Posts tonen met het label David. Alle posts tonen
Posts tonen met het label David. Alle posts tonen

maandag 1 december 2014

'Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand' (1 Kron. 29)


1 Kronieken 29; 2 Petrus 3; Micha 6; Lukas 15

Het verslag van de dood van David door de kroniekschrijver wordt voorafgegaan door het verhaal van de rijkelijke giften die de bouw van de tempel moeten financieren na Davids overlijden en door het gebed dat David in dit verband uitsprak (1 Kron. 29). Niet zozeer de grootte van de som geld die David en anderen schonken is zo opvallend, maar wel de theologie van Davids gebed. De hoogtepunten omvatten onder andere de volgende punten:

(1) In de openingslofzang (29:10-13) erkent David dat alles van God is (29:11). Als wij mensen iets ‘bezitten’, dan moeten we eerlijk bekennen ‘rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles’ (29:12).

Vandaar dat David in het midden van zijn gebed zegt ‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’ (29:14); en opnieuw, met betrekking tot alle rijkdom die werd bijeengebracht, die ‘komt uit uw hand; U behoort het alles’ (29:16).

Een dergelijk standpunt sluit elke notie uit dat wij in absolute termen iets zouden ‘geven’ aan God. Het wordt een lust om aan God te geven, niet alleen omdat we Hem liefhebben, maar omdat we met vreugde erkennen dat alles wat wij ‘bezitten’ sowieso van Hem is.

(2) Het hoeft dan ook weinig te verwonderen dat het gebed begint met uitbundige uitingen van lof (29:10).

(3) David erkent dat alle menselijke bestaan vergankelijk is. God zelf verdient te worden geprezen ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (29:10), maar voor ons geldt: ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (29:15).

Dit is een buitengewoon gedeelte. De Israëlieten bevinden zich in het Beloofde Land, in ‘rust’; maar, zoals in Psalm 95 en Hebreeën 3:6-4:11 en 11:13 kan dit niet de finale rust zijn, want ze zijn nog steeds ‘vreemdelingen en bijwoners’. David is koning, het hoofd van een machtige en blijvende dynastie. Individueel echter moeten zowel de monarch als de boer op gelijke wijze erkennen dat hun dagen op aarde ‘als een schaduw zijn’ (29:15). Hier zie je een man van geloof die weet dat hij moet gegrond zijn in Hem die de eeuwigheid bewoont, of anders staat hij nergens.

(4) David legt geweldige nadruk op integriteit: ‘Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid (…) nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht’ (29:17). Het succes van deze fondsenwerving wordt niet uitgedrukt in monetaire waarde, maar in de oprechtheid waarmee de rijkdom werd gegeven.

(5) In de slotanalyse erkent David ronduit dat aanhoudende toewijding en levensintegriteit onmogelijk zijn zonder het ingrijpen van Gods genade (29:18). Op die manier verdwijnt elke kans op persoonlijke hoogmoed gebaseerd op het geldbedrag dat wordt geschonken, en gaat die op in een dankbare erkentenis van Gods genadige soevereiniteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 30 november 2014

'Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden' (1 Kron. 28)


1 Kronieken 28; 2 Petrus 2; Micha 5; Lukas 14
We merkten al eerder op dat 1 en 2 Kronieken verschillen van de boeken Samuël en Koningen (hoewel de Kronieken in grote lijnen dezelfde periode uit de geschiedenis coveren als Samuël en Koningen) in het feit dat ze veel meer nadruk leggen op het zuidelijke koninkrijk van Juda, nadat de monarchie uiteenvalt. Zelfs op dit scharniermoment echter, tijdens de periode van het verenigde koninkrijk, gaan 1 en 2 Kronieken in veel ruimere mate in op alles wat te maken heeft met de tempel.

In dit verband onthult 1 Kronieken 28 wat meer details, niet alleen rond de machtsoverdracht van David naar Salomo, maar ook rond het ontstaan van de plannen voor de tempel. Wat het eerste punt betreft, draagt David het volk op om Salomo goed te dienen; hij draagt Salomo op de Here God te dienen met zijn hele hart: ‘want de HERE doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen. Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; doch indien gij Hem verlaat, zal Hij u voor eeuwig verwerpen’ (28:9b). David gelast Salomo in het bijzonder met de bouw van de tempel waarvoor hij, David, al zoveel voorzieningen getroffen heeft (29:10, 20-21).

Er wordt niets geschreven over de poging van Davids zoon Adonia om zich meester te maken van de troon vooraleer Salomo kon worden gekroond, of over Batseba’s strategische bescherming van haar zoon Salomo (1 Kon. 1); er wordt niets vermeld over de aanzienlijke waaier aan andere opdrachten die David aan Salomo gaf (1 Kon. 2). De volledige aandacht gaat hier naar de machtsoverdracht daar waar die invloed heeft op de bouw van de tempel.

Er is een nieuw element van het grootste belang. Er wordt ons verteld dat David Salomo ook het ontwerp gaf ‘van alles wat hij in zijn geest had bedacht: voor de voorhoven van het huis des HEREN, voor alle vertrekken in het rond, voor de schatkamers van het huis Gods en voor die van de geheiligde voorwerpen’ (28:12) – net als voor de divisies van priesters en Levieten, het gewicht aan goud of zilver dat voor het diverse gerei moest gebruikt worden, enzovoort (28:13-17).

Bovenal gaf hij hem ook het plan voor ‘de wagen, de cherubs, die met uitgespreide vleugels de ark van het verbond des HEREN moesten bedekken’ (28:18) in het heilige der heiligen. ‘Alles staat’, aldus David, ‘in een geschrift, ontvangen uit de hand des HEREN, waarin Hij mij onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp’ (28:19).

Hier is de tegenhanger voor de voortdurende nadruk in Exodus op het feit dat Mozes en zijn tijdgenoten de tabernakel bouwden in precieze overeenstemming met het plan dat Mozes getoond werd op de berg. Dit wordt dan ook weer vermeld in Hebreeën 8:5: het toont aan dat de tabernakel maar een afbeelding was van een groter origineel (zie de overdenking van 14 maart). Impliciet wordt dezelfde zorg besteed aan de bouw van de tempel, met deze keer David, en niet Mozes, die nu fungeert als de middelaar.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 november 2014

Flexibiliteit en trouw zijn even onmisbaar (1 Kron. 23)


1 Kronieken 23; 1 Petrus 4; Micha 2; Lukas 11

In bepaalde opzichten veranderde de structuur van het Israëlitische leven, inclusief bepaalde facetten van het religieuze leven, toen het volk het Beloofde Land binnentrok en niet langer een nomadisch bestaan leidde.

De eerste veranderingen waren voor de hand liggend. De Heer zette de dagelijkse voorziening van het manna stop: het volk moest voor zichzelf voedsel verzamelen en kweken. De verstedelijking begon. De sabbatswetten werden in toenemende mate toegepast in handel en economie net als in het landbouwleven.

Met de instelling van de monarchie en de aanstaande bouw van de tempel, drongen organisatie en centralisatie zich veel meer op. Meer bepaald legt David zich niet alleen toe op het voorzien van allerlei middelen voor Salomo om de tempel te kunnen bouwen, maar ook op het leggen van de basis voor de nieuwe organisatiestructuren die noodzakelijk zullen zijn om het geheel te laten functioneren. Dergelijke zaken staan centraal in 1 Kronieken 23-26.

Al in 1 Kronieken 23 denkt David zelf na over de veranderingen die op komst zijn. Een van de taken van de Levieten uit het verleden nam een aanvang tijdens de woestijnjaren, en bestond uit het oppakken en vervoeren van de tabernakel op de voorgeschreven manier, telkens de Heer aangaf dat het tijd was om in beweging te komen. David denkt na over het feit dat de Heer nu zijn volk ‘rust’ heeft gegeven: ze zijn in het Beloofde Land.

Bovendien heeft Hij gekozen om ‘in Jeruzalem’ te ‘wonen tot in eeuwigheid’ (23:25), dus moeten bepaalde taken van de Levieten veranderen: ‘nu behoeven de Levieten de tabernakel en al zijn dienstgerei niet meer te dragen’ (23:26).

Ondertussen worden nieuwe taken ingevoerd: meer aandacht gaat naar tempelkoren en dus naar muziekscholen en –training. Zo worden de Levieten gereorganiseerd. Ze worden onderverdeeld in grote families, kleinere clans enzovoort. Er zal over worden gewaakt dat de tempel en zijn behoeften niet de overhand krijgen.

De volgende hoofdstukken focussen inderdaad wel op het soort taken waarvan zij die de tempel dienen zich zullen moeten kwijten – niet alleen de directe priesterlijke taken en de duidelijke huishoudelijke taken die verbonden zijn met de tempel, maar de grootste verantwoordelijkheden van in stand houden, onderhoud, financiën en beheer.

Maar vanaf het begin moesten de priesters het volk uit de wet kunnen onderwijzen en dienen als ‘opzieners en rechters’. David stelt voor die laatste taken zesduizend Levieten aan (23:4).

Uit dit alles leiden we betekenisvolle lessen af. Maar de belangrijkste is een les in contextualisatie binnen de canon – dit wil zeggen, hoe je de oude ‘bepalingen’ van openbaring moet zien en ze aan een nieuwe context aanpast zonder de bepalingen op te offeren.

Toen de kerk zich uitbreidde naar nieuwe culturele contexten, moest telkens opnieuw met dergelijke vragen worden afgerekend. De ene groep zal zich vastklampen aan louter traditionalisme uit een andere cultuur; een andere groep begint los te laten wat de Schrift eigenlijk zegt. Wat we echt nodig hebben is trouw en flexibliteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 november 2014

Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God (1 Kron. 22)

1 Kronieken 22; 1 Petrus 3; Micha 1; Lukas 10

De overgang tussen het verslag van Davids volkstelling (1 Kron.21) en het verslag van Davids geweldige voorbereidingen voor de constructie van de tempel die zijn zoon Salomo zou bouwen (1 Kron. 22) beslaat één vers, het eerste vers van hoofdstuk 22, dat geen parallel krijgt in 2 Samuël: ‘Toen zeide David: Dit is het huis van de HERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël’ (1 Kron. 22:1).

Zo is de plaats waar de tempel werd gebouwd ook de plaats waar David een altaar bouwde voor de Heer, terwijl hij Hem aanriep met offerandes (21:25-27), en waar de verderfengel zijn zwaard weer in de schede stak.

Zo legde David aanzienlijke voorraden bouwmaterialen aan en bereidde hij het volk voor om zijn zoon Salomo de beloofde tempel te helpen bouwen. ‘Zet nu uw hart en uw ziel erop, de HERE, uw God, te zoeken. Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God, opdat men de ark van het verbond des HEREN en de heilige voorwerpen Gods naar het huis kan brengen, dat voor de naam des HEREN gebouwd wordt’ (22:19).

We kunnen een aantal lessen trekken uit deze locatie voor de tempel.

(1) De plaats die werd gekozen voor de tempel is de plaats waar een offer werd gebracht en de toorn van God over de zonde werd afgewend. Natuurlijk dat het ontwerp van de tabernakel en tempel zelf bedoeld was om het volk eraan te herinneren dat er verzoening moest worden bewerkt over de zonde, dat je niet gewoon maar in de tegenwoordigheid van de heilige God kon flaneren, dat de offeranden die God zelf had voorgeschreven een keer per jaar moesten worden gebracht door de aangewezen hogepriester, eerst voor zijn eigen zonden en dan voor de zonden van het volk.

Maar de situering van de tempel op deze locatie versterkt de les nog. Aanbidding en godsdienst gaan niet in de eerste plaats over God iets aanbieden dat we lofprijzing noemen, iets dat God liever niet wil missen. Aanbidding en godsdienst gaan in de eerste plaats over Godgerichtheid – en omdat we opstandelingen zijn, betekent dit dat aanbidding en religie in eerste instantie gaan over verzoend worden met deze God, onze Schepper en Verlosser, van wie we willens en wetens vervreemd zijn. Het hart van de tempel bestaat niet uit zijn koren, zijn reukwerk, zijn diensten. Het hart van de tempel gaat over het afwenden van de toorn van God, via de middelen waarin Hij zelf voorzag.

(2) De situering van de tempel is ook een mix van priesterlijke en koninklijke gezagslijnen. Oorspronkelijk waren alleen de priesters en Levieten verantwoordelijk voor de tabernakel; de wolkkolom bepaalde wanneer ze in beweging zou komen. Maar hier is het de koning die de plaats bepaalt – zo wordt vooruitgegrepen naar de ambten van koning en priester die worden verenigd in één persoon: Jezus Christus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 november 2014

Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen (1 Kron. 21)

1 Kronieken 21; 1 Petrus 2; Jona 4; Lukas 9

2 Samuel 24, dat grotendeels parallel loopt met 1 Kronieken 21, stelt dat de toorn van de Heer ontbrandde tegen Israël en dat Hij David er daarom toe aanzette om het volk te tellen, een daad die strikt verboden was – en dan bracht die daad de toorn van God over het volk (24:1). Het gedeelte dat we nu voor ons hebben stelt dan weer ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen’ (1 Kron. 21:1).

De twee standpunten hoeven elkaar natuurlijk niet uit te sluiten, en hoeven zelfs niet bijzonder te botsen. In Gods universum is het onmogelijk om zelfs de meest verafgelegen grenzen van Gods soevereiniteit te overschrijden. Of zijn voorzienige wil over de Duivel nu neergezet wordt als permissief (zoals in het geval van Job), of iets meer directief, God heeft steeds de touwtjes in handen.

Wat nu de morele dimensies van de kwestie betreft, is het belangrijk dat we bedenken dat God zelfs binnen het raamwerk van 2 Samuel 24 David niet arbitrair of in een opwelling verleidt om kwaad te doen, om hem er dan eerder venijnig voor af te ranselen.

Wat God ook maar beveelt wordt neergezet als Gods antwoord op voorafgaande zonde: Gods toorn ontbrandde tegen Israël, wordt ons gezegd, zodat bepaalde dingen plaatsgrepen.

Op dezelfde manier bestond het teken van Gods toorn over het volk Israël tijdens de kwijnende jaren van de heerschappij van het Davidische koningshuis uit meer en meer wrede corruptie op de troon en onder de regerende elite, met natuurlijk als resultaat dat er meer zonde in het land kwam, en dat Gods oordeelsdreigingen ook weer dichterbij kwamen.

Niettemin, dit gezegd zijnde, is het gevoel van deze twee hoofdstukken, 2 Samuel 24 en 1 Kronieken 21, nogal verschillend. In beide gevallen wordt David verantwoordelijk gehouden om de Schriften van het verbond te volgen, ongeacht de verleiding of de complexiteit van de herkomst ervan. Maar de duidelijke vermelding van Satan in 1 Kronieken 21 onderstreept de dimensie van het kosmisch gevecht tussen goed en kwaad.

Drie andere perspectieven worden ook benadrukt:

(1) Joab wordt altijd geportretteerd als een aanzienlijk militair leider, maar niet als een buitengewoon geestelijk of zelfs moreel mens. Hier staat hij op met godvrezend advies voor de koning, maar wordt naar hem niet geluisterd (21:3-4). Godvruchtige raad kan vanuit tal van bronnen komen. Ongetwijfeld moet je naar allemaal luisteren – maar uiteindelijk moet elke raad worden beproefd aan de hand van het Woord van God.

(2) Bepaalde daden hebben immense gevolgen voor anderen. Dit was in het bijzonder waar onder het oude verbond, waarin koningen, profeten en priesters als vertegenwoordigers optraden voor het volk. Hoewel het nieuwe verbond anders is ingericht, blijft het bijvoorbeeld nog altijd waar dat de zonden van de vaders bezocht worden aan de kinderen tot in het derde of vierde geslacht.

(3) God is barmhartiger dan mensen. Het is beter in zijn handen te vallen, op rechtstreekse wijze en dus zonder menselijke tussenpersonen, dan in welke andere handen ook.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 22 november 2014

'Nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn' (1 Kron. 17)


1 Kronieken 17; Jakobus 4; Jona 1; Lukas 6

1 Kronieken 17 loopt aardig parallel met 2 Samuel 7. In beide passages drukt David zijn verlangen uit om een ‘huis’ te bouwen voor God. De profeet Nathan stemt initieel in met het project, maar houdt dan, na het ontvangen van een specifieke openbaring van God, David een heel ander plaatje voor. In plaats dat David een ‘huis’ zou bouwen voor God, zal God een ‘huis’ bouwen voor David – dit wil zeggen, een ‘huishouden’ (het origineel woord is tweeslachtig, het woordspel met de betekenis bewust). Het ‘huis’ of ‘huishouden’ dat God voor David zal bouwen is niets anders dan het Davidisch koningshuis.

De lijn van David zal nooit het lot ondergaan van Saul en zijn lijn. Wanneer de lijn van David zondigt, zullen Gods oordelen tijdelijk zijn (17:12-14); de lijn zal niet worden uitgeroeid. David beantwoordt met een bewogen gebed (17:16-27) dat overloopt van dankbaarheid. Het gebed is heerlijk Godgericht; David is zich ten volle bewust dat als zijn lijn zo anders wordt behandeld dan die van Saul, het uiteindelijke verschil genade is.

Zo zijn de slotwoorden van het gebed ronduit treffend en onthullend: ‘Nu dan, HERE, Gij zijt God en Gij hebt dit goede aangaande uw knecht gesproken; nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’ (17:26-27).

Je mag echter niet vergeten dat deze woorden moeten worden gelezen als onderdeel van een tweedelig werk – 1 en 2 Kronieken – waarvan de verhaallijn eindigt met niets minder dan een ramp voor de Davidische lijn – los van de twee laatste verzen van 2 Kronieken, die een sprankel hoop bieden.

Vandaag plaatsen we ze automatisch binnen het grotere raamwerk van de verhaallijn van de Bijbel, en zien we waar ze passen in het patroon dat leidt tot Jezus, de ultieme Davidische koning.

Maar de eerste lezers genoten ons perspectief niet; de onbekende samensteller die de hofverslaggeving verzorgde en andere bronnen, die ongeveer 500 jaar geschiedenis dekken, en dit in de vorm goten van onze ‘1 en 2 Kronieken’, genoten niet hetzelfde perspectief als wij.

Louter cynisme of de wreedheid van hun ervaring onder de ballingschap hadden er toe kunnen leiden dat ze de woorden die we hier in 1 Kronieken 17:27 vinden zouden afzwakken: ‘nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’.

In plaats daarvan fungeren de woorden voor hen als een stabiliserende belofte wanneer al hun recente ervaringen ze leken tegen te spreken. Kortom, ze tonen ons wat het betekent te wandelen door geloof in de beloften van God, en niet door aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 november 2014

God bracht ons een zware slag toe omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd (1 Kron. 15)


1 Kronieken 15; Jakobus 2; Amos 9; Lukas 4

In 1 Kronieken 15 vinden we elementen uit Davids gedachtegang die we niet vinden in het parallelle gedeelte in 2 Samuel 6.

Nadat hij Jeruzalem had ingenomen besliste David uiteindelijk om de ark van het verbond naar de nieuwe hoofdstad te halen. Onderweg strekte Uzza zijn hand uit om de ark tegen te houden, toen de wagen waarop die werd vervoerd zich een weg schokte over de hobbelige wegen – en meteen werd hij gedood. David was zowel boos op God als bevreesd voor Hem (1 Kron. 13:11-12), en hij liet zijn plan varen.

De ark werd ondergebracht in het huis van Obed-Edom de Gethiet. Gedurende het drie maanden durende tijdelijke verblijf van de ark daar, werd het gezin van Obed-Edom zodanig overvloedig gezegend dat het iedereen opviel. Dus ondernam David na verloop van tijd een nieuwe poging om de ark naar Jeruzalem over te brengen.

Zoveel kon je opmaken uit zowel 2 Samuel als 1 Kronieken. Wat 1 Kronieken 15:1-24 toevoegt is iets van Davids redenering en schikkingen. Ik zal me toeleggen op één punt.

Blijkbaar ontnuchterd na het schokkende verlies van Uzza, keert David terug naar de Schriften. Het is waar, Uzza had de ark nooit mogen aanraken. Maar overtraden David en zijn volk enig ander wetsvoorschrift in de manier waarop ze haar behandelden? Davids lectuur van de Bijbel herinnert er hem aan dat het alleen Levieten is toegestaan de ark te vervoeren, en hoe ze dit moeten doen.

Dus draagt hij de Levieten op zich klaar te maken voor de taak, en legt hij zijn redenering uit: ‘Want daar gij [de Levieten, JL] het de vorige keer niet gedaan hebt, heeft de HERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde’ (15:13).

David besluit met andere woorden dat Gods toorn in de zaak van Uzza’s onbedachtzaamheid de manifestatie was van Gods diepere ongenoegen.

Het vervoeren van de ark mocht niet worden beschouwd als een kleinigheid. God verwachtte gehoorzaamheid, en het symbool van zijn tegenwoordigheid moest worden behandeld volgens de voorschriften van het verbond.

Dus is dit wat de Levieten doen: ‘De Levieten nu droegen de ark Gods, met draagbomen op hun schouders, gelijk Mozes naar het woord des HEREN geboden had’ (15:15).

Hier vinden we een belangrijke les. Aan de ene kant neemt God ongetwijfeld kinderlijke lofprijzing en enthousiaste ijver aan. Maar Hij verwacht van de gezagsdragers onder zijn volk dat ze weten wat zijn Woord zegt en dat ze dit gehoorzamen.

Er is geen bepaalde mate van enthousiasme of ijver die opweegt tegen een dergelijk gebrek. IJver die in de verkeerde richting gaat bereikt nooit haar doel. Ofwel moet die ijver worden bijgestuurd in de richting die in Gods Woord wordt aangegeven, of ze is nog altijd verkeerd en gaat de slechte kant uit.

Er bestaat geen vervangmiddel voor geloof dat gestalte krijgt in welingelichte gehoorzaamheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 13 november 2014

'Wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning' (Hebr. 8)

1 Kronieken 1-2; Hebreeën 8; Amos 2; Psalm 145

Er is een thematisch verband tussen de eerste twee van bovenstaande Bijbelverwijzingen [afkomstig uit het Bijbelleesrooster van de negentiende-eeuwse Schotse predikant Robert Murray McCheyne, JL]. 1 Kronieken 1 en 2 begint met lange hoofdstukken van becommentarieerde genealogische informatie. Dit is niet het soort materiaal waar we ons meteen toe aangetrokken voelen. Toch bewerken geslachtsregisters veel dingen naast het voor de hand liggende optekenen van genealogische afstamming.

Mocht je de Bijbel helemaal doorlezen, zouden de namenlijsten op dit punt deels dienen als een terugblik: de beginjaren tot aan David, met 1 en 2 Kronieken die de lezer vervolgens meenemen tot aan het einde van het Davidische koningshuis.

De geslachtsregisters zetten in kort bestek enkele van de zijpaden uiteen die je anders makkelijk uit het zicht verliest wanneer je de verhalen gewoon op zich leest.

Hoe zijn de afstammelingen van Abraham verbonden met Noach? Abraham zelf had kinderen bij drie vrouwen: Hagar, Ketura en Sara. Waar eindigden zij? Natuurlijk is de genealogie niet bedoeld om volledig te zijn. Het is de weg wijzen naar Juda, naar het Davidische koningshuis.

En dit is het punt: er is beweging en verandering, er zijn ontwikkelingen en nieuwe verbonden, maar vanaf het begin is de verhaallijn van de Bijbel een eenduidig verslag dat evolueert in de richting van de Davidische lijn, en uiteindelijk in de richting van ‘de grotere Zoon van de grote David’ (zie de overdenkingen van 17 mei en 10 september).

In genre en klemtoon is Hebreeën 8 zeer verschillend van de geslachtsregisters van de openingshoofdstukken van 1 Kronieken. Toch overlapt een deel van de argumentatie in dit hoofdstuk met lessen uit 1 Kronieken. Op dit punt in Hebreeën betoogt de auteur dat de tabernakel (en, in principe, de tempel) ingesteld bij het verbond bij Sinaï, niet moet worden beschouwd als de finale uitdrukking van Gods wil voor de eredienst van zijn volk. Anders begrijpen we zijn doel verkeerd in de uitgestrektheid van de heilsgeschiedenis.

De auteur heeft al uitgebreid betoogd voor de superioriteit van het priesterschap van Jezus over het Levietische priesterschap (Heb. 5-7) – dit superieure priesterschap was zelfs al aangekondigd door de Oudtestamentische geschriften zelf.

Nu vestigt hij de aandacht op het feit dat het ‘heiligdom’ dat [of de ‘tabernakel’ die] in de woestijn wordt opgericht exact het ‘ontwerp’ [NBV] of ‘voorbeeld’ [NBG en HSV] volgde dat Mozes kreeg op de berg (8:5).

De reden hiervoor, zo betoogt de auteur, is dat het slechts een schaduw vormde van de realiteit. Er de ultieme realiteit van maken, zou betekenen dat je het verkeerd interpreteert.

Bovendien zouden lezers van de Hebreeuwse canon dit moeten weten. Deze tabernakel was verbonden met het Mozaïsche verbond. Maar eeuwen later, ten tijde van Jeremia, beloofde God dat er een nieuw verbond zou komen (8:7-12).

‘Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’ (8:13). Het inluiden van het nieuwe verbond verwijst niet enkel de tabernakel van het oude verbond naar het verleden, maar toont ook de eenheid van de Bijbelse verhaallijn, hoe divers ook de stromen – want de verschillende stromen vloeien samen in Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 oktober 2014

Jehu vs. David: het doel wettigt de middelen niet (2 Koningen 9)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het loont de moeite de zalving van David (1 Sam. 16) te vergelijken met de zalving van Jehu (2 Koningen 9) – of, meer precies, loont het de moeite niet alleen de twee zalvingen te vergelijken, maar ook wat volgt uit de twee zalvingen.

Het verhaal van David is het bekendste van de twee (1 Sam.). Toen Samuel hem tot koning zalfde, was David nog altijd een jonge man, een jeugdige herder. De zalving veranderde niets aan zijn onmiddellijke situatie. Na verloop van tijd kreeg hij een heldenstatus door Goliath te verslaan en daarna uit te groeien tot een efficiënte en trouwe dienaar van Koning Saul.

Toen Saul verbitterd en krankzinnig werd waardoor hij David dwong zich te verbergen in het heuvelland van Judea, leek David ver van de troon af. Voorzienigheid bood hem twee verrassende gelegenheden om Saul te doden, maar David beheerste zich; hij hield zelfs een aantal van zijn eigen mannen tegen die maar al te zeer bereid waren om de daad te stellen waar David niet aan wilde raken. Zijn redenering was eenvoudig. Hoewel hij wist dat hij koning zou worden, wist hij ook dat Saul op dat ogenblik koning was. Dezelfde God die David had gezalfd, had eerst Saul aangesteld.

Saul doden stond daarom gelijk met het doden van de gezalfde van de Heer. Hij was niet bereid om het erfdeel te grijpen dat de Heer zelf hem had beloofd, indien de prijs daarvoor bestond uit een immorele daad. God had hem de troon beloofd; God zou die eerst moeten vrijmaken van zijn huidige plaatsbekleder, want David zou niet buigen voor intrige en moord. Dit was een van Davids beste periodes.

Hoe anders is Jehu! Wanneer hij gezalfd is, krijgt hij de taak het zondige huis van Achab te straffen en uit te roeien. Maar hij wacht niet op een teken van God: wat hem betreft is zijn zalving voldoende aansporing om meteen tot een bloederige opstand over te gaan. Bovendien mag hij dan vroom praten over het uitroeien van de afgoderij van het zondige huis van Achab (bijv. 9:22), twee boze feiten verraden zijn eigen hart.

Ten eerste vermoordt hij niet alleen de huidige bezetter van de troon in Israël, maar wanneer hij de kans krijgt doodt hij ook Achazja, de koning van Juda (9:27-29), echter zonder dat de profeet dit gebood. Koesterde Jehu misschien denkbeelden van een hersteld en verenigd koninkrijk, bijeengebracht door moord en militaire macht?

Ten tweede maakte Jehu weliswaar een einde aan de macht van de Baälsdienst, maar hij onderhield andere vormen van afgoderij die niet minder afstotelijk waren voor God (10:28-31). In tegenstelling tot David was hij geen ‘man naar Gods hart’ (vgl. 1 Sam. 13:14). Verre van: ‘hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (10:31).

De les is belangrijk. Zelfs goddelijke profetie ontslaat een mens niet van de verplichtingen tot moraliteit, integriteit en trouw en gehoorzaam geloof in God. Het doel wettigt de middelen niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 29 september 2014

Ook het kruim heeft zwaktes (1 Kon. 1)

1 Koningen 1; Galaten 5; Ezechiël 32; Psalm 80

De overgang van het koninklijk gezag van David naar Salomo (1 Koningen 1) verloopt warrig. Een van Davids zonen, Adonia, spant samen met Joab, het hoofd van het leger, en probeert de macht over te nemen. Batseba, de moeder van Salomo, herinnert haar zieke echtgenoot aan zijn belofte dat Salomo de opvolger zou zijn, en het gecompliceerde tafereel loopt af.

Nog maar eens springt het chronische falen van David op gezinsvlak er uit. De auteur van 1 Koningen vestigt er onze aandacht op in de terloopse commentaar van 1:6. Verwijzend naar Adonia, die de coup probeerde te plegen, merkt hij op: ‘Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt: Waarom doet gij zo? Ook was hij zeer welgevormd van gestalte en volgde in geboorte op Absalom’ – alsof er goed uitzien een soort eenvoudige arrogantie voortbracht die deed denken dat hij op alles recht had, inclusief de kroon. Van de vele belangrijke lessen kunnen we er twee uitlichten:

Ten eerste kunnen zelfs begaafde en moreel oprechte gelovigen vaak tragische zwakheden vertonen. Af en toe staat een Daniël op, van wie geen mislukkingen vermeld staan. Maar het merendeel van het kruim in de Schrift geeft blijkt van de een of andere zwakte – Abraham, Mozes, Petrus, Thomas, en (niet het minst) David.

We moeten die realiteit onder ogen zien, want vandaag is het niet minder zo. God wekt strategisch geplaatste en invloedrijke leiders op. Per uitzondering is iemand zodanig consequent dat het zeer moeilijk is om ook maar een noemenswaardige misrekening te bespeuren. Maar gewoonlijk is dit niet het geval.

Meestal vertonen zelfs de besten van onze christelijke leiders fouten die hun dichtste familieleden en vrienden kunnen opmerken (of de leiders ze nu zelf zien of niet!). Dit zou ons niet moeten verrassen. In deze gevallen wereld is dit hoe de dingen gaan, en ook hoe de dingen verliepen in de tijd dat de Bijbel werd geschreven.

Daarom zouden we niet gedesillusioneerd mogen zijn wanneer leiders blijk geven van onvolmaaktheden. We zouden hen moeten ondersteunen waar we maar kunnen en waar mogelijk proberen de tekortkomingen te corrigeren, en de rest aan God overlaten – terwijl we ondertussen wel altijd het vreselijk potentieel voor falen en fouten beseffen dat in onze eigen levens ligt.

Ten tweede werkt Gods soevereiniteit nog maar eens doorheen de gecompliceerde inspanningen van zijn volk. Wanneer David op de hoogte wordt gebracht van het probleem, gooit hij zijn handen niet in de lucht en gaat hij niet in gebed over de situatie: hij beveelt onmiddellijk dat beslissende, symbolische en complexe stappen worden gezet om te verzekeren dat Salomo de troon kan bestijgen.

Vertrouwen in Gods soevereine goedheid is nooit een excuus voor passiviteit of laksheid. Vele jaren van geloofswandel hebben David geleerd dat, wat ‘wandelen door geloof’ ook allemaal nog moge betekenen, het allerminst een vrijbrief is voor passiviteit. Willen we vermijden te handelen in strijd met God, of met ijdele pogingen onafhankelijk van God, dan moeten we ook het piëtisme vermijden dat in voortdurend gevaar verkeert om vertrouwen te doen verschrompelen tot fatalisme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 18 september 2014

'Breng de jongeman Absalom terug' (2 Sam. 14)

2 Samuël 14; 2 Korinthiërs 7; Ezechiël 21; Psalm 68

Wat kan zonde toch bedrieglijk zijn. Haar motieven en manipulaties zijn gecompliceerd en verdorven.

Aan de ene kant is het verslag van 2 Samuel 14 best eenvoudig. Aan de andere kant zit het vol met uitdagende ironieën.

David kiest de slechtst mogelijke weg. Ten eerste kan hij Absalom niet gewoon maar vergeven, want dat zou eigenlijk gelijkstaan met toegeven dat hij, David zelf, doortastender had moeten optreden tegenover Amnon. Aan de andere kant kan David er zichzelf niet toe bewegen om Absalom resoluut te bannen, dus beweent hij hem in het geheim.

Na Joabs list met de ‘wijze vrouw’ (14:2), neemt hij zich voor Absalom terug te brengen. Zelfs hier is hij echter besluiteloos. Als hij Absalom terug zal toelaten tot het land en de hoofdstad, waarom sluit hij hem dan uit van ontmoetingen met David – en daarmee verbonden ook van familiebijeenkomsten en dergelijke? Tegen het eind van het hoofdstuk is er een verzoening. Maar tegen welke prijs? De problemen zijn niet opgelost, maar slechts onder tafel geveegd.

Aan de andere kant, als David dan vastbesloten is om zijn zoon te vergeven, waarom laat hij hem dan voor een aantal jaren in onzekerheid? In welke mate vormt deze behandeling door zijn eigen vader de voedingsbodem voor de rebellie die beschreven wordt in het volgende hoofdstuk?

Er zit ook niet weinig ironie in het feit dat de man die David via deze ‘wijze vrouw’ overtuigt om Absalom terug te halen, net de man is die David had moeten bestraffen jaren daarvoor (zie de overdenking van 9 september). Had David Joab toen bestraft, waar zou hij dan hebben gestaan op dit punt? Waarschijnlijk niet bezig met het manipuleren van de raadgevers en rekwestranten van de koning.

Op het eerste gezicht is Absalom bereid zich buitengewone moeite te getroosten om op audiëntie te mogen komen bij Joab en uiteindelijk de goedgunstigheid van de koning terug te krijgen. Iemands gersteoogst in brand steken is een behoorlijk grote stap (14:29-32). Maar ondanks zijn verregaande inzet om opnieuw te worden toegelaten tot het hof en tot de tegenwoordigheid van de koning, zal het niet lang duren eer Absalom zich poogt meester te maken van de troon (hoofdstuk 15). Dit is de opperste ironie.

Na al die inspanningen wordt Absalom uiteindelijk toegelaten tot de tegenwoordigheid van de koning: ‘hij kwam bij de koning, boog zich voor hem, voor de koning, met het aangezicht ter aarde; en de koning kuste Absalom’ (14:33).

Hij had bekomen wat hij wilde. Dus wat voor machtshongerige wrok vormt dan de aanzet tot de valse opstand uit het volgende hoofdstuk?
Mensen die het hele verhaal volgden, zullen niet alleen alle directe oorzaken voor de rebellie opmerken, de begrijpelijke verbanden binnen alle persoonlijke mislukkingen die de aanleiding vormden tot het vreselijke einde. Ze zullen zich ook herinneren dat God zelf had voorspeld, als een zaak van gerechtelijke straf voor David omwille van de kwestie met Batseba en Uria, dat Hij onheil over hem zou brengen van iemand uit zijn eigen gezin.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 16 september 2014

'Gij zijt die man!' (2 Sam. 12)

2 Samuël 12; 2 Korinthiërs 5; Ezechiël 19; Psalmen 64-65

In Nathans dramatische confrontatie met koning David (2 Sam. 12) ging de moed van de profeet gepaard met een geweldige schranderheid. Hoe kon de profeet zonder deze onverwachte aanpak anders de aandacht krijgen van een autocratische koning en hem frontaal confronteren met zijn zonde?

We moeten verder stilstaan bij bepaalde kenmerken van dit hoofdstuk.

Ten eerste wordt het fundamentele verschil tussen David en Saul nu duidelijk. Beide mannen misbruikten hun macht in een hoge functie. Wat hen anders maakt is de manier waarop zij reageren op een terechtwijzing. Toen Samuël Saul van zonde beschuldigde, probeerde die laatste zijn zonde te verbloemen; toen Jonatan Sauls handelswijze in vraag stelde, kreeg hij een speer naar zijn hoofd.

Toen Nathan daarentegen zijn onderwerp indirect benaderde, komt de zonde spoedig aan het licht: ‘Gij zijt die man!’ (12:7). Maar Davids reactie is radicaal anders: ‘Ik heb tegen de HERE gezondigd’ (12:13).

Dit is zeker een van de ultieme tests voor de richting van iemands leven. We zijn een zondig geslacht. Zelfs goede mensen, mensen met een sterk geloof, zelfs iemand als David – die een ‘man naar Gods hart’ is (vgl. 1 Sam. 13:14) – kan afglijden en zondigen. Daar is nooit een excuus voor, maar wanneer het gebeurt, mag het ons nooit verbazen.

Maar wie ernstig zijn over het kennen van God zullen na verloop van tijd terugkeren met oprecht berouw. Valse bekeerlingen en afvalligen zullen uitpakken met een hele trits tamme excuses, maar zullen geen persoonlijke schuld toegeven, behalve op de meest oppervlakkige manieren.

Ten tweede kan alleen God zonde vergeven. Wanneer Hij dit doet, wordt de straf die bij de zonde hoort, de dood zelf, niet toegepast (12:13).

Ten derde kunnen er, zelfs wanneer de ultieme sanctie op de zonde niet wordt toegepast, andere gevolgen overblijven, die in deze gevallen en gebroken wereld niet te vermijden zijn. David krijgt nu te maken met drie ervan:

(1) dat het kind dat Batseba draagt zal sterven; (2) dat er tijdens zijn leven strijd en oorlog zal zijn terwijl hij zijn koninkrijk vestigt; (3) dat hij op een bepaald moment in zijn leven zal ondervinden wat het is om verraden te worden: iemand uit zijn eigen huis zal tijdelijk beslag leggen op de troon, wat tot uiting komt door te slapen met de koninklijke harem (12:10-12).

Elk van deze gevolgen is pijnlijk. Het eerste is verbonden met het overspel zelf; het tweede is misschien een verwijzing naar het feit dat David in de eerste plaats werd verleid omdat hij niet ten strijde getrokken was met Joab, maar was thuisgebleven (11:1), duidelijk verlangend naar vrede; en het derde trakteert David op het verraad dat ook hijzelf heeft gepleegd.

Ten vierde is Davids reactie op de meest drukkende van de oordelen uiteindelijk positief. God is niet het equivalent van het onpersoonlijke lot. Hij is een persoon, en een persoon kan gebeden en gezocht worden. Ondanks zijn gigantische falen is David nog altijd een man die God beter kent dan zijn talloze critici.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 15 september 2014

'Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN' (2 Sam. 11)

2 Samuël 11; 2 Korinthiërs 4; Ezechiël 18; Psalmen 62-63

Hier vind je een David op zijn slechtst (2 Sam. 11). In de verhaallijn van 1 en 2 Samuël is het bijna alsof tegenstand het beste in David naar boven brengt, terwijl zijn opeenvolging van recente ononderbroken militaire en politieke successen toont hoe hij rusteloos, dwaas en onvoorzichtig is.

De zonden zijn veelvoudig. Naast de duidelijke overtredingen van begeerte, overspel en moord, zijn er nog dieperliggende zonden die nauwelijks minder ernstig zijn. Zijn poging om zijn schuld te bedekken door Uria naar huis te laten komen mislukt, omdat Uria een van die hoogst uitzonderlijke mannen blijkt te zijn: een idealist – een idealist die zelfs zijn militaire verantwoordelijkheden bekijkt in termen van zijn verbondstrouw (11:11). En dit allemaal voor een bekeerde Hethiet!

Erger nog, Davids buitengewone manipulatie van de militaire en politieke machtshefbomen toont dat deze koning bedwelmd is geworden door macht. Hij denkt dat hij alles kan regelen; hij denkt dat hij het recht heeft de staat te gebruiken om zichzelf vooruit te helpen en dan zijn eigen zonde te verbergen. De naam van dit spel is corruptie.

Er zijn nog andere opmerkelijke elementen in het verhaal.

Ten eerste wordt er bijna niets gezegd over Batseba, behalve dat ze mooi was, verleid werd en uiteindelijk trouwde met David. Natuurlijk was ze aan de ene kant niet minder schuldig dan hij. Maar hierover rept de tekst met geen woord. Elders tekent de Bijbel de daden op van goede vrouwen (Ruth) en van slechte vrouwen (Isebel); naar het einde van Davids leven toe speelt Batseba zelfs een belangrijke rol.

Misschien dat de tekst voor een deel minder schuld op haar legt omdat ze werd gemanipuleerd door een figuur die veel machtiger was dan zij. Maar wellicht is de stilte niet zozeer een aanduiding van relatieve gradaties van schuld, maar veeleer van de belangrijkste focus: het verslag gaat over David, en uiteindelijk over de lijn van David.

Ten tweede is het verbazingwekkend dat David dacht dat hij hiermee kon weg komen. Zelfs politiek gezien moesten te veel mensen weten wat hij had gedaan; het verhaal kon niet worden stil gehouden. En hoe kon David ook maar een ogenblik denken dat God zelf dit niet zou weten? Was hij op dit punt kwalijk vervreemd van God? Dit hoofdstuk biedt op zijn minst een dramatisch getuigenis van de verblindende gevolgen van zonde.

Ten derde eindigt het hoofdstuk – somber en krachtig – met de eenvoudige zin ‘Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN’ (11:27). Ongetwijfeld feliciteerde David zichzelf stilletjes met zijn clevere manier om de zaak toe te dekken. Hij had gezondigd en was er mee weg gekomen. Misschien hadden sommige van zijn onderdanige lakeien hun meester zelfs gefeliciteerd.

Maar God was op de hoogte en was er niet blij mee. Gelovigen die wandelen met hun Schepper en Verlosser, vergeten nooit dat God ziet en weet, en dat wat Hem behaagt het enige is dat werkelijk telt; wat Hem mishaagt zal ons vroeg of laat weer inhalen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 12 september 2014

'Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen' (2 Sam. 7)


2 Samuël 7; 2 Korinthiërs 1; Ezechiël 15; Psalmen 56-57

Nadat zijn paleis is gebouwd beseft David dat hij leeft in pracht in vergelijking met de kleine en bescheiden tabernakel. Hij verlangt een tempel te bouwen, een ‘huis’ waarin de ark van het verbond kan worden geplaatst (2 Sam. 7).

Via de profeet Nathan toont God echter dat de zaken wel even anders liggen. David wil een ‘huis’ bouwen voor God, maar God verklaart dat Hijzelf een ‘huis’ zal bouwen voor David. Het woord ‘huis’ kan verwijzen naar een gebouw, maar het kan worden uitgebreid naar een gezin en zelfs naar een koningshuis, een dynastie (zoals je bijvoorbeeld in Engeland het koningshuis van de Windsors hebt, ‘the house of Windsor’).

David hoopt een ‘huis’ voor God te bouwen in de eerste betekenis; God vertelt David dat Hij voor hem een ‘huis’ zal bouwen in de derde betekenis. Alhoewel Davids zoon Salomo een ‘huis’ voor God zal bouwen, is God in het laatste geval zelf de ultieme Gever, en het ‘huis’ dat Hij voorstelt te zullen bouwen zal duurzamer blijken.

In deze context doet God dan een aantal opvallende beloften aan David. ‘Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken’ (7:11), zegt God. Om de lijn van David na zijn dood verder te zetten, voegt God eraan toe ‘zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen’ (7:12-13).

De verwijzing gaat niet verder dan Salomo. In de verhaallijn van 1 en 2 Samuel fungeert Saul als het eerste voorbeeld van een koning die regeerde en wiens troon niet blijvend was, wiens ‘huis’ niet gebouwd werd. Maar zo zal het niet zijn met David. Zijn nakomelingschap zal regeren.

Toen Saul zondigde werd hij vervolgens verworpen door God. Maar wanneer Davids zoon in de fout gaat, zegt God: ‘Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. [Noot van de schrijver: dus is deze ‘zoon’ zeker Jezus niet.] Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul’ (7:14-15). Tot zover is het dus Salomo die we aan de horizon zien.

Maar dan kijkt God nogmaals op lange termijn: ‘Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd’ (7:16). Dit betekent ofwel dat er altijd iemand op de troon zal zitten in de lijn van David, of iets sterkers.

Na verloop van tijd worden de profetieën over de komende ‘David’ of ‘Zoon van David’ geladen met veel grotere belofte. Jesaja voorziet iemand die zal regeren ‘op de troon van David en over zijn koninkrijk’, maar die ook genoemd wordt ‘Sterke God, Eeuwige Vader’ (Jes. 9:6-7). Hier is een afstammeling van David die het Davidische koningshuis in stand houdt, niet door dit door te geven, maar door zijn eigen eeuwige heerschappij.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 11 september 2014

Zegen en eerbied gaan hand in hand (2 Sam. 6)


2 Samuël 6; 1 Korinthiërs 16; Ezechiël 14; Psalm 55

Ongetwijfeld zou David velen van ons een ongemakkelijk gevoel hebben bezorgd mocht hij vandaag hebben geleefd. Hij was zulk een intens man – uitbundig in zijn genoegens, gebroken in zijn ontmoediging, krachtig in zijn leiderschap, ongeremd in zijn lofprijzing.

(1) Eén voorval dat ons veel toont over de man toont ons niet minder over God, namelijk het overbrengen van de ark van het verbond, en wellicht de volledige tabernakel, naar Jeruzalem (2 Sam. 6). David zendt er niet gewoon een aantal geestelijken naartoe – de aangeduide Levieten – en niets meer. Hij verzamelt dertigduizend man uit de keurtroepen en vertegenwoordigers van het hele huis van Israël, om nog maar te zwijgen over de muzikanten en koren.

(2) Wanneer Uzza zijn hand uitstrekt om de ark recht te houden omdat de runderen die de kar trekken struikelden, lezen we: ‘de toorn des HEREN ontbrandde tegen Uzza en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid; hij stierf daar bij de ark Gods’ (6:7). Dit was beslist een domper op de feestvreugde. David is zowel boos op God (6:8 [zie NBV en HSV]) als bevreesd voor Hem (6:9). Hij neemt zich voorlopig voor de ark des Heren niet naar Jeruzalem over te brengen. Er is beslist iets in de meesten van ons dat stilletjes denkt dat David gelijk heeft.

Maar al die tijd toonde God de grootste zorg om elke hint de kop in te drukken dat Hij niets meer zou zijn dan een talisman, een controleerbare God, een of ander kleine godheid die verwant is aan andere buurtgodheden.

Een van zijn krachtigste verboden was de ark aan te raken of ze in te kijken. Voor dit laatste punt hadden zeventig mannen uit Bet-Semes zelfs betaald met hun leven, nauwelijks een generatie vroeger (1 Sam. 6:19-20; zie de overdenking voor 15 augustus), toen ze het verbod hadden genegeerd.

Onze tekst noemt Uzza’s daad ‘onbedachtzaam’ (2 Sam. 6:7). Wat het ‘onbedachtzaam’ of ‘profaan’ maakte was niet dat Uzza te kwader trouw handelde, maar dat hem geen ontzag of vrees voor ogen stond, geen zorgvuldig onderscheid tussen alles wat God heilig noemt en wat slechts gewoon is.

Met de gruwel van het vloeken is het net zo: mensen zeggen dat ze er niets mee bedoelen wanneer ze Gods naam ijdel gebruiken. Dit is nu net het punt: ze bedoelen er niets mee. God zal niet toelaten dat Hij op die manier wordt behandeld.

(3) De ark blijft drie maanden bij Obed-Edom en hij ondervindt zoveel zegen dat David opnieuw geïnteresseerd geraakt (6:11-12). Zegen en eerbied gaan hand in hand, en David – en wij – kunnen dit maar beter beseffen.

(4) Michal blijkt een dochter van haar vader: ze is meer geïnteresseerd in praal, vorm, koninklijke kleding en persoonlijke waardigheid dan in uitbundige aanbidding (6:16). Ze veracht David precies omdat hij zodanig op God is gericht dat hij weinig geeft om zijn imago. Mensen die voortdurend piekeren over wat anderen van hen denken kunnen niet worden ingenomen door het zuivere Godbewustzijn en de Godgerichtheid die alle ware aanbidding kenmerken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 10 september 2014

'De HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden' (2 Sam. 4-5)

2 Samuël 4-5; 1 Korinthiërs 15; Ezechiël 13; Psalmen 52-54

De schrijver van 2 Samuël (van wie we de identiteit niet kennen) vindt het duidelijk belangrijk om de verschillende stappen op te tekenen waardoor David aan het hoofd komt van heel Israël.

In de canon is dit belangrijk omdat dit het begin is van het Davidische koningshuis dat rechtstreeks leidt naar ‘de grote David zijn grotere Zoon’ (zie de overdenking van 17 mei). Binnen dit kader wil ik nadenken over diverse kenmerken van deze twee hoofdstukken (2 Sam. 4-5).

(1) Het is behoorlijk verbazingwekkend om te merken hoe David bereid was te wachten op de troon, zonder het soort acties te ondernemen dat hem sneller zou verzekeren van de troon. Niet minder indrukwekkend is zijn positie tegenover Isboset. De moordenaars van Isboset, Baäna en Rekab, die denken met hun boosaardige moordaanslag (in lijn met de gebruiken uit die tijd) een wit voetje te halen bij de rijzende ster, maar leren dat Davids toewijding aan gerechtigheid hun executie verzekert.

De enige lichtelijk zure ondertoon is de dubbele moraal: deze moordenaars krijgen een rechtvaardige straf voor hun misdaad (2 Sam. 4), terwijl in het voorgaande hoofdstuk de moordenaar Joab, omwille van zijn macht, weliswaar publiek wordt beschaamd, maar niet de doodstraf krijgt.

(2) Dit boek geeft zorgvuldig weer hoe ‘alle stammen van Israël’ (5:1) bij David komen in Hebron en hem uitnodigen om hun koning te worden. In Gods voorzienigheid brengt de boosaardige moord door Baäna en Rekab de vervulling van Gods belofte aan David tot stand.

(3) Davids inname van Jeruzalem (5:6-12) moet worden opgetekend, want dit wordt niet alleen Davids hoofdstad maar wordt na verloop van tijd ook de rustplaats voor de tabernakel. Tijdens de regering van zijn zoon Salomo zal het ook de locatie voor de tempel worden. Enorm belangrijke theologische kwesties draaien om Jeruzalem en de tempel. Die worden achtereenvolgens aangehaald door de profeten (voor en na de ballingschap), door Jezus zelf en door de schrijvers van het Nieuwe Testament. Denk bijvoorbeeld na over Johannes 2:13-22, Galaten 4:21-31, Hebreeën 9 en 12:22-23 of Openbaring 21-22.

(4) Bovenal, wanneer de Israëlieten David uitnodigen om hun koning te worden, zeggen ze: ‘En de HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden en vorst over Israël zijn’ (5:2). Het ‘herder’-thema is omvangrijker dan het ‘vorst’-thema en wordt op verschillende manieren uitgewerkt. Bij aanvang van de ballingschap hekelt God de valse ‘herders’ die meer geïnteresseerd zijn in het kaalplukken van de schapen dan in het beschermen en voeden van de kudde (Ezech. 34) – een fenomeen dat ons ook vandaag niet onbekend is.

Zo belooft God herhaaldelijk dat Hijzelf de herder van zijn volk zal zijn; ja, Hij zal zijn dienstknecht ‘David’ aanstellen (drieëneenhalve eeuw na Davids dood!) om hun herder te zijn (Ez. 34:23-24; zie de overdenking voor 20 maart). In de volheid van de tijd, verklaart de rechtmatige erfgenaam uit de lijn van David ‘Ik ben de goede herder’ (Joh. 10:11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 9 september 2014

'Ik ben nu nog zwak' (2 Sam. 3)

2 Samuël 3; 1 Korinthiërs 14; Ezechiël 12; Psalm 51

Zelfs na de dood van koning Saul werd David niet meteen koning van Israël. Eerst werd David tot koning gezalfd over Juda (2 Sam. 2:1-7), en alleen maar Juda: zelfs Benjamin, dat bij Juda bleef toen er na de dood van Salomo een scheiding kwam tussen ‘Israël’ en ‘Juda’, was op dit moment nog verenigd met de andere stammen (2:9).

Abner, de aanvoerder van wat er nog van Sauls leger overbleef, had Sauls overgebleven zoon Isboset koning gemaakt over Israël (2:8-9). De schermutselingen tussen Davids troepen en die van Isboset namen toe. Veel gevechten in die tijd brachten de vijandige troepen tegenover elkaar in hevige clashes, gevolgd door een rennend gevecht: de ene zijde rende weg, en de andere zijde zat hen achterna.

In een van dergelijke clashes wordt Asaël, uit de troepen van David en een van de drie zonen van Seruja, gedood door Abner. Het was een ‘nette’ dood, d.w.z. volgens de regels van oorlogvoering, en geen moord.

Niettemin gaat deze dood vooraf aan een van de belangrijkste acties in 2 Samuël 3.

De verschillende delen van het land samenbrengen in verenigde loyaliteit onder David was een bloederige en soms gemene zaak – een herinnering aan het feit dat God soms de dwaasheid en boosheid van mensen gebruikt om zijn goede plannen tot stand te brengen.

Abner slaapt met een van Sauls voormalige bijvrouwen (3:6-7). Dit was niet enkel een overtreding van morele wetten, maar in de symboliek van die tijd claimde Abner het recht op het koningschap voor hemzelf. Het was een grote belediging en blaam voor Isboset.

Zo blijken Abners motieven om de elf stammen naar Davids kant over te hevelen minder te maken te hebben met integriteit en een verlangen om Gods roeping te erkennen, dan met frustratie over Isboset en een bepaalde zucht naar macht voor hemzelf.

Dan wordt Abner vermoord door Joab en zijn mannen (3:22-27), Joab die een van Asaëls broers is. Maar dit is echt moord en in strijd met de vrijgeleide die David gaf.

De manier waarop David deze crisis aanpakt weerspiegelt zowel zijn grote sterktes als een van zijn grootste zwakheden – sterktes en zwaktes die nog zullen opduiken.

Politiek gezien is David zeer schrander. Hij distantieert zich volkomen van Joabs daad en beveelt dat Joab en andere leiders deelnemen aan de officiële rouwstoet van de omgebrachte Abner. ‘Al het volk bemerkte dit en keurde het goed, zoals het alles goedkeurde, wat de koning deed’ (3:36).

Aan de andere kant roept hij Joab niet ter verantwoording, en wentelt daarmee zijn verantwoordelijkheid af met het argument dat ‘deze mannen, de zonen van Seruja, harder zijn dan ik’ (3:39; [NBV: ‘tegen deze mannen, de zonen van Seruja, ben ik niet opgewassen’]).

Met andere woorden, hij schoof zijn verantwoordelijkheid af – zoals hij later ook zou doen met zijn zoon Amnon (2 Sam. 13), waarbij de gevolgen Absaloms opstand in de hand werkten en David bijna zijn troon kostten. Het is nooit Gods weg om bijbels gemandateerde verantwoordelijkheid van je af te schuiven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 7 september 2014

Een tijd voor rouw, niet voor roddel (2 Sam. 1)


2 Samuël 1; 1 Korinthiërs 12; Ezechiël 10; Psalm 49

Wanneer David de dood van Saul en Jonatan verneemt (2 Sam. 1) is zijn verdriet niet louter formeel. Het kon niet anders of hij wist dat de weg naar de troon nu voor hem open lag. Niettemin is zijn smart zodanig oprecht dat hij een uitgebreid klaaglied (1:19-27) schrijft, het op muziek zet en het de mensen van zijn stam aanleert (1:18), zodat het voor een lange tijd in het land gezongen zal worden als een van de folkliederen van het land.

Veel elementen van dit klaaglied verdienen dat we er lang over nadenken. Vandaag sta ik stil bij slechts één vers: ‘Verkondigt het niet te Gat, boodschapt het niet op de straten van Askelon, opdat de dochters der Filistijnen zich niet verheugen, opdat de dochters der onbesnedenen niet jubelen!’ (1:20).

Formeel gezien is de tekst voldoende duidelijk. Gat en Askelon waren de twee vooraanstaande Filistijnse steden. David zegt in feite dat ze de Filistijnen niet mogen laten weten dat Saul en Jonatan dood zijn, opdat zij zich niet zouden verblijden of jubelen.

Natuurlijk kon het niet anders of de Filistijnen zouden het te weten komen, en zeker David wist dit. Maar zijn doel met het schrijven van deze woorden is niet dat hij de Filistijnen letterlijk nog een tijd in het ongewisse wil laten.

Hoe zou dat ook kunnen? Ze hadden al het lijk van Saul opgehangen aan de muur van Bet-San (1 Sam. 31:10) en hadden bodes met het nieuws in Filistijns gebied rondgestuurd (31:9). Maar als deze zinnen uit Davids pen niet als letterlijk advies bedoeld zijn, wat is dan hun functie?

Voor een deel is het gewoon een klaaglied. Het is een krachtige manier om te zeggen dat de vijanden van de Israëlieten blij zouden zijn met het nieuws, en daarom is hun vreugde een deel van de tragedie.

Maar ik vermoed ook een andere ondertoon. Wanneer een van onze leiders valt, gedraag je dan op een zodanige manier dat je de tegenstand niet sterker maakt.

Dit is een les die steeds opnieuw door de kerk moet geleerd worden. Wanneer een dienstknecht van het evangelie betrapt wordt op het verduisteren van fondsen of met een affaire, dan moet het bijbelse principe van tucht in elk geval meteen worden uitgevoerd. Indien de wet overtreden werd, moeten de burgerlijke autoriteiten verwittigd worden. Indien gezinnen beschadigd werden, dan kan er heel wat pastoraal werk nodig zijn.

Maar begrijp goed dat veel ongelovigen zich met plezier in de handen zullen wrijven en zeggen ‘Zie je wel? Wat had je verwacht? Al dat godsdienstig gedoe is zo hypocriet en vals.’ Op die manier wordt Christus veracht en verliest het christelijk getuigenis aan geloofwaardigheid. Christenen moeten hun tong in toom houden, opletten wat ze zeggen, en in het bijzonder voorzichtig zijn wat ze onnodig vertellen aan ongelovigen. Dit is een tijd voor rouw, niet voor roddel. ‘Verkondigt het niet te Gat …’


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 1 september 2014

'De HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen' (1 Sam. 25)


1 Samuel 25; 1 Korinthiërs 6; Ezechiël 4; Psalmen 40-41

Hoewel heel interessant en met handige karakterschetsen, vraag je je toch af waarom het verhaal dat we vinden in 1 Samuel 25 is opgenomen. Hoe helpt het de verhaallijn van 1 en 2 Samuel verder?

Eens we de sociale gebruiken van die tijd begrijpen, is het verslag zelf duidelijk. Blijkbaar wordt David op dit ogenblik niet actief vervolgd door Saul (Zie 1 Sam. 24), maar de relaties zijn nog altijd zodanig broos dat David en zijn mannen ver bij Saul uit de buurt blijven. Veel van deze cultuur was verbonden met twee waarden die velen in het westen slechts zelden beleven:

(1) Elke goede daad moet noodzakelijkerwijs terugbetaald worden met een andere. De vormen van beleefdheid strekken zich uit tot wederzijds geschenken uitwisselen. Falen op dit gebied brengt schande over de persoon die tekortschiet, en behandelt de andere persoon met minachting.

(2) De eisen van gastvrijheid maken duidelijk dat het schandelijk is om een ander af te wijzen. Dit zou onbeschoftheid en hebzucht aantonen. De zuivere beleefdheid vereist dat je het beste aan je gasten aanbiedt. Dit is in het bijzonder waar wanneer iemand rijk is. Wanneer Davids mannen dus bij Nabal aan de deur komen, vragen ze niet om beschermingsgeld. Wanneer Nabal hen terug op weg zendt, is hij geen oprecht man die weigert om te worden afgeperst door een boef, maar een ondankbare vrek die neemt en neemt van iedereen, nooit iets in ruil teruggeeft en zijn neus ophaalt voor de hoffelijkheidsregels en -conventies van de cultuur. Hij brengt schande over zichzelf en is onverschillig voor wat mensen van hem denken. Hij behandelt de man die bijdroeg tot de rijkdom en het welzijn van zijn bedrijf met onaanvaardbare minachting.

Abigail slaat het beste figuur in het verhaal. Met genade en tact stilt ze Davids toorn en redt ze de levens van haar man en de mannen in zijn dienst.

David is een tweeslachtig figuur. In het licht van de tijd had hij ongetwijfeld enige grond voor de wraakneming die hij plande, maar het voorspelde alleen maar meer bloedvergieten en een leiderschapsstijl die de troon zou bevlekken die hij op een dag zou bezetten.
Abigail ziet dit allemaal – en ze weet hem met succes te overtuigen dat ze het bij het rechte eind heeft.

Dus waarom is het verslag opgenomen? Oppervlakkig bekeken zijn er natuurlijk kleine aanwijzingen dat David dichter bij de troon komt. Samuel, de profeet die hem zalfde, is dood (25:1). David staat nu aan het hoofd van een gewapende bende van zeshonderd man. Abigail vertegenwoordigt het groeiend aantal Israëlieten dat erkent dat David vroeg of laat hun koning zal zijn (25:28, 30).

Maar bovenal slaat David nu een andere morele richting in dan Saul. Terwijl de macht van Saul is toegenomen, is ook zijn wraakzucht gegroeid. David evolueerde in dezelfde ellendige richting, tot Abigail hem ontmoet, zoals hijzelf erkent (25:32-34). Hier liggen belangrijke lessen voor veel machtige christelijke leiders.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 28 augustus 2014

De HERE zal tussen mij en u staan voor altijd (1 Sam. 20)

1 Samuel 20; 1 Korinthiërs 2; Klaagliederen 5; Psalm 36

Er zijn niet veel hoofdstukken in de Bijbel die veel ruimte wijden aan het thema vriendschap, maar 1 Samuel 20 is er een van.

Strikt gesproken gaat 1 Samuel 20 natuurlijk niet over vriendschap op zich, zoals vriendschap als thema kan worden uitgewerkt door een begaafd romanschrijver. Het verslag past in het grotere verhaal van de neergang van Saul en de opkomst van David, een belangrijk keerpunt in de heilsgeschiedenis. Maar de manier waarop het verslag zich ontvouwt draait in belangrijke mate rond de relatie tussen Jonatan en David.

Jonatan blijkt een zeer bewonderenswaardige jongeman. Eerder had hij al aanzienlijke fysieke moed getoond toen hij en zijn wapendrager een contingent Filistijnen wisten te verslaan (1 Sam. 14). Toen David aan het Koninklijke hof kwam, had je kunnen verwachten dat Jonatan veel kwaadwillige emoties zou vertonen: jaloezie over Davids groeiende populariteit, een geest van concurrentie op militair vlak, zelfs vrees dat David hem op een dag zijn recht op de troon zou afnemen.

Maar de ziel van Jonatan werd ‘verknocht aan die van David; en Jonatan had hem lief als zichzelf’ (18:1). Hij ging een ‘verbond’ aan met David, dat eigenlijk van David zijn eigen broer maakte (18:3-4) – een verbazingwekkende stap voor iemand van koninklijken bloede tegenover een gewone burger.

Eer we bij hoofdstuk 20 aanbelanden, is Jonatan zich ervan bewust dat David op een dag koning zal zijn. Hoe hij tot die kennis kwam kunnen we niet met zekerheid zeggen. Gezien hun vriendschap is het niet uitgesloten dat David Jonatan had verteld over zijn zalving door Samuel.

Niet alleen deelt Jonatan zijn vaders boosaardigheid niet, maar, nadat hij ook al een keer een verzoening tussen zijn vader Saul en David kon bewerkstelligen (19:4-7), kan hij moeilijk geloven dat zijn vader onverbiddelijk vastbesloten is David te doden, zoals David gelooft (20:1-3).

Dus wordt het uitgewerkte plan uit dit hoofdstuk in werking gesteld. Jonatan ontdekt dat zijn eigen vader vastbesloten is over de dood van Jonatans beste vriend. Zijn vader is zelfs zo woest dat Jonatan zelf in doodsgevaar verkeert (20:33).

David en Jonatan ontmoeten elkaar. Ze hernieuwen hun verbond, zoals ze later nog een keer zullen doen (23:17-18). David, van zijn kant, verbindt er zich toe te zorgen voor Jonatans familie indien en wanneer Jonatan er niet langer is – een voorbode voor wat nog zal volgen, en nogal verschillend van het normale bloedvergieten dat meestal volgde als een nieuwe koning alle potentiële troonopvolgers van een voorgaande dynastie uit de weg probeerde te ruimen.

Maar misschien is de meest opvallende zaak wel dat Jonatan in de stad blijft bij zijn vader. Want de realiteit is dat we onze vrienden kiezen, maar onze familie niet; toch krijgen onze verantwoordelijkheden tegenover onze families een hogere prioriteit. Anders wordt de vriendschap zelf een excuus voor een nieuwe vorm van zelfzucht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.