Posts tonen met het label ballingschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ballingschap. Alle posts tonen

donderdag 7 november 2013

Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij (Ps. 137)


2 Koningen 20; Hebreeën 2; Hosea 13; Psalmen 137-138
Het past dat we Hosea 13 moeten lezen in verbinding met Psalm 137. Hosea 13 brengt de beloften van de profeet met betrekking tot oordeel naar hun hoogtepunt.

God zal het trotse Samaria (Efraïm) vernietigen. Gelijkaardige waarschuwingen werden regelmatig gebulderd tegen Juda, maar zij toonden geen tekenen van berouw. In 587 v.C. verwoestte God Jeruzalem en de laatste grote golf mensen werd in ballingschap gevoerd.

Hier in Psalm 137 verwoorden de gevangen van die ramp hun volkomen wanhoop, en bijna heel hun focus ligt op de secundaire uitvoerders – hun gevangennemers, de Edomieten, het volk van Babylon. En beide perspectieven houden steek en zijn complementair.

Hier zal ik over de vier delen van Psalm 137 nadenken.

(1) Het eerste (137:1-3) is zo levendig dat het klinkt als de herinnering van ooggetuigen. Een reliëf uit het Assyrisch paleis van Sanherib in Nineve beeldt drie krijgsgevangen af die op hun lieren spelen terwijl een soldaat met hen mee stapt; ongetwijfeld gebeurde dit ook in Babylon.

‘Babels stromen’ waren een kanalensysteem dat verbonden was met de rivierensystemen van Tigris en Eufraat. De ‘citers’ (lieren) waren instrumenten van vreugde.

In de symbolische taal van Openbaring 5, wanneer de leeuw die tegelijk het lam is de boekrol uit de rechterhand van de Almachtige aanneemt, waarmee hij aantoont dat hij waardig is de boekrol te openen en al Gods plannen in zegen en oordeel ten uitvoer te brengen, barsten alle ‘citers’ los; het is een moment van onuitsprekelijke vreugde, het tegengestelde van deze paragraaf.

(2) Maar de ballingen weigeren te zingen (137:4-6). Alle associaties van de liederen van de Heer zijn verbonden met Jeruzalem en de tempel. Voor hen was hun besliste weigering, zelfs tegenover hun mishandelende gevangennemers, niet alleen een teken van pathos en harteleed (v. 4), maar ook van passie en trouw (vv. 5-6).

(3) De Edomieten hadden zich zichtbaar verheugd in de verwoesting van Jeruzalem en er mogelijk ook aan meegeholpen. Op dit punt heeft de profeet Ezechiël meer te zeggen (Ez. 35; zie de overdenking voor 2 oktober).

God haat zelfgenoegzaamheid en een wraakgierige geest. Het oordeel over Jeruzalem kwam, uiteindelijk, van God – maar hij zou ook hen oordelen die zich verheugden in Jeruzalems val en eraan bijdroegen.

Een van de lelijkste recente bewijzen van die zelfgenoegzame wraakgierigheid binnen de rangen van belijdend evangelicalisme was de slogan ‘geen tranen voor homo’s’ (Eng.: ‘no tears for queers’), nadat een jonge homofiele man was doodgeslagen.

(4) Aan het einde van een belegering gebeurt het dat soldaten van de overwinnaar kleine kinderen bij hun enkels vastgrijpen en ze doden door hun hoofden tegen een muur te slaan. Wat dergelijk barbarisme strikt gesproken vereist wil gerechtigheid kunnen zegevieren, is vergelijkbaar lijden.

Deze opgewonden zinnen zijn geen koude beleidslijnen, maar de hartenkreten van morele verontwaardiging. We moeten de kwelling horen, vooraleer we ook God horen beklemtonen dat Hem de wraak toekomt (Rom. 12:19).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 september 2013

Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal (Ez. 5)

1 Samuël 26; 1 Korintiërs 7; Ezechiël 5; Psalmen 42-43
In Ezechiël 5 breidt Ezechiël zijn lijst van parabolische acties nog met een actie uit, en dan zet hij Gods woord uiteen met hun betekenis.

Ezechiël scherpt een zwaard en gebruikt het als een scheermes. Hij scheert zijn hoofd, baard en alles. Nadat hij er een paar strengen van in zijn kleren heeft gebonden, verdeelt hij de rest in drie hoopjes. Het eerste legt hij in de stad (d.w.z. op de kleitablet die model staat voor de stad Jeruzalem, 4:1) en hij steekt de haren in brand, misschien met een brandende kool.

Een ander derde deel strooit hij uit rond de stad, en hakt ze dan fijn met zijn zwaard tot er maar minieme deeltjes van overblijven.

Het laatste derde deel strooit hij in de wind, enkele haartjes per keer, tot ze allemaal weggewaaid zijn. Enkele van de haren die in zijn kleren waren gebonden haalt hij nu uit en strooit ze op de smeulende kool en assen binnen het stadsmodel, en ook die vatten vlam en verteren.

De betekenis van dit alles wordt uiteengezet in 5:12: een derde van het volk zal omkomen binnen de stad (door de hongersnood van de belegering), een derde deel zal door het zwaard sterven bij de finale uitval, en het resterende derde deel zal verstrooid worden in ballingschap.

Het volledige hoofdstuk benadrukt dat het God zelf is die dit oordeel over zijn volk zal brengen: onderstreep elke keer er ‘Ik’ staat in 5:8-17. Dit is wat er gebeurt als de Heer schiet om te doden (5:16). ‘Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal’ (5:9); deze formulering betekent dat dit oordeel zo erg is als tijdelijke oordelen maar kunnen zijn.

Jezus zelf gebruikt vrijwel dezelfde woorden als het gaat over het komende oordeel over Jeruzalem in zijn eeuw (Mt. 24:21).

God zegt dat zijn toorn moet uitgestort worden. Maar deze toorn is geen onbeheersbare woedeuitbarsting. God benadrukt dat wanneer het oordeel ten volle uitgestort wordt, zijn grimmigheid gestild zal worden en zijn woede gekoeld (5:13).

Deze uitbarsting van toorn maakt deel uit van een reeks uitgesproken uitbarstingen van toorn van de zondeval af: de vloek in Genesis 3, de zondvloed, Babel, de slavernij in Egypte, diverse oordelen in de woestijn (inclusief het ronddolen in de woestijn gedurende veertig jaar), enzovoort.

In cycli van oordeel die overeenstemmen met cycli van bijzonder schandelijke zonde, giet God zijn toorn uit. Dit maakt allemaal deel uit van de noodzakelijke Bijbelse theologie achter Romeinen 3:20-26: er is geen oplossing voor de dreiging van Gods rechtvaardige toorn over zijn schepselen die tegen Hem in opstand zijn gekomen – tot de persoon van zijn God-Zoon zelf de toorn op zich neemt die wij verdienen, waarbij Hij zijn gerechtigheid bewaart terwijl Hij ons rechtvaardigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 augustus 2013

Rijk aan informatie, arm aan godsvrucht? (Klaagliederen 5)


1 Samuël 20; 1 Korintiërs 2; Klaagliederen 5; Psalm 36
In deze informatierijke tijd, hebben velen van ons geleerd om zo beknopt mogelijk te zijn. Dit was een van de gebieden waarin mijn eigen doctoraatssupervisor me heel erg hielp: mijn prozastijl is nog altijd heel uitgesponnen, maar als je er al beknoptheid en precisie in herkent, dan is dit voor een groot deel te danken aan diens nauwgezette correctie van mijn werk een kwarteeuw geleden.

Efficiënte managers leren bondig te formuleren; computerprogrammeurs worden beoordeeld op hoe beknopt zij precieze code kunnen schrijven om te doen wat moet gedaan worden. Slechts een paar hedendaagse auteurs (bijv. Tom Clancy en James Michener) komen weg met lange, uitgesponnen boeken – en zelfs dan hebben de uitgevers er drastisch in geknipt.

Maar hier zijn we dan, terwijl we rustig door Jesaja, Jeremia en Klaagliederen lezen, met Ezechiël nog voor de boeg, en we merken hoe we altijd weer rond hetzelfde handvol thema’s draaien: zonde in de verbondsgemeenschap, dreigend oordeel, dan oordeel dat wordt uitgevoerd, eerst voor de noordelijke stammen, daarna voor Juda. We herkennen de subtiele verschillen natuurlijk: geschiedenis, apocalyptiek, godsspraak, klaaglied, gebeden.

Hier in Klaagliederen 5 wordt de vijfde treurzang neergezet als een lang gebed: ‘Gedenk, HERE, wat ons is overkomen; zie toch; aanschouw onze smaad’ (5:1). Maar heb je jezelf er al niet meer dan een keer op betrapt dat je zegt, ‘Ik weet dat dit het woord van God is, en ik weet dat het belangrijk is, maar ik denk dat ik nu iets begrijp van de geschiedenis en de theologie van de ballingschap. Kunnen we niet overgaan naar iets anders?’

We leven in een tijd die de informatie onder controle wil houden, we schreeuwen om beknoptheid en de Bijbel lijkt bij momenten vreselijk onsamenhangend. Dus gaan we opnieuw zo snel mogelijk door een hoofdstuk omdat we dit allemaal wel al ‘weten’.

Maar is dit niet deel van het probleem? Lees het hoofdstuk terug door, traag en bedachtzaam. Natuurlijk is het verbonden met het Israël van zes eeuwen voor Christus, met de verwoesting van haar steden en land en tempel, tot de aanvang van de ballingschap. Maar luister naar de diepte en volharding van de smeekbeden, het berouw, de persoonlijke omgang met God, het culturele bewustzijn, de erkenning van Gods soevereiniteit en gerechtigheid, de diepgaande erkenning dat het volk opnieuw met God zelf moet verenigd worden wil terugkeer naar het land mogelijk worden, laat staan zinvol (5:21).

Vergelijk dit dan met de soorten van christelijk belijdenis waarmee jij het meest vertrouwd bent. In tijden van culturele achteruitgang, morele neergang en grootschalige kerkelijke versnippering, is ons gebed dan zoals dat van Klaagliederen 5? Hebben de thema’s van de grote profeten zich zo in onze geesten en harten gebrand dat het onze passie is om weer met de levende God verenigd te worden? Of zijn we zelf zo opgeslokt door de geest van deze tijd dat we tevreden zijn rijk te zijn aan informatie en verarmd in wijsheid en godsvrucht?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 augustus 2013

De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn (Kl. 4)


1 Samuël 19; 1 Korintiërs 1; Klaagliederen 4; Psalm 35
De vierde treurzang (Klaagliederen 4) roept opnieuw verschillende mentale beelden op om het lijden van de finale belegering van Jeruzalem en omstreken voor te stellen. Het legt ook een aantal van de redenen uit voor het opgelegde oordeel, en eindigt met een glimp van hoop.

Het begin van de treurzang vergelijkt het volk van Jeruzalem met goud dat zijn glans verloren heeft (4:1). Zoals goud begonnen ze kostbaar, maar nu worden ze behandeld als de goedkoopste aarden kruiken (4:2).

Onder de omstandigheden van de belegering en de wegvoering, wordt voedsel zodanig schaars dat moeders hun kinderen niet langer kunnen zogen; zelfs de jongen van jakhalzen worden beter behandeld (4:3-4).

Spreekwoordelijk voor zijn zonde, werd Sodom in een snelle Holocaust vernietigd, ‘als in een oogwenk’ (4:6). Maar de straf van het volk van de dichter is groter dan die van Sodom (4:6; merk op dat de Nederlandstalige Bijbelvertalingen spreken over grotere ‘ongerechtigheid’ of ‘wandaden’ dan Sodom, JL); oorlogsvoering via belegering is een ellendige, slepende zaak, en de ballingschap die volgt gaat in die lijn verder.

De theologische veronderstelling is natuurlijk dat er een gradatie van schuld is: degenen met de meeste kennis van Gods wegen hebben het minst excuus, en zo kunnen ze zich aan het zwaarste oordeel verwachten (bijv. Mt. 11:20-24).

Wat de edelen betreft, die zijn al even uitgemergeld, vernederd, en vuil als de rest, en dus niet te onderscheiden van de overigen (4:8-9) – wat een andere manier is om te zeggen dat het leiderschap van de kleine natie vernietigd is. Ze zijn zo vuil, dat ze fysiek en ceremonieel onrein zijn, zoals melaatsen die hun bestaan moeten uitzitten waar niemand contact met hen wil (4:14-15).

‘De gezalfde des HEREN’ - hier een verwijzing naar Zedekia – blijkt van geen nut. ‘Hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren’ (4:20) – dit is, gerust in de wetenschap dat hij in de Davidische lijn lag, de gezalfde van de Heer.

Maar zoals de Heer de stad en de tempel verwoest heeft, zo heeft Hij ook de Davidische afstammelingen van de troon verwijderd. Waarom deed de Heer dit? ‘Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters’ (4:13).

Niet dat de schrijver suggereert dat zij de enige zondaars waren. Maar de godsdienstige leiders hadden het meest moeten doen om het volk in verbondstrouw te bewaren, maar in plaats daarvan leidden ze het volk in corruptie en ontrouw. Omwille van hun eigen posities hebben ze de nationale neergang geen halt toegeroepen, maar integendeel aangestookt en verhaast. Waar geldt dit vandaag?

Het verhaal eindigt hier niet. In spottende hoon zegt de schrijver aan de naburige heidenen dat ze zich al even goed mogen verheugen in dat ogenblik, want hun beurt komt nog. Gods recht wordt evenzeer aan hen opgelegd als aan Israël – en op een dag zal het verbondsvolk, hoewel nu verdrukt, elk spoor van de ballingschap achter zich laten (4:21-22). De Gezalfde des Heren zal hen rust geven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 augustus 2013

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn (Kl. 3)

1 Samuël 18; Romeinen 16; Klaagliederen 3; Psalm 34
Het is moeilijk beslissen of het eerste deel van Klaagliederen 3 de ervaring van een individueel persoon beschrijft (mogelijk Jeremia), of als die persoon een figuur is die het hele volk vertegenwoordigt nu het een catastrofale nederlaag, armoede en ballingschap opgelegd kreeg.

Diverse zinnen pleiten in het voordeel van de eerste visie (bijv. 3:14, waar de persoon een belaching is geworden ‘voor heel mijn volk’, eerder dan voor de omringende volken).

Het boek in zijn geheel en de meervoudsvorm ‘we’, die in het grootste deel van de tweede helft van dit hoofdstuk domineert, pleiten licht in het voordeel van de tweede visie.

Maar belangrijker dan deze kwestie te kunnen beslissen is de treffende manier waarop hoop of vertrouwen uitbreken onder de meest schrijnende problemen. Het eerste voorbeeld vinden we in 3:22-27. Ondanks de vreselijke verwoesting zegt de schrijver, ‘ Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (3:22).

Hun zonden verdienen meer oordeel dan ze krijgen. Ze hadden kunnen uitgeroeid worden. Slechts de barmhartigheid van de Here voorkwam dat dit gebeurde. Hoe groot ook hun lijden, het feit dat ze nog altijd bestaan getuigt van de genade van de Heer jegens hen. Gods gunstbewijzen vernieuwen zich in onze ervaring elke dag (3:23).

Bovendien zullen de getrouwen zeker benadrukken dat hetgeen ze het meest willen niet de zegeningen van de Heer zijn, maar de Heer zelf: ‘Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen’ (3:24).

Dit is een moreel standpunt: het wijst op het einde van de zelfgenoegzaamheid en zelfgerichtheid die dacht dat ze God met de nek kon aankijken. Voor deze schrijver bereikt de tuchtiging het gewenste effect: het drijft mensen terug naar God.

Het tweede blok van hoop is een terugblik op de voorafgaande manieren waarop de Heer al geantwoord heeft (3:55-57), en dat dan een pleidooi vormt voor rechtvaardiging (3:58-64).

De uitgesproken eenvoud van de eerste van deze twee gedeeltes is bijzonder aansprekend, het voorrecht van veel gelovigen die door donkere wateren gingen: Ik roep uw naam aan, o HERE, uit het onderste van de put. Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet’ (3:55-57).

Het gebed voor rechtvaardiging dat volgt (3:58-64) mag niet herleid worden tot bittere wraakzucht. Als God rechtvaardig is, dan moet Hij, op dezelfde manier als Hij zijn eigen verbondsvolk getuchtigd heeft, recht spreken over hen die wreed anderen aanvielen – zelfs al gaat het dan om die aanval die God voorzienig gebruikte om zijn eigen volk te tuchtigen. God benadrukt elders hetzelfde punt (bijv. Jes. 10:5 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 12 augustus 2013

Indien het u behaagt met mij naar Babel te gaan, ga dan en ik zal mijn oog op u vestigen (Jer. 40)

1 Samuël 2; Romeinen 2; Jeremia 40; Psalmen 15-16

Toen Jeruzalem viel in 587 v.C. (Jer. 39), werd Zedekia vreselijk gestraft, hoewel nog mild naar de maatstaven van oorlogvoering door belegering uit die tijd. Wat Jeremia betreft waren de verslagen van zijn profetieën over de val van Jeruzalem mogelijk snel doorgesijpeld via de gevangen van Nebukadnessar (die zich niet zelf in Jeruzalem bevond, maar zijn hoofdkwartier voor de regio had gevestigd bij Riblah, terwijl hij de finale aanval had overgelaten aan zijn bevelhebber Nebuzaradan).

Daarop gaf de heerser bevel dat Jeremia goed behandeld moest worden (39:12). Aanvankelijk werd dit bevel opgevolgd, en Jeremia werd overgeleverd aan Gedalja (39:13-14), die de nieuwe gouverneur werd van de regio nadat de keizerlijke troepen zich hadden teruggetrokken, terwijl ze talloze gevangenen in ballingschap met zich meevoerden. Dit is de achtergrond voor Jeremia 40.

Het raamwerk van het verhaal is vrij eenvoudig; de slotverzen van het verhaal roepen ons op om na te denken over een vreselijk belangrijk thema.

Ten eerste, het raamwerk: zij die vervoerd moesten worden om in ballingschap te gaan werden verzameld in Rama, dat diende als verzamelplaats ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem.

Ondanks Nebukadnessars instructies om Jeremia bij Gedalja te laten, was de profeet op een of andere manier in deze groep terechtgekomen (40:1). Iedereen die een beetje vertrouwd is met de verwarring van oorlog, begrijpt hoe gemakkelijk dit allemaal kon gebeuren.

De bevelhebber Nebuzaradan bevrijdde hem en bood aan hem naar Babylon te brengen; waarschijnlijk zou het toevoegen aan het prestige van de bevelhebber in zijn thuisland als hij een grote profeet, die Babylons succes had voorspeld, de baas had gekund.

Maar Jeremia was vrij zijn eigen beslissingen te nemen en hij opteerde om bij de rest in Juda te blijven. Nebuzaradan gaf hem voedsel en een geschenk (40:5) – nog maar eens een voorbeeld van het principe dat een profeet vaak door iedereen geëerd is, behalve door hen die het dichtst bij hem staan (vgl. Mt. 13:57).

Maar het verslag raast verder om de vroege fases van Gedalja’s gouverneurschap te beschrijven. Hij handelde recht op bijna alle fronten. Hij bemoedigde de armen om zich te settelen en het land te bewerken en de oogst te verzamelen. Hij verzamelde de Joodse ‘legeroversten, die te velde waren geweest’(40:13), een potentieel gevaarlijke opstandelingenmacht die kon uitmonden in de soort anarchie die de toorn van Babylon terug kon opwekken.

Zelfs degenen die gevlucht waren naar naburige landen begonnen naar huis terug te keren (40:11-12), gerustgesteld door de stappen die Gedalja zette om stabiliteit te verzekeren.

Maar Gedalja’s grote zwakte bestond erin dat hij geen kwaad kon geloven van mensen. Ondanks alle kwaad van de afgelopen jaren, geloofde hij nog altijd niet dat zonde gebeurt, dat slechte mensen ook slechte dingen doen, dat leiderschap soms eens de bozen moet weerstaan. Op zoveel vlakken was hij een goed man. Maar hij betaalde zijn Polyannische optimisme met zijn leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 augustus 2013

Zo kwam Jeremia in het gevangenhuis (…) en Jeremia bleef daar lange tijd (Jer. 37)


Ruth 2; Handelingen 27; Jeremia 37; Psalm 10
Diverse malen zagen we dat het verloop van het boek Jeremia zelden chronologisch is. Hier springen we van de regering van Jojakim in hoofdstuk 36 naar Zedekia (Jer. 37), het marionet-staatshoofd dat er kwam nadat de laatste legitieme koning van Juda, Jojakin, naar Babylon gebracht was in 597 v.C. De datum is 589-588.

De twee gebeurtenissen die beschreven worden in dit hoofdstuk weerspiegelen de verdere degeneratie van het leiderschap en illustreren toch opnieuw Gods lankmoedigheid.

(1) De eerste gebeurtenis (37:1-10) wordt schijnbaar voorafgegaan door het feit dat Farao Chofra (zie ook 44:30, JL) deed alsof hij uittrok om de Babyloniërs het hoofd te bieden en Jeruzalem te bevrijden. Het bericht was voldoende onrustwekkend voor de Babyloniërs om tijdelijk de belegering van Jeruzalem op te heffen en zich op deze nieuwe bedreiging te richten.

Zedekia stuurt een aantal afgezanten naar Jeremia met de vraag voorbede te doen – wellicht om deze tijdelijke adempauze definitief te maken. Jeremia antwoordt met de woorden van 37:7-10: het uitstel is tijdelijk, de Babyloniërs zullen terugkeren, Jeruzalem zal verwoest worden. Dus laat je niet misleiden er anders over te denken.

(2) Tijdens het uitstel poogt Jeremia de stad te verlaten door de Benjaminpoort, schijnbaar met de intentie zijn nieuw verworven eigendom in Anatot te gaan bekijken (37:11-21; vgl. 32:9). Maar hij wordt gearresteerd, geslagen en gevangen gezet onder de beschuldiging van overloperij.

De oversten geloven geen woord van wat de profeet zegt, dus blijft hij gevangen in een ondergrondse kerker in het huis van de schrijver van het land. De vorsten zijn heel anders dan hun voorgangers onder Jojakin (26:19; 36:19), die open leken te staan voor Jeremia maar onder de duim zaten van een koppige en zondige monarch.

Hier doen de vorsten laatdunkend tegen Jeremia en zijn ze ronduit wreed voor hem, terwijl koning Zedekia, eerder uit wanhoop en vrees dan uit principe, probeert in contact te blijven met Jeremia en zijn opsluiting uiteindelijk minder pijnlijk maakt.

Dit suggereert allemaal dat er in elke hiërarchie, inclusief regering en kerk, veel manieren zijn waarop dingen kunnen verkeerd gaan. Soms zijn er heel wat zwakke, besluiteloze maar niet al te immorele handlangers die gemanipuleerd worden door een zondige leider. Soms is er een besluiteloze leider die aangestuurd wordt door een stel onbekwame, trouweloze en zondige handlangers.

Overdenk het volgende: ‘Waarom, HERE, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood? Over de trots van de goddeloze is de ellendige ontstoken –laat hen verstrikt worden in de boze plannen die zij bedacht hebben. De goddeloze immers roemt naar hartelust, de woekeraar spreekt zegenwensen, hij versmaadt de HERE. De goddeloze met zijn neus in de hoogte (denkt): Hij vraagt geen rekenschap; al zijn gedachten zijn: Er is geen God’ (Ps. 10:1-4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 2 augustus 2013

Hun valse boodschap over God ging hand in hand met immoraliteit in hun leven (Jer. 29)


Richteren 16; Handelingen 20; Jeremia 29; Markus 15

Meer dan drieduizend mensen werden naar Babylon gebracht (inclusief koning Jechonja) in de deportatie van 597 v.C. (Jer. 52:28). Ongetwijfeld hoopten veel van deze mensen van harte op een spoedige terugkeer naar Jeruzalem. Hun verlangens maakten hen een gemakkelijke prooi voor ‘profeten’ die hun hoop levendig hielden door hen het soort dingen te beloven dat ze wilden horen.

De profeet Ezechiël, zelf ook een balling, klaagt deze valse profeten herhaaldelijk aan (zoals we zullen zien in de overdenkingen voor september). Terug in Jeruzalem hoorde Jeremia over die ontwikkelingen en besloot om een brief te schrijven (Jer. 29), die zoals het hoort persoonlijk wordt afgeleverd (29:1-3).

Deze brief begint met een vermaning om zich te vestigen, om het goede te zoeken voor de stad waar de ballingen zich bevinden (de grootste nederzetting was dicht bij Nippur, bij het Kebarkanaal). ‘Bidt voor haar tot de HERE, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn’ (29:7).

Dit is verbonden met een waarschuwing zich niet te laten misleiden door de valse profeten. Jeremia noemt dan de bestemming voor drie groepen:

(1) Zij die al in gevangenschap zijn (29:10-14): God is van plan hen naar Jeruzalem te laten terugkeren na de zeventig jaren Babylonische heerschappij. Dit is verbonden met een transformatie van het hart: ‘Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen;dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vinden (…) en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren’ (29:12-14).

(2) Zij die nog in Jeruzalem zijn (29:15-19): in plaats van het redmiddel te zijn voor de ballingen, zullen zij zelf gestraft worden. Zij zijn de ‘afschuwelijke vijgen’ (29:17; vgl. hfdst. 24). Wie niet omgekomen zijn zullen zelf in ballingschap verstrooid worden (29:18).

Dicht bij de tempel wonen is onvoldoende als bescherming. Ongeacht hun woonplaats en religieuze rituelen, zullen zij omkomen, ‘omdat zij niet naar mijn woorden gehoord hebben (…) waarmee Ik mijn knechten, de profeten, tot hen zond (29:19).

En dan een waarschuwing voor de ontvangers van de brief: ‘En ook jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER’ (29:19, NBV).

(3) De valse profeten in Babylon (29:20-23): twee van hen worden specifiek genoemd: ‘Achab, de zoon van Kolaja’, en ‘Sidkiahu, de zoon van Maäseja’. We weten niets meer over hen dan wat hier geschreven staat. Ze mogen niet verward worden met andere Achabs en Zedekia’s in de Schrift. Zoals vaak het geval is, ging hun valse boodschap over God hand in hand met immoraliteit in hun leven. En God weet het; Hij weet het altijd (29:23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 29 juli 2013

Het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde (Jer. 25)


Richteren 12; Handelingen 16; Jeremia 25; Markus 11
De profetie van Jeremia 25 wordt gedateerd in het vierde jaar van Nebukadressar, d.w.z. in 605 v.C., het jaar waarin de Babyloniërs de Egyptenaren versloegen in Karkemis, daarbij Juda dwingend zijn loyaliteit te verleggen naar de nieuwe en opkomende macht.

Op dit ogenblik profeteert Jeremia al drieëntwintig jaar – vanaf de regering van de laatste goede koning, Josia, tot op deze dag (25:3). De opkomst van de Babylonische suprematie is voor Jeremia een geschikt moment om een aantal van zijn hoofdthema’s te herhalen: een terugblik op de chronische ongehoorzaamheid van het volk, een terugblik op de waarschuwingen geen andere goden na te volgen, de weigering van het volk om naar de woorden van de Heer te luisteren (25:3-8).

Maar er zijn in dit hoofdstuk verschillende elementen die ofwel niet eerder vermeld werden, of die tot hiertoe nog maar zijdelings behandeld werden.

Ten eerste wordt Nebukadressar, in taal die doet denken aan Jesaja, beschreven als Gods ‘dienaar’ (25:9). Dit is een manier om te zeggen dat het God zelf is die achter de val van Jeruzalem zit, zelfs al is de tijdelijke macht die het werk uitvoert dan Babylon en zijn koning.

Ten tweede zal de dienst aan de koning van Babylon ‘zeventig jaren’ duren (25:12). Er zijn verschillende manieren om de duur van de ballingschap te berekenen.

Dit is een afgerond getal dat begint met de opkomst van Babylon in 609 en ofwel loopt tot de nederlaag van Babylon tegen de Perzen (539), of misschien vanaf de eerste wegvoering van leiders in 605 tot de eerste terugkeer van de Joden naar het land onder het regime van koning Kores van Perzië (536; vgl. 2 Kron. 36:20-23; Zach. 1:12).

Ten derde, op een manier die ons herinnert aan wat God zegt dat Hij zal doen met de Assyriërs nadat Hij hen gebruikt heeft om het Noordelijke koninkrijk te tuchtigen (Jes. 10:5 e.v.), zegt God hier dat Hij Babylon zal straffen, ‘hun ongerechtigheid bezoeken’ en ‘tot eeuwige woestenijen’ zal maken (25:12). ‘Dan zal Ik over dit land doen komen al mijn woorden die Ik daartegen gesproken heb, alles wat in dit boek geschreven staat, wat Jeremia over alle volken heeft geprofeteerd’ (25:13).

Ten vierde wordt in de volgende verzen van Jeremia verlangd, in een visionaire ervaring, dat hij de volken zal doen drinken van de ‘beker met de wijn der gramschap’ (25:15; vgl. Opb. 14:10).

De God van de Bijbel is niet zomaar een stammengod; Hij houdt alle volken verantwoordelijk. Het oordeel mag dan beginnen met de verbondsgemeenschap, maar finaal omhelst het alle gemeenschappen, zonder uitzondering. ‘Gij zult niet vrij uitgaan, want het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde, luidt het woord van de HERE der heerscharen’ (25:29).

En waarheen zouden wij vluchten om aan het oordeel te ontkomen, behalve naar de schuilplaats die Hij alleen biedt?


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 28 juli 2013

Gelijk deze goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda (…) aanzien, ten goede (Jer. 24)


Richteren 11; Handelingen 15; Jeremia 24; Markus 10

Het gezicht van de twee korven vijgen (Jer. 24), een met ‘zeer goede vijgen, zoals de vroegrijpe vijgen’ (24:2 – de vroege vijgen rijpten in juni en werden gezien als een delicatesse, vgl. Jes. 28:4) en de andere korf vol met vijgen ‘zo slecht, dat zij niet te eten waren’ (24:2), is heel duidelijk.

De goede vijgen wijzen naar de Israëlieten die al weggestuurd zijn in ballingschap ‘naar het land der Chaldeeën’ (24:5). God zal over hen waken en hen terugbrengen. Hij zal hen een hart geven om de Heer te kennen. ‘Zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn, wanneer zij zich van ganser harte tot Mij bekeren’ (24:7; merk op: in het Engels staat er een redengevende zin ‘for they will return to me with all their heart’, dit is verwant met HSV: ‘want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart’, JL).

De slechte vijgen daarentegen wijzen naar Zedekia en zijn bestuurders en de rest van het volk in Jeruzalem. Zij zullen worden ‘tot een smaad en een spreekwoord, tot spot en vloek op alle plaatsen waarheen Ik hen zal verstrooien’ (24:9). Ze zullen niet in hun land blijven. Ze zullen verbannen worden en God zal hen volgen met ‘het zwaard, de honger en de pest’ (24:10).

De analogie roept twee gedachten op.

Ten eerste is het een omkering van een populaire verwachting, zowel in Jeruzalem als in de ballingengemeenschap in Babylon. De Jeruzalemmers waren geneigd te denken dat zij de elite waren, aangezien zij gespaard werden: God had hen niet in ballingschap gestuurd. De ballingen waren de afval; wie in het land gelaten werd, was het getrouwe overblijfsel.

De ballingen kwamen in de verleiding hetzelfde te denken. Zij wilden niet stilstaan bij de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, want dan zou er geen ‘thuis’ zijn om huiswaarts te keren. Dus hadden ze de neiging het volk te idealiseren dat achtergelaten was, met een gebed dat God de ballingen op een dag zou laten terugkeren naar het getrouwe overblijfsel in Jeruzalem.

Maar God zegt hier dat de werkelijke situatie net andersom is. Wie achterbleven in Jeruzalem zijn verwerpelijk en zullen verpletterd worden. De goede vijgen zijn in ballingschap, en God zal hen naar het land terugbrengen. Kortom: het overblijfsel is in ballingschap.

Hetzelfde thema (zonder de beeldtaal van de vijgen) wordt ontwikkeld in Babylon door Jeremia’s tijdgenoot Ezechiël: bijv. Ez. 11:14-21.

Ten tweede is dit een zo schokkende omkering van de populaire verwachtingen dat het de lezer doet denken aan tal van andere omkeringen in de Bijbel. Je denkt aan het machtige Egyptische rijk tegen de Israëlitische slaven; aan de rijke man en Lazarus; aan de zaligsprekingen van Jezus die het koninkrijk beloven aan de armen van geest.

Denk aan zoveel omkeringen als je kan, zowel op de bladzijden van de Schrift als in de latere geschiedenis. God verheugt zich in het verhogen van de nederige en het vernederen van de verhevene.

Uiteindelijk stierf onze Verlosser aan een kruis. Dus waarom zouden bedachtzame christenen jagen naar macht en posities, in plaats van naar nederigheid en trouw?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 27 juli 2013

Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien (Jer. 23)


Richteren 10; Handelingen 14; Jeremia 23; Markus 9
Veel van Jeremia 23 is een aanklacht tegen de ‘herders’ die de schapen van Gods kudde verderven en verstrooien (23:1; vergelijk met Jer. 10 en de overdenking voor 14 juli). Het lange gedeelte dat de liegende profeten aanklaagt (23:9-40) is een van de meest indringende voorstellingen van de verschillen tussen ware en valse profeten in de hele heilige Schrift.

Zijn pathos wordt nog verdiept door de kanttekeningen van de profeet Jeremia, kanttekeningen die niet alleen een bepaald element van de ware profeet openbaren, maar ook Jeremia’s eigen hart tonen: ‘Mijn hart is in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen sidderen; ik ben als een beschonken man, als iemand wie de wijn naar het hoofd gestegen is, om de HERE en om zijn heilige woorden’ (23:9).

De vernietigende veroordeling van dromen die enthousiast doorgegeven worden in kringen van de profeten, terwijl diezelfde profeten nalaten Gods woorden trouw te spreken (23:25-39), heeft een actuele relevantie waarvoor je blind moet zijn om die te missen.

Maar hier wil ik focussen op de eerste zes verzen. In het licht van de verschrikkelijk immorele en afgodische koningen die in het voorgaande hoofdstuk veroordeeld worden, en in het licht van de vernietigende herders die in dit hoofdstuk worden geïntroduceerd, presenteert God de ultieme oplossing. Die bestaat uit drie componenten:

(1) God zal de vernietigende herders te gronde richten (23:2). Dit is een thema dat we al eerder zagen, en een dat een behoorlijk groot deel van dit hoofdstuk beslaat.

(2) Nog belangrijker, God zelf zal de rest van de kudde verzamelen van waarheen ze verstrooid zijn, en Hij zal hen terugbrengen naar hun weide. ‘Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord des HEREN’ (23:4), verklaart de Heer.

Met andere woorden, de belofte van een einde aan de ballingschap en een terugkeer van de rest wordt nu in bewoordingen gegoten van een verstrooide kudde die naar haar weide wordt teruggebracht.

Maar er is ook een element van verwachting dat het historische einde van de ballingschap overstijgt: de Heer zelf zal een klasse van ‘herders’ (d.w.z. ‘pastors’) verwekken die zal overstijgen wat het volk in het verleden heeft ervaren.

(3) In het bijzonder zal de Heer ‘aan David een rechtvaardige Spruit (…) verwekken’ (23:5). De Davidische lijn zal niet veel meer zijn dan een stronk, maar daaruit zal een nieuwe ‘Spruit’ groeien, ‘die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land’ (23:5).

Zijn dagen zullen veiligheid en verlossing brengen voor het verbondsvolk van God. ‘Dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid’ (23:6). Precies zo: want door Hem, zal God zowel rechtvaardig zijn, als de zondaar kunnen rechtvaardigen, terwijl Hij hen vrijspreekt door het leven en de dood van de Spruit uit de lijn van David (Rom. 3:20-26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 26 juli 2013

‘Ik heb tot u gesproken, toen gij in rust verkeerdet’, zegt God, maar ‘gij hebt gezegd: Ik wil niet horen’ (Jer. 22)


Richteren 9; Handelingen 13; Jeremia 22; Markus 8

Alle ernstige lezers van Jeremia weten dat de verschillende profetieën niet in chronologische volgorde staan. Soms is de volgorde van de profetieën verwonderlijk, soms is ze duidelijk thematisch. In Jeremia 22 vinden we een aantal profetieën over de laatste koningen van Juda, maar de lijst is niet chronologisch geordend.

Misschien is het belangrijkste over deze godsspraken dat ze samen een afweer vormen voor het vooruitzicht op een meer vruchtbare koning, geïntroduceerd in het volgende hoofdstuk.

(1) De eerste negen verzen zijn een voortzetting van de waarschuwing voor Zedekia, het pleidooi om terug te keren tot de voorschriften van het verbond, om de aankomende rampspoed af te wenden.

(2) Jeremia 22:10-12 gaat over Sallum, ook bekend als Joachaz. Hij was een van de zonen van de laatste hervormende koning Josia, die gedood werd in Megiddo in 609 v.C.

Sallum regeerde een luttele drie maanden vooraleer hij afgezet werd door Farao Necho (gedurende de laatste jaren waarin Juda nog steeds een vazal van Egypte was, vooraleer Babylon in 605 de rol van regionale supermacht overnam: zie de commentaren van gisteren).

Weggebracht naar Egypte, keer Sallum nooit meer naar Israël terug – de eerste van de Davidische koningen die stierf in ballingschap.

(3) Sallums oudere broer Jojakim volgde hem op (22:13-23). Jojakim was gedwongen om Egypte een hoge belasting te betalen, maar legde bijkomende lasten op voor zijn eigen verheerlijking. Hij was tiranniek, begerig, hebzuchtig en dwaas (zie 2 Kon. 23:35).

En het ergste nog, hij keerde het hervormingsbeleid van zijn vader Josia om, en beval heidense rites, zelfs die van de onderdrukkende macht, Egypte. Zijn uitbuiting van arbeiders was een schending van het Mozaïsch verbond (Lev. 19:13; Deut. 24:14). De aanklacht van Jeremia is striemend: ‘Zijt gij een koning, als gij wedijvert in cederhout? Uw vader, heeft hij niet gegeten en gedronken en recht en gerechtigheid gedaan? Toen ging het hem wèl’ (22:15).

Het gevolg van Jojakims rampzalige en boze beleid was de ondergang van het land. Wat hemzelf betreft, hij zal een smadelijke dood sterven, en zijn lijk zal met het vuilnis naar buiten gedragen worden (22:19). ‘Ik heb tot u gesproken, toen gij in rust verkeerdet’, zegt God, maar ‘gij hebt gezegd: Ik wil niet horen’ (22:21).

(4) Zijn zoon Jojakin (ook Jechonja genoemd [24:1] of Konjahu [37:1]) nam over in december 598, toen Jojakim stierf.

Op dat moment werd Jeruzalem al belegerd. Jojakin was nauwelijks een knaap, achttien jaar oud. Hij regeerde drie maanden. Toen viel Jeruzalem en hij werd naar Babylon gebracht, waar hij de rest van zijn jaren verbleef – in de gevangenis tot 561, en dan aan het Babylonische hof. Geen van zijn kinderen of kleinkinderen zou op de troon van David zitten (22:30). ‘Land, land, land, hoor des HEREN woord’! (22:29).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 juli 2013

Ik zal tegen u strijd voeren met uitgestrekte hand en sterke arm, in toorn, gramschap en grote verbolgenheid (Jer. 21)


Richteren 8; Handelingen 12; Jeremia 21; Markus 7
Jeruzalem werd een vazalstaat van Babylon vanaf 605 v.C., nadat Babylon Egypte versloeg bij de slag om Karkemish. Jeruzalem kwam in opstand en werd verslagen in 597, toen het grootste deel van de koninklijke familie, samen met de edelen, de rijken en de bekwame ambachtslieden naar Egypte gebracht werd, en ze Zedekia als interim-monarch achterlieten.

Zedekia was een oom van de jonge koning Jojakin, die in ballingschap werd gevoerd. Ondanks Gods krachtige waarschuwingen door Jeremia dat Israël niet mocht in opstand komen tegen de Babyloniërs, verkozen de autoriteiten in Jeruzalem om te luisteren naar de valse profeten. Toen Juda rebelleerde, waren de represailles van Babylon meedogenloos.

De troepen van Nebukadnessar verpletterden Juda en belegerden Jeruzalem, dat uiteindelijk vernietigd werd in 587.

De profetie van Jeremia 21 vindt plaats onder Zedekia, wanneer de Babylonische troepen zich verzamelen voor de finale belegering, waarschijnlijk in 589 of 588. De Paschur die Zedekia stuurt om Jeremia te raadplegen is niet de Paschur die geïntroduceerd werd in 20:1.

Grootschalige vernietiging dreigt, precies zoals Jeremia al meer dan 3 decennia voorspelt. In zijn wanhoop raadpleegt Zedekia wie hij maar kan, inclusief Jeremia, zozeer smacht hij naar ook maar het kleinste beetje hoop. Zal de Heer misschien opnieuw grote wonderen verrichten, zoals Hij in het verleden deed – ten tijde van de Exodus, bijvoorbeeld, of toen de Assyriërs afgeslagen werden tijdens de regering van Hizkia – en Jeruzalem sparen?

Gods antwoord via Jeremia bevat drie delen:

Ten eerste zal God de stad allerminst sparen, maar is Hij vastbesloten die te vernietigen (21:3-7). Hij zal vechten aan de zijde van de Babyloniërs. ‘Ik zal tegen u strijd voeren met uitgestrekte hand en sterke arm, in toorn, gramschap en grote verbolgenheid’ (21:5). Zedekia en zijn entourage zullen niet gespaard worden.

Ten tweede volgt daaruit dat zich overgeven de enige wijze koers is. Onder de niet mis te verstane bepalingen van de belegeringen in de oorlog, kon de stad die zich verdedigde tegen een belegeraar op geen genade rekenen. Wie zich overgaf kon slaaf gemaakt worden of anders in ballingschap gestuurd worden, maar hun levens zouden tenminste nog gespaard worden. Dit zijn de twee wegen die God uiteenzet (21:8-10): de weg des levens en de weg des doods.

Deze keuze is niet exact als andere ‘twee wegen’-keuzes in de Schrift (bijv. Deut. 30:15, 19; Mt. 7:13-14), maar ze lijkt er in die zin wel op omdat ze ook onderscheid maakt tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid en hun respectievelijke gevolgen.

Ten derde, zoals zo vaak bij Gods beloften van oordeel, is er een uitweg – mits ze onmiddellijk terugkeren naar sociale rechtvaardigheid en persoonlijke gerechtigheid die de hart vormen van het Mozaïsche verbond (21:11-14).

Zonder snelle reformatie is de kleine natie echter ten dode opgeschreven. En tragisch genoeg is er niets van reformatie te merken – niet de laatste keer dat geen acht wordt geslagen op sombere waarschuwingen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 20 juli 2013

Wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben? (Jer. 16)


Richteren 3; Handelingen 7; Jeremia 16; Markus 2
Drie opmerkingen over Jeremia 16:

(1) Het openingsgedeelte van dit hoofdstuk speelt zich waarschijnlijk nogal vroeg af in Jeremia’s bediening. Hij krijgt het verbod te huwen, niet gewoon omdat vrouwen en kinderen binnen een aantal jaren buitengewoon moeilijke tijden zullen beleven met de belegering tijdens de oorlog en de daaropvolgende ballingschap, maar als een symbolische manier om te anticiperen op het gedwongen ascetisme dat het oordeel zal brengen. In een cultuur waarin bijna alle mannen huwden, was zijn celibaat ongetwijfeld een krachtig symbool.

(2) Een van de meest opvallende kenmerken van dit hoofdstuk is dat het volk zich werkelijk niet bewust lijkt van zijn schuld. Het ziet niet in waarom het oordeel verdient. ‘Waarom heeft de HERE al dit groot onheil over ons uitgesproken’, vragen ze zich af. ‘Wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben?’ (16:10).

Een van de vreselijkste aanwijzingen voor hoe ver het volk is afgedwaald van gerechtigheid is de mate waarin het zijn eigen schuld niet meer kan zien. Mannen en vrouwen die werkelijk gerechtigheid en integriteit liefhebben zijn er zich steevast van bewust wanneer ze die schenden. De heiligste mensen zijn de eersten om met schaamte en berouw hun zonden te belijden.

De meest schuldige mensen zijn zich gewoon onbewust van hun overtredingen en afgoden. Dus moeten we ons afvragen: waar ergens in dit soort spectrum vinden we onze kerken? Of in onze cultuur? Worden we gekenmerkt door diep berouw, of door een beslist onvermogen aan te nemen dat we werkelijk niets verkeerd gedaan hebben? Wat zegt dit over ons? Wat zegt dit over het standpunt van de Heer tegenover ons?

(3) Hoewel de Heer oordeel belooft, zijn er twee elementen van hoop. Het eerste is dat God op een dag het volk uit ballingschap zal terugbrengen met een dermate dramatische en onverwachte redding dat het de heerlijkheid van de Exodus zelfs in de schaduw zal stellen (16:14-15).

Het tweede is dat een deel van het doel van dit oordeel pedagogisch is. Het volk heeft afgoden gekoesterd. ‘Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: HERE’ (16:21).

De ballingschap was bedoeld om de chronische afgoderij van het verbondsvolk te doen afnemen of zelfs uit te roeien. Minstens op het vlak van de formele afgodendienst bleek die in dit opzicht opmerkelijk effectief.

De geschiedenis van de Joden na de terugkeer uit ballingschap is in dit opzicht heel anders dan voorheen. Ondanks vreselijke misstappen vind je in de Joodse geschiedenis van na de ballingschap veel minder polytheïsme en syncretisme dan in de geschiedenis van voor de ballingschap. Natuurlijk is de valstrik van afgoderij zowel voor Joden als heidenen veel subtieler en schadelijker dan de verleidingen van het formele polytheïsme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 7 juli 2013

Gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars – en dan tot Mij terugkeren? (Jer. 3)


Jozua 9; Psalmen 140-141; Jeremia 3; Matteüs 17
Wanneer de menselijke auteurs van de Bijbel de Schrift schreven, hadden ze vaker wel dan niet de Schriften gelezen die al voor hun tijd geschreven waren. Zo lazen de vroegste schrijvers van het Nieuwe Testament wat wij het Oude Testament noemen (en citeerden ze eruit of zinspeelden ze erop). De latere schrijvers van het Nieuwe Testament lazen op zijn minst een gedeelte van de vroege Nieuwtestamentische boeken (zie 2 Petr. 3:15-16). Zo lazen ook de latere schrijvers van het Oude Testament al alle of een aantal van de Oudtestamentische boeken.

Het is zeer waarschijnlijk dat Jeremia, een profeet uit de zesde eeuw, het werk van Hosea, profeet uit de achtste eeuw, had gelezen en overdacht. Hosea’s boek werkt uitvoerig de analogie tussen Israël en een hoer uit: trouwbreuk is een vorm van geestelijke hoererij.

Deze vreselijke maar veelzeggende analogie wordt op een aantal manieren naar voor gebracht – vooral door Gods opmerkelijk trouwe liefde voor zijn hoer-bruid. Sommige elementen uit dit thema van Hosea worden terug opgepikt en uitgewerkt door Jeremia (vooral in Jer. 3).

Het eerste vers alludeert op Deuteronomium 24:1-4. Daar wordt gesteld dat als een vrouw gescheiden is en een ander huwt, ze niet kan scheiden van de tweede om terug te keren naar de eerste. Spijtig genoeg heeft het volk van Juda ‘ontucht gepleegd met vele minnaars’ (3:1) – en nu zijn er geruchten over een terugkeer naar de Heer, alsof er helemaal geen vuiltje aan de lucht is.

Zij denken in Gods tegenwoordigheid te kunnen verschijnen en nostalgisch te bidden, ‘mijn Vader, de vertrouwde mijner jeugd zijt Gij! Zal Hij immer toornen, of voor altoos de wrok behouden?’ (3:4-5) – alsof het een eenvoudige zaak is deze ernstig beledigde God te benaderen, alsof de gevolgen een te ver gaande conclusie waren, alsof elke overblijvende moeilijkheid bij God ligt en bij zijn onbuigzame toorn.

Maar God ziet het nogal anders. Hij becommentarieert rustig ‘Zie, zo spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk’ (3:5). Beweringen over bekering, beloften van trouw en mooie allusies op een vergane relatie betekenen voor God niets in vergelijking met hoe ze er nu mee omgaan. Religieuze taal verbergt vaak niet alleen goddeloos gedrag, maar ook een verborgen begeerte om kwaad te doen (3:5) – hoewel de persoon die de zonde begaat meestal zo blind is dat hij of zij het niet zondig noemt.

De noordelijke natie van Israël zat gevangen in geestelijk overspel, en God gaf haar een ‘scheidbrief’ (3:6-8): ze werd in ballingschap gestuurd in 722 v.C. onder de Assyrische koning Sargon II.

Haar zuster Juda leerde er niets uit: een eeuw later deed ze hetzelfde als haar zuster Israël, maar had ze nog minder excuus aangezien ze gezien had wat Israël was overkomen (3:9 e.v.).

In welke mate heeft het hedendaags evangelicalisme het evangelie uitgehold, terwijl het bijna niets geleerd heeft uit de bijna vergelijkbare val van het Protestants confessionalisme ongeveer honderd jaar geleden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 juni 2013

Gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des HEREN draagt (Jes. 52)

Deuteronomium 25; Psalm 116; Jesaja 52; Openbaring 22


Het kan nuttig zijn Jesaja 52 in drie ongelijke delen te verdelen.

(1) In de eerste zes verzen is de toon die van tedere geruststelling. Zoveel van wat Israël overkomen is (zelfs al was het vanwege haar zonde) heeft haar verbroken. Ze werd ‘om niet verkocht’ (52:3) en ‘om niet weggevoerd’ (52:5); ze werd verontreinigd (52:1), geketend (52:2), ‘onderdrukt’ (52:4), en gelasterd (52:5).

Maar nu moet ze ‘pronkgewaden’ (52:1) aantrekken en plaatsnemen op de troon (52:2; NBV), als een koningin in Jeruzalem. Hoewel ze om niet verkocht werd, is ze in Gods ogen nog altijd van onschatbare waarde (52:3). God noemt Israël nog altijd ‘mijn volk’ (52:4).

Bovendien verbindt Hij zijn eigen naam aan wat hen overkomen is: zijn naam ‘wordt voortdurend gelasterd’ (52:5). Nu kunnen ze troost vinden: de God die hun vernietiging voorzegd heeft, heeft ook hun herstel voorzegd (52:6).

Opvallend aan deze lijst met tegengestelden –de verpletterende nederlaag en vernedering van Israël aan de ene kant en de verrukte bewoordingen die de soevereine Heer voor haar gebruikt aan de andere – is dat de eerste reeks veroorzaakt wordt (volgens de argumentatie die in het boek gevoerd wordt) door Israëls eigen zonde, terwijl de tweede voortkomt uit Gods genadige goedheid en trouw waarmee Hij hen achtervolgt en haar verlost van de straf die Hij hen zelf heeft opgelegd.

(2) In de volgende vier verzen (52:7-10) moet het goede nieuws dat God de aan Israël opgelegde sancties omkeert verkondigd worden tot de einden van de aarde. Niet allen wordt de puinhopen van Jeruzalem bevolen uit te breken in jubelzang, maar ‘de HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God’ (52:9-10).

(3) De laatste twee verzen (52:11-12) roepen de bannelingen op te vertrekken en hun gevangenschap achter zich te laten. Op historisch vlak kon dit natuurlijk niet plaatsvinden tot Kores zijn toelating gaf. Maar Jesaja’s profetie moet verwachting gewekt hebben en het volk geholpen hebben om klaar te zijn. De taal zelf doet denken aan de Exodus, maar het verschil in nadruk is opvallend.

Toen de Israëlieten Egypte verlieten werd hen gezegd mee te nemen wat ze maar van de Egyptenaren konden krijgen – waardevolle sieraden en kleding. Hier echter wordt het volk gewaarschuwd niets aan te raken, maar ‘vandaar’ uit te gaan en rein te zijn.

Dit suggereert dat het ultieme doel niet het geografische Jeruzalem is, maar het nieuwe Jeruzalem, en wat moet achtergelaten worden is meer dan Babylon, maar alles wat Babylon vertegenwoordigt.

Die bedenking stelt ons in staat te verstaan hoe en waarom Paulus dit gedeelte gebruikt in 2 Korinthiërs 6:14-18 en hoe wij het vandaag zouden moeten gebruiken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 16 juni 2013

Om Mijnentwil, om Mijnentwil doe Ik het, hoe groot ook de ontwijding is (Jes. 48)


Deuteronomium 21; Psalmen 108-109; Jesaja 48; Openbaring 18
Het is één ding voor God om een Kores op te wekken die de Joden zal toelaten naar Jeruzalem terug te keren. Maar zullen de Joden wel willen teruggaan? En als ze bereid zijn fysiek terug te keren en Jeruzalem te herbouwen, zijn ze dan geestelijk wel klaar om de zonde achterwege te laten die hen in de eerste plaats in ballingschap deed terechtkomen? (Jes. 48)

Het ziet er niet goed uit. Formeel gezien zweren ze wel bij de naam van de Heer en belijden ze wel de God van Israël – ‘maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid’ (48:1). Het is waar, de gevangenen noemen zich nog altijd ‘naar de heilige stad’ (48:2), Jeruzalem, dat rond de zesde eeuw een puinhoop was.

Maar een van de redenen waarom God deze dingen voorzegde, inclusief de terugkeer van het volk, is dat Hij goed wist dat veel Joden zodanig verstrikt zouden zitten in de Babylonische afgoderij dat ze in de verleiding zouden komen hun terugkeer toe te schrijven aan hun afgoden (48:3-6).

Net als hun voorvaderen kunnen ze koppig zijn (48:4), trouweloos en opstandig (48:8). De ‘smeltoven der ellende’ (48:10) heeft hen zo weinig geleerd dat de enige reden dat God hen niet helemaal vernietigt in het feit ligt dat Hij de eer van zijn eigen naam in stand wil houden (48:9-11).

De wereld moet weten dat Babylon niet regeert; God regeert. Dus zal Hij doorzetten, hoewel het vreselijke zondeprobleem onder zijn volk nog niet is opgelost, zelfs niet door de ballingschap.

De tragedie is dat Gods volk zelfs in ballingschap niet bereid was om te luisteren (48:1, 12, 16, 17-18). Hun volledige geschiedenis zou er ontzettend anders hebben uitgezien, vol met ontelbaar veel zegeningen, indien ze maar aandacht hadden geschonken aan Gods bevelen (48:18-19).

Hun vrede ware ‘als een rivier’, hun ‘gerechtigheid als de golven der zee’ (48:18). Zelfs nu hetgeen waar ze meest nood aan hebben is om Babylon te verlaten (48:20-21) – nog niet fysiek, natuurlijk, want Kores is nog niet opgestaan en heeft het nog niet bevolen; maar moreel, geestelijk.

Maar indien het volk in zijn zonde blijft, zelfs na de vrijlating uit Babylon, zal het zijn nieuwe vrijheid verspillen: ‘De goddelozen, zegt de HERE, hebben geen vrede’ (48:22) – een blijvende waarschuwing die niet minder van toepassing is in onze dagen.

Dus zal Gods knecht Kores niet het finale antwoord bieden. Hij kan de Joden bevrijden uit ballingschap, maar hij kan hen niet van hun zonde bevrijden. Dit bereidt het toneel voor de herintroductie van de ideale Knecht van de heer, die terugkeert in hoofdstuk 49.

Hij verschijnt zelfs waarschijnlijk eerder raadselachtig in 48:16; want Degene die daar spreekt heeft de Geest op zich (zoals in 42:1) en wordt door God geroepen (zoals in 49:1). Maar er is geen twijfel over zijn aanwezigheid in Jesaja 49. In deze Knecht van de Heer is de enige blijvende steun voor Gods volk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 13 juni 2013

Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet (Jes. 45)


Deuteronomium 18; Psalm 105; Jesaja 45; Openbaring 15
De rijkdom van Jesaja 45 kan niet worden samengevat in een beknopt overzicht. Het eindigt met een verbazingwekkend missionair gedeelte (45:14-25), waarvan de echo’s weerklinken tot in het Nieuwe Testament (bijv. 45:23; vgl. Fp. 2:10-11).

Het begint in de slotverzen van hoofdstuk 44 en de aanvangszinnen van hoofdstuk 45, waar de Perzische koning Kores met zijn naam wordt geïntroduceerd. Hier noemt God hem ‘mijn herder’ (44:28), en Jesaja geeft hem het etiket ‘gezalfde’ van de Heer (d.i. ‘messias’, een titel die in het Oude Testament meestal beperkt blijft tot Saul of tot een van de Davidische koningen).

Dit is niet de enige plaats in het Oude Testament waar God iemand bij naam noemt nog lang voor die persoon geboren wordt (vgl. 1 Kon. 13:1-3). Treffend is dat, na de striemende aanklacht tegen afgoderij in Jesaja 44 (zie de overdenking van 12 juni), God zou verwijzen naar een heidense afgodendienaar als zijn gezalfde.

Maar het punt is belangrijk. God veroordeelt afgoderij, maar zijn voorzienige regering kan wel gebruik maken van een afgodendienaar, of iemand anders, voor zijn eigen goede doeleinden. Het is altijd verkeerd om te redeneren vanuit voorzienigheid naar ethiek, of vast te stellen wie er ‘juist’ is door te kijken naar wie er in een specifieke context wint, of om te betwijfelen of God wel soeverein een zondig persoon kan gebruiken om iets zeer goeds te bewerken, zonder daarom die persoon vrij te pleiten of alle zonde in zijn of haar leven te rechtvaardigen.

Natuurlijk vond Israël zelf het moeilijk om dit woord van God aan te nemen. Je kunt je de bannelingen voorstellen verscheurd door twijfel en geplaagd door angst. Wanneer God de heidense Kores zijn ‘messias’ noemt, betekent dit dan dat Hij het Davidisch koningshuis verworpen heeft?

Kunnen de woorden van de profeet aangenomen worden wanneer hij dergelijke onzinnige dingen beweert? God voorziet de scepsis en antwoordt met een stevige verdediging van zijn soevereiniteit en gerechtigheid (45:8-13).

‘Wee hem die met zijn Formeerder twist’ (45:9). Het volk dat God zo hardnekkig getergd had dat het in ballingschap eindigde, wil nu de middelen tarten die God had gekozen om hen weer thuis te brengen. Maar ze hebben niet meer recht om Gods wegen in vraag te stellen dan het leem de pottenbakker in vraag kan stellen, of een pasgeborene zijn of haar ouders in vraag te stellen heeft (45:9-10).

‘Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen?’ (45:11, NBV). God is de soevereine Schepper, en in de volmaaktheid van zijn gerechtigheid zal Hij Kores doen opstaan om Jeruzalem te herbouwen (45:13 – op zichzelf bewijs dat de Davidische lijn niet verworpen is) en zijn ballingen in vrijheid te stellen.

Dit komt allemaal als een stap naar de heerlijke uitnodiging: ‘Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer’ (45:22). Denk na over Openbaring 15:3-4.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 11 januari 2013

'Ach HEER, God van de hemel, machtige en ontzagwekkende God…' (Neh. 1)


Genesis 12; Matteüs 11; Nehemia 1; Handelingen 11
In de complexe geschiedenis van de Judese gemeenschap van na de ballingschap speelt Nehemia een opmerkelijke rol. Hij maakte geen deel uit van de oorspronkelijke groep die naar Juda terugkeerde, maar wordt er nadien door de koning zelf naartoe gestuurd.

In twee afzonderlijke expedities fungeert Nehemia in de praktijk als gouverneur van de resterende gemeenschap en was hij grotendeels verantwoordelijk voor de herbouw van Jeruzalems muren, zonder zijn andere hervormingen te vergeten. Zijn werk overlapte met dat van Ezra.

Het boek Nehemia wordt vaak behandeld als een handleiding voor godvrezend leiderschap. Ik vraag me af of dit recht doet aan het boek. Was het Nehemia’s bedoeling om een handleiding over leiderschap te schrijven? Wordt het boek met dat doel in de canon opgenomen – alsof we dan, zeg maar, Handelingen opslaan om de geschiedenis van de vroege kerk te ontdekken en Nehemia lezen om de principes van leiderschap te ontdekken?

Hiermee wil ik niet zeggen dat we niets kunnen leren over leiderschap van Nehemia – net zoals ook van Mozes, David, Petrus of Paulus. Maar lees je dit boek met focus op het thema leiderschap, dan kan het niet anders of je trekt zaken scheef; het is niet wat de auteur bedoeld heeft, en het is niet in lijn met de canonieke prioriteiten.

Nehemia is een boek over Gods trouw en over de vertegenwoordigers die God gebruikte om zijn verbondsvolk opnieuw in het Beloofde Land te vestigen bij het einde van de ballingschap – over de eerste stappen die gezet werden om hun veiligheid en identiteit te verzekeren als Gods volk en hun verbondstrouw te versterken. Canoniek legt dit deel van de verhaallijn van de Bijbel stukken van de post-ballingschapsgeschiedenis vast die ons tot bij de Heer Jezus zelf brengen.

Maar misschien kunnen we er ons voordeel mee doen als we focussen op twee elementen van Nehemia 1, waarmee we meteen de brug slaan naar Nehemia 2.

Vroege verslagen over de droevige staat waarin de teruggekeerde resterende gemeenschap in Juda verkeert (1:3), wekken bij Nehemia diep verdriet op en hartstochtelijke voorbede (1:4). De essentie van zijn gebed neemt het grootste deel van het eerste hoofdstuk in beslag (1:5-11).

Nehemia richt zich tot de ‘grote en geduchte God’ in bewoordingen uit het verbond. God had beloofd zijn volk in ballingschap te sturen indien ze aanhoudend ongehoorzaam waren; maar Hij had ook beloofd dat, als ze zich zouden bekeren en tot Hem zouden terugkeren, Hij hen terug bijeen zou brengen op de plaats die Hij had gekozen als een woonplaats voor zijn naam (1:8-9; zie Deut. 30:4-5).

Toch bidt Nehemia niet voor anderen terwijl hij ondertussen gelijk welke rol voor zichzelf vermijdt. Hij bidt dat hij welgevallen mag vinden in de ogen van de koning, die hij als schenker dient (1:11), wanneer hij die benadert omtrent deze grote last. Zelfs Nehemia’s ‘schietgebed’ in het volgende hoofdstuk (2:4) is de manifestatie van aanhoudende voorbede in het verborgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 9 januari 2013

'Om onze ongerechtigheden zijn wij overgeleverd' (Ezr. 9)


Genesis 9-10; Mattheüs 9; Ezra 9; Handelingen 9
Goed mogelijk dat het voor sommige christenen, ondergedompeld in de erfenis van individualisme en beïnvloed door postmodern relativisme, moeilijk is om veel sympathie te koesteren voor Ezra en zijn gebed (Ezra 9). Een honderdtal van de teruggekeerde Israëlieten, op een bevolking die op dat moment minstens vijftig- tot zestigduizend mensen telt, heeft heidense vrouwen gehuwd uit de omringende volken. Ezra behandelt deze zaak alsof het een volslagen ramp betreft en weent voor de Heer alsof zeer ernstige schade is aangericht.

Is godsdienst afgedaald naar het niveau dat het zijn aanhangers vertelt met wie ze mogen huwen? Bovendien is de nasleep van dit gebed (waarover we morgen zullen nadenken) behoorlijk harteloos, niet?

In werkelijkheid laat Ezra’s gebed ons kennismaken met een man die lang en hard heeft nagedacht over Israëls geschiedenis.

Ten eerste verstaat hij wat ten grondslag lag aan de ballingschap, aan de formele verwoesting van het land, de verstrooiing van het volk. Het was niets anders dan de zonden van het volk – en vreselijk vaak waren deze zonden gevoed door verbanden, heel zeker ook huwelijksverbanden, tussen het volk van het verbond en de omliggende stammen. ‘Om onze ongerechtigheden zijn wij overgeleverd, wij, onze koningen, onze priesters, in de macht van de koningen der landen, aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering, aan openlijke schande, zoals nu’ (9:7).

Ten tweede verstaat hij dat als deze gemeenschap de toelating kreeg om terug te keren naar Juda, dit is omdat ‘ons sedert kort genade [is] bewezen van de HERE, onze God, doordat Hij ons heeft gelaten degenen die ontkomen waren, en ons een tentpin heeft gegeven in zijn heilige plaats, waardoor onze God onze ogen deed oplichten en ons een weinig verademing gaf in onze slavernij’ (9:8).

Ten derde verstaat hij dat in het licht van de eerste twee punten, en in het licht van het uitgesproken verbod in de Schrift op gemengde huwelijken, hetgeen gebeurde niet alleen opmerkelijk ondankbaar is, maar ook concrete minachting van de God die gekomen is om Israël te redden, niet alleen in de Exodus, maar ook uit de ballingschap.

Ten vierde verstaat hij de complexe, ondermijnende, gemeenschappelijke aard van zonde. Net als Jesaja voor hem (Jes. 6:5), stelt Ezra zich op één lijn met het volk in zijn zonde (9:6).

Hij verstaat het hardnekkige feit dat het hier niet slechts gaat om individueel falen en niets meer dan dat; dit zijn manieren waarop rauw heidendom, en uiteindelijk relativisme met betrekking tot de Almachtige God, via de achterdeur worden binnengesmokkeld in de volledige gemeenschap.

Hoe konden dergelijke huwelijken, zelfs onder priesters, geregeld worden tenzij vele, vele anderen hun goedkeuring hebben gegeven, of op zijn minst een oogje hebben dichtgeknepen rond de praktijk?

Ezra verstaat bovenal dat de zonden van het volk van God vele malen erger zijn dan de straf die ze kregen (9:13-15).

Hoe zouden deze denkpatronen ons denken vandaag moeten vormen met betrekking tot de zonden van het volk van God?


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.