Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zoon. Alle posts tonen

donderdag 6 november 2014

Nu heeft God gesproken 'in Zoon' (Hebr. 1)


2 Koningen 19; Hebreeën 1; Hosea 12; Psalmen 135-136

De tegenstellingen in de openingsverzen van Hebreeën 1 neigen allemaal in dezelfde richting. ‘Eertijds’ contrasteert met ‘nu, in het laatst der dagen’. God sprak ‘tot de vaderen’ staat tegenover het feit dat Hij in het laatst van de dagen ‘tot ons’ heeft gesproken. In het verleden sprak God ‘vele malen en op vele wijzen’ tot de vaderen. Maar nu in deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken ‘in de Zoon’ (1:1-2).

De vorm van die uitdrukking ‘in de Zoon’ [NBV vertaalt ‘door zijn Zoon’] suggereert in de oorspronkelijke weergave zelfs nogal sterk dat de auteur van de Hebreeënbrief de Zoon niet beschouwt als weer een profeet, of zelfs niet als de hoogste profeet. De idee is niet dat, terwijl in het verleden het woord van God doorgegeven werd door de profeten, het in deze laatste dagen doorgegeven werd door de Zoon, die op die manier de laatste van de profeten wordt.

Er staat iets meer fundamenteels op het spel.

De Griekse uitdrukking geeft letterlijk terugvertaald als resultaat ‘in Zoon’. De afwezigheid van het voorzetsel ‘de’ is betekenisvol. Bovendien contrasteert ‘in Zoon’ niet alleen met ‘door de profeten’ maar met ‘door de profeten … vele malen en op vele wijzen’ [merk op: NBG duidt dit verschil niet exact aan, want spreekt ook over ‘in de profeten’, in tegenstelling tot bijvoorbeeld HSV en NBV].

Het punt is dat God zich in deze laatste dagen geopenbaard heeft in de Zoon-openbaring. Toen God in het verleden de profeten gebruikte, gaf Hij hen soms rechtstreeks woorden (in openbaringen of visioenen), soms leidde Hij hen voorzienig doorheen ervaringen die ze opschreven, soms ‘sprak’ hij doorheen buitengewone gebeurtenissen, zoals de brandende braamstruik: er waren ‘vele malen’ en ‘vele wijzen’ (1:1).

Maar nu heeft God gesproken ‘in Zoon’ – we kunnen parafraseren als ‘in de Zoon-openbaring’. Het is niet dat Jezus eenvoudigweg de openbaring doorgeeft; Hij is de openbaring. Het is niet dat Jezus gewoon het woord brengt; Hij is zelf, als we het zo mogen uitdrukken, het Woord van God, Hij is zelfs het uiteindelijke Woord.

De idee is zeer vergelijkbaar met wat je leest in de proloog van het Evangelie van Johannes. De Zoon is hiertoe in staat omdat Hij ‘de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ is (1:3).

In strikte zin moeten christenen dan de Nieuwtestamentische boeken niet zien als precies hetzelfde als de Oudtestamentische boeken, die nu de volgende fase in Gods heilsplan aan ons brengen. Mormonen beweren dat dit slechts is wat ze zijn – en dan zeggen ze dat Joseph Smith een nog latere openbaring tot ons bracht, aangezien hij toch nog een volgende aangewezen profeet was.

Maar de auteur van de Hebreeënbrief ziet dat de climax van alle Oudtestamentische openbaring, aan ons doorgegeven door profeten en opgeschreven in boeken, in strikte zin, niet nog meer boeken zijn – maar Christus Jezus zelf.

De Nieuwtestamentische boeken komen samen rond Jezus en getuigen van Hem die de climax van openbaring is. Latere boeken die geen getuigenis afleggen van deze climactische openbaring zijn automatisch gediskwalificeerd.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 september 2014

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)


2 Samuël 20; 2 Korinthiërs 13; Ezechiël 27; Psalmen 75-76

In veel kerken overal ter wereld - hoewel verhoudingsgewijs toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit [Eng.: ‘The grace’]. Zij die zijn samengekomen weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, het vers reciterend waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar er snel overheen te lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers neemt en tot gemeenschap herstelt met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen is de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ is de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het bijzonder waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel ogenblik mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen betonen enzovoort. In zekere zin zijn genade, liefde en gemeenschap afkomstig van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit het wijze en liefhebbende hart van God, van wie wordt gezegd ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.
Prijs God uit wie alle zegeningen voortvloeien; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 februari 2014

'Ik zal het hart van Farao verharden' (Ex. 4)

Exodus 4; Lukas 7; Job 21; 1 Korinthiërs 8
In Exodus 4 leiden twee elementen complexe ontwikkelingen in die vooruitgrijpen naar de rest van de Bijbel.

De eerste is de reden die God geeft over waarom Farao niet zal onder de indruk zijn van de wonderen die Mozes doet.

God verklaart: ‘Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten gaan’ (4:21). In de loop van de daaropvolgende hoofdstukken varieert de vorm van de uitdrukking: niet alleen ‘Ik zal het hart van Farao verstokken’ (7:3), maar ook ‘het hart van Farao verhardde’ of ‘was hard’ (7:13, 22; 8:19 enz.) en ‘liet hij zijn hart niet vermurwen’ (8:15, 32 enz.). Een eenvoudig patroon valt in deze verwijzingen niet te herkennen.

Aan de ene kant kunnen we niet zeggen dat het patroon opwaarts gaat van ‘Farao verhardde zijn hart’ tot ‘Farao’s hart werd verhard’ tot ‘God verhardde Farao’s hart’ (alsof Gods verharden niets meer zou zijn dan de goddelijke oordelende bevestiging van een patroon dat de man voor zichzelf gekozen had); aan de andere kant kunnen we niet zeggen dat het patroon gewoon neerwaarts gaat van ‘God verhardde Farao’s hart’ tot ‘Farao’s hart werd verhard’ tot ‘Farao verhardde zijn hart’ (alsof Farao’s zelfopgelegde verharding niets meer was dan het onvermijdelijke gevolg van de Goddelijke verordening).

Drie opmerkingen kunnen wat licht werpen op deze teksten.

(a) Gezien de Bijbelse verhaallijn tot hiertoe, neemt men aan dat Farao al een zeer slecht persoon is. Meer bepaald heeft hij Gods verbondsvolk tot slaven gemaakt. God heeft geen moreel neutraal man verhard; Hij heeft oordeel uitgesproken over een slecht mens. De hel zelf is een plaats waar bekering niet langer mogelijk is. Gods verharden heeft het effect die straf wat vroeger op te leggen dan gewoonlijk.

(b) In alle menselijke daden is God nooit compleet passief: dit is een theïstisch universum, in die mate dat ‘God verhardde Farao’s hart’ en ‘Farao verhardde zijn eigen hart’, bij lange na geen tegengestelde verklaringen zijn, maar onderling aanvullende.

(c) Dit is niet het enige Schriftgedeelte waar dit soort dingen gezegd wordt. Kijk bijvoorbeeld naar 1 Koningen 22, Ezechiël 14:9, en bovenal naar 2 Tessalonicenzen 2:11-12: ‘En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid’.

Het tweede vooruitgrijpende element is de ‘zoon’-terminologie: ‘Israël is mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene; zoudt gij echter weigeren hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden’ (Ex. 4:22-23).

Deze eerste verwijzing naar Israël als de zoon van God ontwikkelt verder naar een pulserende typologie die de Davidische koning omarmt als de zoon bij uitstek, de zoon ‘par excellence’, en uiteindelijk resulteert in Jezus, de ultieme Zoon van God, het ware Israël en de messiaanse Koning.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.