"Jakobus 1:22 zegt: 'En weest daders van het woord en niet alleen hoorders, anders misleidt u zichzelf.'
We moeten niet alleen maar luisteren naar het woord, we moeten het in de praktijk brengen. De kerken zijn vol met mensen die ervan houden naar preken te luisteren. Maar preken tellen voor niets in Gods ogen.
We beoordelen kerken aan het feit of ze goed onderwijs hebben of niet. Maar Jakobus zegt dat geweldig onderwijs nergens voor telt. Wat telt is de praktijk van het woord. Wat telt is onderwijs dat leidt tot veranderde levens.
We moeten nooit goed onderwijs maar als een doel op zich beschouwen. Ons doel moet goed onderwijs zijn en een goede praktijk. En dat is een radicaal andere manier om te evalueren hoe woord-gericht we zijn."
Vrij vertaald van 'Total Church' door Tim Chester en Steve Timmis, IVP, pag. 113
Posts tonen met het label geloofsleven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloofsleven. Alle posts tonen
zondag 17 januari 2016
donderdag 30 oktober 2014
'Wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen' (2 Tim. 2)
2 Koningen 12; 2 Timotheüs 2; Hosea 3-4; Psalm 119:121-144
Een van de vele praktische beslissingen die een drukbezette voorganger voor de voeten krijgt is of hij bepaalde dwalingen die de kop opsteken al dan niet moet aanpakken.
De factoren die tot dergelijke beslissing leiden zijn talrijk. Hoeveel mensen worden er werkelijk door aangetast? Dreigt het de kerk te verscheuren, of is het slechts het stokpaardje van een of twee mensen? Gaat het over randzaken of gaat het recht naar het hart van het evangelie? Gaat het om iets waarover de Bijbel zich werkelijk duidelijk uitspreekt, of betreft het iets waar de Bijbel geen zeer substantiële zaken over vermeldt?
Bovendien moet je, zelfs wanneer de zaak duidelijk belangrijk is, nuchter afwegen hoeveel tijd en energie je er aan wilt wijden. Te weinig, en velen van je kudde kunnen negatief worden aangestoken; teveel en je wordt afgetrokken van wat de primaire focus van je dienst zou moeten zijn; je zult steeds meer meegesleurd worden in een dermate uitgestrekte oceaan dat je nooit nog de kust zult zien.
In de loop der jaren is mij gevraagd om elk mogelijk ‘probleem’ of elke mogelijke ‘uitlegging’ aan te pakken die langer dan een paar maanden of een paar jaren duurde. Het kan zinvol zijn om het studiewerk te doen dat nodig is om op een aantal van die ‘problemen’ of ‘uitleggingen’ in te gaan; alles wat meer is is tijdverlies.
Slechts een maand of zo voor de massa-zelfmoord van ‘Heaven’s Gate’, zond deze sekte mij (en ongetwijfeld vele anderen) een van hun video’s en heel wat lectuur.
Ik wijdde tien minuten aan het scannen van de literatuur om te zien welke richting die uitging. Het was zodanig klinkklare onzin dat ik het klasseerde, hopend dat ik nooit zou moeten ingaan op dit specifieke soort nonsens. Een aantal weken later waren de meeste aanhangers dood.
Twee jaar geleden werd ik opgebeld door een voorganger die me verweet dat ik nog niet met een substantieel antwoord gekomen was op Michael Drosnins boek, ‘De Bijbelcode’ [The Bible Code].
Uit interesse had ik een behoorlijk uitgebreid dossier samengesteld, maar dat was niet genoeg voor die voorganger: hij voelde dat de mensen in zijn kerk ontzettend kwetsbaar waren en hij stond erop dat ik er een bepaalde tijd zou op werken. Ik weigerde. Twee maanden later ontdekte ik dat de persoon die in zijn kerk het meest op dit probleem geconcentreerd was, de voorganger zelf was, die het onderwerp maar niet kon laten rusten.
Wat een welgekomen tegenstelling dan om Paulus te horen vertellen aan Timotheüs wat hij moet zeggen aan nieuwe generaties voorgangers: ‘betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen’ (2 Tim. 2:14). Of ook: ‘Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen’ (2:23).
Antwoord wanneer je moet; fixeer je nooit op randzaken; verlies de focus niet op wat primordiaal is; word niet meegelokt in dwaze twisten. De kwesties waar het echt om gaat zijn gewoonweg te belangrijk.
Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
woensdag 29 oktober 2014
Wat laat je de volgende generatie na? (2 Kon. 10-11 en 2 Tim. 1)
2 Koningen 10-11; 2 Timotheüs 1; Hosea 2; Psalm 119:97-120
In de twee voor vandaag aangewezen passages [uit het bijbelleesrooster], vinden we een studie van grootmoeders. De eerste is Atalja (2 Koningen 11). Zij is de uiterst gemene moeder van Achazja, de koning van Juda die gedood werd door Jehu (zoals we gisteren zagen) in de chaos die werd veroorzaakt door de opstand in het noordelijke koninkrijk van Israël.
Je kunt je heel wat verschillende acties voorstellen die een koningin-moeder kan ondernemen wanneer ze de moord op haar zoon verneemt.
Atalja’s reactie is dat ze haar hele familie vermoordt. Zo beveelt ze de paleiswacht dat de kinderen en kleinkinderen van haar dode zoon worden omgebracht, behalve haar zuigeling-kleinzoon Joas, die gered wordt door een tante (die zelf gevaar liep te worden gedood), die hem verbergt met zijn voedster. Op die manier verzekert Atalja zich van de macht.
Een aantal jaren later, wanneer Joas nog altijd maar een knaap van een jaar of zeven is, regelt Jojada dat het kind wordt naar buiten gebracht en tot rechtmatige koning wordt uitgeroepen, beschermd door legereenheden die trouw zijn aan Jojada en zijn vastberadenheid de Davidische lijn in stand te houden.
Wanneer Atalja de samenzwering ontdekt, klinken haar kreten ‘Verraad, verraad!’ (11:14) een beetje hol. Omwille van de macht was deze zondige vrouw bereid om niet alleen te moorden (niet zo zeldzaam), maar zelfs haar kinderen en kleinkinderen om te brengen – een zoveel zeldzamer zaak en nog zoveel meedogenlozer – en nu beschuldigt ze degenen die haar ter verantwoording roepen van verraad.
Vergelijk daarmee de moeder en grootmoeder die kort worden vermeld in 2 Timotheüs 1:5. Timotheüs’ grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice zijn volgens Paulus vrouwen met een ‘ongeveinsd geloof’, en ze hebben deze erfenis doorgegeven aan hun zoon en kleinzoon Timotheüs. Hoe ze dit deden wordt niet uitgediept. Maar te oordelen naar patronen die elders in de Schrift worden uitgelegd, was het minste wat ze deden hun persoonlijk voorbeeld tonen en concreet onderricht geven.
Ze gaven zowel de leer van de Schrift door als het patroon van hun eigen ‘ongeveinsd geloof’ – niet alleen het patroon van hun wandel met God, maar de integriteit die als resultaat van dit geloof hun levens kenmerkte.
Verborgen in dit gedeelte ligt hoop voor mannen of vrouwen in gemengde huwelijken. Volgens Handelingen 16:1 was de moeder van Timotheüs, Eunice, zowel Joodse als een christen gelovige; zijn vader was een Griek, klaarblijkelijk een heiden. De christelijke invloed haalde het.
Niet alle vrouwen zijn zo zondig als Atalja; niet allen zijn zo trouw als Loïs en Eunice. Je vindt echter zowel onder mannen als vrouwen niet weinigen die veel meer interesse betonen in macht dan in iets anders, als het nu thuis, op het werk of zelfs in de kerk is.
Ze verlagen zich misschien niet tot moord, maar ze zullen liegen, bedriegen en lasteren om meer gezag te verwerven. Ze zullen onder Gods oordeel vallen. Maar gezegend zijn zij van wie het ongeveinsd geloof zijn stempel drukt op de volgende generatie.
Eigen vertaling van de overdenking bij 29 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
maandag 27 oktober 2014
Wie niet voor zijn familie zorgt heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige (1 Tim. 5)
2 Koningen 8; 1 Timotheüs 5; Daniël 12; Psalm 119:49-72
Hoewel ik er niets van wist, legden mijn ouders een stille gelofte af tegenover de Heer terwijl ik in mijn laatste jaar middelbaar onderwijs zat. Omwille van redenen die te ingewikkeld zijn om er hier dieper op in te gaan, beslisten ze dat tenzij bepaalde dingen gebeurden, mijn vader zijn taak als voorganger zou neerleggen, die hij vijftien jaar lang vervuld had. Ik werkte mijn school af, verliet het huis en trok naar de universiteit.
Na zowat een maand ontving ik een brief van mijn ouders: papa had ontslag genomen als voorganger van die kerk. Mijn ouders hadden heel weinig geld. Er was geen andere Franssprekende kerk waar hij eventueel aan de slag kon. Op dat kritieke punt voelde papa zich te oud om een andere gemeente op te starten in een andere plaats. Hij weigerde voorgangersfuncties te overwegen in Engelstalig Canada: zowel zijn roeping als zijn hart waren verbonden met Quebec. Zo ontdekte ik wat mijn ouders hadden beslist: ze verhuisden naar Hull, aan de Franse kant van de rivier tegenover Ottawa, de hoofdstad van het land, waar papa voor zijn gezin zou zorgen als vertaler bij de overheid, en waar hij zoveel mogelijk tijd zou geven aan de Franssprekende kerk in Hull.
Ik kon niet eerder naar ‘huis’ dan met Kerstmis. Op een gegeven moment peilde ik mijn vader in een poging zijn redenering te begrijpen. Gezien zijn overtuiging dat hij in het Franstalige deel van Canada moest blijven, rees snel de vraag hoe hij voor zijn gezin zou zorgen. ‘Want de Schrift zegt’, zo legde papa uit, ‘dat als een man niet voor zijn eigen gezin zorgt, hij slechter is dan een ongelovige. Hij gebruikte zijn oude King James-vertaling voor de woorden van 1 Timotheüs 5:8: ‘Maar als iemand de zijnen en vooral zijn huisgenoten niet verzorgt, heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige’.
Er zijn duidelijk een aantal uitzonderingen op deze tekst. Als een man te ziek is om te werken, bijvoorbeeld, is hij vrijgesteld – en te oordelen naar de toon van het hele hoofdstuk, zou de gemeente zelf moeten tussenkomen met wat voor steun ook maar nodig is, in het geval de familie niet rondkomt.
Maar wat je als lezer treft bij veel van de richtlijnen in dit hoofdstuk, is de manier waarop de voorziening van de kerk voor de sociale noden van haar mensen wordt voorgeschreven met buitengewone gevoeligheid voor de gevaren.
Met het risico de zaken te eenvoudig voor te stellen, kan het patroon dat Paulus uitlegt op deze manier worden samengevat: de kerk zorgt voor hen die in ware nood zitten, maar wie de mogelijkheid bezitten om hun weg te vinden en voor zichzelf te zorgen moeten dit doen – zowel om geen last te vormen voor de kerk, als voor hun eigen goed – of ze moeten worden aangeklaagd omdat ze het geloof hebben verlaten.
Luiheid gaat niet samen met godsvrucht. Ik kan me niet veel gelegenheden herinneren waarin ik nog groter respect had voor papa’s gehoorzame geloof.
Eigen vertaling van de overdenking bij 27 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zaterdag 25 oktober 2014
Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)

2 Koningen 6; 1 Timotheüs 3; Daniël 10; Psalm 119:1-24
In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten. Aan de ene kant zijn er de pastors [of voorgangers, JL] (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’ [Eng.: bishops]).
Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat bisschoppen een soort van derde trap werden in het kerkelijke gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.
Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor het voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:
(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, tot een aristocratische groep in de maatschappij horen of een bepaalde leiderschapsbekwaamheid. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en dergelijke.
(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.
Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven er moet uitzien. In die zin liggen de eisen in hun geheel dus inderdaad wel hoog.
(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:
(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de onderscheidende eigenschap van dit ambt.
(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.
(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.
(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.
Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zaterdag 18 oktober 2014
Leef zo dat het God behaagt (1 Thess. 4)

1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107
In 1 Thessalonicenzen 4 komt Paulus nog maar eens met expliciete instructies voor zijn bekeerlingen met betrekking tot hoe ze moeten leven (zie de overdenking van 4 oktober). Hoewel zijn tijd met de Thessalonicenzen kort was, kan Paulus terugkijken op die paar weken en becommentariëren met ‘Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen’ (4:1 [NBV]).
In wat volgt in dit hoofdstuk, zijn er vier terreinen voor dergelijke instructie (en nog meer in het volgende hoofdstuk, hoewel we er hier niet dieper op ingaan). De eerste drie van deze ‘hoe te leven’-paragrafen zijn doorweven met theologische terminologie en motieven; de vierde paragraaf is in de eerste plaats theologisch in zijn betoog, maar de reden om te schrijven is volledig praktisch.
(1) Paulus stelt dat Gods wil voor de Thessalonicenzen bestaat uit ‘heiliging’ (4:3). Hoewel heiliging bij Paulus vaak definiërend of positioneel is (d.w.z. hij denkt dan aan de manier waarop gelovigen geheiligd werden in Christus op het tijdstip van hun bekering, met andere woorden apart gezet zijn voor God en voor zijn gebruik; zie de overdenking van 27 augustus), hier denkt hij aan de gevolgen die bekering heeft voor de manier waarop gelovigen leven.
Hij is hier in het bijzonder bekommerd over het terrein van het seksuele. De Griekse tekst van vers 4 kan betekenen ‘je eigen lichaam leren onder controle houden’ (op seksueel vlak), of ‘leren hoe je met je eigen vrouw moet leven’ (in eerbare seksuele harmonie, niet met seksuele uitbuiting of manipulatie), of zelfs ‘leren om een vrouw te verwerven’ (op een eerbare manier, niet in een relatie die op niets meer gebaseerd is dan begeerte). ‘God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging’, en dat feit heeft onmiddellijke invloed op onze seksuele wandel.
(2) Liefde in de christelijke gemeenschap is een teken dat een kerk ‘zelf door God onderwezen’ is. Hoe uitstekend de reputatie van de Thessalonicenzen op dit vlak ook is, Paulus roept op tot verbetering (4:9-10).
(3) Christelijke ambitie moet zich richten op rustige trouw, je met je eigen zaken bemoeien en hard werken opdat je geen last vormt voor anderen. Te oordelen naar de frequentie waarmee Paulus terugkeert op dit thema, zou je denken dat er meer dan een paar ledige mensen de gemeenterangen in Thessalonika bevolkten (5:14; 2 Thess. 3:11-13).
(4) De laatste paragraaf (4:13-18) betreft ‘hen, die ontslapen’, waarvan het verband toont dat het om christenen gaat die gestorven zijn. Wat zal er met hen gebeuren? Blijkbaar had Paulus niet de tijd om gedetailleerd op dergelijke zaken in te gaan toen hij nog bij hen was. Aangezien hij niet wil dat ze onwetend zijn (4:13) schetst hij wat er gebeurt. Maar de les die we moeten in gedachten houden is dat deze leer er kwam om elk verdriet te verlichten dat nabestaande gelovigen treft: we rouwen, maar niet ‘zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben’ (4:13). Instructies over hoe je moet leven strekken zich zelfs uit tot hoe je moet rouwen.
Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 17 oktober 2014
Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken (1 Thess. 3)

1 Koningen 20; 1 Thessalonicenzen 3; Daniël 2; Psalm 106
De intensiteit van de relatie tussen Paulus en zijn bekeerlingen duikt elke keer weer op. Bij Paulus merk je nooit een spoor van louter professionalisme. Waar hij bij gelegenheid bereid is om zich te beroepen op zijn apostolisch gezag, is zijn standpunt tegenover gemeenten die hij opstartte er nooit een van afstandelijke superioriteit.
Wanneer Paulus zelf niet in de gelegenheid was om de gelovigen in Thessalonika te bezoeken om te zien hoe het met hen ging – en in dit geval was hij bijzonder bezorgd aangezien zijn volledige dienst in Thessalonika ongeveer maar een maand duurde, zodat het fundament van deze gelovigen niet zo sterk was als bij de meeste bekeerlingen – besloot Paulus om Timotheüs te sturen om het uit te zoeken (1 Thess. 3:1-2).
Nu Paulus zich weer bij Paulus heeft gevoegd in Athene, met prachtige verslagen over het geloof en de liefde van de Thessalonicenzen (3:6 – twee elementen uit de Paulinische triade; zie de overdenking van 11 oktober), om nog maar te zwijgen over hun trouw aan Paulus en aan het apostolische evangelie, kent Paulus’ vreugde geen grenzen: ‘zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, vertroost over u door uw geloof, want nu leven wij, als gij staat in de Here’ (3:7-8). Zelfs dat is niet genoeg. Paulus roept uit: ‘Want welke dank kunnen wij Gode over u vergelden voor al de blijdschap, waarmede wij ons om u verblijden voor onze God?’ (3:9).
Op zijn beurt is dit een aanzet voor Paulus’ onthulling van hoe hij bidt voor de Thessalonicenzen.
(1) Paulus bidt voortdurend (‘nacht en dag’, zegt hij), ‘vurig’, dat hij op de een of andere manier in staat zal zijn om terug te keren naar Thessalonika om te ‘voltooien wat nog aan uw geloof ontbreekt’ (3:10-11). Deze jonge gemeente heeft weinig basis gekregen. Paulus voelt een enorm gewicht van verantwoordelijkheid om erin te voorzien, om de hele raad van God te schetsen, het evangelie op een begrijpelijke manier over te brengen, deze broers en zusters te leren hoe de Bijbel is opgebouwd, en hen een duidelijk zicht te bieden op het voorwerp van hun geloof zodat hun (subjectieve) geloof stevig gefundeerd zal zijn.
(2) Ondertussen bidt hij dat de liefde van de Thessalonicenzen voor elkaar mag ‘toenemen en overvloedig worden’ (3:12). Paulus weet dat een christengemeenschap die op een goede manier liefde betoont niet alleen het evangelie weerspiegelt in het leven, maar ook voorziet in een gezonde omgeving waarin bijbels onderwijs wordt meegenomen. Een kibbelende gemeenschap drijft mensen weg. Bovendien werden in deze cultuur veel relaties gevormd op basis van verplichting. Een ‘weldoener’ voorzag in iets, en de ontvanger was de weldoener een bepaalde gehoorzaamheid of dienst verschuldigd.
Paulus wil daarentegen dat christenen dergelijke culturele begrenzingen overstijgen, en op een dusdanige manier leven dat elke christen voortdurend de ‘verplichting’ kwijtscheldt om elkaar lief te hebben, waardoor hij of zij de loutere schraapzucht van ‘voor wat hoort wat’ overtreft.
(3) Paulus bidt dat God zelf de gelovigen in Thessalonika zou versterken om zo te leven dat ze klaar zullen zijn voor de wederkomst van Jezus (3:13).
Eigen vertaling van de overdenking bij 17 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zaterdag 4 oktober 2014
Wandelt niet langer zoals de heidenen (Ef. 4)

1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87-88
Een van de opvallende kenmerken van de brieven van Paulus is dat veel ruimte wordt gebruikt om mensen te onderwijzen hoe ze moeten leven. De Bijbel in zijn geheel is er inderdaad op gericht ons te onderwijzen wat we moeten geloven (omdat deze dingen waar zijn), en hij is er niet minder op gericht ons een trouwe wandel te leren. Nergens is dergelijke balans duidelijker dan in de brieven van Paulus.
De reden voor die volledigheid ligt in het wezen van God. De God van de Bijbel, de God die is [of ‘the God who is there’], zoals Francis Schaeffer ons leerde zeggen, is de God van alles. Hij is niet de God van de gedachten alleen, of alleen maar van een bepaald exclusief spiritueel of religieus gebied. Hij is God.
Als onze Maker en voorzienige Heerser, strekken zijn aandacht en gezag zich uit over elk aspect van ons wezen, onze overtuigingen, onze woorden en ons gedrag.
Dan nog blijven proberen om een soort vreselijke spanning in stand te houden tussen onze geloofssystemen en ons gedrag is niet alleen een uitnodiging tot schizofrenie, het is ook een belediging van God, een vreselijke opstandigheid die niet minder lelijk is omdat ze selectief tewerk gaat.
Dit betekent dat onze leer en prediking niet alleen waarheden moeten bevatten die moeten worden geloofd, maar ook instructies over hoe we moeten leven. Een heel duidelijk voorbeeld op dit vlak is het voorbeeld van Paulus in Efeziërs 4:17-32.
Er is niemand die ernstig durft te betwijfelen of dit hoofdstuk rijke leerstellingen bevat. Toch zien we hoe Paulus hier benadrukt ‘dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken’ (4:17).
Hij verbindt die ‘ijdelheid’ met hun onwetendheid van God aan de ene kant, en met hun vreselijke gedrag aan de andere kant. ‘Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!’ (4:20 [NBV]). U bent geschapen ‘overeenkomstig het beeld van God’, ‘in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (4:24). Dit betekent dat u ‘de oude mens aflegt’, en ‘verjongd wordt door de geest van uw denken’ en ‘de nieuwe mens aandoet’ (4:22-24).
Dit zou allemaal een beetje etherisch [of zweverig] kunnen blijven. Paulus wil een dergelijke uitweg niet openlaten. De rest van het hoofdstuk is hij rechtuit en praktisch. Het gedrag dat Paulus verwacht omvat waarheidsgetrouw spreken – ‘omdat wij leden zijn van elkander’ (4:25), en een praktische toewijding om geen dag in toorn te laten eindigen, opdat de duivel geen voet zou krijgen (4:26-27).
Bekeerde dieven mogen niet meer stelen. Ze moeten werken, iets nuttigs doen, leren vrijgevig te zijn met wat ze verdienen (4:28). Wat onze woorden betreft moeten we niet enkel wegdoen wat lasterlijk, vuil of ‘ongezond’ is, maar we moeten leren uiten wat ‘nuttig is tot opbouw, opdat het genade geeft aan hen die het horen’ (4:29 [HSV]).
Anders gezegd: ‘Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft’ (4:31-32).
Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
dinsdag 18 februari 2014
Wat het verleden ons (niet) leert (Ex.1)

Exodus 1; Lukas 4; Job 18; 1 Korinthiërs 5'Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had' (Ex. 1:8). Zij die niets leren uit de geschiedenis zijn voorbestemd om al zijn fouten te herhalen, wordt ons verteld. Of ook nog: het enige dat de geschiedenis ons leert is dat we geen lessen trekken uit de geschiedenis. Los van de willekeurige aforismen, kun je niet al te lang in de Schrift lezen zonder te beseffen welke droevige rol 'vergeten' daarin speelt.
Voorbeelden te over. Je zou verwachten, na de zondvloed, dat een dergelijk allesvernietigend oordeel de mensen van na de zondvloed in die mate zou afschrikken dat ze het oordeel van God te allen prijze zouden willen vermijden, maar dit is niet wat er gebeurt.
God leidt Israël uit de gevangenschap met spectaculaire plagen en de doortocht door de Rode Zee, maar na slechts enkele weken zijn de Israëlieten al bereid om hun redding toe te schrijven aan een god die wordt voorgesteld door een gouden kalf.
Het boek Richteren beschrijft het droevige patroon van zonde, oordeel, redding, gerechtigheid, gevolgd door zonde oordeel, redding, gerechtigheid – de zorgelijke cyclus die langzaam neerwaarts voert.
Men had kunnen denken dat onder de Davidische dynastie, koningen in de koninklijke lijn de lessen zouden gedenken die hun vaderen leerden, en dat ze nauwgezet de zegen van God zouden nastreven door trouwe gehoorzaamheid; maar dat is nauwelijks wat er gebeurde.
Na de catastrofale ondergang van het noordelijke koninkrijk en het in ballingschap voeren van zijn leiders en ambachtslieden, vraag je je af waarom het zuidelijke koninkrijk het niet opmerkte en verbondstrouw aan de dag legde. In feite ben je nauwelijks anderhalve eeuw verder wanneer de Babyloniërs hen hetzelfde lot doen ondergaan.
Vreselijke vergeetachtigheid is ook niet moeilijk te vinden in bepaalde nieuwtestamentische kerken. Dus is de vergeetachtigheid van de heersers van Egypte, geholpen door een wissel in dynastie, nauwelijks verrassend. Enkele honderden jaren is een lange tijd. Hoeveel christenen in het westen hebben zich werkelijk de lessen van het evangelisch ontwaken eigen gemaakt, laat staan die van de baanbrekende Reformatie?
Niet ver van waar ik deze zinnen neerschrijf is een kerk die op een zondagmorgen vijf- à zesduizend mensen trekt. Zijn leiders zijn vergeten dat het nauwelijks twintig jaar geleden begon als een aftakking van een kerk.
Nu willen ze zich terugtrekken uit de denominatie die hen stichtte, niet omdat ze het theologisch oneens zijn met de denominatie, niet vanwege een bepaald morele zwakte erin, maar gewoon omdat ze zo onder de indruk zijn van hun eigen grootheid en belang dat ze te hoogmoedig zijn om dankbaar te zijn.
Je kunt denken aan scholen die hun leerstellige grondslagen hebben verlaten binnen één generatie, of aan individuele personen, niet de minste bijbelgeleerden, die zo onder de indruk zijn van nieuwigheden dat slimme originaliteit bij hen hoger scoort dan godsvruchtige trouw. Landen, kerken en mensen veranderen, bij elke stap denkend dat ze meer ‘geavanceerd’ zijn dan allen die hen voorgingen.
Tot onze schaamte vergeten we alle dingen die we zouden moeten herinneren.
Eigen vertaling van de overdenking bij 18 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zondag 19 januari 2014
Geen hoop buiten God (Mt. 19)
Genesis 20, Matteüs 19, Nehemia 9, Handelingen 19
Na Jezus’ gesprek met de rijke jongeling, zegt Hij zijn discipelen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan. Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan’ (Mat. 19:23-24). De discipelen, zo wordt ons verteld, waren ‘hevig ontzet’. ‘Wie kan er dan nog gered worden?’, vroegen ze zich luidop af (19:25).
Hun vraag verraadt heel veel. Het is alsof de leerlingen dachten, dat als er iemand kon gered worden, het toch zeker een dergelijke morele, onkreukbare en ronduit rijke jongeman moest zijn, die zich net met enige droefheid van Jezus had afgewend.
Als zelfs hij niet kon gered worden, wie in de wereld dan wel? Misschien dachten ze dat zijn rijkdom toonde dat hij door God gezegend was, terwijl zijn uiterlijk onberispelijke karakter hun oordeel bevestigde.
Op die manier verraden ze hoe weinig ze van Jezus’ uitspraak begrepen. Zijn punt was dat rijkdom makkelijk tot een surrogaat-god wordt. Het is buitengewoon moeilijk voor iemand die vasthangt aan rijkdom - en zeker rijkdom die hij of zij zelf vergaarde en waarover die persoon zich dus trots voelt - om God te benaderen zoals een kind dit zou doen (19:13-15), en God dus gewoon om hulp te vragen en genade te ontvangen.
De discipelen kijken precies op de verkeerde manier naar deze dingen. Bezittingen zijn zegeningen, zo redeneren ze, en ze komen van God. Als een persoon bezittingen geniet, dan moeten die zegeningen wel hun oorsprong vinden bij God. Dus zal een persoon met vele zegeningen grotere kans hebben te zijn gered dan anderen die met minder zegeningen kunnen pronken.
Jezus gaat niet mee in het gekibbel. Zou Hij op dit punt meepraten over meer of minder kans voor iemand om te worden gered, dan zou Hij de legitimiteit van hun vraag ondersteunen, die in feite uitermate verkeerd is gesteld. Dit is gewoon niet de manier om deze kwestie te bekijken.
Neem de groep die de discipelen beschouwen als het dichtst bij het koninkrijk: Zullen zij worden gered? ‘Bij mensen is dit onmogelijk’, benadrukt Jezus (19:26). En dit betekent natuurlijk, uit het oogpunt van de discipelen, dat als zelfs de meest gefortuneerden niet kunnen binnengaan, dan niemand het zal kunnen. Dit is juist het punt: ‘Bij mensen is dit onmogelijk’.
Maar deze onmogelijkheid kan worden omgedraaid, want we dienen een God die veel dingen doet die bij mensen onmogelijk kunnen. Wie kan dan gered worden? ‘Bij God is alles mogelijk’ (19:26). Dat is waar onze hoop ligt: bij een God die de meest onverwachte personen kiest, zowel rijk als arm, en zijn wet op hun harten schrijft. Zonder tussenkomst van Gods genade, is er geen hoop voor wie dan ook van ons.
Eigen vertaling van de overdenking bij 19 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 10 januari 2014
Wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig (Mt. 10)

Genesis 11; Matteüs 10; Ezra 10; Handelingen 10Terwijl Hij met ontferming is bewogen wanneer de scharen Hem doen denken aan schapen zonder een herder, instrueert Jezus zijn discipelen: ‘Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen’ (Matt. 9:38) – en dan organiseert Hij een zendingsopdracht als training voor de twaalven die zijn kring van vertrouwelingen vormen (Mat. 10).
Er zijn heel wat mooie dingen uit dit hoofdstuk te leren. Te oordelen naar de beschrijving (bijv. 10:18) beschouwt Jezus het als een soort voorbode van een missie die een leven lang zal duren. Hier moet ik focussen op slechts één element.
Dat element is de conflictsgraad die Jezus voorziet bij deze evangelistische onderneming. Soms zullen hele gemeenschappen Jezus’ volgelingen verwerpen (10:11-14). Als ze in latere jaren met hun getuigenis de hoogste regeringskringen zullen bereiken, dan zullen diezelfde regeringen toch soms harde sancties opleggen (10:17-19).
De prioriteiten van het evangelie zullen een dusdanige breuk brengen binnen families dat sommige gezinsleden andere zullen verraden (10:21, 35). In het slechtste geval zal de vervolging christen getuigen van de ene naar de andere stad achtervolgen (10:22-23). In bepaalde gevallen zal die vervolging eindigen in martelaarschap (10:28).
Iedereen die ook maar een beetje vertrouwd is met de geschiedenis weet hoe vaak en huiveringwekkend deze profetieën werden vervuld. Het feit dat velen in het Westen grotendeels voor zo lange tijd gevrijwaard bleven van de ergste vormen van deze vervolgingen, heeft gemaakt dat we minder op onze hoede zijn – zelfs christenen kunnen denken dat de maatschappij ons een probleemloos leven verschuldigd is.
Maar nu het judeo-christelijke erfgoed van het Westen verzwakt, zouden we ons op een dag wel eens kunnen bevinden in de realiteit die zendingsspecialisten wel kennen maar de rest van ons soms negeert: de voorbije anderhalve eeuw bracht meer bekeringen, en ook meer martelaren dan de eerste 18 eeuwen samen.
Wat zal ons houvast bieden in dergelijke tijden? Dit hoofdstuk vermeldt diverse kostbare punten van steun: de erkenning dat onze Meester Jezus al gehaat werd voor ons (10:24-25); de verzekering dat op het einde gerechtigheid zal geschieden en dat zal zichtbaar worden dat die gerechtigheid geschiedt (10:26-27); de erkenning dat een gezonde vrees voor God de vrees voor mensen doet afnemen (10:28); rustig vertrouwen in de soevereiniteit van God, zelfs in deze omstandigheden (10:29-31); de bemoedigende erkenning dat zij die ons ontvangen ook Christus ontvangen, en daarmee ook God (10:40); Christus’ eigen belofte dat de beloningen van de eeuwigheid niet kunnen ontbreken (10:41-42).
In elk geval staat een fundamenteel principe op het spel: het is de manier waarop christenen dingen zien; het is zelfs verbonden met het christen zijn. ‘Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden’ (10:38-39).
Eigen vertaling van de overdenking bij 10 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
woensdag 8 januari 2014
Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich (Mt. 8)

Genesis 8; Matteüs 8; Ezra 8; Handelingen 8
Waarom vindt Jezus het geloof van de hoofdman (Romeins centurio) zo verwonderlijk (Mat. 8:5-13)? De hoofdman verzekert Jezus dat het wat hem betreft onnodig is dat de Meester zijn huis bezoekt om de verlamde knecht te genezen.
Hij begrijpt dat Jezus slechts een woord hoeft te spreken en de knecht zal gezond worden. ‘Want’ zo legt de centurion uit ‘ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het’ (Mat. 8:9). Waarom is dit bewijs van geloof zo verbazingwekkend?
Drie elementen vallen op.
Het eerste is dat de centurion, in een tijd van niet weinig bijgeloof, geloofde dat Jezus’ genezende kracht niet lag in hocus pocus, of zelfs in zijn persoonlijke aanwezigheid, maar in zijn woord. Het was niet noodzakelijk voor Jezus om de knecht aan te raken of te behandelen of zelfs maar aanwezig te zijn; Hij moest slechts het woord spreken en het zou gebeuren.
Het tweede is dat hij tot dergelijke vertrouwensvolle uitspraken kwam ondanks het feit dat hij niet gepokt en gemazeld was in de Schrift. Hij was een heiden. Hoeveel hij van de Schrift begreep kunnen we niet zeggen, maar het was zeker minder dan veel van de geleerden in Israël. Toch was zijn geloof zuiverder, eenvoudiger, diepgaander en meer Christusverheerlijkend dan het hunne.
Het derde verbazingwekkende element in het geloof van deze man is de analogie die hij maakt. Hij erkent dat hij zelf een man onder gezag is, en daarom bezit hij autoriteit wanneer hij spreekt in de context van die relatie.
Wanneer hij een Romeins soldaat onder zijn bevel opdraagt om te komen of te gaan of iets te doen, dan spreekt hij niet louter van de ene man tot een andere man. De centurion spreekt met de autoriteit van zijn hogere officier, de tribuun, die uiteindelijk op zijn beurt spreekt met de autoriteit van Caesar, met de autoriteit van het machtige Romeinse Rijk.
Die autoriteit, dit gezag hoort bij de centurion, niet omdat hij in feite in elk opzicht even machtig is als Caesar, maar omdat hij een man onder gezag is: de commandostructuur betekent dat wanneer de hoofdman spreekt tot een soldaat van het voetvolk, Rome spreekt.
Impliciet geeft de hoofdman dus aan dat hij in Jezus een vergelijkbare relatie ziet: Jezus staat zo in relatie tot God en onder Gods gezag, dat wanneer Jezus spreekt, God spreekt. De hoofdman sprak natuurlijk niet vanuit het kader van een doorwrochte christelijke leer omtrent Christus, maar de ogen van het geloof hadden hem in staat gesteld om inderdaad heel diep door te dringen.
Dit is het geloof dat wij nodig hebben. Het vertrouwt op Jezus’ woord, weerspiegelt een eenvoudige diepgang en gelooft dat wanneer Jezus spreekt, God spreekt.
Eigen vertaling van de overdenking bij 8 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
maandag 25 november 2013
Ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt (Jona 4)

1 Kronieken 21; 1 Petrus 2; Jona 4; Lukas 9Jona is bijzonder ontstemd (Jona 4) omdat de oordelen die hij tegen Nineve heeft uitgesproken niet hebben plaatsgevonden. De mensen hebben berouw getoond, van koning tot pauper, en God heeft van het oordeel afgezien en de grote stad genade betoond. ‘Ach, HERE, heb ik dat niet gezegd, toen ik nog in mijn land was?’ (4:2). Dit is sterker dan een idiomatisch en bijtend ‘Ik had het nog zo gezegd’.
Voor de uitdrukking ‘heb ik … gezegd’ staat er letterlijk ‘mijn woord’: Jona zet zijn eigen woord tegenover ‘Het woord des HEREN’ (1:1), waarvoor hij een roeping kreeg om het over te brengen. Hij zegt tegen God, ‘Zie je, ik heb het toch gezegd? Mijn woord was juist, en jouw woord was op zijn best slecht uitgedacht’.
Hij barst uit: ‘Ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad’ (4:2). Deze basisgeloofsbelijdenis wordt gevonden in Exodus 34:6-7; Jona citeert het in dezelfde vorm waarin het wordt gevonden in Joël 2:13 (wat betekenisvol kan zijn: Joël 2:14 wordt geciteerd in Jona 3:9).
Wanneer de profeten genade en barmhartigheid willen voor zichzelf, doen ze een beroep op Gods karakter; wanneer Jona geen genade en barmhartigheid wil voor anderen, schildert hij dezelfde wezenskenmerken van God af als gevaarlijke zwakke plekken.
Hij is 2:1-9 vergeten, waar hij erkende dat alleen Gods barmhartigheid hem van de grote vis kon verlossen. De ironieën roepen herinneringen op aan een van Jezus’ gelijkenissen waarin genade dankbaar wordt aangenomen maar aan een ander wordt ontzegd (Matt. 18:23-25).
In 4:3 stelt hij zich hoogmoedig op: zijn woorden ‘neem toch mijn leven van mij’ zijn ontleend aan Elia (1 Koningen 19:4) – maar in plaats van verder te gaan met ‘want ik ben niet beter dan mijn vaderen’ (een belijdenis van persoonlijke zwakheid en falen), zegt Jona ‘want het is mij beter te sterven dan te leven’ – wat niets meer is dan zeurderig zelfbeklag.
Er volgt nog het geval met de ‘wonderboom’, waarschijnlijk een ricinusplant, waarvan de brede bladeren enige beschutting bieden. Wanneer die verwelkt, herhaalt Jona zijn zeurende verlangen om te sterven (4:8), en God herhaalt de vraag die Hij eerder stelde: ‘Zijt gij terecht vertoornd?’ (4:4, 9).
In niet mis te verstane bewoordingen benadrukt Jona dat hij alle recht heeft om toornig te zijn. Wat heeft het voor zin te leven in een wereld die een ricinus laat opschieten en die dan weer neerhaalt, bijna verdord nog voor hij begon te leven?
Dus doorprikt God Jona’s denkwijze. Jona vertoont meer bekommernis over de dood van een plant dan over de dood van een stad. Maar zelfs hier gaat zijn zorg voor de wonderboom niet diep, maar komt die voort uit eigenbelang.
Hij bekijkt de Ninevieten op dezelfde manier – zonder te denken aan wat goed voor hen is, maar uit eigenbelang. Het is God, de genadige en barmhartige God, wiens mededogen zich uitstrekt naar ‘de grote stad’ (4:11).
Denk na over Mattheüs 23:37-39; 28:18-19.
Eigen vertaling van de overdenking bij 25 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 18 oktober 2013
Het zij u bekend, o koning, dat wij (...) het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden (Dan. 3)

1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107
Het beeld dat Nebukadnessar oprichtte (Dan. 3) was ongetwijfeld ontworpen om het rijk te verenigen. Dit is waarom hij het bevel gaf aan alle ‘volken, natiën en talen’ dat ze zich moesten ‘ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden’ (3:4-5).
Nebukadnessar leefde in een pluralistische cultuur waarin mensen straffeloos goden aan hun persoonlijke pantheon konden toevoegen, en hij zag dan ook geen reden waarom iemand zou weigeren het beeld te aanbidden, behalve vanwege opstand of onbuigzame weerstand.
Het dreigement van de oven garandeerde vanuit zijn oogpunt conformiteit, en de potentiële politieke winst viel niet te berekenen. Ovens dienden in Babylon in de eerste plaats voor het bakken van stenen (vgl. Gen. 11:3), en waren wijdverbreid omdat geschikte bouwstenen zo schaars waren. Bepaalde grote bouwsteenovens zijn opgegraven buiten de ruïnes van het oude Babylon. Nebukadnessar zou zeker geen scrupules hebben om mensen levend te verbranden (Jer. 29:22).
Het treffende gesprek in dit hoofdstuk gaat tussen Nebukadnessar en de drie jonge mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, na hun eerste weigering voor het beeld te buigen (3:13-18). De finale sneer van de heerser daagt bijna elke god uit om naar voor te stappen: ‘wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?’ (3:15).
Natuurlijk leefde hij als heiden in een wereld van krachtige maar uiteindelijk eindige goden, en bij bepaalde gelegenheden voelde hij zeker dat hij hun gelijke was of zelfs hun superieur. Vanuit het perspectief van het bijbels theïsme, is dit een afschuwelijke arrogantie.
Maar het is het antwoord van de drie mannen dat onze herinnering en overdenking waard is: ‘Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden. Maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (3:16-18).
Merk op:
(a) Hun basisbeleefdheid en respect zijn onverminderd, hoe gedurfd ook hun woorden.
(b) Ze willen zich helemaal niet verontschuldigen voor hun standpunt. De wijze gelovige verontschuldigt zich nooit voor God of voor een van zijn karaktertrekken.
(c) Ze twijfelen niet of God in staat is om hen te redden, en dat zeggen ze ook: God is niet een gegijzelde van andere goden, andere mensen, heersers of anderen.
(d) Maar of God hen nu wel of niet zal redden, kunnen ze niet weten – en het punt speelt ook helemaal geen rol in hun vastberadenheid. Trouw hangt niet af van een vluchtweg. Ze kiezen trouw te blijven omdat dit het juiste is om te doen, zelfs al kost het hen hun leven.
De moed die we in dit anti-christelijke tijdperk nodig hebben is welgemanierd en vasthoudend. Hij verontschuldigt zich nooit voor God. Die moed gelooft ook met vreugde dat God alles kan doen, maar is bereid te lijden in plaats van de krachtige gehoorzaamheid te compromitteren.
Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
woensdag 9 oktober 2013
Vrijdag lezing in Menen: de gelovige in het gezin

Aanstaande vrijdag (en deze keer niet op zaterdag dus) 11 oktober vindt in CC De Steiger in Menen de tweede lezing plaats in de reeks 'Geloven in de 21e eeuw'.
Philip Nunn spreekt dan over de gelovige in het gezin. De lezing begint om 19.30 u. Vrije toegang, iedereen welkom.
Voor een kennismaking met en voor meer materialen van Philip Nunn, kun je surfen naar www.philipnunn.com
vrijdag 4 oktober 2013
Audiofile lezing 'De gelovige en zijn/haar God'

Op zaterdag 21 september gaf Gerard Hoddenbagh in CC De Steiger in Menen de openingslezing voor de nieuwe reeks 'Geloven in de 21e eeuw'. Zijn lezing had de titel 'De gelovige en zijn/haar God'.
Om de mp3 van deze lezing te downloaden, kun je de volgende link gebruiken:
Naar de lezing van Gerard Hoddenbagh - De gelovige en zijn of haar God
Er opent een ander venster met een eenvoudige downloadknop.
Merk op: de meeste links op deze blog naar de lezingen in Menen uit het verleden zijn zgn. dood, door oorzaken buiten mijn wil om. Op aanvraag kan ik bepaalde lezingen opnieuw beschikbaar stellen, maar het is jammer genoeg onmogelijk om ze allemaal terug op te laden en tot leven te wekken.
vrijdag 20 september 2013
Wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten (Ps. 71)

2 Samuël 16; 2 Korintiërs 9; Ezechiël 23; Psalmen 70-71
Hoge ouderdom. Het is niet iets waar onze generatie graag heel veel over spreekt, althans niet in realistische bewoordingen. We spreken over voorbereidingen treffen voor ons pensioen (de VUT in Nederland), maar slechts met de grootste tegenzin bereiden we ons voor op krachteloosheid en de dood.
Heel weinig mensen spreken openlijk en vrijuit over deze zaken – zonder aan de ene kant, er te blijven op terugkomen (wat aantoont dat ze er bevreesd voor zijn), of, aan de andere, ze te onderdrukken (wat opnieuw aantoont dat ze er bevreesd voor zijn).
Het toont veel meer verantwoordelijkheidszin om te leren hoe je trouw ouder wordt, om te leren hoe je goed sterft. Dit is wat de psalmist wilde: ‘Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms, begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat… wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten, totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’ (Ps. 71:9, 18). Van zijn jeugd aan, zo wist hij, had God hem onderwezen (71:17). Nu bidt hij tegen verlating op hoge ouderdom.
Aan de ene kant vraagt de psalmist in de eerste plaats dat God hem zal beschermen tegen aanvallen van buitenaf wanneer hij te oud en te zwak is om zich te verzetten (71:10 e.v.). Dit zou een bijzondere zorg zijn indien de auteur van deze specifieke psalm David is of een andere Davidische koning. Een nabijgelegen natie die Israël niet durfde aanvallen wanneer hij veertig was, kon stoutmoediger worden wanneer David de zeventig naderde.
Hoewel de meesten van ons geen koningen zijn, is het juist en goed om God voor speciale bescherming te bieden wanneer we zo bejaard en zwak worden dat het gemakkelijk wordt voor anderen om van ons te profiteren.
Maar Davids visie is verstrekkender dan louter bescherming. Hij wil zo leven in zijn ouderdom dat hij zijn getuigenis doorgeeft aan de volgende generatie. Zijn doel is niet om comfortabel te leven in zijn pensionering, maar om zijn jaren als senior te gebruiken ‘totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’.
Dit is een gebed dat bij uitstek waard is om gebeden te worden. Zouden heiligen in hun ouderdom niet moeten bidden voor genade om aan een volgende generatie door te geven wat ze geleerd hebben? Misschien in een situatie van één op één, of in kleine groepen.
Misschien zal iemand van hen een jonge christen of verlaten dakloze onder zijn of haar vleugels nemen. Misschien zal een ervaren gebedsstrijder een jonge christen leider leren hoe hij moet bidden.
En wanneer er zelfs voor deze dingen te weinig kracht is, moeten we bidden dat Gods genade zo in onze zwakheid zal werken dat God verheerlijkt wordt door ons heen: misschien zullen we jongere christenen leren hoe ze onder lijden moeten volharden, hoe ze temidden de pijn kunnen vertrouwen, en hoe ze in de genade van God kunnen sterven.
Eigen vertaling van de overdenking bij 20 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zaterdag 14 september 2013
Leid mij op een rots die mij te hoog zou zijn (Ps. 61)

2 Samuël 10; 2 Korintiërs 3; Ezechiël 17; Psalmen 60-61
Een collega-voorganger van me, Dr. Roy Clements, heeft vanuit een aantal psalmen gepredikt onder de reekstitel ‘Liederen van ervaring’ (Songs of Experience). De titel is verhelderend. Hoewel de psalmen vol lering staan, zijn ze geen samenvattingen van lering. Veel van de Psalmen zijn, nogal letterlijk, liederen van ervaring.
In de Psalmen worden niet weinig leerstellingen stevig verankerd in onze gedachten, of hun implicaties worden uitgewerkt in onze levens, precies omdat ze aan de kook gebracht worden in de pot van ervaring.
Om de zaak anders te stellen, de bestaansreden van veel leerstellingen wordt best gezien in de manier waarop ze gestalte krijgen in mensenlevens. Zo zijn er psalmen van hoop, van angst, van twijfel, van exuberante vreugde, van vergeving, van teleurstelling, van boosheid, van wanhoop, van eenzaamheid, van contemplatie. Veel psalmen springen van de ene gemoedsgesteldheid naar de andere.
Een van de psalmen die we voor onze aandacht hebben, Psalm 61, toont ons David terwijl hij hunkert naar de veiligheid die alleen God kan geven. Wanneer de psalm aanvangt, lijkt David te lijden onder uitputting of depressie (61:3). Misschien is hij, wanneer deze zinnen neergeschreven worden, ver van huis: ‘Van het einde des lands roep ik tot U’ (61:3).
Aan de andere kant kan dit gewoon een dichterlijke manier zijn om uit te drukken hoe vervreemd hij zich voelt, hoe veraf van de levende God. Wat hij dan wil, is een ‘schuilplaats’ (61:4), ‘een sterke toren tegen de vijand’ (61:4) – of hij smeekt God met de zin die in veel liederen verwerkt werd, ‘leid mij op een rots die mij te hoog zou zijn’ (61:3).
Dit roept tegenstrijdige beelden op: een rots die een schuilplaats biedt aan iemand die neergeslagen wordt door de zon, een rots die een grillige verschansing vormt - iets veel veiliger dan de man zelf kan zijn.
Maar de daaropvolgende verzen tonen dat de veiligheid waarnaar David verlangt nooit herleid kan worden tot fysieke kracht, ‘een sterke toren’ – een Maginotlinie, een nucleaire afschrikking, een carrier task force of gevechtseenheid. ‘Laat mij in uw tent voor altoos vertoeven, laat mij schuilen, geborgen onder uw vleugelen’ (61:5).
Het gebed voor veiligheid is ontzettend persoonlijk geworden: David hunkert bovenal naar de aanwezigheid en bevestiging van God zelf. Deze God beschermt de zijnen – en de zijnen zijn degenen die God het heerlijke erfdeel geschonken heeft zijn naam te vrezen (61:6).
Het is bijna alsof de precieze aard van de veiligheid die God biedt langzaam tot David doordringt. Elk vers voegt een steeds dieper begrip toe van de ware grond van de veiligheid van de gelovige, culminerend in dit gebed voor de koning: ‘moge hij voor altoos tronen voor Gods aangezicht, beschik goedertierenheid en trouw, dat zij hem behoeden’ (61:8). Er is geen grotere veiligheid mogelijk. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat David zijn bespiegeling besluit in ongebreidelde lof (61:8) – zoals ook ons past.
Eigen vertaling van de overdenking bij 14 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
donderdag 12 september 2013
Nieuwe reeks Bijbellezingen Menen: Geloven in de 21e eeuw

Zaterdag 21 september e.k. vangt een nieuw seizoen Bijbellezingen aan. Zoals je in de afbeelding ziet zijn er in totaal 6 lezingen voorzien onder de hoofdtitel 'Geloven in de 21e eeuw'. Of anders verwoord: welke invloed, welke praktische gevolgen heeft het geloof op diverse levensterreinen?
De eerste lezing wordt verzorgd door Gerard Hoddenbagh en heeft als titel 'De gelovige en zijn/haar God'. Hoe ziet een gezond geloofsleven eruit? Wat betekent het te leven met God? Denk maar aan Paulus die aan de Filippenzen schrijft 'Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst' (1:21).
De lezing vindt plaats in CC De Steiger, Waalvest 1 in 8930 Menen. Aanvang: 19.30 u.
(Merk op: 2 lezingen uit de reeks staan gepland op vrijdagavond in plaats van op de gebruikelijke zaterdagavond.)
maandag 19 augustus 2013
Laten mijn vijanden niet over mij juichen (Ps. 25)

1 Samuël 11; Romeinen 9; Jeremia 48; Psalm 25Een van de opvallende kenmerken van de Psalmen, in het bijzonder van de psalmen van David, is het thema ‘vijanden’. Dit maakt sommige christenen zenuwachtig. Draagt de Heer Jezus ons niet op om onze vijanden lief te hebben (Matt. 5:43-47)?
Maar hier bidt David dat God zijn vijanden niet over hem zal laten triomferen (Ps. 25, vooral vs. 2), noemt hij ze ‘trouweloos’ (25:3; NBV gebruikt ‘verraden’), en klaagt hij dat ze talrijker werden en hem op een boosaardige manier haten (25:19). Het volstaat niet om de twee standpunten toe te schrijven aan de verschillen tussen het nieuwe en het oude verbond.
Enkele inleidende gedachten:
(1) Zelfs Jezus’ leer dat zijn volgelingen hun vijanden zouden liefhebben veronderstelt dat zij vijanden hebben. Jezus’ eis onze vijanden lief te hebben moet niet herleid worden tot de sentimentele idee dat we allen zo ‘aardig’ worden dat we nooit enige vijanden zouden hebben.
(2) Nieuwtestamentische gelovigen kunnen vijanden hebben tegen wie je je op een bepaald vlak moet verzetten. De apostel Paulus, bijvoorbeeld, zegt dat hij Hymeneüs en Alexander aan Satan heeft overgeleverd om hen te leren dat ze niet moeten lasteren (1 Tim. 1:20).
Zowel 2 Petrus 2 als Judas gebruiken vrij kleurrijke taal om fundamentele vijanden van het evangelie aan de kaak te stellen. Zelfs als zijn taalgebruik deel uitmaakt van een hyperbool, kan Paulus wensen dat de onruststokers in Galatië zich zelf zouden laten castreren (Gal. 5:12).
De Heer Jezus zelf, dezelfde Jezus die, terwijl Hij sterft aan het kruis, uitroept, ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lk. 23:34) – kan elders zijn vijanden in spectaculaire kleurrijke taal veroordelen (Mt. 23).
Je kunt moeilijk om de conclusie heen dat, tenzij we de apostelen en Jezus moeten beschuldigen van hypocriete inconsistentie, de eis dat we onze vijanden zouden liefhebben niet herleid mag worden tot het sentimentele gebazel dat vijanden louter afvlakt tot ze er niet meer zijn.
(3) Er valt heel wat te zeggen voor de visie dat de primaire doelstelling van Matteüs 5:43-47 bestaat uit het verwerpen van persoonlijke wraak, het tegengaan van bloedwraak, het overwinnen van het kwaad dat ons wordt aangedaan door het goed dat we doen, en het verwerken van de haat van een tegenstander om die met liefde te beantwoorden.
Maar niets van dit alles ontkent ook maar een ogenblik dat de andere persoon een vijand is. Bovendien kunnen mensen in een leiderschapspositie zich uit liefde verplicht voelen de kudde te beschermen door een wolf in schaapsvacht te verjagen, de bedrieger te ontmaskeren, de boze te veroordelen – zonder te bezwijken voor persoonlijk venijn.
(4) Een maatstaf om te weten of iemands respons haat of wraak is of iets meer principieels dat Gods heiligheid koestert en dat plaats laat voor geduld en liefde, is de reeks van onderling verbonden beloften. In Davids geval bevatten ze vertrouwen (25:1-3, 4-5, 7b, 16, 21), berouw en geloof (25:7, 11, 18), en verbondstrouw (25:10).
Eigen vertaling van de overdenking bij 19 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
Abonneren op:
Posts (Atom)




