Posts tonen met het label trouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label trouw. Alle posts tonen

vrijdag 29 april 2016

Hoezeer is God betrokken in de details van je leven? (deel 2 - slot)



Tijdens zijn lezing van vorige week vermeldde Geert Soete kort de intense betrokkenheid van de Here God bij alle details van ons leven. Geert had daarover een stuk gelezen dat het leven van Jozef gebruikte ter illustratie van deze bijbelse waarheid, op de website van Desiring God.

Ik heb dit artikel (van Jon Bloom) opgezocht en gedeeltelijk vertaald. Ik heb me beperkt tot de voorbeelden uit het leven van Jozef. Dit is het tweede en meteen ook laatste deel.

Lees ook deel 1.

• De Egyptische rechtsgang die de schenker vrijsprak en de bakker veroordeelde waren deel van Gods plan (Genesis 40:20–22).

• Dat de schenker gedurende twee jaar niet meer aan Jozef dacht was deel van Gods plan (Genesis 41:23–42:1).

• De timing van Farao’s dromen was deel van Gods plan (Genesis 41:1–7).

• Het onvermogen van Farao’s raadslieden om zijn dromen uit te leggen was deel van Gods plan (Genesis 41:8).

• De schenker die terugdacht aan Jozef en de moed had om Farao te herinneren aan een potentieel verdachte gebeurtenis was deel van Gods plan (Genesis 41:9–13).

• Dat Farao wanhopig genoeg was om te luisteren naar een Hebreeuwse gevangene was deel van Gods plan (Genesis 41:14–15).

• Dat Jozef het inzicht had om Farao’s dromen uit te leggen was deel van Gods plan (Genesis 41:25–36).

• De wonderbaarlijke grootte van Farao’s onmiddellijke vertrouwen in Jozefs verklaring en raad was deel van Gods plan (Genesis 41:37–40).

• Dat Jozef Asnath (een Egyptische) als vrouw kreeg was deel van Gods plan (Genesis 41:45).

• De twee zonen van Jozef bij Asnath, Manasse en Efraïm, waren deel van Gods plan (Genesis 41:50–52, 48:5).

• De complexe samenloop van natuurlijke fenomenen die de buitengewoon vruchtbare jaren lieten volgen door buitengewoon armoedige jaren, met de daaropvolgende menselijke voorspoed en daarna het menselijke lijden, en de voortzetting van de Egyptische rijkdom en macht in Farao’s handen, waren deel van Gods plan (Genesis 41:53–57; 47:13–26).

• De dreiging van hongersnood die geweldige angst veroorzaakten en Jakob ertoe aanzetten om zijn zonen naar Egypte te sturen voor graan waren deel van Gods plan (Genesis 42:1–2).

• De veilige reis van de broers naar Egypte en het niet deelnemen van Benjamin waren deel van Gods plan (Genesis 42:3–4).

• De broers die buigen voor Jozef en daarmee onbewust de dromen vervullen die ze zo haatten was deel van Gods plan (Genesis 42:6).

• Jozefs hele plan om zijn broers te testen was deel van Gods plan (Genesis 42:9–44:34).

• Simeon die wordt gekozen om in Egypte achter te blijven was deel van Gods plan (Genesis 42:24). Jakobs weigering om Benjamin toe te staan om naar Egypte terug te keren en daarmee de broers hun terugreis vertraagt en Simeons verwarrende ervaring in gevangenschap was s deel van Gods plan (Genesis 42:38).

• De aanhoudende dreiging van de hongerdood die Juda ertoe aanzette om zich persoonlijk garant te stellen voor Benjamins veilige terugkeer en Jakob er uiteindelijk toe dwongen om Benjamin toe te staan naar Egypte te gaan, was deel van Gods plan (Genesis 43:8–14).

• Het succes waarmee Jozef in staat was om zijn identiteit te blijven verbergen voor zijn familie en de diefstal van Benjamin in scène te kunnen zetten en alle leed bij de broers dat daarop volgde, waren deel van Gods plan (Genesis 43:15–44:17).

• Juda’s bereidheid om zijn leven te geven voor dit van Benjamin uit liefde voor zijn vader, waarmee hij de aanzet gaf om zelf als slaaf verkocht te worden zoals hij dit deed bij zijn broer, was deel van Gods plan (Genesis 44:18–34).

• Jozefs timing in het zich bekendmaken bij zijn broers was deel van Gods plan (Genesis 45:1–14).

• Jakob die van zijn zoons te horen krijgt dat Jozef nog leeft en welke positie hij bekleedt in Egypte (en het aan licht komen van de meer dan 20 jaar van bedrog door zijn zoons met alle daarmee gepaard gaande pijn) was deel van Gods plan (Genesis 45:25–28).

• God die Jakob ertoe leidt om naar Egypte te verhuizen was (natuurlijk) deel van Gods plan (Genesis 46:2–4).

• De verhuis van de volledige familie van Israël naar Egypte, waar ze zich zouden vestigen en gedurende 430 jaar talrijker zouden worden en uiteindelijk in vreselijke slavernij zouden terechtkomen, waarmee ze Gods belofte vervulden aan Abraham uit Genesis 15:13–14, was deel van Gods plan (Genesis 46:5–47:12).
Vertaald van Jon Bloom op de website van Desiring God.

zondag 31 januari 2016

Beluister nu de lezing van Gerard Hoddenbagh: 'De trouw van God'



Gisteren gaf Gerard Hoddenbagh in De Steiger in Menen de 3e lezing in de reeks 'God leren kennen' (deel 2). Zijn lezing behandelde 'De trouw van God'.
Kon je er niet bij zijn of wil je de lezing nog eens herbeluisteren?
Klik op de titel:

Lezing Gerard Hoddenbagh - De trouw van God

Gerard Hoddenbagh heeft ook een eigen website: Yourservant.nl. Daar is ook audio en video beschikbaar.
Hij maakt deel uit van de Vergadering Brunssum (NL). Deze gemeente organiseert ook regelmatig Kompasavonden. Een aantal mp3's van de Kompasavonden is online beschikbaar.

vrijdag 30 mei 2014

Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander (Ps. 85)


Deuteronomium 3; Psalm 85; Jesaja 31; Openbaring 1

Het is een prachtkoppel: ‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander’. Dan nog een ander koppel: ‘gerechtigheid en vrede kussen elkaar’ (Ps. 85:11). Oudere lezers zullen zich de eerste van de twee zinnen herinneren uit de oude Statenvertaling: ‘goedertierenheid en waarheid’ zullen elkander ontmoeten.

Net zoals er in het Nederlands een verschil is tussen trouw en waarheid, is er in het Engels een behoorlijk groot verschil tussen het oudere ‘mercy and truth’ uit de KJV en hetgeen de NIV-vertaling nu weergeeft: ‘love and faithfulness’. Maar het onderliggende Hebreeuws, een vaak voorkomend koppel (zoals ook in 86:15 of in Ex. 34:6 – zie ook de overdenking van 23 maart), kan op elk van beide manieren worden vertaald.

Het eerste woord verwijst gewoonlijk naar Gods verbondsliefde, zijn barmhartigheid in het verbond – zijn pure goedheid of genade in het verbond, uitgegoten over zijn volk dat dit niet verdient. Het tweede woord verschilt in zijn Nederlandse vertaling ook, afhankelijk van waar het naar verwijst.

Wanneer de koningin van Sheba tegen Salomo zegt dat alles wat ze over hem had gehoord ‘waar’ is [letterlijk: ‘de waarheid’, 1Kon.10] – dit wil zeggen dat de voorafgaandelijke verslagen overeenstemden met de realiteit – dan gebruikt ze het woord dat hier vertaald wordt met ‘trouw’. Een ‘waar’ verslag is een ‘[ge]trouw’ verslag; wanneer de waarheid wordt belichaamd via het karakter, dan blijkt dat uit trouw.

Zoals uiteengezet in deze psalm, worden de beide bewoordingen beeldend gebruikt. Wanneer je het eerste koppel leest, ‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander’, dan is het de natuurlijke leeswijze ze te zien als beschrijvingen van God: God is de God van verbondstrouw of -liefde en van betrouwbaarheid waar je volkomen op kunt rekenen.

Het tweede koppel kan op dezelfde manier worden begrepen: God is zowel onvoorwaardelijk in gerechtigheid, als de bron van alle welzijn. In Hem kussen gerechtigheid en vrede elkaar.

Maar in het volgende vers worden het tweede woord uit het eerste koppel en het eerste woord van het tweede koppel opnieuw opgepikt en samengevoegd om een nieuwe gedachte in te leiden: ‘trouw spruit voort uit de aarde, en gerechtigheid ziet neder van de hemel’ (85:12).

In de context van de volledige psalm wordt de trouw van het volk blijkbaar gelinkt aan de gerechtigheid van de Heer: de eerste spruit voort uit de aarde, terwijl de tweede neerziet vanuit de hemel. Het is niet absoluut noodzakelijk om de dingen zo uit te leggen, maar de psalmist erkent de verbanden impliciet al eerder in zijn gedicht: ‘Gij hebt de ongerechtigheid van uw volk vergeven … Herstel ons, o God van ons heil … schenk ons uw heil … Hij zal van vrede spreken tot zijn volk … maar laten zij niet terugkeren tot dwaasheid’ (85:3-9, cursief toegevoegd).

Hoezeer we deze koppels ook op een lijn stellen, toch is het cruciaal te bedenken dat liefde en trouw allebei aan God toebehoren, dat gerechtigheid en vrede samenkomen of kussen in Hem. Om die reden kan God zowel rechtvaardig zijn, als Degene die de goddeloze rechtvaardigt door genadig zijn Zoon te geven (Rom. 3:25-26).

Is het dan verrassend te ontdekken dat onder zijn beelddragers liefde en trouw en gerechtigheid en vrede dan hand in hand gaan, terwijl ze samen staan of samen ten val komen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 maart 2014

Wie dient wie? (Ex. 16)


Exodus 16; Lukas 19; Job 34; 2 Korinthiërs 4
De slotverzen van Exodus 15 zijn een voorbode voor wat komen gaat. Ondanks de miraculeuze tussenkomsten van God die hun vlucht uit Egypte kenmerkten, vertrouwt het volk Hem niet echt; de eerste weerstand zorgt meteen voor gezeur en geklaag.

In Exodus 16 gaat het verhaal verder en het toont dat dit gemopper op verschillende vlakken verbonden is met openlijke opstand tegen de levende God.

We moeten niet denken dat de Israëlieten niet hongerig waren, natuurlijk waren ze dat. De vraag is wat ze eraan deden. Ze hadden zich in gebed tot God kunnen wenden en Hem vragen in al hun behoeften te voorzien. Hij had immers zo duidelijk ingegrepen bij hun bevrijding, zou Hij dan ook niet voor hen kunnen zorgen?

Maar in plaats daarvan romantiseren ze op sarcastische wijze hun ervaring van slavernij (!) in Egypte (16:3) en morren ze tegen Mozes en Aäron (16:2).

Mozes zal wellicht teleurstelling hebben gevoeld bij die duidelijke ondankbaarheid van het volk. Wijselijk herkent hij de ware focus en zonde ervan. Alhoewel ze morren tegen Mozes en Aäron is hun werkelijke klacht gericht tegen God zelf (16:7-8): ‘Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de HERE’.

In dit alles is de Heer nog steeds geduldig. Zoals Hij het bittere water van Marah in zoetheid veranderde (15:22-26), zo voorziet Hij hen nu van vlees in de vorm van de kwakkels, en van manna. Die ronduit wonderbaarlijke voorziening komt niet alleen tegemoet aan hun behoefte, maar wordt geschonken met een doel: gij zult 'de heerlijkheid des HEREN zien’ (16:7) en ‘gij zult weten, dat Ik, de HERE, uw God ben’ (16:12). Verder zegt de Heer: ‘opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet’ (16:4).

Jammer genoeg vallen velen in de gemeenschap zwaar door de mand bij de test. Ze proberen manna te hamsteren wanneer hen wordt opgedragen dit niet te doen; ze proberen manna te verzamelen op de Sabbat, wanneer er geen wordt voorzien. Mozes is ronduit kwaad op hen (16:20); de Heer zelf hekelt deze chronische ongehoorzaamheid (16:28).

Waarom zouden mensen die getuige waren van een zo spectaculaire tentoonspreiding van de genade en kracht van God, zo makkelijk afglijden in gemopper en geklaag en zo genadeloos vervallen in onbezielde ongehoorzaamheid?

Het antwoord ligt in het feit dat velen van hen God zien als daar om hen te dienen. Hij diende hen in de Exodus, de uittocht; Hij diende hen toen Hij hen voorzag van zuiver water. Nu moet Hij niet alleen hun behoeften dienen, maar ook hun lusten. Anders zijn ze helemaal bereid Hem te verlaten.

Terwijl Mozes tegenover Farao stelde dat het volk zich in de woestijn moest terugtrekken om God te dienen en te aanbidden, denkt het volk zelf dat God bestaat om hen te dienen.

De fundamentele vraag is: ‘Wie is de ware God?’ Gelovigen onder het nieuwe verbond staan voor dezelfde keuze (1 Kor. 10:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 29 december 2013

Speel niet met je leven en gedraag je niet langer trouweloos (Mal. 2)


2 Kronieken 34; Openbaring 20; Maleachi 2; Johannes 19

Een van de tekenen van een cultuur in verval is dat de mensen zich niet houden aan hun beloften. Wanneer deze beloften zijn afgelegd tegenover of voor de Heer, en tegelijk tegenover iemand anders, maakt het de overtreding nog oneindig veel erger.

Er is iets aantrekkelijk en stabiel aan een maatschappij waarin je erop kan rekenen als iemand zijn of haar woord geeft. Enorme contracten kunnen worden bezegeld met een handdruk, omdat elke partij de ander vertrouwt. Huwelijken houden stand. Mensen maken beloften en houden die.

Natuurlijk is het gemakkelijk om, vanuit het gezichtspunt van onze relatief trouweloze maatschappij, te spotten met het beeld dat ik schets, door voorbeelden te vinden waarin in een dergelijke wereld iemand gevangen achterblijft in een gewelddadig huwelijk of een zakenman wordt bedot door een gewetenloze manipulator.

Maar wanneer je focust op de moeilijke gevallen en de maatschappij bouwt op groeiend cynisme, dan moedig je zelfzuchtig individualisme aan, trouweloosheid, onverantwoordelijkheid, culturele onstabiliteit, valsheid en een verveelvoudiging van de advocatenlegers. En vroeg of laat krijg je te maken met een toornige God. Want God haat trouweloosheid (2:1-17).

Binnen de verbondsgemeenschap van het oude Israël van na de ballingschap, waren een aantal van de ergste voorbeelden verbonden met de uitgesproken godsdienstige dimensies van de cultuur, maar niet allemaal:

(1) De lippen van de priesters moeten eigenlijk ‘kennis bewaren’ en uit zijn mond moet men ‘onderricht in de wet’ kunnen zoeken – ‘want een bode van de HERE der heerscharen is hij’ (2:7). De priester moest God vrezen en voor zijn aangezicht beven (2:5), betrouwbaar onderricht geven (2:6), en de weg van het verbond bewaren (2:8).

Maar omdat de priesters in dit alles trouweloos bleken, zal God ervoor zorgen dat ze worden veracht en vernederd voor het hele volk (2:9). Dus waarom is het dat bedienaars van het evangelie vandaag maar net boven verkopers van tweedehandswagens worden ingeschat, wanneer het gaat om publiek vertrouwen?

(2) Net als sommige andere profeten (bijv. Ez. 16, 23), portretteert Maleachi geestelijke afval in termen van overspel (2:10-12).

(3) Het hoeft niet te verwonderen dat trouweloosheid in de geestelijke arena gepaard gaat met trouweloosheid in huwelijken en het gezin (2:13-16). Oh, deze mensen kunnen best een geestelijk gezicht opzetten, terwijl ze wenen en zegen van God afsmeken. Maar God schenkt er gewoon geen aandacht aan.

Waarom niet? ‘Omdat de HERE getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is’ (2:14).

(4) Meer algemeen gesproken hebben deze mensen de Heer vermoeid met hun eindeloze redeneringen, hun morele relativisme (2:17).
‘Daarom, weest op uw hoede voor uw hartstocht en weest niet ontrouw’ (2:16).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 december 2013

Heer, hier is uw pond, dat ik in een doek weggeborgen en bewaard heb (Lk. 19)

2 Kronieken 5:1-6:11; 1 Johannes 4; Nahum 3; Lukas 19
Op zich kunnen we de gelijkenis van de tien ponden (Lukas 19:11-27) makkelijk begrijpen. Wat een grotere uitdaging vormt is de manier waarop ze wordt omsloten – dit wil zeggen, hoe ze wordt ingeleid en hoe ze eindigt.

(1) Het verhaal zelf beschrijft een edelman die naar een ver land reist om er tot koning te worden gezalfd. Het beeld zal niet vreemd zijn geweest: de Herodessen reisden bij gelegenheid naar Rome om bij Caesar hun status te bekomen of te verzekeren.

Voor zijn vertrek vertrouwt de edelman tien ponden, een aanzienlijke som geld, toe aan zijn dienstknechten, mogelijk een pond voor elk van hen. Bij zijn terugkeer (nu als koning), ontdekt hij dat zijn dienstknechten met wisselend succes zijn omgegaan met zijn geld. De gelijkenis vertelt ons niet voor elke dienstknecht wat de opbrengst is, maar rapporteert over representatieve gevallen.

Een van hen heeft tien ponden verdiend, een groei van 1000 procent; een andere vijf ponden, een groei van 500 procent. Elk wordt overvloedig beloond, maar in verhouding met de groei. Eén dienstknecht geeft slechts het pond terug dat hem was gegeven.

Zijn excuus is dat hij bang is voor zijn meester, want hij kent hem als een streng mens. De rest van het verhaal wikkelt zich dan verder af.

Mogelijk moeten wij er als hedendaagse lezers aan herinnerd worden dat de dienstknechten geen werknemers waren die konden vertrekken wanneer ze wilden of hun diensten konden staken onder vakbondsregelingen. Ze waren slaven die hun meesters hun best mogelijke inspanningen verschuldigd waren. Vandaar de straf voor de onverantwoordelijke slaaf.

(2) Maar het verhaal eindigt met een lang gezegde: ‘Ik zeg u, aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden, en hem, die niet heeft, zal ontnomen worden ook wat hij heeft. Doch die vijanden van mij, die niet wilden, dat ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen’ (19:26-27).

De laatste dienstknecht heeft niets qua groei; alles wat hij ‘heeft’ is de gift die hem was toevertrouwd voor het welzijn van een ander. De dienstknechten van de koning zijn verantwoordelijk om te werken voor de winst van hun meester. Doen ze dit niet, dan betonen ze zich opstandige dienstknechten, helemaal geen betrouwbare dienstknechten. Dan zijn ze nauwelijks beter dan de vijanden die het koningschap van hun meester uiteindelijk weerstaan.

(3) Dit moet allemaal vervat worden in het verwachtingspatroon dat wordt gecreëerd door het openingsvers (19:11). Jezus vertelt deze gelijkenis als een antwoord aan degenen die ‘meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden’.

Maar dit is niet zo, benadrukt de gelijkenis: de meester gaat weg om een koninkrijk in ontvangst te nemen; sommige mensen haten de idee; zelfs zijn dienstknechten verschillen in hun trouw en vrucht, en sommigen blijken valse dienstknechten.

Zij die werkelijk toegewijde slaven zijn van Koning Jezus zullen werken en proberen de bezittingen van hun meester te verbeteren, terwijl ze verlangend uitzien naar zijn terugkeer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 11 november 2013

Antwoord mij naar uw trouw, naar uw gerechtigheid (Ps. 143)


2 Koningen 24; Hebreeën 6; Joël 3; Psalm 143

Traditioneel wordt Psalm 143 gezien als de laatste van zeven boetepsalmen, ongetwijfeld omdat vers 2 universele schuld erkent. Maar ongeacht hoe belangrijk deze waarheid in de Bijbel op zijn geheel is, in deze psalm komt dit thema alleen in dit ene vers naar voren.

Het grootste deel van de psalm is gewijd aan de moeilijkheden waar David mee te maken krijgt, door toedoen van vijanden (143:1-6), en aan Davids groeiende vastberadenheid als hij zich richt op het volgen van Gods wegen, wat zijn vijanden ook mogen doen.

Enkele opmerkingen:

(1) David doet initieel beroep op Gods trouw en gerechtigheid (143:1). Dit is volkomen gepast, net zoals de goedheid van een heerser of de integriteit van een rechter met vreugde onthaald wordt door wie een fout probeert recht te zetten.

De moeilijkheid is natuurlijk dat als wij als zondaars een beroep doen op de gerechtigheid van God om vrijspraak te bekomen, we ons makkelijk kunnen voorstellen dat wijzelf vreselijk onrein zijn vergeleken met de zuivere heerlijkheid van de onbedekte heiligheid van de Almachtige.

Vandaar vers 2: David erkent ‘niemand die leeft, is voor U rechtvaardig’. Dit is een spanning die niet eerder finaal opgelost geraakt dan aan het kruis (Rom. 3:21-26; vgl. 1 Joh. 1:9).

(2) Waar de verzen 3-4 zich wentelen in het moeras van de vertwijfeling, zien we hoe David er in de verzen 5-6 begint uit te klimmen.

Lezen we voor het eerst de zin ‘Ik gedenk aan de dagen van ouds’, dan zouden we als lezers nog kunnen denken dat David zich overgeeft aan nostalgie, terwijl hij terugdenkt aan ‘de goede oude tijd’. Maar hij is niet zo dwaas, zoals de rest van het vers aantoont: in plaats daarvan wijdt hij zich aan het denken aan alle dingen die God gedaan heeft – met andere woorden, hij overdenkt al Gods creatieve en tuchtigende en verlossende daden uit het verleden; hij zet zich er toe na te denken over de God van de Bijbel.

Ook is dit niet slechts een intellectuele oefening, zoals je lijstjes naziet voor een naderend examen. David weet dat zijn focus op wat God heeft gedaan, een door God gegeven middel is om aansluiting te vinden bij de levende God zelf, en dit is wat hij wil: ‘Ik strek mijn handen tot U uit, mijn ziel smacht naar U als een dorstig land’ (143:6).

(3) Drie keer in de verzen 8-10 bidt David voor leiding. Elk verzoek heeft een iets andere focus.

‘Maak mij de weg bekend, die ik gaan moet’ (143:8) weerspiegelt Davids vertwijfeling, maar is ook een hint dat er unieke en individuele elementen zijn aan de leiding die hij nodig heeft (zoals er individuele roepingen zijn in de kerk, Joh. 21:21-22).

‘Leer mij uw wil te doen’ (143:10:a) focust nu volledig op Gods agenda (‘want Gij zijt mijn God’). Gods wil kennen en doen is waar het om gaat bij leiding.

‘[U]w goede Geest geleide mij in een effen land’ (143:10b) is toegeven dat we ook kunnen vallen of rebelleren, struikelen of afdwalen – en altijd hebben we hulp nodig.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 6 november 2013

Want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid (Ps. 136)


2 Koningen 19; Hebreeën 1; Hosea 12; Psalmen 135-136

Bepaalde Psalmen schenken ons een glimp van de eredienst van het oude Israël, en Psalm 136 is daar een van. Waarschijnlijk werd dit in beurtzangen gezongen: ofwel een beperkt deel van het koor, of een deel van de vergadering in de tempel zou de leidende zin van elke cyclus zingen, en de hele vergadering zou uitbarsten en antwoorden met ‘want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’.

De vergelijking tussen 136:18-22 en 135:10b-12 suggereert dat bepaalde andere psalmen ook op deze manier gezongen werden. In de Joodse traditie staat deze psalm bekend als de Grote Hallel, ‘de Grote Psalm van Lofprijs’. Het refrein zelf bejubelt Gods ‘liefde’: het Hebreeuwse woord is ‘hesed’, dat bijzonder moeilijk consequent met één Nederlands (of Engels) woord kan weergegeven worden.

De (Engelstalige) King James Version opteert bijvoorbeeld voor ‘steadfast love’ (De meeste Nederlandse vertalingen kiezen hier voor ‘goedertierenheid’, NBV opteert voor ‘trouw’ en Willibrord voor ‘liefde’, JL). Het is verbonden met Gods trouw aan het verbond, en in diverse contexten kan het naar behoren weergegeven worden als ‘genade’, liefde’, zelfs ‘verbondstrouw’ – met ondertonen van een wederkerige verplichting.

Wat deze psalm zo diepzinnig maakt is niet de compactheid van het refrein maar zijn verbinding met een uitgebreide bewijsgrond – bewijs dat Gods goedertierenheid eeuwig duurt. De psalm spreekt over Gods karakter (136:1), de uitgestrektheid van zijn soevereiniteit (136:2-3), zijn creatieve kracht (136:4-9), de buitengewone bewijzen van zijn sterkte toen Hij zijn volk uit Egypte verloste (136:10-22), en zijn genade die Hij evenzeer bewees aan zijn uitverkorenen als aan elk schepsel dat onder de hemel voedsel nodig heeft (136:23-25).

Vergelijk deze specificiteit met een aantal hedendaagse lofgezangen die ons eindeloos oproepen om de Heer te prijzen, zonder dat ze ons duidelijk maken waaróm we de Heer zouden moeten prijzen, of ons misschien maar een reden of twee geven.

Die lofgezangen neigen er vaak naar de nadruk te leggen op de lofprijs; hier ligt de nadruk op Degene die geprezen wordt, zodat de aanbidding het aroma heeft van niets meer te zijn dan de onvermijdelijke respons op een zo geweldige God. Het ene focust op wat wij doen, het andere op wie God is en wat Hij heeft gedaan.

Enkele slotoverdenkingen:

(1) De uitdrukking ‘looft’ of ‘prijst’ (Eng.: ‘give thanks’) waarmee de eerste drie verzen en het laatste beginnen, suggereert meer dan een gewone ‘heel erg bedankt’. Het heeft te maken met ‘belijden’ (in de oudmodische betekenis), ‘erkennen’ (met bedachtzame Godgerichtheid), met dankbare aanbidding.

(2) Deze God duldt geen rivalen. Hij is de God der goden, de Heer der heren (136:2, 3).

(3) Gevormd als ze zijn door het pluralisme, vinden onze oren het vreemd het refrein ‘want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ toe te voegen bij zinnen als ‘die grote koningen versloeg’ en ‘Farao met zijn leger in de Schelfzee stortte’. Maar deze daden waren uitdrukkingen van Gods verkiezende liefde voor zijn uitverkoren volk. De notie dat God alle mensen op precies dezelfde manier en in elk opzicht liefheeft, vindt maar weinig grond in de Schrift.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 21 oktober 2013

Uw God, die gij zo volhardend dient, die bevrijde u! (Dan. 6)


2 Koningen 2; 2 Thessalonicenzen 2; Daniël 6; Psalmen 112-113
In het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil (Dan. 6) zien we een man van rond de tachtig even getrouw aan het einde van zijn leven als hij dat was aan het begin.
Een paar opmerkingen:

(1) Ondanks zijn gevorderde leeftijd maken Daniëls bestuurlijke talenten en zijn passie voor integriteit hem uiterst waardevol voor een relatief verlicht heerser als Darius. Dezelfde deugden maken hem tot doelwit van jaloezie onder mindere mannen, die al te blij zijn te kunnen deelnemen aan een vuile listen-campagne om hem neer te halen. Vuile listen werden niet uitgevonden door Nixon; ze gaan al terug tot de zondeval.

Gezegend is de christen wiens leven zo transparant is, dat geschreven kan worden dat ‘hij getrouw was en er geen verzuim of iets verkeerds bij hem gevonden werd’ (6:5), zodat de enige manier om hem of haar te treffen eruit bestaat een misdaad te maken van de christen wandel en overtuiging.

(2) Daniël dient als een voorbeeld van hoe een christen kan dienen in een regering die op zichzelf op geen enkele manier christelijk is. Hij biedt geen steun voor wie zich niet alleen aan zonde onttrekt maar ook aan verantwoordelijkheid en godvrezende invloed.

(3) De uitdrukking ‘wet der Meden en Perzen, die niet kan worden herroepen’ (6:9) was waarschijnlijk een pronkstuk van het rijk. Waarschijnlijk was dit beleid ontworpen om favoritisme, corrupte uitzonderingen en pragmatische verschuivingen te ontmoedigen.

Maar er is geen wettelijk systeem dat consistente rechtspraak kan verzekeren. Corrupte mensen zullen altijd manieren vinden om het systeem uit te buiten om anderen te onderdrukken en zichzelf te bevoordelen. Achter de slogan zit de diepere kwestie verborgen.

Historisch gezien was er lang spanning tussen positieve wetstheorie, waarin de enige wet die moet gehoorzaamd worden de wet is die wordt uitgevaardigd door de regering, en de natuurlijke wetstheorie, waarbij geleerd wordt dat bepaalde grondslagen ontdekt worden door mensen.

In de naam van gelijkheid en rechtvaardigheid schoven de Britse hoven nog niet zo lang geleden soms de positieve wet terzijde ten gunste van de natuurlijke wet waar het anders nogal duidelijk was dat onrecht werd gedaan. Zowel in Groot-Brittannië als de Verenigde Staten zijn dergelijke overwegingen vandaag zeldzaam.

In Groot-Brittannië moet je gehoorzaam zijn aan wat het parlement zegt; in de Verenigde Staten moet gedaan worden wat het Hooggerechtshof zegt. In beide gevallen krijgt de positieve wet grotendeels de overhand, zoals in het oude Perzië.

De kwestie is hier steeds moeilijker geworden, aangezien Westerse staten zijn gaan denken dat ze een therapeutische rol hebben in de maatschappij, waarbij ze de ‘ziekten’ moesten bepalen die moeten aangepakt worden en de therapieën die nodig zijn als ze voortduren. De kans op ongerechtigheid en ongelijkheid vermenigvuldigt.

(4) In de crisis die wordt veroorzaakt door deze onrechtvaardige wet, blijft Daniël consequent, en hij pronkt niet met zijn onafhankelijkheid en verbergt ook zijn overtuigingen en gewoontes niet. De uitkomst laat hij aan God over – wat heel erg doet denken aan Jezus’ gebed (‘uw wil geschiede’) en voorbeeld (Mt. 6:10; 26:39). Dergelijke maturiteit vormt daarom een kostbaar model voor ons.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 18 oktober 2013

Het zij u bekend, o koning, dat wij (...) het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden (Dan. 3)


1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107

Het beeld dat Nebukadnessar oprichtte (Dan. 3) was ongetwijfeld ontworpen om het rijk te verenigen. Dit is waarom hij het bevel gaf aan alle ‘volken, natiën en talen’ dat ze zich moesten ‘ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden’ (3:4-5).

Nebukadnessar leefde in een pluralistische cultuur waarin mensen straffeloos goden aan hun persoonlijke pantheon konden toevoegen, en hij zag dan ook geen reden waarom iemand zou weigeren het beeld te aanbidden, behalve vanwege opstand of onbuigzame weerstand.

Het dreigement van de oven garandeerde vanuit zijn oogpunt conformiteit, en de potentiële politieke winst viel niet te berekenen. Ovens dienden in Babylon in de eerste plaats voor het bakken van stenen (vgl. Gen. 11:3), en waren wijdverbreid omdat geschikte bouwstenen zo schaars waren. Bepaalde grote bouwsteenovens zijn opgegraven buiten de ruïnes van het oude Babylon. Nebukadnessar zou zeker geen scrupules hebben om mensen levend te verbranden (Jer. 29:22).

Het treffende gesprek in dit hoofdstuk gaat tussen Nebukadnessar en de drie jonge mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, na hun eerste weigering voor het beeld te buigen (3:13-18). De finale sneer van de heerser daagt bijna elke god uit om naar voor te stappen: ‘wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?’ (3:15).

Natuurlijk leefde hij als heiden in een wereld van krachtige maar uiteindelijk eindige goden, en bij bepaalde gelegenheden voelde hij zeker dat hij hun gelijke was of zelfs hun superieur. Vanuit het perspectief van het bijbels theïsme, is dit een afschuwelijke arrogantie.

Maar het is het antwoord van de drie mannen dat onze herinnering en overdenking waard is: ‘Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden. Maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (3:16-18).

Merk op:

(a) Hun basisbeleefdheid en respect zijn onverminderd, hoe gedurfd ook hun woorden.

(b) Ze willen zich helemaal niet verontschuldigen voor hun standpunt. De wijze gelovige verontschuldigt zich nooit voor God of voor een van zijn karaktertrekken.

(c) Ze twijfelen niet of God in staat is om hen te redden, en dat zeggen ze ook: God is niet een gegijzelde van andere goden, andere mensen, heersers of anderen.

(d) Maar of God hen nu wel of niet zal redden, kunnen ze niet weten – en het punt speelt ook helemaal geen rol in hun vastberadenheid. Trouw hangt niet af van een vluchtweg. Ze kiezen trouw te blijven omdat dit het juiste is om te doen, zelfs al kost het hen hun leven.

De moed die we in dit anti-christelijke tijdperk nodig hebben is welgemanierd en vasthoudend. Hij verontschuldigt zich nooit voor God. Die moed gelooft ook met vreugde dat God alles kan doen, maar is bereid te lijden in plaats van de krachtige gehoorzaamheid te compromitteren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 5 juli 2013

Zij zullen u niet overmogen, want Ik ben met u (Jer. 1)

Jozua 7; Psalmen 137-138; Jeremia 1; Matteüs 15

Jeremia leefde in een tijd van dreiging en verval. Geroepen als profeet in het dertiende jaar van de regering van koning Josia, Juda’s laatste hervormende koning (rond 627 v.C.), diende Jeremia meer dan veertig jaar. De val van Jeruzalem vond plaats in 587 (veertig jaar naar de roeping van Jeremia), en de profeet zette zijn dienst daarna nog een tijd voort.

Zijn dienst was gedoemd tot schijnbare vruchteloosheid. Maar God had hem geroepen om de waarheid te spreken over de natie en over het komende oordeel, of zijn woorden nu wel of niet goed ontvangen werden.

Je merkt Jeremia’s groeiende maturiteit en vastberadenheid met het voorbijgaan van zijn jaren dienst. De roeping van Jeremia beslaat het eerste hoofdstuk (Jer. 1). Een paar belangrijke elementen:

(1) Niet alleen kwam Jeremia’s opdracht van God, maar God had hem al uitverkoren van voor zijn geboorte (1:5). In de donkerste uren van tegenstand en wrede behandeling, was dit feit ongetwijfeld een ontzettende geruststelling voor Jeremia.

(2) Jeremia was duidelijk nog een jongeman toen God hem riep voor zijn eerste opdracht. Jeremia protesteerde dat hij te jong was, ‘nog maar een jongen’ (HSV) – maar God wilde van dit excuus niet weten, want Hij is volkomen in staat om iedereen toe te rusten die Hij kiest. God zelf zou de woorden in Jeremia’s mond leggen en hem een profetische stem maken, niet alleen voor Juda, maar ook voor de omliggende volken (1:7-10).

(3) Twee visionaire beschrijvingen verklaren de roeping van Jeremia.

De eerste is een amandeltwijg. Het Hebreeuwse woord klinkt als het Hebreeuws voor ‘waken over’. De amandeltwijg was de eerste om in de lente te ontspruiten, en zo wijst ze op de komst van de lente; in de woordspeling wijst Gods woord naar zijn eigen vervulling, die zonder twijfel moet volgen. Zo wordt Jeremia bemoedigd Gods woorden te brengen met volkomen vertrouwen dat al wat God zegt waar is, en al wat Hij voorspelt zal gebeuren (1:11-12): God waakt over alles.

Het tweede visionaire element is een kokende pot, die uit het noorden verschijnt – een beeldende manier om aan te duiden dat de kokende ketel van oordeel, het oordeel dat Babylon over de nietige natie zou brengen (1:13-16), zou over Juda uitgestort worden vanuit het noorden.

(4) Bovenal zegt God aan Jeremia niet bang te zijn – een veelgebruikt woord van God voor zijn dienstknechten (bijv. Abraham, Gen. 15:1; Mozes, Num. 21:34 en Deut. 3:2; Daniël, Dan. 10:12, 19; Maria, Lukas 1:30; Paulus, Handelingen 27:24). God verbloemt de moeilijkheden niet: Jeremia zal tegenstand krijgen en zal soms alleen staan ‘tegen het gehele land’ (1:18) – maar ‘zij zullen u niet overmogen’, zegt God, ‘want Ik ben met u (…) om u te bevrijden’ (1:19). Alleen dergelijke beloften zijn voldoende om gigantische profetische moed te verkrijgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 4 juli 2013

Op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft (Jes. 66)


Jozua 6; Psalmen 135-136; Jesaja 66; Matteüs 14
Hoewel Jesaja 66 eindigt op een noot van apocalyptische daadkracht en hoop (66:18-24), verweven met een duidelijk missionair thema (66:19), biedt het begin van het hoofdstuk nog één waarschuwing. Deze waarschuwing (Jes. 66:1-6) trekt hier onze aandacht.

De tekst kijkt vooruit naar de tijd waarin de tempel in Jeruzalem zal herbouwd worden. Jesaja heeft de hele tijd voorspeld dat Jeruzalem zou vernietigd worden en daarmee impliciet ook de tempel. Hij profeteerde ook dat een overblijfsel naar de stad zou terugkeren en de herbouw zou aanvatten. Maar ze mogen nooit vergeten dat God niet kan herleid worden tot de afmetingen van een tempel: ‘De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats mijner rust? Dit alles heeft immers mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan’ (66:1-2).

Salomo begreep dit toen hij Israël voorging in gebed bij de inwijding van de eerste tempel (1 Kon. 8:27). Niettemin is dit een les die snel wordt vergeten wanneer opeenvolgende generaties afglijden naar religieuze kerkelijkheid.

Op een of andere manier denken zij goed te zijn omdat ze de voorgeschreven religieuze verplichtingen nakomen. Maar God benadrukt dat een voorgeschreven dier offeren in de nieuwgebouwde tempel met een hart dat ver van de Heer staat, niet beter is dan te komen met de offerande van een onrein dier – het kan voor de Heer zelfs zo verwerpelijk zijn als een mensenoffer, want de volledige handeling wordt zo vreselijk Godonterend (66:3). Deze religieuze mensen glijden uiteindelijk af tot de godsdienstvervolging van wie Gods woord willen volgen (66:5).

Nog maar eens dreigt de Heer met enorm oordeel (66:4, 6). Wat zal de Heer dan zoeken onder het overblijfsel dat terugkeert uit ballingschap? ‘Op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft’ (66:2).

Een paar verzen later, richt Jesaja zich rechtstreeks tot de getrouwen als ‘gij die voor zijn woord beeft’ (66:5). Niets nieuws. Een van de lessen die de Israëlieten moesten leren gedurende hun jaren van omzwerving in de woestijn, was ‘dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat’ (Deut. 8:3).

Dit is van blijvend belang – niet alleen goed te luisteren naar elk woord dat God gesproken heeft, maar luisteren met nederigheid, verbrokenheid en vreze Gods (66:2).

In elke generatie bestaat het verschil tussen oprechten en valsen en gezegenden en vervloekten, uit hun trouw of ontrouw aan het woord van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 2 februari 2013

'In dit alles zondigde Job niet' (Job 1)



Genesis 34; Markus 5; Job 1; Romeinen 5


De Bijbel behandelt de realiteit van het kwaad op veel verschillende manieren. Soms geschiedt gerechtigheid en wordt er gezorgd dat dit gebeurt in dit leven. In het bijzonder in het Nieuwe Testament is de uiteindelijke vergelding voor het kwaad verbonden met het aanstaande oordeel. Soms moet het lijden nederig maken, aangezien het onze eindeloze hoogmoed op de proef stelt. Soms zijn oorlog, plagen en hongersnood Gods vreselijke oordeelswapenen. Deze en vele andere thema’s worden in de Bijbel uitgelegd.

Maar het boek Job kent zijn gelijke niet als het gaat ons aan te zetten tot nadenken over het vraagstuk van onschuldig lijden. Dit wordt duidelijk gemaakt in Job 1, dat in bepaalde opzichten de rest van het boek inleidt. Job was ‘vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’ (1:1). Hoewel Job gezegend was met rijkdom en een groot gezin, beschouwde hij niets daarvan als vanzelfsprekend. Hij was zelfs actief in wat we preventieve voorbede zouden kunnen noemen, ten behoeve van zijn volwassen kinderen: hij bad en bracht slachtoffers voor hen, omdat hij vreesde dat misschien een van zijn kinderen op een voor het overige onschuldige samenkomst mogelijk zou zondigen en God vervloeken (1:5).

Job weet niet wat de lezer wel weet, dat er zich een ander drama afspeelt in de troonzaal van God. Er wordt ons weinig verteld over deze ‘zonen Gods’, deze engelen, die de Almachtige benaderen; er wordt weinig gezegd over Satan, hoewel hij duidelijk slecht is en leeft naar zijn naam, ‘Aanklager’. Het gesprek tussen Satan en God bewerkt drie dingen.

Ten eerste vormt het de inleiding voor het drama dat zich in de rest van het boek ontplooit. Ten tweede stelt het impliciet dat zelfs Satan zelf beperkt is in zijn macht en niet kan handelen zonder Gods toelating. Ten derde onthult het dat Satans intentie eruit bestaat te bewijzen dat alle menselijke trouw aan God niets meer is dan ernstig eigenbelang, terwijl het Gods intentie is aan te tonen dat een man als Job loyaal en trouw is, ongeacht de zegeningen die hij wel of niet ontvangt.

Job weet natuurlijk niets van deze schikkingen. Dat kon ook niet, want het drama dat volgt zou verknald zijn als dit wel het geval was. Op korte tijd verliest Job zijn rijkdom en zijn kinderen, allemaal door ‘natuurlijke’ oorzaken waarvan Job maar al te goed weet dat ze binnen Gods macht liggen.

Wanneer het laatste beetje slecht nieuws hem bereikt, scheurt Job zijn kleed en scheert hij zijn hoofd kaal (twee tekenen van verootmoediging) en hij aanbidt met woorden die beroemd geworden zijn: ‘Naakt ben ik uit de schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd (1:21).

De verteller becommentarieert: ‘In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe’ (1:22) – wat natuurlijk betekent, in de context van dit hoofdstuk, dat Gods inschatting van de man juist was en die van satan verkeerd.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 27 januari 2013

'Wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt?' (Esth. 4)

Genesis 28; Matteüs 27; Esther 4; Handelingen 27
Door zijn verhalende eenvoud en kracht spreekt het boek Esther snel tot onze verbeelding. Hoewel we hier al drie hoofdstukken ver zijn in het boek, kunnen we toch nog van zowel zijn geur iets oppikken als van zijn boodschap, door na te denken over bepaalde elementen van Esther 4.

(1) Het boek leert ons zijn diepgaande theologische lessen via de vorm van zijn beknopte verhaal. Commentatoren laten nooit na op te merken dat het boek God niet eenmaal expliciet vermeldt. Niettemin zegt het heel wat over God en zijn voorzienigheid, over zijn bescherming voor zijn verbondsvolk (zelfs wanneer ze zich ver van het land bevinden en leren overleven tijdens de ballingschap en gedurende de verstrooiing), en over hun geloof in Hem, zelfs wanneer ze vreselijk bedreigd worden.

(2) Het boek leidt ons dus geleidelijk tot het overwegen van de vreemde omstandigheden die Esther tot opvolgster maken van koningin Vasthi, als de gemalin van koning Xerxes. Als dit punt door de onachtzame lezer over het hoofd wordt gezien, dan maakt het hoofdstuk dat we hier voor ons hebben het behoorlijk duidelijk voor iedereen, of je moet al heel kortzichtig zijn. ‘En wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt?’ (4:14), vraagt Mordechai aan Esther via Hatak.

Mordechai verwijst hier niet naar een onpersoonlijk lot; hij is een toegewijde en vrome Jood. Maar de vorm van zijn uitspraak benadrukt Gods soevereine voorzienigheid; zelfs terwijl hij impliciet erkent dat de voorzienigheid moeilijk te doorgronden valt. Gods volk moet verantwoordelijk, wijs en strategisch handelen in het licht van de omstandigheden die rond hen spelen, in de wetenschap dat God alles bestuurt.

(3) Zelfs wanneer Mordechai rouwt en luid jammert wanneer hij Hamans complot ontdekt (4:1-3), toch laat hij zich niet gaan in fatalisme en al evenmin verliest hij zijn geloof. Nu hij tijd gehad heeft om na te denken over de vreselijke bedreiging voor zijn volk, komt hij tot de volgende conclusie (zoals hij die verwoordt tegen Esther): ‘als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen’ (4:14).

Aangezien God trouw is aan zijn verbondsbeloften, kan Mordechai zich niet voorstellen dat Hij zou toestaan dat het volk van God uitgeroeid wordt.

(4) Trouw aan haar opvoeding door Mordechai drukt Esther tegelijkertijd vertrouwen uit in de levende God en vermijdt ze zich aan te matigen Gods plannen voor haar leven gemakkelijk te kunnen doorgronden. Ze weet dat God er is en dat Hij aanhoudend gebed hoort en verhoort. ‘Ga heen, vergader al de Joden die zich in Susan bevinden, en vast om mijnentwil: eet noch drinkt drie dagen, zo min des nachts als des daags. Ook ik en mijn dienaressen zullen op dezelfde wijze vasten (…); kom ik om, dan kom ik om’ (4:16). Terwijl ze vastbesloten is te doen wat goed is, erkent ze dat ze haar eigen toekomst niet kan zien en geeft ze zich over aan de genade van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 7 oktober 2012

'Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb' (1 Kon. 10)



1 Koningen 10, Filippenzen 1, Ezechiël 40, Psalm 91
Het bezoek van de koningin van Seba (1 Koningen 10) werd in boeken en films vaak bijgekruid tot een koninklijk liefdesverhaal. In de bijbelse tekst duikt geen enkele aanwijzing op voor interesse uit liefde of voor een seksschandaal. Het verhaal van de koningin van Seba is bedoeld om met een concreet voorbeeld aan te tonen dat Salomo’s reputatie gegrond was op reële feiten. Een paar opmerkingen over de ontmoeting:

Ten eerste biedt dit verslag een gelegenheid om oppervlakkig iets te zeggen over de aard van waarheid in het Oude Testament. Sommigen hebben betoogd dat het Hebreeuwse woord voor ‘waarheid’, ‘emet, in werkelijkheid ‘trouw’ of ‘betrouwbaarheid’ betekent, en dat het te maken heeft met relaties en niet met proposities, stellingen. Sommigen betogen zelfs dat de schrijvers van het Oude Testament gewoon geen categorie hebben voor ware proposities.

Zoals aan de meeste fouten, hangt ook aan deze een zekere mate van waarheid (als ik dat woord mag gebruiken). Zeker, ‘emet heeft een bredere betekenis dan het Engelse woord ‘truth’ (of het Nederlandse ‘waarheid’), en kan verwijzen naar trouw.

Maar woorden kunnen ook trouw weergeven. De koningin van Seba vertelt Salomo dat de roep die ze in haar eigen land gehoord had over zijn daden en wijsheid ‘emet was: het was ‘waar’ (10:6; HSV: ‘de waarheid’); nog letterlijker, omdat het verslag getrouw was, d.w.z. omdat de stellingen overeenkwamen met de werkelijkheid, was het verslag waarheid. Weg dus met een reductionistische analyse van wat het oude Hebreeuws wel of niet kon kennen.

Ten tweede biedt een groot deel van het hoofdstuk beknopte beschrijvingen van Salomo’s rijkdom, militaire macht, succesvolle handelsmissies met schepen die zich op zee begeven, muziekinstrumenten, en meer. Toch is ook ruimte gereserveerd voor verschillende uitgesproken theologische thema’s. Koningen bezochten Salomo om te luisteren naar zijn wijsheid – en die wijsheid was door God zelf in zijn hart gelegd (10:24).

Salomo genoot inderdaad een buitengewone reputatie voor het in stand houden van recht en gerechtigheid in zijn koninkrijk, in die mate dat de koningen van Seba dacht dat zijn daden op dit vlak aantoonden dat ‘de HERE Israël voor altoos liefheeft’ (10:9).
Maar ten derde is dit alles in zekere zin een opstap naar het volgende hoofdstuk. Ondanks al de zegeningen, wijsheid, macht, rijkdom, prestige en eer die Salomo genoot, allemaal uit de hand van God ontvangen, is er het feit dat zijn eigen wandel de weg baande voor oordeel en de ondergang van het Davidische koningshuis.

Die gecompliceerde ontwikkelingen laten we liggen tot de overdenking van morgen. Hier volstaat het stil te staan bij het feit dat buitengewone zegeningen niet noodzakelijkerwijs een bewijs zijn van trouw. Omdat God traag is om te toornen (wat zeker een goede zaak is!), worden de oordelen die onze misdaden verdienen vaak lang uitgesteld. Veronderstel niet snel dat huidige zegeningen een bewijs zijn voor huidige trouw: de vreselijke vrucht van trouweloosheid kan een lange tijd nodig hebben om er te komen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 23 maart 2012

God, groot van goedertierenheid en trouw (Ex. 34)


Exodus 34, Johannes 13, Spreuken 10, Efeziërs 3

Wanneer Mozes aan het eind van het voorgaande hoofdstuk vraagt om Gods heerlijkheid te mogen zien, krijgt hij (zoals we zagen) de belofte dat God iets van zijn goedheid zal vertonen (33:19). Maar niemand, zelfs Mozes niet, kan Gods aangezicht zien en leven (33:20). Dus maakt de Heer het mogelijk om iets op te vangen, als het ware, van de achterrand van de nagloed van de heerlijkheid van de Heer – en deze merkwaardige ervaring wordt beschreven in Exodus 34.

Wanneer de Heer voorbijkomt bij de rotskloof waar Mozes veilig geborgen zit, heft de Heer aan: ‘HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw’ (34:6). De Hebreeuwse woorden die vertaald worden als ‘goedertierenheid’ en ‘trouw’ zijn een weerkerend koppel in het Oude Testament. Het eerste wordt regelmatig verbonden met Gods verbondstrouw, zijn verbondsgenade; het tweede is gegrond in zijn betrouwbaarheid, zijn verbondstoewijding om zijn woord te houden, te doen wat Hij belooft, trouw te zijn of waarachtig.

Wanneer Johannes Jezus introduceert als het Woord van God (Joh. 1:1-18),vertelt hij de lezers dat wanneer het Woord van God vlees werd (1:14), Hij onder ons ‘tabernakelde’, woonde, en we zijn heerlijkheid zagen, de heerlijkheid van een eniggeborene die kwam van de Vader, vol van ‘genade’ en ‘waarheid’. Er zijn goede redenen te denken dat Johannes deze twee woorden koos om de gekoppelde uitdrukking uit het Oude Testament weer te geven.

Hij dacht duidelijk aan deze hoofdstukken: Exodus 32-34. Als hij de echo van Exodus 33 laat klinken, herinnert hij ons ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (1:18). Maar nu Jezus Christus gekomen is, heeft dit vleesgeworden Woord ons de Vader bekendgemaakt, door op een unieke manier ‘genade en waarheid’ te vertonen.
De wet werd ons door Mozes gegeven – dat was al wonderlijk genoeg, zeker een genadegeschenk van God. Maar ‘genade en waarheid’ kwamen pas voluit hun heerlijkheid uitstralen met Jezus Christus (1:17).

Zelfs de openbaring van een lagere orde die genadig vertoond werd tot zegen van Mozes, brengt wonderlijke resultaten. Het gaat vooraf aan een vernieuwing van het verbond. De Heer antwoordt op Mozes’ gebed: ‘Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk des HEREN zien, want ontzagwekkend is wat Ik met u doe’ (34:10).

Van Gods kant bevestigt dit hun binnengaan in het Beloofde Land, want de Heer zelf zal alle tegenstand verdrijven (34:11); van de kant van de verbondsgemeenschap, is gehoorzaamheid vereist, dit behelst ook zorgvuldige afscheiding van de omringende heidenen en afgodendom. ‘Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de HERE, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God’ (34:14).

Hoe zou het anders kunnen? Deze God is goedertieren, maar Hij is tegelijk ook trouw.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 24 september 2011

U niet

Ben ik afgemat en uitgeput,
U niet.
Ben ik verward en ontmoedigd,
U niet.
Ben ik wankelbaar en ontrouw,
U niet.
Ben ik vol twijfels en moedeloos,
U niet.
Ben ik angstig en bezorgd,
U niet.
Ben ik kortzichtig en bezorgd,
U niet.
Ben ik vermoeid en klaar om op te geven,
U niet.
Schiet ik tekort in hoop en liefde,
U niet.
Ben ik geschokt en verrast,
U niet.
Weiger ik boos om genade te schenken,
U niet.
Ben ik ontrouw in wat ik beloofde,
U niet.
Ben ik zelfzuchtig en trouweloos,
U niet.
Oh Heer van
Trouw en genade
dank U
dat ik op de momenten
dat ik de weg kwijt ben,
mag weten:
U niet.
Eigen vertaling. Het originele Engelstalige stukje van Paul Tripp vind je hier.

donderdag 24 maart 2011

O Timotheüs, bewaar wat jou is toevertrouwd

‘O Timotheüs, bewaar wat jou is toevertrouwd’ (1Tm.6:20)

Paulus komt in elk hoofdstuk van 2Tm op deze zorg terug:

o 2Tm1: 14 Bewaar door de heilige Geest, die in ons woont, het goede dat je is toevertrouwd.

o 2Tm2: 3 Deel in het lijden als een goed soldaat van Christus Jezus. (+ vers 8 en 9: Houd Jezus Christus in gedachten, uit het nageslacht van David, die uit de dood is opgewekt. Dit heb ik verkondigd, daarom heb ik veel te verduren en ben ik zelfs als een misdadiger gevangengezet.)

o 2Tm3: 13 Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. 14 Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen.

o 2Tm4: 1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap

dinsdag 4 augustus 2009

Lied voor doodgewone christenen – Groot is uw trouw

Mooie post van Bob Kauflin op zijn blog: worship matters. Hij schetst de geschiedenis van het lied “Groot is uw trouw”. Het kan elke christen bemoedigen die zijn of haar leven maar heel gewoontjes vindt. Het verhaal achter het lied toont dat het slechts de vrucht is van een trouwe man met een eenvoudig geloof in een trouwe God.

Thomas Chisholm beschreef zichzelf soms als “gewoon een oude schoen”. Hij werd geboren in 1866 in een houten hut in Kentucky. Hij kwam tot bekering toen hij 27 was, werd voorganger op zijn 36ste, maar moest die job een jaar later al opgeven wegens zijn slechte gezondheid. Het grootste deel van zijn leven werkte hij als verzekeringsagent in New Jersey. Hij stierf in 1960 toen hij 93 jaar was. Gedurende zijn leven schreef hij meer dan 1200 gedichten, maar van de meeste ervan zal niemand ooit horen.

Maar terug in 1923, toen hij aan 57 “zijn bloeitijd al voorbij was”, zond Thomas Chisholm een aantal van zijn gedichten naar William Runyan bij de Hope Publishing Company. Een ervan was "Great is Thy Faithfulness" (“Groot is uw trouw”), gebaseerd op Klaagliederen 3:22-23. (“Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen. Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!”)

Runyan was vooral aangesproken door "Great is Thy Faithfulness". Hij zocht er een melodie op die een weerspiegeling zou zijn van de verwondering over en dankbaarheid voor Gods trouw, zoals die tot uiting kwam in de liedtekst. Schijnbaar slaagde hij erin.
Het lied werd al snel een favoriet in het Moody Bijbel Instituut, en later zong George Beverly Shea het op de campagnes van Billy Graham. Nu is het over de hele wereld bekend en wordt het gebruikt om miljoenen christenen aan te moedigen hun vertrouwen te stellen in een trouwe God.

Behoorlijk indrukwekkende geestelijke vrucht uit het leven van een verzekeringsagent.
Toen Chisholm 75 was, schreef hij in een brief:
“Mijn inkomen is nooit groot geweest, door de zwakke gezondheid die ik sinds mijn jeugd meedraag. Hoewel ik hier niet mag tekortschieten in het vermelden van de voortdurende trouw van een God die zich aan Zijn verbond houdt. Hij heeft me op wonderlijke wijze zijn voorzienige zorg getoond. Ik blijf me er dankbaar over verbazen."

Kauflin voegt nog een korte analyse toe van het lied. Het heeft in het Engels 3 verzen en een refrein.

Het eerste vers spreekt van Gods trouw zoals geopenbaard in Zijn Woord, en is afgeleid van Jakobus 1:17. “elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen.”

Vers 2 handelt over Gods trouw zoals geopenbaard in de schepping. De seizoenen, de zon, de maan en de sterren hebben alle hun volmaakte koers, geordend en rustig, geleid door Gods trouwe hand en zonder enige hulp van onze kant.

Vers 3 herinnert ons aan Gods trouw zoals geopenbaard in onze levens. Hij vergeeft al onze zonden, vervult ons met zijn vrede, verzekert ons van zijn tegenwoordigheid, geeft ons kracht, hoop en zegeningen die te talrijk zijn om ze te kunnen tellen!

Welke uitdagingen, beproevingen of ontgoochelingen je misschien ook momenteel doormaakt, dit lied herinnert ons dat Gods beloften waar zijn, dat Hij onveranderlijk is, dat zijn ontferming blijft en dat zijn trouw aan ons in Jezus Christus meer is dan goed – ze is FANTASTISCH!

God heeft geen ongelooflijk begaafde of bijzonder beroemde mensen nodig om deze waarheden uit zijn Woord te verkondigen – alleen trouwe mensen.


Groot is uw trouw, o Heer,
mijn God en Vader.
Er is geen schaduw van omkeer bij U.
Ben ik ontrouw, Gij blijft immer Dezelfde
die Gij steeds waart,
dat bewijst Gij ook nu.

Refrein:
Groot is uw trouw, o Heer,
groot is uw trouw, o Heer,
iedere morgen aan mij weer betoond.
Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven.
Groot is uw trouw, o Heer,
aan mij betoond.

Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,
en uw nabijheid, die sterkt en die leidt:
Kracht voor vandaag,
blijde hoop voor de toekomst.
Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.

Refrein:
Groot is uw trouw, o Heer,
groot is uw trouw, o Heer,
iedere morgen aan mij weer betoond.
Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven.
Groot is uw trouw, o Heer,
aan mij betoond.

Dit is nog het 2e vers uit de Engelse tekst:
Summer and winter and springtime and harvest,
Sun, moon and stars in their courses above
Join with all nature in manifold witness
To Thy great faithfulness, mercy and love.

donderdag 16 juli 2009

In vertrouwen de weg gaan



Mijn schoonzus Mirjam bracht de tekst van de Brian Doerksen-song onder mijn aandacht. Het grootste deel van de vertaling is ook aan haar te danken.

BRIAN DOERKSEN - YOUR FAITHFULNESS
I don't know what this day will bring
Will it be disappointing, filled with longed for things?
I don't know what tomorrow holds
Still I know I can trust Your faithfulness
I don't know if these clouds mean rain
If they do, will they pour down blessing or pain?
I don't know what the future holds
Still I know I can trust Your faithfulness

Certain as the rivers reach the sea
Certain as the sunrise in the east
I can rest in your faithfulness
Surer than a mother's tender love
Surer than the stars still shine above
I can rest in your faithfulness

I don't know how or when I'll die
Will it be a thief, or will I have a chance to say goodbye?
No, I don't know how much time is left
But in the end, I will know your faithfulness
When darkness overwhelms my soul
When thoughts and storms of doubt
Still I trust You are always faithful, always faithful

Certain as the rivers reach the sea
Certain as the sunrise in the east
I can rest in your faithfulness
Surer than a mother's tender love
Surer than the stars still shine above
I can rest in your faithfulness

I don't know what this day will bring
Will it be disappointing, filled with longed for things?
I don't know what tomorrow holds
Still I know I can trust Your faithfulness


VRIJE VERTALING: UW TROUW

Ik weet niet wat deze dag zal brengen
Is het teleurstelling, gevuld met dingen die ik verlang? .
Ik weet niet wat morgen brengt
Maar ik weet dat ik op Uw trouw kan rekenen.
Ik weet niet of deze wolken regen betekenen
Als het zo is, regent het dan zegen of pijn?

Ik weet niet wat de toekomst in petto heeft
Maar ik weet dat ik op Uw trouw kan rekenen

Zo zeker als rivieren de zee bereiken
Zo zeker als de zon opkomt in het oosten kan ik rusten in Uw trouw

Zekerder dan de tedere liefde van een moeder
Zekerder dan de sterren die stralen aan de hemel, kan ik rusten in Uw trouw

Ik weet niet hoe of wanneer ik zal sterven
Zal het plots zijn of zal ik een kans hebben om afscheid te nemen?
Nee, ik weet niet hoeveel tijd er nog rest
Maar aan het eind zal ik Uw trouw zien
Wanneer de duisternis mijn ziel overdondert
Bij gedachten en stormen van twijfel, vertrouw ik er toch op dat U altijd trouw bent, altijd trouw

Zo zeker als rivieren de zee bereiken
Zo zeker als de zonsopgang in het oosten
kan ik rusten in Uw trouw
Zekerder dan de tedere liefde van een moeder
Zekerder dan het stralen van de sterren aan de hemel, kan ik rusten in Uw trouw

Ik weet niet wat deze dag zal brengen
Is het teleurstelling, gevuld met dingen die ik verlang?
Ik weet niet wat morgen brengt
Maar ik weet dat ik op Uw trouw kan rekenen