Posts tonen met het label Leviticus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leviticus. Alle posts tonen

dinsdag 22 april 2014

Let op voor de dodelijke tweeling: ongeloof en ongehoorzaamheid (Lev. 26)

Leviticus 26; Psalm 33; Prediker 9; Titus 1
Een van de gemeenschappelijke kenmerken binnen de vroegere verdragen rond opperheerschappij [suzereiniteit] – verdragen tussen een regionale supermacht en een vazallenstaat (zie 13 maart) – werd gevormd door een bepaald gedeelte dicht bij het slot dat de voordelen preciseerde van naleving en de gevaren van niet-naleving. Vanzelfsprekend werden deze zegeningen en vloeken in de eerste plaats beloofd aan de vazalstaten.

In veel opzichten weerspiegelt Leviticus 26 dit oude patroon, met de belofte van zegeningen voor gehoorzaamheid (d.w.z. voor naleving van het verbond) en straf voor ongehoorzaamheid (d.w.z. voor niet-naleving van het verbond). Het patroon wordt herhaald, iets aangepast, voor de hernieuwing van het verbond in Deuteronomium (zie vooral Deut. 27-30).

We moeten de alternatieven die in dit hoofdstuk worden geboden niet beschouwen als beloften die louter werden gedaan aan individuele personen, en nog minder als een eenvoudig schema om eeuwig leven te verwerven. Dat de beloften niet individueel zijn bedoeld wordt nog eens aangetoond door de aard van veel van deze zegeningen en vloeken.

Wanneer God het bijvoorbeeld laat regenen, doet Hij dat niet boven louter individuele personen, maar boven regio’s, in dit geval de natie, de verbondsgemeenschap; en net zo wanneer God plagen zendt of zijn volk in ballingschap stuurt.

Het zelfde bewijs toont dat hetgeen op het spel staat niet in de eerste plaats het verkrijgen van eeuwig leven is, maar het welzijn van de verbondsgemeenschap in termen van de zegeningen die hen worden beloofd.

Niettemin kunnen we nadenken over twee van de vele parallellen tussen deze instellingen uit het oude verbond en wat nog altijd behoort tot het nieuwe verbond.

Ten eerste wordt gehoorzaamheid nog altijd vereist onder het nieuwe verbond, zelfs al zijn sommige van de bepalingen die moeten worden gehoorzaamd dan veranderd. Het hoeft daarom niet te verrassen dat Johannes 3:36 de persoon contrasteert die gelooft in de Zoon met degene die Hem ongehoorzaam is [sommige andere vertalingen gebruiken ‘verwerpt’, JL].

Van hen die volharden in grove zonde wordt specifiek gezegd dat ze uitgesloten worden van het koninkrijk (1 Kor. 6:9-11). Het boek Openbaring contrasteert herhaaldelijk hen die ‘overwinnen’ (d.i. in trouw aan Jezus Christus) met wie lafhartig, ongelovig of verfoeilijk is (bijv. Opb. 21:7-8).

De onderliggende reden hiervoor is dat het nieuwe verbond ook een nieuwe natuur brengt. Hoewel we de volmaaktheid niet eerder bereiken dan bij de voleinding, is een volkomen afwezigheid van verandering onder de bepalingen van een dergelijk verbond ondenkbaar.

Het resultaat is dat oordeel wordt voorgehouden voor zowel ongeloof als ongehoorzaamheid; de twee hangen samen.

Ten tweede is een van de treffende kenmerken van de straffen die in Leviticus 26 staan opgelijst, hoe God de teugels langzaam verder aanhaalt, wat uiteindelijk uitmondt in ballingschap. Ziekte, droogte, militaire terugtrekking, plagen, de vreselijke hongersnood onder omstandigheden van belegering (26:29) en zelfs een soeverein bewerkte angst (26:36) eisen allemaal hun tol.

Het geduld van de Heer met verbondsbrekers, over generaties van uitgesteld oordeel heen, is enorm. Maar de enige ware oplossing is belijdenis van zonde en hernieuwing van het verbond (26:40-42).


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 19 april 2014

Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren (Lev. 23)


Leviticus 23; Psalm 30; Prediker 6; 2 Timotheüs 2
Leviticus 23 biedt een beschrijving van de belangrijkste ‘hoogtijdagen’ [of ‘feesttijden des Heren’] (23:2). Die omvatten de Sabbat, die natuurlijk niet kon worden in acht genomen door een bedevaart naar Jeruzalem. De overblijvende vermelde feesttijden zijn echter verbonden met de tempel in Jeruzalem.

Er zijn drie dergelijke feesttijden, samen met de gerelateerde vieringen voor de belangrijkste drie. (In latere tijden voegden de Joden een vierde feest toe.)

Buiten de Sabbat zelf, was de eerste ‘hoogtijdag’ (of koppel van feesttijden) het Pascha, gekoppeld aan het Feest van de Ongezuurde Broden. Het ‘Pascha des Heren’ begon bij de avondschemering op de veertiende dag van de eerste Joodse maand (Nisan), wanneer het Pesach of Paasmaal effectief werd gegeten, en het volk samenkwam om te gedenken hoe de Heer hen op een wonderbaarlijke manier uit Egypte had verlost.

De volgende dag begon het Feest der Ongezuurde broden dat een week duurde: niet alleen een herinnering aan de snelle vlucht uit Egypte, maar ook aan het bevel des Heren om alle zuurdeeg gedurende die periode weg te doen – een symbool van het wegdoen van alle zonde. De eerste en zevende dag moesten vrij zijn van arbeid en bekrachtigd door heilige samenkomsten.

Het Eerstelingenfeest (23:9-14), gevolgd door het Wekenfeest (23:15-22) – de zeven weken meteen na het Eerstelingenfeest, met als hoogtepunt een heilige samenkomst op de vijftigste dag – was een krachtige manier, in het bijzonder in een zeer agrarische maatschappij, om te gedenken dat alleen God ons voorziet van alles wat we nodig hebben om te leven.

Het was een manier om publiek getuigenis af te leggen van onze afhankelijkheid van God, om onze individuele en gemeenschappelijke dankzegging uit te drukken tegenover onze Schepper en Onderhouder.

In landen als Engeland en Canada vind je lichte overeenkomsten in de feesten van ‘Harvest Sunday’ (Oogstzondag) en het Canadese Thanksgiving. (Het Amerikaanse Thanksgiving is gedeeltelijk een oogstfeest, maar is ook beladen met aanzienlijk symbolisme dat te maken heeft met het vinden van vrijheid in een nieuw land). Maar er is geen dankfeest dat waardevoller kan zijn dan de kwaliteit en omvang van de dankbaarheid van de mensen die eraan deelnemen.

Op de eerste dag van de zevende Joodse maand, was er een andere gewijde samenkomst, het Bazuinfeest (of Feest der Geschal), herdacht met bazuinstoten (23:23-25), die voorafging aan Yom Kippur – de Grote Verzoendag (23:26-33) - die viel op de tiende dag van de zevende maand.

Dit was de dag waarop de hogepriester binnenging in het Heilige der Heiligen, met het voorgeschreven bloed, om zowel zijn eigen zonden als de zonden van het volk te bedekken (zie de commentaar op 12 april). De vijftiende dag van die maand begon het acht dagen durende Loofhuttenfeest (23:33-36), wanneer het volk moest leven in ‘loofhutten’ of ‘tabernakels’, hutten en tenten, om zichzelf te herinneren aan de pelgrimsjaren van voor ze het Beloofde Land binnentrokken.

Hoe zou het volk van het nieuwe verbond de voorzieningen van onze grote Verbondsgod moeten herinneren en gedenken?


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 april 2014

'Ik ben de HERE' (Lev. 19)


Leviticus 19; Psalmen 23-24; Prediker 2; 1 Timotheüs 4
Mogelijk is het meest opvallende kenmerk van Leviticus 19 het terugkerende zinsdeel ‘Ik ben de HERE’. Iedere keer biedt het de reden waarom de Israëlieten het specifieke gebod moeten gehoorzamen.

Iedereen moet ontzag hebben voor zijn vader en zijn moeder en Gods sabbatten houden: ‘Ik ben de HERE’ (19:3). Ze mogen zich niet overgeven aan de afgoden: ‘Ik ben de HERE’ (19:4). Wanneer ze oogsten moeten ze genoeg van de opbrengst laten liggen zodat de armen iets te eten kunnen vinden: ‘Ik ben de HERE’ (19:10).

Ze mogen niet valselijk zweren terwijl ze Gods naam gebruiken: ‘Ik ben de HERE‘ (19:12). Ze mogen geen smerige grappen uithalen met de gehandicapten, zoals de doven vervloeken of een struikelblok neerleggen voor de blinden: ‘Ik ben de HERE’ (19:14). Ze mogen geen daden stellen die het leven van de naaste in gevaar kunnen brengen: ‘Ik ben de HERE’ (19:16).

Ze mogen zich niet proberen te wreken op een naaste of haatdragend zijn, maar elk moet zijn naaste liefhebben als zichzelf: ‘Ik ben de HERE’ (19:18). Wanneer ze het Beloofde Land zullen binnentrekken en er vruchtbomen zullen planten, dan mogen ze drie jaar lang niet van de vruchten ervan eten, en daarna moeten ze in het vierde jaar alle vruchten aan de Heer geven, voor ze vanaf het vijfde jaar van de vruchten zullen eten: ‘Ik ben de HERE’ (19:23-25).

Ze mogen hun lichamen niet verminken of tatoeëren: ‘Ik ben de HERE’ (19:28). Ze moeten zich aan Gods sabbatten houden en eerbied hebben voor zijn heiligdom: ‘Ik ben de HERE’ (19:30). Ze mogen zich niet wenden tot mediums of waarzeggende geesten: ‘Ik ben de HERE’ (19:31). In de tegenwoordigheid van ouderen moeten ze opstaan, ze moeten respect betonen voor de ouderen en voor God vrezen: ‘Ik ben de HERE’ (19:32).

Vreemdelingen in het land moeten behandeld worden als waren ze er geboren: ‘Ik ben de HERE’ (19:33-34). Hun manier van zakendoen moet eerlijk zijn: ‘Ik ben de HERE’ (19:35-36).

Hoewel sommige van de geboden en verboden in dit hoofdstuk niet eindigen met deze formule, zijn ze niettemin toch gezegend met hetzelfde motief, want het slotvers vat het hoofdstuk nog eens samen: ‘Zo zult gij al mijn inzettingen en al mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen: Ik ben de HERE’ (19:37).

Bovendien, te oordelen naar de openingsverzen van het hoofdstuk, is de formule ‘Ik ben de HERE’ in feite een herinnering aan een langere zin: ‘Spreek tot de ganse vergadering der Israëlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig’ (19:2).

We stonden al eerder kort stil bij de betekenis van ‘heilig’ (zie 8 april). Wat hier het meest opvalt is dat veel van deze geboden sociaal zijn in hun effect (eerlijkheid, vrijgevigheid, integriteit, enz.); maar de heiligheid van de Heer is er de achterliggende garantie of borg van. Voor Gods verbondsvolk zijn de hoogste motieven nauw verbonden met het behagen van God en de vrees voor zijn straffen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 14 april 2014

'‘Verontreinigt u niet door dit alles' (Lev. 18)


Leviticus 18; Psalm 22; Prediker 1; 1 Timotheüs 3
Het begin van de zogenaamde ‘heiligheidswetten’ (Lev. 18) is bijzonder interessant. We moeten op minstens vier dingen letten:

(1) Alleen maar omdat dit de eerste keer is dat sommige verboden in de Bijbel worden vermeld betekent daarom nog niet noodzakelijk dat het ook de eerste keer is dat iemand eraan dacht, of de praktijk in kwestie verbood. Voor moord werkelijk als dusdanig wordt verboden, begaat Kaïn een moord en wordt hij ervoor veroordeeld en gestraft.

Hetzelfde geldt voor veel daden die in de Wet van Mozes worden behandeld. Veel van Gods Wet staat geschreven op het menselijk geweten, zodat samenlevingen zonder de Schrift toch morele structuren oprichten, die - hoezeer ze ook mogen verschillen van de waarden van de Schrift – toch ook op belangrijke en onthullende manieren met de Schrift overlappen.

Over veel van wat hier wordt opgesomd aan verboden op het vlak van seksueel gedrag fronste men toen ongetwijfeld ook al de wenkbrauwen; maar nu wordt het verbod ervan in wetten gegoten.

(2) Zoals gebruikelijk zijn de geboden in dit hoofdstuk verbonden met de persoon en het karakter van God (18:2-4, 21, 30), de uittocht (18:3) en de sancties van het verbond (18:29).

(3) Veel van de verboden in dit hoofdstuk stellen grenzen in seksuele relaties: een man mag geen seksuele betrekkingen hebben met zijn moeder of stiefmoeder, zuster of halfzuster, kleindochter, tante, schoondochter, schoonzus enz. Homoseksualiteit is ‘een gruwel’ (18:22); bestialiteit ‘schandelijke ontucht’ (18:23).

Verbonden met deze lijst is het verbod om een van je kinderen te offeren aan de vreselijke God Moloch, die eiste dat enkelen verbrand werden als offer (18:21); misschien is het gemeenschappelijke punt de integriteit [of veiligheid] van de familie.

Een ander treffend element in dit hoofdstuk is het feit dat de perversiteiten verboden worden in Israël zodat deze jonge natie niet even ontuchtig wordt als de naties van wie ze in de plaats komt – opdat ze niet in dezelfde richting evolueert en wordt uitgespuwd door het land (18:24-30). De schaduw van de ballingschap is al aan de horizon zichtbaar, zelfs nog voor het volk het land is binnengetrokken.

(4) Intrigerend genoeg wordt Leviticus 18:5 geciteerd in Romeinen 10:5 en Galaten 3:10. Het algemene punt in de twee gedeeltes is hetzelfde. De ‘Wet’, d.i. het verbond van de wet, is gegrond in eisen: houd je aan Gods geboden en wetten en leef. Dit betekent niet dat geloof niet is vereist, en nog minder dat het verbond van het Oude Testament niet gekenmerkt wordt door genade (meest nog in het offersysteem, zodat zij die het verbond overtraden toch uitzicht hadden op een weg terug).

Maar de kern ervan is eisend. In tegenstelling daarmee wordt de kern van het Nieuwe Verbond, zoals het verbond met Abraham, vooral gekarakteriseerd door geloof (wat ook de eisen ervan zijn). Hoezeer er ook overlappingen mogen zijn, de onderscheidende kern van de twee verbonden mag niet worden verward.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 13 april 2014

Geen offers te velde en geen bloed eten (Lev. 17)

Leviticus 17; Psalm 20-21; Spreuken 31; 1 Timotheüs 2
Twee bepalingen uit Leviticus 17 beperkten de oude Israëliet die trouw wilde blijven aan het verbond.

De eerste (17:1-9) limiteerde offerandes tot wat het Mozaïsch verbond gebood en verbood. Blijkbaar brachten sommige Israëlieten offerandes in de open velden, waar ze zich ook maar bevonden (17:5). Ongetwijfeld waren sommige daarvan oprecht aan de Heer geofferd; andere verwerden snel tot afgodische offeranden gewijd aan de plaatselijke heidense godheden (17:7).

De offerpraktijken uitdrukkelijk met de tabernakel (en later de tempel) te verbinden,was tegelijk bedoeld om de afgoderij uit te sluiten als om het volk te oefenen in de theologische structuren inherent aan het Mozaïsch Verbond.

Daarbuiten te velde was het al te gemakkelijk te veronderstellen dat deze religieuze plichtplegingen de gunst van God (of de goden!) zouden bewerken, en dat daarmee goede oogsten en lieve kinderen gegarandeerd konden worden.

Het tabernakel/tempelsysteem bracht in het ideale geval het volk onder voogdij van de Levieten, terwijl het volk een betere weg werd onderwezen. God zelf had dit systeem bevolen.

Slechts voorgeschreven middelaars en offers waren toegelaten. De volledige structuur was ontworpen om het transcendente [of bovenaardse, JL] karakter van God te benadrukken, om de loutere lelijkheid en boosheid van de zonde vast te stellen en te verduidelijken, om aan te tonen dat iemand slechts door God kon worden aangenomen als voor die zonde betaald was.

Bovendien had het systeem twee bijkomende voordelen. Het bracht het volk drie keer per jaar samen voor de feesten in Jeruzalem, waardoor het de samenhang van het verbondsvolk verzekerde; en het effende het pad voor de hoogste offerande in de jaarlijkse offers die generaties gelovigen oefende in de het feit dat er voor zonde moest worden betaald op de manier die God zelf voorschrijft, of dat er anders geen hoop overblijft voor wie dan ook.

De tweede beperking die dit hoofdstuk oplegt (17:10-16) is het verbod om bloed te eten. De reden die wordt gegeven is specifiek: ‘Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel’ (17:11).

Het gedeelte schrijft geen magische krachten toe aan bloed. Uiteindelijk is de ziel niet in het bloed los gezien van de rest van het lichaam, en het strenge verbod tegen het eten van bloed kon nooit op een volmaakte manier worden nagevolgd (want hoe zorgvuldig je ook het bloed uit een dier weet te onttrekken, er blijft altijd een klein beetje achter).

De kwestie is hier dat er geen leven in het lichaam is waarin geen bloed zit; het is het voor de hand liggende fysieke element om het leven zelf te symboliseren. Wil je het volk leren hoe alleen het offer van leven kon betalen voor de zonde – aangezien de straf voor de zonde bestaat uit de dood – dan is het moeilijk je een passender verbod voor te stellen.

We herdenken het belang ervan elke keer we deelnemen aan de broodbreking [= de tafel des Heren, JL].


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 12 april 2014

God openbaart zich (Ps. 19)


Leviticus 16; Psalm 19; Spreuken 30; 1 Timotheüs 1

God is zo wonderbaarlijk genereus in het bekendmaken van Zichzelf. Hij heeft zich niet op een terughoudende manier geopenbaard aan dit opstandige geslacht, maar in de natuur, door zijn Geest, in zijn Woord, in grote gebeurtenissen in de heilsgeschiedenis, in instellingen die Hij gelastte om zijn plannen en aard te ontsluieren, zelfs in ons loutere bestaan. (We dragen het beeld van God, het imago Dei).

Psalm 19 schetst twee van deze wegen tot goddelijke zelfopenbaring.

De eerste is de natuur, of meer bepaald een deel van de natuur, de hemelse heerscharen die door ons allen worden aanschouwd en genoten. ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht’ (19:2-3).

Maar net zoals de oude volkeren, die ingewikkelde mythes bedachten om de zon, de maan en de sterren te verklaren, is de schande van onze cultuur dat wij op onze beurt ingewikkelde ‘wetenschappelijke’ mythes bedenken om ze te verklaren. Natuurlijk is onze kennis van hoe de dingen werkelijk zijn geavanceerder en nauwkeuriger dan die van hen.

Maar onze diepgewortelde filosofische toewijding aan de notie van willekeurig, doelloos, zinloos , toevallig en ‘in stationaire toestand’ ontstaan van alle dingen is vreselijk pervers – alles om de veel meer voor de hand liggende conclusie te vermijden van een hoogverheven intelligente God die tot bijzonder wonderbaarlijk ontwerp in staat is. Het bewijs is er; de hemelse heerscharen doen dagelijks ‘sprake toestromen’ en predikt nacht na nacht kennis.

De tweede manier is de ‘wet des Heren’: volmaakt, betrouwbaar, juist, zuiver, rechtvaardig, stralend, de ziel verkwikkend, de onverstandigen wijs makend, vreugde brengend aan het hart, eeuwigdurend, kostbaarder dan goud, zoeter dan honing, vermanend, rijke beloning belovend (19:8-12)

Ook hier slagen we er in om neer te halen en te doen verstommen wat God heeft geopenbaard. Grote geleerden investeren verspilde levens in het ondermijnen van zijn geloofwaardigheid.

Veel mensen kiezen fragmenten en thema’s die snel een patroon uittekenen om ook de rest te elimineren. De culturele stroom brengt nieuwe epistemologieën [of kennistheorieën, JL] voort die Gods woorden zodanig relativeren dat ze in niets nog onthullender zijn dan de brondocumenten van gelijk welke andere religie.

Het ergste is nog dat christenen zodanig weinig tijd en energie spenderen aan het bestuderen van dat waarvan ze zelf claimen dat het het Woord van God is, dat het standaard wel moet wegvallen. Maar het blijft een onvoorstelbaar heerlijke openbaring.

Leviticus 16 schetst nog een andere manier van openbaring. God stelde genadig een jaarlijks ritueel in onder het oude verbond dat fundamentele principes schetst van hoe Hij is en wat aanvaardbaar is voor Hem. Schuldige zondaars mogen tot Hem naderen via een middelaar en een bloedig offer dat Hij voorschrijft: de grote Verzoendag is zowel een ritueel als profetie (vgl. Heb. 9:11-10:18).

Beantwoord samen met de Psalmist: ‘Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o HERE, mijn rots en mijn verlosser’ (19:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 8 april 2014

'Weest heilig, want Ik ben heilig' (Lev. 11)


Leviticus 11-12; Psalm 13-14; Spreuken 26; 1 Thessalonicenzen 5
In deze overdenking wil ik twee gedeeltes samenbrengen: ‘Want Ik ben de HERE, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt. Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11:44-45); ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God’ (Ps. 14:1).

Wat betekent heilig? Wanneer de engelen uitroepen ‘Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen’ (Jes. 6:3; vgl. Opb. 4:8), bedoelen ze dan ‘Moreel, moreel, moreel is de Here der heerscharen’? Of ‘Afgezonderd, afgezonderd, afgezonderd is de HERE der heerscharen’? We hoeven slechts dergelijke vragen te stellen om aan te tonen hoe ontoereikend dergelijke veelvoorkomende definities van heiligheid in werkelijkheid zijn.

In de kern is heilig bijna een adjectief dat overeenkomt met het naamwoord God. God is God; God is heilig. Hij is uniek; er is geen ander. Dan wordt, daarvan afgeleid, hetgeen Hem exclusief toebehoort als heilig bestempeld. Dit kunnen net zo goed dingen zijn als mensen: bepaalde vuurpannen zijn heilig, bepaalde priesterkleren zijn heilig, bepaalde uitrustingstukken zijn heilig. Niet omdat ze moreel zijn, en zeker niet omdat ze zelf goddelijk zijn, maar omdat ze in deze afgeleide betekenis in hun gebruik tot God en zijn plannen worden beperkt, en zodoende uitgesloten zijn voor ander gebruik.

Wanneer mensen heilig zijn, zijn ze om dezelfde reden heilig: ze behoren God toe, dienen Hem en functioneren in het licht van zijn plannen. (Occasioneel is er in het Oude Testament een verdere uitbreiding van de term die verwijst naar de gewijde sfeer, zodat zelfs heidense priesters in die zin heilig kunnen worden genoemd. Maar die verdere uitbreiding vormt hier niet ons aandachtspunt.)

Wanneer mensen zich op een bepaalde manier gedragen omdat ze God toebehoren, dan kunnen we zeggen dat hun gedrag moreel is. Wanneer Petrus deze woorden citeert, ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1 Peter 1:16), dan leiden we er in zijn context uit af, dat het gaat om een zich afwenden van ‘begeerten uwer onwetendheid’ of kwade begeerten (1:14) en ook om het leven en wandelen ‘in vreze’ (1:17).

Maar het is geen toeval dat deze woorden in Leviticus 11 niet gevonden worden in een context van morele geboden en verboden maar van ceremoniële restricties met betrekking tot rein en onrein voedsel. Want aan God toebehoren, leven naar zijn wil, onszelf slechts aan Hem wijden, ons in Hem verheugen, Hem gehoorzamen, Hem eren – dit zijn meer fundamentele dingen dan de bijzonderheden van gehoorzaamheid die we als moreel of ceremonieel betitelen.

Dit standpunt is zelfs zo fundamenteel in Gods heelal, dat alleen de dwaas zegt ‘Er is geen God’ (Ps. 14:1). Dit is precies het tegenovergestelde van heiligheid, het meest in het oog springende en fundamentele bewijs van wat Psalm 14:1 stelt (NBV): ‘Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 7 april 2014

'Toen ging er vuur uit van de HERE' (Lev. 10)


Leviticus 10; Psalmen 11-12; Spreuken 25; 1 Thessalonicenzen 4
In Leviticus 8 worden Aäron en zijn zonen via een door God voorgeschreven ritueel tot priesters gewijd. In Leviticus 9 beginnen ze hun dienst. Hier, in Leviticus 10, nog altijd binnen de zeven dagen van hun wijdingsrituelen, stoppen twee zonen van Aäron, nl. Nadab en Abihu, kolen in hun vuurpannen en voegen er reukwerk bij, schijnbaar in de overtuiging dat ze iets zullen toevoegen aan de ceremonies en rituelen die God instelde.

Maar ‘Toen ging er vuur uit van de HERE en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN’ (10:2). Voor Aäron zich kan verzetten komt Mozes met een woord van God: ‘Dit is het, wat de HERE gesproken heeft: aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Aäron zweeg’ (10:3).

Dit is niet alles. Mozes benadrukt dat Aäron en zijn overblijvende zonen, Eleazar en Ithamar, de heilige wijdingscyclus niet mogen onderbreken om deel te nemen aan de publieke rouw om Nadab en Abihu. Ze mogen de tabernakel niet verlaten, want ‘de zalfolie des HEREN is op u’ (10:7). Neven zullen zich over de stoffelijke overschotten ontfermen en de familieverplichtingen op zich nemen (10:4-5).

Wat moeten we ervan denken? Een cynicus zou zeggen dat dit rituelen boven mensen stelt. Is God niet een beetje ongevoelig wanneer Hij twee fijne zonen neerslaat die slechts poogden om de aanbiddingsdienst wat op te leuken?

Ik beweer allerminst alle antwoorden te hebben. Maar denk na over volgende punten:

(1) God heeft meermaals gezegd dat al wat verbonden is met de dienst van de tabernakel precies moet gebeuren volgens het op de berg aangeleverde patroon. Hij heeft zich al een God betoond die geen rivalen duldt en die verwacht te worden gehoorzaamd. Wat er op het spel staat is of God wel God is.

(2) Doorheen de Bijbel merk je dat, hoe dichter het volk bij tijden en omstandigheden van openbaring of opwekking staat, hoe directer de Goddelijke straf is tegen wie Hem vertreden. Uzza steekt zijn hand uit om de ark niet te laten vallen en wordt gedood; Ananias en Saffira worden gedood omwille van hun leugens. In koudere, meer rebelse tijden, lijkt het of God het volk buitengewoon ver laat gaan in het kwade voor Hij de teugels aanhaalt. Maar de eerstgenoemde periodes brengen grotere zegen: meer van de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, meer toegewijde ijver onder het volk.

(3) In de context bekeken hadden Nadab en Abihu haast zeker provocerende en weerspannige motieven. Want wanneer Aäron een andere aanpassing doorvoert in het ritueel, met de beste motieven, ontmoet hij verrassende flexibiliteit (10:16-20).

(4) Deze stevige les bereidde de priesters voor op dat andere belangrijke onderdeel in hun dienst: ‘opdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein, en opdat gij de Israëlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de HERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft (10:10-11, cursief toegevoegd).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 3 april 2014

Opzettelijk en onopzettelijk zondigen (Lev. 6)


Leviticus 6; Psalm 5-6; Spreuken 21; Kolossenzen 4
Aan het begin van Leviticus 6 zet de Heer via Mozes uiteen wat er moet gebeuren wanneer iemand uit de verbondsgemeenschap tegen een naaste loog over iets wat aan hem was toevertrouwd, hem bedroog, loog over teruggekregen eigendom zodat hij het kan houden, of meineed beging of een resem andere zonden. Twee opmerkingen zullen verhelderen wat deze verzen (6:1-7) bijdragen tot de wettelijke en morele structuur die zich ontvouwt.

(1) Lezers van Leviticus, zeker in bepaalde vertalingen, zijn ondertussen gewoon geworden aan het verschil tussen onopzettelijke zonden (bijv. veel van Lev. 4) en opzettelijke zonden. Sommige uitleggers hebben beweerd dat er geen offerandes zijn om voor opzettelijke zonden te betalen. Wie opzettelijk zondigen moeten van de gemeenschap worden uitgesloten.

Deel van het probleem komt voort uit ons weergeven van opzettelijk en onopzettelijk. ‘Opzettelijk’ weerspiegelt gewoonlijk een Hebreeuwse uitdrukking die betekent ‘met een hoge hand’ [of 'met opgeheven hand']; ‘onopzettelijk’ staat voor ‘niet met een hoge hand’. Die achtergrond is belangrijk wanneer we Leviticus 6:1-7 overdenken.

De hier beschreven zonden zijn alle opzettelijk in de moderne betekenis: je kunt niet liegen, bedriegen of meineed begaan zonder dit zo te bedoelen.
God heeft stappen voorzien die moeten worden gevolgd: terugbetaling waar mogelijk (volgens de principes uiteengezet in Ex. 22), en de voorgeschreven belijdenis en offers.

Natuurlijk ontstaat er een bepaalde onopzettelijke schuld wanneer iemand er zich niet van bewust is dat hij een overtreding begaat (zoals in 5:3); er is nog altijd schuld, want de daad is verboden, zelfs al zou de overtreder er zich misschien niet persoonlijk van bewust zijn dat hij een overtreding beging.

Andere onopzettelijke schuld verwijst niet naar schuld die onwetend op zich werd geladen, maar naar schuld die bewust verzameld werd hoewel de overtreding niet werd begaan ‘met een hoge hand’. De zonde wordt vaak begaan omdat je er op dat moment toe aangetrokken wordt, of omdat je je verzet hebt gekoesterd, of omdat het minder risicovol lijkt te liegen dan om de waarheid te vertellen.

Dit is nog altijd niet de meer verschrikkelijke zonde ‘met een hoge hand’, waar de zondaar rechtstreeks naar de zonde kijkt, bewust bij zichzelf overweegt dat dit God tart, en openlijk en schaamteloos opteert voor de zonde met het doel om God te tarten.
Voor zover ik kan zien schrijft het oude verbond geen verzoening voor dergelijke opstandigheid voor, maar oordeel.

(2) Zelfs de in dit gedeelte vermelde zonden – alle zonden tegen een bepaalde menselijke partij – worden in de eerste plaats behandeld in relatie tot God: ‘Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste … ‘ (6:2 HSV, cursief toegevoegd).

Het schuldoffer wordt naar de priester gebracht; de overtreder moet niet enkel zorgen voor vergoeding voor de beledigde mens, maar moet ook de vergeving van de Heer zoeken. Opstandigheid tegen God is wat ons verkeerd handelen tot zonde maakt, wat zonde zo weerzinwekkend maakt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 april 2014

Altijd is er hoop (Lev. 5)


Leviticus 5; Psalmen 3-4; Spreuken 20; Kolossenzen 3
Stel je een complexe maar goed geordende maatschappij voor, waarin je op elk levensterrein daden vindt die een persoon onrein maken en verder voorgeschreven daden die deze persoon weer rein maken. Wanneer je ’s morgens opstaat, draag je kleding die is vervaardigd uit een bepaalde soort stof, maar geen andere.

Er is rein voedsel en onrein voedsel. Als een schimmelvlek op de muur van je huis verschijnt, dan zijn er procedures om die te behandelen. Mannen moeten een bepaald schema volgen na een natte droom, vrouwen in verband met hun periodes. Sommige onreine dingen mogen zelfs niet worden aangeraakt.

Daarenboven is er een ingewikkeld religieus en offersysteem waarvan wordt verondersteld dat iedereen het volgt, en faal je op eender welk punt in de navolging ervan, dan veroorzaakt dit weer zijn eigen onreinheid. En dit past allemaal in een nog groter pakket verboden met daarbij inbegrepen wat we normaal gezien ‘morele categorieën’ noemen: hoe we spreken, over het spreken van de waarheid, hoe we anderen behandelen, vragen rond eigendom, seksuele integriteit, daden in verband met buren, juridische onpartijdigheid, enzovoort.

Je moet ook begrijpen dat in deze maatschappij de regels door God zelf zijn ingesteld. Ze zijn niet het resultaat van een verkozen congres of parlement, dat makkelijk kan worden aan de kant geschoven door een wispelturig of gefrustreerd publiek dat naar iets anders verlangt. Deze regels veronachtzamen of ze met voeten treden is ook de levende God met voeten treden. Welke lessen zouden in een dergelijke maatschappij worden geleerd?

Welkom in de wereld van Leviticus. Ook dit maakt deel uit van de erfenis van de Berg Sinaï, van het Mozaïsche verbond. Hier moet Gods volk leren dat God voorschrijft wat goed en slecht is, en dat Hij daartoe het recht heeft; dat heiligheid alles van het leven omvat; dat er een verschil is tussen het gedrag van het volk van God en het gedrag van de omringende heidenen, meer dan gewoon een verschil in abstracte geloofsovertuigingen.

Hier schrijft de Heer zelf voor welke offerandes nodig zijn, samen met de belijdenis van zonde (Lev. 5:5), wanneer iemand verontreinigd raakt; en zelfs dat het systeem zelf geen finaal antwoord vormt, aangezien iemand voortdurend onder een ander taboe valt en moet terugkeren om offers te brengen die voorheen ook al werden gebracht.

Je begint je af te vragen of er ooit een finaal offer voor zonden zou komen. Maar dat ligt nog een eind verder weg. Hier in Leviticus 5 verblijden christen lezers zich als ze merken dat, terwijl God zijn verbondsvolk opvoedt in het elementaire religieuze denken, Hij middelen voorziet opdat zelfs de armste in de maatschappij zijn reinheid zou kunnen terugkrijgen.

De persoon die zich geen offerlam kan veroorloven mag een koppel duiven brengen; de persoon die zich ook deze niet kan veroorloven mag een kleine hoeveelheid meel brengen.

De lessen gaan verder; altijd is er hoop en een weg om te ontkomen aan de straf die rebellie oproept.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 22 april 2012

Let op voor de dodelijke tweeling: ongeloof en ongehoorzaamheid (Lev. 26)


Leviticus 26, Psalm 33, Prediker 9, Titus 1

Een van de gemeenschappelijke kenmerken binnen de vroegere verdragen rond opperleenheerschappij (suzereiniteit) – verdragen tussen een regionale supermacht en een vazallenstaat (zie 13 maart) – is een bepaald gedeelte op het einde dat de voordelen preciseerde van naleving en de gevaren van niet-naleving. Vanzelfsprekend werden deze zegeningen en vloeken in de eerste plaats beloofd aan de vazallenstaten.

In veel opzichten weerspiegelt Leviticus 26 dit oude patroon, met de belofte van zegeningen voor gehoorzaamheid (d.w.z. voor naleving van het verbond) en straf voor ongehoorzaamheid (d.w.z. voor niet-naleving van het verbond). Het patroon wordt herhaald, lichtelijk aangepast, voor de hernieuwing van het verbond in Deuteronomium (zie vooral Deut. 27-30).

We moeten de alternatieven die in dit hoofdstuk worden geboden niet beschouwen als beloften die gemaakt werden tegenover louter individuele personen, en nog minder als een eenvoudig schema om eeuwig leven te verwerven. Dat de beloften niet individueel bedoeld zijn wordt nog eens aangetoond door de aard van veel van deze zegeningen en vloeken. Wanneer God het bijvoorbeeld laat regenen, doet Hij dat niet boven louter individuele personen, maar boven regio’s, in dit geval de natie, de verbondsgemeenschap; en net zo wanneer God plagen zendt of zijn volk in ballingschap stuurt.

Het zelfde bewijs toont dat in de eerste plaats niet het verwerven van eeuwig leven op het spel staat, maar het welzijn van de verbondsgemeenschap in termen van de zegeningen die hun beloofd worden. Niettemin kunnen we nadenken over twee van de vele parallellen tussen deze instellingen uit het oude verbond en wat nog altijd behoort tot het nieuwe verbond.

Ten eerste wordt gehoorzaamheid nog altijd vereist onder het nieuwe verbond, zelfs al zijn sommige van de bepalingen die gehoorzaamd moeten worden gewijzigd. Het hoeft dus niet te verrassen dat Johannes 3:36 de persoon die gelooft in de Zoon contrasteert met degene die Hem ongehoorzaam is (sommige andere vertalingen gebruiken ‘verwerpt’).

Van hen die volharden in grove zonde wordt specifiek gezegd dat ze uitgesloten worden van het koninkrijk (1Kor. 6:9-11). Het boek Openbaring contrasteert herhaaldelijk wie ‘overwint’ (d.i. in trouw aan Jezus Christus) met wie lafhartig, ongelovig of verfoeilijk is (zie Opb. 21:7-8). De onderliggende reden daarvoor is dat het nieuwe verbond ook een nieuwe natuur brengt. Hoewel we de volmaaktheid niet eerder bereiken dan bij de voleinding, is een volkomen afwezigheid van verandering onder de bepalingen van een dergelijk verbond ondenkbaar.

Het resultaat is dat oordeel wordt voorgehouden voor zowel ongeloof als ongehoorzaamheid; de twee gaan samen.

Ten tweede is een van de treffende kenmerken van de straffen die in Leviticus 26 staan opgelijst, hoe God hen langzaam verder verstrengt, wat uiteindelijk uitmondt in ballingschap. Ziekte, droogte, militaire terugtrekking, plagen, de vreselijke hongersnood onder omstandigheden van belegering (26:29) en zelfs een soeverein bewerkte angst (26:36) eisen allemaal hun tol.

Het geduld van de Heer met verbondsbrekers, over generaties van uitgesteld oordeel heen, is uiterst groot. Maar de enige ware oplossing is belijdenis van zonde en hernieuwing van het verbond (26:40-42).


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

donderdag 19 april 2012

'Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren' (Lev. 23)


Leviticus 23, Psalm 30, Prediker 6, 2 Timotheüs 2

Leviticus 23 biedt een beschrijving van de belangrijkste ‘hoogtijdagen’ of ‘feesttijden des Heren’ (23:2). Die omvatten de Sabbat, die natuurlijk niet kon worden in acht genomen door een bedevaart naar Jeruzalem. De overblijvende vermelde feesttijden zijn echter verbonden met de tempel in Jeruzalem. Er zijn drie dergelijke feesttijden, samen met de gerelateerde vieringen voor de belangrijkste drie. (In latere tijden voegden de Joden een vierde feest toe.)

Buiten de Sabbat zelf, was de eerste ‘hoogtijdag’ (of koppel van feesttijden) het Pascha, gekoppeld aan het Feest van de Ongezuurde Broden. Het ‘Pascha des Heren’ begon bij de avondschemering op de veertiende dag van de eerste Joodse maand (Nisan), wanneer het Pesach of Paasmaal effectief werd gegeten, en het volk samenkwam om te gedenken hoe de Heer hen op spectaculaire manier had gered uit Egypte. De volgende dag begon het Feest der Ongezuurde broden dat een week duurde: een herinnering niet slechts aan de snelle vlucht uit Egypte, maar ook aan het bevel des Heren om alle zuurdeeg gedurende die periode weg te doen – een symbool van het wegdoen van alle boosheid. De eerste en zevende dag moesten vrij zijn van arbeid en gevierd worden door heilige samenkomsten.

Het Eerstelingenfeest (23:9-14), gevolgd door het Wekenfeest (23:15-22) – de zeven weken meteeen na het Eerstelingenfeest, met als hoogtepunt een heilige samenkomst op de vijftigste dag – was een krachtige manier, in het bijzonder in een zeer agrarische maatschappij, om te gedenken dat alleen God ons voorziet van alles wat we nodig hebben om te leven. Het was een manier om in het openbaar te getuigen van onze afhankelijkheid van God, om onze individuele en gemeenschappelijke dankzegging uit te drukken tegenover onze Schepper en Onderhouder.

In landen als Engeland en Canada vind je lichte overeenkomsten in de feesten van ‘Harvest Sunday’ (Oogstzondag) en het Canadese ‘Thanksgiving’. (Het Amerikaanse Thanksgiving is gedeeltelijk een oogstfeest, maar is ook beladen met aanzienlijk symbolisme dat te maken heeft met het vinden van vrijheid in een nieuw land). Maar er is geen dankfeest dat waardevoller kan zijn dan de kwaliteit en omvang van de dankbaarheid van het volk dat eraan deelneemt.

Op de eerste dag van de zevende Joodse maand, was er een andere hoogtijdag, het Bazuinfeest (of Feest der Geschal), herdacht met bazuinstoten (23:23-25), die voorafging aan Yom Kippur – de Grote Verzoendag (23:26-33- die viel op de tiende dag van de zevende maand. Dit was de dag dat de hogepriester binnenging in het Heilige der Heiligen, met het voorgeschreven bloed, om zowel zijn eigen zonden als de zonden van het volk te bedekken (zie de commentaar op 12 april). De vijftiende dag van die maand begon het acht dagen durende Loofhuttenfeest (23:33-36), wanneer het volk moest leven in ‘loofhutten’ of ‘tabernakels’, hutten en tenten, om zichzelf eraan te herinneren aan hun pelgrimsjaren van vooraleer ze het Beloofde Land binnentrokken.

Hoe zou het volk van het nieuwe verbond de voorzieningen van onze grote Verbondsgod moeten herinneren en gedenken?


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 15 april 2012

'Ik ben de HERE' (Lev. 19)


Leviticus 19, Psalmen 23-24, Prediker 2, 1 Timotheüs 4

Mogelijk is het meest treffende kenmerk van Leviticus 19 het terugkerende zinsdeel ‘Ik ben de HERE’. Iedere keer biedt het de reden waarom de Israëlieten het specifieke gebod moeten gehoorzamen.

Iedereen moet ontzag hebben voor zijn vader en zijn moeder en Gods sabbatten houden: ‘Ik ben de HERE’ (19:3). Ze mogen zich niet tot de afgoden wenden ‘Ik ben de HERE’ (19:4). Wanneer ze oogsten moeten ze genoeg van de opbrengst laten liggen zodat de armen iets te eten kunnen vinden: ‘Ik ben de HERE’ (19:10). Ze mogen niet valselijk zweren terwijl ze Gods naam gebruiken: ‘Ik ben de HERE‘ (19:12). Ze mogen geen smerige grappen uithalen met de gehandicapten, zoals de dove vervloeken of een struikelblok neerleggen voor de blinde: ‘Ik ben de HERE’ (19:14). Ze mogen geen actie ondernemen die het leven van de naaste in gevaar kan brengen: ‘Ik ben de HERE’ (19:16).

Ze mogen zich niet proberen te wreken op een naaste of haatdragend zijn, maar elk moet zijn naaste liefhebben als zichzelf: ‘Ik ben de HERE’ (19:18). Wanneer ze het Beloofde Land zullen binnentrekken en er vruchtbomen zullen planten, dan mogen ze drie jaar lang niet van de vruchten ervan eten, en daarna moeten ze alle vruchten in het vierde jaar aan de Heer geven, voor ze vanaf het vijfde jaar van de vruchten zullen eten ‘Ik ben de HERE’ (19:23-25). Ze mogen hun lichamen niet verminken of tatoeëren: ‘Ik ben de HERE’ (19:28).
Ze moeten zich aan Gods sabbatten houden en eerbied hebben voor zijn heiligdom (19:30). Ze mogen zich niet wenden tot mediums of waarzeggende geesten: ‘Ik ben de HERE’ (19:31). In de tegenwoordigheid van ouderen moeten ze opstaan, de ouden moeten ze respect betonen en voor God vrezen: ‘Ik ben de HERE’ (19:32).

Vreemdelingen in het land moeten behandeld worden als waren ze er geboren: ‘Ik ben de HERE’ (19:33-34). Hun manier van zakendoen moet eerlijk zijn: ‘Ik ben de HERE’ (19:35-36).

Hoewel sommige van de geboden en verboden in dit hoofdstuk niet eindigen met deze formule, zijn ze niettemin toch gezegend met hetzelfde motief, want het slotvers vat het hoofdstuk nog eens samen: ‘Zo zult gij al mijn inzettingen en al mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen: Ik ben de HERE’ (19:37).
Bovendien, te oordelen naar de openingsverzen van het hoofdstuk, is de formule ‘Ik ben de HERE’ in feite een herinnering aan een langere zin: ‘Spreek tot de ganse vergadering der Israëlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig’ (19:2).

We stonden al eerder kort stil bij de betekenis van ‘heilig’ (zie 8 april). Wat hier het meest treft is dat veel van deze geboden sociaal zijn in hun effect (eerlijkheid, vrijgevigheid, integriteit, enz.); maar de heiligheid van de Heer is er de achterliggende garantie of borg van. Voor Gods verbondsvolk zijn de hoogste motieven nauw verbonden met het behagen van God en de vrees voor zijn straffen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 14 april 2012

'Verontreinigt u niet door dit alles' (Lev. 18)


Leviticus 18, Psalm 22, Prediker 1, 1 Timotheüs 3

Het begin van de zogenaamde ‘heiligheidswetten’ (Lev. 18) is uiterst interessant. We moeten op minstens vier dingen letten:

(1) Alleen maar omdat dit de eerste keer is dat sommige verboden vermeld worden in de Bijbel betekent daarom nog niet noodzakelijk dat het ook de eerste keer is dat iemand eraan dacht, of de praktijken in kwestie verbood. Voor moord werkelijk als dusdanig wordt verboden, begaat Kaïn een moord en wordt hij ervoor veroordeeld en gestraft. Hetzelfde is waar voor veel daden die in de Wet van Mozes behandeld worden. Veel van Gods Wet staat geschreven op het menselijk geweten, zodat samenlevingen zonder de Schrift toch morele structuren oprichten, die op belangrijke en onthullende manieren overlappen met de Schrift - hoezeer ze ook mogen verschillen van de waarden van de Schrift. Over veel van wat hier wordt opgesomd aan verboden op het vlak van seksueel gedrag fronste men toen ongetwijfeld ook al de wenkbrauwen; maar nu wordt het verbod ervan in wetten gegoten.

(2) Zoals gewoonlijk zijn de geboden in dit hoofdstuk verbonden met de persoon en het karakter van God (18:2-4, 21, 30), de uittocht (18:3) en de sancties van het verbond (18:29).

(3) Veel van wat in dit hoofdstuk wordt verboden stelt grenzen in seksuele relaties: een man mag geen seksuele betrekkingen hebben met zijn moeder of stiefmoeder, zuster of halfzuster, kleindochter, tante, schoondochter, schoonzus enz.
Homoseksualiteit is ‘een gruwel’ (18:22); bestialiteit ‘schandelijke ontucht’ (18:23).
Verbonden met deze lijst is het verbod om een van je kinderen te offeren aan de vreselijke God Moloch, die eiste dat er enkele verbrand werden als offer (18:21); misschien is het gemeenschappelijke punt de integriteit of veiligheid van de familie.
Een ander treffend element in dit hoofdstuk is het feit dat de perversiteiten verboden worden in Israël zodat deze jonge natie niet even ontuchtig zou worden als zij in wiens plaats ze komen – opdat ze niet dezelfde richting kiezen en uitgespuwd worden door het land (18:24-30). De schaduw van de ballingschap is al aan de horizon te ontwaren, zelfs nog voor het volk het land is binnengetrokken.

(4) Intrigerend genoeg wordt Leviticus 18:5 geciteerd in Romeinen 10:5 en Galaten 3:10. De algemene les in de twee gedeeltes is dezelfde. De ‘Wet’, t.t.z. het verbond van de wet, is gegrond in eisen: houd je aan Gods geboden en wetten en leef. Dit betekent niet dat geloof niet vereist is, en nog minder dat het verbond van het Oude Testament niet gekenmerkt zou worden door genade (niet in het minst in het offersysteem, zodat zij die het verbond overtraden toch uitzicht hadden op een weg terug). Maar de kern ervan is eisend. De kern van het Nieuwe Verbond, zoals het verbond met Abraham, wordt bovenal gekenmerkt door geloof (wat ook de eisen ervan zijn). Hoezeer er ook overlappingen mogen zijn, de onderscheidende kern van de twee verbonden mag niet verward worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 13 april 2012

Geen offers te velde en geen bloed eten (Lev. 17)


Leviticus 17, Psalm 20-21; Spreuken 31; 1 Timotheüs 2

Twee bepalingen uit Leviticus 17 beperkten de oude Israëliet die trouw wilde blijven aan het verbond.

De eerste (17:1-9) beperkte offerandes tot wat het Mozaïsch verbond gebood en verbood. Blijkbaar brachten sommige Israëlieten offerandes in de open velden, waar ze zich ook maar bevonden (17:5). Ongetwijfeld waren sommige ervan oprecht aan de Heer geofferd; andere gleden snel af naar afgodische offeranden gewijd aan de plaatselijke heidense godheden (17:7).

Het uitdrukkelijk verbinden van de offerpraktijken met de tabernakel (en later de tempel), was zowel bedoeld om de afgoderij uit te sluiten als om het volk te oefenen in de theologische structuren inherent aan het Mozaïsch Verbond.

Daarbuiten te velde was het al te gemakkelijk te veronderstellen dat deze religieuze plichtplegingen de gunst van God (of de goden!) zou bewerken, wat moet zorgen voor goede oogsten en lieve kinderen. Het tabernakel/tempelsysteem bracht in het ideale geval het volk onder voogdij van de Levieten, het volk een betere weg onderwijzend. God zelf had dit systeem ingesteld.

Slechts voorgeschreven middelaars en offers waren toegelaten. De volledige structuur was ontworpen om het transcendente (of bovenaardse) karakter van God te benadrukken, om de loutere lelijkheid en boosheid van de zonde vast te stellen en duidelijk te maken, om aan te tonen dat iemand slechts door God kon worden aangenomen als voor die zonde betaald was. Bovendien had het systeem twee bijkomende voordelen. Het bracht het volk drie keer per jaar samen voor de feesten in Jeruzalem, waardoor het de samenhang van het verbondsvolk veiligstelde; en het effende het pad voor de hoogste offerande in de jaarlijkse offers die generaties van gelovigen oefende in de het feit dat er voor zonde diende betaald te worden op de manier die God zelf voorschrijft, of dat er anders geen hoop overblijft voor wie dan ook.

De tweede beperking die dit hoofdstuk stelt (17:10-16) is het verbond om bloed te eten. De reden die wordt gegeven is specifiek: ‘Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel’ (17:11). Het gedeelte schrijft geen magische krachten toe aan het bloed. Uiteindelijk is de ziel niet in het bloed los gezien van de rest van het lichaam, en het strenge verbod tegen het eten van bloed kon nooit op een volmaakte manier worden nagevolgd (want hoe zorgvuldig je ook het bloed uit een dier weet te onttrekken, er blijft altijd een klein beetje achter).

De les is hier dat er geen leven in het lichaam is waar het bloed niet aanwezig is; het is het voor de hand liggende fysieke element om het leven zelf te symboliseren. Wil je het volk leren hoe alleen het offer van het leven kon betalen voor de zonde – aangezien de straf voor de zonde bestaat uit de dood – dan is het moeilijk je een passender verbod voor te stellen.

We herdenken het belang ervan elke keer we deelnemen aan de broodbreking, aanzitten aan de tafel des Heren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 8 april 2012

'Weest heilig, want Ik ben heilig' (Lev. 11)


Leviticus 11-12, Psalm 13-14, Spreuken 26, 1 Thessalonicenzen 5

In deze overdenking wil ik twee gedeeltes samenbundelen: ‘Want Ik ben de HERE, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt. Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11:44-45); ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God’ (Ps. 14:1).

Wat betekent heilig? Wanneer de engelen uitroepen ‘Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen’ (Jes. 6:3; vgl. Opb. 4:8), bedoelen ze dan ‘Moreel, moreel, moreel is de Here der heerscharen’? Of ‘Afgezonderd, afgezonderd, afgezonderd is de HERE der heerscharen’? We hoeven slechts dergelijke vragen te stellen om aan te tonen hoe ontoereikend dergelijke gebruikelijke definities van heiligheid in werkelijkheid zijn.

In de kern is heilig bijna een adjectief dat overeenkomt met het naamwoord God. God is God; God is heilig. Hij is uniek; er is geen ander. Dan wordt, daarvan afgeleid, hetgeen Hem exclusief toebehoort als heilig bestempeld. Dit kunnen net zo goed dingen zijn als mensen: bepaalde vuurpannen zijn heilig, bepaalde priesterkleren zijn heilig, bepaalde uitrustingstukken zijn heilig. Niet omdat ze moreel zijn, en zeker niet omdat ze zelf goddelijk zijn, maar omdat ze in deze afgeleide betekenis in hun gebruik beperkt worden tot God en zijn plannen, en ze dus uitgesloten zijn voor ander gebruik.

Wanneer mensen heilig zijn, zijn ze om dezelfde reden heilig: ze behoren God toe, dienen Hem en functioneren in het licht van zijn plannen. (Occasioneel is er in het Oude Testament een verdere uitbreiding van de term die verwijst naar de gewijde sfeer, zodat zelfs heidense priesters in die zin heilig genoemd kunnen worden. Maar die verdere uitbreiding vormt hier niet ons aandachtspunt.)

Wanneer mensen zich op een bepaalde manier gedragen omdat ze God toebehoren, dan kunnen we zeggen dat hun gedrag moreel is. Wanneer Petrus deze woorden citeert, ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1 Peter 1:16), dan leiden we er in zijn context uit af, dat het gaat om een zich afwenden van ‘begeerten uwer onwetendheid’ of kwade begeerten (1:14) en ook om het leven en wandelen ‘in vreze’ (1:17). Maar het is geen toeval dat deze woorden in Leviticus 11 niet gevonden worden in een context van morele geboden en verboden maar van ceremoniële restricties met betrekking tot rein en onrein voedsel. Want aan God toebehoren, leven naar zijn wil, onszelf slechts aan Hem wijden, ons verheugen in Hem, Hem gehoorzamen, Hem eren – dit zijn meer fundamentele dingen dan de bijzonderheden van gehoorzaamheid die we als moreel of ceremonieel betitelen.

Ja, dit standpunt is zo fundamenteel in Gods heelal, dat slechts de dwaas zegt ‘Er is geen God’ (Ps. 14:1). Dit is precies het tegenovergestelde van heiligheid, het meest in het oog springende en fundamentele bewijs van wat Psalm 14:1 stelt (NBV): ‘Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 7 april 2012

'Toen ging er vuur uit van de HERE' (Lev. 10)


Leviticus 10, Psalmen 11-12, Spreuken 25, 1 Thessalonicenzen 4

In Leviticus 8 worden Aäron en zijn zonen via een door God voorgeschreven ritueel tot priesters gewijd. In Leviticus 9 beginnen ze hun dienst. Hier, in Leviticus 10, nog altijd binnen de zeven dagen van hun wijdingsrituelen, stoppen twee zonen van Aäron, nl. Nadab en Abihu, kolen in hun vuurpannen en voegen er reukwerk bij, schijnbaar in de overtuiging dat ze iets zullen toevoegen aan de ceremonies en rituelen die God instelde. Maar ‘Toen ging er vuur uit van de HERE en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN’ (10:2). Voor Aäron zich kan verzetten komt Mozes met een woord van God: ‘Dit is het, wat de HERE gesproken heeft: aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Aäron zweeg’ (10:3).

Dit is niet alles. Mozes benadrukt dat Aäron en zijn overblijvende zonen, Eleazar en Ithamar, de heilige wijdingscyclus niet mogen onderbreken om deel te nemen aan de publieke rouw om Nadab en Abihu. Ze mogen de tabernakel niet verlaten, want ‘de zalfolie des HEREN is op u’ (10:7). Neven zullen zich ontfermen over de stoffelijke overschotten en zich bekommeren om de familieverplichtingen (10:4-5).

Wat moeten we ervan denken? Een cynicus zou zeggen dat dit rituelen boven mensen stelt. Is God niet een beetje ongevoelig wanneer Hij twee fijne zonen neerslaat die slechts poogden om de aanbiddingsdienst wat op te leuken?

Ik claim allerminst alle antwoorden te hebben. Maar denk na over volgende punten:

(1) God heeft meermaals gezegd dat al wat verbonden is met de dienst van de tabernakel precies moet gebeuren volgens het op de berg aangeleverde patroon. Hij heeft zich zal een God betoond die geen rivalen duldt en die verwacht om gehoorzaamd te worden. Wat er op het spel staat is of God wel God is.

(2) Doorheen de Bijbel merk je dat hoe dichter het volk bij tijden en omstandigheden van openbaring of opwekking staat, hoe directer de Goddelijke straf tegen wie Hem vertreden. Uzzah steekt zijn hand uit om de ark niet te laten vallen en wordt gedood; Ananias en Safira worden gedood omwille van hun leugens. In koudere, meer rebelse tijden, lijkt het of God het volk buitengewoon ver laat gaan in het kwade voor Hij de teugels inhaalt. Maar de eerstgenoemde periodes brengen grotere zegen: meer van de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, meer toegewijde ijver onder het volk.

(3) In de context bekeken hadden Nadab en Abihu haast zeker provocerende en weerspannige motieven. Want wanneer Aäron een andere aanpassing doorvoert in het ritueel, met de beste motieven, ontmoet hij verrassende flexibiliteit (10:16-20).

(4) Deze stevige les maakte de priesters gereed voor dat andere belangrijke onderdeel in hun dienst: ‘opdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein, en opdat gij de Israëlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de HERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft (10:10-11, cursief toegevoegd).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

dinsdag 3 april 2012

Opzettelijk en onopzettelijk zondigen (Lev. 6)


Leviticus 6, Psalm 5-6, Spreuken 21, Colossenzen 4

Aan het begin van Leviticus 6 zet de Heer door Mozes uiteen wat er moet gebeuren wanneer iemand uit de verbondsgemeenschap tegen een naaste loog over iets wat aan hem toevertrouwd was, hem bedroog, loog over teruggekregen eigendom zodat hij het kan houden, of meineed beging of tal van andere zonden. Twee opmerkingen zullen verhelderen wat deze verzen (6:1-7) bijdragen tot de wettelijke en morele structuur die zich ontvouwt.

(1) Lezers van Leviticus, zeker in bepaalde vertalingen, zijn ondertussen gewend geworden aan het verschil tussen onopzettelijke zonden (bijv. veel van Lev. 4) en opzettelijke zonden. Sommige uitleggers hebben beweerd dat er geen offerandes zijn om voor opzettelijke zonden te brengen. Wie opzettelijk zondigen moeten van de gemeenschap worden uitgesloten.

Deel van het probleem komt voort uit ons weergeven van onopzettelijk en opzettelijk. ‘Opzettelijk’ weerspiegelt gewoonlijk een Hebreeuwse uitdrukking die betekent ‘met een hoge hand’ (of 'met opgeheven hand'); ‘onopzettelijk’ staat voor ‘niet met een hoge hand’. Die achtergrond is belangrijk wanneer we Leviticus 6:1-7 overdenken.

De hier beschreven zonden zijn alle opzettelijk in de moderne betekenis: je kunt niet liegen, bedriegen of meineed begaan zonder dit zo te bedoelen. God heeft stappen voorzien die moeten gevolgd worden: terugbetaling waar mogelijk (volgens de principes uiteengezet in Ex. 22), en de voorgeschreven belijdenis en offers.
Natuurlijk is er een bepaalde onopzettelijke schuld wanneer iemand er zich niet van bewust is dat hij een overtreding begaat (zoals in 5:3); er is nog altijd schuld, want de daad is verboden, zelfs al zou de overtreder zich misschien niet persoonlijk bewust zijn dat hij een overtreding beging.

Andere onopzettelijke schuld verwijst niet naar schuld die onwetend op zich werd geladen, maar naar schuld die bewust verzameld werd hoewel de overtreding niet werd begaan ‘met een hoge hand’. De zonde wordt vaak begaan omdat je er op dat moment toe aangetrokken wordt, of omdat je je verzet hebt gevoed, of omdat het minder risicovol lijkt te liegen dan om de waarheid te vertellen. Dit is nog altijd niet de meer verschrikkelijke zonde ‘met een hoge hand’, waar de zondaar rechtstreeks naar de zonde kijkt, bewust bij zichzelf overweegt dat dit God tart, en openlijk en schaamteloos opteert voor de zonde met het doel om God te tarten.

Voor zover ik kan zien schrijft het oude verbond geen verzoening voor voor dergelijke opstandigheid, maar oordeel.

(2) Zelfs de zonden vermeld in dit gedeelte – alle zonden tegen een of andere menselijke partij – worden in de eerste plaats behandeld in relatie tot God: ‘Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste … ‘ (6:2 HSV, cursief toegevoegd).
Het schuldoffer wordt naar de priester gebracht; de overtreder moet niet enkel vergoeding voorzien voor de beledigde mens, maar moet ook de vergeving van de Heer zoeken. Opstandigheid is wat ons verkeerd handelen tot zonde maakt, wat zonde zo weerzinwekkend maakt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 2 april 2012

Altijd is er hoop (Lev. 5)


Leviticus 5, Psalmen 3-4, Spreuken 20, Colossenzen 3

Stel je een complexe maar goed geordende maatschappij voor, met in elk levensdomein daden die een persoon onrein maken en verder voorgeschreven acties die deze persoon weer rein maken. Wanneer je ’s morgens opstaat, draag je kleding uit een bepaalde soort stof vervaardigd, maar geen andere. Er is rein voedsel en onrein voedsel. Als een vlek of schimmel verschijnt op de muur van je huis, dan zijn er procedures om die te behandelen. Mannen moeten een bepaald schema volgen na een natte droom, vrouwen in verband met hun periodes. Sommige onreine dingen mogen zelfs niet aangeraakt worden.

Daarbovenop is er een ingewikkeld religieus en offersysteem. Iedereen wordt verondersteld het te volgen, faal je op gelijk welk punt in het navolgen ervan, brengt dit ook weer onreinheid met zich. En dit past allemaal in een groter aantal verboden, daarbij inbegrepen wat we normaal gezien ‘morele categorieën’ noemen: hoe we spreken, over het spreken van de waarheid, hoe we anderen behandelen, kwesties van eigendom, seksuele integriteit, daden in verband met buren, juridische onpartijdigheid, enzovoort.

Begrijp ook dat in deze maatschappij de regels door God zelf ingesteld zijn. Ze zijn niet het resultaat van een verkozen congres of parlement, dat makkelijk kan aan de kant geschoven worden door een wispelturig of gefrustreerd publiek dat verlangt naar iets anders. Deze regels veronachtzamen of ze met voeten treden is ook de levende God met voeten treden. Welke lessen zouden in een dergelijke maatschappij geleerd worden?

Welkom in de wereld van Leviticus. Ook dit vormt onderdeel van de erfenis van de Berg Sinaï, onderdeel van het Mozaïsche verbond. Hier moet Gods volk leren dat God voorschrijft wat goed en kwaad is, en dat Hij daartoe het recht heeft; dat heiligheid alles van het leven omvat; dat er een verschil is tussen het gedrag van het volk van God en het gedrag van de omringende heidenen, meer dan gewoon een verschil in abstracte geloofsovertuigingen. Hier schrijft de Heer zelf voor welke offerandes nodig zijn, samen met de belijdenis van zonde (Lev. 5:5), wanneer iemand verontreinigd raakt; en zelfs dat het systeem zelf geen finaal antwoord vormt, aangezien iemand voortdurend onder een ander taboe valt en dient terug te keren om offers te brengen die voorheen ook al gebracht werden.

Je begint je af te vragen of er ooit een finaal offer voor zonden zou komen. Maar dat ligt nog verder op de weg. Hier in Leviticus 5 verblijden christen lezers zich als ze merken dat, terwijl God zijn verbondsvolk opvoedt in elementaire religieuze gedachten, Hij middelen voorziet opdat zelfs de armste in de maatschappij zijn reinheid mag terugkrijgen. De persoon die zich geen offerlam kan veroorloven mag een koppel duiven brengen; de persoon die ook die niet kan aanschaffen mag een kleine hoeveelheid bloem brengen.

De lessen gaan verder; altijd is er hoop en een weg om te ontkomen aan de straf die rebellie oproept.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

woensdag 23 februari 2011

Samenvattingen van de Bijbelboeken

Bij The Resurgence werkt Justin Holcomb aan een samenvatting per Bijbelboek: auteur, datum, beknopte omschrijving, belangrijkste thema's, ...

Momenteel zijn er al 3 klaar: Genesis, Exodus en Leviticus.

Je vindt ze hier verzameld.