Posts tonen met het label typologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label typologie. Alle posts tonen

maandag 13 januari 2014

God bereidt de weg voor de ultieme priester-koning (Gen. 14)

Genesis 14, Matteüs 13, Nehemia 3, Handelingen 13
Mocht je het boek Genesis doorlezen zonder vooraf de inhoud van enig ander Bijbelboek te kennen, dan zouden die paar verzen over Melchizedek (Gen. 14:18-20) ongetwijfeld een van de meest raadselachtige gedeeltes vormen. Want hoe draagt hij uiteindelijk substantieel bij aan de verhaallijn van het boek?

Melchizedeks aanwezigheid wordt voorafgegaan door de beslissing (weergegeven in Gen. 13) van Abram en Lot om zich van elkaar af te scheiden om het geruzie te beëindigen dat uitbrak tussen hun respectievelijke herders.

Lot kiest voor de vlakten van Sodom en Gomorra. Dit betekent dat hij en zijn familie en rijkdom worden meegenomen wanneer Kedorlaomer en de kleinere met hem verbonden koningen de tweelingsteden aanvallen en ervandoor gaan met aanzienlijke buit.

Abram en zijn omvangrijk aantal weerbare mannen gaan achter de aanvallers aan. De schermutseling eindigt met de vrijlating van Lot en zijn familie en het terugwinnen van mensen en goederen die eerder waren meegenomen.

In de daaropvolgende verzen weigert Abram om ook maar enige beloning aan te nemen van de koning van Sodom, een stad die toen al bekendstond voor zijn boosheid. Maar hij aanvaardt dankbaar de zegen van de koning van Salem (dat mogelijk gelijk is aan Jeruzalem?) en betaalt hem op zijn beurt eerbiedig een tiende.

Historisch gezien lijkt Melchizedek (zijn naam betekent ‘koning van gerechtigheid’) de koning van de stadsstaat Salem (die naam betekent dan weer ‘vrede’ of ‘welzijn’). Hij is niet alleen Salems koning, maar functioneert ook als ‘priester van God de allerhoogste’ (14:18).

En inderdaad: het is in de naam van de allerhoogste God dat hij Abram zegent. En Abram respecteert hem zodanig, schijnbaar hem kennend van eerdere ontmoetingen, dat hij hem op zijn beurt ook eer betuigt.

We moeten niet denken dat Abram de enige persoon op aarde was die kennis bezat over de levende God. Melchizedek was een andere, en Abram vindt in hem een geestesverwant.

In een boek dat een exacte stamboom biedt van quasi iedereen die belangrijk is voor de verhaallijn, blijkt Melchizedek eerder opvallend eenvoudigweg te verschijnen en weer te verdwijnen – ons wordt niet verteld wie zijn ouders zijn, noch wanneer en waar hij sterft.
Hij en zijn stad vormen een afweer voor Sodom en zijn koning. Nog maar eens zijn er twee steden: de stad van God en de stad van de mens (zoals Augustinus ze zou betitelen).

Melchizedek wordt op slechts twee andere plaatsen in de Bijbel vernoemd. De eerste is Psalm 110 (zie de overdenking voor 17 juni). De andere is Hebreeën, waar de auteur erkent dat het invoegen van Melchizedek in het verhaal van Genesis geen toeval is, maar een symbolisch geladen gebeurtenis van bijzonder belang (in het bijzonder Hebr. 7).

God bereidt de weg voor de ultieme priester-koning, niet alleen in woordelijke profetieën, maar ook in modellen (of types) die de klassen afbakenen en vormgeven aan de verwachtingen van het volk van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 26 april 2013

Zie, gij zijt schoon, mijn liefste (Hooglied 1)


Numeri 3; Psalm 37; Hooglied 1; Hebreeën 1
Hoewel (of misschien omdat) het Hooglied een van de moeilijkste bijbelboeken is, bleek het ongelooflijk populair, zowel onder Joden als onder christenen. Het gaf aanleiding tot een groot aantal commentaren en preken.

De ruimte hier is veel te beperkt voor een discussie, maar misschien dat ik mijn voorzichtige conclusies over vier zaken kan weergeven vooraleer na te denken over Hooglied.

(1) Hoewel sommigen ontkend hebben dat dit boek over seksuele liefde gaat in een primaire zin, en het zien als een allegorie voor ofwel de liefde tussen Jahweh en Israël of tussen Christus en de kerk, betwijfel ik dit.

Zoveel details van het Hooglied zijn zo uitgesproken menselijk en seksueel (des te meer wanneer de oude Semitische symboliek wordt recht gedaan), dat het onwaarschijnlijk is te argumenteren dat de betekenis van de tekst allegorisch is.

Bovendien zijn er veel parallellen in andere liefdespoëzie in de Wijsheidsliteratuur van het oude Nabije Oosten, zodat je moet besluiten dat het genre welbekend was.

(2) Aan de andere kant, nadat we de menselijke en seksuele liefde ten volle erkend hebben die in dit boek gevierd wordt – want God heeft ons menselijk en seksueel gemaakt, en Wijsheidsliteratuur focust vaak op de glorie van de geschapen orde – zullen we er toch niet ver naast zitten als we ook, binnen het kader van de canon, een typologisch verband zien met God en Israël, met Christus en de kerk. Want dit is een thema dat regelmatig terugkomt in beide Testamenten. (Zie bijvoorbeeld Hosea of Opb. 21).

(3) Sommigen hebben drie hoofdfiguren gezien in dit boek: de vrouw, haar herder-geliefde, en de ontuchtige koning die haar probeert toe te voegen aan zijn harem. Na afweging lijkt het beter alleen de eerste twee partijen te onderscheiden, de vrouw en de koning-herder-geliefde. De ‘dochters van Jeruzalem’ die blijven opduiken (bijv. in 1:5) zijn de vrouwelijke gezellen van het vrouwelijke hoofdpersonage.

(4) Hoewel het redelijk duidelijk is dat de huwelijksvoltrekking plaatsvindt in 3:6-5:1, compleet met huwelijkslied, betekent dit niet dat er geen seksuele ondertonen zijn eerder in het boek. Maar verre van het aanbevelen van promiscuïteit (zoals een aantal commentatoren hebben gesuggereerd), is het boek gewijd aan exclusieve, monogame liefde. Wat minder duidelijk is, is dat de gedachte sequentieel is, overwegend lineair.

De ‘geliefde’, de vrouw, neemt vaak het initiatief (1:2 e.v.). Maar ze is onzeker over zichzelf. Haar lange blootstelling aan de zon, haar blijkbaar opgelegd door haar broers (is haar vader dood?) die willen dat zij de wijngaard onderhoudt, heeft ervoor gezorgd dat ze een zongebruind plattelandsmeisje is (1:5-7). Haar vriendinnen herbevestigen haar (1:8) – zoals ook haar geliefde (1:9-11).

Na haar sensuele monoloog (1:12-14), voert een serie van verleidende gesprekken tussen beide geliefden het gedeelte naar zijn einde (1:15-2:2). Je herinnert je Spreuken 30:19.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 13 februari 2013

De alleen wijze God zij heerlijkheid in alle eeuwigheid (Rom. 16)


Genesis 46; Markus 16; Job 12; Romeinen 16
De afsluitende drie verzen van Romeinen zijn bijzonder (Rom. 16:25-27). Formeel gezien vormen ze een doxologie – een woord van lofprijs voor God. God wordt voorgesteld als Hem, ‘die bij machte is u te versterken - naar mijn evangelie’ (16:25), en Hij wordt opnieuw voorgesteld in de structuur in vers 27: ‘Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen’. Zo wordt in deze context de wijsheid van God, verondersteld in de uitdrukking ‘de alleen wijze God’, tentoongespreid in Gods vermogen om de Romeinse christenen te versterken door het evangelie van Paulus.

Dit evangelie wordt verder beschreven in de tussenliggende zinnen, en hier is Gods wijsheid bijzonder verbluffend. God versterkt mensen, zo wordt ons verteld, door het evangelie, door ‘de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen’ (16:25). In een bepaald opzicht was de omvang en focus van het evangelie niet duidelijk. Die bleef verborgen tot de komst van Jezus Christus. Zelfs toen Hij hier was, nog voor het kruis en de opstanding, vatten zijn discipelen niet dat Hij, de Messias, ook de lijdende dienstknecht zou zijn en dat Hij een verachtelijke dood zou sterven om verloren zondaars te redden.

Maar als dit evangelie gedurende eeuwen verborgen was, is het nu ‘geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God’ bekendgemaakt (16:26). Hier klinkt het alsof dit evangelie geopenbaard werd ‘door profetische geschriften’, d.w.z. door de Schriften. Dus aan de ene kant was het evangelie verborgen in de voorgaande eeuwen en is het nu geopenbaard; en aan de andere kant werd het evangelie gedurende eeuwen geprofeteerd en is het nu vervuld. Hoe kunnen die beide dingen tegelijk waar zijn?

Een gedeelte van het antwoord ligt in de manier waarop het evangelie voorzegd wordt in het Oude Testament. Zoveel van de voorzeggingen zijn verpakt in ‘types’ of beelden van wat nog moet komen. Na de feiten kunnen we zien hoe Jezus de ware tempel is, de ultieme ontmoetingsplaats tussen God en zijn zondige beelddragers; ook hoe Hij het ware Paaslam, het Pascha, is; hoe Hij de ultieme priester is; hoe Hij de ultieme ‘Zoon van God’ is; hoe Hij de ultieme Davidische koning is.

We ontdekken zelfs vele aanwijzingen die ons tussendoor aangereikt worden. We lezen bijvoorbeeld de profetieën over een nieuw verbond en overwegen hoe dergelijke aankondigingen het oude verbond in principe overbodig maken en ons drijven tot de verwachting van een nieuw bestel. Feit blijft echter dat niemand verwacht had dat dezelfde persoon al deze beelden en types in zichzelf zou vervullen.

Sommige Joden uit de eerste eeuw verwachtten zelfs twee messiassen, één Davidische en de andere priesterlijk. Maar we zien Jezus en zijn evangelie – uitvoerig voorzegd, maar gedurende vele eeuwen verborgen, en nu onder alle volken geopenbaard, ‘tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs’ (16:26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 17 november 2012

'U bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God' (Hebr. 12)



1 Kronieken 9-10, Hebreeën 12, Amos 6, Lukas 1:39-80
De inspanningen van de auteur van de brief aan de Hebreeën om zijn lezers het transcendente belang van Jezus en het nieuwe verbond te doen vatten, in vergelijking met het oude verbond dat God gaf bij Sinaï, brengen ons snel bij een nieuw en interessant contrast in Hebreeën 12:18-24.

Aan de ene kant zijn christenen ‘niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur (12:18) – de verwijzing gaat duidelijk naar de berg Sinaï wanneer God er neerdaalde en Mozes ontmoette. De angst van die theofanie wordt uiteengezet in zeer grafische bewoordingen. God zelf verklaarde ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’ (12:20). Zelfs Mozes gaf blijk van diepgaande vrees (Deut. 9:19; Hebr. 12:21). Christenen zijn niet genaderd tot die specifieke berg.

Aan de andere kant zijn christenen tot een andere berg genaderd. Maar hier zet de auteur ons even op het verkeerde been. Eerst klinkt het alsof hij wil zeggen dat de berg die we naderen niet Sinaï is, verbonden met de woestijn en de wetgeving, maar de berg Sion, de plaats waar de tempel werd gebouwd in Jeruzalem, de troon van het koningshuis van David. Maar dan wordt het plots duidelijk dat de tekst niet focust op het geografische en historische Sion, maar op zijn tegenbeeld: ‘de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (12:22).

Je kunt heel wat zeggen over deze typologie, maar ik zal me beperken tot twee opmerkingen.

Ten eerste strekt ze zich uit naar andere Bijbelboeken. De typologie zelf is gebaseerd op de terugkeer uit de ballingschap. De hoop van de bannelingen was dat ze naar Jeruzalem zouden terugkeren. Jeruzalem werd het symbool van alles wat hersteld kon worden. Al in de literatuur van het Judaïsme uit de tweede-tempelperiode spreken Joden soms over ‘het nieuwe Jeruzalem’ of iets vergelijkbaars dat hemels, volmaakt is. Zo ook in het Nieuwe Testament. Paulus kan spreken over ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26). Het laatste boek van de Bijbel ziet het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen (Opb. 21).

Ten tweede, als christenen tot dit ‘hemelse Jeruzalem genaderd’ zijn, wat betekent dit dan in feite? Het betekent dat we door christen te worden nu toegetreden zijn tot de gemeenschap van hen die ‘vergaderd’ zijn in de tegenwoordigheid van de levende God. Ons burgerschap is in de hemel; onze namen zijn ingeschreven in de hemel.

We sluiten aan bij de vreugdevolle bijeenkomst van tienduizendtallen van engelen rond de troon. Kortom, we zijn gekomen ‘tot God, de Rechter over allen’; we hebben ons aangesloten bij de ‘geesten van rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben’ (Heb. 12:23).

Bovenal zijn we gekomen ‘tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond’ (12:24). Hier is de ultieme visie van wat het betekent om de ‘feestelijke en plechtige vergadering (of: ‘gemeenschap’, NBV) van eerstgeborenen’ te zijn (Heb. 12:23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 15 juli 2012

'Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees' (Hd. 2)



Jozua 22, Handelingen 2, Jeremia 11, Mattheüs 25


Handelingen 2 wordt soms de geboortedag van de kerk genoemd. Dit kan misleidend zijn. In zekere zin kan de gemeenschap van het oude verbond ook terecht als kerk bestempeld worden (7:38 – NBV: ‘vergadering’; HSV: ‘samenkomst’). Toch is er een nieuwe start die begint op die dag, een start verbonden met de universele gave van de Heilige Geest, in vervulling van de Schrift (2:17-18) en ten gevolge van Jezus’ verhoging tot de rechterhand van God (2:33-34). De kritieke gebeurtenis die deze onschatbare zegen voortbracht is de dood, opstanding en verhoging van Jezus Christus; deze gebeurtenis was zelf voorzien door de vroegere Schrift.

Een van de dingen die treffend zijn aan Petrus’ toespraak, nog los van zijn volledigheid, moed, directheid en gepassioneerde vuur, is de manier waarop de apostel, zelfs in deze vroege fase van het openbare dienstwerk in post-opstandingstijdperk, omgaat met wat wij de Oudtestamentische Schrift noemen. Zijn gebruik van de Schrift in deze Pinkstertoespraak is te rijk en veelkleurig om in detail te ontleden. Maar merk het volgende op:

(1) Eens te meer is er een David-typologie (2:25-28, citaat van Ps. 16:8-11). Maar hier is er ook een klein staaltje van apostolisch redeneren in dit verband. Hoewel het mogelijk is om 2:27 (‘omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien’) te lezen als Davids overtuiging dat God hem op dit punt niet zal laten omkomen, maar de taal is zo buitensporig en Davids typologische rol zo gewoon, dat Petrus benadrukt dat deze woorden naar iets meer moeten verwijzen: een grotere dan David zal behoorlijk letterlijk niet aan het dodenrijk overgelaten worden en zal geen ontbinding ondervinden. David was uiteindelijk een profeet. Of hij dan in dit geval zoals Kajafas (Joh. 11:50-52) beter sprak dan hij zelf besefte, hij wist wel minstens dat God ‘hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten’ (2:30).

(2) De profetie van Joël (Hd. 2:17-21; zie Joël 2:28-32) is meer uitgesproken, in die zin dat het een geval is van woordelijke voorzegging en niet teruggrijpt naar typologie. De voor de hand liggende betekenis is dat Petrus in de gebeurtenissen van Pinksteren de vervulling ziet van deze woorden: de ‘laatste dagen’ (2:17) zijn gekomen. (Of de zon die verandert in duisternis en de maan in bloed, beiden gebeurtenissen zijn die verbonden zijn met de donkere uren waarin Jezus aan het kruis hing, of een voorbeeld van Hebreeuwse natuursymboliek mag ons hier niet afleiden). Deze Oudtestamentische passage is een van een handvol teksten die de komst van de Geest voorzeggen, of het schrijven van Gods wet op onze harten, maar in elk geval verbondsbrede persoonlijke transformatie in de laatste dagen (bijv. Jer. 31:31 e.v.; Ez. 36:25-27).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 4 mei 2012

God spreekt over de toekomst (Ps. 48)


Numeri 11, Psalm 48, Jesaja 1, Hebreeën 9

Een van de manieren waarop God over de toekomst spreekt is … wel, gewoon door de spreken over de toekomst. Er zijn plaatsen in de Bijbel waar God voorzegt, met woorden, wat zal gebeuren: Hij spreekt over de toekomst. Maar Hij voorziet ons ook van beelden, patronen, types en modellen. In deze gevallen vestigt Hij een instelling, of een ritueel, of een patroon van relaties.

Dan geeft Hij hier en daar een aanwijzing, al spoedig een opeenvolging van aanwijzingen, dat deze beelden of patronen of types of modellen niet een doel zijn op zichzelf, maar manieren zijn om vooruit te kijken naar iets dat nog beter is. In dergelijke gevallen spreekt God dan over de toekomst in beelden.

Christenen die vaak in hun Bijbel lezen overdenken de verbanden tussen het Davidische koningschap en het koningschap van Jezus, tussen het lam van het Pascha en Jezus als ‘Paaslam’, tussen Melchizedek en Jezus en tussen de sabbatsrust en de rust die Jezus geeft, tussen de rol van de hogepriester en de priesterlijke rol van Jezus, tussen de tempel die de priesters van het oude verbond binnengingen en het hemelse ‘heilige der heiligen’ dat Jezus binnenging, en zoveel meer.

Natuurlijk was het zo dat voor wie leefde onder de bepalingen van het oude verbond, verbondstrouw gelijkstond met je houden aan de instellingen en rituelen die God gaf, ook al wezen diezelfde instellingen en rituelen op een wijdere canonieke schaal dan vooruit naar iets dat nog beter was.

Doorheen deze beelden sprak God over de toekomst. Eens een christen dit punt vat, worden hele stukken van de Bijbel op nieuwe manieren levend. Een van deze beelden of modellen is Jeruzalam zelf, soms ook Sion genoemd (de historische burcht). Jeruzalem was niet alleen verbonden met het feit dat de stad vanaf David de hoofdstad vormde (zelfs na de verdeling in Israël en Juda vormde het de hoofdstad van het zuidelijke rijk), maar ook met het feit dat het van Salomo af de locatie vormde van de tempel, en daarom ook van het middelpunt van Gods openbaring.

Voor de psalmist is het dan ‘de stad van onze God zijn heilige berg’. Die is niet slechts ‘schoon’ maar ook ‘een vreugde voor de ganse aarde’ (Ps. 48:2-3). Het is niet alleen het centrum van gewapende veiligheid (48:5-9), maar ook de locatie waar Gods volk Gods nooit falende liefde gedenkt (48:10), het centrum van lofprijs (48:11).

Maar de psalmist kijkt verder dan de stad, naar God zelf: Hij is degene die haar ‘bevestigt voor altoos’ (48:9), wiens lof reikt tot aan de einden der aarde, voor eeuwig en altoos (48:11, 15).

Op die manier geworteld in het historische Jeruzalem, kijken de schrijvers van het nieuwe verbond naar een ‘Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26), naar de ‘berg Sion’, naar ‘het Hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God (Heb. 12:22), naar het ‘nieuw Jeruzalem’ (Opb. 21:2).
Denk lang en vaak na over deze verbanden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org