Posts tonen met het label oordeel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oordeel. Alle posts tonen

vrijdag 4 april 2014

Het recht zal zegevieren - want God is rechtvaardig (Ps. 7)


Leviticus 7; Psalm 7-8; Spreuken 22; 1 Thessalonicenzen 1
Psalm 7 is de tweede van veertien Psalmen die in de titel worden gelinkt aan een bepaalde historische gebeurtenis (de eerste is Ps. 3). We kunnen de details niet kennen, maar David voelde zich duidelijk vreselijk verraden toen hij valselijk beschuldigd werd door iemand uit zijn naaste omgeving die beter had moeten weten. We zullen ons toespitsen op de laatste vier verzen (7:15-17):
Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd,
is zwanger van onheil en baart leugen.
Hij delft een kuil en graaft die uit,
maar valt zelf in de groeve die hij maakte.
Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd,
en zijn geweld komt neder op zijn schedel.

Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid,
en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

De kleurrijke taal maakt de les veelzeggend. Hier zie je iemand terwijl hij zorgvuldig een put graaft die als een val moet dienen voor iemand anders – maar de graver valt er zelf in. De eerste zin schetst iemand die ‘met ongerechtigheid bevrucht werd’ en ‘zwanger is van onheil’, maar wat eruit voortkomt zijn niet de verhoopte problemen, maar (de eigen) teleurstelling.

De psalmist drukt dan in vers 17 zijn overtuiging uit op een meer uitgesproken manier: ‘Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd, en zijn geweld komt neder op zijn schedel’.

Davids overtuiging is noch gegrond in een bepaalde onpersoonlijke kracht (‘uiteindelijk overwint finaal altijd het recht’), noch in een bepaald Pollyanna-achtig optimisme (‘Ik weet zeker dat het allemaal goed zal aflopen’), maar in de gerechtigheid van God: ‘Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen’ (7:18). David is niet blind voor de ongerechtigheden van de wereld, maar hij leeft in een theïstisch universum waar het recht uiteindelijk zal zegevieren omdat God rechtvaardig is.

Wanneer we onze gedachten meer algemeen over de bladzijden van de Schrift laten dwalen (onze eigen ervaring nog buiten beschouwing gelaten), dan is het eenvoudig om aan gelegenheden te denken waarin de trucs en valstrikken van zondige mensen op henzelf neerdaalden nog voor ze enige echte schade konden aanrichten. Haman hangt aan de galg die hij klaarmaakte voor Mordekai.

Maar in veel gevallen komt het oordeel in dit leven pas op de dader neer nadat hij of zij erin slaagde enorme schade aan te richten. David moest dit wel weten: hij verkeerde zelf in dit geval. Hij slaagde er in met Batseba te slapen en haar echtgenoot Uria te vermoorden nog voor hij ontmaskerd werd, en zelf met het oordeel te maken kreeg.

Het leven van Judas Iskariot eindigde vreselijk, maar niet vooraleer hij zijn Meester had verraden. Achab moest het profetisch oordeel ondergaan, maar slechts nadat zijn zondige koningin Izebel erin was geslaagd om Nabot te belasteren en te laten ombrengen om zijn wijngaard te kunnen stelen.

Maar de ultieme sanctie komt bij het laatste oordeel. Zonder dat is er geen finale gerechtigheid in dit universum.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 december 2013

Denkt aan de vrouw van Lot (Lk. 17)

2 Kronieken 2; 1 Johannes 2; Nahum 1; Lukas 17

Vanuit de twee aangeduide passages (Nahum 1 en Lukas 17) zal ik stilstaan bij twee gezichten van oordeel. Vanuit Nahum 1 leren we dat Gods belofte van oordeel over degenen die triomfantelijk boosheden begaan soms een bemoediging kan zijn.

Dit is een samenvatting van het thema van dit boek. Nahum is geroepen om oordeel uit te spreken over Assur en zijn hoofdstad Nineve, maar in tegenstelling tot Jona is hij niet geroepen om die boodschap ook te verkondigen aan de Assyriërs, maar aan het verbondsvolk van God.

Dit wordt bijvoorbeeld gezien in de manier waarop Nahum aanvankelijk spreekt over Nineve in de derde persoon (1:8). Wanneer Nineve rechtstreeks wordt aangesproken (bijv. in 1:11), dan maakt dit gewoon deel uit van de retoriek van de Godsspraak.

Naar onze inschatting bracht Nahum deze woorden van de Heer over ergens na 722 v.C., toen Assur Samaria versloeg, de hoofdstad van Israël, en veel van zijn leidende burgers wegvoerde. De tien noordelijke stammen hielden feitelijk op te bestaan als een natie.

Maar de trouwe gelovigen onder degenen die werden achtergelaten en onder hen die werden in ballingschap gevoerd, om nog niet te spreken over de toekijkende Israëlieten in het zuidelijke koninkrijk van Juda, moesten weten dat God niet opgehouden was met regeren, of met mensen ter verantwoording te roepen, gewoon omdat Hij hen gebruikt om zijn volk te tuchtigen (vgl. Jes. 10:5 e.v.).

‘Een wreker is de HERE voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden’ (1:2). ‘De HERE is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen. Maar met een overstromende vloed maakt Hij haar plaats geheel teniet, en zijn vijanden vervolgt Hij, de duisternis in’ (1:7-8).

Vele, vele malen wanneer gelovigen werden verdrukt onder boosaardige regimes, of wanneer onschuldige landen door gewelddadige en krachtige landen onder de voet werden gelopen , hebben woorden als deze de getrouwen ondersteund: God is rechtvaardig en Hij zal de gewelddadige onderdrukkers ter verantwoording roepen, ongeacht hun politieke standpunt, religieuze banden, ras, economie of publiek imago.

Uit Lukas 17 komt de memorabele zin ‘Denkt aan de vrouw van Lot!’ (17:32; vgl. Gen. 19:26). Het beeld beschrijft ‘de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt’ (17:30). Het oordeel zal zo plots zijn dat de persoon op het dak – waar mensen in de avond een verfrissende of verkoelende bries konden vinden – er niet moesten aan denken nog de trappen af te gaan om iets mee te nemen. Ze moesten van dakterras naar dakterras rennen om weg te komen vooraleer het oordeel neerkwam.

Het beeld is natuurlijk gebaseerd op de architectuur van het Jeruzalem uit de eerste eeuw. Maar de woorden ‘Denkt aan de vrouw van Lot’, en de verzen die daarop volgen, tonen samen aan dat de werkelijke vraag is waar iemands hart thuishoort.

Zij die verlangend terugkijken naar de stad der verwoesting (zie Jes. 19:18, JL) en proberen zich vast te klampen aan zijn speeltjes, gaan er samen mee ten onder.

Hou dus vol, investeer in de hemelse schatten (Mt. 6:19-21); vestig je blik op het Nieuwe Jeruzalem.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 15 november 2013

Hoort dit woord, gij koeien van Basan (Amos 4)

1 Kronieken 5-6; Hebreeën 10; Amos 4; Psalmen 148-150
In bepaalde opzichten vloeit Amos 3 zeer natuurlijk over in Amos 4. God heeft gezegd dat de waarschuwingen van de profeten verbonden zijn met reële gevaren (3:7-8). Nu markeert hij een aantal van de zonden die zijn waarschuwingen uitlokten (4:1-5) en legt hij een aantal van deze waarschuwingen uit en wat ze voor de toekomst betekenen als ze niet ter harte worden genomen (4:6-13).

(1) De eerste waarschuwing is gericht tot de rijke vrouwen van Israël (4:1-3), minachtend beschreven als ‘koeien van Basan’ – spreekwoordelijk voor weldoorvoed, vet en lui, eerder dan slank en fit. Deze vrouwen hebben hun rijkdom en positie misbruikt, ze hebben ‘geringen verdrukt en armen vertrapt’ (4:1). De anekdote in één zin is vernietigend: ze zeggen tot hun echtgenoten, ‘Breng aan, dat wij drinken!’ (4:1).

Dit roept een beeld op van verwende, bazige, decadente matrones, die alleen gediend willen worden en nooit zelf dienen, en die heersen over hun echtgenoten, terwijl ze hun verveling doorslikken met alcohol.

Dus zweert de soevereine Heer ‘bij zijn heiligheid’, wat verwant is met zeggen dat Hij bij zichzelf zweert, en dus bij hetgeen onveranderlijk is en waarbij niets en niemand groter is. Hij zweert dat Hij hen gevankelijk zal wegvoeren met angels en ketenen, vernederd en terneergeworpen, in pijn temidden het puin van hun stad (4:2-3).

(2) In de laatste helft van het voorgaande hoofdstuk (3:9-15) haalde God fors uit naar drie misselijkmakende kenmerken van het leven in het land: sociale onderdrukking, genotzucht en verdorven godsdienst. De eerste twee worden uitgediept in de eerste drie verzen van hoofdstuk 4, zoals we net zagen.

Het derde, verdorven godsdienst, wordt nu op fijne profetische hoon onthaald (4:4-5). ‘Komt naar Betel en pleegt afval, naar Gilgal – vermeerdert de afval!’, wat gelijkstaat met zeggen ‘Ga naar Canterbury (de zetel van de aartsbisschop van Canterbury, de primaat van de Anglicaanse Kerk, JL) en zondig; ga naar de baptistische hoofdkwartieren en zondig nog meer’ (vul het mekka in van je eigen denominatie!).

De plaatsen waar Israël historisch getrouw de voorgeschreven offeranden bracht (voor de tempel voorrang kreeg) zijn nog altijd offerplaatsen, maar worden nu gekenmerkt door fijne esthetiek, religieus enthousiasme, en heel veel gepronk. Waar zijn de verbroken geest en het verbroken en verbrijzelde hart (vgl. Ps. 51:19)?

(3) In de volgende verzen (4:6-13) blikt God terug op een aantal van de tijdelijke oordelen die Hij het volk op verschillende momenten heeft opgelegd als waarschuwingen van veel groter oordeel dat nog komt.

Deze waarschuwingen bleken ondoeltreffend: getuige het vreselijke refrein, ‘Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN’ (4:8, 9, 10, 11).

Daarom zal de God van Israël hen ontmoeten (4:12) – Hij zal hen ontmoeten, juist, maar niet in de heerlijkheid van theofanie, maar in de verschrikking van het oordeel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 9 november 2013

Wee die dag, want nabij is de dag des HEREN (Joël 1)


2 Koningen 22; Hebreeën 4; Joël 1; Psalmen 140-141

De profetie van Joël is om verschillende redenen merkwaardig. De meeste canonieke Oudtestamentische profetieën worden uitgesproken door profeten die de tijd van hun dienstwerk aanduiden met een verwijzing naar de regering van koningen (bijv. Hosea 1:1). Joël doet niets in die zin. Ook hebben we geen idee wie zijn vader Petuël is.

Schattingen over de ontstaansdatum van het boek variëren van de negende eeuw v.C. tot de tweede eeuw v.C. De tempel is duidelijk in gebruik (bijv. 1:13), maar het is onzeker of dit de eerste tempel is (gebouwd tijdens de regering van Salomo) of de tempel die werd gebouwd nà de ballingschap.

In bepaalde opzichten is die onbepaaldheid een voordeel. Terwijl we de specificiteit verliezen die veel van de Oudtestamentische profetische geschriften kenmerkt, verkrijgen we een soort tijdloos gevoel dat misschien de toepassing makkelijker maakt.

Het is bijna zeker dat wat aan de crisis voorafging een sprinkhanenplaag was (hoewel sommigen de sprinkhanen zien als beeld voor een machtig leger). Die ervaring is de vorm geworden die de profeet gebruikt om het volk op te roepen tot bekering in het licht van het voorbije en voorspelde oordeel.

Het is ook de achtergrond voor enkele van de meest levendige profetieën voor de toekomst, vervuld bij de komst van het evangelie, die we vinden in geheel de Oudtestamentische canon (zie in het bijzonder de overdenking van morgen).

De sprinkhanenplaag die wordt geschetst in Joël 1 is een welbekend fenomeen in bepaalde delen van de wereld vandaag. Eens sprinkhanen zijn uitgezwermd, kun je ze bijna onmogelijk stoppen.

Werkelijk verschrikkelijke sprinkhanenplagen werden gezien voor wat ze waren: het oordeel van God. Dit is waarom Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de tempel de mogelijkheid vermeldt dat God zijn volk zou tuchtigen met sprinkhanen – en hij schrijft voor wat eraan te doen (1 Koningen 8:37).

Joël doet dit. Hij nodigt in het bijzonder de priesters uit (‘gij dienaren van het altaar’, 1:13) om rouwgewaden aan te trekken, te treuren en een heilig vasten en een plechtige bijeenkomst uit te roepen, terwijl hij de oudsten naar de tempel sommeert om de Heer te aanroepen (1:13-14).

Joël zelf beëindigt het hoofdstuk met de kreet ‘Tot U, HERE, roep ik’ (1:19).

Dit is een goede plaats om een ogenblik na te denken over hoe we dergelijke rampen moeten zien. We mogen niet het standpunt van fatalisten overnemen. Als we sprinkhanen vandaag kunnen tegenhouden (satellieten kunnen soms beginnende insectenzwermen spotten, waarna ze gestopt worden door vrachtwagens met pesticiden), dan moeten we dit doen – op precies dezelfde manier als we oorlog, plagen, aids, honger en andere rampen een halt moeten toeroepen.

Maar in een theïstische wereld waarin God soeverein is, moeten we ook het dwingende oordeel van God horen die zijn beelddragers oproept om hun zondige egoïsme af te zweren en genade van Hem af te smeken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 september 2013

Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal (Ez. 5)

1 Samuël 26; 1 Korintiërs 7; Ezechiël 5; Psalmen 42-43
In Ezechiël 5 breidt Ezechiël zijn lijst van parabolische acties nog met een actie uit, en dan zet hij Gods woord uiteen met hun betekenis.

Ezechiël scherpt een zwaard en gebruikt het als een scheermes. Hij scheert zijn hoofd, baard en alles. Nadat hij er een paar strengen van in zijn kleren heeft gebonden, verdeelt hij de rest in drie hoopjes. Het eerste legt hij in de stad (d.w.z. op de kleitablet die model staat voor de stad Jeruzalem, 4:1) en hij steekt de haren in brand, misschien met een brandende kool.

Een ander derde deel strooit hij uit rond de stad, en hakt ze dan fijn met zijn zwaard tot er maar minieme deeltjes van overblijven.

Het laatste derde deel strooit hij in de wind, enkele haartjes per keer, tot ze allemaal weggewaaid zijn. Enkele van de haren die in zijn kleren waren gebonden haalt hij nu uit en strooit ze op de smeulende kool en assen binnen het stadsmodel, en ook die vatten vlam en verteren.

De betekenis van dit alles wordt uiteengezet in 5:12: een derde van het volk zal omkomen binnen de stad (door de hongersnood van de belegering), een derde deel zal door het zwaard sterven bij de finale uitval, en het resterende derde deel zal verstrooid worden in ballingschap.

Het volledige hoofdstuk benadrukt dat het God zelf is die dit oordeel over zijn volk zal brengen: onderstreep elke keer er ‘Ik’ staat in 5:8-17. Dit is wat er gebeurt als de Heer schiet om te doden (5:16). ‘Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal’ (5:9); deze formulering betekent dat dit oordeel zo erg is als tijdelijke oordelen maar kunnen zijn.

Jezus zelf gebruikt vrijwel dezelfde woorden als het gaat over het komende oordeel over Jeruzalem in zijn eeuw (Mt. 24:21).

God zegt dat zijn toorn moet uitgestort worden. Maar deze toorn is geen onbeheersbare woedeuitbarsting. God benadrukt dat wanneer het oordeel ten volle uitgestort wordt, zijn grimmigheid gestild zal worden en zijn woede gekoeld (5:13).

Deze uitbarsting van toorn maakt deel uit van een reeks uitgesproken uitbarstingen van toorn van de zondeval af: de vloek in Genesis 3, de zondvloed, Babel, de slavernij in Egypte, diverse oordelen in de woestijn (inclusief het ronddolen in de woestijn gedurende veertig jaar), enzovoort.

In cycli van oordeel die overeenstemmen met cycli van bijzonder schandelijke zonde, giet God zijn toorn uit. Dit maakt allemaal deel uit van de noodzakelijke Bijbelse theologie achter Romeinen 3:20-26: er is geen oplossing voor de dreiging van Gods rechtvaardige toorn over zijn schepselen die tegen Hem in opstand zijn gekomen – tot de persoon van zijn God-Zoon zelf de toorn op zich neemt die wij verdienen, waarbij Hij zijn gerechtigheid bewaart terwijl Hij ons rechtvaardigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 1 september 2013

'Ik geef je rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen om je brood op te bakken' (Ez. 4)

1 Samuël 25; 1 Korintiërs 6; Ezechiël 4; Psalmen 40-41
Willen we de redenen begrijpen waarom Ezechiël geroepen werd voor de krachtige parabolische daden die we vinden in Ezechiël 4, dan moeten we onszelf in de plaats stellen van de ballingen. Zoals het volk thuis in Jeruzalem en Juda, konden velen onder hen zich niet voorstellen dat de stad en de tempel van de Grote Koning ooit verwoest konden worden. God zou dit gewoon niet laten gebeuren.

In algemene zin reageren de ballingen in Babylon op dezelfde manier tegenover Ezechiël als de Joden in Jeruzalem reageren tegenover Jeremia: ze geloven hem niet. In feite hebben de ballingen zonder meer stimulansen toegevoegd om hun valse hoop in stand te houden.

Zolang Jeruzalem standhoudt, kunnen ze de hoop voeden dat God hen zal redden en zal terugbrengen naar huis. Als Jeruzalem valt, zal er geen ‘thuis’ meer zijn naar waar ze kunnen terugkeren. Je kunt je voorstellen hoe uitgesproken negatief en zelfs onmogelijk de waarschuwingen van Ezechiël hen in de oren klinken.

Maar Ezechiël deinst niet terug.

(1) Hij begint met het tekenen van een beeld van Jeruzalem op een grote kleitablet – misschien de contouren of een of ander makkelijk te herkennen perspectief, zodat toeschouwers meteen kunnen zien wat hij doet. Rond de stad werpt hij onder meer belegeringswallen op alsof hij oorlogsspelletjes speelt met zelfgemaakt speelgoed.

Iedereen begrijpt dat dit betekent dat Jeruzalem zal belegerd worden. Dan houdt hij een ijzeren bakplaat over het model. Als Gods profeet staat hij voor God, en hij houdt de plaat op die manier alsof hij dreigt ze op de stad te storten en die te vernietigen – daarmee schetst hij het feit dat het God zelf is die de stad bedreigt.

(2) In het volgende gedeelte (4:4-8) brengt Ezechiël elke dag enige tijd door liggend op zijn linkerzijde. (Hij is er niet de hele tijd, natuurlijk, aangezien de volgende verzen tonen dat hij nog andere daden moet stellen).

Als zijn hoofd gericht is naar het model van Jeruzalem dat hij gemaakt heeft, en zijn lichaam ligt op een oost-west as, dan kijkt hij wanneer hij op zijn linkerzijde ligt naar het noorden, naar Israël, de tien stammen die al in gevangenschap zijn gegaan onder de Assyriërs. Hij doet dit elke dag gedurende 390 dagen (langer dan een jaar!). Dan dagen de toeschouwers op een dag op en ze vinden hem op zijn rechterzijde – kijkend naar het zuiden en dus Juda bedreigend met oordeel en rampspoed.

(3) Binnen een belegerde stad in de oude wereld, konden de mensen bij het slinken van de voorraden niet anders dan brood maken uit gedroogde bonen en linzen, vermengd met het kleine beetje bloem dat nog restte. Ze zouden hun onmogelijk kleine porties eten (ongeveer 220 gram ‘brood’) en nippen van hun minieme waterquota, en wegkwijnen. Ze zouden hun voedsel koken op rundermest (zoals in de sloppenwijken van India), omdat er geen hout meer was. Dit alles, voorspelt Ezechiël, omwille van ‘hun ongerechtigheid’ (4:17; NBV: ‘onder de last van hun schuld’).


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 18 augustus 2013

Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen? (Jer. 47)


1 Samuël 10; Romeinen 8; Jeremia 47; Psalmen 23-24

Hoewel een kort hoofdstuk, is Jeremia 47 toch belangrijk. Het begint met een profetie met betrekking tot de val van Filistijnse stadsstaten langs de kust, en eindigt met een van de meest tot nadenken stemmende stukjes benauwdheid aan het einde van dit boek.

Ten eerste de profetie (47:1-5). Haar precieze datering is nogal onduidelijk: ze kwam tot Jeremia ‘voordat Farao Gaza innam’ (47:1). Dit kan gebeurd zijn toen farao Necho van Egypte noordwaarts trok om Haran aan te vallen in 609 v.C.

Gaza, een van de Filistijnse stadsstaten, lag op die route. Maar hoewel dit aantoont dat de profetie tot Jeremia kwam voor de tijd dat de Egyptische suprematie voorbij was, ging het niet om Egyptische agressie, maar Babylonische: de wateren die ‘het land met al wat zich erop bevindt’ overstromen, ‘komen opzetten uit het Noorden’ (47:2) – de richting van waaruit de Babylonische macht zou komen.

De beeldrijke taal van de opeenvolgende vernietigingen is niet mooi om zien. De paniek is zodanig fel, zegt Jeremia, dat de vaders niet omzien naar de kinderen (47:3).

Vers 4 werd mogelijk niet correct vertaald. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Tyrus en Sidon afsnijden’, en de uitdrukking kan betekenen dat iedere hulp vanuit deze Phoenicische steden wordt tegengehouden, zodat die de Filistijnse steden verderop langs de kust niet kan bereiken. In elk geval is het de Heer die de Filistijnen verdelgt, wat ook hun kracht (47:4).

Gaza en Askelon (47:5) waren twee van hun belangrijkse steden. ‘Kaftor’ (47:4) is de oude naam voor Kreta, waar de oorspronkelijke Filistijnen vandaan kwamen – als je zegt dat de Heer op het punt staat ‘de rest van het eiland Kaftor’ te verdelgen, is dit een poëtische manier om te zeggen dat de Heer op het punt staat de Filistijnen uit te roeien.

Ten tweede, de uiteindelijke tot nadenken stemmende benauwdheid (47:6-7). In kleurrijke beelden schetst Jeremia de Filistijnen die (volgens bijv. de Engelstalige NIV-vertaling) het zwaard des Heren aanspreken: ‘Wee, zwaard des HEREN, [schreeuwen jullie, zie NIV] tot wanneer zult gij niet rusten? Trek u terug in uw schede, wees rustig en houd u stil!’ (47:6).

Dit veronderstelt dat de Filistijnen erkennen dat het Israëls God, de Heer zelf is, die het oordeel over hen gebracht heeft via de Babyloniërs. De Engelstalige NIV-vertaling voegt er dus de woorden ‘you cry’ (‘schreeuwen jullie’) aan toe. Hoewel het mogelijk is het Hebreeuws op die manier te verstaan, komen deze woorden strikt gesproken niet in de tekst voor: ze moeten toegevoegd worden.

Maar laat je deze woorden gewoon weg, dan is het Jeremia zelf die het zwaard des Heren aanspreekt. De Filistijnen mogen dan heidenen zijn, en ze mogen Israël vaak onderdrukt hebben, nu staan ze op het punt verpletterd te worden – en door de Babyloniërs, Juda’s vijand nummer één. Dus bidt Jeremia voor de Filistijnen.
Maar het laatste vers toont aan dat hij zeer goed begrijpt dat hij Gods zwaard niet kan bevelen. De Heer zelf heeft het bevolen, de God van het rechtvaardige oordeel, en het zal zijn werk doen. Zo ook op de laatste dag.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 29 juli 2013

Het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde (Jer. 25)


Richteren 12; Handelingen 16; Jeremia 25; Markus 11
De profetie van Jeremia 25 wordt gedateerd in het vierde jaar van Nebukadressar, d.w.z. in 605 v.C., het jaar waarin de Babyloniërs de Egyptenaren versloegen in Karkemis, daarbij Juda dwingend zijn loyaliteit te verleggen naar de nieuwe en opkomende macht.

Op dit ogenblik profeteert Jeremia al drieëntwintig jaar – vanaf de regering van de laatste goede koning, Josia, tot op deze dag (25:3). De opkomst van de Babylonische suprematie is voor Jeremia een geschikt moment om een aantal van zijn hoofdthema’s te herhalen: een terugblik op de chronische ongehoorzaamheid van het volk, een terugblik op de waarschuwingen geen andere goden na te volgen, de weigering van het volk om naar de woorden van de Heer te luisteren (25:3-8).

Maar er zijn in dit hoofdstuk verschillende elementen die ofwel niet eerder vermeld werden, of die tot hiertoe nog maar zijdelings behandeld werden.

Ten eerste wordt Nebukadressar, in taal die doet denken aan Jesaja, beschreven als Gods ‘dienaar’ (25:9). Dit is een manier om te zeggen dat het God zelf is die achter de val van Jeruzalem zit, zelfs al is de tijdelijke macht die het werk uitvoert dan Babylon en zijn koning.

Ten tweede zal de dienst aan de koning van Babylon ‘zeventig jaren’ duren (25:12). Er zijn verschillende manieren om de duur van de ballingschap te berekenen.

Dit is een afgerond getal dat begint met de opkomst van Babylon in 609 en ofwel loopt tot de nederlaag van Babylon tegen de Perzen (539), of misschien vanaf de eerste wegvoering van leiders in 605 tot de eerste terugkeer van de Joden naar het land onder het regime van koning Kores van Perzië (536; vgl. 2 Kron. 36:20-23; Zach. 1:12).

Ten derde, op een manier die ons herinnert aan wat God zegt dat Hij zal doen met de Assyriërs nadat Hij hen gebruikt heeft om het Noordelijke koninkrijk te tuchtigen (Jes. 10:5 e.v.), zegt God hier dat Hij Babylon zal straffen, ‘hun ongerechtigheid bezoeken’ en ‘tot eeuwige woestenijen’ zal maken (25:12). ‘Dan zal Ik over dit land doen komen al mijn woorden die Ik daartegen gesproken heb, alles wat in dit boek geschreven staat, wat Jeremia over alle volken heeft geprofeteerd’ (25:13).

Ten vierde wordt in de volgende verzen van Jeremia verlangd, in een visionaire ervaring, dat hij de volken zal doen drinken van de ‘beker met de wijn der gramschap’ (25:15; vgl. Opb. 14:10).

De God van de Bijbel is niet zomaar een stammengod; Hij houdt alle volken verantwoordelijk. Het oordeel mag dan beginnen met de verbondsgemeenschap, maar finaal omhelst het alle gemeenschappen, zonder uitzondering. ‘Gij zult niet vrij uitgaan, want het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde, luidt het woord van de HERE der heerscharen’ (25:29).

En waarheen zouden wij vluchten om aan het oordeel te ontkomen, behalve naar de schuilplaats die Hij alleen biedt?


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 1 juli 2013

Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? (Mt. 11)


Jozua 3; Psalmen 126-128; Jesaja 63; Matteüs 11

We mogen het vanzelfsprekende niet negeren: in dit gedeelte (Mt. 11:2-19) is Johannes de Doper teleurgesteld.

Hij is teleurgesteld omdat Jezus niet voldoet aan zijn verwachtingen. Johannes heeft iemand aangekondigd die niet alleen mensen zou dopen met de Heilige Geest (3:11), maar die ook zou komen met streng oordeel, terwijl Hij koren en kaf zou scheiden en dat laatste zou verbranden (3:12).

Maar hier is Jezus dan, predikend tot grote massa’s mensen, zijn eigen volgelingen trainend, wonderen verrichtend – maar geen duidelijk oordeel volvoerend over de zondaars. Johannes de Doper kwijnt weg in de gevangenis voor de niet mis te verstane manier waarop hij Herodes’ onwettige huwelijk veroordeelde. Waarom heeft Jezus Herodes niet veroordeeld en met wonderbaarlijke kracht oordeel opgelegd?

Jezus antwoordt (Mt. 11:4-6) door zijn dienstwerk te beschrijven met de bewoordingen van twee cruciale gedeeltes uit Jesaja - 35:5-6 en 61:1-2. Maar Johannes de Doper kende zeker de boekrollen van Jesaja zeer goed. Elders citeerde hij er zelf uit (3:3, een citaat uit Jes. 40:3).

Dus wanneer Jezus zal verwijzen naar die gedeeltes (kan Johannes zich ook zelf afvragen), waarom vermeldt Hij dan ook niet altijd het oordeelsthema in dezelfde context? Uiteindelijk vermeldt Jes. 35:5-6 niet alleen dat de lammen zullen springen en dergelijke, maar ook ‘de vergelding gods’.

Jesaja 61 spreekt over het prediken van goed nieuws aan de armen, maar het grijpt ook vooruit naar ‘een dag der wrake van onze God’ (Jes. 61:2, zie de overdenking voor 29 juni). Waarom vermeldt Jezus de zegeningen zonder de oordelen?

Het is eigenlijk alsof Jezus zegt, ‘Johannes, kijk goed: de beloofde zegeningen van het koninkrijk komen eraan. Wat ik doe zijn exacte vervulling van de Schrift. Indien het oordeel nog niet aangebroken is, dan zal het komen, maar nu nog niet. Focus je momenteel op de goede dingen die gedaan worden, en laat het een bevestiging zijn dat ik ben wie ik zeg te zijn.

Jezus neemt nog drie stappen om Johannes te verdedigen, en daarvan vermeld ik er kort twee.

(a) Hij waarschuwt hen die in dit gesprek meeluisterden dat ze geen moment mogen denken dat Johannes werkelijk een of ander zwak riet is, heen en weer bewogen door de wind van moeilijke omstandigheden, en nog minder iemand die zich schuldig maakt aan zelfverrijking (11:7-8).

Verre van: (b) de rol van Johannes in de heilsgeschiedenis maakt hem degene die de komst van de Soevereine Heer aankondigt, naar Hem wijst, in een vervulling van de profetie van Maleachi (11:10). Dit is wat Johannes de Doper op dat moment tot de grootste mens maakt geboren uit vrouwen – groter dan Abraham of David of Jesaja – want hij kondigt eigenlijk Christus aan en wijst expliciet naar Hem. Dit is waarom de minste in het koninkrijk, aan deze kant van het kruis, nog groter is (11:11): jij en ik wijzen naar wie de Messias is met zelfs nog meer relevantie en nog explicieter. Dit is waar onze grootheid ligt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 mei 2013

Wee de opstandige kinderen, luidt het woord des HEREN (Jes. 30)


Deuteronomium 2; Psalmen 83-84; Jesaja 30; Judas

Jesaja 30 en 31 hangen samen als een duidelijke veroordeling van iedereen die streeft naar een alliantie met Egypte. Beiden hoofdstukken openen met aanzienlijke weerstand tegen deze alliantie (30:1-5; 31:1-3). Maar Jesaja 30 besluit met de genade van God, terwijl Jesaja 31 eindigt met een krachtige oproep tot bekering. Treffende parallellen komen naar voor tussen Jesaja 30 en een van de andere hierboven aangeduide teksten uit het Bijbelleesrooster, namelijk Judas.

De eerste helft van Jesaja 30 klaagt de leiders in Juda aan die zeer actief de hulp van Egypte najagen. Hun afgezanten hebben al de steden in Egyptes Nijldelta bereikt (30:4). Ezels en kamelen beladen met rijkdom om Egyptes steun te kopen, trekken door de Negev op weg naar het zuiden.

Vanuit Gods gezichtspunt bewijst dit dat ze het verbond niet trouw zijn. Ze zijn ‘opstandige kinderen’ en ‘leugenachtige kinderen’ (30:1, 9), letterlijk ‘rebelse zonen’ – in plaats van de trouwe zoon die God verwachtte (Ex. 4:22-23).

Ze zijn meer als de spreekwoordelijke ‘weerspannige zoon’ van Deuteronomium 21:18-21, waar geen leren aan is, en die uiteindelijk moet veroordeeld worden. En de reden is ontmoedigend: ze willen niet luisteren naar openbaring – of het nu gaat om de oude verbondsbepalingen die elke terugkeer naar Egypte verboden (Ex. 13:17; Deut. 17:16), of om de gezichten van de profeten en zieners uit hun tijd (30:10).

Hun criterium voor aanvaardbare preken is pijnlijk eenvoudig: ‘spreekt tot ons aangename dingen, schouwt begoochelingen; wijkt af van de weg, buigt af van het pad, doet de Heilige Israëls weg uit onze ogen’ (30:10-11).

Dit klinkt ontzettend vergelijkbaar met veel van de zoektocht naar ‘spiritualiteit’ in onze dagen, binnen en buiten de kerk, en klinkt als het ‘therapeutisch christendom’, als het oecumenisch christendom, als het welvaartsevangelie van gezondheid en rijkdom.

Tussen deze bewegingen onderling zijn er natuurlijk grote verschillen, maar wat je typisch bij ze mist is het krachtige thema van naderend oordeel zo er geen onvoorwaardelijke overgave aan Gods genadige openbaring wordt gevonden.

Onze hoop is de genade van God (30:17-33). Hij verlangt zijn volk genadig te zijn (30:18) – of het nu is als hun Leraar (30:18-22), degene die hun land geneest (30:23-26), of de Strijder die hen verdedigt (30:27-33).

Dit zijn de fundamentele alternatieven: genade (30:18) of de brandende stortplaats of verbrandingsplaats (in het Hebreeuws tofteh), de vuurhaard die vooruitwijst naar de hel zelf.

Judas begrijpt dit. In zijn dagen zijn valse leraars die het volk doen dwalen ‘goddelozen (…) onder een straf van eeuwig vuur’ (Judas 4 en 7).

In contrast daarmee: ‘Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheden!’ (24-25).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 mei 2013

Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten (Jes. 29)


Deuteronomium 1; Psalmen 81-82; Jesaja 29; 3 Johannes
In het derde grote gedeelte van zijn boek (hoofdst. 28-35) focust Jesaja op de belangrijke kwestie die de monarch van Jeruzalem wacht. Zal het zuidelijke koninkrijk zich tot Egypte wenden wanneer het probeert de agressie van Assyrië het hoofd te bieden, of zal het vertrouwen op de Heer?

De aard van de crisis en de onheilspellende stemmen die aan het hof circuleren overheersen in de hoofdstukken 28-29. De hoofdstukken 30-31 spreken het wee uit over al wie vertrouwt op Egypte: in die richting ligt alleen rampspoed. De hoofdstukken 32-33 schilderen de godsvruchtige oplossing: vertrouw op de levende God die als Koning regeert in het midden van zijn volk.

De twee laatste hoofdstukken van het gedeelte, 34 en 35 tonen respectievelijk de verschroeide aarde van het oordeel dat zal voortkomen uit het vertrouwen op de heidense naties, en de tuin van vreugde die wacht voor wie op de Heer vertrouwen.

Jesaja 29 maakt dan deel uit van de beschrijving van de crisis. Jeruzalem wordt aangesproken als ‘Ariël’ (29:1, 2, 7 – NBG vertaalt de naam, i.t.t. NBV en HSV, met ‘Vuurhaard’, JL). We weten dat dit staat voor Jeruzalem, omdat Ariël beschreven wordt als ‘veste waar David zich legerde’ (29:1).

Die benaming komt bijna zeker van Jesaja; er is geen eerdere vermelding van een vroeger gebruik van dit woord voor Jeruzalem gevonden. ‘Ariël’ is een woordspeling met ‘vuurhaard’ of ‘altaarhaard’ – het vlakke oppervlak op het altaar waar het vuur de offers verteert (vgl. Ez. 43:15). God zegt dat Hij Ariël zal ‘benauwen’ (of belegeren), dat voor Hem zal zijn ‘als een vuurhaard’ (29:2): God zal het vuur van oordeel onder Jeruzalem aansteken.

De tragedie van de situatie ligt in de zuivere blindheid van het volk. Dit is tegelijk hun eigen verdorvenheid en Gods oordeel (29:9-10). Wat God ook openbaart door Jesaja, het volk veegt zijn woorden gewoon van tafel wanneer ze die horen.

De waarheid kunnen ze niet vatten; ze hebben er zelfs geen beschrijvingen voor, want hun harten zijn ver van Gods wegen verwijderd (29:13). Voor hen blijft alles wat Jesaja zegt als verzegelde woorden in een boekrol die ze niet kunnen lezen (29:11-12). Zelfs hun eredienst wordt tot weinig meer dan louter plicht (29:13b).

Dus wanneer God finaal doorbreekt, zal het ‘wonderlijk en wonderbaar’ zijn’, allemaal tot stand gebracht om de pretenties van de ‘wijzen’ en ‘verstandigen’ te beschamen (29:14), die de koning aanraden te doen wat God verbiedt.

De uiteindelijke vervulling van dit patroon vindt plaats in evangelietijden. Paulus verstaat zeer goed hoe iemand zonder de Geest van God het evangelie in grote mate incoherent vindt, hoe de ‘wijzen’ en ‘verstandigen’ met veel bedenkselen komen, geen ervan in lijn met het evangelie (1 Kor. 1:18-31; 2:14).

Ook hier verderft God de wijsheid van de wijzen (1 Kor. 1:19; Jes. 29:14), want zijn weg is wat geen van de wijzen had voorzien: de loutere ‘dwaasheid’ van het kruis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 23 mei 2013

De HERE ontledigt en verwoest de aarde (Jes. 24)


Numeri 32; Psalm 77; Jesaja 24; 1 Johannes 2

Jesaja 24-27, dat een hoogtepunt vormt in het lange deel van hoofdstuk 13-27, wordt soms ‘de Jesaja apocalyps’ genoemd. Hier gaat Jesaja van profetieën tegen specifieke naties over naar een apocalyps (een ‘openbaring’) met betrekking tot de hele wereld.

De gedachte is niet zozeer sequentieel of literalistisch als een reeks provocerende beelden die hun eigen verhaal vertellen. Jesaja 24 beschrijft in de eerste plaats de verwoesting die de hele aarde moet ondergaan.

Dit wordt gevolgd door drie hoofdstukken van liederen en zelfs feesten, die vreugdevol aan de Heer gewijd worden voor de overwinning die finaal en onmiskenbaar de zijne is.

Een groot deel van hoofdstuk 24 bestaat uit de echte vernietiging van het laatste oordeel, zijn draagwijdte en verschrikking. In een reeks schokkende beelden liggen steden er desolaat bij (24:10), zijn wijngaarden vruchteloos (24:13), verschrikking en valkuilen duiken overal op (24:18), en de gehele aarde wordt wordt geopend terwijl de hemelsluizen cataclysmische vloedgolven loslaten (24:18-19) – of, anderzijds, in een mix van metaforen, kwijnt de aarde weg onder vernietigende droogte (24:4).

Maar er zijn twee subthema’s die ook de aandacht van de lezer trekken.

Ten eerste: ‘Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken. Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewoners boeten; daarom worden de bewoners der aarde door een gloed verteerd en blijven er weinig stervelingen over.’ (24:5-6).

Mogelijk heeft de verwijzing naar het ‘verbond’ betrekking op het verbond dat God aanging met Noach en zijn nakomelingen na de zondvloed (Gen. 9:8-17), die een echo is van de structuur van verplichtingen die vanuit de schepping zelf komen.

Indien dit zo is, dan zijn de ‘wetten’ en ‘inzettingen’ die overtreden werden de fundamentele standaarden voor goed gedrag impliciet en soms gestipuleerd in een universum waarin God volkomen centraal staat en waarin menselijke wezens, Gods beelddragers, rechtvaardig en liefdevol met Hem verbonden zijn.

De trieste realiteit is dat wij het ‘eeuwig verbond verbroken’ hebben (24:5). Onze vreselijke overtreding heeft de rechtvaardige vloek van God over zich afgeroepen (24:6). Het apocalyptisch visioen van finaal oordeel in dit hoofdstuk is het gevolg.

Ten tweede: tweemaal in dit hoofdstuk breekt de glorie door die gepaard gaat met het oordeel, of die daarna volgt. Die glorie doorbreekt de anders niet aflatende treurnis. In 24:14-16a schetst Jesaja beelden van mensen die vanuit het westen en het oosten komen, terwijl ze de majesteit van de Heer verkondigen en hun stemmen verheffen in vreugdevolle jubel, zingend vanaf de zoom der aarde, ‘heerlijkheid voor de rechtvaardige’ – wat tegelijk aanduidt dat het oordeel voorbij is en dat God rechtvaardig was door het te brengen.

Het laatste vers in dit hoofdstuk (vers 23) is als een prelude op het slotvisioen van de Bijbel. De ultieme heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem is zodanig schitterend dat geen zon meer nodig is: ‘En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam’ (Opb. 21:23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 22 mei 2013

De HERE der heerscharen heeft het besloten om heel die pralende trots te ontluisteren (Jes. 23)


Numeri 31; Psalmen 75-76; Jesaja 23; 1 Johannes 1
In dit deel van Jesaja’s profetie (hoofdstukken 13-27) is de stadstaat van Tyrus (Jesaja 23) de laatste regio die een profetie van God tegen haar te horen krijgt. Waar Babylon spreekwoordelijk geworden is voor de macht van zijn rijk en voor zijn culturele en esthetische verwezenlijkingen, was Tyrus binnen de wereld rond de Middellandse zee beroemd voor zijn rijkdom.

De historische setting van deze profetie is tamelijk helder. Babylon is recent verslagen door de Assyriërs (23:13) – een verwijzing naar ofwel de aanval van Sanherib (710 v.C.) of de plundering en verwoesting onder Sargon (689). Dit was nog voor Babylon oprees en uitgroeide tot supermacht op zich, een supermacht die uiteindelijk Assyrië zou overwinnen en vervangen.

Op dit punt in de geschiedenis dient de recente verwoesting van Babylon als voorbeeld en dreigement voor wat zal gebeuren met Tyrus. Turys maakte zijn munt tot de eerste handelsmunt voor de mediterrane wereld. De schepen van Tarsis (Spanje, aan de andere kant van de Middellandse Zee) jammeren bij de verslagen van de verwoesting van Tyrus (23:1, 14).

Die verslagen bereiken ook Cyprus (23:1), net buiten de kust, en daarna Sidon (23:2-4). Egypte, de graanschuur van het Middellands Zeegebied, weent omwille van het effect op haar handel in graan (23:5). De val van Tyrus had invloed op het Middellands Zeegebied zoals de Wall Street crash in 1929 invloed had op de wereld.

Wat ook de historische druk was die de verwoesting van Tyrus bewerkte, Jesaja wil dat we toch weten dat dit de hand van de Heer was (23:8-12) – en het is Hij die de stadsstaat terug opricht, ook al is alles wat die doet met de nieuwe levenslust slechts terugkeren is naar zijn oude hoererij (23:15, 17).

Maar de zonde van Tyrus is uiteindelijk niet geld, maar trots: ‘De HERE der heerscharen heeft het besloten om heel die pralende trots te ontluisteren, om alle geëerden der aarde verachtelijk te maken’ (23:9).

Er is niet noodzakelijk een verband tussen rijkdom en trots (kijk maar naar Job), maar de link is wel angstaanjagend gebruikelijk. Grote rijkdom bewerkt vaak een geest van arrogante zelfzucht. Welke stappen zouden christenen in het relatief rijke westen kunnen nemen tegen deze vreselijke zonde?

In de geest van profetische samenvatting, dansen de laatste verzen (23:17-18) van geschiedenis naar eschatologie. Uiteindelijk zal de rijkdom van de aarde, zelfs als ze verzameld werd door grote commerciële handelaars als Tyrus, allemaal geheiligd worden voor de Heer: Hij is degene die ze gaf, en alle dingen keren terug naar Hem. En al deze rijkdom zal gaan naar ‘hen die voor het aangezicht des HEREN wonen’ (23:18).

Hier vind je opnieuw een voorafschaduwing van een hersteld heelal, niet langer kreupel door alles wat zondig is, maar waar Gods volk zich voor eeuwig verheugt in Hem en zijn gaven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 12 mei 2013

Een rest zal zich bekeren … tot de sterke God (Jes. 10)


Numeri 21; Psalmen 60-61; Jesaja 10:5-34; Jakobus 4

De insteek van Jesaja 10:5-34 is maar al te duidelijk. Aan het begin en bij het slot (10:5-19, 28-34) ligt de nadruk op het feit dat het machtige Assyrië zelf verpletterd zal worden nadat God het gebruikt heeft om zijn verbondsvolk te straffen. In het middengedeelte (10:20-27) wordt het volk van God bemoedigd niet te vrezen en niet te vertrouwen op Assyrië, maar te vertrouwen op de Heer alleen.

Ik zal aanvangen met het middengedeelte (10:20-27). Een van zijn grote thema’s is ‘het overblijfsel’. Het oordeel zal neerdalen, maar het volk van God zal niet weggewist worden: er zal een overblijfsel zijn. Deze ‘rest van Israël’ (10:20) verwijst waarschijnlijk niet naar het overblijfsel van het noordelijke koninkrijk Israël, maar naar de rest van de Israëlieten uit zowel het zuiden als het noorden (merk de parallel op tussen ‘Jakobs huis’, de gezamenlijke voorouder, en ‘rest van Jakob’, 10:20, 21).

‘Verdelging is vast besloten, overvloeiende van gerechtigheid’ (10:22), voor ‘heel het land’ (10:23, HSV. Merk op, NBG heeft het over ‘in het midden van de ganse aarde’).

Maar een overblijfsel zal terugkeren, niet slechts naar een plaats, maar ‘tot de sterke God’ (10:21). In het licht van dergelijke beloften, zou het volk van het zuidelijke koninkrijk, Gods ‘volk, dat in Sion woont’ (10:24), niet mogen vrezen voor de Assyriërs, zelfs al worden ze door hen verslagen. Gods toorn tegen Israël zal eindigen; het zal zelfs niet lang duren vooraleer die zich zal keren tegen de Assyriërs zelf (10:25-27).

Dit brengt ons bij de secties aan beide zijden van 10:20-27. Aan de ene kant is het thema heel duidelijk. De God die Assyrië gebruikt om zijn nukkige verbondsgemeenschap te straffen houdt Assyrië niettemin verantwoordelijk voor zijn eigen zonden, en zal hen uiteindelijk vernietigen. Het rijk dat niets meer is dan een strijdbijl in de hand van God, gehanteerd tegen een opstandige natie (10:15), zal uiteindelijk zelf neergeslagen worden door God (10:34). Het uitspreken van dit oordeel is bedoeld om geloof en volharding te bewerken bij het overblijfsel.

Er is een belangrijk theologisch neventhema in dit hoofdstuk; de bijbelse spanning tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid komt krachtig naar voren. God gebruikt het machtige Assyrië alsof het niets meer is dan een werktuig in zijn handen (10:5, 15).

Hij maakt zelf gebruik van Assyrië om Israël te bestraffen (10:6). Assyrië is zich natuurlijk helemaal niet bewust van Gods besturing. Toch wordt het verantwoordelijk geacht voor zijn eigen daden en gedragingen, vooral voor haar arrogantie en trots (10:7-11, 13-14). Dus zal God het straffen (10:12).

Deze spanning tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid mag niet veracht of verworpen worden, maar moeten we dankbaar aangrijpen, want dit zal ons bewaren voor zowel het ontkennen van de realiteit van het kwaad als voor de voorstelling dat het kwaad uiteindelijk zou kunnen overwinnen. Denk verder na over Handelingen 2:23; 4:27-28.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 11 mei 2013

Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af (Jes. 9:7-10:4)


Numeri 20; Psalmen 58-59; Jesaja 9:7-10:4; Jakobus 3
Jesaja 9:7-10:4 keert terug naar het thema van oordeel, maar deze keer is het niet gericht tegen het zuidelijke koninkrijk van Juda (zoals in 5:8-25) maar tegen het noordelijke koninkrijk van Israël (neergezet als ‘Efraïm’ en ‘Samaria’, 9:8).

Het gedeelte wordt opgedeeld in vier secties, die elk eindigen met hetzelfde refrein: ‘Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt’ (9:11, 16, 20; 10:4). Dit refrein beantwoordt de vraag, ‘Wat zal God doen met een volk dat Hem zelfs niet wil zoeken in een situatie van sociale instorting en dreigende verwoesting?’.

Dit zijn al kenmerken van Gods oordeel over de natie, maar er is nog altijd geen teken van berouw. Dus wat zal God doen? Het antwoord is dat, zelfs al is Gods oordeel langzamerhand opgeschroefd, het duidelijk nog niet genoeg is – zo wordt zijn toorn niet afgewend; zijn hand blijft uitgestrekt.

God heeft reeds een ‘woord’ gezonden tegen Jakob (9:7), maar zij hebben er geen acht op geslagen; ‘het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en het heeft de HERE der heerscharen niet gezocht’ (9:12). Wat nog overblijft is ‘de dag der bezoeking’ (10:3; of: ‘dag van de vergelding’, HSV en NBV).

Er is nog een ander ruw gedachteverloop doorheen de vier secties. De eerste twee secties neigen ernaar de morele achteruitgang te benadrukken: ‘want elkeen is een godvergetene en een booswicht en elke mond spreekt dwaasheid’ (9:16). Maar goddeloosheid brandt en verteert als een bosbrand (9:18).

Al snel volgt sociale desintegratie en maatschappelijke ineenstorting (9:19-10:4). Uiteindelijk zullen de Assyriërs het noordelijke koninkrijk van de kaart vegen. (Aram/Syrië werd ingenomen door Assyrië in 732 v.C., Israël in 722. Juda werd verwoest door Assyrië in 701, maar niet totaal vernietigd; daarvoor was het wachten op de Babyloniërs een eeuw later.)

Nog maar eens legt deze sectie van Jesaja, hoewel ze de bevolking van het noordelijke koninkrijk veroordeelt voor hun openlijke zonde en hun falen om de door God gegeven waarschuwingen in acht te nemen, de eerste verantwoordelijkheid bij de leiders.

Daarom zal ‘de HERE op één dag van Israël kop en staart, palmtak en riet’ afsnijden ... ‘De oude en aanzienlijke, die is de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die is de staart. De leiders van dit volk waren verleiders en wie zich leiden lieten, werden op een doolweg gebracht’ (9:13-15).

‘Wee hun die heilloze verordeningen uitvaardigen, en de schrijvers die lasten voorschrijven, om de geringen van het recht weg te dringen en aan de ellendigen mijns volks het recht te ontroven, zodat de weduwen hun buit worden en zij de wezen uitplunderen. Wat zult gij dan doen op de dag der bezoeking en bij de verwoesting die uit de verte komt? Tot wie zult gij vluchten om hulp en waar zult gij uw heerlijkheid laten?’ (10:1-3)


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 8 mei 2013

Wee mij, ik ga ten onder (Jes. 6)


Numeri 16; Psalmen 52-54; Jesaja 6; Hebreeën 13

Vermoedelijk vond Jesaja’s visioen van God en zijn roeping (Jes. 6) plaats aan het begin van zijn bediening, maar het wordt pas hier weergegeven omwille van thematische redenen. Na de reeks waarin telkens ‘wee’ uitgesproken wordt over het volk, spreekt Jesaja ook een wee uit over zichzelf (6:5), wat toont dat zijn standpunt als profeet er nooit een was van eigengerechtigheid.

Bovendien is de volgorde van zijn eigen roeping – God zien (6:1-4), diep bewustzijn en belijdenis van zonde (6:5), reiniging (6:6-7) en opdracht (6:8-13) – precies de volgorde van wat Israël moet doormaken willen zij terugkeren tot hun eigen rol als dienstknecht van de levende God. Het is de volgorde die ook wij moeten volgen.

Bovendien worden ook diverse elementen uit de roeping van Jesaja terug opgepikt in de daaropvolgende hoofdstukken (zoals we zullen zien), wat de positie van zijn verslag van het gezicht dat hij van God kreeg zeer strategisch maakt.

Een paar opmerkingen:

(1) Het was wanneer Koning Uzzia stierf dat Jesaja de Heer zag zitten op een troon – alsof de aardse koning moest sterven vooraleer Jesaja de grootsheid van de goddelijke Koning kon beginnen vatten.

(2) De serafs, een hogere orde van engelenwezens, verhogen de troon door hun adoratie en lof. God is de ‘driemaal heilige’ God. In zijn kerngebruik, is ‘heilig’ bijna een adjectief van God, en het omvat zowel zijn transcendentie als zijn gerechtigheid (5:16).

(3) Wanneer de eindige, de onreine en de sterfelijke in contact komen met de oneindige, de reine en de onsterfelijke, moet er, hoort er een diep bewustzijn te zijn van ontoereikendheid. God beginnen zien is ook beginnen zien hoe vreselijk en hopeloos onze toestand is. De heiligheid van God brengt onze opstandige en zondige natuur aan het licht op een manier dat onderlinge vergelijkingen onder de leden van het opstandige volk altijd onmogelijk zijn. Hier veroordeelt Jesaja zichzelf, want in de tegenwoordigheid van God lijken verschillende gradaties van zonde nutteloos.

(4) Alleen de reiniging waarin het door God zelf voorgeschreven altaar voorziet, kan volstaan om Jesaja’s zonde weg te nemen.

(5) Voor het eerst in dit gezicht spreekt God, en Hij zoekt vrijwilligers (op zichzelf al een welwillende daad van genade). Wanneer Jesaja antwoordt, is dit minder de kreet van de held dan de smeekbede van de begenadigde. Het is alsof hij smeekt, ‘Hier! Alstublieft! Zou ik in aanmerking komen? Is er een manier waarop ik kan helpen? Wilt u mij alstublieft gebruiken?’

(6) De inhoud van de opdracht die Jesaja krijgt is blijven prediken tot het onherroepelijke oordeel valt. Er is geen vooruitzicht van herleving. Het is te laat. De prediking zal slechts dienen om het volk te verharden. De enige hint naar hoop – een hint die krachtig verder ontwikkeld wordt in het boek (11:1) – is dat er uit de tronk van de vernietigde natie nieuw leven zal voortspruiten, en doorheen dit overblijfsel het beloofde zaad (6:13b).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 7 mei 2013

Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad (Jes. 5)



Numeri 15; Psalm 51; Jesaja 5; Hebreeën 12

Het is nooit gemakkelijk om een boodschap van aankomend oordeel (Jes. 5) over te brengen aan mensen die ervan overtuigd zijn dat ze niet al te slecht zijn, zeker niet wanneer de regerende elite goede tijden geniet.

Zo neemt Jesaja de toevlucht tot een lied dat de aandacht trekt. Hij pikt de oude equivalent van een gitaar op en begint een eenvoudige ballade te zingen over zijn ware liefde. Zijn publiek is geboeid – en dan kunnen ze niet onder de slagen van de hamer uit.

In zijn ballade begint Jesaja met verwijzen naar God als ‘mijn geliefde … mijn beminde’ (5:1). Omdat God nog niet geïdentificeerd werd, trekt de taal ongetwijfeld meteen de aandacht van het publiek. Maar het weerspiegelt ook wat Jesaja voelt: hij is geen koele waarnemer maar een profeet die diepe liefde voelt met het wezen en de wegen van de levende God.

Hem niet volkomen liefhebben is reeds deel van het probleem, of het nu onder het oude of het nieuwe verbond is (zie Opb. 2:1-7). Israël wordt vaak neergezet als de wijngaard van de Heer, dus lang zal het niet duren vooraleer Jesaja’s toehoorders het punt beginnen te vatten.

Jesaja beperkt zich echter niet tot subtiele allusies; hij brengt zowel Gods dreigende toespraak, als zijn eigen verklaring voor zijn ballade-parabel. De mensen hebben onbruikbare wilde druiven voortgebracht, slechte vruchten. De aard van die vrucht wordt beschreven in het weerkerende ‘wee’ (5:8-25).

In een notendop, de sociale gerechtigheid die vereist wordt door het verbond is maar in algemene termen nageleefd. Tegen de specifieke nadruk van het verbond dat het land de Here toebehoort en eerlijk moet verdeeld worden, is het stelen van land de norm geworden, ten koste van de gewone mensen die uitgeperst worden (5:8-11).

De rijkdom van de elite in Uzzia’s dagen gaf voedsel aan buitensporige hoogmoed en dronkenschap (5:11-12) en striemende minachting tegenover God (5:18-19). Uiteindelijk is het land vol moreel relativisme en verwarring, dat ongetwijfeld klinkt als gesofisticeerd denken, maar eigenlijk niets meer is dan een verbintenis: ‘het kwade goed noemen en het goede kwaad’ (5:20). Ten grondslag ligt arrogantie (5:21) en corruptie in de regeringskringen en in de gerechtshoven (5:22-23). Het oordeel van de Heer is onafwendbaar (5:24-25).

Niets van dit alles betekent dat God schaakmat staat. In het slotgedeelte van het hoofdstuk (5:26-30) zegt God wat Hij zal doen. De straf, de verwoesting van Gods ‘wijngaard’, zal er komen door een vreemde invasie – de metaforische taal van deze verzen is ronduit schrikbarend.

Maar de vreemde agressors zijn niet slechts opportunisten met veel geluk en een krachtig leger. God zelf fluit het tot zich, zoals iemand een hond roept. Ondanks de funeste schuld van het volk, twijfelt Jesaja er nooit aan dat God soeverein is over de geschiedenis en de volkeren zowel kan gebruiken in oordeel als in genade. Dit thema komt sterker naar voren naarmate dit boek vordert.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 mei 2013

De Here neemt steun en stut weg (Jes. 3-4)


Numeri 14; Psalm 50; Jesaja 3-4; Hebreeën 11
Het grootste deel van Jesaja 3-4 is gewijd aan specifiek oordeel, in een soort van ABB’A’-constructie, die gevolgd wordt door glorierijke hoop voor de toekomst (4:2-6).

In het hart van de veroordeling is de Heer als Rechter, die ‘de oudsten en vorsten (lett. ‘prinsen’) van zijn volk’ aanklaagt (3:13-15). Koninklijke familie en lokale leiders (‘oudsten’) zijn op gelijke wijze vervallen tot corruptie en verdrukking.

Maar de twee daaropvolgende verzen veroordelen even goed de ‘dochters van Sion’ (3:16-17). De mannen worden in de eerste plaats veroordeeld voor verdrukking, de vrouwen voor hun ijdelheid en praalzucht.

Deze verzen worden omsloten door twee langere gedeeltes die duidelijk maken waarvoor de mannen veroordeeld worden (3:1-12) en hoe het oordeel over de vrouwen zal zijn (3:18—4:1).

God zal omsingeling en honger over het volk brengen (3:1), die zullen resulteren in de eliminatie van leiders van de gemeenschap, ofwel door deportatie of door dood (3:2-3). De volledige gemeenschap zal ineenstorten, met als belangrijk kenmerk een wanhopig verlangen om bijna gelijk wie als leider aan te duiden (3:5).

Dit gezicht werd letterlijk vervuld anderhalve eeuw later (2 Kon. 25:1-12), maar er waren voorafschaduwingen tijdens Jesaja’s leven van hoe dit oordeel zou zijn: wat Assyrië begon (Jes. 39:5-7), werd voltooid door Babylonië. Want de cultuur was grotendeels corrupt (3:8-11), wat zijn oorzaak vond in het leiderschap, dat al even zwak was als onderdrukkend (3:12).

De belegering zal ook niet vriendelijk zijn voor de pronkzuchtige vrouwen (3:18—4:1). Al hun opsmuk zal weggerukt worden (3:18-23). In plaats van de aangename geuren waaraan ze zoveel geld gespendeerd hebben, zal er stank zijn. Er zal ziekte zijn (3:17a), seksueel misbruik (3:17b – de NBG heeft het over ‘de schaamte ontbloten’, RSV gebruikt ‘the Lord will lay bare their secret parts’, m.a.w. zal hun geheime delen ontbloten), d.w.z. hen onderwerpen aan de seksuele aanslagen die zo gebruikelijk zijn in oorlogstijd), en verlies (3:25).

Sommigen zullen zich finaal zelfs voor gelijk welke beschikbare man werpen in de hoop op een toevlucht en een thuis (4:1) – maar de slachtpartij onder de mannen zal zodanig vreselijk zijn dat er niet genoeg mannen zullen zijn voor iedereen.

In de profetie van het Oude Testament is er vaak een ‘verkorting’ van gezichten van de toekomst die heen en weer springen tussen de nabije toekomst en iets dat veel verder weg ligt. Indien de dag des Heren een schrikwekkend oordeel brengt (3:6—4:1), dan brengt het ook heerlijkheid (4:2-6).

Later zal ‘spruit’ (4:2) duidelijk een manier zijn om te verwijzen naar de Messias (11:1; 53:2; vgl. Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8; 6:12), maar hier lijkt het te verwijzen naar het volk en de plannen van God in heerlijke vruchtbaarheid.

In taal die beelden oproept van de Exodus, belooft God het vuil van zijn volk af te wassen en zijn heerlijkheid te vertonen als een beschermend schild over hen (4:4-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 4 mei 2013

Zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor ik niet (Jes. 1)


Numeri 11; Psalm 48; Jesaja 1; Hebreeën 9
De openingsverzen van Jesaja 1 introduceren voor ons de enorme reikwijdte van het boek. Het kondigt een gezicht aan dat Jesaja zag, een visioen dat doorheen de regering liep van de vier koningen van Juda van koning Uzzia af.

Het eerste gedeelte (1:2-9) toont hoe diep het land is gevallen. God zelf heeft de natie Israël doen ontstaan (1:2) – ja, Hij ‘heeft hen grootgebracht’ en opgevoed als kinderen; en zoals opstandige kinderen hebben ze zich van Hem afgekeerd.

Een rund of een ezel weet meer van zijn ware thuis dan Israël weet van het zijne. De hemelen en aarde worden uitgenodigd om mee te luisteren naar de vermaning (1:2), zowel als een aanduiding van de intensiteit van de rebellie, als om aan te duiden dat er een mate is waarin het welzijn van het volledige universum afhangt van het feit of Gods volk zijn woord gehoorzaamt, dan wel ongehoorzaam is.

De beschrijving van de puinhoop in het land (1:5-9) is geen metafoor: waarschijnlijk is hetgeen beschreven wordt de bloederige slachtpartij die gepaard ging met de invasie van Juda door Sanheribs Assyrische legers (701 v.C.) – een voorproef van het oordeel dat nog moet komen.
Van hier tot aan het eind van het hoofdstuk loopt de gedachte in drie bewegingen:

(1) Israël wordt gehekeld voor zijn corrupte en hypocriete eredienst (1:10-17). In druipend sarcasme richt God zich tot zijn verbondsvolk als Sodom en Gomorra. Zij houden de gestipuleerde offerdiensten en feestdagen in stand, maar God benadrukt dat Hij hun ‘huichelachtige offers’ (1:13) niet langer kan verdragen; Hij haat ze (1:14). God zal zelfs niet luisteren naar zijn volk wanneer zij bidden (1:15), want onderdrukking van de zwakken en corruptie in de regering hebben dusdanige proporties aangenomen dat Hij moet handelen in lijn met het verbond van de Sinaï (Deut. 21:18-21). Hij kan deze overtredingen niet langer negeren.

(2) Niettemin wordt Israël nog altijd uitgenodigd tot vergeving en reiniging: ‘Komt toch en laat ons tezamen richten’, zegt de Here. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’ (1:18-20). Het is niet onderhouden van godsdienstige gebruiken dat aan de basis ligt van een dergelijke vergeving, maar berouw: ‘Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten’ (1:19). Het alternatief is oordeel (1:20).

Later in het boek zal de basis voor dergelijke vergeving uiteengezet worden; het vernietigende oordeel van onderdrukking en ballingschap was niet nodig, maar zo vaak verkiezen we zonde boven redding, hebzucht boven genade.

(3) Toch zal Sion (dat het volk van God vertegenwoordigt) op een dag ‘door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid’ (1:27). Er is geen uiteindelijke redding die recht en gerechtigheid veronachtzaamt; alleen oordeel wacht de onbekeerlijken (1:28, 31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 april 2013

Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen (Pred. 12)


Numeri 2; Psalm 36; Prediker 12; Filemon
Hoewel de Leraar nooit bij de volheid van perspectief aanbelandt die de schrijvers van de Schrift uit het nieuwe verbond karakteriseert, vermindert zijn scepticisme nu hij een aantal fundamentele standpunten aanmoedigt die absoluut afhankelijk zijn van een rechtvaardige God die het einde al kent van in het begin, zelfs al kennen wij dit einde zelf niet.

Op die manier heeft hij zijn lezers al twee dingen verteld:

(a) weiger slechts voor vandaag te leven; investeer moedig in de toekomst, terwijl je bedenkt dat deze wereld God toebehoort (11:1-6);
(b) leef dankbaar en blij met de goede gaven die je gekregen hebt (11:7-10).

In Prediker 12 komt Qohelet met een laatste vermaning: wees godvrezend, te beginnen in je jeugd; want of we nu al dan niet betekenis vinden louter ‘van beneden’ gezien, dan mogen we er toch zeker van zijn dat God alles in het oordeel brengt.

‘Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren’ (12:1), zo schrijft de Leraar. God ‘gedenken’ betekent niet gewoon maar het pure feit van zijn bestaan in herinnering brengen, maar alle illusies van onafhankelijkheid en zelfstandigheid loslaten terwijl God zijn rechtmatige centrale plaats in onze levens terugkrijgt.

God heeft alles geschapen, Hij alleen ziet het volledige patroon, Hij is degene die de eeuwigheid in ons hart gelegd heeft (3:11). Hij is degene die alles goed gemaakt heeft, en wij zijn degenen die zoveel schade aangericht hebben met onze intriges (7:29).

Dus gedenk Hem, vermaant Qohelet ons, ‘voordat de kwade dagen komen’ (12:1) – en dan legt hij in beeldende taal uit hoe de ouderdom eruitziet. Aan een gevorderde leeftijd kan het dat we niet langer behagen vinden in onze jaren (12:1). We bereiken de winter van het leven (12:2); we worden als een oud huis, dat vergaat en vervalt, met alleen maar een paar relieken over (12:3). Ons gehoor vermindert (12:4b); in plaats van een vaste tred of het springen over de rotsen, zijn we bang van hoogten en vrezen we weggeduwd te worden op straat.

De amandelboom heeft een donkere kruin in de winter en wordt wit bij de lentebloesems, net zoals ons haar wit wordt (12:5). Lijdend aan artrose en versleten gewrichten, hobbelen we rond als een lompe sprinkhaan (12:5).

Het zilveren koord is wellicht de ruggengraat, de gouden lamp de schedel; de kruik is het hart: alles gaat achteruit, en we keren terug tot het stof waaruit we voortkomen – zoals God zelf, aan deze zijde van de vloek, gezegd had dat met ons zou gebeuren (Gen. 3:19).

Het is verre van duidelijk of Qohelet met de uitdrukkingen ‘ons eeuwig huis’ (12:5) en ‘de geest’ die ‘wederkeert tot God’ hetzelfde bedoelt als de Nieuwtestamentische schrijvers ermee bedoelden, maar zelfs hij is nu behoorlijk zeker dat ‘God elke daad zal doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad’ (12:14). Dus ‘Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen’ (12:13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.