Posts tonen met het label Stott. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stott. Alle posts tonen

vrijdag 21 oktober 2011

'De wereld, zegt Jezus, is net als rottend vlees'

Het Reformatorisch Dagblad besteedt aandacht aan een preek van John Stott, die in de zomer van dit jaar overleed. De preek werd gepubliceerd op Preaching Today en het Reformatorisch Dagblad geeft grote delen weer in het Nederlands. Hieronder een kopie van het artikel naar de preek van John Stott: "Christen moet schitteren in de duisternis".

Christenen behoren volgens de Bergrede een zoutend zout te zijn. Het schort daar alleen vaak aan, aldus de bekende Britse theoloog John Stott. „Als we pessimistisch zijn en denken dat we niets kunnen doen in de samenleving, dan durf ik te zeggen dat we theologisch zeer onevenwichtig zijn, zo niet ketters en schadelijk.”
Stott overleed in juli van dit jaar. Hij was voorganger van All Souls Church in Londen en een bekend evangelicaal theoloog die veel boeken op zijn naam heeft staan. Het Amerikaanse tijdschrift Christianity Today publiceerde donderdag een van de preken van Stott op de zusterwebsite Preaching Today. Daarin legt hij met een beroep op Mattheüs 5 uit hoe christenen een zoutend zout en een lichtend licht kunnen zijn in de wereld. Hij stelt dat christenen vier wegen kunnen gebruiken om de wereld met het christelijke getuigenis te beïnvloeden.

Preken over zout en licht is nodig, omdat veel mensen pessimistisch zijn ingesteld. „Er is heel wat pessimisme vandaag de dag dat mensen vastgrijpt en zelfs verlamt. Ze wringen hun handen in een heilige vorm van ontzetting. De maatschappij is verrot tot in de kern, zeggen ze. Alles is hopeloos. Er is geen hoop, uitgezonderd hoop op de terugkeer van Jezus Christus.”

Stott weerspreekt deze opvatting. „Als u een christelijke visie wilt ontwikkelen, hoeft u zich niet alleen te concentreren op de val van de mens en de wederkomst van Christus. U kunt ook denken aan de schepping en de verlossing door Hem. Een christen denkt in termen van het gehele doel van God, dat schepping, zondeval, verlossing en voleinding omvat.”

De nadruk op het zoutend zout-zijn, is voor Stott geen truc om invloed uit te oefenen op mensen. Het is geen „egocentrische dorst naar macht” zegt hij. „Het kan ook op een onbaatzuchtige manier worden gebruikt door christenen die weigeren te berusten in de status-quo. Die vastbesloten zijn dingen te veranderen in de samenleving en enige invloed van Jezus Christus te zien.”

Overleven

Jezus benadrukt in de Bergrede het verschil tussen christenen en niet-christenen, tussen kerk en wereld. Toch zijn ze op elkaar betrokken, aldus Stott. „De wereld, zegt Jezus, is net als rottend vlees. Maar je bent er om het zout van de wereld te zijn. De wereld is als een donkere nacht. Maar je bent in de wereld om het licht te zijn.”

Stott legt er de vinger bij dat veel christenen stil blijven staan bij het onderscheid tussen christenen en niet-christenen, maar hun opdracht in de wereld vergeten. „Er zijn te veel mensen van wie de enige zorg is te overleven. Het zout moet zijn smaak behouden, zeggen ze. Het moet niet besmet raken. En het licht moet helder blijven. Het mag niet worden gesmoord door de duisternis. Dat is waar. Maar dat is alleen maar overleven. Zout en licht zijn niet alleen maar een beetje anders dan hun omgeving. Ze zijn bedoeld om een krachtige invloed daarop te hebben. Het zout wordt in het vlees gewreven om het rotten tegen te gaan. Het licht is om te schitteren in de duisternis.”

Voorbede

Op vier manieren kunnen christenen hun invloed aanwenden in de samenleving, legt Stott uit.

Als eerste noemt hij de kracht van het gebed. „Ik smeek je om dit niet af te doen als een vrome gemeenplaats. Dat is het niet. Als er meer geweld in de samenleving is dan vrede, meer onfatsoenlijkheid dan deugdzaamheid, meer onderdrukking dan rechtvaardigheid, meer secularisatie dan godsvrucht, is dat een reden dat de kerk niet bidt zoals het hoort? Ik geloof dat we in onze kerkdiensten met toenemende ernst de voorbede moeten gebruiken om als gemeente te buigen voor God, Hem de wereld en zijn leiders op te dragen en Hem te vragen om in te grijpen. Dit geldt niet alleen voor diensten, maar ook voor persoonlijke gebeden.”

Een diepe overtuiging van de kracht van de waarheid en van het Evangelie houdt een christen staande tegenover pessimisme of de verleiding van de duivel om Gods waarheid te betwijfelen. Op dat gebied kunnen christelijke apologeten en ethici van groot belang zijn, aldus Stott. „We hebben meer christelijke denkers nodig die hun verstand willen inzetten voor Jezus Christus, en dan zullen spreken en schrijven om de publieke opinie te beïnvloeden.”

Christenen dienen zich ten derde bewust te zijn van hun voorbeeldfunctie. „De wereld kijkt toe. De belangrijkste manier van God om de oude wereld te veranderen, is het uitdragen dat wij geworteld zijn in een nieuwe wereld, met andere waarden, andere normen, andere doelen en andere vreugde.”

Ten slotte kan solidariteit met elkaar een cultuur diepgaand veranderen. Stott wijst erop hoe Jezus begon met slechts twaalf discipelen, met wie Hij intensief optrok. „Er is een grote behoefte aan christelijke gemeenschappen die betrokken zijn op elkaar, toegewijd zijn aan een visioen van gerechtigheid en toegewijd zijn aan Christus.”

zaterdag 8 oktober 2011

Je oogst wat je zaait ( x 3)

Wie onderwezen wordt, moet al het goede dat hij bezit met zijn leermeester delen. Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven. Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.
(Galaten 6:6-10)

Paulus past zijn onverbiddelijk principe van 'wat een mens zaait, zal hij ook oogsten' toe op 3 sferen van het christelijk leven.
En in elk van die gevallen geldt, dat hoewel het zaad en de grond verschillen, de zaaitijd gevold wordt door de oogst.

In de eerste sfeer is het zaad Gods Woord, gezaaid door leraars in geest en hart van de gemeente.
--> De leraar die Gods Woord zaait, zal zijn levensonderhoud oogsten; het is Gods bedoeling dat hij dat kan.

In de tweede sfeer is het zaad onze eigen gedachten en daden, gezaaid op het veld van het vlees of de Geest.
--> De zondaar die op het vlees zaait zal verderf oogsten. De gelovige die op de Geest zaait, zal eeuwig leven oogsten, een zich telkens verdiepende gemeenschap met God.

In de derde sfeer bestaat het zaad in goede werken, gezaaid in de levens van andere mensen in de gemeenschap.
--> De christelijke weldoener die goede werken in de gemeenschap zaait, zal een goede oogst binnenhalen in het leven van hen die hij dient en een beloning voor zichzelf in eeuwigheid.

"Op geen van deze terreinen laat God met zich spotten. Op elk daarvan geldt onverbiddelijk hetzelfde principe.En omdat we God niet voor de gek kunnen houden, zijn wij dwazen als wij onszelf proberen voor de gek te houden!

Wij moeten deze wet niet negeren of overtreden, maar die accepteren en ermee samenwerken. We moeten er een goed zintuig voor ontwikkelen om aan de hand van deze wet ons leven te leiden.

'Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.' We moeten verwachten te oogsten wat we zaaien. Daarom moeten we, als we een goede oogst willen binnenhalen, goed zaad zaaien en blijven zaaien. Dan zullen we ter zijner tijd oogsten."

(Gedeeltelijk geredigeerd stukje naar John Stott, 'De boodschap van Galaten', BSV-serie, uitg. Novapres, pag. 189-190)

maandag 3 oktober 2011

Gods handelen door Christus

Diegene die God zond om onze verlossing te bewerken, was daarvoor volmaakt gekwalificeerd ...

Hij was Gods Zoon.Hij was ook geboren uit een menselijke moeder, zodat Hij zowel menselijk als goddelijk was, de ene en enige God-mens.
En Hij werd geboren 'onder de wet', d.w.z. uit een Joodse moeder, in het Joodse volk, onderworpen aan de Joodse wet. Zijn leven lang onderwierp Hij zich aan alle vereisten van de wet. Hij slaagde waar anderen voor en na Hem faalden: Hij vervulde volmaakt de gerechtigheid van de wet.
Zo kwalificeerden de goddelijkheid van Christus, de menselijkheid van Christus en de gerechtigheid van Christus Hem op unieke wijze om de verlosser van de mens te worden.

Als Hij niet mens was geweest, had Hij mensen niet kunnen verlossen.
Als Hij geen rechtvaardig mens was geweest, had Hij niet onrechtvaardige mensen kunnen verlossen.
En als Hij niet Gods Zoon was geweest, had Hij mensen niet voor God kunnen verlossen of hen tot zonen van God kunnen maken."


John Stott in 'De boodschap van Galaten', pag. 117, BSV-serie, uitg. Novapres, naar aanleiding van Gal.4:4-5 (eigen cursivering)

zaterdag 3 september 2011

Bekering: overgezet in de toekomende eeuw

“Christus stierf om ons te redden.

Waarvan redt Hij ons door zijn dood? Niet van deze ‘tegenwoordige boze wereld’, zoals de NBG(-vertaling) stelt. Want het is niet Gods bedoeling om ons uit de wereld te nemen, maar om ons erin te laten blijven om zowel ‘het licht van de wereld’ als ‘het zout van de aarde’ te zijn. Christus stierf juist om ons te redden ‘uit deze tegenwoordige boze eeuw’ (zie de Telos-vertaling, JL), of zoals misschien valt weer te geven, uit deze tegenwoordige eeuw van de boze, omdat hij (de duivel) daar de heer van is.

Laat me dit uitleggen. De Bijbel verdeelt de geschiedenis in twee tijdperken: ‘deze eeuw’ en ‘de toekomende eeuw’. Hij zegt ons bovendien, dat ‘de toekomende eeuw’ al gekomen is, omdat Christus die heeft ingeluid, hoewel de huidige nog niet volledig voorbij is gegaan.

Dus hebben de twee tijdperken een parallel verloop. Ze overlappen elkaar.
Christelijke bekering betekent uit het oude tijdperk verlost zijn en overgezet zijn in het nieuwe tijdperk, ‘de toekomende eeuw’. En het christelijk leven is in dit tijdperk het leven leiden van de toekomende eeuw.

De bedoeling van Christus’ dood was dus niet slechts om ons vergeving te schenken, maar ook dat wij na vergeving te hebben verkregen een nieuw leven zouden leven, het leven van de toekomende eeuw. Christus heeft zichzelf gegeven voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze eeuw.” (Gal. 1:4)

Bron: ‘De boodschap van Galaten’ door John Stott, BSV-serie, uitg. Novapres, pag. 17.

donderdag 9 september 2010

Een van onze grootste blinde vlekken

"Een van de grootste evangelische blinde vlekken is het niet zien van het centrale belang van de kerk. We zijn geneigd om individuele redding te verkondigen, zonder verder te gaan tot de geredde gemeenschap.

We beklemtonen dat Christus stierf voor ons 'om ons te redden van al onze zonde', eerder dan om 'voor zichzelf een eigen volk te reinigen'.

We zien onszelf meer als 'christenen' dan als 'gemeenteleden', en onze boodschap is meer goed nieuws van een nieuw leven dan van een nieuwe gemeenschap.

Niemand kan met een geprivatiseerd evangelie uitkomen na een zorgvuldig lezen van de brief van Paulus aan de Efeziërs. Want Efeze is het evangelie van de kerk.

Het schetst Gods eeuwige doel om door Christus heen een nieuwe gemeenschap te scheppen die schittert tegen de sombere achtergrond van de oude wereld.

Want Gods nieuwe gemeenschap wordt gekenmerkt ...
... door leven in plaats van dood,
... door eenheid en verzoening in plaats van verdeeldheid en vervreemding,
... door de gezonde standaard van gerechtigheid in plaats van de verdorvenheid van de boosheid,
... door liefde en vrede in plaats van haat en vijandschap, en
... door onophoudelijke strijd met het kwaad in plaats van een slap compromis ermee.


(John Stott, The Message of Ephesians, pag. 9-10, gelezen bij Zach Nielsen. Eigen indeling.)

dinsdag 8 december 2009

Mensen liefhebben op basis van hoe God hen ziet

"Hoe durven wij een persoon verwerpen die door God aangenomen wordt?
Ja, de beste manier om ons gedrag tegenover anderen te laten bepalen is om te gaan zien wat Gods gedrag tegenover hen is. Dit principe is zelfs beter dan de gouden regel. Het is veilig om anderen te behandelen zoals wij zouden willen dat zij ons behandelen. Maar het is nog veiliger om hen te behandelen zoals God dat doet.
Het eerste is immers een kant-en-klare gids gebaseerd op onze gevallen zelfgerichtheid.
De tweede daarentegen is een standaard die gebaseerd is op Gods volmaaktheid."

- John Stott, in zijn commentaar op de Romeinenbrief, 'The message of Romans', pag. 361
Gelezen bij Z

donderdag 3 december 2009

Het boze haten is lang niet voldoende

Maar dit heb ik tegen u: u hebt de liefde van weleer opgegeven.
(Openbaring 2:4)

"Wat de orthodoxie betreft, die is koud en dood en streng zonder de warmte en het leven en de schoonheid waarmee de liefde ze bekleedt. De Efeziërs haatten zelfs de boze daden en woorden van de Nicolaïeten, zo onberispelijk was hun theologische correctheid. Maar de dwaling en het boze haten is niet hetzelfde als Jezus Christus liefhebben."

Bron: John R. W. Stott, 'What Christ Thinks of the Church', pag. 28-29 (gelezen bij Ray Ortlund Jr.)

woensdag 14 oktober 2009

Het was voor ons

We may not know, we cannot tell,
What pains he had to bear;

But we believe it was for us
He hung and suffered there.


(Uit "The Cross of Christ", John Stott, pag. 92)

De horror van Gods oordeelsbeker

… die eenzame figuur in de hof Gethsemane op de Olijfberg – gebroken, zwetend en overweldigd door verdriet en vrees – smeekt dat deze beker Hem bespaard zou mogen blijven. Hoe kwam het dat Hij op dit moment leek terug te deinzen, waar martelaars soms zelfs moedig vooruitzien? Hij was nochtans tot nog toe duidelijk over het lijden dat Hem zou overkomen, vastbesloten om zijn bestemming te vervullen, en vurig in het terechtwijzen als iemand hem van deze weg wilde afbrengen.

Wat gebeurt hier? De beker waar Christus voor bevreesd is, is niet de fysieke pijn van de zweepslagen of de kruisiging. Ook niet de mentale druk van verwerping en verachting. Wel de geestelijke doodsangst van het dragen van de zondelast van de wereld. Dus het Goddelijke oordeel dat deze zonden verdienden.

Dat dit de correcte uitleg is van dit gedeelte, wordt in sterke mate bevestigd door het gebruik van deze beeldspraak van de beker in het Oude Testament. Zowel in de wijsheidsliteratuur als de profeten is de “beker” een gebruikelijk symbool van de toorn van God.
Van een boze wordt gezegd “moge hij de woede van de Ontzagwekkende drinken!” (Job21:20). Door Ezechiël waarschuwt de Here Jeruzalem, dat ze hetzelfde lot zullen ondergaan als Samaria, dat verwoest werd:
Je bent de weg van je zuster gegaan; haar beker zal ik ook jou te drinken geven. Dit zegt God, de HEER:
De beker van je zuster zul je drinken,
de diepe en wijde beker;
een beker vol spot en hoon,
tot de rand gevuld.
Dronkenschap en droefheid zul je drinken,
een beker van ontzetting en verbijstering –
dat is de beker van je zuster Samaria.
Je zult hem drinken en leegslurpen,
je zult op zijn scherven bijten
en er je borsten mee openhalen.
Want zo heb ik gesproken – spreekt God, de HEER.
Daarom – dit zegt God, de HEER –, omdat je mij vergeten bent en mij de rug hebt toegekeerd, daarom zul je nu de schande van je overspel dragen.’ (Ez.23:31-35)

Niet lang daarna kwam de voorspelling uit. Toen begonnen de profeten boodschappen te brengen van herstel. Jesaja doet een wake up-call, met de beschrijving dat Jeruzalem door de Here bestraft was geworden:
“Ontwaak, ontwaak, sta op, Jeruzalem; gij, die uit de hand des HEREN de beker zijner grimmigheid hebt gedronken, de kelk der bedwelming hebt leeggedronken.”
En hij maakt duidelijk dat hun God de beker uit hun hand had genomen en dat zij die niet meer zouden hoeven te drinken.
Ook was de beker van Gods toorn niet alleen bestemd voor ongehoorzamen onder Zijn volk. Psalm 75 is een overdenking over het universele oordeel van God:
“Want in des HEREN hand is een beker en de wijn bruist daarin, overvloedig gemengd; Hij schenkt daaruit tot de droesem toe, alle goddelozen op aarde moeten hem slorpende drinken.”

Zo werd Jeremia ook opgedragen om uit Gods hand een beker van toorn aan te nemen. Hij moest er alle volken laten uit drinken tot wie Hij hem zond:

“Want aldus heeft de HERE, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker met de wijn der gramschap uit mijn hand en geef die te drinken aan alle volken, tot welke Ik u zend” (Jer 25:15)

En ik heb de beker uit de hand des HEREN genomen en die aan alle volken, tot welke de HERE mij zond, te drinken gegeven (Jer 25:17)

Als zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, zeg dan tot hen: Zo zegt de HERE der heerscharen: Drinken zùlt gij (Jer. 25:28)

Dezelfde beeldspraak komt terug in Openbaring:
“En een andere engel, een derde, volgde hen, zeggende met luider stem: Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt. (Opb.14:9-11)


Die oudtestamentische beeldspraak moet Christus welbekend geweest zijn. Hij wist goed dat de beker die Hem werd voorgezet, de wijn van Gods oordeel bevatte, die aan de bozen gegeven werd. Dit veroorzaakte, net als dronkenschap, een complete desoriëntatie van lichaam (wankelen) en geest (verwarring). Moest Hij zo één worden met zondaars, dat Hij hun oordeel moest ondergaan? Van dit contact met menselijke zonde had Zijn zondeloze ziel een ware afkeer. Van de ervaring van vervreemding van Zijn Vader keerde Hij zich verschrikt af – was dit wat het oordeel over de zonde behelsde? Niet dat Hij rebelleerde – geenszins. Zijn wil bleef overgegeven. Elk gebed begon: ‘Vader, als het mogelijk is …”. Maar net zo goed eindigde het met “maar niet mijn wil maar de Uwe geschiede”.

En hoewel alles mogelijk is voor God, was dit onontkoombaar: Gods liefderijke doel bestond uit het redden van zondaars op een manier die het recht deed zegevieren. Daarom moest de Redder sterven, daarom was Hij in dit uur gekomen (Joh. 12:27). Jezus was klaar om het zwaard van Petrus terug te houden met de woorden:
“Steek het zwaard in de schede; de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?”


(deze overdenking is in grote lijnen gebaseerd op een gedeelte uit "The Cross of Christ", van John Stott, gelezen via GoogleBooks)

woensdag 7 oktober 2009

God helpt direct, maar ook graag indirect

"En dan schrijft Paulus dat allen hem bij zijn eerste verdediging in de steek hebben gelaten, maar: 'de Here heeft mij terzijde gestaan en kracht gegeven' (2Tm4:17). Ongetwijfeld werd hij ook in zijn cel versterkt door de aanwezigheid en kracht van de Heer. Maar de hulp van zijn Heer was zowel indirect als direct.

Hij versmaadde de indirecte hulp niet en dat mogen wij ook nooit doen. Wie eenzaam is, heeft vrienden nodig. Wie het koud heeft, heeft warme kleren nodig. Wie zich verveelt, heeft boeken nodig.

Dit toegeven is niet ongeestelijk, maar menselijk. Sterfelijke mensen hebben deze dingen nu eenmaal nodig. Zoals bisschop Moule terecht opmerkt, wordt de mens 'nooit ofte nimmer door de genade gedenaturaliseerd'. Daarom moeten we onze menselijkheid of zwakheid ook nooit verloochenen, of voorwenden dat we van iets anders zijn gemaakt dan stof."

John Stott in zijn commentaar op 2 Timotheüs in de reeks "De Bijbel in praktijk" (later waarschijnlijk heruitgegeven onder de reeksnaam 'De Bijbel spreekt vandaag', het is me niet helemaal duidelijk of het om hetzelfde boek gaat), pag. 125, uitg. Novapres.
Stott heeft het hier concreet over het slotgedeelte van 2Tim4:

11 Alleen Lucas is bij me gebleven. Haal Marcus op en neem hem met je mee, want hij kan mij goede diensten bewijzen. 12 Tychikus heb ik naar Efeze gestuurd. 13 Als je komt, neem dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus heb laten liggen, en ook de boeken, vooral die van perkament.
(...)
16 Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, ze hebben mij allemaal in de steek gelaten. Moge het hun niet worden aangerekend. 17 Maar de Heer heeft me terzijde gestaan en me kracht gegeven, zodat ik de verkondiging tot een goed einde heb gebracht en alle volken de boodschap hebben gehoord. Ik ben gered uit de muil van de leeuw.

woensdag 30 september 2009

O die stekelige zelfzucht

'... want de mensen zullen zelfzuchtig zijn ... ' (2Tm3:2)


"Aartsbisschop Trench noemt in zijn commentaar over de betekenis van philautos ('zelfzuchtig') een puriteinse geestelijke die 'de zelfzuchtige mense vergelijkt met een opgerolde egel die naar buiten toe een en al stekels is en het zachte, warme haar voor zichzelf, aan de binnenkant, reserveert'.

Wie trots, arrogant en opgeblazen is, zal zich niet opofferen om anderen te dienen. God heeft ons in zijn wet duidelijk gemaakt dat we Hem eerst moeten liefhebben (uit geheel ons hart, geheel onze ziel, geheel ons verstand en geheel onze kracht), daarna onze naaste en als laatste onszelf. Zetten we onszelf op de eerste en God op de laatste plaats, dan zal ook onze naaste dat moeten bezuren.

De kern van het probleem in 'zware tijden' is dus dat de mensen 'alleen nog maar om zichzelf geven' (HNT), 'liefhebbers van zichzelf zijn' (philantoi, SV), 'een aristoteliaanse term ... voor een onmatige eigenliefde'.

Alleen het evangelie biedt een radicale oplossing voor dit probleem. Want alleen het evangelie belooft een nieuwe geboorte of nieuwe schepping die een radicale ommekeer omvat, een hervorming van onze gedachten en gedrag, en die ons van egocentrisch God-centrisch maakt. Wanneer God zo op de eerste en het 'ik' op de laatste plaats komt, hebben we de wereld lief die God liefheeft en streven we ernaar te geven en te dienen zoals Hij."

(John Stott in zijn beknopte commentaar op 2 Timotheus, uit de reeks De Bijbel in Praktijk, uitgegeven bij Novapres, pag. 86-87)

Het beeld van de egel vond ik heel sprekend. Het overkomt me wel vaker: je ontdekt een leuke oneliner en geeft hem graag aan anderen door, in de zin van 'kijk eens hoe puntig verwoord'. Maar plots werd de tekst een spiegel en moest ik jammer genoeg bekennen dat deze omschrijving al te vaak op mezelf van toepassing is. Herkenbaar?

dinsdag 22 september 2009

Het kruis spreekt tot de echte wereld

“Ik zou zelf nooit in God kunnen geloven ware er niet het kruis … Hoe kan iemand in de echte wereld van pijn een God aanbidden die daar immuun voor is. Ik ben veel boeddhistische tempels binnengegaan in verschillende aziatische landen en stond respectvol voor het beeld van Boeddha, zijn benen gekruist, armen over elkaar, ogen gesloten en de glimp van een glimlach die om zijn mond speelt, een afstandelijke kijk op zijn gezicht, afgescheiden van het lijden van de wereld.

Maar elke keer moet ik na een tijd elders kijken. En in mijn verbeelding heb ik in plaats daarvan gekeken naar die eenzame, verwrongen en gepijnigde figuur aan het kruis, met nagels door zijn handen en voeten, zijn rug gegeseld, ledematen ontwricht, zijn voorhoofd bloedend van de stekelige doornen, mond droog en onverdraaglijk dorstig, ondergedompeld in een Godvergeten duisternis.

Dat is de God voor mij! Hij legde zijn ongenaakbaarheid af voor pijn. Hij kwam onze wereld van vlees en bloed en tranen en dood binnen. Hij leed voor ons. Ons lijden wordt meer verdraaglijk in het licht van het zijne.”


Gelezen bij Tony Reinke; fragment uit 'The Cross of Christ', door John Stott, (IVP, 1986), pag. 335—336 en geciteerd door Randy Alcorn in zijn nieuwe boek, 'If God is Good: Faith in the Midst of Suffering and Evil' (Multnomah, 2009), pag. 217

donderdag 23 april 2009

Goede vrienden en spiegels

"Wie een goede vriend heeft, heeft geen spiegel nodig"


(John Stott citeert een indiaans spreekwoord, hier gelezen)

zaterdag 4 april 2009

Wat ik het meest nodig heb en het minst wil

John R. W. Stott beleed eens de waarheid die velen van ons voelen maar minder graag toegeven: "Dit waarvan ik weet dat het me de grootste vreugde zal geven - namelijk om alleen en volkomen gerust in Gods tegenwoordigheid te zijn, mij bewust van Zijn aanwezigheid en mijn hart open om Hem te aanbidden - is vaak dat waar ik het minst naar verlang."


(gelezen bij Brian Bell)

donderdag 26 maart 2009

John Stott: de dubbele invloed van de christen

"Jullie zijn het zout van de aarde ... Jullie zijn het licht in de wereld ..." - Jezus Christus, Mattheüs 5:13-14


"Zo roept Jezus zijn discipelen om een dubbele invloed uit te oefenen op de seculiere gemeenschap. Een negatieve invloed door zijn bederf te stoppen en een positieve invloed door licht te brengen in zijn duisternis. Want het is een iets om de verspreiding van het kwaad te stoppen; het is iets anders om de verspreiding van waarheid, schoonheid en goedheid te bevorderen."

(John Stott in ' The Message of the Sermon on The Mount')

Hier gelezen.

zaterdag 17 januari 2009

De aanklacht van ons gevallen hart

“Veel dat we in onze beschaafde samenleving als normaal beschouwen is gebaseerd op de veronderstelling dat de mens zondig is. Zowat alle wetgeving is er gekomen omdat je van menselijke wezens niet kunt vertrouwen dat ze hun disputen met rechtvaardigheid en zonder eigenbelang kunnen oplossen.

Een belofte is niet genoeg; we hebben een contract nodig.

Deuren zijn niet genoeg; we moeten ze op slot doen en vergrendelen.

Het betalen van reiskosten is niet genoeg; er moeten tickets uitgegeven worden die we inspecteren en ophalen.

Recht en orde zijn niet genoeg; we hebben de politie nodig om ze af te dwingen.

Dit is allemaal te wijten aan de zondigheid van de mens. We kunnen elkaar niet vertrouwen. We hebben bescherming nodig tegen elkaar. Het is een vreselijke aanklacht van onze menselijke natuur.”

(John Stott in “Basic Christianity”)


Maar er is ook goed nieuws: “Deze boodschap is betrouwbaar en verdient onze volledige instemming: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden. Ik was de eerste” (1Tim1:15)

(Gelezen bij Josh Harris)

donderdag 10 april 2008

Geen andere keuze

"Jezus' autoriteit op aarde bezorgt ons de durf om tot alle volken te gaan.
Zijn autoriteit in de hemel geeft ons alle hoop op succes.
En zijn tegenwoordigheid onder ons laat ons geen andere keuze."

John Stott

maandag 7 april 2008

Voorbereiden op je knieën

• John Stott: "Ik heb het altijd een hulp gevonden om zoveel mogelijk van mijn preekvoorbereiding op mijn knieën te verrichten, met mijn bijbel open voor me, in biddende overdenking."

• R.W. Dale: "Werk zonder gebed is atheïsme; en gebed zonder werken is aanmatiging."

maandag 18 februari 2008

Zicht op God bepalend voor gebed



"Jezus heeft ons met het Onze Vader een model gegeven van echt bidden, christelijk bidden, in tegenstelling tot het bidden van de Farizeeërs of de heidenen. We zouden natuurlijk zelfs het onze Vader op een hypocriete of automatische manier kunnen bidden. Maar als we menen wat we zeggen, wordt het Onze Vader het alternatief dat God ons biedt in plaats van beide vormen van verkeerd bidden.

De fout van iemand die schijnheilig is, is dat hij alleen aan zichzelf denkt. Zelfs in zijn bidden is hij alleen bezig met zijn eigen imago en hoe hij eruit ziet in de ogen van iemand die hem ziet. Maar in het Onze Vader zijn christenen uitsluitend bezig met God - met zijn naam, zijn koninkrijk, zijn wil en niet die van henzelf.
De fout van de heiden is gedachteloosheid. Hij blijft maar wat brabbelen en gebruikt daarbij een liturgie zonder betekenis.

Tegenover deze dwaasheid nodigt Jezus ons uit om al onze noden bekend te maken aan onze Hemelse Vader op een nederige, doordachte manier, en op die manier onze dagelijkse afhankelijkheid van Hem tot uitdrukking te brengen.

Het fundamentele verschil tussen de verschillende manieren waarop men bidt ligt dus in de fundamentele verschillen in ons zicht op God. Wat voor soort god is het die geïnteresseerd zou zijn in zulke zelfzuchtige, gedachteloze gebeden? Is God een nuttig artikel dat we kunnen gebruiken om onze eigen status te verhogen, of een computer dat we automatisch woorden in Hem stoppen? Vanuit deze ideeën die onwaardig zijn voor God keren we opgelucht terug naar wat Jezus ons leert, namelijk dat God onze Vader in de hemel is.

We moeten onszelf eraan herinneren dat Hij een diepe, tedere liefde voor zijn kinderen heeft, dat Hij zijn kinderen zelfs op een verborgen plaats ziet, dat Hij de noden van zijn kinderen kent al voordat ze Hem erom vragen, en dat Hij zich voor hen inzet met zijn hemelse, koninklijke macht. Als we zo ons beeld van God laten vormen door de Schrift zullen we nooit op een schijnheilige manier bidden maar altijd met integriteit; nooit automatisch maar altijd bewust, zoals kinderen van God."

John Stott in "Bijbels Dagboek" (Ark Boeken), naar aanleiding van Mattheüs 7:11.