Posts tonen met het label Hosea. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hosea. Alle posts tonen

woensdag 5 oktober 2016

Beluister Raymond Hausouls lezing over het bijbelboek 'Hosea'

Vrijdag gaven we het startschot voor weer een nieuw seizoen bijbellezingen in CC De Steiger in Menen. Thema van de reeks is dit keer '5 kleine profeten in vogelvlucht'.
Raymond Hausoul gaf de eerste lezing in de reeks. Zijn titel was 'Hosea'.



Beluister of download hier de mp3 van 'Hosea' door Raymond Hausoul

Meer materialen van Raymond vind je via Indekerk.

De volgende lezing in de reeks staat gepland op vrijdag 21 oktober om 20 u. Dan spreekt Geert Soete over het boek Joël.




zaterdag 20 februari 2016

Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren


"Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God." (Jes. 40:3)
In tegenstelling tot wat de betekenis van onze Nederlandse uitdrukking 'prediken in de woestijn' kan doen vermoeden, waren er veel oudtestamentische profeten die het woestijntijdperk van Israël idealiseerden. Zij keken er met weemoed naar terug, omdat het in de woestijn was dat de Heere Israël als natie had verwekt.
Ze zagen uit naar een tijd waarin de Heere zijn volk zou herstellen in de woestijn. Hij zou hen een nieuwe start schenken en hen redden zoals Hij hen eens had verlost uit Egypte (Jes. 40:3; Hos. 2:14-15).

In het licht van die profetische hoop is de bediening van Johannes de Doper in de woestijn (Mk. 1:4) bijzonder betekenisvol. Zijn woorden vormden het begin van het ware herstel van Israël. Dit was het nieuwe tijdperk van zegen waarnaar de profeten uitzagen.

Maar wat blijkt: het ware Israël wordt gevormd door berouwvolle zondaars die de Heer liefhebben met alles wat in hen is (Deut. 10:16; zie Rom. 2:28-29).
Onze Schepper redt mensen niet op basis van hun fysieke afkomst. Hij verlost degenen die zich bekeren en in Zijn beloften vertrouwen. In Johannes' dagen had het Joodse volk een nieuwe start nodig, een nieuw begin als berouwvol volk, omdat het koninkrijk van God op het punt stond aan te breken. Zij waren zondaars - net als de heidenen - die moesten terugkeren tot de Heer.

"Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken,
haar de woestijn in leiden,
en naar haar hart spreken.
Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven,
en het Dal van Achor tot een deur van hoop.
Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd,
als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte.
Op die dag zal het gebeuren,
spreekt de HEERE,
dat u Mij zult noemen: mijn Man,
en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl!"
(Hos. 2:13-15)

zondag 8 november 2015

Door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld (Hos. 14)

2 Koningen 21; Hebreeën 3; Hosea 14; Psalm 139

Het slothoofdstuk van de profetie, Hosea 14, heeft een zachtere toon. Het is bijna alsof de donder van rebellie en oordeel zichzelf heeft uitgeput, en genade zegeviert.

Het hoofdstuk begint en eindigt met vermaning van Hosea. Daartussen vind je eerst de woorden van het volk (of, meer precies, de woorden die de profeet het volk opdraagt te zeggen), en dan de woorden van God. Ik zal kort elk van deze vier delen overdenken.

(1) Hosea begint met bekering: ‘Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God’ (14:2). ‘Bekering’ wordt perfect beantwoord door ‘uw God’: de profeet roept niet op tot een zekere nieuwe en gevaarlijke geestelijke reis, maar roept op om zich af te keren van de rebellie, terug te keren tot de Heer die ze zo lang gekend hebben.

Ze moeten de kern van het probleem onder ogen zien: ‘door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld’ (14:2). Er is nooit enige weg terug zonder doordrongen te zijn van deze fundamentele realiteit.

Bovendien is wat de profeet wil niet slechts een terugkeer naar een formele loyaliteit aan een wettenstelsel. Hij wil dat ze ‘met woorden komen’ wanneer ze terugkeren (14:3). Woorden kunnen natuurlijk leeg zijn: soms zeggen daden meer dan woorden. Maar vaak vereist oprecht berouw niet alleen berouwvol gedrag, maar ook woorden – niet een sombere terugkeer tot voorgeschreven rituelen en kerkbezoek, maar het soort berouw dat woorden doet opborrelen die onthullen wat er in het hart is.

(2) En welke woorden zouden ze moeten spreken? Hosea vertelt het hen (14:3b-4). Ze moeten om de vergeving van hun zonden vragen; ze moeten vragen dat God hen zou aannemen; ze moeten afstand doen van hun politieke banden, daarmee impliciet erkennend dat dergelijke verbindingen hen van het vertrouwen in God afhouden; ze moeten hun afgoderij afleggen en hun hoop stellen in de levende God. Hoe zou de echo van dergelijke gebeden klinken in onze eigen levens?

(3) De woorden van de Heer (14:5-9) zijn liefelijk. ‘Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af’ (14:5).

Dan beschrijft God in een reeks beelden de zegeningen die Hij zal zijn en zal schenken voor Israël. De slotzinnen van het gedeelte versterken nog eens de theologische les van het volledige hoofdstuk: ‘Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken’ (14:9).
God bezit alle ‘groenheid’, de vastheid van het altijd groene, en alle voedsel en rijkdom van een vruchtdragende boom (vgl. Ps. 1:3).

(4) Hosea besluit het boek: ‘Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des HEREN zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er’ (14:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 november 2015

Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt (Hos. 11)

2 Koningen 18; Filemon; Hosea 11; Psalmen 132-134

In Hosea 9 zegt God over zijn verbondsvolk: ‘Al hun boosheid is in Gilgal, daar heb Ik ze dan ook gehaat; wegens hun boze handelingen zal Ik ze uit mijn huis verdrijven. Ik zal ze niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandelingen’ (9:15).

Maar hier in Hosea 11 verklaart God, ‘Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt’ (11:8). Hoe moeten we deze twee passages samen zien?

Ten eerste is deze emotionele onrust de taal van de afgewezen echtgenoot: in dit boek speelt de Almachtige God de rol van de bedrogen echtgenoot. Maak alle voorbehoud dat je wilt bij antropomorfisme, dit is al evenzeer de manier waarop God zich voorstelt in de Schrift als de passages waar zijn volkomen soevereiniteit wordt bevestigd.

Het is het naast elkaar zetten van dergelijke thema’s dat het orthodoxe confessionalisme ertoe dreef te beklemtonen dat God tegelijk, aan de ene kant, soeverein en transcendent is, en aan de andere kant, persoonlijk en in interactie met zijn beelddragers.

Ten tweede maakt het naast elkaar zetten van Gods toorn en Gods liefde het onnodig om verzen uit twee hoofdstukken weg te halen (9 en 11).

In hoofdstuk 11 is de spanning al bijna niet te dragen. Het hoofdstuk begint met een korte historische terugblik. God verloste Israël uit Egypte ten tijde van de Exodus (11:1) en Hij leert haar lopen, door haar te leiden ‘met mensenbanden’, ‘met koorden der liefde’ (11:4).

Maar hoe meer Hij Israël begunstigde, hoe meer zij afdwaalden (11:2), en ze weigerden absoluut om zich te bekeren (11:5). Dus zal God tot hen komen met grote toorn: ‘Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen en verteren, wegens hun overleggingen. (…) En al roepen zij tot Hem omhoog, Hij zal hen geenszins opheffen’ (11:6-7).

Het klinkt alsof het te laat is. En dan, plotseling, bijna alsof God tegen zichzelf spreekt, vraagt Hij hoe Hij hen ooit zou kunnen prijsgeven (11:8).
Wat is het antwoord? Het antwoord ligt in het karakter van God zelf. Hij is niet net als een bedrogen echtgenoot. ‘Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed’ (11:9).

Of, nog preciezer, zoals de volgende twee verzen aantonen, zal Hij niet finaal in toorn tot hen komen. Zij zullen in gevangenschap gaan, maar Hij zal opnieuw brullen met de koninklijke sierlijkheid van de leeuw en zal zijn kinderen roepen uit het westen, uit Egypte, uit Assur, en ze zullen terug in hun huizen wonen.

Binnen het grotere canonieke kader betekent het feit dat God God is en niet maar een sterveling, het feit dat zowel aan zijn toorn als aan zijn liefde moet voldaan worden, dat toorn en liefde samen zullen komen aangesneld – tot ze elkaar ontmoeten in het kruis, het kruis van de mens die ook werd geroepen uit Egypte om de volmaakte zoon te zijn, het volmaakte tegenbeeld van Israël (11:1; Matt. 2:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 november 2015

De profeet stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid (Hos. 9)

2 Koningen 16; Titus 2; Hosea 9; Psalm 126-128

‘Gekomen zijn de dagen der bezoeking, gekomen de dagen der vergelding. Israël zal het ervaren’ (9:7). Dit hoofdstuk (Hosea 9) verduidelijkt een aantal van de verbanden tussen zonde en oordeel.

(1) De taal van hoererij wordt verdergezet: ‘want gij zijt overspelig van uw God afgeweken, gij hebt het loon der ontucht liefgehad op alle dorsvloeren van het koren’ (9:1). Zowel politiek als religieus flirtte Israël voortdurend met vreemde goden en vreemde machten. Het hield ontzettend van alle ceremoniële godsdienstigheid. Maar de dagen komen dat het zal verstrooid worden, gedwongen om ‘het land des HEREN’ te verlaten (9:3, 17).

Israël zal naar ‘Egypte’ terugkeren (9:3); sommige Israëlieten belandden daar inderdaad, maar Egypte is ook een cryptische omschrijving voor elk vreemd, onderdrukkend land. Efraïm (= Israël) zal onrein voedsel, ‘het onreine eten’ in Assur (9:3). Hier wordt niet alleen de ceremoniële onreinheid bedoeld, maar ook het vooruitzicht van een gedwongen ballingschap. Alle offerandes voor haar zo geliefde feesten en hoogtijden zullen opdrogen (9:5); de straffen zijn verbonden met de zonden.

(2) Systematische verwerping van de profeten betekent dat de mensen Gods waarschuwingen niet kunnen horen – en zo verzekert hun cynisme dat ze in de oordelen struikelen waarvoor de profeten waarschuwen. ‘Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid’ (9:7-8, NBV). Hoe toepasselijk is dit vandaag?

(3) De geschiedenis van Israël gaat van werkelijk prachtige banden met de levende God – vanuit Gods gezichtspunt was het als vond Hij ‘druiven in de woestijn’ (9:10) – tot verschrikkelijke vernedering. Het incident met Baäl-Peor (9:10; vgl. Num. 25) is typisch, want het combineert zowel fysieke als geestelijke verontreiniging: de Moabitische vrouwen verleidden de mannen van Israël, en de plaatselijke Moabitische Baäl trok hun aanbidding aan.

Onze cultuur volgt seks al even gretig en soms verbindt ze dit met de zelfvervulling van new age spiritualiteit. Het resultaat voor ons zal hetzelfde zijn als bij Baäl-Peor: het volk werd al ‘even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde’ (9:10). Wat je aanbidt, daar ga je al gauw op lijken (Ps. 115:8); meer nog, je identificeert je ermee, verdedigt het, maakt er gemene zaak mee – en als het een gruwel is voor God, dan word je gauw een gruwel voor Hem.

Zo gaat de ‘heerlijkheid’ weg (9:11), of het nu in de betekenis is van reputatie of zelfrespect, of moreel leiderschap, of, uiteindelijk, de tegenwoordigheid van God zelf (Ez. 8:6; 11:23).

Een koning of president verdedigen omwille van zijn economische beleid wanneer de morele kern verdwenen is, betekent dat we al even gemeen zijn geworden als de dingen waar we van houden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 november 2015

Tot Mij roepen zij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U! Doch Israël verfoeit het goede (Hos. 8)

2 Koningen 15; Titus 1; Hosea 8; Psalmen 123-125

Het enige bindende element tussen de verschillende zonden die worden veroordeeld in Hosea 8 is wellicht de menselijke onafhankelijkheid. De ‘arend’ uit 8:1 is wellicht een aasgier. ‘Een [aasgier] … tegen het huis des HEREN’ is een manier om te zeggen dat Jeruzalem zo goed als dood is: de aaseters verzamelen al voor hun feestmaal. Het volk mag dan in relatieve voorspoed en vrede leven, de onheilspellende tekenen zijn er al voor wie ogen heeft om te zien.

Bewijzen van zondige onafhankelijkheid zijn onder meer:

(1) Een hypocriete loyaliteit aan het verbond (8:1-3). Wat het hypocriet maakt is dat Israël uitroept: ‘Mijn God! Wij, Israël, kennen U!’, terwijl het het verbond verbreekt en tegen Gods Wet rebelleert (8:1). Dit is de verwerping van wat goed is – en daar zijn gevolgen aan verbonden (8:3). Vgl. 1 Joh. 2:4.

(2) Uitdagende alternatieven voor het Davidisch koningshuis (8:4). Dit is wat er bedoeld wordt met de beschuldiging ‘Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten
Mij om; vorsten, zonder dat Ik ervan wist’. De Heer zette zijn zegel op het Davidisch koningshuis, maar om hun onafhankelijkheid van Jeruzalem te bewaren, opteerden de tien stammen, die nu Israël vormen, voor hun eigen monarchen. Ze waren niet ‘verkozen’ in een of andere democratische betekenis; ze volgden elkaar regelmatig op via bloedige staatsgrepen. Maar ze waren niettemin de keuze van de noordelijke stammen, in die mate dat ze dezen verkozen boven loyaliteit aan het geslacht van David. Het is altijd zo dat, tenzij de Here het huis bouwt, zij die arbeiden dit tevergeefs doen (Ps. 127:1); hier wordt de zonde concreet door de vervreemding van de messiaanse lijn.

(3) Het ontwikkelen van afgoden, van de religieuze keuze van de cultuur (8:4-6, 11-13). Initieel werden twee gouden kalveren opgericht, een in Dan en een in Bethel, om de aantrekking van Jeruzalems tempel te compenseren (1 Kon. 12:27-30). Bovendien zouden mensen in Israël niet meer zo ver moeten reizen. Alhoewel ze dus formeel wel de altaren voor zondoffers in stand houden, werden ze op deze manier altaren ‘om te zondigen’ (8:11).

(4) het voortdurend vertrouwen op dure en onbetrouwbare bondgenoten (8:8-10). In plaats van op de Heer te vertrouwen, denken ze dat hun slimme diplomatie met regionale supermachten hen zal redden. God wordt vernederd, en Israël (‘Efraïm’) wordt verder verleid door afgoderij.

(5) Vertrouwen op rijkdom en militaire macht (8:14). Israël (het noorden) heeft zijn paleizen; Juda (het zuiden) versterkt vele steden – zesenveertig eigenlijk.
Maar God zal ze vernietigen (8:14b). Toen Assyrië Israël versloeg (722 v.C.), nam het ook alle ommuurde steden van Juda in, behalve Jeruzalem (2 Kon. 18:13), dat gespaard werd tot Nebukadnessar meer dan een eeuw later opkwam.

Welke tekenen van zondige onafhankelijkheid kenmerken onze cultuur? Wat zal God eraan doen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 31 oktober 2015

Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer (Hos. 5-6)


2 Koningen 13; 2 Timotheüs 3; Hosea 5-6; Psalm 119:145-176

Iemand heeft eens gezegd dat je het volledige boek Hosea kunt zien als een studie van wat het betekent om terug te keren tot God. Hier is geen plaats voor lichtzinnige lapmiddelen; louter verbale excuses worden niet aanvaard.

Maar toch wordt hoop geboden aan een volk dat het soort terugkeer vertoont dat de Heer wel kan aanvaarden. Nergens is die spanning duidelijker dan in Hosea 5-6.

Hosea 5 begint met een aanklacht tegen Israël, in het bijzonder de leiders. Er is niets aan hen dat God onbekend is (5:3; vgl. 7:2; Heb. 4:13). Hun probleem is niet louter intellectueel, maar zeker moreel: ‘Hun daden gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet’ (5:4; vgl. Joh. 3:19).

Erger nog, wanneer ze in formele zin de Heer ‘zoeken’, is hun bezigheid zodanig vals dat Hij hen moet verlaten, want God is niet de gevangene van zijn eigen offersysteem (5:5-6).

Door het oordeel over hen te brengen beoogt God niet alleen vergelding, maar ook een aansporing tot bekering: ‘Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien’ (5:15).

De openingsverzen van hoofdstuk 6 (vv. 1-3) kun je op twee manieren verstaan.

(1) Ze kunnen een aangrijpende smeekbede zijn van Hosea tot zijn volk om zich te bekeren en terug te keren tot de Heer.
Hij wil dat ze hun godsdienst van louter offeranden voor de vorm verlaten voor een godsdienst van oprecht erkennen van de Heer. Dezelfde God die het volk getuchtigd heeft zal dan graag hun wonden verbinden. ‘Zijn verschijning staat vast als de dageraad’ (6:3).

(2) Ze kunnen de woorden zijn van het volk zelf – en in dat geval suggereert de context waarin ze zijn opgenomen dat ze, alhoewel ze heel mooi klinken, in werkelijkheid maar weinig betekenen (vgl. Ps. 78:34, 36-37). Dergelijke bekering is pure aanmatiging, en God kijkt er dwars doorheen en verwerpt die, want hun ‘liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat’ (6:4) - zoals Gomers liefde.

Elk van deze twee manieren om 6:1-3 uit te leggen is zinvol; in beide gevallen is de veranderlijkheid in Gods verbondsvolk uiterst weerzinwekkend.

Moet ik kiezen tussen de twee uitleggingen, dan neig ik naar de eerste. Hosea 6:1-3 klinkt meer als de oprechte bekering waarop wordt aangedrongen maar die er niet komt, dan als de lege woorden van onoprechte hypocrieten.

Voor welke uitleg je ook kiest, God is duidelijk niet onder de indruk van louter woorden en godsdienstige vormen: ‘Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers’ (6:6; vgl. Mt. 9:13; 12:7).

Een generatie die lustig Gods lof zingt terwijl het al even lustig met jan en alleman het bed induikt, mag zich aan het vernietigende oordeel van God verwachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 30 oktober 2015

Daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten (Hos. 3-4)

2 Koningen 12; 2 Timotheüs 2; Hosea 3-4; Psalm 119:121-144

Hosea 1 is voor Hosea 2 wat Hosea 3 is voor Hosea 4. Het eerste onderdeel van elk hoofdstukkenpaar is in proza geschreven en focust op Hosea en Gomer, het tweede is in poëzie en focust op de parallelle relatie tussen Jahweh en Israël.

In het hoofdstukkenpaar dat we voor de aandacht hebben (Hosea 3 en 4) begint Hosea met een beheerst verslag in de eerste persoon van wat vervolgens in zijn huwelijk gebeurde. Dit hoofdstuk voltooit het verslag van zijn huwelijk. Hosea krijgt de opdracht zijn vrouw lief te hebben, die blijkbaar teruggekeerd is naar haar hoererij en nu een of andere man ‘toebehoort’ (wellicht een pooier).

Hosea onthult geen van zijn gevoelens wanneer hij Gomer terugkoopt; daden zijn toch belangrijker (iets wat onze generatie enigszins vergeten lijkt). Maar tegelijk draagt hij Gomer op, die nu naar hem is teruggekeerd, om hem trouw te zijn.

Dit weerspiegelt precies Gods situatie. In theorie had Hij alle recht om zijn ‘bruid’ weg te sturen en haar te vergeten. In plaats daarvan is Hij vastbesloten haar terug te krijgen, en te betalen wat maar nodig is om dit te kunnen – maar Hij verwacht ook van zijn bruid, pas teruggekeerd, dat ze Hem trouw is.
God heeft zijn uitverkorenen nog steeds lief. Hij zal hun hart proberen te winnen, zelfs na de meest vreselijke rebellie en tuchtiging, en Hij zal hen terugkopen.

De laatste verzen van hoofdstuk 3 voorzien zelfs een ballingschap die op lange termijn goed zal doen: hij zal een tijd brengen waarin het overblijfsel naar waarheid ‘de HERE, hun God’, zullen ‘zoeken, en David, hun koning’ (3:5).

In Hosea 4 richt God zich tot het afvallige Israël, ‘omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land’ (4:1). De lange lijst van zonden is uiterst deprimerend. Het volk ‘gaat te gronde door het gebrek aan kennis’ van Gods woord (4:6).

Anders gesteld, ‘een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in ontucht aan hun God onttrekken’ (4:12). De corruptie is nu diep ingesleten. Sarcasme borrelt op aan de oppervlakte: waarom zou God dochters en schoondochters straffen voor hoererij, wanneer de mannen zich graag afzonderen met hoeren (4:14)?

God werkt bij het volk aan een dieper bewustzijn van schaamte en schuld. De hoon is tastbaar: ‘Komt dus niet naar Gilgal, en gaat niet naar Bet-Awen’ (4:15). Gilgal en Bethel waren twee van de belangrijkste heiligdommen voor het verbondsvolk van God.

Het tweede, Bethel, betekent ‘huis van God’, maar de profeet bewerkt het tot ‘Bet Awen’, d.w.z. ‘huis van zonde’, voor alles wat daar gebeurt. ‘Verknocht aan beelden is Efraïm. Laat hem geworden! (4:17-18a).

Ga naar de kerk met deze bende, en al wat je doet is deelnemen aan hun walgelijke afgoderij en zelfzucht, met geen enkele interesse om Gods woord te leren. Je kunt beter thuisblijven; dit soort ‘kerk’ zal je slechts bederven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 29 oktober 2015

Is zij niet mijn vrouw en ik haar man? (Hos. 2)


2 Koningen 10-11; 2 Timotheüs 1; Hosea 2; Psalm 119:97-120

In Hosea 1 wordt het afvallige Israël vergeleken met een geslacht van kinderen die gekenmerkt worden door geweld en chaos (Jizreël, 1:4) of geboren zijn uit ontucht (1:6-9). Alhoewel de ‘kinderen’ kort terug opduiken aan het begin en het slot van Hosea 2, ligt hier de focus op het afvallige Israël als een wispelturige vrouw.

Het werkwoord dat vertaald wordt als ‘aanklagen’ (2:1) wordt beter weergegeven als ‘pleiten’, zoals in een rechtbanksetting: ‘bepleit mijn zaak’, zo smeekt God de kinderen. De volgende twee zinnen worden beter als een vraag genomen: ‘Is zij niet mijn vrouw en ik haar man?’.

Het volledige boek beklemtoont dat God niet op zijn huwelijksbeloften zal terugkomen, maar dat Hij haar zal proberen te winnen. Indien de woorden als een stelling genomen worden (NBG, HSV, NBV), dan moeten ze betekenen dat het hart van het huwelijk eruit is, niet dat God het zelf beëindigt.

De volgende verzen (2:3-4) vereisen radicale bekering, niet slechts een formeel ‘Het spijt me’. Het alternatief is dat God Israël zal dwingen om de gevolgen van haar zonden in te zien (2:5-13). Het plaatje ziet er misschien slechter uit dan we wel denken: de valse goden waarnaar Israëls begeerte uitging waren vaak vruchtbaarheidsgoden, en het volk kwam voortdurend in de verleiding te denken dat zij voor haar rijkdom zouden zorgen (2:5), op dezelfde manier als seks de hoer van haar inkomsten voorziet.

Een cultuur met vruchtbaarheidsreligies verheerlijkt seks – zoals onze cultuur dit doet, hetzij voor andere redenen. God leek soms zo ver weg of beperkt dat Israël niet erkende dat alleen Hij in alle goede dingen voorziet (2:8), net zoals Hosea in al Gomers behoeften voorzag.

Vroeg of laat, kost wat kost, moet de vreselijke afschuw van de afval aan de kaak gesteld worden, moet de schijnbare aantrekkelijkheid van haar valse aura ontdaan worden, moeten het bedrog en het perfide erkend worden, en de consequenties aan de lijve ondervonden (2:9-12).

Er zit zowel hartenleed als boosheid in Gods woorden: Israël tooide zich met ring en halssieraad en ging achter haar minnaars aan, maar Mij vergat zij (2:12).

Maar als God dreigt met oordeel, zal Hij ook het Israël dat Hij liefheeft het hof maken en haar met zijn charmes lokken. Hij roept herinneringen op aan de tijd van haar jeugd in de woestijn (de tijd van verloving, ‘courting’ days, JL): Hij zal haar helemaal opnieuw het hof maken, deze hoer die Hem verraden heeft (2:13).

Het huwelijk zal bewaard en versterkt worden (2:15) en God zal er zorg voor dragen dat alle zegeningen van materiële voorspoed aanwezig zullen zijn (2:17-22).
Geweld zal plaatsmaken voor voorspoed; het dal van Jizreël zal niet langer geassocieerd worden met Jehu, maar met planten (de zinspeling hangt samen met de Hebreeuwse etymologie). De nieuwe verbondsbruid (2:18), gekleed in bruidskleding, belooft gerechtigheid, recht, goedertierenheid en ontferming (2:19-20).

En vervreemde, onwettige kinderen zullen aan God toebehoren (2:22) – wat Paulus ziet als een voorsmaak van de hoogst mogelijke soort (Rom. 9:25-26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 oktober 2015

Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren (Hos. 1)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het eerste vers van Hosea 1 stelt dat deze profetie tijdens de achtste eeuw kwam, waarin ook de profeten Jona en Amos leefden (voornamelijk, zoals Hosea, in het noordelijke koninkrijk van Israël) en Micha en Jesaja (in Juda in het zuiden). Vroeg in deze eeuw ging het op materieel vlak behoorlijk goed, maar beiden verzonken in decadentie en morele en godsdienstige onverschilligheid.

Terwijl Hosea in de canon onmiddellijk achter Daniël komt, heeft het boek dus betrekking op een periode van eeuwen daarvoor. Niettemin is de canonieke associatie leerzaam. Indien Daniëls profetie voortdurend een God onthult die soeverein heerst, onthult Hosea een God die diep bewogen is met zijn wispelturige volk.

We moeten beide portretten van God koesteren – God de transcendente soeverein, God de bewogen persoon – willen we trouw zijn aan wat de Bijbel over Hem zegt.
Wanneer de Heer voor het eerst tot Hosea spreekt, is zijn taal vernietigend. De NIV is (net als de NBG) te braaf; de HSV is (net als in het Engels de Jerusalem Bible) dichter bij het Hebreeuws: ‘Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af’ (1:2, HSV – De Jerusalem Bible geeft nog meer aan dat het land zelf als een hoer geworden is door de HEERE te verlaten, JL). Dus huwt Hosea met Gomer.

Op het eerste gezicht was zij een hoer toen hij met haar trouwde, en keert ze snel terug naar haar onverantwoorde wegen.

Anderzijds is het ook mogelijk dat het bevel van de Heer al vooruitgrijpt naar wat ze wordt, en dat Gomer dus geen hoer was toen Hosea met haar trouwde.

Los van haar achtergrond maken de volgende hoofdstukken duidelijk wat ze werd. Haar kinderen trekken de aandacht in dit hoofdstuk. Jizreël is een naam die we kunnen verbinden met een specifieke betekenis (vgl. 2:23), maar bovenal was het de naam van een dorp waar het huis van Jehu eertijds zoveel mensen afslachtte.
Het is alsof je een kind Tsjernobyl noemt of Hiroshima of Soweto: iedereen kent de verbanden. De Jehu-slachting vond ongeveer een eeuw eerder plaats, maar het volk was er nog altijd verantwoordelijk voor, want het verwierp het geweld nooit.

Gomer baarde dus minstens deze zoon aan Hosea (zij ‘baarde hem een zoon’, cursief toegevoegd). Dit wordt niet gezegd over de volgende twee kinderen: wellicht was Hosea niet de vader. De eerste wordt genoemd ‘Niet geliefd’ of ‘niet beweend’; de tweede wordt genoemd ‘niet mijn volk’. De lessen zijn expliciet: God zal Israël niet langer liefhebben of bewenen, en Hij zal verklaren: ‘gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (1:9).

God zal Israëls boog breken (d.w.z. haar gewapende troepen breken) in het dal van Jizreël (1:5). Historisch gezien vond dit plaats in 733, iets meer dan een decennium voor Israël finaal werd verslagen; Assyrië trok binnen en naam haar verdedigingsgordel weg (2 Kon. 15:29).

Wonderlijk genoeg, ondanks deze drie verpletterende godsspraken, eindigt het hoofdstuk met verbazingwekkende hoop (1:10-11). Dit vertelt ons welke kant dit boek opgaat – zowel dit boek Hosea als deze Bijbel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 8 november 2013

Door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld (Hos. 14)


2 Koningen 21; Hebreeën 3; Hosea 14; Psalm 139
Het slothoofdstuk van de profetie, Hosea 14, heeft een zachtere toon. Het is bijna alsof de donder van rebellie en oordeel zichzelf heeft uitgeput, en genade zegeviert.

Het hoofdstuk begint en eindigt met vermaning van Hosea. Daartussen vind je eerst de woorden van het volk (of, meer precies, de woorden die de profeet het volk opdraagt te zeggen), en dan de woorden van God. Ik zal kort elk van deze vier delen overdenken.

(1) Hosea begint met bekering: ‘Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God’ (14:2). ‘Bekering’ wordt perfect beantwoord door ‘uw God’: de profeet roept niet op tot een zekere nieuwe en gevaarlijke geestelijke reis, maar roept op om zich af te keren van de rebellie, terug te keren tot de Heer die ze zo lang gekend hebben.

Ze moeten de kern van het probleem onder ogen zien: ‘door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld’ (14:2). Er is nooit enige weg terug zonder doordrongen te zijn van deze fundamentele realiteit.

Bovendien is wat de profeet wil niet slechts een terugkeer naar een formele loyaliteit aan een wettenstelsel. Hij wil dat ze ‘met woorden komen’ wanneer ze terugkeren (14:3). Woorden kunnen natuurlijk leeg zijn: soms zeggen daden meer dan woorden. Maar vaak vereist oprecht berouw niet alleen berouwvol gedrag, maar ook woorden – niet een sombere terugkeer tot voorgeschreven rituelen en kerkbezoek, maar het soort berouw dat woorden doet opborrelen die onthullen wat er in het hart is.

(2) En welke woorden zouden ze moeten spreken? Hosea vertelt het hen (14:3b-4). Ze moeten om de vergeving van hun zonden vragen; ze moeten vragen dat God hen zou aannemen; ze moeten afstand doen van hun politieke banden, daarmee impliciet erkennend dat dergelijke verbindingen hen van het vertrouwen in God afhouden; ze moeten hun afgoderij afleggen en hun hoop stellen in de levende God. Hoe zou de echo van dergelijke gebeden klinken in onze eigen levens?

(3) De woorden van de Heer (14:5-9) zijn liefelijk. ‘Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af’ (14:5).

Dan beschrijft God in een reeks beelden de zegeningen die Hij zal zijn en zal schenken voor Israël. De slotzinnen van het gedeelte versterken nog eens de theologische les van het volledige hoofdstuk: ‘Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken’ (14:9).

God bezit alle ‘groenheid’, de vastheid van het altijd groene, en alle voedsel en rijkdom van een vruchtdragende boom (vgl. Ps. 1:3).

(4) Hosea besluit het boek: ‘Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des HEREN zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er’ (14:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 5 november 2013

Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt (Hos. 11)


2 Koningen 18; Filemon; Hosea 11; Psalmen 132-134

In Hosea 9 zegt God over zijn verbondsvolk: ‘Al hun boosheid is in Gilgal, daar heb Ik ze dan ook gehaat; wegens hun boze handelingen zal Ik ze uit mijn huis verdrijven. Ik zal ze niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandelingen’ (9:15).

Maar hier in Hosea 11 verklaart God, ‘Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt’ (11:8). Hoe moeten we deze twee passages samen zien?

Ten eerste is deze emotionele onrust de taal van de afgewezen echtgenoot: in dit boek speelt de Almachtige God de rol van de bedrogen echtgenoot. Maak alle voorbehoud dat je wilt bij antropomorfisme, dit is al evenzeer de manier waarop God zich voorstelt in de Schrift als de passages waar zijn volkomen soevereiniteit wordt bevestigd.

Het is het naast elkaar zetten van dergelijke thema’s dat het orthodoxe confessionalisme ertoe dreef te beklemtonen dat God tegelijk, aan de ene kant, soeverein en transcendent is, en aan de andere kant, persoonlijk en in interactie met zijn beelddragers.

Ten tweede maakt het naast elkaar zetten van Gods toorn en Gods liefde het onnodig om verzen uit twee hoofdstukken weg te halen (9 en 11).
In hoofdstuk 11 is de spanning al bijna niet te dragen. Het hoofdstuk begint met een korte historische terugblik. God verloste Israël uit Egypte ten tijde van de Exodus (11:1) en Hij leert haar lopen, door haar te leiden ‘met mensenbanden’, ‘met koorden der liefde’ (11:4).

Maar hoe meer Hij Israël begunstigde, hoe meer zij afdwaalden (11:2), en ze weigerden absoluut om zich te bekeren (11:5). Dus zal God tot hen komen met grote toorn: ‘Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen en verteren, wegens hun overleggingen. (…) En al roepen zij tot Hem omhoog, Hij zal hen geenszins opheffen’ (11:6-7).

Het klinkt alsof het te laat is. En dan, plotseling, bijna alsof God tegen zichzelf spreekt, vraagt Hij hoe Hij hen ooit zou kunnen prijsgeven (11:8).
Wat is het antwoord? Het antwoord ligt in het karakter van God zelf. Hij is niet net als een bedrogen echtgenoot. ‘Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed’ (11:9).

Of, nog preciezer, zoals de volgende twee verzen aantonen, zal Hij niet finaal in toorn tot hen komen. Zij zullen in gevangenschap gaan, maar Hij zal opnieuw brullen met de koninklijke sierlijkheid van de leeuw en zal zijn kinderen roepen uit het westen, uit Egypte, uit Assur, en ze zullen terug in hun huizen wonen.

Binnen het grotere canonieke kader betekent het feit dat God God is en niet maar een sterveling, het feit dat zowel aan zijn toorn als aan zijn liefde moet voldaan worden, dat toorn en liefde samen zullen komen aangesneld – tot ze elkaar ontmoeten in het kruis, het kruis van de mens die ook werd geroepen uit Egypte om de volmaakte zoon te zijn, het volmaakte tegenbeeld van Israël (11:1; Matt. 2:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 3 november 2013

De profeet stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid (Hos. 9)

2 Koningen 16; Titus 2; Hosea 9; Psalm 126-128

‘Gekomen zijn de dagen der bezoeking, gekomen de dagen der vergelding. Israël zal het ervaren’ (9:7). Dit hoofdstuk (Hosea 9) verduidelijkt een aantal van de verbanden tussen zonde en oordeel.

(1) De taal van hoererij wordt verdergezet: ‘want gij zijt overspelig van uw God afgeweken, gij hebt het loon der ontucht liefgehad op alle dorsvloeren van het koren’ (9:1). Zowel politiek als religieus flirtte Israël voortdurend met vreemde goden en vreemde machten. Het hield ontzettend van alle ceremoniële godsdienstigheid. Maar de dagen komen dat het zal verstrooid worden, gedwongen om ‘het land des HEREN’ te verlaten (9:3, 17).

Israël zal naar ‘Egypte’ terugkeren (9:3); sommige Israëlieten belandden daar inderdaad, maar Egypte is ook een cryptische omschrijving voor elk vreemd, onderdrukkend land. Efraïm (= Israël) zal onrein voedsel, ‘het onreine eten’ in Assur (9:3). Hier wordt niet alleen de ceremoniële onreinheid bedoeld, maar ook het vooruitzicht van een gedwongen ballingschap. Alle offerandes voor haar zo geliefde feesten en hoogtijden zullen opdrogen (9:5); de straffen zijn verbonden met de zonden.

(2) Systematische verwerping van de profeten betekent dat de mensen Gods waarschuwingen niet kunnen horen – en zo verzekert hun cynisme dat ze in de oordelen struikelen waarvoor de profeten waarschuwen. ‘Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid’ (9:7-8, NBV). Hoe toepasselijk is dit vandaag?

(3) De geschiedenis van Israël gaat van werkelijk prachtige banden met de levende God – vanuit Gods gezichtspunt was het als vond Hij ‘druiven in de woestijn’ (9:10) – tot verschrikkelijke vernedering. Het incident met Baäl-Peor (9:10; vgl. Num. 25) is typisch, want het combineert zowel fysieke als geestelijke verontreiniging: de Moabitische vrouwen verleidden de mannen van Israël, en de plaatselijke Moabitische Baäl trok hun aanbidding aan.

Onze cultuur volgt seks al even gretig en soms verbindt ze dit met de zelfvervulling van new age spiritualiteit. Het resultaat voor ons zal hetzelfde zijn als bij Baäl-Peor: het volk werd al ‘even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde’ (9:10). Wat je aanbidt, daar ga je al gauw op lijken (Ps. 115:8); meer nog, je identificeert je ermee, verdedigt het, maakt er gemene zaak mee – en als het een gruwel is voor God, dan word je gauw een gruwel voor Hem.

Zo gaat de ‘heerlijkheid’ weg (9:11), of het nu in de betekenis is van reputatie of zelfrespect, of moreel leiderschap, of, uiteindelijk, de tegenwoordigheid van God zelf (Ez. 8:6; 11:23).

Een koning of president verdedigen omwille van zijn economische beleid wanneer de morele kern verdwenen is, betekent dat we al even gemeen zijn geworden als de dingen waar we van houden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 2 november 2013

Tot Mij roepen zij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U! Doch Israël verfoeit het goede (Hos. 8)


2 Koningen 15; Titus 1; Hosea 8; Psalmen 123-125

Het enige bindende element tussen de verschillende zonden die worden veroordeeld in Hosea 8 is wellicht de menselijke onafhankelijkheid. De ‘arend’ uit 8:1 is wellicht een aasgier. ‘Een [aasgier] … tegen het huis des HEREN’ is een manier om te zeggen dat Jeruzalem zo goed als dood is: de aaseters verzamelen al voor hun feestmaal. Het volk mag dan in relatieve voorspoed en vrede leven, de onheilspellende tekenen zijn er al voor wie ogen heeft om te zien.

Bewijzen van zondige onafhankelijkheid zijn onder meer:

(1) Een hypocriete loyaliteit aan het verbond (8:1-3). Wat het hypocriet maakt is dat Israël uitroept: ‘Mijn God! Wij, Israël, kennen U!’, terwijl het het verbond verbreekt en tegen Gods Wet rebelleert (8:1). Dit is de verwerping van wat goed is – en daar zijn gevolgen aan verbonden (8:3). Vgl. 1 Joh. 2:4.

(2) Uitdagende alternatieven voor het Davidisch koningshuis (8:4). Dit is wat er bedoeld wordt met de beschuldiging ‘Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; vorsten, zonder dat Ik ervan wist’. De Heer zette zijn zegel op het Davidisch koningshuis, maar om hun onafhankelijkheid van Jeruzalem te bewaren, opteerden de tien stammen, die nu Israël vormen, voor hun eigen monarchen. Ze waren niet ‘verkozen’ in een of andere democratische betekenis; ze volgden elkaar regelmatig op via bloedige staatsgrepen. Maar ze waren niettemin de keuze van de noordelijke stammen, in die mate dat ze dezen verkozen boven loyaliteit aan het geslacht van David. Het is altijd zo dat, tenzij de Here het huis bouwt, zij die arbeiden dit tevergeefs doen (Ps. 127:1); hier wordt de zonde concreet door de vervreemding van de messiaanse lijn.

(3) Het ontwikkelen van afgoden, van de religieuze keuze van de cultuur (8:4-6, 11-13). Initieel werden twee gouden kalveren opgericht, een in Dan en een in Bethel, om de aantrekking van Jeruzalems tempel te compenseren (1 Kon. 12:27-30). Bovendien zouden mensen in Israël niet meer zo ver moeten reizen. Alhoewel ze dus formeel wel de altaren voor zondoffers in stand houden, werden ze op deze manier altaren ‘om te zondigen’ (8:11).

(4) het voortdurend vertrouwen op dure en onbetrouwbare bondgenoten (8:8-10). In plaats van op de Heer te vertrouwen, denken ze dat hun slimme diplomatie met regionale supermachten hen zal redden. God wordt vernederd, en Israël (‘Efraïm’) wordt verder verleid door afgoderij.

(5) Vertrouwen op rijkdom en militaire macht (8:14). Israël (het noorden) heeft zijn paleizen; Juda (het zuiden) versterkt vele steden – zesenveertig eigenlijk.

Maar God zal ze vernietigen (8:14b). Toen Assyrië Israël versloeg (722 v.C.), nam het ook alle ommuurde steden van Juda in, behalve Jeruzalem (2 Kon. 18:13), dat gespaard werd tot Nebukadnessar meer dan een eeuw later opkwam.
Welke tekenen van zondige onafhankelijkheid kenmerken onze cultuur? Wat zal God eraan doen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 31 oktober 2013

Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer (Hos. 5-6)


2 Koningen 13; 2 Timotheüs 3; Hosea 5-6; Psalm 119:145-176
Iemand heeft eens gezegd dat je het volledige boek Hosea kunt zien als een studie van wat het betekent om terug te keren tot God. Hier is geen plaats voor lichtzinnige lapmiddelen; louter verbale excuses worden niet aanvaard.

Maar toch wordt hoop geboden aan een volk dat het soort terugkeer vertoont dat de Heer wel kan aanvaarden. Nergens is die spanning duidelijker dan in Hosea 5-6.

Hosea 5 begint met een aanklacht tegen Israël, in het bijzonder de leiders. Er is niets aan hen dat God onbekend is (5:3; vgl. 7:2; Heb. 4:13). Hun probleem is niet louter intellectueel, maar zeker moreel: ‘Hun daden gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet’ (5:4; vgl. Joh. 3:19).

Erger nog, wanneer ze in formele zin de Heer ‘zoeken’, is hun bezigheid zodanig vals dat Hij hen moet verlaten, want God is niet de gevangene van zijn eigen offersysteem (5:5-6).

Door het oordeel over hen te brengen beoogt God niet alleen vergelding, maar ook een aansporing tot bekering: ‘Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien’ (5:15).

De openingsverzen van hoofdstuk 6 (vv. 1-3) kun je op twee manieren verstaan.

(1) Ze kunnen een aangrijpende smeekbede zijn van Hosea tot zijn volk om zich te bekeren en terug te keren tot de Heer.

Hij wil dat ze hun godsdienst van louter offeranden voor de vorm verlaten voor een godsdienst van oprecht erkennen van de Heer. Dezelfde God die het volk getuchtigd heeft zal dan graag hun wonden verbinden. ‘Zijn verschijning staat vast als de dageraad’ (6:3).

(2) Ze kunnen de woorden zijn van het volk zelf – en in dat geval suggereert de context waarin ze zijn opgenomen dat ze, alhoewel ze heel mooi klinken, in werkelijkheid maar weinig betekenen (vgl. Ps. 78:34, 36-37). Dergelijke bekering is pure aanmatiging, en God kijkt er dwars doorheen en verwerpt die, want hun ‘liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat’ (6:4) - zoals Gomers liefde.

Elk van deze twee manieren om 6:1-3 uit te leggen is zinvol; in beide gevallen is de veranderlijkheid in Gods verbondsvolk uiterst weerzinwekkend.

Moet ik kiezen tussen de twee uitleggingen, dan neig ik naar de eerste. Hosea 6:1-3 klinkt meer als de oprechte bekering waarop wordt aangedrongen maar die er niet komt, dan als de lege woorden van onoprechte hypocrieten.

Voor welke uitleg je ook kiest, God is duidelijk niet onder de indruk van louter woorden en godsdienstige vormen: ‘Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers’ (6:6; vgl. Mt. 9:13; 12:7).

Een generatie die lustig Gods lof zingt terwijl het al even lustig met jan en alleman het bed induikt, mag zich aan het vernietigende oordeel van God verwachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 30 oktober 2013

Daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten (Hos. 3-4)


2 Koningen 12; 2 Timotheüs 2; Hosea 3-4; Psalm 119:121-144

Hosea 1 is voor Hosea 2 wat Hosea 3 is voor Hosea 4. Het eerste onderdeel van elk hoofdstukkenpaar is in proza geschreven en focust op Hosea en Gomer, het tweede is in poëzie en focust op de parallelle relatie tussen Jahweh en Israël.

In het hoofdstukkenpaar dat we voor de aandacht hebben (Hosea 3 en 4) begint Hosea met een beheerst verslag in de eerste persoon van wat vervolgens in zijn huwelijk gebeurde. Dit hoofdstuk voltooit het verslag van zijn huwelijk. Hosea krijgt de opdracht zijn vrouw lief te hebben, die blijkbaar teruggekeerd is naar haar hoererij en nu een of andere man ‘toebehoort’ (wellicht een pooier).

Hosea onthult geen van zijn gevoelens wanneer hij Gomer terugkoopt; daden zijn toch belangrijker (iets wat onze generatie enigszins vergeten lijkt). Maar tegelijk draagt hij Gomer op, die nu naar hem is teruggekeerd, om hem trouw te zijn.

Dit weerspiegelt precies Gods situatie. In theorie had Hij alle recht om zijn ‘bruid’ weg te sturen en haar te vergeten. In plaats daarvan is Hij vastbesloten haar terug te krijgen, en te betalen wat maar nodig is om dit te kunnen – maar Hij verwacht ook van zijn bruid, pas teruggekeerd, dat ze Hem trouw is.

God heeft zijn uitverkorenen nog steeds lief. Hij zal hun hart proberen te winnen, zelfs na de meest vreselijke rebellie en tuchtiging, en Hij zal hen terugkopen.

De laatste verzen van hoofdstuk 3 voorzien zelfs een ballingschap die op lange termijn goed zal doen: hij zal een tijd brengen waarin het overblijfsel naar waarheid ‘de HERE, hun God’, zullen ‘zoeken, en David, hun koning’ (3:5).

In Hosea 4 richt God zich tot het afvallige Israël, ‘omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land’ (4:1). De lange lijst van zonden is uiterst deprimerend. Het volk ‘gaat te gronde door het gebrek aan kennis’ van Gods woord (4:6).

Anders gesteld, ‘een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in ontucht aan hun God onttrekken’ (4:12). De corruptie is nu diep ingesleten. Sarcasme borrelt op aan de oppervlakte: waarom zou God dochters en schoondochters straffen voor hoererij, wanneer de mannen zich graag afzonderen met hoeren (4:14)?

God werkt bij het volk aan een dieper bewustzijn van schaamte en schuld. De hoon is tastbaar: ‘Komt dus niet naar Gilgal, en gaat niet naar Bet-Awen’ (4:15). Gilgal en Bethel waren twee van de belangrijkste heiligdommen voor het verbondsvolk van God.

Het tweede, Bethel, betekent ‘huis van God’, maar de profeet bewerkt het tot ‘Bet Awen’, d.w.z. ‘huis van zonde’, voor alles wat daar gebeurt. ‘Verknocht aan beelden is Efraïm. Laat hem geworden! (4:17-18a).

Ga naar de kerk met deze bende, en al wat je doet is deelnemen aan hun walgelijke afgoderij en zelfzucht, met geen enkele interesse om Gods woord te leren. Je kunt beter thuisblijven; dit soort ‘kerk’ zal je slechts bederven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 29 oktober 2013

Is zij niet mijn vrouw en ik haar man? (Hos. 2)


2 Koningen 10-11; 2 Timotheüs 1; Hosea 2; Psalm 119:97-120
In Hosea 1 wordt het afvallige Israël vergeleken met een geslacht van kinderen die gekenmerkt worden door geweld en chaos (Jizreël, 1:4) of geboren zijn uit ontucht (1:6-9). Alhoewel de ‘kinderen’ kort terug opduiken aan het begin en het slot van Hosea 2, ligt hier de focus op het afvallige Israël als een wispelturige vrouw.

Het werkwoord dat vertaald wordt als ‘aanklagen’ (2:1) wordt beter weergegeven als ‘pleiten’, zoals in een rechtbanksetting: ‘bepleit mijn zaak’, zo smeekt God de kinderen. De volgende twee zinnen worden beter als een vraag genomen: ‘Is zij niet mijn vrouw en ik haar man?’.

Het volledige boek beklemtoont dat God niet op zijn huwelijksbeloften zal terugkomen, maar dat Hij haar zal proberen te winnen. Indien de woorden als een stelling genomen worden (NBG, HSV, NBV), dan moeten ze betekenen dat het hart van het huwelijk eruit is, niet dat God het zelf beëindigt.

De volgende verzen (2:3-4) vereisen radicale bekering, niet slechts een formeel ‘Het spijt me’. Het alternatief is dat God Israël zal dwingen om de gevolgen van haar zonden in te zien (2:5-13). Het plaatje ziet er misschien slechter uit dan we wel denken: de valse goden waarnaar Israëls begeerte uitging waren vaak vruchtbaarheidsgoden, en het volk kwam voortdurend in de verleiding te denken dat zij voor haar rijkdom zouden zorgen (2:5), op dezelfde manier als seks de hoer van haar inkomsten voorziet.

Een cultuur met vruchtbaarheidsreligies verheerlijkt seks – zoals onze cultuur dit doet, hetzij voor andere redenen. God leek soms zo ver weg of beperkt dat Israël niet erkende dat alleen Hij in alle goede dingen voorziet (2:8), net zoals Hosea in al Gomers behoeften voorzag.

Vroeg of laat, kost wat kost, moet de vreselijke afschuw van de afval aan de kaak gesteld worden, moet de schijnbare aantrekkelijkheid van haar valse aura ontdaan worden, moeten het bedrog en het perfide erkend worden, en de consequenties aan de lijve ondervonden (2:9-12).

Er zit zowel hartenleed als boosheid in Gods woorden: Israël tooide zich met ring en halssieraad en ging achter haar minnaars aan, maar Mij vergat zij (2:12).

Maar als God dreigt met oordeel, zal Hij ook het Israël dat Hij liefheeft het hof maken en haar met zijn charmes lokken. Hij roept herinneringen op aan de tijd van haar jeugd in de woestijn (de tijd van verloving, ‘courting’ days, JL): Hij zal haar helemaal opnieuw het hof maken, deze hoer die Hem verraden heeft (2:13).

Het huwelijk zal bewaard en versterkt worden (2:15) en God zal er zorg voor dragen dat alle zegeningen van materiële voorspoed aanwezig zullen zijn (2:17-22).

Geweld zal plaatsmaken voor voorspoed; het dal van Jizreël zal niet langer geassocieerd worden met Jehu, maar met planten (de zinspeling hangt samen met de Hebreeuwse etymologie). De nieuwe verbondsbruid (2:18), gekleed in bruidskleding, belooft gerechtigheid, recht, goedertierenheid en ontferming (2:19-20).

En vervreemde, onwettige kinderen zullen aan God toebehoren (2:22) – wat Paulus ziet als een voorsmaak van de hoogst mogelijke soort (Rom. 9:25-26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 28 oktober 2013

Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren (Hos. 1)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96
Het eerste vers van Hosea 1 stelt dat deze profetie tijdens de achtste eeuw kwam, waarin ook de profeten Jona en Amos leefden (voornamelijk, zoals Hosea, in het noordelijke koninkrijk van Israël) en Micha en Jesaja (in Juda in het zuiden). Vroeg in deze eeuw ging het op materieel vlak behoorlijk goed, maar beiden verzonken in decadentie en morele en godsdienstige onverschilligheid.

Terwijl Hosea in de canon onmiddellijk achter Daniël komt, heeft het boek dus betrekking op een periode van eeuwen daarvoor. Niettemin is de canonieke associatie leerzaam. Indien Daniëls profetie voortdurend een God onthult die soeverein heerst, onthult Hosea een God die diep bewogen is met zijn wispelturige volk.

We moeten beide portretten van God koesteren – God de transcendente soeverein, God de bewogen persoon – willen we trouw zijn aan wat de Bijbel over Hem zegt.
Wanneer de Heer voor het eerst tot Hosea spreekt, is zijn taal vernietigend. De NIV is (net als de NBG) te braaf; de HSV is (net als in het Engels de Jerusalem Bible) dichter bij het Hebreeuws: ‘Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af’ (1:2, HSV – De Jerusalem Bible geeft nog meer aan dat het land zelf als een hoer geworden is door de HEERE te verlaten, JL). Dus huwt Hosea met Gomer.

Op het eerste gezicht was zij een hoer toen hij met haar trouwde, en keert ze snel terug naar haar onverantwoorde wegen.

Anderzijds is het ook mogelijk dat het bevel van de Heer al vooruitgrijpt naar wat ze wordt, en dat Gomer dus geen hoer was toen Hosea met haar trouwde.

Los van haar achtergrond maken de volgende hoofdstukken duidelijk wat ze werd. Haar kinderen trekken de aandacht in dit hoofdstuk. Jizreël is een naam die we kunnen verbinden met een specifieke betekenis (vgl. 2:23), maar bovenal was het de naam van een dorp waar het huis van Jehu eertijds zoveel mensen afslachtte.

Het is alsof je een kind Tsjernobyl noemt of Hiroshima of Soweto: iedereen kent de verbanden. De Jehu-slachting vond ongeveer een eeuw eerder plaats, maar het volk was er nog altijd verantwoordelijk voor, want het verwierp het geweld nooit.

Gomer baarde dus minstens deze zoon aan Hosea (zij ‘baarde hem een zoon’, cursief toegevoegd). Dit wordt niet gezegd over de volgende twee kinderen: wellicht was Hosea niet de vader. De eerste wordt genoemd ‘Niet geliefd’ of ‘niet beweend’; de tweede wordt genoemd ‘niet mijn volk’. De lessen zijn expliciet: God zal Israël niet langer liefhebben of bewenen, en Hij zal verklaren: ‘gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (1:9).

God zal Israëls boog breken (d.w.z. haar gewapende troepen breken) in het dal van Jizreël (1:5). Historisch gezien vond dit plaats in 733, iets meer dan een decennium voor Israël finaal werd verslagen; Assyrië trok binnen en naam haar verdedigingsgordel weg (2 Kon. 15:29).

Wonderlijk genoeg, ondanks deze drie verpletterende godsspraken, eindigt het hoofdstuk met verbazingwekkende hoop (1:10-11). Dit vertelt ons welke kant dit boek opgaat – zowel dit boek Hosea als deze Bijbel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.