Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen
Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen

donderdag 19 juni 2014

Voor de vreemdeling, de wees en de weduwe (Deut. 24)


Deuteronomium 24; Psalmen 114-115; Jesaja 51; Openbaring 21

Het is opvallend hoe de Mozaïsche wet voorziet voor de armen.

Kijk naar Deuteronomium 24. Hier verbiedt God dat je de handmolen of zelfs ‘de bovenste molensteen’ (d.w.z. de meer verplaatsbare), als pand zou nemen, als waarborg voor een schuld (24:6). Het is alsof je het gereedschap van een mecanicien tot pand zou nemen, of de computer van een softwareontwikkelaar. Het zou de middelen wegnemen om in je levensonderhoud te voorzien, en daarom zou het niet alleen de armoede nog vergroten, maar het zou terugbetaling praktisch onmogelijk maken.

In 24:10-12 worden twee verdere bepalingen uiteengezet met betrekking tot onderpanden en lonen.

(1) Als je van je naaste schuld vordert, ga dan zijn huis niet binnen om het pand te bekomen. Blijf buiten; laat het door hem naar buiten brengen. Dergelijk ingehouden gedrag stelt de naaste in staat om een beetje waardigheid te bewaren, en perkt de neiging van sommige rijke mensen in om de baas te spelen en de armen te behandelen alsof ze vuilnis zijn.

(2) Hou niet als pand wat de arme man nodig heeft voor zijn basiswarmte en -bescherming. In 24:14-15 wordt werkgevers geboden hun werknemers dagelijks te betalen. In een arme en agrarische maatschappij waar tot 70 à 80 procent van het inkomen naar voedsel ging, stond dit gelijk met ervoor zorgen dat de dagloner en zijn gezin genoeg hadden om elke dag te eten.

Lonen inhouden bracht niet alleen leed voort, het was ook onrechtvaardig. Nog uitvoeriger beschouwingen rond rechtvaardigheid worden vermeld in 24:17-18: wezen en vreemdelingen, d.w.z. zij die zonder beschermer zijn of niet echt weten hoe het er in een bepaalde cultuur aan toe gaat, moeten rechtvaardig worden behandeld en nooit misbruikt of benadeeld.

In 24:19-22 ten slotte worden landbouwers gewaarschuwd niet elk klein stukje uit de oogst van hun veld te verzamelen om nog hogere opbrengsten te verkrijgen. Het is veel beter iets te laten liggen ‘voor de vreemdeling, de wees en de weduwe’ (zie ook de overdenking voor 9 augustus).

Twee opmerkingen. Ten eerste zullen dergelijke voorzieningen voor de armen het best werken in een niet-technische maatschappij waar werk en land met elkaar verbonden zijn, en hulp wordt geboden door de plaatselijke bevolking aan de plaatselijke bevolking. Er is geen enorme bureaucratische regeling. Aan de andere kant kun je je moeilijk voorstellen hoe, zonder een bepaalde gestructureerde organisatie, gelijkaardige hulp aan de armen kan worden geboden in pakweg het zuiden van Chicago, waar er weinig landbouwers zijn die kleine beetjes van de oogst kunnen laten liggen.

Ten tweede is de stimulans in elk van de gevallen dat je recht handelt voor het aangezicht van God, in het bijzonder met de jaren in gedachten dat het volk zelf in Egypte verbleef (24:13-22). Deze verzen vereisen dat je ze nauwgezet leest. Waar mensen leven in vrees, liefde en kennis van God, brengt dit maatschappelijk erbarmen en praktische vrijgevigheid met zich mee. Waar God vervaagt in de mist van sentimentalisme, verschrompelt ook de ware ontferming – en dit roept de bijtende aanklacht op van profeten als Amos.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 10 juni 2014

'Armen zullen nooit in het land ontbreken' (Deut. 15)


Deuteronomium 15; Psalm 102; Jesaja 42; Openbaring 12

Een van de opvallende kenmerken van de vele passages in Deuteronomium die beschrijven hoe het leven zou moeten zijn eenmaal het volk het Beloofde Land binnentrekt, is de spanning tussen hetgeen wordt vooropgezet als ideaal en hetgeen in feite de realiteit zal blijken.

Zo wordt aan de ene kant tegen het volk gezegd ‘Er zal echter geen arme onder u zijn, want de HERE zal u gewis zegenen in het land, dat de HERE, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven, indien gij maar aandachtig luistert naar de HERE, uw God, door heel dit gebod, dat ik u heden opleg, naarstig te onderhouden’ (Deut. 15:4-5). Aan de andere kant erkent hetzelfde hoofdstuk ronduit, ‘Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land’ (15:11).

Het eerste tekstgedeelte, dat er ‘geen arme onder u zal zijn’, is gebaseerd op twee dingen: de loutere overvloed van het land (een teken van verbondszegen), en het wettelijk systeem dat God wil opgelegd zien om elke vorm van de vreselijke ‘armoedeval’ te vermijden.

Dit laatste omvat het om de zeven jaar kwijtschelden van schulden – een schokkend voorstel voor onze oren (15:1-11). Er is zelfs een waarschuwing voor het koesteren van ‘de lage gedachte’, waarbij je, eens het zevende jaar in aantocht, onbarmhartig vrekkigheid plant (15:8-10).

De mate waarin deze idealistische wetten ooit werden uitgevoerd wordt betwist. Er is zeer weinig bewijs dat ze tot algemeen nagevolgde publieke wet werden in het Beloofde Land. Zo wordt het tweede tekstgedeelte onvermijdelijk: ‘armen zullen nooit in het land ontbreken’.

Het weerspiegelt de grauwe realiteit dat geen economisch systeem kan garanderen dat armoede wordt uitgeroeid, omdat mensen het in de praktijk moeten brengen, en mensen hebzuchtig zijn, mensen blijven proberen om er tussenuit te muizen en ten slotte het systeem proberen te misbruiken voor persoonlijk voordeel.

Niet dat we suggereren dat alle economische systemen even goed of even slecht zijn: dat is niet zo. Evenmin suggereren we dat wetgevers niet voortdurend moeten werken aan het verbeteren van een systeem en het sluiten van achterpoortjes die corruptie in de hand werken.

Maar dit suggereert wel dat de Bijbel pijnlijk realistisch is over de onmogelijkheid van gelijk welk utopia in deze gevallen wereld, zij het economisch of niet.

Bovendien zullen de Israëlieten bij gelegenheid zodanig corrupt worden, zowel op economisch vlak als daarbuiten, dat God zijn zegen aan het land zal onthouden; zo kon de regen bijvoorbeeld worden ingehouden (zoals in de dagen van Elia). En dan zou het land zelf niet in staat zijn om alle mensen die er leefden te onderhouden.

Vandaar dat de nadruk dat er altijd arme mensen zullen zijn (een punt dat Jezus herhaalt, Matt. 26:11) geen verborgen fatalisme is, maar een oproep tot milde vrijgevigheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 7 juni 2014

Gij kent zijn grootheid, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm (Deut. 11)


Deuteronomium 11; Psalmen 95-96; Jesaja 39; Openbaring 9

Mijn ouders waren eerder arm – niet de armoede zoals je die vindt in de ergste sloppenwijken ter wereld, maar arm naar Noord-Amerikaanse maatstaven. Mijn vader was een voorganger. Voor mijn geboorte, aan het einde van de crisis die bekendstaat als ‘the Great Depression’, ging vader rond met een kleine wagen met voedsel dat rond kerstmis was gecollecteerd voor de armen. En toen kwam hij thuis in de flat die mijn ouders huurden en was het enige eten dat we als kerstdiner in huis hadden een blik bonen.

Mijn ouders dankten God hiervoor – en terwijl ze daar nog mee bezig waren werden ze uitgenodigd voor een maaltijd. Ik herinner me nog vele gelegenheden uit de tijd dat ik opgroeide, dat ons gezin bad dat God zou voorzien in onze noden – bijvoorbeeld bij grote medische facturen die we niet konden betalen – en Hij deed het altijd.

Toen ik van huis wegging om naar de universiteit te gaan, bezuinigden en spaarden mijn ouders; dat jaar stuurden ze me tien dollar. Voor hen was dit veel geld; wat mezelf betreft, stond ik er financieel alleen voor en werkte en studeerde ik.

Vele malen kwam ik twee of drie dagen door zonder eten, terwijl ik heel veel water dronk om te vermijden dat mijn maag rammelde, en de Heer vroeg om in mijn noden te voorzien, bang als ik was dat ik mijn studies zou moeten afbreken. God voorzag altijd, soms op eenvoudige manieren, soms op verbazingwekkende manieren.

Vandaag kijk ik naar mijn kinderen en merk ik dat, hoewel ze andere soorten beproevingen en verzoekingen te verduren krijgen, ze tot nog toe nooit met iets werden geconfronteerd dat lijkt op ontbering (niet alles krijgen wat ze willen, telt niet mee!).

Dan lees ik Deuteronomium 11, waar Mozes een onderscheid maakt tussen generaties: ‘Immers, gij kent thans – want dit geldt niet voor uw kinderen, die de tuchtiging van de HERE, uw God, niet kennen en niet gezien hebben – zijn grootheid, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm, de tekenen en de daden, die Hij in Egypte gedaan heeft aan Farao, de koning van Egypte, en aan diens gehele land’ (11:2-3, zie 11:5). Nee, het waren niet de kinderen, maar ‘uw ogen hebben heel het grote werk gezien, dat de HERE gedaan heeft’ (11:7).

Wat concludeert Mozes dan uit dit verschil tussen de generaties?

(1) De oudere generatie zou snel moeten zijn om te gehoorzamen, omwille van alles waaruit ze hadden kunnen leren (11:8). Hier sta ik dan, nadenkend over de beperkte ervaring van mijn kinderen, terwijl God als eerste zegt dat ik degene ben voor wie geen excuus geldt.

(2) De oudere generatie moet systematisch doorgeven aan haar kinderen wat ze heeft geleerd (11:19-21); opnieuw ligt de eerste verantwoordelijkheid bij mij, niet bij hen.

(3) Algemener gesteld hangt Gods voorziening voor het volk van de zegeningen van het verbond, hier gefocust op het land en zijn overvloed, af van de eerste twee punten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 9 maart 2014

Lezing 'De gelovige en geld en bezit' (audio en presentatie)

Zaterdag 8 maart jl. mocht ik een lezing geven in CC De Steiger in Menen in de reeks 'Geloven in de 21e eeuw'. De slotlezing in deze reeks kreeg als titel mee 'De gelovige en geld en bezit', met rentmeesterschap als achterliggend thema.

Dit is de ppt-presentatie die ik bij de lezing gebruikte:


Hieronder kun je zowel de lezing downloaden, als de praktijkvoorbeelden uit het tweede deel.
- Lezing 'De gelovige en geld en bezit'

- Lezing 'De gelovige en geld en bezit' - deel 2 - praktijkvoorbeelden
Ook van de andere lezingen zijn de audiofiles nog via deze blog terug te vinden. Gebruik het zoekvak of de tag in de rechterkolom ('geloven in de 21e eeuw').

woensdag 3 april 2013

Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers (Spr. 21)


Leviticus 6; Psalmen 5-6; Spreuken 21; Kolossenzen 4

Hier zal ik me toeleggen op drie van de verscheiden thema’s die in Spreuken 21 opduiken:

(a) ‘Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers’ (21:3). De profeten zeggen iets gelijkaardigs (bijv. Hosea 6:6), en dat doet ook de Heer Jezus (Mt. 9:13; 12:7).

Elke generatie moet bedenken dat integriteit en gerechtigheid belangrijker zijn dan religieuze rituelen. Het zou niet mogen verrassen dat religieuze mensen soms sjoemelen met hun belastingaangiftes, hun kinderen misbruiken, de auto van hun buren begeren en niets zo hard liefhebben als hun persoonlijke plezier. Hun religie zou in de praktijk kunnen dienen als mantel om hun zonde te bedekken onder een vernislaag van eerbiedwaardigheid.

Dit hoofdstuk bevat ook een andere relevante spreuk: ‘Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt (21:27). De religieuze inachtname door goddeloze mensen is gewoon verachtelijk in Gods ogen; het is onvoorstelbaar walgelijk voor Hem wanneer de goddeloze persoon minder een verdorven slachtoffer is dan een zelfbewuste charlatan die zijn religie gebruikt om mensen te misleiden.

Impliciet betekent dit natuurlijk dat de religie van de Bijbel meer gaat over karakter dan over koren, meer over werkelijke transformatie dan over religieuze traditie, meer over God en het evangelie dan over leiderschap en protserigheid.

(b) Armoede kan zijn oorsprong vinden in misbruik en onderdrukking door de sterken en machtigen. Maar het kan ook voortkomen uit een karakteriële zwakte zoals luiheid of liefhebben van eigen genot.

Zo is het ook in dit hoofdstuk: ‘Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk’ (21:17). ‘In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door (21:20). ‘De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken’ (21:25). ‘De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug’ (21:26).

In tegenstelling daarmee: ‘De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek’ (21:5). De wijze zal geen genot najagen als een van de grote doelen in het leven, maar zal zich vooruitziend tonen, vrijgevig, hardwerkend, trouw en rechtvaardig – precies het soort kwaliteiten die mensen tot goede werkgevers en goede werknemers maken.

(c) ‘Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart – de glans der goddelozen is zonde’ (21:4). ‘Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed’ (21:24). De kern van alle goddeloosheid is die voortdurende zelfgerichtheid die bij zichzelf de illusie wekt dat we alles zelf in handen hebben, in die mate dat God nooit meer kan zijn dan een handlanger. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat transformatie begint met berouw.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 januari 2013

'Gij neemt woeker, ieder van zijn volksgenoot' (Neh. 5)


Genesis 16; Matteüs 15; Nehemia 5; Handelingen 15
Toen ik universiteitsstudent was in Canada hoorde ik van onze docent geschiedenis een verhaal. Hij vertelde het met grote boosheid. Hij was net teruggekeerd van de slagvelden van Wereldoorloog II, waar hij had gezien hoe veel van zijn vrienden gedood waren. Met verlof thuis omwille van een oorlogswonde, reed hij in een bus in een belangrijke Canadese stad. Gezeten achter twee dames die er welvarend uitzagen, hoorde hij hoe een van hen tegen de andere zei ‘Ik hoop dat deze oorlog niet snel eindigt. We hadden het nog nooit zo goed.’

Er zijn bijna altijd mensen die voordeel halen uit de rampspoed van anderen, zeker in geval van oorlog. Zo was het ook in de tijd van Nehemia (Neh. 5). Zelfs terwijl er een gehoorzame inspanning werd geleverd om de stad te herbouwen, maakte de fiscale druk van die tijd, samen met de omstandigheden van hongersnood, dat de rijken op het omliggende platteland rijker werden, terwijl de armen er armer werden.

In een poging de eindjes aan elkaar te knopen verpandden de armen hun land, waarna ze het verloren; ze verkochten zichzelf of hun gezin als slaven. Vanuit Nehemia’s standpunt was slavernij slavernij; een slaaf zijn voor een mede-Jood was nog altijd een slaaf zijn. In zekere zin was het erger: Nehemia was niet alleen bekommerd om de slavernij zelf, maar ook om de morele hardheid van de rijken die profiteerden van het failliet van anderen – het gebrek aan barmhartigheid, het falen in gehoorzaamheid aan de Mozaïsche wet die woekerwinst verbood, de loutere begeerte en hebzucht.

Ze hadden duidelijk niet nóg meer nodig. Ook was dit geen kwestie van luiheid voorkomen. Welke mogelijke rechtvaardiging konden ze aanbieden voor dergelijke zakkenvullerij?

Gelukkig bleken de gewetens van deze rijke mensen gevoelig genoeg om niet opstandig te reageren toen ze vermaand werden. ‘Ze zwegen, ze wisten niet wat ze moesten zeggen’ (5:8, NBV). Uiteindelijk toonden ze zelfs berouw, gaven ze terug wat ze afnamen en hielden ze op met rente te vragen van hun broeders.

Een van de factoren die bijdroegen tot Nehemia’s geloofwaardigheid in zijn inspanningen om deze hervormingen te bewerken, was zijn eigen gedrag. Ongetwijfeld maakte het merendeel van de landvoogden in die tijd gebruik van hun machtspositie om aanzienlijke rijkdom voor zichzelf te verwerven.

Nehemia weigerde zo te handelen. Hij ontving, vermoedelijk uit de centrale schatkist, een mooi loon en voldoende ondersteuning voor hemzelf en zijn staf, en daarom wees hij de mogelijkheid af zijn macht te gebruiken om bijkomende materiële steun te vragen van de lokale bevolking. Ja, het eindigt er zelfs mee dat hij velen van hen ondersteunt (5:14-18).

Gehoorzaamheid aan God, mededogen voor je naasten, beginselvastheid in het leiderschap, verbondstrouw die zich uitstrekt tot je portemonnee, berouw en herstel waar er ofwel corruptie ofwel hebzucht was – het waren allemaal waarden die belangrijker waren dan het bouwen van de muur. Was de muur herbouwd zonder dat ook het volk heropgebouwd werd, de overwinning ware klein.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 19 juni 2012

Voor de vreemdeling, de wees en de weduwe (Deut. 24)


Deuteronomium 24, Psalmen 114-115, Jesaja 51, Openbaring 21

Het is treffend hoe de Mozaïsche wet voorziet voor de armen. Kijk naar Deuteronomium 24. Hier verbiedt God dat je de handmolen of zelfs ‘de bovenste molensteen’ (d.w.z. de meer verplaatsbare), als pand zou nemen, als waarborg voor een schuld (24:6). Het is alsof je het gereedschap van een mecanicien tot pand zou nemen, of de computer van een softwareontwikkelaar. Het zou de middelen wegnemen om in je levensonderhoud te voorzien, en daarom zou het niet alleen de armoede nog vergroten, maar het zou terugbetaling praktisch onmogelijk maken.

In 24:10-12 worden twee verdere bepalingen uiteengezet met betrekking tot onderpanden. (1) Als je van je naaste schuld vordert, ga dan zijn huis niet binnen om het pand te bekomen. Blijf buiten; laat het door hem naar buiten brengen. Dergelijk ingehouden gedrag stelt de naaste in staat om een beetje waardigheid te bewaren, en beperkt de neiging van sommige rijke mensen om hun gewicht in de schaal te werpen en de armen te behandelen alsof ze vuilnis zijn. (2) Hou niet als pand wat de arme man nodig heeft voor zijn basiswarmte en –bescherming. In 24:14-15 wordt werkgevers opgedragen hun werknemers dagelijks te betalen. In een arme en agrarische maatschappij waar tot 70 à 80 procent van het inkomen naar voedsel ging, stond dit gelijk met ervoor zorgen dat de dagloner en zijn gezin elke dag genoeg te eten hadden.

Lonen inhouden was niet alleen leed veroorzaken, het was ook onrechtvaardig. Nog uitvoeriger beschouwingen rond rechtvaardigheid worden vermeld in 24:17-18: wezen en vreemdelingen,t.t.z. degenen zonder beschermer of die niet echt weten hoe het er in een bepaalde cultuur aan toe gaat, moeten rechtvaardig behandeld worden en nooit misbruikt of benadeeld.

In 24:19-22 ten slotte worden landbouwers gewaarschuwd niet elk klein stukje uit de oogst van hun veld te verzamelen om nog hogere opbrengsten te verkrijgen. Het is veel beter iets te laten liggen ‘voor de vreemdeling, de wees en de weduwe’ (zie ook de overdenking voor 9 augustus).

Twee opmerkingen.

Ten eerste zullen dergelijke voorzieningen voor de armen het best werken in een niet-technische maatschappij waar werk en land met elkaar verbonden zijn, en hulp wordt gegeven door de plaatselijke bevolking aan de plaatselijke bevolking. Er is geen enorme bureaucratische regeling. Aan de andere kant kun je je moeilijk voorstellen, hoe zonder een bepaalde gestructureerde organisatie, gelijkaardige hulp aan de armen kan voorzien worden in pakweg het zuiden van Chicago, waar er weinig landbouwers zijn die kleine beetjes van de oogst kunnen laten liggen.

Ten tweede is de stimulans in elk van de gevallen dat je recht handelt voor het aangezicht van God, in het bijzonder met de jaren in gedachten dat het volk zelf in Egypte verbleef (24:13-22).
Deze verzen vereisen dat je ze nauwgezet leest. Waar mensen leven in vrees, liefde en kennis van God, brengt dit maatschappelijk erbarmen en praktische vrijgevigheid met zich mee. Waar God vervaagt in de mist van sentimentalisme, verschrompelt ook de ware ontferming – en dit roept de bijtende aanklacht van profeten als Amos op.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 18 juni 2012

Smullen van andermans druiven (Deut. 23)


Deuteronomium 23, Psalmen 112-113, Jesaja 50, Openbaring 20

Om de zoveel hoofdstukken vind je in de Pentateuch een hoofdstuk met diverse wetten en inzettingen. Een voorbeeld daarvan is Deuteronomium 23. Het past niet bij deze korte overdenkingen om stil te staan bij elk onderwerp waarvoor een inzetting wordt gegeven, of zelfs nog maar stil te staan bij de manier van ordenen voor sommige van deze lijsten.

Het is duidelijk dat een gedeelte van de wetgeving gebaseerd is op de historische ervaring van de Israëlieten (bijv. 23:3-8). Sommige delen behandelen symbolisch geladen reinheid (bijv. 23:9-14). Weer andere focussen op de aandrang dat het verbondsvolk afgescheiden zou blijven van de vreselijke praktijken van het oude Kanaänietische heidendom (23:17-18), op vooruitstrevende stappen naar sociale gerechtigheid (23:15-16), op fiscale principes om zowel de identiteit als het welzijn van het verbondsvolk te bevorderen (23:19-20), en op het houden van je woord, in het bijzonder als het gaat om een gelofte die gedaan wordt tegenover de levende God (23:21-23).

Maar vandaag wil ik nadenken over 23:24-25: ‘Wanneer gij in de wijngaard van uw naaste komt, dan moogt gij om u te verzadigen druiven eten, zoveel gij wilt, maar gij moogt ze niet ergens in meenemen. Wanneer gij in het staande koren van uw naaste komt, moogt gij aren plukken met uw hand, maar de sikkel moogt gij in het staande koren van uw naaste niet slaan’.

Er ligt diepe wijsheid in deze eenvoudige inzettingen. Het standpunt van een zuivere gemeenschapsregering zou ofwel het volk laten meenemen wat ze willen, wanneer ze willen en zoveel ze willen; of in het andere geval zou ze zeggen dat, aangezien de volledige opbrengst toebehoort aan de gemeenschap (of de overheid), het niemand is toegestaan om ook maar iets ervan te nemen zonder expliciete toelating vanwege de leiders van de gemeenschap.
Een zuiver kapitalistisch standpunt (of, meer precies, een standpunt dat alle nadruk legt op private eigendom) zou elke gelegenheid waarbij je een druif neemt van het veld van je buur, beschouwen als een zaak van diefstal, elke gelegenheid waarop je enkele granen kauwt terwijl je het voetpad neemt door het veld van je buur betitelen als een misdaad die bestraft kan worden.

Maar door mensen toe te staan om te eten wat ze willen terwijl ze eigenlijk in het veld van een buur zijn, bevordert deze inzetting een soort onderlinge afhankelijkheid binnen de hele gemeenschap, een visie op een gedeelde erfenis. De muren en omheiningen die opgericht worden door gedreven privaat bezit worden afgezwakt. Bovendien konden de werkelijk armen ten minste iets vinden om te eten. Dit zou voor geen van de landeigenaren een heel zware last worden als elk van hen de inzetting zou gehoorzamen.

Aan de andere kant dient de stipulering dat niemand toegestaan wordt om iets van de oogst weg te nemen, indien werkelijk gevolgd, niet alleen om diefstal en luiheid te bestrijden, maar houdt ze privébezit in stand en handhaaft ze de voordelen die werklust en discipline met zich meebrengen.
Indien goed verstaan, weerspiegelen vele, vele inzettingen uit de Mozaïsche Wet een goddelijk evenwicht van complementaire belangen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 10 juni 2012

'Armen zullen nooit in het land ontbreken' (Deut. 15)


Deuteronomium 15, Psalm 102, Jesaja 42, Openbaring 12

Een van de treffende kenmerken van de vele passages in Deuteronomium die beschrijven hoe het leven zou moeten zijn eenmaal het volk het Beloofde Land binnentrekt, is een spanning tussen hetgeen vooropgezet wordt als ideaal en hetgeen in feite de realiteit zal blijken.

Zo wordt aan de ene kant tegen het volk gezegd: ‘Er zal echter geen arme onder u zijn, want de HERE zal u gewis zegenen in het land, dat de HERE, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven, indien gij maar aandachtig luistert naar de HERE, uw God, door heel dit gebod, dat ik u heden opleg, naarstig te onderhouden’ (Deut. 15:4-5). Aan de andere kant erkent hetzelfde hoofdstuk heel duidelijk ‘Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land’ (15:11).

Het eerste tekstgedeelte, dat er ‘geen arme onder u zal zijn’, is gebaseerd op twee dingen: de zuivere overvloed van het land (een teken van zegen van het verbond), en het wettelijk systeem dat God wil opgelegd zien om elke vorm van de ellendige armoedeval te vermijden. Dit laatste omvat het om de zeven jaar kwijtschelden van schulden – een schokkend voorstel voor onze oren (15:1-11). Er is zelfs een waarschuwing voor ‘de lage gedachte’, waarbij je onbarmhartig vrekkigheid plant (15:8-10).

De mate waarin deze idealistische wetten ooit werden uitgevoerd wordt betwist. Er is zeer weinig bewijs dat ze tot algemeen nagevolgde publieke wet werden in het Beloofde Land. Zo wordt het tweede tekstgedeelte onvermijdelijk: ‘armen zullen nooit in het land ontbreken’.

Het weerspiegelt de grauwe realiteit dat geen economisch systeem kan garanderen dat armoede wordt uitgeroeid, omdat mensen het in de praktijk moeten brengen, mensen hebzuchtig zijn, mensen blijven proberen om er tussenuit te muizen en ten slotte het systeem te omzeilen voor persoonlijk voordeel.

Niet dat we suggereren dat alle economische systemen even goed of even slecht zijn: dat is duidelijk niet zo. Evenmin suggereren we dat wetgevers niet voortdurend moeten werken aan het verbeteren van systemen en het vermijden van uitwegen die corruptie in de hand werken.

Maar het suggereert wel dat de Bijbel pijnlijk realistisch is over de onmogelijkheid van gelijk welk utopia in deze gevallen wereld, zij het nu economisch of niet. Bovendien zullen de Israëlieten bij gelegenheid zodanig corrupt worden, zowel in de economische arena als daarbuiten, dat God zijn zegen aan het land zal onthouden; zo kon de regen bijvoorbeeld ingehouden worden (zoals in de dagen van Elia). En dan zou het land niet in staat zijn om alle mensen die er leefden te onderhouden. Vandaar dat de nadruk dat er altijd arme mensen zullen zijn (een punt dat Jezus herhaalt, Matt. 26:11) geen verborgen fatalisme is, maar een oproep tot milde vrijgevigheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org