Posts tonen met het label apostelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label apostelen. Alle posts tonen

donderdag 25 september 2014

'Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen' (Gal. 1)

2 Samuël 21; Galaten 1; Ezechiël 28; Psalm 77

De openingszinnen van de brieven van Paulus zijn gewoonlijk met grote zorg samengesteld. De eenvoudigste vorm van brieven in de oude Griekse wereld was: ‘Van mij, aan jou, Groeten’ – vaak gevolgd door een bepaalde verklaring van dank, en dan de body [het hoofddeel] van de brief.

Maar het is Paulus’ gewoonte om te ‘sleutelen’ aan elk onderdeel om te anticiperen op wat er nog volgt in de rest van de brief. Een studie van zijn brief als geheel verrijkt dus ons begrip van zijn openingszinnen – en vice versa (Gal. 1:1-5).

(1) Paulus stelt zichzelf niet altijd voor als ‘een apostel’. Soms gebruikt hij geen aanduiding (bijv. in 1 en 2 Thess.); soms verwijst hij naar zichzelf als een ‘dienstknecht’ (Rom. 1:1). Hier is hij ‘Paulus, een apostel’ omdat een aantal mensen de christenen in Galatië in verwarring brachten met een ‘ander evangelie’, dat eigenlijk helemaal ‘geen evangelie is’ (1:6-7), en om dit te doen moesten ze Paulus’ gezag ondermijnen en hem in het beste geval afwijzen als een derivaat-apostel.

(2) Zo niet, zegt Paulus: niet alleen is hij een apostel, maar hij was gezonden ‘niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader’ (1:1). Zijn apostelschap was niet een afgeleid apostelschap, alsof hij was uitgestuurd door de gemeente in Jeruzalem, of door een of andere eersteklas apostel daar. Hij was integendeel gezonden ‘door Jezus Christus’, op basis van zijn ervaring op de weg naar Damascus waarbij hij de opgewekte en verheerlijkte Jezus zelf had gezien, en door God de Vader.

(3) Paulus bestempelt God de Vader als degene die Jezus heeft opgewekt uit de dood. Paulus had de opgewekte Jezus gezien, de verrezen Jezus. In zijn jaren als toegewijde farizeeër, had hij Jezus afgewezen als een boze bedrieger, een boosdoener, door God vervloekt zoals duidelijk bleek uit de manier waarop hij stierf. De opgewekte Jezus zelf zien, deed Paulus alles heroverwegen. Jezus was door God zelf gerechtvaardigd, en het goede nieuws waarvan Paulus een afgezant [of apostel] was is gegrond in Jezus’ kruisiging en opstanding.

(4) Hoezeer hij ook de nadruk legt op zijn status en gezag als apostel, toch associeert Paulus zichzelf en zijn leer op een wijze manier met ‘al de broeders’ die bij hem zijn (1:2). Als de Galaten dan afgetrokken worden naar dit ‘andere evangelie’, dan moeten ze weten dat ze zich niet alleen afwenden van Paulus, maar ook van de talloze gelovigen die op een lijn staan met Paulus.

(5) In plaats van de traditionele groet Chairein, gebruikt Paulus het christelijke woord genade (charis) en de Joodse groet vrede (shalom in het Hebreeuws) en baseert deze zegeningen op de plaatsvervangende dood van de Heer Jezus (1:3-5) – niet op een bepaalde bijzondere relatie tot de Wet van Mozes.

(6) Verbluffend genoeg laat Paulus het ‘dank’-gedeelte weg, en gaat meteen over tot zijn verbijsterde terechtwijzing over de dreigende afvalligheid van zijn lezers (1:6-10). Hoe zeldzaam ook, er zijn momenten dat een vermaning niet kan wachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 16 juli 2014

'Hem die de weg naar het leven wijst hebt u gedood' (Hd. 3)

Jozua 23; Handelingen 3; Jeremia 12; Mattheüs 26

Handelingen 3 bevat een kort verslag van een toespraak die onvoorbereid wordt gepredikt. (Hoewel zoals zoveel onvoorbereide preken, ook deze ongetwijfeld bestond uit delen die Petrus al eerder had gebruikt!) Er zijn veel punten van zeer groot belang.

(1) Petrus verbindt de komst van Jezus de Messias herhaaldelijk met de God van Abraham, Isaak en Jakob (3:13), met Mozes en de belofte dat God op een dag een profeet als hem zou geven (3:22, vgl. Deut. 18:15-18; zie ook de overdenking van 13 juni), met het profetisch getuigenis van het Oude Testament (3:24) en zelfs met Gods belofte aan Abraham dat door zijn nageslacht alle volkeren op aarde zouden gezegend worden (3:25; zie de overdenkingen voor 14 en 15 januari).

Op dit punt heeft Petrus niet het brede inzicht in deze onderwerpen dat hij later zou hebben, als we ons mogen baseren op de hoofdstukken 10 en 11. Maar dat zijn inzicht al zo ver reikt, weerspiegelt zijn opleidingsperiode bij de Heer Jezus.

(2) Er is geen enkel ogenblik waarop Petrus de menigte toeschouwers vrijuit laat gaan (3:13-15). Veel van zijn toehoorders waren medeplichtig in de eis om Jezus te kruisigen: maar net als een Oudtestamentische profeet, zag Petrus het volk als een geheel verbonden in de beslissing van hun leiders.

Het volk kan dan misschien uit ‘onkunde’ of onwetendheid hebben gehandeld (3:17) – d.w.z. ze hebben feitelijk niet gezegd ‘Hier is de Messias, laten we hem doden’ – maar ze hebben Hem wel gedood, en Petrus herinnert hen aan hun schuld, niet alleen maar als een feit uit de geschiedenis dat niet meer kan worden uitgewist, maar ook omdat het schuld is waar Jezus de oplossing voor kwam brengen (3:19-20).

Bovendien verstaat Petrus, hoewel het volk schuldig is, dat het precies door de zondige executie van Jezus was dat God ‘in vervulling’ kon ‘doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden’ (3:18). Dat is de opperste ironie van onze hele geschiedenis.

(3) Er is een reeks kenmerken die deze toespraak verbinden met de toespraak in Handelingen 2 en enkele andere uit het boek Handelingen. Deze kenmerken omvatten: de God van onze vaderen heeft zijn dienstknecht Jezus gezonden; jullie doodden Hem –jullie verwierpen de Heilige en Rechtvaardige, de Leidsman ten leven – maar God wekte Hem op uit de dood; wij zijn getuigen van deze dingen; door de dood en opstanding van Jezus vervulde God de beloften die Hij door de profeten maakte; daarom, bekeer je en keer je tot God. Er zijn natuurlijk varianten op deze thema’s, maar deze komen keer op keer weer terug.

(4) Hoewel ‘vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen’ (2:43), twijfelden de apostelen er zelf niet aan dat ze noch de kracht bezaten, noch de godsvrucht om een verlamde bedelaar terug te laten lopen (3:12). Het feit dat ze zichzelf in de schaduw stellen is een blijvende les. ‘En op het geloof in zijn [= Jezus’ naam, JL] naam heeft zijn naam deze, die gij ziet en kent, sterk gemaakt; en het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven’ (3:16).


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 14 juli 2014

Een vervanger voor Judas (Hd. 1)

Jozua 20-21; Handelingen 1; Jeremia 10; Mattheüs 24

Tussen Jezus’ hemelvaart en Pinksteren kwam de ontluikende kerk, ongeveer 120 leden sterk, samen en bad ze. Op een dergelijke bijeenkomst stond Petrus op en gaf hij de aanzet tot de actie die Matthias aanwees als vervanger voor Judas Iskariot (Hd. 1:15-26).

(1) Petrus’ gebruik van de Schrift (1:16, 20) is schijnbaar wat hem tot de conclusie leidt dat het noodzakelijk is (‘Er moet dan’; 1:21) dat er iemand wordt gekozen uit de andere mannen die vanaf het begin van Jezus’ openbare bediening bij Hem waren, als een vervanger voor de verrader Judas.

Bekeken op het niveau van Handelingen is de redenering helder. Psalm 69:26 zegt: ‘Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner’; Petrus past dit toe op Judas. Psalm 109:8 benadrukt: ‘moge een ander zijn ambt nemen’; Petrus beschouwt dit als een goddelijk bevel om in een vervanging te voorzien.

In de context van Psalmen 69 en 109 zoekt David rechtvaardiging tegenover zijn vijanden – ooit goede vrienden – die hem hadden verraden. Petrus’ gebruik van deze verzen behoort tot een van twee basispatronen.

Ofwel (a) geeft Petrus zich over aan onverdedigbare bewijsteksten. De verzen verwezen nooit naar Judas en kunnen dit alleen wel gaan doen door slordige exegese.

Of (b) Petrus vooronderstelt al een tamelijk ingewikkelde David-typologie. Indien dergelijk verraad en pleidooi voor een rechtvaardige justitie een zo belangrijke rol spelen in de ervaring van de grote Koning David, hoeveel te meer in de grotere Zoon van de grote David? Waarom zouden we teruggrijpen naar een dergelijke redenering? Gedurende de veertig voorafgaande dagen had Jezus vaak gesproken met zijn discipelen (1:3), waarbij Hij tot in detail uitlegde ‘wat in al de Schriften op Hem betrekking had’ (Lk. 24:27).

De David-typologie duikt in de evangeliën op van de lippen van Jezus. Waarom zouden we dan niet aannemen dat Hij dit ook onderwees aan zijn discipelen?

(2) Volgens de criteria die hier worden gehanteerd moest de vervangende apostel niet alleen iemand zijn die getuige was geweest van de opgestane Jezus. Hij moest ook iemand zijn die met de discipelen was, ‘al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is’ (1:21-22) – Paulus had dus niet aan deze voorwaarden kunnen voldoen. Het apostelschap van Paulus was ongebruikelijk, zoals hijzelf ook erkent (1 Cor. 15:8-9). We moeten niet de onzin over Petrus en de kerk geloven dat ze hier de vergissing begingen niet te hebben gewacht op de aanstelling van Paulus.

(3) De keuze van een van de twee door het lot (1:23-26) is niet een voorschrift voor de plaatselijke gemeente voor haar bestuursprocedures. Er is geen aanwijzing van gelijkaardige procedures van dat ogenblik af in het gemeenteleven zoals het wordt beschreven in het Nieuwe Testament. Dit klinkt meer als de climax van een Oudtestamentische procedure, met God zelf die aanwijst en gezag verleent aan de twaalf mannen van de apostelengroep.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 21 juli 2013

En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn … (Mk. 4)


Richteren 4; Handelingen 8; Jeremia 17; Markus 3

Onder de kinderliedjes die ik als kind leerde in de zondagschool had je ook deze twee:

These are the names of Jacob’s sons:
Gad, and Asher, and Simeon,
Reuben, Issachar, Levi,
Judah, Dan, and Naphtali—
Twelve in all, but never a twin—
Zebulun, Joseph, and Benjamin.
Dit zijn de namen van Jakobs zonen:
Gad, en Aser, en Simeon,
Ruben, Issachar, Levi,
Juda, Dan, en Naftali –
Twaalf in totaal, maar nooit een tweeling-
Zebulon, Jozef, en Benjamin.

There were twelve disciples Jesus called to help him:
Simon Peter, Andrew, James, his brother John,
Philip, Thomas, Matthew, James the son of Alphaeus,
Thaddaeus, Simon, Judas, and Bartholomew.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples, I am one, and you.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples; we his work must do.

Er waren twaalf discipelen die Jezus riep om Hem te helpen:
Simon Petrus, Andreas, Jakobus, diens broer Johannes,
Filippus, Thomas, Matteüs, Jakobus de zoon van Alfeüs,
Taddeüs, Simon, Judas en Bartolomeüs.
Hij heeft ook ons geroepen; Hij heeft ook ons geroepen!
Wij zijn Zijn discipelen; Zijn werk moeten wij doen.

Ik ben dankbaar dat ik werd opgevoed in een tijd waarin veel van de liederen die we leerden ons enige feiten, wat data, en een aantal redenen voor dingen bijbrachten. Veel christenen zouden vandaag noch de twaalf aartsvaders, noch de twaalf apostelen kunnen opnoemen, en zijn jammerlijk onwetend over heel wat andere elementaire gegevens die de minst geleerde zondagschoolstudent van een generatie terug al kende aan de leeftijd van zes of tien jaar. Natuurlijk maakt het louter beheersen van data je nog geen christen. Aan de andere kant: onwetendheid over de Schrift verzekert bijna altijd een pijnlijke onvolwassenheid.

Niettemin is het refrein van het tweede stukje dat ik hierboven citeer een beetje misleidend. Het is waar, we worden geroepen om discipelen te zijn van Jezus, d.w.z. volgelingen van Jezus. Dit is de roeping van elke christen. Maar toch waren er unieke elementen in de roeping van de twaalf apostelen (Mk. 3:13-19).

Ik vermeld er hier maar een: zij waren aangesteld ‘opdat zij met Hem zouden zijn’ (3:14). Dit was belangrijk om minstens twee redenen:

(a) Ze werden door Hem getraind, en een belangrijk onderdeel van hun vorming was wat we vandaag ‘mentoraat’ zouden noemen – niet slechts het overbrengen van een boodschap en een opdracht, maar je mensen vormen door het goede voorbeeld en het principe te geven van hoe zij moesten leven.

(b) Deze twaalven waren in staat om te getuigen over de feiten met betrekking tot de Christus vanaf de eerste dagen van zijn openbare dienst. Petrus begreep het belang van dit punt (Hd. 1:21-22), want de openbaring van Jezus Christus was niet een bepaalde private mystieke ervaring, maar een unieke, historische gebeurtenis die getuigen vereiste.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 7 maart 2013

Christelijk leiderschap, iemand? (2 Kor. 6)

Exodus 18; Lukas 21; Job 36; 2 Korinthiërs 6

Een van de meest treffende visies op apostolisch dienstwerk wordt gevonden in 2 Korinthiërs 6:3-10. Je hebt er maar weinig kennis van zijn brieven voor nodig om te merken dat Paulus niet bereid is om compromissen te sluiten over het evangelie. Hij is meer dan bereid om de schande van het kruis te dragen.

Maar even duidelijk is zijn bereidheid om gelijk welk persoonlijk ongemak of lijden te verdragen om maar de boodschap te kunnen overbrengen. ‘Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot’, zo schrijft hij, ‘opdat onze bediening niet gesmaad worde’ (6:3).

Door wat hij ‘onze bediening’ noemt te handhaven, is Paulus niet bekommerd om zijn persoonlijke reputatie te vrijwaren, maar zijn geloofwaardigheid als een ambassadeur van Jezus Christus, als een dienstknecht van God. Dus gaat hij verder ‘maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods’ (6:4).

Je zou je kunnen laten misleiden door die laatste zin, zowel in de tijd van Paulus als in die van ons. Want een dienaar van het evangelie die zich vandaag ‘in alles laat kennen’ of ‘bekendmaakt’, dat klinkt nogal als een lelijk stukje profileringsdrang.

Je verbeelding gaat aan de haal: de boekenstand van de gemeente die T-shirts verkoopt met ‘Ik hou van mijn voorganger Jan’ prominent op de borst, een opgewekte fanfare telkens hij de preekstoel beklimt, enzovoort.

De wereld van het oude Korinthe zou Paulus’ woorden eveneens verkeerd interpreteren. Zoveel rondtrekkende leraars poogden zich in hoge mate te profileren. Dat was hoe ze leerlingen wonnen – door zichzelf aan te bevelen, expliciet en impliciet, als de beste in wat ze deden.

Maar het eigen aanbevelen van Paulus neemt plots een wending die noch de zelfprofilerende types uit het oude Korinthe, noch hun zachte echo’s in de moderne Westerse kerk zouden willen volgen. Het kader waarin Paulus zichzelf aanbeveelt als een dienstknecht van God, is niet dat van ordinaire eigendunk, oud of modern.

Paulus en andere dienstknechten van God bevelen zichzelf aan ‘in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten’ (6:4b-5).

In moeiten of hard werk? De leraars van toen werden verondersteld te denken en te onderwijzen, niet om hard te werken met hun handen. In ‘oproeren’? Er wordt van christen apostelen verondersteld dat ze zichzelf aanbevelen als dienstknechten van God door de manier waarop ze zichzelf gedragen in oproeren!

Paulus gaat door: ze moeten zich aanbevelen ‘in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand’ (6:6-7).

Dan zijn er de verschillende verwachtingen die mensen van je hebben: dienstknechten van God moeten zichzelf aanbevelen ‘onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht’ (6:8). De dienstknechten zijn ongetwijfeld oprecht, maar velen zullen hen zien als bedriegers. Paulus rondt zijn lijst af met een litanie van verbazingwekkende paradoxen (6:9-10).

Christelijk leiderschap, iemand?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 september 2012

'Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen' (Gal. 1)



2 Samuël 21, Galaten 1, Ezechiël 28, Psalm 77
De openingszinnen van de brieven van Paulus zijn gewoonlijk met grote zorg geschreven. De eenvoudigste vorm van brieven in de oude Griekse wereld was: ‘Van mij, aan jou, Groeten’ – vaak gevolgd door een bepaalde verklaring van dank, en dan de body (het hoofddeel) van de brief.

Maar het is Paulus’ gewoonte om te ‘sleutelen’ aan elk onderdeel om te anticiperen op wat er nog volgt in de rest van de brief. Een studie van zijn brief als geheel verrijkt dus ons begrip van zijn openingszinnen – en vice versa (Gal. 1:1-5).

(1) Paulus stelt zichzelf niet altijd voor als ‘een apostel’. Soms gebruikt hij geen aanduiding (bijv. in 1 en 2 Thess.); soms verwijst hij naar zichzelf als een ‘dienstknecht’ (Rom. 1:1). Hier is hij ‘Paulus, een apostel’ omdat een aantal mensen de christenen in Galatië in verwarring brachten met een ‘ander evangelie’, dat eigenlijk helemaal ‘geen evangelie is’ (1:6-7), en om dit te doen moesten ze Paulus gezag ondermijnen en hem in het beste geval afwijzen als een namaak-apostel.

(2) Zo niet, zegt Paulus: niet alleen is hij een apostel, maar hij was gezonden ‘niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader’ (1:1). Zijn apostelschap was niet een afgeleid apostelschap, alsof hij uitgestuurd was door de gemeente in Jeruzalem, of door een of andere eersteklas apostel daar. Integendeel, hij was gezonden ‘door Jezus Christus’, op basis van zijn ervaring op de weg naar Damascus waarbij hij de opgewekte en verheerlijkte Jezus zelf had gezien, en door God de Vader.

(3) Paulus bestempelt God de Vader als degene die Jezus heeft opgewekt uit de dood. Paulus had de opgewekte Jezus gezien, de verrezen Jezus. In zijn jaren als toegewijde farizeeër, had hij Jezus afgewezen als een boze bedrieger, een boosdoener, die door God vervloekt was zoals duidelijk bleek uit de manier waarop hij stierf. Toen hij de opgewekte Jezus zelf zag, deed dit Paulus alles heroverwegen. Jezus was door God zelf gerechtvaardigd, en het goede nieuws waarvan Paulus een afgezant of apostel was is gegrond in de kruisiging en opwekking van Jezus.

(4) Hoezeer hij ook de nadruk legt op zijn status en gezag als apostel, toch associeert Paulus zichzelf en zijn leer op een wijze manier met ‘al de broeders’ die bij hem zijn (1:2). Als de Galaten dan afgetrokken worden naar dit ‘andere evangelie’, dan moeten ze weten dat ze zich niet alleen afwenden van Paulus, maar ook van de talloze gelovigen die op een lijn staan met Paulus.

(5) In plaats van de traditionele groet Chairein, gebruikt Paulus het christelijke woord genade (charis) en de Joodse groet vrede (shalom in het Hebreeuws) en baseert deze zegeningen op de plaatsvervangende dood van de Heer Jezus (1:3-5) – niet op een bepaalde bijzondere relatie tot de Wet van Mozes.

(6) Verwonderlijk genoeg laat Paulus het ‘dank’-gedeelte weg, en gaat meteen over naar zijn verbijsterde terechtwijzing over de dreigende afvalligheid van zijn lezers (1:6-10). Hoe zeldzaam ook, er zijn momenten dat een vermaning niet kan wachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 14 juli 2012

Een vervanger voor Judas (Hd. 1)


Jozua 20-21, Handelingen 1, Jeremia 10, Mattheüs 24


Tussen Jezus’ hemelvaart en Pinksteren kwam de ontluikende kerk, ongeveer 120 leden sterk, samen en bad ze. Op een dergelijke bijeenkomst stond Petrus op en gaf de aanzet voor de actie die Matthias aanwees om Judas Iskariot te vervangen (Hd. 1:15-26).

(1) Petrus’ gebruik van de Schrift (1:16, 20) is schijnbaar wat hem tot de conclusie brengt dat het noodzakelijk is (‘Er moet dan’; 1:21) dat er iemand gekozen wordt uit de andere mannen die vanaf het begin van Jezus openbare dienst bij Hem waren, als een vervanger voor de verrader Judas. Bekeken vanuit Handelingen is de redenering helder. Psalm 69:26 zegt: ‘Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner’; Petrus past dit toe op Judas. Psalm 109:8 benadrukt: ‘moge een ander zijn ambt nemen’; Petrus beschouwt dit als een goddelijk bevel om een vervanging te voorzien. In de context van Psalmen 69 en 109 zoekt David rechtvaardiging tegenover zijn vijanden – ooit goede vrienden – die hem verraden hadden. Petrus’ gebruik van deze verzen behoort tot een van twee basispatronen.

Ofwel (a) geeft Petrus toe aan onverdedigbare bewijsteksten. De verzen verwezen nooit naar Judas en kunnen dit alleen wel gaan doen door slordige exegese.
Of (b) Petrus vooronderstelt al een tamelijk ingewikkelde David-typologie. Indien dergelijk verraad en pleidooi om rechtvaardigheid te bekomen een zo belangrijke rol spelen in de ervaring van de grote Koning David, hoeveel te meer in de grotere Zoon van de grote David?
Waarom zouden we teruggrijpen naar een dergelijke redenering? Gedurende de veertig voorafgaande dagen had Jezus vaak gesproken met zijn discipelen (1:3), waarbij Hij tot in detail uitlegde ‘wat in al de Schriften op Hem betrekking had’ (Lk. 24:27). De David-typologie horen we in de evangeliën van de lippen van Jezus. Waarom zouden we dan niet aannemen dat Hij dit ook leerde aan zijn discipelen?

(2) Volgens de criteria die hier gehanteerd worden moest de vervangende apostel niet alleen iemand zijn die getuige geweest was van de opgestane Jezus. Hij moest ook iemand zijn die met de discipelen was, ‘al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is’ (1:21-22) – Paulus had dus niet aan deze voorwaarden kunnen voldoen. Het apostelschap van Paulus was ongebruikelijk, zoals hijzelf ook erkent (1 Cor. 15:8-9). We moeten niet de onzin over Petrus en de kerk geloven dat ze hier de vergissing begingen omdat ze niet wachtten op de aanstelling van Paulus.

(3) Het kiezen van een van de twee door het lot (1:23-26) is niet een voorschrift voor de plaatselijke gemeente voor haar bestuursprocedures. Er is geen aanwijzing van gelijkaardige procedures van dat ogenblik af in het gemeenteleven zoals het wordt weergegeven in het Nieuwe Testament. Dit klinkt meer als de climax van een Oudtestamentische procedure, met God zelf die aanwijst en het gezag schenkt aan de twaalf mannen van de apostelengroep.

Eigen vertaling van de overdenking bij 14 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org


maandag 5 juli 2010

Apostelen opgraven



Archeologen die een graf van een christen onder een residentiële straat in Rome onderzochten, groeven er de vroegste afbeeldingen van de apostelen Andreas en Johannes op.

Bron: The Guardian