt.

De Heer stelt hem gerust (15:11-14; het beste ijzer komt ‘uit het noorden’, uit het gebied van de Zwarte Zee, dus is dit een manier om te zeggen dat Israëls wapens niet zouden opgewassen zijn tegen die van de Babyloniërs).

Maar dit is een deel van Jeremia’s strijd. Een deel van hem wil gerechtigheid, wil dat zijn vervolgers bestraft worden (15:15). Datzelfde deel verheugde zich volkomen in Gods woorden (15:16a). Maar aan de andere kant zijn zijn trouw aan God en zijn woorden precies hetgeen hem van het volk isoleerden: ‘door uw hand was ik eenzaam neergezeten, want Gij hadt mij met gramschap vervuld’ (15:17b).

Enkele van zijn meest venijnige tegenstanders waren zijn familieleden (vgl. Mt. 10:36). Jeremia is soms geneigd te denken dat het God is die gefaald heeft, als een uitdrogende bron (een wadi, 15:18) die soms overvloeit van leven en zegen, en andere keren niets biedt.

Gods antwoord (15:19-21) is dat als Jeremia volkomen trouw blijkt in het overbrengen van zijn woorden, hij zal voortgaan als Gods zegsman en gered zal worden van de boosaardige machinaties van zijn opponenten.

Maar over één punt is geen discussie mogelijk: ‘Laten zij zich tot u keren, maar gij zult u tot hen niet keren’ (15:19b).
De intense spanning tussen trouw aan God en vervreemding van iemands eigen volk is een blijvende constante in de dienst van trouwe predikers die aangewezen worden voor een maatschappij in verval.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 16 juli 2013

Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig? (Jer. 12)


Jozua 23; Handelingen 3; Jeremia 12; Matteüs 26
In de achtste eeuw voor Christus kreeg Hosea te maken met het vreselijke verraad van een vrouw met wie hij in het huwelijksverbond stond, maar die tragisch verkleefd was aan prostitutie. Hij leerde daardoor iets van hoe God staat tegenover de geestelijke hoererij van het volk met wie Hij zich door een verbond gelieerd heeft.

Op een enigszins vergelijkbare manier leed Jeremia onder de verwerping door zijn vrienden en verwanten (11:18-23 – zie de overdenking van gisteren). Zijn angst en boosheid over de situatie vormen voor God de achtergrond om zijn reactie te verklaren op de verwerping door het volk (Jer. 12).

De vraag die Jeremia stelt wordt opgeroepen door zijn ervaring in de onmiddellijk voorafgaande verzen. Hij heeft zijn bijdrage geleverd om hervorming te stimuleren, maar zijn leven wordt bedreigd door de verwanten en mensen uit zijn eigen stad. Hoewel hij nog steeds de gerechtigheid van God erkent, protesteert Jeremia ,‘toch wil ik over rechtszaken met U spreken: Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?’ (12:1).

Ondergedompeld in wanhoop en overspoeld door een gevoel van de zuivere ongerechtigheid van alles, vraagt Jeremia God in de openingsverzen van dit hoofdstuk waarom Hij niet gewoon de zondaars wegneemt en hen doodt.

God beantwoordt Jeremia’s vraag niet meteen (12:5-6).In plaats daarvan zegt Hij eigenlijk aan de profeet dat dit alles nog maar klein bier was. Wanneer Jeremia al zo pijnlijk struikelt in zijn eigen stad, hoe zal het dan met hem gaan in de veel gecompliceerder en verdorven sfeer van Jeruzalem?

‘Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?’ (12:5). Als je al struikelt in het relatief veilige gebied van Anatot, ‘wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan?’ (in de periode voor de ballingschap was de Jordaanvlakte bedekt met weelderige begroeiing die veel wilde dieren bescherming bood, zoals de Aziatische leeuw). Veel christenleiders hebben moeten leren dat het aanvankelijke lijden nog maar een voorbereiding was voor veel meer van hetzelfde.

Jeremia is minstens al iets beter in staat om te verstaan wat God bedoelt wanneer Hij zegt ‘Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen; Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden. Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud, het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten’ (12:7-8).

Zo schilderen de volgende verzen het oordeel dat onvermijdelijk moet volgen. Zelfs hier zie je echter hoe Gods genade er doorheen schijnt. Nadat God hen heeft ‘weggerukt’, zal Hij hen terugbrengen naar hun erfdeel (12:14-15).

Indien ballingschap onvermijdelijk is door hun zonde, zal herstel volgen dankzij Gods erbarmen. Zelfs heidense volkeren zullen delen in de zegen van de Heer, waar ze ook maar de Baäls afzweren en zweren bij de levende God (12:16).


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 8 januari 2013

'Nog diezelfde dag brak er een hevige vervolging los tegen de gemeente in Jeruzalem' (Hd. 8)

Genesis 8; Matteüs 8; Ezra 8; Handelingen 8
Ons zicht is beperkt en ons verstaan onvolledig. Slechts zelden ‘lezen’ we de gebeurtenissen rond ons op een werkelijk goede manier. Neem bijvoorbeeld wat er gebeurt onmiddellijk na het martelaarschap van Stefanus (Handelingen 8:1-5). ‘En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem’ (8:1). Die situatie was waarschijnlijk niet prettig voor de gelovigen die het meemaakten. Niettemin:

(1) ‘[E]n allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen’ (8:1). Het was ongetwijfeld gemakkelijker twaalf mannen te verbergen dan de duizenden mensen waaruit de kerk nu bestond. Bovendien: de Twaalven in Jeruzalem houden was hen in het centrum houden, en op die manier konden ze wat overzicht bewaren over de snelle ontwikkelingen.

(2) ‘Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende’ (8:4). Dit was het startsein voor veel snellere verspreiding van het evangelie dan wanneer de apostelen op zending waren getrokken terwijl de rest van de kerk was thuis gebleven. Hier zie je een kracht van vele duizenden, met de meesten van hen die eenvoudig ‘het evangelie doorvertellen’, anderen hoogbegaafde evangelisten, verstrooid door vervolging.

(3) ‘En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus’ (8:5). Lukas maakt in het boek Handelingen vaak een algemene opmerking waarna hij er een concreet voorbeeld van geeft. In 4:32-36 vertelt Lukas bijvoorbeeld hoe gelovigen regelmatig eigendommen verkochten en de opbrengst in de gemeenschappelijke kas stopten voor hulp aan de armen. Daarna vertelt hij het verhaal van één man in het bijzonder, Jozef - die van de apostelen de bijnaam ‘Barnabas’ kreeg – die precies dit doet.

Dit geeft ons tegelijk een concreet voorbeeld van de algemene trend die Lukas net had beschreven, en introduceert Barnabas (die later een belangrijke speler wordt), die op zijn beurt als tegenhanger fungeert voor Ananias en Saffira, die liegen over de opbrengsten van hun eigen verkoop (Handelingen 5).

Zo evolueert het verhaal verder. Ook hier in Handelingen 8: Lukas beschrijft de verstrooiing van gelovigen en merkt op dat ze het woord van God verkondigden waar ze ook maar kwamen, waarna hij het relaas doet van een specifiek verhaal, dat van Filippus. Hij was een van de zeven mannen die aangewezen was voor het prille ‘diakonaat’ (Handelingen 6); nu wordt hij een strategische evangelist om met het evangelie een van de eerste socio-culturele hordes te nemen: van Joden naar Samaritanen.

(4) ‘En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem. En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis’ (8:2-3). Het contrast is verbijsterend. Saulus denkt dat hij Gods werk doet; in werkelijkheid rouwen de echte vromen over de eerste christelijke martelaar die ze begraven.

Toch zal deze Saulus in Gods bijzondere voorzienigheid een van de grootste cross-culturele zendelingen aller tijden worden en de menselijke auteur van ongeveer een kwart van het Nieuwe Testament.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 4 januari 2013

'Wij willen meehelpen met de bouw, want ook wij vereren uw God' (Ezr. 4)



Genesis 4; Matteüs 4; Ezra 4; Handelingen 4
In deze gebroken wereld zullen er altijd mensen zijn die op een of andere manier proberen om het volk van God te ontmoedigen of te verslaan. Voeg dergelijke mensen toe aan de ontmoedigingen en mislukkingen die opduiken van binnenin, en de omstandigheden kunnen ontzettend somber en onheilspellend schijnen.

In Ezra 4 gebruiken de vijanden van de teruggekeerde bannelingen drie uiteenlopende strategieën, allemaal bedoeld om deze kleine gemeenschap van Gods volk te verslaan.

De eerste is proberen gemene zaak met ze te maken. Het klinkt zo goed: ‘Laat ons met u bouwen, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken’ (4:2).

Onachtzame mensen kunnen zich laten vangen. Er is natuurlijk altijd plaats voor ware eenheid, maar ongebreidelde oecumene resulteert onvermijdelijk in het herdefiniëren van het evangelie in termen van de kleinste gemene deler. Een van de beste manieren om een comité een andere richting uit te sturen is het vol te stouwen met je eigen aanhangers. Terwijl je steun voorwendt, neem je iets over en je leidt haar energie af in een bepaalde onbeduidende richting, zoals een groeiend kankergezwel dat de energie van het lichaam gebruikt om zelf groter te worden.

In dit geval werkt de strategie niet, omdat de leiders van Gods volk, verre van zichzelf te feliciteren met de hulp die zonet is aangekomen, weigeren om zich om de tuin te laten leiden. Ze slaan het aanbod af. Dit mondt uit in een andere strategie vanwege de tegenstanders, een die hun ware aard blootlegt.

De tweede aanpak is ‘het moreel van de Judeeërs te ondermijnen en hen bang te maken, om hen af te houden van de bouw’ (4:4). Een gedeelte van hun plan wordt aan het licht gebracht in het boek Ezra; nog meer ervan wordt duidelijk in Nehemia. Zo toegewijd zijn deze tegenstanders aan de mislukking van Gods volk dat ze zelfs ‘raadslieden tegen hen’ omkochten, ‘teneinde hun plan te verijdelen’ (4:5).

Geruchten, bedreigingen, voorraadtekorten, energie opslorpende afleidingen – alles wordt bekokstoofd door die ingehuurde strategen, clevere mensen die zichzelf als zeer wijs beschouwen, invloedrijk en machtig, maar die helemaal geen geestelijk of moreel zicht op de situatie hebben.

De derde aanval is rechtstreeks politiek. In een zorgvuldig opgestelde brief vol met halve waarheden, slagen deze tegenstanders van Gods volk erin koning Xerxes te overtuigen het bouwproject stil te leggen. Het verbod blijft decennia lang van kracht. Wat begint als een schijnbaar onoverkomelijke politieke barrière verwordt tot een manier van leven, waarbij de Joden zelf de status quo aanvaarden, tot de krachtige prediking van Haggaï en Zacharia (5:1) hen uit hun lethargie wakker schudt.

Hoe zijn deze drie werktuigen ter ontmoediging gebruikt in de twintigste eeuw?


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 25 januari 2012

Schaap of bok? (Mt. 25)

Genesis 26, Mattheüs 25, Esther 2, Handelingen 25

De gelijkenis van de schapen en de bokken (Matt. 25:31-46) vestigt onze aandacht op de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de zieken en de gevangenen. In een cultuur waarin de armen, ellendigen en ongelukkigen makkelijk genegeerd kunnen worden of buiten het bereik van onze radar gezet worden heeft dit ons heel veel te zeggen. Hier verklaart Jezus, de Mensenzoon en Koning: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’ (25:40; vgl. vers 45). Betekent dit niet dat we hoe dan ook Christus dienen wanneer we de noodlijdenden dienen? Is dit niet een kenmerk – misschien wel hét typische kenmerk – waaraan je ware volgelingen van Jezus Christus kunt herkennen?

Dit is tenminste hoe deze gelijkenis gewoonlijk wordt uitgelegd. Tot op een bepaald niveau is het met tegenzin dat ik aan die uitleg raak, want het is altijd belangrijk voor hen die de levende God kennen en Hem volgen om hun leven in God te vertonen op het terrein van mededogen, dienst en zelfverloochening. De Bijbel zegt op andere plaatsen zeer veel over zorg voor de armen.

Maar het is eerder onwaarschijnlijk dat dit de focus is van deze gelijkenis. Een andere klassieke stroming in de uitleg van dit gedeelte is veel waarschijnlijker. Twee elementen in de tekst verduidelijken de zaak.

Ten eerste benadrukt Jezus dat wat door ‘de schapen’ gedaan werd, of niet gedaan werd door ‘de bokken’, gedaan werd ‘aan één van deze mijn minste broeders’ (25:40; vgl. vers 45). Er is overvloedig bewijs voor dat deze uitdrukking niet verwijst naar iedereen die lijdt, maar naar Jezus’ volgelingen die lijden. De nadruk ligt niet op mededogen in het algemeen (hoe belangrijk dit elders in de Schrift ook is), maar aan hen die mededogen bewezen aan de volgelingen van Jezus die hongerig, dorstig, naakt, ziek of gevangen zijn.

Ten tweede zijn zowel de schapen als de bokken (25:37, 41, 44) verrast wanneer Jezus zijn verdict laat horen over de manier waarop ze ‘deze mijn minste broeders’ behandeld hebben. Als Jezus zou verwijzen naar een algemeen of generiek mededogen, dan kun je je moeilijk voorstellen dat ook maar iemand zo verrast zou zijn als hier. Het punt waar het om draait is Jezus’ identificatie met deze mensen die wel (of niet) geholpen werden – en dit is een weerkerend kenmerk in bijbelse geloof. Bijvoorbeeld wanneer Saulus (Paulus) de christenen vervolgt, vervolgt hij Jezus (Hd. 9:4). Ware volgelingen van Jezus gaan tot het uiterste om andere volgelingen te helpen, vooral de zwakken en meest verachten onder hen; anderen voelen niet de minste betrokkenheid op dit vlak. Dit is wat de schapen en de bokken scheidt (25:32-33).

Dus hoe behandel jij andere christenen, zelfs Jezus’ geringste broeders?

dinsdag 10 januari 2012

Verwacht tegenstand (Mt. 10)

Genesis 11, Mattheüs 10, Ezra 10, Handelingen 10


Terwijl Hij met ontferming is bewogen wanneer de scharen Hem doen denken aan schapen zonder herder, instrueert Jezus zijn discipelen: ‘Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen’ (Matt. 9:38). Daarna organiseert Hij een zendingsopdracht als training voor de twaalven, die zijn kring van vertrouwelingen vormen. Er zijn heel wat mooie dingen uit dit hoofdstuk te leren. Te oordelen naar de beschrijving (bijv. 10:18) beschouwt Jezus het als een soort voorbode van een missie die een leven lang zal duren. Hier moet ik focussen op slechts één element.

Dit element is de graad van conflict die Jezus voorziet bij deze evangelistische onderneming. Soms zullen hele gemeenschappen Jezus’ volgelingen verwerpen (10:11-14). Als ze in latere jaren met hun getuigenis de hoogste regeringskringen zullen bereiken, dan zullen diezelfde regeringen toch soms zware sancties opleggen (10:17-19). De prioriteiten van het evangelie zullen een dusdanige breuk brengen binnen families dat sommige huisgenoten andere zullen verraden (10:21-35). In het slechtste geval zal de vervolging christen getuigen van de ene naar de andere stad najagen (10:22-23). In bepaalde gevallen zal die vervolging eindigen in martelaarschap (10:28).

Iedereen die een beetje vertrouwd is met de geschiedenis weet hoe vaak en huiveringwekkend deze profetieën vervuld werden. Het feit dat velen in het Westen grotendeels voor zo lange tijd de uitzondering vormden voor de ergste vormen van deze vervolgingen, heeft gemaakt dat we minder op onze hoede zijn – zelfs christenen kunnen denken dat de maatschappij ons een leven zonder twisten verschuldigd is. Maar nu het judeo-christelijke erfgoed van het Westen verzwakt, zouden we wel eens plots wakker kunnen worden in de realiteit die zendingsspecialisten wel kennen maar de rest van ons soms veronachtzaamt: de voorbije anderhalve eeuw bracht meer bekeringen maar ook meer martelaars dan de 18 eeuwen daarvoor.

Wat brengt ons stabiliteit in dergelijke tijden? Dit hoofdstuk vermeldt diverse kostbare punten waar we steun in vinden: de erkenning dat onze Meester Jezus al gehaat werd voor ons (10:24-25); de verzekering dat op het einde gerechtigheid zal geschieden en dat het zal zichtbaar worden dat die gerechtigheid geschiedt (10:26-27); de erkenning dat een gezonde vrees voor God de vrees voor mensen doet afnemen (10:28); rustig vertrouwen in de soevereiniteit van God, zelfs in deze omstandigheden (10:29-31); de bemoedigende erkenning dat zij die ons ontvangen ook Christus ontvangen en daarmee ook God (10:40); Christus’ eigen belofte dat de beloningen in de eeuwigheid niet zullen ontbreken (10:41-42).

In elk geval staat een fundamenteel principe op het spel: het is de manier waarop christenen dingen zien; ja, het is verbonden met het christenzijn zelf. ‘Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden’ (10:38-39).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

zaterdag 15 oktober 2011

Arabische Lente niet positief voor christenen in Midden-Oosten

Vandaag meldt het Reformatorisch Dagblad op zijn website: 'Arabische Lente niet positief voor christenen in Midden-Oosten'.

Eerder deze week kwam het thema ook al aan bod op Radio 1. Het bewuste interview vind ik niet terug, wel een stukje 'Spanningen tussen moslims en christen in Egypte terug van nooit weggeweest'.

Uit het artikel van RefDag.nl:

"Men zou kunnen stellen dat het geweld tegen christelijke minderheden in de Arabisch-islamitische wereld ook iets zegt over de mentaliteit van de meerderheid. Vandaar dat de Syrische patriarch Ignatius Yusef Yunan enkele dagen geleden zei dat het Westen niet zozeer de nadruk zou moeten leggen op democratie, maar eerder op het naleven van de mensenrechten, waaronder het belangrijke recht om in vrijheid en zonder angst je godsdienst te kunnen uitoefenen. Zonder dit recht loopt een democratie het gevaar te verworden tot de dictatuur van de religieuze meerderheid.

De ontwikkelingen in Egypte, maar vooral ook in Syrië hebben kerkelijke leiders in de Arabische wereld gealarmeerd. Waarmee christenen in de ongemakkelijke positie terechtkomen dat het lijkt alsof zij dictatoriale regimes steunen."

dinsdag 5 juli 2011

Doodstraf voor christen in Iran bevestigd

"Het hooggerechtshof in Iran heeft eind vorige week het doodvonnis van de christelijke voorganger Youcef Nadarkhani bevestigd. Hij zal worden opgehangen. Dat melden diverse internationale media.
Nadarkhani wordt beschuldigd van afvalligheid van de islam en van evangelisatie onder moslims. Als de doodstraf wordt uitgevoerd, is dat de eerste executie van een christen in Iran in twintig jaar.

Nadarkhani werd in november ter dood veroordeeld door de rechtbank van de provincie Gilan. De aanklacht tegen Nadarkhani luidde: „het ontkennen van het profeet-zijn van de grote profeet der islam, resulterend in afval van de heilige religie van de islam (...) op de leeftijd van 19 jaar.”

ChristenUnie-Kamerlid Voordewind kondigde vanmorgen aan Kamervragen te stellen over de kwestie.

Op initiatief van SGP-Kamerlid Van der Staaij stuurde de vaste Kamercommissie voor buitenlandse zaken in maart een brief aan het Iraanse parlement over de vrijheid van godsdienst. In de brief spreekt de Kamer „grote zorgen” uit over de schendingen in Iran van de godsdienstvrijheid. De fracties riepen het Iraanse parlement ertoe op om de vrijlating te bewerkstelligen van Nadarkhani en andere christenen die zijn beschuldigd van afvalligheid van de islam.

Nadarkhani zit sinds 12 oktober 2009 gevangen. Er zijn in Iran geen wettelijke beletselen meer tegen de voltrekking van het doodvonnis.

De Amerikaanse organisatie Voice of the Martyrs, die opkomt voor vervolgde christenen, denkt dat alleen internationale druk mogelijk nog enige invloed kan hebben op Iran."

(Uit: Refdag.nl)

Bedankt voor de link, Luc R.

woensdag 15 juni 2011

"Ieder mens staat daar, enkel een ademtocht"

"Ik wil meer weten over wat er gebeurd is met je vader en grootvader en overgrootvader. Als je in staat bent het te vertellen."

"Het is me een eer dat je het vraagt." Quan zette zijn gedachten op een rijtje. "Ik heb je misschien wel eens verteld dat vader me leerde mezelf te vragen: 'Is dit de dag dat ik sterven zal?' Daarna haalde hij een Bijbeltekst aan: En zoals het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel."

"Wat een griezelige boodschap om aan een kind door te geven."

"Vertelt een liefhebbende vader zijn kinderen niet de waarheid? Hij leerde me ook: Laat mij, HERE, mijn einde kennen, en welke de maat van mijn dagen is; laat mij weten, hoe vergankelijk ik ben. Zie, Gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is als niets voor U; ja, ieder mens staat daar, enkel een ademtocht. Hij leerde me dat ons leven snel voorbij is, en dan vliegen wij heen."

"Klinkt nogal morbide."

"Nee, want ons leven eindigt hier niet. We houden niet op te bestaan bij de dood; we verhuizen naar een andere plaats. Hoe kunnen we ons op de dood voorbereiden als we hem ontkennen? Een van baba's (= papa's, JL) favoriete gezegdes was: 'Echt goud vreest het vuur niet.' Ik zeg tegen Minghua en Shen (Quans echtgenote en zoontje, JL) dat we door een tijd van beproeving heen moeten, maar het vuur of onze beproeving laat zien waar we van gemaakt zijn."

"Vuur lijkt me een hoge prijs om te betalen."

"Zuiverheid is de hoogste prijs waard, nietwaar? God is met ons in het vuur. Shengjing ( = de Bijbel, JL) zegt dat onze werken op aarde van hout of hooi of stro kunnen zijn, die verbranden in het vuur van Gods heiligheid. Of onze werken kunnen van goud en zilver en edelstenen zijn, die in het vuur gelouterd worden. De keuze is aan ons. Als we getrouw zijn, komen we zuiverder uit het vuur tevoorschijn dan we er ingingen. Daarom vreest echt goud het vuur niet."


Uit: "Thuiskomst", roman door Randy Alcorn, uitg. Voorhoeve, pag. 221-222

zaterdag 11 juni 2011

"Zijn wens is dat God niet bestaat"



"Iedere man vertrouwt op iemand. Als hij niet op Yesu vertrouwt, vertrouwt hij op andere mensen of hij vertrouwt op zichzelf. Geen van beiden is betrouwbaar. Niet in China. Niet in Amerika. (...)
Vertel me eens, Ben Fielding. Waarom ben je opgehouden op Yesu te vertrouwen?"

(...)

" (...) Misschien was mijn geloof te simpel en is mijn wereld te gecompliceerd geworden. Hoe meer ik in het zakenleven opging, hoe meer ik inzag dat de kerk niet in contact stond met mijn wereld. De preken vond ik ... simplistisch, naïef. Ik kon mijn tijd beter gebruiken met boeken te lezen van schrijvers die mijn wereld begrepen."

"Jouw wereld? (...) Het is toch Gods wereld? Zou iemand haar beter begrijpen dan Hij die haar schiep en regeert, en voor haar stierf?"

"Het gaat om meer. Ik leef in een wereld van kapitaal, beleggingen, winstraming, schulden, gebouwen, leasing en belastingen. Dat is geen wereld van bijgelovige boeren en plattelanders."

"Heb je de woorden van Yesu niet gelezen? Hij sprak over grote schatten. Hij sprak over beleggen in juwelen en parels om te illustreren wat een duurzame belegging is. Hij sprak over schuldenlast en dat Hij ons onze schulden kwijtschold. Hij praatte over graanvelden en oogsten. Hij praatte over boeren boeren die land pachten, of landeigenaars die vorderingen hebben. Hij sprak over kapitaal, bankieren, rente, geldleners, het bouwen van schuren om graan op te slaan voor een inkomen op je oude dag. Hij had het over kostenraming voor het ondernemen van zakelijke projecten - over het verdelen van land, onverantwoorde geldbesteding, financieel mismanagement en oneerlijke zakenpraktijken."

(...)
"Bij godsdienst is de wens de vader van de gedachte."

"Dat is wat de communisten zeggen."

"Omdat het communisten zijn, hoeven ze nog niet altijd ongelijk te hebben."

"Nee, maar het is niet zo dat de communisten wensen dat er een God was, en overtuigd zijn van het bewijs dat het niet zo is. Het is zo dat ze vrezen dat er een God is, en om die reden het bewijs van Zijn bestaan afwijzen. Gelovigen troosten elkaar in hun lijden, met de waarheid dat er een God is. Communisten troosten elkaar in hun voorspoed met de mythe dat er geen God is. Dus juist bij het atheïsme is de wens de vader van de gedachte."

"Ik weet niet zeker of ik dat wel geloof."

"Een ware gelovige kan een nacht wakker liggen van twijfel aan God. Maar wat een communist 's nachts wakker houdt, is de vrees dat God wel bestaat. Zijn wens is dat God niet bestaat. Want als er geen God is, is er ook geen Rechter, en dus ook geen oordeel over zijn kwaad. Maar als er wel een God is, weet hij dat hij het niet goed kan maken met Hem. Of dat God eisen aan hem zal stellen waaraan hij niet wil voldoen. Misschien is dat waar jij bang voor bent?"

"Wie zegt dat ik bang ben? Er is een hoop dat jij niet weet", zei Ben. "Onze levens zijn twee verschillende kanten opgegaan. Ik heb de laatste twintig jaar heel veel financiële rapporten gelezen, en artikelen over investeringen, en boeken van deskundigen in succes. En jij ... nou, jij hebt iets heel anders gelezen. Ik ben het niet met je eens, Quan. Maar ik bewonder je. Ik denk dat het me gebroken had als ik mijn dromen op had moeten geven zoals jij."

"Li Quan heeft dromen opgegeven waaraan hij toch niet had kunnen vasthouden. In ruil daarvoor heeft hij de eeuwige dromen omhelsd van de opgestane Yesu. Een uitstekende ruil. Je ziet, Ben, je oude kamergenoot is niet zonder dromen. Hij heeft alleen de oude dromen vervangen door dromen die hoger zijn, en beter."


Een fragment uit een conversatie in 'Thuiskomst', een uitstekende roman van Randy Alcorn , uitg. Voorhoeve, Kampen, pag. 146-148

dinsdag 7 juni 2011

Nepal overweegt inperking godsdienstvrijheid

"Het parlement van Nepal overweegt een wet aan te nemen die missionaire activiteiten verbiedt en de overgang van de ene religie naar een andere strafbaar maakt. Dat zegt de rooms-katholieke priester Silas Bogati, uitvoerend directeur van Caritas Nepal, tegenover het rk-missiepersbureau Fides.

Misdaad

Artikel 106 maakt deel uit van een nieuwe wetboek van strafrecht waarover het parlement van het Himalayaland zich binnenkort zal buigen. "Dit wetsartikel verbiedt iedere handeling die een persoon ertoe kan brengen over te gaan van de ene geloofsgemeenschap naar een andere. [Daarop staan] boetes en een gevangenisstraf tot maximaal vijf jaar. Als deze wet wordt aangenomen, wordt het in dit land een misdaad om Christus te verkondigen", aldus Bogati, die zich als adolescent van het hindoeïsme bekeerde tot het katholicisme.

Minderheid

Volgens Vaticaanse statistieken uit 2004 is slechts 0,2 procent van de ruim 26 miljoen Nepalezen rooms-katholiek. Zij zijn georganiseerd in het apostolisch vicariaat Nepal, dat namens de paus bestuurd word door de jezuïet Anthony Francis Sharma. 81 procent van de Nepalezen is hindoe, 11 procent is boeddhist en 4 procent is moslim. Voor de burgeroorlog in 2006 werd Nepal bestuurd door een autoritaire hindoeïstische monarchie."

(Bron)

donderdag 17 februari 2011

Bid voor een tweede wonder in Egypte

Michael Horton werpt wat licht op de huidige situatie van de christenen in Egypte en vermeldt hun vraag om te bidden.

Hier lees je waarvoor ze gebed vragen, hoe hun hoop en verwachting is voor de komende tijd en hoe ze zich opstelden tijdens de weken dat de revolutie aan de gang was.