Posts tonen met het label Klaagliederen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Klaagliederen. Alle posts tonen

vrijdag 28 augustus 2015

Rijk aan informatie, arm aan godsvrucht? (Klaagliederen 5)

1 Samuël 20; 1 Korintiërs 2; Klaagliederen 5; Psalm 36

In deze informatierijke tijd, hebben velen van ons geleerd om zo beknopt mogelijk te zijn. Dit was een van de gebieden waarin mijn eigen doctoraatssupervisor me heel erg hielp: mijn prozastijl is nog altijd heel uitgesponnen, maar als je er al beknoptheid en precisie in herkent, dan is dit voor een groot deel te danken aan diens nauwgezette correctie van mijn werk een kwarteeuw geleden.

Efficiënte managers leren bondig te formuleren; computerprogrammeurs worden beoordeeld op hoe beknopt zij precieze code kunnen schrijven om te doen wat moet gedaan worden. Slechts een paar hedendaagse auteurs (bijv. Tom Clancy en James Michener) komen weg met lange, uitgesponnen boeken – en zelfs dan hebben de uitgevers er drastisch in geknipt.

Maar hier zijn we dan, terwijl we rustig door Jesaja, Jeremia en Klaagliederen lezen, met Ezechiël nog voor de boeg, en we merken hoe we altijd weer rond hetzelfde handvol thema’s draaien: zonde in de verbondsgemeenschap, dreigend oordeel, dan oordeel dat wordt uitgevoerd, eerst voor de noordelijke stammen, daarna voor Juda. We herkennen de subtiele verschillen natuurlijk: geschiedenis, apocalyptiek, godsspraak, klaaglied, gebeden.

Hier in Klaagliederen 5 wordt de vijfde treurzang neergezet als een lang gebed: ‘Gedenk, HERE, wat ons is overkomen; zie toch; aanschouw onze smaad’ (5:1). Maar heb je jezelf er al niet meer dan een keer op betrapt dat je zegt, ‘Ik weet dat dit het woord van God is, en ik weet dat het belangrijk is, maar ik denk dat ik nu iets begrijp van de geschiedenis en de theologie van de ballingschap. Kunnen we niet overgaan naar iets anders?’

We leven in een tijd die de informatie onder controle wil houden, we schreeuwen om beknoptheid en de Bijbel lijkt bij momenten vreselijk onsamenhangend. Dus gaan we opnieuw zo snel mogelijk door een hoofdstuk omdat we dit allemaal wel al ‘weten’.

Maar is dit niet deel van het probleem? Lees het hoofdstuk terug door, traag en bedachtzaam. Natuurlijk is het verbonden met het Israël van zes eeuwen voor Christus, met de verwoesting van haar steden en land en tempel, tot de aanvang van de ballingschap. Maar luister naar de diepte en volharding van de smeekbeden, het berouw, de persoonlijke omgang met God, het culturele bewustzijn, de erkenning van Gods soevereiniteit en gerechtigheid, de diepgaande erkenning dat het volk opnieuw met God zelf moet verenigd worden wil terugkeer naar het land mogelijk worden, laat staan zinvol (5:21).

Vergelijk dit dan met de soorten van christelijk belijdenis waarmee jij het meest vertrouwd bent. In tijden van culturele achteruitgang, morele neergang en grootschalige kerkelijke versnippering, is ons gebed dan zoals dat van Klaagliederen 5? Hebben de thema’s van de grote profeten zich zo in onze geesten en harten gebrand dat het onze passie is om weer met de levende God verenigd te worden? Of zijn we zelf zo opgeslokt door de geest van deze tijd dat we tevreden zijn rijk te zijn aan informatie en verarmd in wijsheid en godsvrucht?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 augustus 2015

De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn (Kl. 4)

1 Samuël 19; 1 Korintiërs 1; Klaagliederen 4; Psalm 35

De vierde treurzang (Klaagliederen 4) roept opnieuw verschillende mentale beelden op om het lijden van de finale belegering van Jeruzalem en omstreken voor te stellen. Het legt ook een aantal van de redenen uit voor het opgelegde oordeel, en eindigt met een glimp van hoop.

Het begin van de treurzang vergelijkt het volk van Jeruzalem met goud dat zijn glans verloren heeft (4:1). Zoals goud begonnen ze kostbaar, maar nu worden ze behandeld als de goedkoopste aarden kruiken (4:2).

Onder de omstandigheden van de belegering en de wegvoering, wordt voedsel zodanig schaars dat moeders hun kinderen niet langer kunnen zogen; zelfs de jongen van jakhalzen worden beter behandeld (4:3-4).

Spreekwoordelijk voor zijn zonde, werd Sodom in een snelle Holocaust vernietigd, ‘als in een oogwenk’ (4:6). Maar de straf van het volk van de dichter is groter dan die van Sodom (4:6; merk op dat de Nederlandstalige Bijbelvertalingen spreken over grotere ‘ongerechtigheid’ of ‘wandaden’ dan Sodom, JL); oorlogsvoering via belegering is een ellendige, slepende zaak, en de ballingschap die volgt gaat in die lijn verder.

De theologische veronderstelling is natuurlijk dat er een gradatie van schuld is: degenen met de meeste kennis van Gods wegen hebben het minst excuus, en zo kunnen ze zich aan het zwaarste oordeel verwachten (bijv. Mt. 11:20-24).

Wat de edelen betreft, die zijn al even uitgemergeld, vernederd, en vuil als de rest, en dus niet te onderscheiden van de overigen (4:8-9) – wat een andere manier is om te zeggen dat het leiderschap van de kleine natie vernietigd is. Ze zijn zo vuil, dat ze fysiek en ceremonieel onrein zijn, zoals melaatsen die hun bestaan moeten uitzitten waar niemand contact met hen wil (4:14-15).

‘De gezalfde des HEREN’ - hier een verwijzing naar Zedekia – blijkt van geen nut. ‘Hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren’ (4:20) – dit is, gerust in de wetenschap dat hij in de Davidische lijn lag, de gezalfde van de Heer.

Maar zoals de Heer de stad en de tempel verwoest heeft, zo heeft Hij ook de Davidische afstammelingen van de troon verwijderd. Waarom deed de Heer dit? ‘Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters’ (4:13).

Niet dat de schrijver suggereert dat zij de enige zondaars waren. Maar de godsdienstige leiders hadden het meest moeten doen om het volk in verbondstrouw te bewaren, maar in plaats daarvan leidden ze het volk in corruptie en ontrouw. Omwille van hun eigen posities hebben ze de nationale neergang geen halt toegeroepen, maar integendeel aangestookt en verhaast. Waar geldt dit vandaag?

Het verhaal eindigt hier niet. In spottende hoon zegt de schrijver aan de naburige heidenen dat ze zich al even goed mogen verheugen in dat ogenblik, want hun beurt komt nog. Gods recht wordt evenzeer aan hen opgelegd als aan Israël – en op een dag zal het verbondsvolk, hoewel nu verdrukt, elk spoor van de ballingschap achter zich laten (4:21-22). De Gezalfde des Heren zal hen rust geven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 augustus 2015

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn (Kl. 3)

1 Samuël 18; Romeinen 16; Klaagliederen 3; Psalm 34

Het is moeilijk beslissen of het eerste deel van Klaagliederen 3 de ervaring van een individueel persoon beschrijft (mogelijk Jeremia), of als die persoon een figuur is die het hele volk vertegenwoordigt nu het een catastrofale nederlaag, armoede en ballingschap opgelegd kreeg.

Diverse zinnen pleiten in het voordeel van de eerste visie (bijv. 3:14, waar de persoon een belaching is geworden ‘voor heel mijn volk’, eerder dan voor de omringende volken).

Het boek in zijn geheel en de meervoudsvorm ‘we’, die in het grootste deel van de tweede helft van dit hoofdstuk domineert, pleiten licht in het voordeel van de tweede visie.

Maar belangrijker dan deze kwestie te kunnen beslissen is de treffende manier waarop hoop of vertrouwen uitbreken onder de meest schrijnende problemen. Het eerste voorbeeld vinden we in 3:22-27. Ondanks de vreselijke verwoesting zegt de schrijver, ‘ Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (3:22).

Hun zonden verdienen meer oordeel dan ze krijgen. Ze hadden kunnen uitgeroeid worden. Slechts de barmhartigheid van de Here voorkwam dat dit gebeurde. Hoe groot ook hun lijden, het feit dat ze nog altijd bestaan getuigt van de genade van de Heer jegens hen. Gods gunstbewijzen vernieuwen zich in onze ervaring elke dag (3:23).

Bovendien zullen de getrouwen zeker benadrukken dat hetgeen ze het meest willen niet de zegeningen van de Heer zijn, maar de Heer zelf: ‘Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen’ (3:24).

Dit is een moreel standpunt: het wijst op het einde van de zelfgenoegzaamheid en zelfgerichtheid die dacht dat ze God met de nek kon aankijken. Voor deze schrijver bereikt de tuchtiging het gewenste effect: het drijft mensen terug naar God.

Het tweede blok van hoop is een terugblik op de voorafgaande manieren waarop de Heer al geantwoord heeft (3:55-57), en dat dan een pleidooi vormt voor rechtvaardiging (3:58-64).

De uitgesproken eenvoud van de eerste van deze twee gedeeltes is bijzonder aansprekend, het voorrecht van veel gelovigen die door donkere wateren gingen: Ik roep uw naam aan, o HERE, uit het onderste van de put. Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet’ (3:55-57).

Het gebed voor rechtvaardiging dat volgt (3:58-64) mag niet herleid worden tot bittere wraakzucht. Als God rechtvaardig is, dan moet Hij, op dezelfde manier als
Hij zijn eigen verbondsvolk getuchtigd heeft, recht spreken over hen die wreed anderen aanvielen – zelfs al gaat het dan om die aanval die God voorzienig gebruikte om zijn eigen volk te tuchtigen. God benadrukt elders hetzelfde punt (bijv. Jes. 10:5 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 augustus 2015

Hoe zit zij eenzaam neder, de eens volkrijke stad (Kl. 1)


1 Samuël 16; Romeinen 14; Klaagliederen 1; Psalm 32

Vooraleer iets te zeggen over Klaagliederen 1, moet ik een aantal opmerkingen maken over het boek in zijn geheel.

(1) In het Hebreeuws betekent het eerste woord van het boek ‘O, hoe [verlaten is de stad]’, en dit eerste woord wordt de titel in de Hebreeuwse Bijbel. Latere Joodse schrijvers verwezen naar het boek met ofwel dit woord, ofwel een ander Hebreeuws woord dat ‘klaagliederen’ (of ‘geweeklaag’, JL) betekent.

(2) Vroege Griekse en Latijnse vertalingen van dit korte boek wijzen het toe aan Jeremia de profeet. Dit is volkomen mogelijk, maar strikt gezien is het werk anoniem.

(3) Klaagliederen bestaat uit vijf gedichten, vijf klaagzangen, die elk een hoofdstuk beslaan. De eerste vier zijn acrostichons: d.w.z., de tweeëntwintig medeklinkers van het Hebreeuwse alfabet vormen de introductie van respectievelijk elk van de tweeëntwintig strofen in elk gedicht (hoewel er kleine onregelmatigheden voorkomen in de hoofdstukken 2, 3 en 4).

In de eerste drie gedichten bestaat elke strofe normaal gezien uit drie zinnen in een bepaald parallellisme (met twee uitzonderlijke vierzinnenstrofes: 1:7; 2:19). In het derde gedicht begint elke zin van elke strofe met dezelfde Hebreeuwse medeklinker die deze klaagzang inleidt.

Het vierde gedicht telt slechts twee zinnen voor elke strofe. Hoewel het poëzie is, is het vijfde klaaglied geen acrostichon, maar bestaat het uit tweeëntwintig zinnen die lijken op bepaalde Psalmen van gemeenschappelijk geweeklaag (bijv. Ps. 44 en 80).

(4) Geen lineaire gedachtegang bestrijkt elk hoofdstuk of het volledige boek. Bepaalde thema’s blijven terugkomen, natuurlijk, maar in grote lijnen is het boek impressionistisch, vol krachtige beelden die een klein aantal brandende waarheden benadrukken.

Als Job te maken krijgt met rampspoed die een rechtvaardig mens overkomt, en dus met het probleem van onschuldig lijden, dan gaat Klaagliederen over de rampspoed die een schuldig volk overkomt. Wie wind zaaien zullen storm oogsten.

Terwijl deze gedichten eerlijk en krachtig het lijden van de natie schetsen, rechtvaardigen ze God: God bestuurt de geschiedenis, niet mensen, en God laat niet met zich spotten. Het recht zal uiteindelijk zegevieren in het drama van de geschiedenis, omdat God rechtvaardig is.

Twee finale uitdagingen.

(a) Lees het eerste hoofdstuk door en identificeer elk van de krachtige beelden die de schrijver naar voor brengt, terwijl je de vraag stelt wat ze bijdragen tot het hoofdstuk en hoe ze verbonden zijn met andere Bijbelse passages (indien het al zo is).

Vers 10 herinnert er ons bijvoorbeeld aan dat alleen de hogepriester het Heilige der Heiligen kon binnengaan – en nu hebben onbehouwen heidenen niet alleen de tempel betreden, maar hebben ze hem ook verwoest. Theologisch gezien is dit verbonden met het feit dat de heerlijkheid van God de tempel verlaten heeft (vgl. Ez. 8-11), terwijl het onder andere aantoont dat de tegenwoordigheid van God meer moet gezocht worden dan het gebouw.

(b) Wat is er godsvruchtig aan 1:21-22?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 augustus 2013

Rijk aan informatie, arm aan godsvrucht? (Klaagliederen 5)


1 Samuël 20; 1 Korintiërs 2; Klaagliederen 5; Psalm 36
In deze informatierijke tijd, hebben velen van ons geleerd om zo beknopt mogelijk te zijn. Dit was een van de gebieden waarin mijn eigen doctoraatssupervisor me heel erg hielp: mijn prozastijl is nog altijd heel uitgesponnen, maar als je er al beknoptheid en precisie in herkent, dan is dit voor een groot deel te danken aan diens nauwgezette correctie van mijn werk een kwarteeuw geleden.

Efficiënte managers leren bondig te formuleren; computerprogrammeurs worden beoordeeld op hoe beknopt zij precieze code kunnen schrijven om te doen wat moet gedaan worden. Slechts een paar hedendaagse auteurs (bijv. Tom Clancy en James Michener) komen weg met lange, uitgesponnen boeken – en zelfs dan hebben de uitgevers er drastisch in geknipt.

Maar hier zijn we dan, terwijl we rustig door Jesaja, Jeremia en Klaagliederen lezen, met Ezechiël nog voor de boeg, en we merken hoe we altijd weer rond hetzelfde handvol thema’s draaien: zonde in de verbondsgemeenschap, dreigend oordeel, dan oordeel dat wordt uitgevoerd, eerst voor de noordelijke stammen, daarna voor Juda. We herkennen de subtiele verschillen natuurlijk: geschiedenis, apocalyptiek, godsspraak, klaaglied, gebeden.

Hier in Klaagliederen 5 wordt de vijfde treurzang neergezet als een lang gebed: ‘Gedenk, HERE, wat ons is overkomen; zie toch; aanschouw onze smaad’ (5:1). Maar heb je jezelf er al niet meer dan een keer op betrapt dat je zegt, ‘Ik weet dat dit het woord van God is, en ik weet dat het belangrijk is, maar ik denk dat ik nu iets begrijp van de geschiedenis en de theologie van de ballingschap. Kunnen we niet overgaan naar iets anders?’

We leven in een tijd die de informatie onder controle wil houden, we schreeuwen om beknoptheid en de Bijbel lijkt bij momenten vreselijk onsamenhangend. Dus gaan we opnieuw zo snel mogelijk door een hoofdstuk omdat we dit allemaal wel al ‘weten’.

Maar is dit niet deel van het probleem? Lees het hoofdstuk terug door, traag en bedachtzaam. Natuurlijk is het verbonden met het Israël van zes eeuwen voor Christus, met de verwoesting van haar steden en land en tempel, tot de aanvang van de ballingschap. Maar luister naar de diepte en volharding van de smeekbeden, het berouw, de persoonlijke omgang met God, het culturele bewustzijn, de erkenning van Gods soevereiniteit en gerechtigheid, de diepgaande erkenning dat het volk opnieuw met God zelf moet verenigd worden wil terugkeer naar het land mogelijk worden, laat staan zinvol (5:21).

Vergelijk dit dan met de soorten van christelijk belijdenis waarmee jij het meest vertrouwd bent. In tijden van culturele achteruitgang, morele neergang en grootschalige kerkelijke versnippering, is ons gebed dan zoals dat van Klaagliederen 5? Hebben de thema’s van de grote profeten zich zo in onze geesten en harten gebrand dat het onze passie is om weer met de levende God verenigd te worden? Of zijn we zelf zo opgeslokt door de geest van deze tijd dat we tevreden zijn rijk te zijn aan informatie en verarmd in wijsheid en godsvrucht?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 augustus 2013

De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn (Kl. 4)


1 Samuël 19; 1 Korintiërs 1; Klaagliederen 4; Psalm 35
De vierde treurzang (Klaagliederen 4) roept opnieuw verschillende mentale beelden op om het lijden van de finale belegering van Jeruzalem en omstreken voor te stellen. Het legt ook een aantal van de redenen uit voor het opgelegde oordeel, en eindigt met een glimp van hoop.

Het begin van de treurzang vergelijkt het volk van Jeruzalem met goud dat zijn glans verloren heeft (4:1). Zoals goud begonnen ze kostbaar, maar nu worden ze behandeld als de goedkoopste aarden kruiken (4:2).

Onder de omstandigheden van de belegering en de wegvoering, wordt voedsel zodanig schaars dat moeders hun kinderen niet langer kunnen zogen; zelfs de jongen van jakhalzen worden beter behandeld (4:3-4).

Spreekwoordelijk voor zijn zonde, werd Sodom in een snelle Holocaust vernietigd, ‘als in een oogwenk’ (4:6). Maar de straf van het volk van de dichter is groter dan die van Sodom (4:6; merk op dat de Nederlandstalige Bijbelvertalingen spreken over grotere ‘ongerechtigheid’ of ‘wandaden’ dan Sodom, JL); oorlogsvoering via belegering is een ellendige, slepende zaak, en de ballingschap die volgt gaat in die lijn verder.

De theologische veronderstelling is natuurlijk dat er een gradatie van schuld is: degenen met de meeste kennis van Gods wegen hebben het minst excuus, en zo kunnen ze zich aan het zwaarste oordeel verwachten (bijv. Mt. 11:20-24).

Wat de edelen betreft, die zijn al even uitgemergeld, vernederd, en vuil als de rest, en dus niet te onderscheiden van de overigen (4:8-9) – wat een andere manier is om te zeggen dat het leiderschap van de kleine natie vernietigd is. Ze zijn zo vuil, dat ze fysiek en ceremonieel onrein zijn, zoals melaatsen die hun bestaan moeten uitzitten waar niemand contact met hen wil (4:14-15).

‘De gezalfde des HEREN’ - hier een verwijzing naar Zedekia – blijkt van geen nut. ‘Hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren’ (4:20) – dit is, gerust in de wetenschap dat hij in de Davidische lijn lag, de gezalfde van de Heer.

Maar zoals de Heer de stad en de tempel verwoest heeft, zo heeft Hij ook de Davidische afstammelingen van de troon verwijderd. Waarom deed de Heer dit? ‘Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters’ (4:13).

Niet dat de schrijver suggereert dat zij de enige zondaars waren. Maar de godsdienstige leiders hadden het meest moeten doen om het volk in verbondstrouw te bewaren, maar in plaats daarvan leidden ze het volk in corruptie en ontrouw. Omwille van hun eigen posities hebben ze de nationale neergang geen halt toegeroepen, maar integendeel aangestookt en verhaast. Waar geldt dit vandaag?

Het verhaal eindigt hier niet. In spottende hoon zegt de schrijver aan de naburige heidenen dat ze zich al even goed mogen verheugen in dat ogenblik, want hun beurt komt nog. Gods recht wordt evenzeer aan hen opgelegd als aan Israël – en op een dag zal het verbondsvolk, hoewel nu verdrukt, elk spoor van de ballingschap achter zich laten (4:21-22). De Gezalfde des Heren zal hen rust geven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 augustus 2013

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn (Kl. 3)

1 Samuël 18; Romeinen 16; Klaagliederen 3; Psalm 34
Het is moeilijk beslissen of het eerste deel van Klaagliederen 3 de ervaring van een individueel persoon beschrijft (mogelijk Jeremia), of als die persoon een figuur is die het hele volk vertegenwoordigt nu het een catastrofale nederlaag, armoede en ballingschap opgelegd kreeg.

Diverse zinnen pleiten in het voordeel van de eerste visie (bijv. 3:14, waar de persoon een belaching is geworden ‘voor heel mijn volk’, eerder dan voor de omringende volken).

Het boek in zijn geheel en de meervoudsvorm ‘we’, die in het grootste deel van de tweede helft van dit hoofdstuk domineert, pleiten licht in het voordeel van de tweede visie.

Maar belangrijker dan deze kwestie te kunnen beslissen is de treffende manier waarop hoop of vertrouwen uitbreken onder de meest schrijnende problemen. Het eerste voorbeeld vinden we in 3:22-27. Ondanks de vreselijke verwoesting zegt de schrijver, ‘ Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (3:22).

Hun zonden verdienen meer oordeel dan ze krijgen. Ze hadden kunnen uitgeroeid worden. Slechts de barmhartigheid van de Here voorkwam dat dit gebeurde. Hoe groot ook hun lijden, het feit dat ze nog altijd bestaan getuigt van de genade van de Heer jegens hen. Gods gunstbewijzen vernieuwen zich in onze ervaring elke dag (3:23).

Bovendien zullen de getrouwen zeker benadrukken dat hetgeen ze het meest willen niet de zegeningen van de Heer zijn, maar de Heer zelf: ‘Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen’ (3:24).

Dit is een moreel standpunt: het wijst op het einde van de zelfgenoegzaamheid en zelfgerichtheid die dacht dat ze God met de nek kon aankijken. Voor deze schrijver bereikt de tuchtiging het gewenste effect: het drijft mensen terug naar God.

Het tweede blok van hoop is een terugblik op de voorafgaande manieren waarop de Heer al geantwoord heeft (3:55-57), en dat dan een pleidooi vormt voor rechtvaardiging (3:58-64).

De uitgesproken eenvoud van de eerste van deze twee gedeeltes is bijzonder aansprekend, het voorrecht van veel gelovigen die door donkere wateren gingen: Ik roep uw naam aan, o HERE, uit het onderste van de put. Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet’ (3:55-57).

Het gebed voor rechtvaardiging dat volgt (3:58-64) mag niet herleid worden tot bittere wraakzucht. Als God rechtvaardig is, dan moet Hij, op dezelfde manier als Hij zijn eigen verbondsvolk getuchtigd heeft, recht spreken over hen die wreed anderen aanvielen – zelfs al gaat het dan om die aanval die God voorzienig gebruikte om zijn eigen volk te tuchtigen. God benadrukt elders hetzelfde punt (bijv. Jes. 10:5 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 24 augustus 2013

Hoe zit zij eenzaam neder, de eens volkrijke stad (Kl. 1)


1 Samuël 16; Romeinen 14; Klaagliederen 1; Psalm 32
Vooraleer iets te zeggen over Klaagliederen 1, moet ik een aantal opmerkingen maken over het boek in zijn geheel.

(1) In het Hebreeuws betekent het eerste woord van het boek ‘O, hoe [verlaten is de stad]’, en dit eerste woord wordt de titel in de Hebreeuwse Bijbel. Latere Joodse schrijvers verwezen naar het boek met ofwel dit woord, ofwel een ander Hebreeuws woord dat ‘klaagliederen’ (of ‘geweeklaag’, JL) betekent.

(2) Vroege Griekse en Latijnse vertalingen van dit korte boek wijzen het toe aan Jeremia de profeet. Dit is volkomen mogelijk, maar strikt gezien is het werk anoniem.

(3) Klaagliederen bestaat uit vijf gedichten, vijf klaagzangen, die elk een hoofdstuk beslaan. De eerste vier zijn acrostichons: d.w.z., de tweeëntwintig medeklinkers van het Hebreeuwse alfabet vormen de introductie van respectievelijk elk van de tweeëntwintig strofen in elk gedicht (hoewel er kleine onregelmatigheden voorkomen in de hoofdstukken 2, 3 en 4).

In de eerste drie gedichten bestaat elke strofe normaal gezien uit drie zinnen in een bepaald parallellisme (met twee uitzonderlijke vierzinnenstrofes: 1:7; 2:19). In het derde gedicht begint elke zin van elke strofe met dezelfde Hebreeuwse medeklinker die deze klaagzang inleidt.

Het vierde gedicht telt slechts twee zinnen voor elke strofe. Hoewel het poëzie is, is het vijfde klaaglied geen acrostichon, maar bestaat het uit tweeëntwintig zinnen die lijken op bepaalde Psalmen van gemeenschappelijk geweeklaag (bijv. Ps. 44 en 80).

(4) Geen lineaire gedachtegang bestrijkt elk hoofdstuk of het volledige boek. Bepaalde thema’s blijven terugkomen, natuurlijk, maar in grote lijnen is het boek impressionistisch, vol krachtige beelden die een klein aantal brandende waarheden benadrukken.

Als Job te maken krijgt met rampspoed die een rechtvaardig mens overkomt, en dus met het probleem van onschuldig lijden, dan gaat Klaagliederen over de rampspoed die een schuldig volk overkomt. Wie wind zaaien zullen storm oogsten.

Terwijl deze gedichten eerlijk en krachtig het lijden van de natie schetsen, rechtvaardigen ze God: God bestuurt de geschiedenis, niet mensen, en God laat niet met zich spotten. Het recht zal uiteindelijk zegevieren in het drama van de geschiedenis, omdat God rechtvaardig is.

Twee finale uitdagingen.

(a) Lees het eerste hoofdstuk door en identificeer elk van de krachtige beelden die de schrijver naar voor brengt, terwijl je de vraag stelt wat ze bijdragen tot het hoofdstuk en hoe ze verbonden zijn met andere Bijbelse passages (indien het al zo is).

Vers 10 herinnert er ons bijvoorbeeld aan dat alleen de hogepriester het Heilige der Heiligen kon binnengaan – en nu hebben onbehouwen heidenen niet alleen de tempel betreden, maar hebben ze hem ook verwoest. Theologisch gezien is dit verbonden met het feit dat de heerlijkheid van God de tempel verlaten heeft (vgl. Ez. 8-11), terwijl het onder andere aantoont dat de tegenwoordigheid van God meer moet gezocht worden dan het gebouw.

(b) Wat is er godsvruchtig aan 1:21-22?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 13 maart 2010

We hebben reden tot klagen

"In de allerslechtste tijd is er nog altijd meer reden om te klagen over een boos hart dan over een boze wereld"

Robert Fleming (1630-1694)


Oorspronkelijk klonk het zo: “In the worst of times, there is still more cause to complain of an evil heart than of an evil world.”


Wat klaagt dan een mens in het leven!
Ieder (klage) over zijn zonde.

(Klaagliederen 3:39)

dinsdag 4 augustus 2009

Lied voor doodgewone christenen – Groot is uw trouw

Mooie post van Bob Kauflin op zijn blog: worship matters. Hij schetst de geschiedenis van het lied “Groot is uw trouw”. Het kan elke christen bemoedigen die zijn of haar leven maar heel gewoontjes vindt. Het verhaal achter het lied toont dat het slechts de vrucht is van een trouwe man met een eenvoudig geloof in een trouwe God.

Thomas Chisholm beschreef zichzelf soms als “gewoon een oude schoen”. Hij werd geboren in 1866 in een houten hut in Kentucky. Hij kwam tot bekering toen hij 27 was, werd voorganger op zijn 36ste, maar moest die job een jaar later al opgeven wegens zijn slechte gezondheid. Het grootste deel van zijn leven werkte hij als verzekeringsagent in New Jersey. Hij stierf in 1960 toen hij 93 jaar was. Gedurende zijn leven schreef hij meer dan 1200 gedichten, maar van de meeste ervan zal niemand ooit horen.

Maar terug in 1923, toen hij aan 57 “zijn bloeitijd al voorbij was”, zond Thomas Chisholm een aantal van zijn gedichten naar William Runyan bij de Hope Publishing Company. Een ervan was "Great is Thy Faithfulness" (“Groot is uw trouw”), gebaseerd op Klaagliederen 3:22-23. (“Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen. Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!”)

Runyan was vooral aangesproken door "Great is Thy Faithfulness". Hij zocht er een melodie op die een weerspiegeling zou zijn van de verwondering over en dankbaarheid voor Gods trouw, zoals die tot uiting kwam in de liedtekst. Schijnbaar slaagde hij erin.
Het lied werd al snel een favoriet in het Moody Bijbel Instituut, en later zong George Beverly Shea het op de campagnes van Billy Graham. Nu is het over de hele wereld bekend en wordt het gebruikt om miljoenen christenen aan te moedigen hun vertrouwen te stellen in een trouwe God.

Behoorlijk indrukwekkende geestelijke vrucht uit het leven van een verzekeringsagent.
Toen Chisholm 75 was, schreef hij in een brief:
“Mijn inkomen is nooit groot geweest, door de zwakke gezondheid die ik sinds mijn jeugd meedraag. Hoewel ik hier niet mag tekortschieten in het vermelden van de voortdurende trouw van een God die zich aan Zijn verbond houdt. Hij heeft me op wonderlijke wijze zijn voorzienige zorg getoond. Ik blijf me er dankbaar over verbazen."

Kauflin voegt nog een korte analyse toe van het lied. Het heeft in het Engels 3 verzen en een refrein.

Het eerste vers spreekt van Gods trouw zoals geopenbaard in Zijn Woord, en is afgeleid van Jakobus 1:17. “elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen.”

Vers 2 handelt over Gods trouw zoals geopenbaard in de schepping. De seizoenen, de zon, de maan en de sterren hebben alle hun volmaakte koers, geordend en rustig, geleid door Gods trouwe hand en zonder enige hulp van onze kant.

Vers 3 herinnert ons aan Gods trouw zoals geopenbaard in onze levens. Hij vergeeft al onze zonden, vervult ons met zijn vrede, verzekert ons van zijn tegenwoordigheid, geeft ons kracht, hoop en zegeningen die te talrijk zijn om ze te kunnen tellen!

Welke uitdagingen, beproevingen of ontgoochelingen je misschien ook momenteel doormaakt, dit lied herinnert ons dat Gods beloften waar zijn, dat Hij onveranderlijk is, dat zijn ontferming blijft en dat zijn trouw aan ons in Jezus Christus meer is dan goed – ze is FANTASTISCH!

God heeft geen ongelooflijk begaafde of bijzonder beroemde mensen nodig om deze waarheden uit zijn Woord te verkondigen – alleen trouwe mensen.


Groot is uw trouw, o Heer,
mijn God en Vader.
Er is geen schaduw van omkeer bij U.
Ben ik ontrouw, Gij blijft immer Dezelfde
die Gij steeds waart,
dat bewijst Gij ook nu.

Refrein:
Groot is uw trouw, o Heer,
groot is uw trouw, o Heer,
iedere morgen aan mij weer betoond.
Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven.
Groot is uw trouw, o Heer,
aan mij betoond.

Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,
en uw nabijheid, die sterkt en die leidt:
Kracht voor vandaag,
blijde hoop voor de toekomst.
Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.

Refrein:
Groot is uw trouw, o Heer,
groot is uw trouw, o Heer,
iedere morgen aan mij weer betoond.
Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven.
Groot is uw trouw, o Heer,
aan mij betoond.

Dit is nog het 2e vers uit de Engelse tekst:
Summer and winter and springtime and harvest,
Sun, moon and stars in their courses above
Join with all nature in manifold witness
To Thy great faithfulness, mercy and love.