Posts tonen met het label toorn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label toorn. Alle posts tonen

maandag 7 april 2014

'Toen ging er vuur uit van de HERE' (Lev. 10)


Leviticus 10; Psalmen 11-12; Spreuken 25; 1 Thessalonicenzen 4
In Leviticus 8 worden Aäron en zijn zonen via een door God voorgeschreven ritueel tot priesters gewijd. In Leviticus 9 beginnen ze hun dienst. Hier, in Leviticus 10, nog altijd binnen de zeven dagen van hun wijdingsrituelen, stoppen twee zonen van Aäron, nl. Nadab en Abihu, kolen in hun vuurpannen en voegen er reukwerk bij, schijnbaar in de overtuiging dat ze iets zullen toevoegen aan de ceremonies en rituelen die God instelde.

Maar ‘Toen ging er vuur uit van de HERE en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN’ (10:2). Voor Aäron zich kan verzetten komt Mozes met een woord van God: ‘Dit is het, wat de HERE gesproken heeft: aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Aäron zweeg’ (10:3).

Dit is niet alles. Mozes benadrukt dat Aäron en zijn overblijvende zonen, Eleazar en Ithamar, de heilige wijdingscyclus niet mogen onderbreken om deel te nemen aan de publieke rouw om Nadab en Abihu. Ze mogen de tabernakel niet verlaten, want ‘de zalfolie des HEREN is op u’ (10:7). Neven zullen zich over de stoffelijke overschotten ontfermen en de familieverplichtingen op zich nemen (10:4-5).

Wat moeten we ervan denken? Een cynicus zou zeggen dat dit rituelen boven mensen stelt. Is God niet een beetje ongevoelig wanneer Hij twee fijne zonen neerslaat die slechts poogden om de aanbiddingsdienst wat op te leuken?

Ik beweer allerminst alle antwoorden te hebben. Maar denk na over volgende punten:

(1) God heeft meermaals gezegd dat al wat verbonden is met de dienst van de tabernakel precies moet gebeuren volgens het op de berg aangeleverde patroon. Hij heeft zich al een God betoond die geen rivalen duldt en die verwacht te worden gehoorzaamd. Wat er op het spel staat is of God wel God is.

(2) Doorheen de Bijbel merk je dat, hoe dichter het volk bij tijden en omstandigheden van openbaring of opwekking staat, hoe directer de Goddelijke straf is tegen wie Hem vertreden. Uzza steekt zijn hand uit om de ark niet te laten vallen en wordt gedood; Ananias en Saffira worden gedood omwille van hun leugens. In koudere, meer rebelse tijden, lijkt het of God het volk buitengewoon ver laat gaan in het kwade voor Hij de teugels aanhaalt. Maar de eerstgenoemde periodes brengen grotere zegen: meer van de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, meer toegewijde ijver onder het volk.

(3) In de context bekeken hadden Nadab en Abihu haast zeker provocerende en weerspannige motieven. Want wanneer Aäron een andere aanpassing doorvoert in het ritueel, met de beste motieven, ontmoet hij verrassende flexibiliteit (10:16-20).

(4) Deze stevige les bereidde de priesters voor op dat andere belangrijke onderdeel in hun dienst: ‘opdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein, en opdat gij de Israëlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de HERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft (10:10-11, cursief toegevoegd).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 5 november 2013

Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt (Hos. 11)


2 Koningen 18; Filemon; Hosea 11; Psalmen 132-134

In Hosea 9 zegt God over zijn verbondsvolk: ‘Al hun boosheid is in Gilgal, daar heb Ik ze dan ook gehaat; wegens hun boze handelingen zal Ik ze uit mijn huis verdrijven. Ik zal ze niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandelingen’ (9:15).

Maar hier in Hosea 11 verklaart God, ‘Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt’ (11:8). Hoe moeten we deze twee passages samen zien?

Ten eerste is deze emotionele onrust de taal van de afgewezen echtgenoot: in dit boek speelt de Almachtige God de rol van de bedrogen echtgenoot. Maak alle voorbehoud dat je wilt bij antropomorfisme, dit is al evenzeer de manier waarop God zich voorstelt in de Schrift als de passages waar zijn volkomen soevereiniteit wordt bevestigd.

Het is het naast elkaar zetten van dergelijke thema’s dat het orthodoxe confessionalisme ertoe dreef te beklemtonen dat God tegelijk, aan de ene kant, soeverein en transcendent is, en aan de andere kant, persoonlijk en in interactie met zijn beelddragers.

Ten tweede maakt het naast elkaar zetten van Gods toorn en Gods liefde het onnodig om verzen uit twee hoofdstukken weg te halen (9 en 11).
In hoofdstuk 11 is de spanning al bijna niet te dragen. Het hoofdstuk begint met een korte historische terugblik. God verloste Israël uit Egypte ten tijde van de Exodus (11:1) en Hij leert haar lopen, door haar te leiden ‘met mensenbanden’, ‘met koorden der liefde’ (11:4).

Maar hoe meer Hij Israël begunstigde, hoe meer zij afdwaalden (11:2), en ze weigerden absoluut om zich te bekeren (11:5). Dus zal God tot hen komen met grote toorn: ‘Het zwaard zal zijn steden treffen en zijn grendels vernietigen en verteren, wegens hun overleggingen. (…) En al roepen zij tot Hem omhoog, Hij zal hen geenszins opheffen’ (11:6-7).

Het klinkt alsof het te laat is. En dan, plotseling, bijna alsof God tegen zichzelf spreekt, vraagt Hij hoe Hij hen ooit zou kunnen prijsgeven (11:8).
Wat is het antwoord? Het antwoord ligt in het karakter van God zelf. Hij is niet net als een bedrogen echtgenoot. ‘Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed’ (11:9).

Of, nog preciezer, zoals de volgende twee verzen aantonen, zal Hij niet finaal in toorn tot hen komen. Zij zullen in gevangenschap gaan, maar Hij zal opnieuw brullen met de koninklijke sierlijkheid van de leeuw en zal zijn kinderen roepen uit het westen, uit Egypte, uit Assur, en ze zullen terug in hun huizen wonen.

Binnen het grotere canonieke kader betekent het feit dat God God is en niet maar een sterveling, het feit dat zowel aan zijn toorn als aan zijn liefde moet voldaan worden, dat toorn en liefde samen zullen komen aangesneld – tot ze elkaar ontmoeten in het kruis, het kruis van de mens die ook werd geroepen uit Egypte om de volmaakte zoon te zijn, het volmaakte tegenbeeld van Israël (11:1; Matt. 2:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 oktober 2013

Zoals gij u verheugt omdat het erfdeel van het huis Israëls verwoest is, zó zal Ik aan u doen (Ez. 35)

1 Koningen 4-5; Efeziërs 2; Ezechiël 35; Psalm 85

Je zou je best kunnen afvragen waarom Edom speciaal moet aangeklaagd worden in Ezechiël 35. Hoort dit materiaal niet thuis bij de hoofdstukken 25-32? Zou deze passage niet moeten verbonden worden met de korte aanklacht tegen Edom in 25:12-14?

De eenvoudigste oplossing is natuurlijk te veronderstellen dat dit een latere invoeging is (hetgeen door sommige critici beweerd wordt). Maar dit werpt terug de vraag op: waarom was degene die invoegt zo dwaas? Als we bovendien geen redenen kunnen vinden waarom de plaats van dit hoofdstuk zinvol is, dan maakt het natuurlijk wel uit als het hier geplaatst wordt in de originele tekst.

Formeel gezien behoudt Ezechiël 35 iets van de structuur van de aanklachten in hoofdstuk 34: ‘omdat … daarom’ (bijv. 35:5-6, 10-11). Wat belangrijker is, van alle omringende landen was Edom in een bepaald opzicht een speciaal geval. Het volk van Edom stamde af van Ezau, en de oude rivaliteit tussen Jakob en Esau was overgegaan in de rivaliteit tussen Israël en Edom, twee volkeren van verwanten die verdeeld waren door een gedeelde vijandigheid.

Edom wordt natuurlijk niet specifiek vermeld in dit hoofdstuk; de verwijzing is in de plaats naar de berg Seïr (35:2) – d.w.z. de bergstreek oostelijk van de Arabah, de vallei die zuidelijk loopt van de Dode Zee. Daar koesterden ze hun ‘oude vijandigheid’ (35:5).

Maar de vier verwijzingen naar ‘bloed’ in dit hoofdstuk (Hebreeuws ‘dam’) kan een bewuste woordspeling zijn met het onvermelde woord Edom, als een manier om aan te duiden dat Edoms gevoelloze bedrog des te weerzinwekkender was omwille van de graad van verwantschap die ze hadden met Israël. Toen Jeruzalem op het punt stond in te storten, hoopte Edom te kunnen profiteren van de vernietiging van de ‘beide volken’ (35:10, Israël en Juda) voor territoriale uitbreiding.

Waarschijnlijk probeerden ze steun aan Nebukadnessar als pasmunt te gebruiken voor de belofte van territoriale winst. Bovenal is hun leedvermaak met hun gevallen rivalen (35:12-15) in Gods ogen niets minder dan de Heer zelf verachten: de Here was daar (35:10), verklaart God; ‘gij hebt een hoge toon tegen Mij aangeslagen en grote woorden tegen Mij opeengestapeld – Ik heb het wel gehoord’ (35:13), waarschuwt God.

In feite zal een deel van het herstel van de Israëlitische ballingen tot het land inhouden dat het veilig voor hen wordt gemaakt: het land moet bevrijd worden van het ‘wild gedierte’ (34:25) die het geteisterd hebben. Indien dit subtiel alludeert aan de omringende stammen die probeerden binnen te trekken, dan is deze profetie van de verwoesting van Edom heel passend hier geplaatst (zie ook de overdenking van morgen).

Dus behoorlijk los van impliciete waarschuwingen tegen gekoesterde bitterheid en op vetes lijkende vendetta’s, verzekert dit hoofdstuk ook het verbondsvolk impliciet opnieuw van Gods voortgaande toewijding aan hun welzijn – inclusief de vernietiging van hun vijanden.

Welke Nieuwtestamentische gedeeltes laten dezelfde toon horen, omgezet naar de sleutel van het nieuwe verbond?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 22 september 2013

Zeg tot de Ammonieten: hoort het woord van de Here HERE (Ez. 25)

2 Samuël 18; 2 Korintiërs 11; Ezechiël 25; Psalm 73

Ezechiël 25-32 is gewijd aan Ezechiëls profetieën tegen de volken. Indien Jahweh de God van de hele aarde is, dan hoeft het niet te verrassen als hij dingen te zeggen heeft aan afzonderlijke naties buiten Israël, die ook nogal verschillen van alles wat Hij zonder onderscheid tegen alle volkeren te zeggen heeft.

Er is zeker uitgebreid bewijs dat God alle volkeren verantwoordelijk houdt voor de zonden die zij op grote schaal begaan hebben – al houdt Hij hen dan niet aansprakelijk voor de details van de Wet van Mozes, Hij is zeker in staat om oordeel te brengen waar er sprake is van hoogmoed, wreedheid, geweld, overspeligheid en hebzucht. Deze spreuk geldt altijd: ‘Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën’ (Spr. 14:34).

Vier meer inleidende opmerkingen zullen ons naar deze hoofdstukken brengen.

(a) Het aantal behandelde volkeren is zeven: Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, Sidon en Egypte. Hetzelfde aantal volkeren verschijnt in Amos. Deze profetieën kunnen uitgesproken zijn over een langere periode van Ezechiëls bediening, maar het feit dat ze op deze manier tot zeven verzameld zijn, en slechts zeven, suggereert dat het getal zelf symbolisch is: God spreekt tot alle volkeren.

(b) Intrigerend genoeg is Babylon er niet bij. Mogelijk is dit omdat Babylon Gods uitvoerder is bij het verpletteren van al deze volkeren.

(c) Het overgrote deel van de ruimte wordt gebruikt voor de veroordeling van Tyrus, op dat moment een krachtige stad-staat die heel veel rijkdom vergaarde door haar handel. Nadat Nebukadnessar klaar was met Jeruzalem, was Tyrus de volgende stad die hij met succes belegerde – en die belegering duurde dertien jaar. Ongetwijfeld waren de ballingen zeer geïnteresseerd om te horen of een stad als Tyrus al dan niet op dezelfde manier aansprakelijk werd gehouden als Jeruzalem.

(d) Vanuit een literair gezichtspunt, heeft het bundelen van deze profetieën tot één groep, samengebald tussen hoofdstuk 24 en 33 (wanneer het nieuws over Jeruzalems val in Babylon wordt vernomen), het effect van een verhoogde dramatische spanning. De eerste twee dozijn hoofdstukken van Ezechiël specifiëren op kleurrijke manier wat God zal doen. Dan, vooraleer de uitkomst te onthullen, verhaalt dit boek dat Gods gerechtigheid zal worden opgelegd aan alle volkeren. En dan volgt het verslag van wat Jeruzalem is overkomen.

De last van Ezechiël 25, met zijn profetieën tegen de eerste vier volkeren (elk ervan kleine staten rond Juda), bevat een nuttige les. Wanneer het machtige Babylonische leger uiteindelijk Jeruzalem aanviel en verwoestte, namen deze nabijgelegen staten deel aan de finale aanval. Waarschijnlijk poogden ze voor een deel in de gunst van Babylon te komen. Ze probeerden ook Juda te slopen.

Hun harteloze begerigheid en hoogmoedige wraak is een gruwel voor de Heer, en daarvoor zullen ze betalen. Denk na over de implicaties.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 september 2013

Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal (Ez. 5)

1 Samuël 26; 1 Korintiërs 7; Ezechiël 5; Psalmen 42-43
In Ezechiël 5 breidt Ezechiël zijn lijst van parabolische acties nog met een actie uit, en dan zet hij Gods woord uiteen met hun betekenis.

Ezechiël scherpt een zwaard en gebruikt het als een scheermes. Hij scheert zijn hoofd, baard en alles. Nadat hij er een paar strengen van in zijn kleren heeft gebonden, verdeelt hij de rest in drie hoopjes. Het eerste legt hij in de stad (d.w.z. op de kleitablet die model staat voor de stad Jeruzalem, 4:1) en hij steekt de haren in brand, misschien met een brandende kool.

Een ander derde deel strooit hij uit rond de stad, en hakt ze dan fijn met zijn zwaard tot er maar minieme deeltjes van overblijven.

Het laatste derde deel strooit hij in de wind, enkele haartjes per keer, tot ze allemaal weggewaaid zijn. Enkele van de haren die in zijn kleren waren gebonden haalt hij nu uit en strooit ze op de smeulende kool en assen binnen het stadsmodel, en ook die vatten vlam en verteren.

De betekenis van dit alles wordt uiteengezet in 5:12: een derde van het volk zal omkomen binnen de stad (door de hongersnood van de belegering), een derde deel zal door het zwaard sterven bij de finale uitval, en het resterende derde deel zal verstrooid worden in ballingschap.

Het volledige hoofdstuk benadrukt dat het God zelf is die dit oordeel over zijn volk zal brengen: onderstreep elke keer er ‘Ik’ staat in 5:8-17. Dit is wat er gebeurt als de Heer schiet om te doden (5:16). ‘Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal’ (5:9); deze formulering betekent dat dit oordeel zo erg is als tijdelijke oordelen maar kunnen zijn.

Jezus zelf gebruikt vrijwel dezelfde woorden als het gaat over het komende oordeel over Jeruzalem in zijn eeuw (Mt. 24:21).

God zegt dat zijn toorn moet uitgestort worden. Maar deze toorn is geen onbeheersbare woedeuitbarsting. God benadrukt dat wanneer het oordeel ten volle uitgestort wordt, zijn grimmigheid gestild zal worden en zijn woede gekoeld (5:13).

Deze uitbarsting van toorn maakt deel uit van een reeks uitgesproken uitbarstingen van toorn van de zondeval af: de vloek in Genesis 3, de zondvloed, Babel, de slavernij in Egypte, diverse oordelen in de woestijn (inclusief het ronddolen in de woestijn gedurende veertig jaar), enzovoort.

In cycli van oordeel die overeenstemmen met cycli van bijzonder schandelijke zonde, giet God zijn toorn uit. Dit maakt allemaal deel uit van de noodzakelijke Bijbelse theologie achter Romeinen 3:20-26: er is geen oplossing voor de dreiging van Gods rechtvaardige toorn over zijn schepselen die tegen Hem in opstand zijn gekomen – tot de persoon van zijn God-Zoon zelf de toorn op zich neemt die wij verdienen, waarbij Hij zijn gerechtigheid bewaart terwijl Hij ons rechtvaardigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 18 augustus 2013

Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen? (Jer. 47)


1 Samuël 10; Romeinen 8; Jeremia 47; Psalmen 23-24

Hoewel een kort hoofdstuk, is Jeremia 47 toch belangrijk. Het begint met een profetie met betrekking tot de val van Filistijnse stadsstaten langs de kust, en eindigt met een van de meest tot nadenken stemmende stukjes benauwdheid aan het einde van dit boek.

Ten eerste de profetie (47:1-5). Haar precieze datering is nogal onduidelijk: ze kwam tot Jeremia ‘voordat Farao Gaza innam’ (47:1). Dit kan gebeurd zijn toen farao Necho van Egypte noordwaarts trok om Haran aan te vallen in 609 v.C.

Gaza, een van de Filistijnse stadsstaten, lag op die route. Maar hoewel dit aantoont dat de profetie tot Jeremia kwam voor de tijd dat de Egyptische suprematie voorbij was, ging het niet om Egyptische agressie, maar Babylonische: de wateren die ‘het land met al wat zich erop bevindt’ overstromen, ‘komen opzetten uit het Noorden’ (47:2) – de richting van waaruit de Babylonische macht zou komen.

De beeldrijke taal van de opeenvolgende vernietigingen is niet mooi om zien. De paniek is zodanig fel, zegt Jeremia, dat de vaders niet omzien naar de kinderen (47:3).

Vers 4 werd mogelijk niet correct vertaald. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Tyrus en Sidon afsnijden’, en de uitdrukking kan betekenen dat iedere hulp vanuit deze Phoenicische steden wordt tegengehouden, zodat die de Filistijnse steden verderop langs de kust niet kan bereiken. In elk geval is het de Heer die de Filistijnen verdelgt, wat ook hun kracht (47:4).

Gaza en Askelon (47:5) waren twee van hun belangrijkse steden. ‘Kaftor’ (47:4) is de oude naam voor Kreta, waar de oorspronkelijke Filistijnen vandaan kwamen – als je zegt dat de Heer op het punt staat ‘de rest van het eiland Kaftor’ te verdelgen, is dit een poëtische manier om te zeggen dat de Heer op het punt staat de Filistijnen uit te roeien.

Ten tweede, de uiteindelijke tot nadenken stemmende benauwdheid (47:6-7). In kleurrijke beelden schetst Jeremia de Filistijnen die (volgens bijv. de Engelstalige NIV-vertaling) het zwaard des Heren aanspreken: ‘Wee, zwaard des HEREN, [schreeuwen jullie, zie NIV] tot wanneer zult gij niet rusten? Trek u terug in uw schede, wees rustig en houd u stil!’ (47:6).

Dit veronderstelt dat de Filistijnen erkennen dat het Israëls God, de Heer zelf is, die het oordeel over hen gebracht heeft via de Babyloniërs. De Engelstalige NIV-vertaling voegt er dus de woorden ‘you cry’ (‘schreeuwen jullie’) aan toe. Hoewel het mogelijk is het Hebreeuws op die manier te verstaan, komen deze woorden strikt gesproken niet in de tekst voor: ze moeten toegevoegd worden.

Maar laat je deze woorden gewoon weg, dan is het Jeremia zelf die het zwaard des Heren aanspreekt. De Filistijnen mogen dan heidenen zijn, en ze mogen Israël vaak onderdrukt hebben, nu staan ze op het punt verpletterd te worden – en door de Babyloniërs, Juda’s vijand nummer één. Dus bidt Jeremia voor de Filistijnen.
Maar het laatste vers toont aan dat hij zeer goed begrijpt dat hij Gods zwaard niet kan bevelen. De Heer zelf heeft het bevolen, de God van het rechtvaardige oordeel, en het zal zijn werk doen. Zo ook op de laatste dag.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 1 juli 2013

Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? (Mt. 11)


Jozua 3; Psalmen 126-128; Jesaja 63; Matteüs 11

We mogen het vanzelfsprekende niet negeren: in dit gedeelte (Mt. 11:2-19) is Johannes de Doper teleurgesteld.

Hij is teleurgesteld omdat Jezus niet voldoet aan zijn verwachtingen. Johannes heeft iemand aangekondigd die niet alleen mensen zou dopen met de Heilige Geest (3:11), maar die ook zou komen met streng oordeel, terwijl Hij koren en kaf zou scheiden en dat laatste zou verbranden (3:12).

Maar hier is Jezus dan, predikend tot grote massa’s mensen, zijn eigen volgelingen trainend, wonderen verrichtend – maar geen duidelijk oordeel volvoerend over de zondaars. Johannes de Doper kwijnt weg in de gevangenis voor de niet mis te verstane manier waarop hij Herodes’ onwettige huwelijk veroordeelde. Waarom heeft Jezus Herodes niet veroordeeld en met wonderbaarlijke kracht oordeel opgelegd?

Jezus antwoordt (Mt. 11:4-6) door zijn dienstwerk te beschrijven met de bewoordingen van twee cruciale gedeeltes uit Jesaja - 35:5-6 en 61:1-2. Maar Johannes de Doper kende zeker de boekrollen van Jesaja zeer goed. Elders citeerde hij er zelf uit (3:3, een citaat uit Jes. 40:3).

Dus wanneer Jezus zal verwijzen naar die gedeeltes (kan Johannes zich ook zelf afvragen), waarom vermeldt Hij dan ook niet altijd het oordeelsthema in dezelfde context? Uiteindelijk vermeldt Jes. 35:5-6 niet alleen dat de lammen zullen springen en dergelijke, maar ook ‘de vergelding gods’.

Jesaja 61 spreekt over het prediken van goed nieuws aan de armen, maar het grijpt ook vooruit naar ‘een dag der wrake van onze God’ (Jes. 61:2, zie de overdenking voor 29 juni). Waarom vermeldt Jezus de zegeningen zonder de oordelen?

Het is eigenlijk alsof Jezus zegt, ‘Johannes, kijk goed: de beloofde zegeningen van het koninkrijk komen eraan. Wat ik doe zijn exacte vervulling van de Schrift. Indien het oordeel nog niet aangebroken is, dan zal het komen, maar nu nog niet. Focus je momenteel op de goede dingen die gedaan worden, en laat het een bevestiging zijn dat ik ben wie ik zeg te zijn.

Jezus neemt nog drie stappen om Johannes te verdedigen, en daarvan vermeld ik er kort twee.

(a) Hij waarschuwt hen die in dit gesprek meeluisterden dat ze geen moment mogen denken dat Johannes werkelijk een of ander zwak riet is, heen en weer bewogen door de wind van moeilijke omstandigheden, en nog minder iemand die zich schuldig maakt aan zelfverrijking (11:7-8).

Verre van: (b) de rol van Johannes in de heilsgeschiedenis maakt hem degene die de komst van de Soevereine Heer aankondigt, naar Hem wijst, in een vervulling van de profetie van Maleachi (11:10). Dit is wat Johannes de Doper op dat moment tot de grootste mens maakt geboren uit vrouwen – groter dan Abraham of David of Jesaja – want hij kondigt eigenlijk Christus aan en wijst expliciet naar Hem. Dit is waarom de minste in het koninkrijk, aan deze kant van het kruis, nog groter is (11:11): jij en ik wijzen naar wie de Messias is met zelfs nog meer relevantie en nog explicieter. Dit is waar onze grootheid ligt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 11 mei 2013

Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af (Jes. 9:7-10:4)


Numeri 20; Psalmen 58-59; Jesaja 9:7-10:4; Jakobus 3
Jesaja 9:7-10:4 keert terug naar het thema van oordeel, maar deze keer is het niet gericht tegen het zuidelijke koninkrijk van Juda (zoals in 5:8-25) maar tegen het noordelijke koninkrijk van Israël (neergezet als ‘Efraïm’ en ‘Samaria’, 9:8).

Het gedeelte wordt opgedeeld in vier secties, die elk eindigen met hetzelfde refrein: ‘Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt’ (9:11, 16, 20; 10:4). Dit refrein beantwoordt de vraag, ‘Wat zal God doen met een volk dat Hem zelfs niet wil zoeken in een situatie van sociale instorting en dreigende verwoesting?’.

Dit zijn al kenmerken van Gods oordeel over de natie, maar er is nog altijd geen teken van berouw. Dus wat zal God doen? Het antwoord is dat, zelfs al is Gods oordeel langzamerhand opgeschroefd, het duidelijk nog niet genoeg is – zo wordt zijn toorn niet afgewend; zijn hand blijft uitgestrekt.

God heeft reeds een ‘woord’ gezonden tegen Jakob (9:7), maar zij hebben er geen acht op geslagen; ‘het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en het heeft de HERE der heerscharen niet gezocht’ (9:12). Wat nog overblijft is ‘de dag der bezoeking’ (10:3; of: ‘dag van de vergelding’, HSV en NBV).

Er is nog een ander ruw gedachteverloop doorheen de vier secties. De eerste twee secties neigen ernaar de morele achteruitgang te benadrukken: ‘want elkeen is een godvergetene en een booswicht en elke mond spreekt dwaasheid’ (9:16). Maar goddeloosheid brandt en verteert als een bosbrand (9:18).

Al snel volgt sociale desintegratie en maatschappelijke ineenstorting (9:19-10:4). Uiteindelijk zullen de Assyriërs het noordelijke koninkrijk van de kaart vegen. (Aram/Syrië werd ingenomen door Assyrië in 732 v.C., Israël in 722. Juda werd verwoest door Assyrië in 701, maar niet totaal vernietigd; daarvoor was het wachten op de Babyloniërs een eeuw later.)

Nog maar eens legt deze sectie van Jesaja, hoewel ze de bevolking van het noordelijke koninkrijk veroordeelt voor hun openlijke zonde en hun falen om de door God gegeven waarschuwingen in acht te nemen, de eerste verantwoordelijkheid bij de leiders.

Daarom zal ‘de HERE op één dag van Israël kop en staart, palmtak en riet’ afsnijden ... ‘De oude en aanzienlijke, die is de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die is de staart. De leiders van dit volk waren verleiders en wie zich leiden lieten, werden op een doolweg gebracht’ (9:13-15).

‘Wee hun die heilloze verordeningen uitvaardigen, en de schrijvers die lasten voorschrijven, om de geringen van het recht weg te dringen en aan de ellendigen mijns volks het recht te ontroven, zodat de weduwen hun buit worden en zij de wezen uitplunderen. Wat zult gij dan doen op de dag der bezoeking en bij de verwoesting die uit de verte komt? Tot wie zult gij vluchten om hulp en waar zult gij uw heerlijkheid laten?’ (10:1-3)


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 december 2012

Zij werden verzengd door de grote hitte … en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven (Opb. 16)



2 Kronieken 30, Openbaring 16, Zacharia 12:1-13:1, Johannes 15
De zeven schalen van Gods toorn of gramschap (Opb. 16), met daarin de laatste zeven plagen (zie ook Opb. 15), worden uitgegoten over de aarde. Ongetwijfeld is veel van de taal symbolisch geladen; soms is die duidelijk, soms is die moeilijker te verstaan.

Hier wil ik focussen op één zinsdeel dat herhaald wordt. Wanneer de vierde engel zijn schaal uitgoot, staat er over de slachtoffers dat ze ‘werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God, die de macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven’ (16:9, cursief toegevoegd).

Hetzelfde na de vijfde schaal: mensen‘lasterden de God des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen, en zij bekeerden zich niet van hun werken' (16:11, cursief toegevoegd).

We moeten nadenken over deze sombere gedeeltes.

(1) Ze komen meteen na de semi-poëtische zinnen van de voorgaande verzen: ‘Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart, Gij Heilige, dat Gij dit oordeel hebt geveld. Omdat zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; zij hebben het verdiend! … Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig’ (16:5-7).

Dit thema kwamen we al eerder tegen. Indien God de aanhoudende aanvallen op zijn verbondsvolk negeert, indien hij pretendeert dat de ernstige boosheden die werden begaan in de wereld nooit gebeurden, wordt Hij zelf aangetast: dan is hij hoogstens amoreel, misschien immoreel.

(2) In bepaalde opzichten verklaren de vreselijke woorden van 16:9 iets van de hel zelf. De hel is niet gevuld met mensen die hun lesje geleerd hebben. Ze is vol mensen die nog altijd weigeren zich te bekeren. Zoals degenen die onder deze plagen lijden, lijden ze en vervloeken ze God omwille van hun lijden, maar ze weigeren zich te bekeren van wat ze gedaan hebben. Dit is hoe de hel eruitziet: een voortgaande cyclus van zonde, rebellie, oordeel, zonde, rebellie, oordeel, een eindeloze herhaling.

(3) Deze schriftgedeeltes van verschrikkelijk oordeel moeten gezien worden in het kader van het volledige boek Openbaring. Openbaring 5 heeft al de aandacht gevestigd op de Leeuw/het Lam wiens triomfantelijke lijden mannen en vrouwen gered heeft uit elke stam en taal en volk en natie.
Openbaring eindigt met een uitnodiging: Geest en Bruid (een ander woord voor de kerk, het volk van God) roepen nog altijd ‘Kom’(22:17). ‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet’ (22:17). Er staat geschreven: ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd’ (22:11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 23 december 2012

'Zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden' (Opb. 14)



2 Kronieken 27-28, Openbaring 14, Zacharia 10, Johannes 13
In Openbaring 13 ontdekten we dat al wie onder het gezag staat van het onheilig triumviraat een teken op het voorhoofd heeft. Dit betekent dat ze kunnen deelnemen aan de wereldorde van de draak en zijn beesten en dat ze gespaard blijven voor de toorn van Satan.

Hier in Openbaring 14 leren we dat wie behoren tot Gods volk ook iets op hun voorhoofd hebben – de naam van het Lam en van de Vader (14:1). Deze mensen staan op de berg Sion met het Lam en hen blijft alle toorn van het Lam bespaard. Wie het teken van het beest op hun voorhoofd hebben, moeten daarentegen nu de toorn van het Lam ondergaan, en drinken ‘van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn’ (14:10-11).

Deze beelden zijn afkomstig uit een nogal verschillend visioen, namelijk uit Ezechiël 9, waar Ezechiël ziet hoe God een man in linnen kleren opdraagt om een teken aan te brengen op de voorhoofden van alle mensen in Jeruzalem die rouwen over al de zonde die er bedreven wordt. Wanneer de uitvoerende engelen doorheen de stad trekken, vastbesloten tot dood en vernieling, sparen ze allen die Gods teken op het voorhoofd hebben.

Deze beelden worden nu in Openbaring op twee nogal verschillende manieren toegepast. Nu heeft iederéén een teken op het voorhoofd. Ofwel heb je het teken van het beest en wordt jou de toorn van het beest bespaard maar moet je Gods woede ondergaan; of je hebt het teken van het Lam, wat betekent dat Gods woede jou bespaard blijft, maar je wel onder de sancties valt van het beest.

Dus onder wiens toorn zou je liefst vallen? Je zult of de ene of de andere ondergaan. Zou je liever te maken krijgen met de toorn van Satan, of met de toorn van God?
De Heer Jezus leerde ons dat de persoon die we moeten vrezen Hem is, die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel (Mt. 10:28). Er zijn maar weinig schriftgedeelten die angstaanjagender zijn dan Openbaring 14 wat dit vooruitzicht betreft. Er wordt ons ongezouten verteld over de ‘rook van hun pijniging’ die ‘in alle eeuwigheden’ opstijgt, ‘en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt’ (14:11).

Weinig schriftgedeelten zijn nog explicieter over de eeuwige duur van deze straf. Het uiteindelijke grafische portret (14:19-20) is onvoorstelbaar afgrijselijk. In de antieke wereld werden in grote stenen vaten onderaan gaten geslagen, en de bodem werd gevuld met druiven. Jonge dienstmeisjes sprongen er vervolgens in en vertrappelden de druiven, waarbij ze ondertussen het sap eruit persten dat door de gaten liep en verzameld werd om te gebruiken bij het wijn maken.

Maar nu, in de nasleep van de finale oogst, moet je ervan uitgaan dat het mensen zijn die in dit vat geworpen worden, want wat uit ‘de grote persbak van de gramschap Gods’ (14:19) vloeit, is bloed, en het vloeit ongeveer 300 kilometer ver.

Dus wiens toorn zou je liever ondergaan?


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 19 december 2012

'Neem het boek en eet het op, en het zal uw buik bitter maken …' (Opb. 10)


2 Kronieken 22-23, Openbaring 10, Zacharia 6, Johannes 9
Veel beelden uit het boek Openbaring zijn afkomstig uit het Oude Testament. Het tegenbeeld voor de boekrol die Johannes eet (Opb. 10:8-11) bestaat uit een gelijkaardig beeld in Jeremia 15:16 en Ezechiël 2:8-3:3.

Elk van deze 3 schriftgedeeltes ontwikkelt het begrip van het eten van Gods woorden een klein beetje anders.

Jeremia contrasteert zichzelf met zijn vervolgers en treiteraars, met een ‘kring van lachers’ (Jer. 15:17) met wie hij nooit gemene zaak maakte. Hoe zou hij ook kunnen? Hij zat alleen omdat de hand van God op hem was. Hij nam de zonde in het land en het dreigende oordeel waar, en hij was vol verontwaardiging. Wat was het dat hem tot dit standpunt bracht? ‘Telkens als ik uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde, want ik behoor u toe, o HEER, God van de hemelse machten’ (Jer. 15:16, NBV).

In zijn visioen krijgt Ezechiël een boekrol te zien die aan beide zijden beschreven is met ‘klaagliederen, zuchten en weeklachten’ (Ez. 2:10, HSV). God draagt hem op zijn mond te openen en de boekrol te eten, en dan heen te gaan en tot het huis van Israël te spreken (Ez. 3:1). ‘Toen at ik die op, en zij was in mijn mond zoet als honig’ (Ez. 3:3).

Het verband maakt de betekenis duidelijk. Zelfs al was de boodschap die Ezechiël overbracht vol oordeel en geklaag, zelfs al legde hij de zonden van Jeruzalem uit aan de ballingengemeenschap en voorspelde hij de catastrofale val van zowel stad als tempel, toch moest Ezechiël dermate op één lijn staan met Gods perspectief dat hij Gods woorden zoet vond. Hoe hard de boodschap ook, Ezechiël zal Gods woorden van oordeel, als ze echt Gods woorden zijn, zoeter vinden dan alle woorden van de algemene opinie onder zichzelf rechtvaardigende zondaars.

In zijn visioen krijgt Johannes de ziener de opdracht een boekrol te nemen en die te eten. Er wordt hem verteld dat het zoet als honing zal smaken, maar dat het in zijn buik bitter zal worden (Opb. 10:9-10). De inhoud is opnieuw oordeel: Johannes ‘moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen’ (10:11). Maar hier ontwikkelt de symboliek zich lichtelijk anders.

Het is nog altijd belangrijk voor deze boekrol dat ze zoet smaakt in Johannes’ mond, d.w.z. dat hij zichzelf zodanig vereenzelvigt met God en diens waarheid dat hij Gods wegen en woorden zoet vindt. Maar nu wordt een extra laag toegevoegd: hoe belangrijk en goed het ook is om aan de kant te staan van Gods perspectief, hoe vitaal het ook is ‘Amen!’ te zeggen op Gods goede en noodzakelijke oordeel, toch is oordeel nog steeds oordeel. Er kan uiteindelijk geen genoegen bestaan bij het vooruitzicht van de toorn van God, hoe volkomen gerechtvaardigd die toorn ook is, want de zonde die eraan ten grondslag ligt is buitengewoon tragisch, zowel wat betreft de feiten op zich als wat betreft de gevolgen die eruit voortvloeien.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 15 december 2012

'Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet ... ' (Opb. 6)


2 Kronieken 17, Openbaring 6, Zacharia 2, Johannes 5
Openbaring hoofdstuk 4 en 5, waar we hier niet uitgebreider hebben bij stil gestaan, vormen een belangrijk gezicht dat ons voorbereidt voor veel van de rest van het boek – inclusief Openbaring 6.

Hoofdstuk 4 is voor hoofdstuk 5 wat een setting is voor een theaterstuk, een drama. Openbaring 4 schildert ons de troonzaal van de almachtige God in apocalyptische symbolen. De nadruk ligt op het ontzagwekkende van God, op zijn heiligheid, zijn transcendente en indrukwekkende heerlijkheid.

Zelfs de engelen met de hoogste rang bedekken hun gezicht wanneer ze buigen in aanbidding en God verheerlijken voor zijn heiligheid. In Openbaring 5 begint dan het drama. In de rechterhand van God rust een boekrol, die alle raadsbesluiten voor verlossing en oordeel blijkt te bevatten.

De boekrol is verzegeld met zeven zegels. In de symboliek van dit boek betekent het openen van de zegels hetzelfde als alle raadsbesluiten van God tot stand brengen voor verlossing en oordeel. Indien het boek ongeopend blijft, dan zullen Gods besluiten onvervuld blijven.

Een machtige engel houdt het hele universum een uitdaging voor: is iemand waardig om die geweldige en ronduit angstaanjagende God te benaderen, de boekrol te nemen, en de zegels te openen – met andere woorden, om te dienen als Gods afgezant die zijn besluiten ten uitvoer zal brengen? Niemand wordt waardig bevonden, en Johannes weent wanhopig.

Dan beveelt een van de oudsten dat hij niet langer zou wenen. De leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen. Johannes kijkt op doorheen zijn tranen, en ziet – een Lam.
Dit is geen dier bijkomend bij de Leeuw. Getrouw aan de gemengde aard van apocalyptische metaforen, is de Leeuw het Lam – en Hij daagt op uit het midden van de troon. Vanaf dan in het boek Openbaring wordt lof gebracht aan Hem die zit op de troon, en aan het Lam.

In Openbaring 6 zien we het Lam de zegels openen. Na verloop van tijd introduceert het zevende zegel zeven bazuinen (Opb. 8), die op hun beurt gevolgd worden door de zeven schalen van Gods toorn (Opb. 16). Zo wordt het volledige drama van het boek Openbaring ingeleid door het gezicht van Openbaring 4-5.

Met betrekking tot Openbaring 6 zal ik slecht op twee punten focussen.

(1) De martelaren die ‘onder het altaar’ zijn riepen met luide stem ‘Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen?’ (6:9-10). Het is een grote troost te weten dat gerechtigheid zal bewerkt worden, en dat erop zal toegezien worden dat die gebeurt; het is zelfs een nog grotere troost te weten dat God nog meer geduld heeft dan christenen.

(2) Maar wanneer dat oordeel dan komt, is er geen ontkomen aan, is er geen uitstel. Al wie opstandig waren tegen hun Schepper en nooit verzoend zijn met Hem, of het nu gaat om slaven of om de machtigen en krachtigen, roepen tot de bergen en de rotsen dat ze hen zouden verbergen ‘voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam’ (6:16). Maar wie kan zich verbergen voor de troon van God?

Eigen vertaling van de overdenking bij 15 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 11 november 2012

'Ja, naar het bevel van de HEERE gebeurde dit in Juda, om hen van voor Zijn aangezicht weg te doen' (2 Kon. 24)


2 Koningen 24, Hebreeën 6, Joël 3, Psalm 143
Het finale uiteenvallen van de Davidische dynastie was niet mooi om zien. De laatste hervormende koning, Josia, maakte een grove vergissing toen hij onnodig de strijd aanging met Farao Neko van Egypte. Josia verlóór niet alleen in 609 v.C., hij verloor ook zijn leven (1 Kon. 23:29) terwijl hij nog een relatief jonge man was.

Zijn zoon Joachaz werd koning op zijn drieëntwintigste, maar diens regering duurde slechts een goede drie maanden, tot Farao Neko hem liet oppakken en uiteindelijk wegvoerde naar Egypte, waar hij stierf. Farao Neko zette een andere zoon van Josia op de troon, meer bepaald Jojakim. Hij ging elf jaren mee. 2 Koningen 24 pikt daar de draad van het verslag op.

Het Juda van Jojakim zat gekneld tussen Egypte in het zuiden en westen en Babylon in het noorden en oosten. Dit laatste rijk had de bovenhand. Jojakim zelf was corrupt, verdorven op religieus vlak en hij had verheven gedachten over zichzelf. Hij voerde heidense cultussen terug in; geweld floreerde.

In het vierde jaar van zijn regering, in 605 v.C., werd Farao Neko verpletterd door de Babyloniërs in de slag van Karkemis aan de noordelijke Syrische grens; de macht van Egypte kon zich in bijna driehonderd jaar niet weer oprichten. Jojakim en het kleine landje Juda werden tot een vazalstaat die schatplichtig was aan het Babylonische rijk.
Maar in 601 v.C. kwam Jojakim in opstand. Nebukadnessar stuurde contingenten van zijn gewapende strijdkrachten om Juda te stropen. In december 598 v.C. zette hij zijn machtige leger in om Jeruzalem te belegeren. Jojakim stierf. Zijn achttien jaar oude zoon Jojakin regeerde drie maanden.

Geconfronteerd met een ongelooflijk moeilijke beslissing, gaf hij op 16 maart 597 v.C. het verzet op en gaf zich over. Koning Jojakin, de koningin-moeder, het koninklijke gevolg, de edelen, de mannen van waarde, de leidende ambachtslieden en de priesterlijke aristocratie (inclusief Ezechiël) werden meer dan 1.100 kilometer ver weggevoerd naar Babylon – in een tijd waarin een dergelijke afstand nog een heel, heel lange weg was.

Jojakin bleef in de gevangenis en onder huisarrest gedurende zevenendertig jaar vooraleer hij werd vrijgelaten; maar zelfs dan keerde hij nooit terug naar huis, zag hij Jeruzalem nooit meer terug. De Babyloniërs beschouwden hem nog altijd als de wettige koning (net als de bannelingen), maar ondertussen installeerden ze een interim-koning ver weg in Juda – zijn oom Sedekia, ook nog altijd maar eenentwintig jaar oud (24:18). Zijn einde hoort bij het volgende hoofdstuk.

‘Waarlijk, dit overkwam Juda naar het woord des HEREN, die het van zijn aangezicht wilde wegdoen, wegens alle zonden die Manasse gedaan had, en ook wegens het onschuldige bloed dat hij vergoten had; hij had immers Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed. De HERE wilde dat niet vergeven … Zo kwam het door de toorn des HEREN zover met Jeruzalem en Juda, dat Hij hen van zijn aangezicht verwierp’ (24:3-4, 20).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 11 augustus 2012

'God heeft hen overgegeven aan een verwerpelijk denken' (Rom. 1)



1 Samuel 1, Romeinen 1, Jeremia 39, Psalmen 13-14
Hoe manifesteert de toorn van God zich volgens de Schrift? Er is geen kort antwoord op deze vraag, omdat er velerlei antwoorden zijn, afhankelijk van een enorm arsenaal omstandigheden.

Gods toorn veegde bijna het gehele menselijke ras van de kaart bij de zondvloed. Soms is Gods straf voor zijn eigen verbondsvolk remediërend (zoals de nederlaag van het volk bij Ai nadat Achan zilver en fijne Babylonische klederen stal); andere keren verdraagt God, wat aan de ene kant genadig is, maar - gezien de verdorvenheid van Gods beelddragers –ook de kans vergrootte dat dingen uit de hand liepen. De finale demonstratie van Gods toorn is de hel zelf (zie bijvoorbeeld Opb. 14:6 e.v.).

Romeinen 1:18 e.v. schetst ons de openbaring van Gods toorn op een wat andere manier. Wat Paulus hier presenteert is niet het enige dat we over Gods toorn kunnen zeggen – zelfs niet in Paulus – maar het draagt iets heel belangrijks bij.

Niet alleen wordt Gods toorn geopenbaard over ‘alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden’ (1:18), maar de toorn manifesteert zichzelf ook in dergelijke zonden – d.w.z. in God die zijn volk overgeeft om te doen wat zij willen doen (1:24-28). Met andere woorden: in plaats van hen te bestraffen in remediërend oordeel of hun zonden aan banden te leggen, ‘heeft God hen overgegeven: aan ‘schandelijke lusten’ (1:26) en een ‘verwerpelijk denken’ (1:28). Het resultaat is toenemende ‘onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid’ (1:29). Het beeld dat geschetst wordt in de overige verzen van Romeinen 1 is niet mooi.

We moeten wat verder nadenken over wat dit betekent. In onze kortzichtigheid denken we soms dat God wat bruusk is wanneer Hij in bepaalde passages, vooral in het Oude Testament, zijn volk meteen tuchtigt voor hun zonden. Maar wat is het alternatief? Niet moeilijk: dat is hen niet meteen tuchtigen.

Als tuchtigen louter een kwestie van corrigerende opvoeding was voor een moreel neutraal volk, dan zouden de timing en strengheid er niet zo veel toe doen; we zouden leren. Maar de Bijbel benadrukt dat wij aan deze kant van de zondeval qua natuur en koppige keuze opstandig zijn tegen God.

Als we getuchtigd worden zeuren we over Gods strengheid. Worden we niet getuchtigd, dan vervallen we in uitspattingen, in die mate dat zelfs de fundamenten van de maatschappij bedreigd worden. Dan kan het dat we tot God roepen om genade. Allemaal goed en wel, maar we zouden minstens moeten beseffen dat het een genadebewijs ware geweest hadden we niet zo ver mogen afdalen in het dodenrijk.

Als we de gedaante van en de tendenzen binnen de westerse cultuur beschouwen, vormen die geen argument voor het feit dat we ons al onder de strenge toorn van God bevinden? Heer, wees ons genadig!

Eigen vertaling van de overdenking bij 11 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org