Posts tonen met het label hoogmoed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hoogmoed. Alle posts tonen

zondag 21 september 2014

'Wie roemt, roeme in de Here' (2 Kor. 10)

2 Samuël 17; 2 Korinthiërs 10; Ezechiël 24; Psalm 72

Er zit heel wat opschepperij in het westerse evangelicalisme. Een deel daarvan is dermate flagrant dat het alle ernstig menende mensen afstoot. Veel ervan is echter subtiel en potentieel ondermijnend. Mogelijk maken de meesten van ons er zich soms schuldig aan.

Bij een eerste lezing klinkt 2 Korinthiërs 10 alsof Paulus ook in dergelijk roemen is vervallen, een woord dat terugkeert in de laatste vier hoofdstukken van dit boek. In feite zijn de kwesties die in dit hoofdstuk aan de orde komen bijzonder complex. Ik kan er hier slechts enkele van vermelden.

(1) De toon van 2 Korinthiërs 10-13 onderscheidt dit gedeelte van de rest van het boek. Het is mogelijk dat meer informatie over de situatie in Korinthe Paulus bereikt heeft. Hoe het ook zij, critici in Korinthe spreken om diverse redenen schande van de apostel. Ze zeggen dat hij als persoon zwak en vreesachtig is, terwijl hij zich een air van macht en autoriteit aanmeet wanneer hij afwezig is en zijn pen hanteert (10:1, 10).

In een tijd waarin ‘persoonlijkheid’ en retoriek heel wat betekenden, zeggen ze ‘Want zijn brieven (…) zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets (10:10). Ze spenderen hun tijd met elkaar schouderklopjes te geven in een systeem van onderlinge erkenning en aanbevelingsbrieven (10:12). De volgende hoofdstukken weerspiegelen zelfs nog meer elementen van dit spervuur aan kritiek dat Paulus moet ondergaan.

(2) De kern ervan is een visie op roemen die botst met alles wat Paulus dierbaar is. Een bepaalde stijl van zelfprofilering, van vertrouwen in iemands kennis en retoriek, van behoren tot de ‘in’-groep: het werkt allemaal mee aan de vorming van een kliek ego’s. Ongetwijfeld voelden sommigen zich bedreigd door Paulus, maar wat ook hun motieven mogen zijn, ze maakten er een gewoonte van hem onderuit te halen.

Dit plaatste hem in een onmogelijke positie. Als hij niets zei, liep hij het gevaar het vertrouwen van de volledige kerk te verliezen; maar als hij uitpakte met zijn adelbrieven als een manier om deze aanvallen te beantwoorden, dan zou hij in precies dezelfde morele mislukking vallen als waar zijn opponenten mee kampten.

(3) In zijn initiële antwoord op dit dilemma doet Paulus drie dingen.

(a) Hij maakt zorgvuldig onderscheid tussen de normen die hij hanteert (zijn ‘leven in deze wereld’) en de norm van de wereld, tussen zijn wapens en ‘de wapens van deze wereld’ (10:2-4), en hij waarschuwt dat hij bij zijn volgende reis naar Korinthe, ondanks hun karikatuur van zijn aanwezigheid, hij bereid zal zijn tucht uit te oefenen (10:6).

(b) Hij stelt dat de uitoefening van zijn autoriteit voor hun goed was, niet in zijn eigen belang of voordeel (10:7-11).

(c) Subtiel herinnert hij de Korinthiërs aan het feit dat zij gelovigen zijn dankzij zijn dienst (10:12-16), terwijl hij stelt dat het enige roemen dat een christen past het roemen in de Heer is (10:17-18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 30 augustus 2014

'Hij, die mij beoordeelt is de Here' (1 Kor. 4)

1 Samuël 23; 1 Korinthiërs 4; Ezechiël 2; Psalm 38

Paulus heeft de Korinthiërs in 1 Korinthiërs 3 verteld hoe ze dienstknechten van Christus niet mogen zien. Ze mogen geen enkele specifieke dienstknecht van Christus als een groepsgoeroe beschouwen, want dat zou impliceren dat andere dienstknechten minderwaardig zijn.

Wanneer iedere verschillende groep binnen de gemeente haar eigen christelijke goeroe heeft, brengt dit twee kwaden met zich: onnodige verdeeldheid binnen de gemeente, en een bedilzieke verwaandheid die oordeel uitspreekt over wie er waard is om een goeroe te zijn en wie niet. Paulus benadrukt dat alles wat God voor de kerk heeft in een Paulus of een Apollos of een Kefas rechtmatig aan de hele gemeente toekomt (3:21-22).

Aan het begin van 1 Korinthiërs 4 gaat Paulus verder met de Korinthiërs te vertellen hoe ze dienstknechten van Christus dan wel moeten zien: ‘als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd’ (4:1). Het woord dat wordt weergegeven als ‘geheimenissen’ [of ‘geheimen’ in NBV] betekent niet ‘mysterieuze dingen’ of ‘dingen die alleen de elite van de uitverkorenen kan leren’. Het woord wordt vaak weergegeven als ‘mysteries’ in onze oudere vertalingen. In het Nieuwe Testament verwijst het in de meeste gevallen naar iets dat God in het verleden in een bepaalde mate omsluierd hield, verborgen, of geheim, maar nu overvloedig duidelijk maakt in Christus Jezus.

Kortom, deze ‘dienstknechten van Christus’ werd het evangelie toevertrouwd – alles wat God heeft duidelijk gemaakt in de komst van Jezus Christus.

Zij die dit vertrouwen kregen moeten hun trouw bewijzen tegenover degenen aan wie zij verantwoording afleggen (4:2). Om die reden weet Paulus dat het van weinig belang is hoe de Korinthiërs hem zien; en hoe hij zichzelf beoordeelt speelt ook al geen grote rol (4:3).

Paulus weet dat het belangrijk is om een rein geweten te bewaren voor de Heer. Maar het is mogelijk om een rein geweten te hebben en toch aan veel dingen schuldig te zijn, omdat het geweten geen perfect instrument is. Het geweten kan verkeerd geïnformeerd zijn of verhard. De enige persoon wiens oordeel absoluut correct is, en van ultiem belang, is de Heer zelf (4:4).

Hieruit volgt dat de Korinthiërs zichzelf niet mogen aanstellen als rechters over alle ‘dienstknechten van Christus’ die Christus uitstuurt. Wanneer de Heer terugkomt, zal de finale afrekening duidelijk worden. Op dit punt zegt Paulus: ‘En dan zal God het zijn die ieder de lof geeft die hem toekomt’ (4:5, NBV) – een heel mooie gedachte, want het lijkt erop dat de uiteindelijke Rechter meer bemoedigend en positief zal blijken dan veel menselijke rechters.

Er blijft een bepaalde ruimte in de gemeente voor onderscheidingsvermogen en oordeel: zie de overdenking van morgen! Maar er zijn altijd hordes critici die ‘gaan boven hetgeen geschreven staat’ (4:6) met wettische tests op het vlak van hun eigen chagrijnige afsplitsing, waarbij ze zichzelf verbinden aan hun goeroes en de rest verachten. Ze denken vaak dat ze profetisch zijn, waarbij hun aanspraken in de praktijk dicht komen bij het zich toe-eigenen van Gods plaats.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 31 maart 2014

'Here, maar wat zal met deze gebeuren?' (Joh. 21)

Leviticus 2-3; Johannes 21; Spreuken 18; Kolossenzen 1
Na het opmerkelijke gesprek dat Petrus herstelt voor het dienstwerk, vertelt Jezus hem rustig dat dit discipelschap hem op een dag zijn leven zal kosten: ‘wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt’ (Joh. 21:18). Heeft de voorzegging op zich misschien iets onduidelijks, dan is die tegen de tijd dat Johannes hier alles opschrijft al helemaal verdwenen: ‘En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij God verheerlijken zou’ (21:19).

Waarschijnlijk is de overlevering juist dat Petrus als martelaar omkwam in Rome, rond dezelfde tijd dat Paulus werd terechtgesteld, beiden onder Keizer Nero, in de eerste helft van de jaren zestig. Petrus ziet dan ‘de discipel volgen, dien Jezus liefhad’ – niemand anders dan Johannes de evangelieschrijver – terwijl hijzelf met Jezus langs het strand loopt (20:20).

De aanduiding ‘de discipel dien Jezus liefhad’ moet niet zo verklaard worden alsof ze betekent dat Jezus een vuil spel speelt van willekeurige favorieten. Kleine aanwijzingen suggereren dat veel mensen die Jezus volgden zich bijzonder geliefd voelden door Hem. Toen Lazarus ernstig ziek lag, stuurden zijn zussen Maria en Martha zo een boodschap naar Jezus waarin ze zegden ‘Here, zie, die Gij liefhebt, is ziek’ (11:3).

Zelfs na de opstanding en hemelvaart hebben Jezus’ volgelingen zich verblijd in zijn liefde, zijn persoonlijke liefde voor hen. Zo hoeft Paulus slechts Jezus en het kruis te vermelden en hij barst al spontaan uit in lofprijs met een toegevoegde ondergeschikte zin: ‘die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’ (Gal. 2:20).

In dit geval is er echter nog altijd iets van de oude Petrus over. Ongetwijfeld was hij blij te worden hersteld en de opdracht te krijgen om Jezus’ lammeren en schapen te weiden (Joh. 21:15-17). Aan de andere kant was het vooruitzicht van een smadelijke dood minder aantrekkelijk. Dus wanneer Petrus Johannes ziet, vraagt hij: ‘Here, maar wat zal met deze gebeuren?’ (21:21).

We bevinden ons niet in de positie om Petrus te bekritiseren. De meesten van ons vergelijken voortdurend de dienstcijfers van anderen. Groen is geen ongewone kleur onder dienstknechten van het Evangelie. Iemand anders heeft het iets makkelijker, dus kunnen we het makkelijk wegverklaren als hij of zij meer vrucht voortbrengt. Hun kinderen lijken beter te belanden, hun kerk is wat voorspoediger, hun evangelisatie meer effectief.

Bereiken wij aan de andere kant dan weer zelf een bepaalde mate van ‘succes’, dan blijkt dat we al gauw over onze schouders kijken naar hen die achterop lopen terwijl we stekelige opmerkingen maken over hen die ons spoedig zullen verdringen. Maar uiteindelijk hadden zij wel meer voordelen dan wij, is het niet?

Het is allemaal zo kleinzielig, zo zelfgericht, zo zondig. Jezus vertelt aan Petrus: ‘Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.’ (21:22). De verscheidenheid aan begaafdheden en genadegaven is enorm; de enige Meester die we moeten behagen is Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 23 februari 2014

'Want wie onder u allen de minste is, die is groot' (Lk. 9)


Exodus 6; Lukas 9; Job 23; 1 Korinthiërs 10
Een van de taken die je wachten als je de canonieke evangeliën zorgvuldig wilt lezen, is te zien hoe de verschillende delen verband houden. Vluchtige lezers herinneren zich individuele verhalen over Jezus van in hun zondagschooltijd, maar ze staan niet altijd stil bij de verbanden die deze verhalen tot een volledig evangelie smeden.

Bovendien schikte de ene evangelieschrijver zijn materiaal niet op exact dezelfde manier als de andere, dus gaat de specifieke geur van elk evangelie vaak verloren, tenzij we de onderscheiden verbanden goed overwegen.

Een leerzaam voorbeeld vinden we in Lukas 9:49-50. De voorafgaande verzen (9:46-48) beschrijven hoe Jezus’ discipelen discussiëren over wie van hen de grootste zou zijn (wellicht in het dan gevestigde koninkrijk). Jezus, die hun gedachten kent, leert hen een pijnlijke les, terwijl Hij een klein kind gebruikt om zijn punt duidelijk te maken.

Belangrijke mensen vleien vaak bij nog belangrijker mensen. Wie Jezus volgen verwelkomen de minst machtigen uit de maatschappij – de kleine kinderen. Wat Jezus vraagt is een blik die fundamenteel verschilt van die van de wereld: ‘Want wie onder u allen de minste is, die is groot’ (9:48 [of: ‘is werkelijk groot’, NBV]).

Het is op dit punt dat 9:49-50 om de hoek komt kijken. Johannes legt uit dat hij en de anderen een man demonen zagen uitdrijven in Jezus’ naam, ‘en wij wilden het hem beletten, omdat hij niet met ons U volgt’. Jezus verbiedt hen op die manier te handelen ‘want wie niet tegen u is, is vóór u’.

Op het eerste gezicht verschilt het onderwerp een beetje van de voorgaande verzen. Maar dan ook misschien weer niet: de verbanden vergen een zorgvuldige afweging. Johannes’ klachten klinken niet langer als godvrezende zorg voor orthodoxie, maar meer als machtshongerig gejammer dat zich er drukker over maakt of degenen die prediken en genezen wel tot de juiste strekking behoren, dan over de voortgang van de missie zelf.

Dus is dit op een wat meelijwekkende manier verbonden met het debat over wie nu de grootste is. Een hoge eigendunk zal onvermijdelijk een onstabiele basis blijken om de bediening van anderen met wijsheid te kunnen inschatten.

De daaropvolgende verzen (9:51-56) tonen ons Jezus in Samaria. Wanneer de Samaritanen ongastvrij blijken, zijn Jezus’ discipelen nogal bereidwillig om vuur over hen te laten neerdalen. Jezus wijst hen terecht. Aangezien deze verzen volgen op de al besproken thema’s, wordt het gedrag verklaard dat de discipelen hier vertonen.

Hun passie voor oordeel over de Samaritanen komt minder voort uit een goed verstaan van en toewijding aan Christus Jezus, dan uit een machtshongerige zelfgerichtheid.

De slotverzen van het hoofdstuk markeren hetzelfde contrast (9:57-62). De drie die het luidst tegenwerpen hoe ijverig ze Jezus zullen volgen, worden met beslistheid op hun plaats gezet: ze hebben de kost van het discipelschap niet berekend, en zo krijgen hun vrome protesten een lelijke ondertoon van eigenliefde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 18 januari 2014

Worden als een kind (Mt. 18)

Genesis 19; Matteüs 18; Nehemia 8; Handelingen 18
Als iemand niet voorzichtig is, is het vrij gemakkelijk een analogie te verdraaien. De reden ligt voor de hand. Als iets een vergelijking of analogie is voor iets anders, dan zijn er onvermijdelijk punten waar de twee dingen gelijklopend zijn, en andere punten waar ze behoorlijk verschillen.

Waren ze op elk punt gelijklopend, dan zouden ze zich niet als analogie tot elkaar verhouden; de twee zouden in plaats daarvan identiek zijn. Wat een verband van analogie zo vruchtbaar en verhelderend maakt ligt precies in het feit dat de twee dingen niet identiek zijn. Maar dat is ook wat ze een beetje verraderlijk maakt om te verstaan.

Dit punt is cruciaal voor het verstaan van de analogie die Jezus gebruikt in Matteüs 18:16. Wanneer zijn discipelen hun discussie starten over wie nu de grootste is in het koninkrijk der hemelen, roept Jezus een klein kind en beklemtoont dat als niet elk van hen ’zich bekeert en wordt als de kinderen’, ze ‘het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan’ (18:3).

Inderdaad, ‘Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen’ (18:4). Een klein kind ontvangen in Jezus’ naam staat gelijk met Jezus ontvangen (18:5); een van deze kleinen, die in Jezus geloven, daarentegen doen zondigen, is een zodanig ernstige misdaad dat het beter ware nooit te zijn geboren (18:6).

Het is belangrijk op te merken wat de gelijkenis niet stelt. Ze suggereert niet dat kinderen onschuldig zijn of zondeloos, er ligt geen aanwijzing in dat hun geloof intrinsiek zuiver is, geen sentimentele illusie dat kinderen meer verstaan van God dan volwassenen.

Het belangrijkste punt uit de analogie wordt gemaakt door de context van de discussie tussen de discipelen. Terwijl zij ruziën over wie de grootste is in het koninkrijk, stelt Jezus alles in het werk om de aandacht te vestigen op leden van de samenleving die niemand als groot zou beschouwen.

Kinderen zijn zulke afhankelijke schepselen. Ze zijn niet sterk, wijs of gesofistikeerd. Ze zijn relatief doorzichtig. Trotse volwassenen dan moeten zich vernederen, zodat ze tot God zouden naderen als kleine kinderen: eenvoudig en in een onbevangen afhankelijkheid, zonder enige hoop de grootste te zijn in het koninkrijk.

Stellen zulke kinderen bovendien hun vertrouwen in Jezus - ongetwijfeld zonder veel vernuftigheid, maar met een transparante eenvoud – dan zijn zij die hen bederven en op het verkeerde pad brengen te beklagen en uitermate boosaardig.

Hier is dus een beeld van grootheid in het koninkrijk dat onze aanmatigingen aan gruzelementen slaat, onze trots vernedert en onze zelfzuchtige eerzucht beschaamt. Mogen we niet de verkeerde conclusies trekken uit deze analogie, dan zijn er nog correcte lessen in overvloed om goed over door te denken en in de praktijk te brengen.

Wie kerkelijke toppen en grote faam ambiëren moeten deze woorden goed overwegen: ‘Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 25 september 2013

Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten (Ez. 28)

2 Samuël 21; Galaten 1; Ezechiël 28; Psalm 77
De lange profetie tegen de stad-staat Tyrus bereikt haar hoogtepunt in deze profetie tegen de koning van Tyrus (Ezech. 28:1-19). Historisch gezien was de koning in kwestie Ithobal II. Maar er blijkt duidelijk uit het hoofdstuk voor ons, dat de focus niet zozeer op een specifieke monarch ligt, als wel op al hetgeen hij vertegenwoordigt.

De aanklacht die voortdurend herhaald wordt is dat de koning van Tyrus in zijn hart zegt ‘ik ben een god’ (28:2, 6, 9). De context toont aan dat de kwestie niet is dat de individuele monarch een of andere monsterlijke persoonlijke en ontologische aanspraak maakt, als wel dat de koning, die het gedrag van Tyrus op zijn geheel typeert, een ontzettende eigendunk heeft, trots op geweldige commerciële successen en, daardoor, uiterst onafhankelijk.

Er is geen besef van persoonlijke zwakheid of nood, nog minder een sluimerend besef van afhankelijkheid tegenover de God die hen gemaakt heeft en voorzienig over hen regeert. De kern van de zaak is eenvoudig samen te vatten: ‘door uw wijs beleid bij de handel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart is trots geworden op uw vermogen’ (28:5).

De zeer ongepaste dimensies van de hoogmoed worden onderstreept door de vele allusies naar Genesis 2-3 (duidelijker in het Hebreeuws dan in de Nederlandse vertaling). Ze waanden zichzelf in Eden, de hof van God (28:13), ze beschouwden zich Gods beschuttende cherub (28:14), maar ze zullen verdreven worden (28:16). Met andere woorden: hun zonde staat op een lijn met die van Adam en Eva. Ook zij wilden als God zijn, onafhankelijk, zelf goed en kwaad kennende zonder dat iemand hen dit moest vertellen (zelfs niet hun Schepper!).

In beide gevallen is het resultaat hetzelfde: desastreuze rampspoed, dood en catastrofaal oordeel. Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten. Dit is een nogal voor de hand liggende samenvatting van het gedeelte. Maar we moeten goed nadenken over wat dit zegt aan elke cultuur of kerk of land die vandaag vasthangen aan rijkdom.

Natuurlijk kunnen zeer arme mensen ook materialistisch zijn, in die zin, dat hetgeen ze het meest van al willen, materiële bezittingen zijn. Materialisme is niet exclusief voorbehouden aan de rijken. Maar de focus ligt hier op de rijken, wiens bezittingen hen hoogmoedig gemaakt hebben.

Ze staan boven de gewone mensen, boven andere naties die verarmd zijn of verstrooid. Op welk punt treft ons de bekende zin van de Heer Jezus hard: ‘gij kunt niet God dienen èn Mammon’ (Mt. 6:24)?

Het feit dat Amerika de enige overblijvende supermacht is heeft meer dan een klein beetje hoogmoed met zich gebracht. Talloze specialisten hebben met reden betoogd, dat de morele onverschilligheid over presidentiële leugens, in de eerste plaats moet toegeschreven worden aan een sterke economie. Dus hoe ver en hoe lang zal God ons laten gaan als er geen sprake is van een brede en diepe bekering?


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 juni 2013

Is dit niet het vasten dat Ik verkies? (Jes. 58)


Deuteronomium 31; Psalm 119:97-120; Jesaja 58; Matteüs 6

Hoe vaak misleiden we als mensen toch onszelf als het gaat over religieuze zaken. Zoveel dingen die beginnen als bonus voor bekering en godsvrucht ontwikkelen zich tot boosaardige afgoden. Wat begint als een hulpmiddel naar heiligheid eindigt als de driedubbele val naar wetticisme, eigengerechtigheid en bijgeloof.

Zo ging het met de koperen slang in de woestijn. Hoewel ze bevolen en gebruikt werd door God (Num. 21:4-9), werd ze later een dermate religieus onding dat Hizkia ze vernietigde (2 Kon. 18:4).

Zo gaat het soms ook met andere vormen van religieuze inachtneming of geestelijke discipline. Je kunt met een fijn doel en om goede redenen starten met het bijhouden van een ‘geestelijk dagboek’ als een discipline die bijdraagt tot eerlijkheid en zelfonderzoek, maar dit kan gemakkelijk afglijden naar de driedubbele val:

(a) in je gedachten beschouw je het bijhouden van je dagboek in die mate als een duidelijk bewijs van je persoonlijke groei en trouw aan Christus, dat je neerkijkt op wie zich niet aan dezelfde discipline wijdt, en je geeft jezelf een schouderklopje elke dag je de praktijk volhoudt (wetticisme);

(b) je begint te denken dat alleen de meest volwassen heiligen geestelijke dagboeken bijhouden, dus ga je in vakjes indelen – en je kent nogal wat mensen zonder dagboek (eigengerechtigheid);

(c) Je begint te denken dat er iets in de daad zelf aanwezig is, of in het papier, of in het schrijven, dat een noodzakelijk middel tot genade is, een speciaal kanaal van goddelijk welbehagen of waarheid (bijgeloof).

Dit is het moment om je dagboek weg te gooien.

Het is duidelijk dat vasten een vergelijkbare valstrik kan worden. De eerste vijf verzen van Jesaja 58 brengen het verkeerde soort vasten aan het licht en veroordelen het, terwijl de verzen 6-12 het soort vasten beschrijven dat God behaagt. Het eerste is verbonden met hypocrisie. Mensen houden hun vastentijden, maar maken ruzie in de familie (58:4). Hun vasten verhindert niet dat ze hun arbeiders uitbuiten (58:3b).

Deze religieuze mensen worden rusteloos: ‘We probeerden het vasten’, zeggen ze, ‘maar het bleek niet te werken’ (58:3). Oppervlakkig bekeken lijken ze honger te hebben naar God en zijn wegen (58:2). Maar de waarheid is dat ze het vasten beginnen te zien alsof het een beetje magie was: omdat ik gevast heb, moet God me zegenen. Dergelijk denken is zowel vreselijk triest als verschrikkelijk zondig.

Het vasten dat God behaagt, daarentegen, wordt gekenmerkt door oprecht berouw (58:6-12). Niet alleen keert het zich af van eigen genotzucht, maar het deelt ook actief uit aan de armen (58:7), en het streeft er doelbewust naar ‘de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken’ (58:6), en ‘het spreken van boosheid’ na te laten (58:9). Dit is het vasten dat Gods zegen wegdraagt (58:8-12).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 mei 2013

Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen (Jes. 25)


Numeri 33; Psalm 78:1-39; Jesaja 25; 1 Johannes 3
Jesaja 25 wordt opgedeeld in drie delen. In het midden vind je een feestmaal (25:6-8). Aan elke kant ervan staat een lied. Het eerste wordt gezongen door een solozanger, ongetwijfeld Jesaja zelf (25:1-5); het tweede is een gemeenschappelijk loflied (25:9-12).

Op het feest (25:6-8) bestaat het voedsel uit het fijnste, en het is gratis – ‘voor alle volken een feestmaal van vette spijzen’. De ‘sluier’ of de ‘bedekking’ die ‘alle natiën omsluiert’ (25:7) is de dood zelf, het resultaat van de vloek die vermeld wordt in het voorafgaande hoofdstuk.

Dit feest is een viering omdat God ‘voor eeuwig de dood vernietigen’ zal (25:8). Zelfs alle gevolgen van de vloek zullen uitgewist worden: ‘de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen’ (25:8; vergelijk met Opb. 21).

De in dit vers beschreven zegeningen worden bewerkt door Jezus (zie Lukas 14:15-24), die de dood overwint (1 Kor. 15:25-26, 51-57; 2 Tim. 1:10). Dit feest is ‘voor alle volken’ (25:6) – opnieuw een van de vele voorafschaduwingen van de universele toepassing van het evangelie – maar eerst moeten ze naar ‘deze berg’ komen (25:7); want de redding, zoals Jezus benadrukt tegen de Samaritaanse vrouw, ‘is uit de Joden’ (Joh. 4:22).

Wanneer Jesaja eraan toevoegt dat God de smaad ‘van zijn volk’ van de gehele aarde verwijderen zal, is de verwijzing enigszins dubbelzinnig: dit kan een verwijzing zijn naar Israël, of het kan een verwijzing zijn naar hen die uit ‘alle volken’ genomen worden die op de laatste dag werkelijk bewijzen zijn volk te zijn.

Het lied van de solozanger (25:1-5) vloeit over van exuberante lof aan God omdat Hij volkomen trouw is. Deze trouw blijkt zowel uit de vernietigende oordelen die Hij gebracht heeft als in Gods langdurige zorg voor de arme en de geringe (25:4). Kortom, God wordt geprezen voor de trouwe gerechtigheid van zijn oordelen.

Het finale gemeenschappelijke lied (25:9-12) toont Gods volk dat Hem collectief prijst: ‘Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft’ (25:9). Maar ook hier moet de tegengestelde activiteit van God geprezen worden: God heeft oordeel gebracht over hen die vol trots zijn. Moab wordt uitgekozen als een voorbeeld van dergelijke ontsporing.

Zo zullen er op het einde twee gemeenschappen zijn: Gods volk aan het feestmaal waar God zelf de gastheer is en de dood vernietigd wordt; en de volslagen hoogmoedigen, die de knieën niet willen buigen maar die door God ‘tot in het stof’ vernederd worden (25:12).

Een commentator (Barry G. Webb) schrijft: ‘Ofwel zal berouw je naar het feestmaal brengen of trots zal je er van weg houden, en de gevolgen zullen ofwel zuivere vreugde zijn of onuitsprekelijk verschrikkelijk oordeel. De alternatieven die het evangelie ons voorhoudt zijn al even contrasterend als dit’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 7 mei 2013

Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad (Jes. 5)



Numeri 15; Psalm 51; Jesaja 5; Hebreeën 12

Het is nooit gemakkelijk om een boodschap van aankomend oordeel (Jes. 5) over te brengen aan mensen die ervan overtuigd zijn dat ze niet al te slecht zijn, zeker niet wanneer de regerende elite goede tijden geniet.

Zo neemt Jesaja de toevlucht tot een lied dat de aandacht trekt. Hij pikt de oude equivalent van een gitaar op en begint een eenvoudige ballade te zingen over zijn ware liefde. Zijn publiek is geboeid – en dan kunnen ze niet onder de slagen van de hamer uit.

In zijn ballade begint Jesaja met verwijzen naar God als ‘mijn geliefde … mijn beminde’ (5:1). Omdat God nog niet geïdentificeerd werd, trekt de taal ongetwijfeld meteen de aandacht van het publiek. Maar het weerspiegelt ook wat Jesaja voelt: hij is geen koele waarnemer maar een profeet die diepe liefde voelt met het wezen en de wegen van de levende God.

Hem niet volkomen liefhebben is reeds deel van het probleem, of het nu onder het oude of het nieuwe verbond is (zie Opb. 2:1-7). Israël wordt vaak neergezet als de wijngaard van de Heer, dus lang zal het niet duren vooraleer Jesaja’s toehoorders het punt beginnen te vatten.

Jesaja beperkt zich echter niet tot subtiele allusies; hij brengt zowel Gods dreigende toespraak, als zijn eigen verklaring voor zijn ballade-parabel. De mensen hebben onbruikbare wilde druiven voortgebracht, slechte vruchten. De aard van die vrucht wordt beschreven in het weerkerende ‘wee’ (5:8-25).

In een notendop, de sociale gerechtigheid die vereist wordt door het verbond is maar in algemene termen nageleefd. Tegen de specifieke nadruk van het verbond dat het land de Here toebehoort en eerlijk moet verdeeld worden, is het stelen van land de norm geworden, ten koste van de gewone mensen die uitgeperst worden (5:8-11).

De rijkdom van de elite in Uzzia’s dagen gaf voedsel aan buitensporige hoogmoed en dronkenschap (5:11-12) en striemende minachting tegenover God (5:18-19). Uiteindelijk is het land vol moreel relativisme en verwarring, dat ongetwijfeld klinkt als gesofisticeerd denken, maar eigenlijk niets meer is dan een verbintenis: ‘het kwade goed noemen en het goede kwaad’ (5:20). Ten grondslag ligt arrogantie (5:21) en corruptie in de regeringskringen en in de gerechtshoven (5:22-23). Het oordeel van de Heer is onafwendbaar (5:24-25).

Niets van dit alles betekent dat God schaakmat staat. In het slotgedeelte van het hoofdstuk (5:26-30) zegt God wat Hij zal doen. De straf, de verwoesting van Gods ‘wijngaard’, zal er komen door een vreemde invasie – de metaforische taal van deze verzen is ronduit schrikbarend.

Maar de vreemde agressors zijn niet slechts opportunisten met veel geluk en een krachtig leger. God zelf fluit het tot zich, zoals iemand een hond roept. Ondanks de funeste schuld van het volk, twijfelt Jesaja er nooit aan dat God soeverein is over de geschiedenis en de volkeren zowel kan gebruiken in oordeel als in genade. Dit thema komt sterker naar voren naarmate dit boek vordert.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 mei 2013

De Here neemt steun en stut weg (Jes. 3-4)


Numeri 14; Psalm 50; Jesaja 3-4; Hebreeën 11
Het grootste deel van Jesaja 3-4 is gewijd aan specifiek oordeel, in een soort van ABB’A’-constructie, die gevolgd wordt door glorierijke hoop voor de toekomst (4:2-6).

In het hart van de veroordeling is de Heer als Rechter, die ‘de oudsten en vorsten (lett. ‘prinsen’) van zijn volk’ aanklaagt (3:13-15). Koninklijke familie en lokale leiders (‘oudsten’) zijn op gelijke wijze vervallen tot corruptie en verdrukking.

Maar de twee daaropvolgende verzen veroordelen even goed de ‘dochters van Sion’ (3:16-17). De mannen worden in de eerste plaats veroordeeld voor verdrukking, de vrouwen voor hun ijdelheid en praalzucht.

Deze verzen worden omsloten door twee langere gedeeltes die duidelijk maken waarvoor de mannen veroordeeld worden (3:1-12) en hoe het oordeel over de vrouwen zal zijn (3:18—4:1).

God zal omsingeling en honger over het volk brengen (3:1), die zullen resulteren in de eliminatie van leiders van de gemeenschap, ofwel door deportatie of door dood (3:2-3). De volledige gemeenschap zal ineenstorten, met als belangrijk kenmerk een wanhopig verlangen om bijna gelijk wie als leider aan te duiden (3:5).

Dit gezicht werd letterlijk vervuld anderhalve eeuw later (2 Kon. 25:1-12), maar er waren voorafschaduwingen tijdens Jesaja’s leven van hoe dit oordeel zou zijn: wat Assyrië begon (Jes. 39:5-7), werd voltooid door Babylonië. Want de cultuur was grotendeels corrupt (3:8-11), wat zijn oorzaak vond in het leiderschap, dat al even zwak was als onderdrukkend (3:12).

De belegering zal ook niet vriendelijk zijn voor de pronkzuchtige vrouwen (3:18—4:1). Al hun opsmuk zal weggerukt worden (3:18-23). In plaats van de aangename geuren waaraan ze zoveel geld gespendeerd hebben, zal er stank zijn. Er zal ziekte zijn (3:17a), seksueel misbruik (3:17b – de NBG heeft het over ‘de schaamte ontbloten’, RSV gebruikt ‘the Lord will lay bare their secret parts’, m.a.w. zal hun geheime delen ontbloten), d.w.z. hen onderwerpen aan de seksuele aanslagen die zo gebruikelijk zijn in oorlogstijd), en verlies (3:25).

Sommigen zullen zich finaal zelfs voor gelijk welke beschikbare man werpen in de hoop op een toevlucht en een thuis (4:1) – maar de slachtpartij onder de mannen zal zodanig vreselijk zijn dat er niet genoeg mannen zullen zijn voor iedereen.

In de profetie van het Oude Testament is er vaak een ‘verkorting’ van gezichten van de toekomst die heen en weer springen tussen de nabije toekomst en iets dat veel verder weg ligt. Indien de dag des Heren een schrikwekkend oordeel brengt (3:6—4:1), dan brengt het ook heerlijkheid (4:2-6).

Later zal ‘spruit’ (4:2) duidelijk een manier zijn om te verwijzen naar de Messias (11:1; 53:2; vgl. Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8; 6:12), maar hier lijkt het te verwijzen naar het volk en de plannen van God in heerlijke vruchtbaarheid.

In taal die beelden oproept van de Exodus, belooft God het vuil van zijn volk af te wassen en zijn heerlijkheid te vertonen als een beschermend schild over hen (4:4-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 5 mei 2013

Vertrouw niet op de mens, ‘want wat is hij te achten?’ (Jes. 2)


Numeri 12-13; Psalm 49; Jesaja 2; Hebreeën 10

Het eerste gedeelte van Jesaja 2 (vers 1-5) kijkt zowel achteruit als vooruit. De eerste zin herinnert de lezer aan 1:1. Wanneer de twee inleidingen, 1:1 en 2:1, samengenomen worden, wordt ons een veelomvattende glimp gegund om het boek te verstaan.

Een groot deel ervan focust op de dagen van Uzzia en de andere koningen die worden vermeld in 1:1, maar het gezicht is zodanig veelomvattend, dat het ook ‘het laatste der dagen’ omvat (2:2). Het behandelt Juda en Jeruzalem, maar ziet ook vooruit naar het Sion dat moet komen.

Deze openingsverzen leggen ook de link met de zegeningen die beloofd worden in de laatste verzen van hoofdstuk 1. Nu echter is het gezicht duidelijk eschatologisch. Eén heilige berg, de berg des Heren, zal regeren boven alles. Aan de ene kant is dit gezicht exclusief; aan de andere kant is het omvattend, want ‘alle volkeren zullen derwaarts heenstromen’, en ‘vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt laten wij opgaan naar den berg des Heren’ (2:2-3).

In bewoordingen die spreekwoordelijk zijn geworden in onze taal, stelt Jesaja universele vrede voor (2:4). Hoewel hij ronduit het onrecht van zijn dagen verwerpt, verliest hij nooit het feit uit het oog dat onze ultieme hoop niet ligt in politieke hervorming, maar in het finale ingrijpen van God.

Deze openingsverzen wijzen ook vooruit in de tekst. Voor ‘het laatste der dagen’ van 2:2-5, heeft de Heere al een andere ‘dag’ in petto (2:6-22, in het bijzonder 2:12). De profeet weet dat het oordeel aanstaande is, want hetgeen aan de gang is in de natie betekent dat God al in bepaalde mate zijn volk verlaten heeft (2:6).

Zij hebben religieus bijgeloof uit het Oosten overgenomen, en nu praktiseren ze toverij zoals de Filistijnen (die in het Westen leefden). Met andere woorden, ze liepen afgoderij achterna waar ze die maar konden vinden.

Materiële zegeningen hebben hen onuitstaanbaar hoogmoedig gemaakt (2:7-9). Maar wanneer het oordeel neerdaalt, zullen ‘de verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen (…) neergebogen en de Here alleen is te dien dage verheven’ (2:11).

Sommigen zullen zich verbergen in spelonken en in holen, op de vlucht voor de invasietroepen die God over zijn volk heeft gebracht (2:10, 19-21; vergelijk Opb. 6:12-17). Wanneer God in ‘de luister van zijn majesteit’ ‘opstaat ‘om de aarde te verschrikken (2:21) blijft er geen schuilplaats over.

Hoeveel meer staan grote delen van de belijdende kerk in het Westen onder gelijkaardig oordeel? ‘Hun ‘land is vol zilver en goud en aan zijn schatten is geen einde’ (2:7). Maar wij zijn geen volk dat gekenmerkt wordt door grote nederigheid en streven naar de heerlijkheid van de Heer. De oplossing is dezelfde als in de tijd van Jesaja: ‘Laat toch af van de mens, (of van vertrouwen op de mens, JL) wiens adem in zijn neus is, want wat is hij te achten?’ (2:22).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 3 april 2013

Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers (Spr. 21)


Leviticus 6; Psalmen 5-6; Spreuken 21; Kolossenzen 4

Hier zal ik me toeleggen op drie van de verscheiden thema’s die in Spreuken 21 opduiken:

(a) ‘Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers’ (21:3). De profeten zeggen iets gelijkaardigs (bijv. Hosea 6:6), en dat doet ook de Heer Jezus (Mt. 9:13; 12:7).

Elke generatie moet bedenken dat integriteit en gerechtigheid belangrijker zijn dan religieuze rituelen. Het zou niet mogen verrassen dat religieuze mensen soms sjoemelen met hun belastingaangiftes, hun kinderen misbruiken, de auto van hun buren begeren en niets zo hard liefhebben als hun persoonlijke plezier. Hun religie zou in de praktijk kunnen dienen als mantel om hun zonde te bedekken onder een vernislaag van eerbiedwaardigheid.

Dit hoofdstuk bevat ook een andere relevante spreuk: ‘Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt (21:27). De religieuze inachtname door goddeloze mensen is gewoon verachtelijk in Gods ogen; het is onvoorstelbaar walgelijk voor Hem wanneer de goddeloze persoon minder een verdorven slachtoffer is dan een zelfbewuste charlatan die zijn religie gebruikt om mensen te misleiden.

Impliciet betekent dit natuurlijk dat de religie van de Bijbel meer gaat over karakter dan over koren, meer over werkelijke transformatie dan over religieuze traditie, meer over God en het evangelie dan over leiderschap en protserigheid.

(b) Armoede kan zijn oorsprong vinden in misbruik en onderdrukking door de sterken en machtigen. Maar het kan ook voortkomen uit een karakteriële zwakte zoals luiheid of liefhebben van eigen genot.

Zo is het ook in dit hoofdstuk: ‘Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk’ (21:17). ‘In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door (21:20). ‘De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken’ (21:25). ‘De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug’ (21:26).

In tegenstelling daarmee: ‘De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek’ (21:5). De wijze zal geen genot najagen als een van de grote doelen in het leven, maar zal zich vooruitziend tonen, vrijgevig, hardwerkend, trouw en rechtvaardig – precies het soort kwaliteiten die mensen tot goede werkgevers en goede werknemers maken.

(c) ‘Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart – de glans der goddelozen is zonde’ (21:4). ‘Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed’ (21:24). De kern van alle goddeloosheid is die voortdurende zelfgerichtheid die bij zichzelf de illusie wekt dat we alles zelf in handen hebben, in die mate dat God nooit meer kan zijn dan een handlanger. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat transformatie begint met berouw.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 12 december 2012

'Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop' (Opb. 3)



2 Kronieken 13, Openbaring 3, Haggai 1, Johannes 2
De zeven gemeenten van Klein-Azië (in grote lijnen het westerse derde deel van het actuele Turkije) verschillen nogal wat van elkaar (Opb. 2-3). In de meeste gevallen weerspiegelen ze iets van de steden waarin ze gesitueerd zijn, ofwel door het weerspiegelen van de gebreken ervan, of door het verdragen van hun verdrukking.

Twee van de zeven gemeenten, in Smyrna en Filadelfia, zijn klein en worden aangevallen, en zij krijgen geen kritiek. De andere vijf zijn in verschillende mate in gevaar.

De gemeente die het minst bemoediging ontvangt en de meeste veroordeling, is de gemeente in Laodicea (Opb. 3:14-22), een gemeente die zijn omgeving maar al te zeer weerspiegelt.

Laodicea was een bankencentrum. Wie naar het Oosten trok wisselde hier zijn geld, zoals ook Cicero deed, de beroemde Romeinse redenaar, toen hij over de grenzen van het Rijk naar het Oosten trok.

De geldbusiness maakte de stad rijk. Die stond ook bekend als een centrum voor oogheelkunde. Ooginfecties waren niet ongewoon, en in Laodicea hadden dokters een zalf ontwikkeld die velen doeltreffend vonden.

De schapen in dit gebied produceerden een bijzonder sterke, zwarte wol – de ‘jeans’-stof van de antieke wereld. Het enige echte minpunt aan de stad was zijn systeem voor waterbevoorrading.

Het nabijgelegen Kolosse had de enige koudwaterbron in de Lycusvallei; bij Hiërapolis ontsprongen heetwaterbronnen, en de plaats stond bekend als ‘kuuroord’. Laodicea moest van kilometers ver zijn water invoeren via stenen buizen, en dit water was vuil. Het liet in de buizen dikke resten achter van calciumcarbonaat en in de antieke wereld was het berucht voor zijn walgelijke smaak.

Johannes pikt deze punten op. De gemeente denkt dat ze rijk is, maar realiseert zich haar geestelijke bankroet niet. Ze gelooft dat ze kan ‘zien’, d.w.z. dat ze inzicht heeft, terwijl ze in feite blind is. Ze denkt van zichzelf dat ze goed gekleed is, volkomen presentabel, terwijl God ze aanziet als naakt. Deze gemeente is zelfvoldaan en trots geworden, op alle manieren waarop de stad zelfvoldaan en trots is geworden.
De verheerlijkte Jezus dringt er bij deze gemeente op aan ‘goud te kopen’, dat alleen Hij hen kan geven, de ogenzalf die Hij alleen kan leveren, en klederen, witte klederen (die spreken van zuiverheid) die alleen Hij hun kan geven (3:18).

Want naar zijn beleving zijn ze in hun huidige toestand voor Hem als het water van Laodicea: noch koel en verfrissend (zoals het water uit Kolosse), noch heet en medicinaal (zoals het water uit Hiërapolis), het is ronduit misselijkmakend. Ze zijn noch koud en nuttig, noch heet en nuttig; ze zijn louter walgelijk en laten Hem braken.

Heel wat gemeenten in het Westen bevinden zich in een vergelijkbare positie. Luister naar het Woord van de Heer: ‘Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij’ (3:19-20).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 december 2012

'Hebt de wereld niet lief' versus 'God had de wereld lief' (1 Joh. 2)


2 Kronieken 2, 1 Johannes 2, Nahum 1, Lukas 17
Je kunt je afvragen waarom God zou moeten geprezen worden omdat Hij de wereld heeft lief gehad (Joh. 3:16), wanneer het christenen net verboden wordt die lief te hebben (1 Joh. 2:15-17).

De wereld, zoals gewoonlijk het geval is in Johannes en 1 Johannes, is de morele orde in rebellie tegen God. Wanneer ons verteld wordt dat God de wereld liefheeft, moet zijn liefde bewonderd worden omdat de wereld zo slecht is. Gods liefde is de oorsprong van zijn verlossingswerk. Terwijl zijn heiligheid leidt tot zijn toorn (Joh. 3:36), bewerkstelligt zijn karakter als liefde (1 Joh. 4:8, 16) zijn reddingsmissie.

Wat God verbiedt in 1 Johannes 2:15-17 is echter iets heel anders. God heeft de wereld lief met de heilige liefde van de redding; Hij verbiedt ons de wereld lief te hebben met de verwerpelijke liefde van participatie. God heeft de wereld lief met de zelfopofferende liefde die de Zoon zijn leven kost; wij mogen de wereld niet liefhebben met de zelfzuchtige liefde die wil proeven van al de zonden van de wereld.

God heeft de wereld lief met de reddende kracht die personen zodanig kan veranderen dat ze niet langer tot de wereld behoren; ons wordt verboden de wereld lief te hebben met de morele zwakheid die het aantal wereldse mensen wil vermeerderen door er zelf volledig aan deel te nemen.

Gods liefde voor de wereld moet bewonderd worden voor zijn unieke combinatie van zuiverheid en zelfopoffering; de onze wekt afgrijzen en weerzin voor zijn onzuiverheid en hebberige boosheid.

De wereld die Johannes in deze verzen beschouwt is niet mooi. Hij wordt gekenmerkt door alle begeerten van onze zondige natuur (‘de begeerte van het vlees’, 2:16), alle dingen die ons van buiten uit aanvallen en ons weglokken van de levende God (‘de begeerte van de ogen’, 2:16), alle hoogmoed van bezit, dominantie en controle (‘de hoogmoed van het leven’, 2:16, HSV; ‘pronkzucht’, NBV). Niets daarvan is afkomstig van de Vader, wel van de wereld.

Maar christenen maken hun afwegingen in het licht van de eeuwigheid. ‘En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17). Hij is te betreuren wiens zelfbeeld en hoop op vergankelijke dingen rusten.

Tien miljoen jaren verder in de eeuwigheid zal het een beetje gek lijken jezelf te beroemen op de auto waarmee je nu rijdt, de som geld die je bezit of de opleiding die je kreeg, het aantal boeken dat je bezit, het aantal keren dat je naam vermeld werd in de krantenkoppen.

Of je nu al dan niet een Academy Award gewonnen hebt, zal dan minder belangrijk blijken dan de vraag of je wel of niet oprecht geweest bent tegenover je echtgenote. Of je nu een basketbalvedette was of niet, zal van minder betekenis zijn dan hoeveel je van je rijkdom vrijgevig weggeschonken hebt. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 december 2012

'Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand' (1 Kron. 29)



1 Kronieken 29, 2 Petrus 3, Micha 6, Lukas 15
Het verslag van de dood van David door de kroniekschrijver wordt voorafgegaan door het verhaal van de rijkelijke giften die de bouw van de tempel moeten financieren na Davids overlijden en door het gebed dat David in dit verband uitsprak (1 Kron. 29). Niet zozeer de grootte van de som geld die David en anderen schonken is zo treffend, maar de theologie van Davids gebed. De hoogtepunten omvatten onder andere het volgende:

(1) In de openingslofzang (29:10-13) erkent David dat alles van God is (29:11). Als wij mensen iets ‘bezitten’, dan moeten we eerlijk bekennen ‘rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles’ (29:12). Vandaar dat David in het midden van zijn gebed zegt ‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’ (29:14); en opnieuw, met betrekking tot alle rijkdom die bijeengebracht werd, die ‘komt uit uw hand; U behoort het alles’ (29:16).

Een dergelijk standpunt vernietigt elke notie van wij die in absolute termen iets zouden ‘geven’ aan God. Het wordt een lust om aan God te geven, niet alleen omdat we Hem liefhebben, maar omdat we met vreugde erkennen dat alles wat wij ‘bezitten’ sowieso van Hem is.

(2) Het hoeft dan ook weinig te verwonderen dat het gebed begint met uitbundige uitingen van lof (29:10).

(3) David erkent dat alle menselijke bestaan vergankelijk is. God zelf verdient geprezen te worden ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (29:10), maar wat ons betreft, ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (29:15).

Dit is een bijzonder gedeelte. De Israëlieten bevinden zich in het Beloofde Land, in ‘rust’; maar, zoals in Psalm 95 en Hebreeën 3:6-4:11 en 11:13 kan dit niet de finale rust zijn, want ze zijn nog steeds ‘vreemdelingen en bijwoners’. David is koning, het hoofd van een machtige en blijvende dynastie.

Individueel echter moeten zowel de monarch als de boer op gelijke wijze erkennen dat hun dagen op aarde ‘als een schaduw zijn’ (29:15). Hier zie je een man van geloof die weet dat hij gegrond moet zijn in Hem die de eeuwigheid bewoont, of anders staat hij nergens.

(4) David legt geweldige nadruk op integriteit: ‘Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid (…) nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht’ (29:17). Het succes van deze fondsenwerving wordt niet gemeten in monetaire waarde, maar in de integriteit waarmee de rijkdom werd gegeven.

(5) In de slotanalyse erkent David ronduit dat aanhoudende toewijding en levensintegriteit onmogelijk zijn zonder het ingrijpen van Gods genade (29:18). Op die manier verdwijnt elke kans op persoonlijke hoogmoed die gebaseerd is op het geldbedrag dat geschonken wordt, en verandert ze in een dankbaar erkennen van Gods genadige soevereiniteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 7 november 2012

Soms kun je maar beter jong sterven (2 Kon. 20)



2 Koningen 20, Hebreeën 2, Hosea 13, Psalmen 137-138
2 Koningen 20 is een van de droeviger hoofdstukken van de Schrift. Het toont ons het beeld van een man die trouw was in het verleden, maar nu wegkwijnt in het genot van de zelfzucht.

Koning Hizkia regeerde over Juda, het zuidelijke koninkrijk, in de dagen dat het noordelijke koninkrijk van Israël tanende was. Eens de Assyriërs Israël verslagen hadden en zijn leidinggevende burgers meegevoerd waren, bleef er alleen een versplinterd wrakstuk van een land achter, en was er heel wat reden voor ontmoediging in het zuiden. Maar op waarlijk heldhaftige manier weerstaat Hizkia, deels geleid door de profeet Jesaja, de kapseizende belegering door koning Sanherib van Assur, gewoon omdat hij vertrouwde op de genade van de Here God.

Een door God gezonden plaag trok doorheen het Assyrische kamp en doodde bijna tweehonderdduizend mensen. Jeruzalem en Juda worden gespaard (2 Koningen 18-19; Jes. 36-37). Bovendien werd Hizkia’s toewijding aan God in de vroege jaren van zijn regering niet gekenmerkt door het typische compromis, dat een bepaalde vorm van trouw aan Jahweh inhield terwijl er niet geraakt werd aan de offerhoogten en andere plaatsen van heidense aanbidding.

Verre van: hij ruimde zaken op, en kreeg als beoordeling ‘Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had’ (18:3-4). Hij erkende zelfs dat de koperen slang die Mozes had gemaakt (Num. 21:4-9) nu een bijgelovige valstrik was, en vernietigde ze.

Toen werd hij ziek en weende bitter. Op een of andere manier bevond hij zich in een positie waarin hij vond dat zijn rechtvaardige daden betekenden dat God hem een lang en voorspoedig leven verschuldigd was (20:2-3). In zijn genade schonk God hem nog vijftien jaren langer, en gaf hem een wonderteken om de belofte te bevestigen (20:1-11).

Gedurende die periode van vijftien jaren echter, faalde Hizkia voor een belangrijke test: toen een gezantschap uit Babylon kwam, speelde Hizkia de rol van trotse potentaat, in plaats van het aangezicht des Heren te zoeken en nederig te wandelen, en hij pochte met de toenemende rijkdom van het koninkrijk.

Alles werd zorgvuldig genoteerd in de boeken van Babylon, als voorbereiding voor de dag, meer dan een eeuw later, wanneer Babylon de supermacht wordt die Jeruzalem vernietigt en zijn bevolking in ballingschap stuurt (20:12-18).

Maar dit is niet Hizkia’s meest ernstige misstap. Wanneer de profeet Jesaja hem vertelt wat er zal gebeuren, bekeert de koning zich niet van zijn hoogmoed en zoekt hij geen vergeving of gaat hij niet pleiten bij God. Het dreigende oordeel is gepland voor de toekomst: Hizkia weigert enige diepgaande verantwoordelijkheid te aanvaarden.

Vroom becommentarieert hij ‘Het woord des HEREN, dat gij gesproken hebt, is goed’ – terwijl de schrijver de commentaar toevoegt: ‘Ook dacht hij: Het zal immers gedurende mijn leven bestendig vrede zijn’ (20:19). Hizkia is een morele en strategische pygmee geworden.

Je kunt beter jong sterven na oprechte, godvruchtige verwezenlijkingen, dan oud en verbitterd terwijl je je eigen erfenis vergiftigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 23 september 2012

Opgenomen tot in de derde hemel (2 Kor. 12)



2 Samuël 19, 2 Korinthiërs 12, Ezechiël 26, Psalm 74
‘Er moet geroemd worden’ (of in de NBV: ‘Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven’), schrijft Paulus (2 Kor. 12:1), hoewel hij dit alleen maar op de meest ironische manier gedaan heeft (zie de overdenking van gisteren en die voor 21 september).

Maar nu wacht hem een nieuw dilemma. Blijkbaar hebben zijn tegenstanders hoog opgegeven over hun geestelijke ervaringen. Mogelijk hebben ze daarbij iets gezegd als: ‘Wel, natuurlijk had Paulus die ervaring op de weg naar Damascus, maar dat is al lang geleden. Wat heeft hij sindsdien van God vernomen? De genade van gisteren wordt muf.’

In dit geval kan Paulus natuurlijk niet eenvoudig ironie gebruiken en roemen over precies het tegenovergestelde van al wat zijn tegenstanders belangrijk beschouwen, zoals hij deed in hoofdstuk 11. Want het tegenovergestelde van het hebben van verschillende geestelijke ervaringen is dat je ze niet hebt – en in Paulus’ geval zou de ontkenning dat hij dergelijke ervaringen had gewoon niet waar zijn. Dus gaat hij met tegenzin over tot ‘gezichten en openbaringen des Heren’ (12:1).

Maar hij kan het niet verdragen op die manier over zichzelf te spreken, dus neemt hij zijn toevlucht tot een literaire truc: hij spreekt over zichzelf in de derde persoon: ‘Ik weet van een mens in Christus’, schrijft hij (12:2), hoewel hij het duidelijk over zichzelf heeft (12:5-6).

Zelfs in dit geval legt Paulus drie klemtonen om de focus weg te houden van zichzelf en elke deugd te ontdoen van de neiging tot roemen.

Ten eerste zegt hij, dat het hem in zijn geval ‘niet geoorloofd is uit te spreken’ welke spectaculaire ervaringen van de hemel hij veertien jaren eerder genoten had (12:4). De ‘derde hemel’ (12:2) is de woonplaats van God; het paradijs is waar God zich bevindt. Een gedeelte van wat hij zag was ‘onuitsprekelijk’: mensen die dergelijke gezichten niet hebben meegemaakt hebben niet het vermogen om ze te vatten.
Wat nog belangrijk is, deze gezichten waren bedoeld om Paulus te sterken; het was hem niet toegestaan om erover te spreken. Vandaar zijn stilzwijgen.

Ten tweede is Paulus bang dat mensen te groot van hem zullen denken (het tegenovergestelde van onze angsten), dus is het voor hem een princiepskwestie als hij een afkeer heeft te spreken over ontoegankelijke zaken. Als hij beoordeeld moet worden, wil hij beoordeeld worden op basis van wat hij doet en zegt (12:6), niet door beweringen over gezichten en openbaringen die toch niet onder publieke beoordeling kunnen vallen.

Ten derde erkent Paulus dat, samen met de grote voorrechten die hij ontving, God hem ook – door middel van een vertegenwoordiger van satan - een ‘doorn in het vlees’ heeft gegeven die niet van hem zal worden weggenomen, ondanks zijn meest verwoede voorbede (12:7-10). Die was hem gegeven om hem ervoor te behoeden verwaand te worden, om hem ‘zwak’ te houden, zodat hij zou leren dat Gods kracht volbracht wordt in onze zwakheid, en zodat hij daarom nooit zou vertrouwen op of opgeblazen worden door de bijzondere genade die hij ontving. In deze gevallen wereld is het een zaak van goedertierenheid wanneer grote genade gepaard gaat met grote zwakheid, net als het tegenovergestelde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 22 september 2012

'Als er geroemd moet worden, dan zal ik roemen in mijn zwakheid' (2 Kor. 11)


2 Samuël 18, 2 Korinthiërs 11, Ezechiël 25, Psalm 73
In de aanhoudende druk die Paulus voelde om hen die zijn gezag in Korinthe ondermijnden te weerleggen, vindt Paulus dat hij moet ‘roemen’ terwijl hij niet ‘roemt’ (zie de overdenking van gisteren). In 2 Korinthiërs 10 brengt Paulus zijn argumentatie tot een hoogtepunt door te benadrukken dat de enige gepaste roem van een christen in Christus Jezus is: ‘Maar wie roemt, roeme in de Here’ (10:17). In 2 Korinthiërs 11:16-33 neemt Paulus een beetje een omweg om tot de zelfde waarheid te komen.

Wat Paulus doet is een soort ‘time-out’ inlassen: hij zegt dat hij niet zal roemen, niet als Paulus de apostel, zelfs niet als Paulus de christen, maar eerder als Paulus de ‘dwaas’ (11:16-21). Hij voelt zich er vreselijk verveeld om zelfs nog maar dit te doen (11:21b, 23), maar hij ziet geen andere weg vooruit. Het is waar, zegt hij, dat hij van zijn jeugd af doortrokken was van de Hebreeuwse cultuur en taal, en hij is niet minder dan anderen een ‘dienaar van Christus’ – maar om op die manier te praten is zodanig pijnlijk dat hij tussendoor uitbarst ‘ik spreek als een waanzinnige’ (11:23, HSV).

En dan keert hij alle categorieën om. Hij heeft ‘harder gezwoegd’ (NBV): hij bedoelt fysiek gewerkt, met zijn handen – wat geen eersteklas zichzelf respecterende hellenistische leraar zou doen. Bovendien, zegt hij, heeft hij een langere staat van dienst in de gevangenis dan zij. Hij kreeg vaker zweepslagen dan hen. Vijf keer moest hij de synagogestraf ondergaan, de negenendertig zweepslagen. Hij leed drie keer schipbreuk tijdens zijn reizen voor het evangelie (11:25) – en dit werd geschreven voor de schipbreuk waarvan Handelingen 27 verslag uitbrengt. Voortdurend gevaar heeft hem tijdens zijn reizen achtervolgd en hij zag zich dikwijls gedwongen om zonder voedsel op pad te gaan. Erger nog, hij werd verraden door ‘valse broeders’ (11:26) terwijl hij te kampen had met constante stress door zijn zorg voor alle gemeenten (11:27-28).

We moeten dit niet lezen met de ogen van de westerse christen als een opwindende saga van volharding onder druk. We lezen over het veelvuldig lijden van Paulus en bewonderen zijn trouw en standvastigheid, zijn gelijkvormigheid aan de Christus die naar het kruis ging. Maar zijn vijanden zien al dit ‘roemen’ als tekenen van zwakheid en zelfs dwaasheid: hij bezit zelfs onvoldoende verstand om zelf uit de problemen te blijven.

Maar Paulus is vastbesloten het menselijke roemen op zijn kop te zetten: hij zal roemen over de dingen die zijn zwakheid tonen (11:30). Zelfs zijn laatste punt loopt over deze lijnen (11:31-33). We neigen ernaar Paulus’ ontsnapping uit Damascus te zien door de ogen van Lucas (Handelingen 9). Maar Paulus zag zijn vlucht zelf als een vervelende nederlaag.

In een tijd waarin de hoogste Romeinse militaire eer naar die soldaat met de rang van centurion of hoger ging die het eerst over de muur kroop aan het einde van een belegering, verklaart Paulus dat hij als eerste op de grond stond.
Op welke manieren roem jij in je zwakheden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 september 2012

'Wie roemt, roeme in de Here' (2 Kor. 10)


2 Samuël 17, 2 Korinthiërs 10, Ezechiël 24, Psalm 72
Er zit een hele hoop opschepperij in het westerse evangelicalisme. Een deel ervan is zodanig flagrant dat het alle serieuze mensen afstoot. Veel ervan is echter subtiel en mogelijk fataal. Mogelijk maken de meesten van ons er zich soms schuldig aan.

Bij een eerste lezing klinkt 2 Korinthiërs 10 alsof Paulus ook in dergelijk roemen is vervallen, een woord dat terugkeert in de laatste vier hoofdstukken van dit boek. In feite zijn de kwesties die in dit hoofdstuk aan de orde komen bijzonder complex. Ik kan er hier slechts enkele van vermelden.

(1) De toon van 2 Korinthiërs 10-13 zet dit gedeelte apart van de rest van het boek. Het is mogelijk dat meer informatie over de situatie in Korinthe Paulus bereikt heeft. Hoe het ook zij, critici in Korinthe spreken op verschillende gronden schande van Paulus. Ze zeggen dat hij als persoon zwak en vreesachtig is, terwijl hij zich een air van macht en autoriteit aanmeet wanneer hij afwezig is en zijn pen hanteert (10:1, 10). In een tijd waarin ‘persoonlijkheid’ en retoriek heel wat betekenden, zeggen ze ‘Want zijn brieven (…) zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets (10:10). Ze spenderen hun tijd met elkaar schouderklopjes te geven in een systeem van onderlinge goedkeuring en aanbevelingsbrieven (10:12). De volgende hoofdstukken weerspiegelen zelfs nog meer elementen van dit spervuur aan kritiek dat Paulus moet ondergaan.

(2) De kern ervan is een visie op roemen die botst met alles wat Paulus dierbaar is. Een bepaalde stijl van zelfprofilering, van vertrouwen in eigen kennis en retoriek, van behoren tot de ‘in’-groep: het werkt allemaal mee om een kliek van ego’s te vormen. Ongetwijfeld voelden sommigen zich bedreigd door Paulus, maar wat ook hun motieven mogen zijn, ze maakten er een gewoonte van hem neer te halen. Dit plaatste hem in een onmogelijke positie. Als hij niets zei, liep hij het gevaar het vertrouwen van de volledige kerk te verliezen; maar als hij uitpakte met zijn adelbrieven als een manier om deze aanvallen te beantwoorden, dan zou hij in precies dezelfde morele mislukking vallen als waar zijn opponenten mee kampten.

(3) In zijn initiële antwoord op deze dilemma’s doet Paulus drie dingen.

(a) Hij maakt zorgvuldig onderscheid tussen de standaarden die hij hanteert (zijn ‘leven in deze wereld’) en de standaard van de wereld, tussen zijn wapens en ‘de wapens van deze wereld’ (10:2-4), en hij waarschuwt dat hij bij zijn volgende reis naar Korinthe, ondanks hun karikatuur van zijn aanwezigheid, hij bereid zal zijn om te bestraffen (10:6).

(b) Hij benadrukt dat zijn uitoefening van autoriteit voor hun goed was, niet in zijn eigen belang of voordeel (10:7-11).

(c) Subtiel herinnert hij de Korinthiërs aan het feit dat zij gelovigen zijn geworden via zijn dienst (10:12-16), terwijl hij er de nadruk op legt dat voor een christen het enige gepaste roemen bestaat uit roemen in de Heer (10:17-18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 23 februari 2012

‘Want wie onder u allen de minste is, die is groot’ (Lk. 9)


Exodus 6, Lukas 9, Job 23, 1 Korinthiërs 10

Een van de opgelegde taken voor wie de canonieke evangeliën op een gevoelige manier wil lezen, is te zien hoe de verschillende delen met elkaar verbonden zijn. Vluchtige lezers herinneren zich individuele verhalen over Jezus van hun tijd in de zondagschool, maar ze staan niet altijd stil bij de verbanden die deze verhalen tot volledige evangeliën smeden. Bovendien schikten de individuele evangelieschrijvers hun materiaal niet op exact dezelfde manier als de anderen, dus gaat de specifieke geur van elk evangelie vaak verloren, tenzij de onderscheiden verbanden bedachtzaam overwogen worden.

Een leerzaam voorbeeld vinden we in Lukas 9:49-50. De voorafgaande verzen (9:46-48) beschrijven hoe Jezus’ discipelen discussiëren over wie van hen de grootste zou zijn (wellicht in het dan gevestigde koninkrijk). Jezus, die hun gedachten kent, leert hen een gênante les, terwijl Hij van een kind gebruikmaakt om zijn punt te maken. Belangrijke mensen vleien vaak bij nog belangrijker mensen. Zij die Jezus volgen verwelkomen de minst machtigen uit de maatschappij – de kleine kinderen. Wat Jezus vraagt is een blik die fundamenteel verschilt van die van de wereld: ‘Want wie onder u allen de minste is, die is groot’ (9:48).

Het is op dit punt dat 9:49-50 om de hoek komt kijken. Johannes legt uit dat hij en de anderen een man zagen die demonen uitdreef in Jezus’ naam, ‘en wij wilden het hem beletten, omdat hij niet met ons U volgt’. Jezus verbiedt hen op die manier te handelen ‘want wie niet tegen u is, is vóór u’. Op het eerste gezicht is dit een wat ander onderwerp dan de voorgaande verzen. Maar dan ook misschien weer niet: de verbanden roepen ons op om erover na te denken. Johannes’ klachten klinken niet langer als godvrezende bezorgdheid voor orthodoxie, maar meer als machtshongerig gejammer dat zich drukker maakt over de vraag of degene die predikt en geneest wel tot de juiste strekking behoort, dan over de voortgang van de missie zelf.

Dus is dit op een wat meelijwekkende manier verbonden met het debat over wie nu de grootste zou zijn. Een hoge eigendunk zal onvermijdelijk een onstabiele basis blijken om met wijsheid de dienst van anderen te kunnen inschatten.

In de daaropvolgende verzen (9:51-56) bevindt Jezus zich in Samaria. Wanneer de Samaritanen ongastvrij blijken, zijn Jezus’ discipelen nogal bereidwillig om vuur over hen te laten neerdalen. Jezus wijst hen terecht. Aangezien deze verzen volgen op de al besproken thema’s, is het gedrag verklaard dat de discipelen hier vertonen. Hun passie voor oordeel over de Samaritanen komt minder voort uit een oprecht verstaan van en toewijding aan Christus Jezus, dan door een machtshongerige zelfgerichtheid.

De slotverzen van het hoofdstuk zetten hetzelfde contrast nog extra in de verf (9:57-62). De drie die het luidst protesteren over hoe gretig ze Jezus zullen volgen, worden met beslistheid op hun plaats gezet: ze hebben de kost van het discipelschap niet berekend, en zo krijgen hun vrome tegenwerpingen een lelijke nuance van eigenliefde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.