Posts tonen met het label leiderschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leiderschap. Alle posts tonen

zaterdag 17 februari 2024

vrijdag 28 november 2014

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25; 1 Petrus 5; Micha 3; Lukas 12

1 Petrus 5:1-4 biedt ons meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten.

Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en diens lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, want ze mogen de groep niet teleurstellen, en ze kregen ook niet de scholing om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze manier te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk wordt betaald; ook is het geen beroepsgroep die wordt geassocieerd met een hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers reageren met schandelijk materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier vind je een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten worden uitgesloten). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag.

Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 oktober 2014

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6; 1 Timotheüs 3; Daniël 10; Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten. Aan de ene kant zijn er de pastors [of voorgangers, JL] (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’ [Eng.: bishops]).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat bisschoppen een soort van derde trap werden in het kerkelijke gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor het voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, tot een aristocratische groep in de maatschappij horen of een bepaalde leiderschapsbekwaamheid. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en dergelijke.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven er moet uitzien. In die zin liggen de eisen in hun geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de onderscheidende eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 24 augustus 2014

'De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan' (1 Sam. 16)

1 Samuel 16; Romeinen 14; Klaagliederen 1; Psalm 32

De zalving van David tot Koning over Israël (1 Sam. 16:1-13) is bijzonder interessant, ook al volgt zijn troonsbestijging pas vele jaren later.

(1) Soms zijn profeten en predikers trager om afscheid te nemen van een slechte leider dan de Almachtige God (16:1). Dit is niet omdat wij barmhartiger zijn dan God, maar omdat passiviteit of nostalgie of persoonlijke banden van genegenheid ons verblinden voor de duidelijke schade die de leider aanricht. Hoe groot ook zijn mededogen, God is nooit verblind.

(2) Saul was tot de troon verheven via Gods bekrachtiging. Is hij zo dwaas om te denken dat hij God te slim af kan zijn om die positie te kunnen behouden? Het is bijzonder droevig om te ontdekken dat Samuel vreest om de volgende koning te zalven, omdat Saul iedereen zal doden, zelfs een profeet van God, die een bedreiging vormt voor het koningshuis waarvan God zelf verklaard heeft dat het er nooit zal komen.

(3) Saul leek zeer beloftevol toen hij pas tot de troon verheven was. Nu denkt Samuel dat hij koninklijk materiaal bespeurt in de zonen van Jesse – bijvoorbeeld in Eliab, de eerstgeborene. Maar God zegt: ‘Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan’ (16:7).

Dit is een les die opnieuw moet worden geleerd, in het bijzonder in onze tijd, want onze tijd houdt meer van beelden dan van realiteit. Zelfs bepaalde predikers wijden meer aandacht aan hoe ze zich ‘succesvol kunnen kleden’ [Eng.: dress for success] en hoe ze een dwingende en autoriteitsvolle stem kunnen ontwikkelen, dan aan het bewaren van een zuiver hart.

(4) De belangrijkste factor in het leven en de dienst van David is de Geest van de Heer die hem ‘aangreep’ (16:13 [HSV: vaardig over hem werd]). Dit is de regelmatige ervaring van die profeten, priesters, koningen en een aantal andere leiders, die speciale rollen vervulden onder de bepalingen van het oude verbond. Hoe moeilijk het ook is om in dergelijke zaken onderscheidingsvermogen aan de dag te leggen, toch kun je niet genoeg of te luid zeggen dat wat de kerk vandaag nodig heeft, leiders zijn met zalving [Eng.: ‘unction’] – een woord dat de puriteinen graag gebruikten.

Het betekent gewoon: zalving [Eng.: ‘anointing’], d.i.:een zalving door de Geest. Is dit teveel gevraagd in een tijdperk waarin onder de bepalingen van het nieuwe verbond, ieder die deel uitmaakt van het verbondsvolk van God de Geest ontvangt die werd uitgestort op Pinksteren?

(5) Het kan niet anders dan dat zij die hun Bijbel kennen een bepaalde opwinding voelen bij de eenvoudige woorden van vers 12. Daar vertelt de Heer aan Samuël met betrekking tot David: ‘Sta op, zalf hem, want deze is het’. Ja, David was de man. Hier is het veelbelovende begin van een belangrijke nieuwe stap in de heilsgeschiedenis, een begin dat rechtstreeks leidt naar Davids meest vooraanstaande nakomeling – en tegelijk zijn Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 mei 2014

Alleen de staf van Aäron bloeit! (Num. 17)


Numeri 17-18; Psalm 55; Jesaja 7; Jakobus 1
In een bepaald opzicht rondt het korte verslag in Numeri 17 het rapport van de opstanden uit het vorige hoofdstuk af [Merk op: o.a. de NBV-vertaling ordent de beginverzen van hoofdstuk 17 ook bij hoofdstuk 16]. God wil af van het constante gemopper van de Israëlieten die nu Aärons priesterlijke gezag in vraag stellen (17:5). Dus moet nu de staf van de vorsten van elke stam zorgvuldig worden gekentekend en dan volgens de richtlijnen in bewaring gegeven bij Mozes, in de tabernakel, de ‘Tent der Getuigenis’. God verklaart op voorhand dat de staf die toebehoort aan de man die Hij verkiest zal bloeien.

Mozes doet zoals hem is opgedragen. De volgende morgen haalt hij de twaalf staven op. Aärons staf, en alleen zijn staf, heeft gebloeid – ja, hij had bloesem voortgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen. Deze staf moet van Godswege bewaard worden voor het nageslacht.

En de Israëlieten begint het nu te dagen dat hun rebellie niet gewoon maar was gericht tegen een paar mensen, Aäron en Mozes, maar tegen de levende God. Nu roepen ze: ‘Zie wij geven de geest, wij komen om, wij komen allen om. Al wie ook maar nadert tot de tabernakel des HEREN, zal sterven. Moeten wij dan tot de laatste man de geest geven?’ (17:12-13).

Wat moeten we van dit verslag maken?

(1) De respons van de Israëlieten is deels goed, maar is nog steeds uiterst ontoereikend. Het is goed dat deze gebeurtenis hen, ten minste voorlopig, aanzet om te zien dat hun opstand niet alleen tegen Mozes en Aäron was, maar tegen de levende God. Vrees voor God kan lovenswaardig zijn. Maar dit klinkt meer als de kruiperige angst van mensen die God niet al te goed kennen.

Ze zijn bang te zullen omkomen, maar het zet hen niet aan tot grotere toewijding aan God. In Numeri 20 en 21 is het volk al opnieuw aan het zeuren en mopperen; deze wonderlijke vertoning van de staf die bloeide heeft niets voor zeer lange tijd opgelost. Ook dit is vreselijk realistisch: de kerk heeft een lange geschiedenis van krachtige opwekkingen die in een korte tijdspanne vervlogen of verontreinigd raakten.

(2) Je zou je afvragen waarom God zoveel belang hecht aan het feit dat alleen de aangeduide hogepriester de priesterlijke taken mag vervullen. We moeten hieruit niet afleiden dat dit de manier is waarop we voor alle christelijke leiders moeten buigen. Binnen het canonieke raamwerk staat er veel meer dan dit op het spel bij het verslag van de bloeiende staf van Aäron.

Punt is dat alleen de door God aangeduide hogepriester aangenaam is voor God om het priesterlijke ambt te vervullen. Zoals de openingsverzen van Numeri 18 duidelijk maken, kunnen alleen Aäron en zijn zonen ‘de ongerechtigheid, tegen het heiligdom begaan’ of die in het priesterambt, dragen. Het Nieuwe Testament benadrukt ‘En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron’ (Heb. 5:4). Zo ook Christus (Heb. 5:5)! Alleen de door God aangewezen priester zal voldoen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 maart 2014

In genade voorziet God in een Jetro (Ex. 18)


Exodus 18; Lukas 21; Job 36; 2 Korinthiërs 6
Je kunt je de gesprekken tussen Mozes en zijn schoonvader Jetro, tijdens de tientallen jaren die ze in Midian samen doorbachten, alleen maar voorstellen. Maar het is duidelijk dat ze het soms over de Here God hadden. Geroepen tot die buitengewone bediening, vertrouwde Mozes tijdelijk zijn vrouw en zonen aan de zorg van zijn schoonvader toe (Ex. 18:2).

Misschien werd die beslissing voorafgegaan door de buitengewone gebeurtenis beschreven in Exodus 4:24-26, waar Mozes’ eigen zonen in het licht van die nieuwe opdracht een noodbesnijdenis ondergaan om Mozes’ gezin in overeenstemming te brengen met het verbond met Abraham, waardoor ze de toorn van God afwenden.

Maar nu verneemt Mozes dat Jetro hem komt bezoeken, terwijl hij hem herenigt met zijn vrouw Sippora en hun zonen Gersom en Eliëzer. Al gauw zet Mozes de vroegere gesprekken voort. Deze keer geeft hij zijn schoonvader een indrukwekkend verslag van alles wat de Heer had gedaan toen Hij zijn volk bevrijdde uit de slavernij in Egypte.

Ongetwijfeld is een deel van Jetro’s blijdschap (18:9) te verklaren door de band met zijn schoonzoon. Maar neem je zijn uiteindelijke beoordelende commentaar op zijn volle waarde, dan is Jetro ook tot een beslissend besluit gekomen: ‘Nu weet ik, dat de HERE groter is dan alle goden; want Hij heeft het volk uit de macht der Egyptenaren gered, omdat dezen overmoedig tegen hen waren opgetreden’ (18:11). En hij brengt offers aan de levende God (18:12).

Al dit materiaal vormt de achtergrond voor wat plaatsvindt in de rest van het hoofdstuk. De volgende dag ziet Jetro Mozes pogingen ondernemen om recht te spreken bij elk dispuut in de prille natie.

Met wijsheid en inzicht spoort hij Mozes aan tot een belangrijke bestuurlijke herschikking – een strikt rechtssysteem waarbij de meeste beslissingen worden genomen op het laagst mogelijke niveau en alleen de moeilijkste zaken nog voorbehouden blijven voor Mozes zelf , het ‘hooggerechtshof’.

Mozes luistert aandachtig naar zijn schoonvader en zet het hele plan in werking (18:24). De voordelen zijn niet te schatten: voor het volk, dat door het systeem minder gefrustreerd raakt, en voor Mozes, die niet langer uitgeput is. En aan het eind van het hoofdstuk keert Jetro terug naar huis.

In bepaalde opzichten is dit verslag verrassend. Belangrijke bestuursstructuren worden onder de verbondsgemeenschap ingevoerd zonder enig woord van God. Waarom wordt Jetro, hoogstens aan de rand van het verbondsvolk, toegestaan een dergelijke buitengewone rol te spelen als raadgever en vertrouweling van Mozes?

De vragen lossen zich vanzelf op. God mag gebruik maken van de middelen van ‘algemene genade’ (Eng.: common grace) om zijn volk te onderwijzen en te verrijken.

We zien even veel de soevereine goedheid en voorzienigheid van God wanneer Hij Jetro op dit gunstige moment op het toneel brengt, als wanneer hij de wateren van de Rode Zee splijt. Zijn er niet ook hedendaagse overeenkomsten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 20 januari 2014

Het leven en de dood van Christus vormen de maatstaf voor leiderschap (Mt . 20)

Genesis 21; Matteüs 20; Nehemia 10; Handelingen 20
In de negentiende eeuw schreef Lord Acton al dat macht corrupt maakt en dat absolute macht absoluut corrupt maakt. De stichters van de Amerikaanse Republiek zouden het daarmee niet oneens zijn geweest. Dit is een van de redenen waarom ze een overheid samenstelden met aanvullende controles en waarborgen tussen de drie staatsmachten [de zgn. ‘checks and balances’]. Ze wilden niet dat één tak teveel macht zou krijgen, omdat ze wisten dat er vroeg of laat corruptie zou binnensluipen.

Dit is ook een van de belangrijkste redenen waarom ze een grondwettelijk gemandateerd democratisch kiesstelsel wilden. Het was niet omdat ze vertrouwden op de wijsheid van mensen als collectief – hun geschriften tonen dat ze klamme handen kregen bij de gedachte om teveel macht te geven aan volksstemming.

Maar ze wilden een mechanisme waarbij je mensen kon wegstemmen en vervangen door andere. Op die manier kon niemand die aan de macht was buitensporig veel macht verwerven: vroeg of laat zou hij er zonder bloedvergieten gewoon kunnen uitgegooid worden.

Jezus verstaat de aard van macht in alle lagen van de regering: ‘Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen’ (Mat. 20:25).

Het is spijtig te moeten zeggen, maar kerkelijke macht kan net zo goed corrupt zijn. Dit is waarom Jezus voor een radicaal ander paradigma [of model] staat: ‘Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn’ (20:26-27).

Het is van vitaal belang voor een gezonde kerk dat we dit gedeelte goed verstaan. Drie overwegingen kunnen de betekenis helpen scherpstellen.

Ten eerste is het ultieme voorbeeld op dit vlak de Heer Jezus zelf, die ‘niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (20:28). Dit is niet slechts een grootse tekst over de plaatsvervangende aard van de verzoening die Jezus bewerkte toen Hij stierf aan het kruis (vergelijk 20:17-19), maar de tekst beklemtoont ook het feit dat het leven en de dood van Jezus de maatstaf moeten vormen voor christelijk leiderschap.

Ten tweede betekent een slaaf worden van allen heel uitdrukkelijk niet dat leiders slaafs, dwaas, onwetend of alleen maar aardig moeten zijn – niet meer dan Jezus’ leiderschap en offer door dergelijke onbekwaamheid werden gekenmerkt.

Ten derde betekent het wel dat christelijk leiderschap op een verregaande manier zelfverloochenend zal zijn ten behoeve van anderen, naar het ultieme voorbeeld van de zelfverloochening van Christus voor anderen.

Daarom moet de kerk of gemeente geen mensen tot posities van leiderschap verhogen die veel van de noodzakelijke gaven hebben voor het hoge ambt, maar falen op dit punt. Om bijvoorbeeld leiding te geven of te onderwijzen moet je de gave van leiderschap of onderwijs bezitten (Rom. 12:6-8). Maar je moet net zo goed uiterst toegewijd zijn aan principiële zelfverloochening ten behoeve van broers en zusters in Christus, of je bent ongeschikt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 1 oktober 2013

Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien (Ez. 34)


1 Koningen 3; Efeziërs 1; Ezechiël 34; Psalmen 83-84
‘Herder’ was een gebruikelijke metafoor voor ‘koning’ in het oude Nabije Oosten, meest nog in het Oude Testament (vgl. Jes. 44:28; Jer. 10:21; 23:1-6; Mic. 5:4, 5; Zach. 11:4-17). De herder bood niet alleen zorg en voedsel voor het schaap, maar ook leiding, medische zorg, en bescherming tegen vijanden.

Dit was ongetwijfeld een uitstekende metafoor om te gebruiken voor afvallige heersers die in de verleiding kwamen hun roeping te zien in termen van macht en voorrechten maar niet in termen van verantwoordelijkheid.

Wanneer David daarentegen de Heer belijdt als zijn herder (Ps. 23:1), bevat de metafoor de idee dat God koning is. De schapen passeren onder de staf (Ps. 23:4 – hetzelfde woord dat ook wordt gebruikt voor de Koninklijke scepter).

Het hoofdstuk (Ez. 34) begint met een vernietigende veroordeling van de herders die Israël geleid hebben (34:1-10). Er zijn in de kern twee aanklachten.

(a) Op een gulzige manier hebben ze de schapen kaalgeplukt, terwijl ze de kudde uitbuiten voor eigen comfort en rijkdom, maar ze hebben de schapen die aan hen toevertrouwd waren niet gevoed en verzorgd (34:2-4).

(b) In plaats van de schapen te beschermen door ze in één kudde te houden, heeft het gedrag van de herders ertoe geleid dat de schapen ‘verstrooid’ raken (34:5-6) – een woord dat de ballingschap aanduidt. Dus wat God zal doen is ervoor zorgen dat deze valse en gevaarlijke herders nooit meer over de schapen gesteld zullen worden (34:7-10).

Het kost moeite om in deze zinnen niet de verwerping te zien van het Davidisch koningshuis zoals het toen werd begrepen, samen met het Levietische priesterdom.
Wat God in hun plaats zal stellen is – Hemzelf. Hij zal zelf komen om zijn schapen te weiden. Lees de ontroerende zinnen vanaf vers 16 , en tel het aantal keren dat God zegt ‘Ik zal…’ of ‘Ik, de Heer, zal …’

Niet alleen zal Hij de kudde beschermen (34:10-16), Hij zal ook rechtspreken binnen de kudde (34:17-22), want onvermijdelijk zijn er een aantal schapen corrupt of tiranniek. De kudde zal niet alleen gezuiverd worden van zijn hebzuchtige leiderschap maar ook van zijn zondige leden, zeker van de ‘vette’ schapen die de anderen wegstoten van de overvloed.

Plots verandert de taal. De hele tijd heeft God verklaard dat Hijzelf de kudde zal weiden. Nu zegt Hij, ‘Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de HERE, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de HERE, heb het gesproken’ (34:23-24).

De beloofde hervorming zal zelfs een transformerend Nieuw verbond brengen (34:25-31). Dit verbond zal effectief zijn (dit is wat ‘verbond des vredes’ suggereert).

Een transformerende herder die zowel Jahweh is als iemand uit de lijn van David? Denk na over Johannes 10.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 10 augustus 2013

En Jeremia zonk in het slijk (Jer. 38)


Ruth 3-4; Handelingen 28; Jeremia 38; Psalmen 11—12

Het is niet eenvoudig om te zien hoe de gebeurtenissen van Jeremia 38 verband houden met de gebeurtenissen van Jeremia 37-11-21. Sommigen denken dat het om twee volledig verschillende episodes uit het leven van de profeet gaat; anderen denken dat Jeremia 38 een uitbreiding is van het voorgaande hoofdstuk. Hoe je de kwestie ook oplost, het uiteindelijke gesprek in dit hoofdstuk tussen Jeremia en koning Zedekia vergt ernstige overdenking.

De gebeurtenissen op zich kunnen makkelijk begrepen worden. Al diverse decennia predikte Jeremia de komende verwoesting van Jeruzalem. Hij is grotendeels genegeerd of bespot. Met Nebukadnessars troepen overal rond de muren bereikt Jeremia’s geloofwaardigheid echter ongetwijfeld een hoogtepunt.

Dus wanneer hij aankondigt dat al wie in de stad blijft zal omkomen door het zwaard, honger of de pest, terwijl wie zich overgeeft zal overleven (38:2), is er nu veel meer kans dat hij zal geloofd worden dan vijf jaar eerder. De vorsten van de stad echter, die niet geloofden dat deze woorden van de Heer waren, zien dit religieus God-gepraat als niets minder dan verraad – verraad met het nefaste gevolg dat het vertrouwen van de overblijvende troepen ondermijnd wordt.

Er wacht Jeremia een onaangename straf. De meeste woningen in Jeruzalem hadden in die tijd waterreservoirs, vaak in flessenvorm, om drinkwater op te slaan. Deze put was ongebruikt, maar op de bodem ervan had je dikke modder. Liet je Jeremia voor langere tijd in deze plaats, waarschijnlijk zonder voedsel en water, dan kwam hij om.

Wat Jeremia naar de mens gesproken redt, is het feit dat koning Zedekia nog altijd zijn advies inwint. Jeremia windt er geen doekjes om. Hoewel het politiek niet opportuun is, zegt Jeremia aan de koning dat hij de Heer moet gehoorzamen en zich aan de Babyloniërs moet onderwerpen: het alternatief is de weg naar de ondergang (38:20-21).

Misschien vond Zedekia dit om historische redenen moeilijk te geloven: bij een oorlog met een belegering was het vaste patroon dat hij ten dode opgeschreven was, zelfs als hij zich overgaf, omdat hij tot op dit ogenblik weerstand had geboden.

Ongetwijfeld vond hij Jeremia’s woorden ook om een andere reden moeilijk te geloven: hij was nog altijd al te zeer afhankelijk van zijn ‘vrienden’ – die, zo benadrukt Jeremia, op een dag bespot zouden worden als nutteloze bondgenoten die de koning in de modder leidden (38:22).

Het naast elkaar plaatsen van de hoofdstukken 37 en 38 (de overdenking van gisteren en van vandaag) is geen toeval. Het leiderschap van Gods volk kan rampzalig verkeerd lopen bij de top, met ondergeschikten die beter zijn maar te zwak of bevreesd om de verandering te bewerken die zo hard nodig is (Jer. 37). Of het leiderschap kan doorheen de hiërarchie zwak of corrupt zijn, met aan de top een figuur die te besluiteloos of te zeer een watje is om zaken op te ruimen. Het droevigst gesteld is het met die christen instellingen waar zwakheid of corruptie op beide vlakken overheerst.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 14 juli 2013

Tuchtig mij, HERE, doch naar recht; niet in uw toorn, opdat Gij mij niet te gering maakt (Jer. 10)


Jozua 20-21; Handelingen 1; Jeremia 10; Matteüs 24
Twee gedachten over Jeremia 10:

Ten eerste ligt de oorzaak voor de catastrofale straf die Juda binnenkort wacht bij haar onbekwame leiders: ‘Want verdwaasd zijn de herders, de HERE zoeken zij niet; daarom hebben zij geen verstand en is heel hun kudde verstrooid’ (10:21). ‘Herders’ duidt hier in de context op meer dan ‘voorgangers’: het omvat iedereen die de zaken van het land bestuurt – koningen, priesters, profeten en andere leiders.

Het terrein waarop deze leiders onbekwaam zijn is niet algemeen bestuur, charismatische uitstraling, financiële schranderheid of managementpotentieel. Ze zijn ‘verdwaasd’, en hun dwaasheid wordt manifest in het feit dat ze ‘de Here niet zoeken’. Dit kan niet betekenen dat ze zich niet houden aan louter de vormen om de Here te zoeken, waarbij ze dan de profeten raadplegen en de voorgeschreven rituelen beschouwen als een talisman die geluk brengt.

Veeleer betekent het dat ze niet echt willen doen wat God wil. Ze benaderen Hem niet met het berouw en het diepgaand ontzag voor zijn woord waarover Jesaja spreekt (Jes. 66). Ze behandelen Hem niet alsof Hij radicaal ‘anders’ is en fundamenteel verschilt van de myriade aan afgoden die hen omringt.

Landen en kerken overstijgen hun leiders niet. Als onze leiders gepassioneerd zijn om God te leren kennen en de wil van de Heer te gehoorzamen, dan hebben we schitterende vooruitzichten; zijn ze echter losbandig en besmet door zelfzucht, dan zijn onze vooruitzichten somber of zelfs hopeloos.

Ten tweede identificeert Jeremia zich in de slotverzen (10:23-25) op een verrassende manier met zijn volk: ‘Ik weet het, HEER, geen sterveling bepaalt zijn eigen weg, geen mens gaat waar hij wil. Straf ons, HEER, maar met mate, niet in woede, anders zijn we verloren’ (10:23-24).

Je kan deze zinnen initieel lezen als verwijzingen naar niets meer dan Jeremia de profeet, Jeremia de persoon. Individuele gelovigen moeten zich zodanig van hun eigen zonden bewust zijn dat ze God smeken hen te bewaren voor het verderf dat ze verdienen.

Maar kijken we nog wat beter, dan zien we dat de zonden die Jeremia belijdt, de zonden zijn van het volk, in het bijzonder de trotse zelfgenoegzaamheid die zelfs weigert de zuivere Godheid van God te erkennen, de heerlijke waarheid dat alleen God God is en alles bestuurt.

Het volgende vers (10:25) toont dat hetgeen Jeremia vraagt dat God zou sparen ‘Jakob’ is, het verbondsvolk van God. Ongetwijfeld is de straf over hen uitgesproken, maar Jeremia smeekt God dat Hij hen in zijn toorn niet zal uitroeien, maar de ergste maatregelen zal voorbehouden voor ‘de geslachten die uw naam niet aanroepen’. Zo aanroept Jeremia God voor zichzelf, maar ook voor zijn volk, waarmee hij zich identificeert – zoals ook Paulus doet in Galaten 2:17-21 en mogelijk in Romeinen 7:7 e.v.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 april 2013

Verwerp een ketters mens na een eerste en tweede terechtwijzing (Titus 3)


Numeri 1; Psalm 35; Prediker 11; Titus 3
‘Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen’ (Titus 3:10). Het is de moeite waard een beetje na te denken over wat dit betekent en niet betekent, en hoe dit past in de bredere stromen van de bijbelse theologie.

Ten eerste is deze passage geschreven aan een gemeenteleider die verantwoordelijk is voor het handhaven van de gemeentetucht. Het is geen vrijbrief voor een persoonlijke vendetta: christen X die beslist dat christen Y eerder verdeeldheid zaait en daarom beslist om niets meer te maken te hebben met Y. (Dit zou op zichzelf zelfs een voorbeeld zijn van een geest die voor scheuring zorgt!). Dit is geschreven aan een christen die de verantwoordelijkheid draagt een gemeente te leiden en te disciplineren.

Ten tweede focust de passage op de tucht op lokaal niveau; het gaat niet om het invoeren van een oneindig brede instemming van alle oecumenische richtingen – een soort veroordeling van ieder die niet instemt met het recentste interkerkelijke project of de meest recente interkerkelijke belijdenis. Natuurlijk kunnen er gevolgen zijn voor het bredere werk van het evangelie, maar we moeten bovenal verstaan welke kracht de tekst heeft in zijn eigen context.

Ten derde bestaat in dit verband het onmiddellijke bewijs van een twist zaaiende geest uit een onbekeerlijke twistziekte over bijzaken: christenen moeten ‘dwaze vragen, geslachtsregisters, twist, en strijd over de wet (…) ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos’ (3:9).

Ongetwijfeld is er tussen Paulus en Titus een bepaalde gemeenschappelijke visie op dergelijke zaken die wat moeilijk te begrijpen is. Paulus zegt bijvoorbeeld zeker niet dat elke vraag met betrekking tot de Wet tijdverlies is; hijzelf voert elders discussies over het onderwerp.

Maar controverses die zijn uitgedokterd om christenen te verdelen en zonder dat ze enige evangeliekracht of morele verbetering brengen, zijn ‘nutteloos en doelloos’. Je zou beginnen vermoeden dat de mensen die dergelijke geschillen opwekken zoveel van hun eigen ego’s hebben geïnvesteerd in hun aparte posities dat ze noch gecorrigeerd kunnen worden, noch bakzeil willen halen.

Ten vierde, als hen ‘afwijzen’ (HSV heeft het over ‘verwerpen’ en NBV over ‘uit de gemeente verwijderen’, JL) excommunicatie met zich brengt uit de plaatselijke gemeente (wat ik persoonlijk denk dat het doet), dan zouden we moeten nadenken over de categorieën van zonde die deze sanctie vereisen in het Nieuwe Testament.

Een ervan is ernstige leerstellige dwaling, in het bijzonder onder leraars; een tweede is belangrijke morele afwijking, zoals het geval beschreven in 1 Korinthiërs 5; en de derde vinden we hier – een liefdeloos, onveranderd standpunt dat weigert de centraliteit en de heerlijkheid van het evangelie te zien, maar zich opwerpt als twistziek, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen, zodat de enige oplossing eruit bestaat de kanker uit het lichaam weg te snijden.

Deze drie categorieën zijn het tegengestelde van de levenspatronen die beschreven worden als de primaire tests voor zuiver christenzijn in 1 Johannes: leerstellige zuiverheid, morele conformiteit, en liefde voor de broeders en de zusters.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 11 april 2013

'Mannen des bloeds haten de rechtschapene' (Spr. 29)


Leviticus 15; Psalm 18; Spreuken 29; 2 Thessalonicenzen 3
Uit Spreuken 29 neem ik vier thema’s op:

(1) ‘In de overtreding van de boze ligt een valstrik, maar de rechtvaardige zal jubelen en vrolijk zijn’ (29:6). Dit is uiterst inzichtelijk. De gevolgen van zonde omvatten ook vervormingen in je eigen persoonlijkheid, verward raken met betrekking tot je eigen zonde, angst om ontmaskerd te worden, subjectieve schuld, en veel meer: je komt door je eigen zonde in een valstrik terecht.

In contrast daarmee vermijdt de persoon die zich toelegt op gerechtigheid niet alleen dergelijke valstrikken, maar hij is ten gevolge daarvan ook relatief zorgenvrij. Hij of zij kan ‘jubelen en vrolijk zijn’.

(2) ‘Mannen des bloeds haten de rechtschapene, maar de oprechten zoeken zijn behoud’ (29:10; vgl. 29:27). Hoewel dit een algemene waarheid is, zie je het op een bijzondere manier in Jezus. Hij kon over bepaalde van zijn tegenstanders zeggen, ‘maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb’ (Joh. 8:40). Het is precies omdat Jezus de waarheid zegt dat ze Hem niet geloven (Joh. 8:45).

In contrast daarmee, ‘indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek’ (Joh. 7:17). ‘Mannen des bloeds haten de rechtschapene’; het mag ons daarom niet verrassen dat de meest rechtschapen man die ooit geleefd heeft, met de grootste integriteit, aan een kruis werd gehangen en stierf.

(3) Corruptie kan van onderuit komen, dus bottom-up, maar ook vanuit de top naar beneden afzakken. Wanneer het onderaan start is het nogal weerzinwekkend, en het kan heel wat werk vragen van wie boven staan om het bij de wortel uit te roeien, of het minstens onder controle te houden.

Maar wanneer het vanuit de top komt, is het zowel weerzinwekkend als onmogelijk om het met mondjesmaat te hervormen; er is een drastische ommekeer vereist. Indien de mensen aan de top corrupt zijn, of zelfs al tolereren ze corruptie nog maar met een knipoog of een knikje, dan is de situatie toch ernstig.

Eén vorm van deze top-downconstructie, ogenschijnlijk onschuldiger, is de machthebber die in slaap is gesust door leugens, die zichzelf omringt met onderdanen die alleen zullen zeggen wat hij wil horen. De wijze begrijpt het ‘Een heerser die acht slaat op leugentaal –al zijn dienaren zijn goddeloos’ (29:12).

(4) Bepaalde Bijbelvertalingen geven de eerste zin van 29:18 weer in de zin van ‘Als er geen ‘visie’ is, raakt een volk losgeslagen’ of iets dergelijks, wat gezien werd als een oproep voor visionair leiderschap. Maar de NBG heeft het bij het rechte eind, en de kwestie is zelfs nog belangrijker: ‘Indien openbaring ontbreekt, verwildert het volk, maar heil hem die de wet bewaart’.

Waar er geen openbaring is van God, begrepen en gehoorzaamd, ‘verwildert het volk’ (of: ‘vervalt het volk tot bandeloosheid’, NBV) – een treffende en schrikbarende beschrijving van de huidige Westerse cultuur (vgl. Richteren 21:25).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 7 maart 2013

Christelijk leiderschap, iemand? (2 Kor. 6)

Exodus 18; Lukas 21; Job 36; 2 Korinthiërs 6

Een van de meest treffende visies op apostolisch dienstwerk wordt gevonden in 2 Korinthiërs 6:3-10. Je hebt er maar weinig kennis van zijn brieven voor nodig om te merken dat Paulus niet bereid is om compromissen te sluiten over het evangelie. Hij is meer dan bereid om de schande van het kruis te dragen.

Maar even duidelijk is zijn bereidheid om gelijk welk persoonlijk ongemak of lijden te verdragen om maar de boodschap te kunnen overbrengen. ‘Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot’, zo schrijft hij, ‘opdat onze bediening niet gesmaad worde’ (6:3).

Door wat hij ‘onze bediening’ noemt te handhaven, is Paulus niet bekommerd om zijn persoonlijke reputatie te vrijwaren, maar zijn geloofwaardigheid als een ambassadeur van Jezus Christus, als een dienstknecht van God. Dus gaat hij verder ‘maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods’ (6:4).

Je zou je kunnen laten misleiden door die laatste zin, zowel in de tijd van Paulus als in die van ons. Want een dienaar van het evangelie die zich vandaag ‘in alles laat kennen’ of ‘bekendmaakt’, dat klinkt nogal als een lelijk stukje profileringsdrang.

Je verbeelding gaat aan de haal: de boekenstand van de gemeente die T-shirts verkoopt met ‘Ik hou van mijn voorganger Jan’ prominent op de borst, een opgewekte fanfare telkens hij de preekstoel beklimt, enzovoort.

De wereld van het oude Korinthe zou Paulus’ woorden eveneens verkeerd interpreteren. Zoveel rondtrekkende leraars poogden zich in hoge mate te profileren. Dat was hoe ze leerlingen wonnen – door zichzelf aan te bevelen, expliciet en impliciet, als de beste in wat ze deden.

Maar het eigen aanbevelen van Paulus neemt plots een wending die noch de zelfprofilerende types uit het oude Korinthe, noch hun zachte echo’s in de moderne Westerse kerk zouden willen volgen. Het kader waarin Paulus zichzelf aanbeveelt als een dienstknecht van God, is niet dat van ordinaire eigendunk, oud of modern.

Paulus en andere dienstknechten van God bevelen zichzelf aan ‘in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten’ (6:4b-5).

In moeiten of hard werk? De leraars van toen werden verondersteld te denken en te onderwijzen, niet om hard te werken met hun handen. In ‘oproeren’? Er wordt van christen apostelen verondersteld dat ze zichzelf aanbevelen als dienstknechten van God door de manier waarop ze zichzelf gedragen in oproeren!

Paulus gaat door: ze moeten zich aanbevelen ‘in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand’ (6:6-7).

Dan zijn er de verschillende verwachtingen die mensen van je hebben: dienstknechten van God moeten zichzelf aanbevelen ‘onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht’ (6:8). De dienstknechten zijn ongetwijfeld oprecht, maar velen zullen hen zien als bedriegers. Paulus rondt zijn lijst af met een litanie van verbazingwekkende paradoxen (6:9-10).

Christelijk leiderschap, iemand?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 16 januari 2013

Verwacht moeilijkheden, het is de prijs van goddelijk leiderschap (Neh. 6)


Genesis 17; Matteüs 16; Nehemia 6; Handelingen 16
Het typeert grote geloofsondernemingen dat ze vaak te kampen krijgen met extreem moeilijke relaties.

William Carey, de vader van de moderne Protestantse zending, mag dan voor ons een held zijn, in zijn eigen tijd werd hij beschouwd als excentriek en kreeg hij meer dan zijn deel van persoonlijk en familiaal lijden. De grote rechtshervormers streden niet louter voor ideeën; ze waren verwikkeld in een grote strijd waarin ze niet alleen ‘vijanden’ troffen, maar ook talloze mensen die op sommige terreinen ‘vrienden’ waren maar op andere dan weer tegenstanders bleken.

Het is onvermijdelijk dat je in elke grote strijd een heel spectrum aan visies en een aanzienlijke diversiteit vindt in de mate van trouw. Je kunt geen gedetailleerde en eerlijke biografie lezen over gelijk welke christelijke leider, zonder dit soort terugkerende moeilijke, pijnlijke en soms misleidende debatten tegen te komen waarin ze zich wel moesten begeven.

Bekijk bijvoorbeeld Arnold Dallimore’s biografie over ‘George Whitefield’ of Iain Murray zijn biografie over D. Martyn Lloyd-Jones. Ik kan geen uitzondering bedenken. Waar voldoende informatie geboden wordt, moet hetzelfde gezegd worden over geloofsleiders van wie de Schrift een portret schetst.

Ondanks de lange opsomming van fysiek lijden vanwege ongelovigen en door zijn roeping als gemeentestichtend apostel (2 Kor. 11), komen Paulus’ meest pijnlijke momenten toch van dichter bij huis – van christenen die zich sub-christelijk gedragen, van valse broeders en van valse apostelen die zijn werk ondermijnen met insinuaties en halve waarheden.

Dit is het soort dingen waar Nehemia nu mee te maken krijgt (Neh. 6). Omdat ze via spot, bedreiging en directe tegenstand niet in hun opzet slagen, beginnen Sanballat en Tobia en hun collega’s nu met list en persoonlijke druk. In dit hoofdstuk vind je leugens, valse profeten en beschuldigingen van opstand.

Ja, zelfs enkele van de Joden, Nehemia’s eigen volksgenoten, zijn loyaliteit verschuldigd aan Tobia door politieke en huwelijksverbintenissen. Ze gebruiken hun compromisposities in pogingen om de landvoogd te beïnvloeden om zijn beleid - dat goed is voor het volk en God eert - te veranderen.

Midden al die machinaties blijft Nehemia een rechte koers varen, vraagt hij God om hulp en betoont hij zich een vooruitziend leider met onderscheidingsvermogen.
Vergelijkbare problemen overvallen vandaag oprechte christen leiders, en eenzelfde rustige vastbeslotenheid en onverschrokken onderscheidingsvermogen zijn vereist om ze tegemoet te treden. Dit geldt zeker in de bediening als voorganger.

De moeilijkste aanvechtingen komen niet voort uit rechtstreekse oppositie of door problemen met een gebouw of iets dergelijks, maar door misleiders, door leugenaars, door mensen die eigenlijk een andere agenda hebben maar wiens gladde praatjes op het eerste gezicht zodanig ‘geestelijk’ zijn dat velen misleid worden.

Verwacht dergelijke moeilijkheden; je krijgt er zeker mee te maken. Het is de prijs van godvrezend leiderschap in een gevallen wereld.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 6 januari 2013

'Toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor' (Hd. 6)



Genesis 6; Matteüs 6; Ezra 6; Handelingen 6
Hoewel de zeven mannen die aangeduid worden voor bepaalde verantwoordelijkheden in Handelingen 6:1-7 niet expliciet ‘diakenen’ worden genoemd, bestaat er maar weinig twijfel over dat dit het begin is van wat het diakonaat genoemd zou worden. Diverse punten vragen om meer uitleg:

(1) Aan deze stap gaat een probleem vooraf – een specifiek probleem. De Griekssprekende Joodse christenen zijn ontevreden met het niveau van de ondersteuning die hun weduwen ontvangen, vergeleken met de steun die de weduwen krijgen van de Arameessprekende Joodse christenen.

Op dit moment kunnen we niet achterhalen of de klacht nu terecht is of niet – en indien wel, of het nu gaat om een opzettelijke veronachtzaming of een toevallige omdat de Arameessprekenden zich op eigen terrein bevonden en waarschijnlijk in de meerderheid waren.

In elk geval is de verdeeldheid voor deze grote ontluikende kerk potentieel minstens zo gevaarlijk als de perceptie van de onrechtvaardigheid die eraan voorafging. Merk op:

(a) De kerk runde zijn eigen welzijnssysteem voor de armen en voor wie buiten de ondersteuning viel.
(b) Het is licht geruststellend, op een wrange manier, te ontdekken dat de vroege kerk ook al te maken had met problemen van vermeende ongelijkheid, onrecht en aanhoudende verdeeldheid.
(c) Nog interessanter is het feit dat het die problemen aanpakte. (d) Bovendien is het duidelijk dat de grootte van een kerk, om niet te zeggen zijn groeiende problemen van eigen middelen en communicatie, verbeteringen in organisatie en het aanduiden van nieuwe medewerkers kunnen vereisen.

(2) De redenering van de Twaalven is verbluffend to the point: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord’ (6:2). Ze leggen enkele criteria vast en benadrukken dat ze zich zelf zullen toeleggen op ‘het gebed’ en ‘de verkondiging van het woord van God’ (6:4).

Vandaag hebben we misschien niet de Twaalven, maar voorgangers/oudsten/opzieners hebben deze dienst van het woord en het gebed overgeërfd. Dit behelst niet alleen het onderwijs aan anderen, maar ook ernstige eigen studie en voorbereiding en voorbede die achter degelijk onderwijs en goede prediking staan. Er zullen altijd zowat honderd dingen zijn die je afleiden. Word niet afgeleid van wat centraal staat.

(3) De criteria die door de Twaalven gepresenteerd worden om door de kerk gebruikt te worden bij hun keuze van zeven mannen, zijn niet de managementvaardigheden en gaven van diplomatie. De mannen moeten bekendstaan als vol van de Heilige Geest en wijsheid en geloof (6:4, 5).

Natuurlijk omvatten deze criteria de schranderheid van de manager: als een persoon vol is van de Heilige Geest, zal hij of zij zorg vertonen in relaties; en ‘wijsheid’ kan ook praktische, goddelijke vaardigheid omvatten op een specifiek terrein. Maar ten gronde worden deze zeven mannen gekozen omdat ze beschouwd worden als mature en godvrezende christenen en tegelijk als begaafd voor de hun toegewezen taken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 november 2012

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25, 1 Petrus 5, Micha 3, Lukas 12

Meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage biedt 1 Petrus 5:1-4 ons een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten. Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en zijn lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, omdat ze de groep niet mogen teleurstellen, of omdat ze niet de scholing kregen om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze weg te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk betaald wordt; ook is het geen beroepsgroep gekend voor zijn hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers antwoorden met ernstig materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier is er een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten uitgesloten worden). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag. Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 26 oktober 2012

'Laat niemand je minachten om je jeugdige leeftijd' (1 Tim. 4)


2 Koningen 7, 1 Timotheüs 4, Daniël 11, Psalm 119:25-48
Toen ik nog een heel jonge man was, werd ik voorganger van een nogal kleine gemeente in Canada. De mensen waren zeer vriendelijk voor me, en sprongen met veel meer geduld om met mijn fouten en vergissingen dan ik verdiende.

Er was een vrouw in die gemeente die ik soms bijzonder vervelend vond. Ze dankte me bijna elke zondagmorgen uitvoerig voor de preek, en voegde er dan aan toe, ‘Maar je bent zo jong’. Dit ging zo verschillende weken door, tot het nog weinig meer was dan een formule.

Uiteindelijk won mijn ijver het van mijn verstand. Nadat ik nog maar eens de uitbarsting met de formule ‘Maar je bent zo jong’ aangehoord had, glimlachte ik fijn en merkte op (met een citaat uit een oude vertaling van die tijd), ‘Ja, maar de Schrift zegt “Niemand verachte uw jonkheid” – niemand’. Hoe buitensporig mijn uitspraak ook, toch leek ze te zorgen voor de klik, want daarna zei ze nooit nog iets van die strekking tegen me.

Toen ik er echter over nadacht, begon ik me te realiseren dat ik het eerste deel van 1 Timotheüs 4:12 geciteerd had, maar niet het laatste deel. Het eerste deel luidt ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt’ (NBV). Ik veronderstel dat als deze zin op zichzelf stond, een van de manieren om anderen niet op je te laten neerkijken wanneer je jong bent, er dan uit zou bestaan dat je hen neerknuppelt met deze tekst.

Maar Paulus schrijft ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’. Wanneer je met andere woorden een jonge gelovige bent, zeker in geval je een jonge gelovige in een leiderschapspositie bent zoals Timotheüs, dan is dé manier om te zorgen dat anderen niet op je neerkijken, een zodanig voorbeeld stellen – ‘in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’ – dat je duidelijke godsvrucht hen de mond snoert.

Als je ijverig bent in de geschenken en gaven die God je schonk, zo voegt Paulus eraan toe, dan zal iedereen je vooruitgang opmerken (4:15). Je ijver moet volledig zijn, en de terreinen waarop anderen je vooruitgang opmerken zullen ook uitgebreid zijn: ‘Zie toe op uzelf en op de leer’ (4:16).

Het resultaat zal niet alleen zijn dat jouw volharding ook leidt tot de redding bij de eindvervulling, maar het zorgt ook voor de behoudenis van velen onder hen die je horen (4:16).

Ingebed in dit advies aan een jonge man zit een heel pakket aan christelijk moreel onderwijs. Daden spreken soms luider dan woorden. Christen leiders moet niet alleen leiden door woorden maar ook door daden die volledig aansluiten bij die woorden. Het gezag dat een christen leider ten deel valt komt niet zozeer voort uit het ambt zelf, maar veeleer wordt het in de loop van de tijd verdiend door de kwaliteit van het christelijke leven.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een groot deel van het volgende hoofdstuk gewijd is aan het specifieke onderricht hoe je broers en zusters in Christus behandelt in de verschillende levensstadia. Hoe je met mensen omgaat ligt altijd dicht bij het hart van het christelijk discipelschap.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 oktober 2012

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6, 1 Timotheüs 3, Daniël 10, Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten.

Aan de ene kant zijn er de pastors, de voorgangers (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’, Eng.: bishops).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat die bisschoppen een soort van derde categorie werden in het kerkelijk gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor een voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, behoren bij een aristocratische groep in de maatschappij of een bepaald soort bekwaamheid in het leiderschap. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en zo meer.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven behoort te zijn. In die zin liggen de eisen in het geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de typische eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 29 september 2012

Ook het kruim heeft zwaktes (1 Kon. 1)

1 Koningen 1, Galaten 5, Ezechiël 32, Psalm 80

De overgang van het koninklijk gezag van David naar Salomo (1 Koningen 1) verloopt warrig. Een van Davids zonen, Adonia, spant samen met Joab, het hoofd van het leger, en probeert de macht over te nemen. Batseba, de moeder van Salomo, herinnert haar zieke echtgenoot aan zijn belofte dat Salomo de opvolger zou zijn, en het gecompliceerde tafereel kent zijn afloop.

Nog maar eens springt het chronische falen van David op gezinsvlak er uit. De auteur van 1 Koningen vestigt er onze aandacht op in de terloopse commentaar in 1:6.

Verwijzend naar Adonia, die de coup probeerde te plegen, merkt hij op: ‘Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt: Waarom doet gij zo? Ook was hij zeer welgevormd van gestalte en volgde in geboorte op Absalom’ – alsof er goed uitzien een soort eenvoudige arrogantie voortbracht die deed denken dat hij op alles recht had, ook op de kroon zelf. Van de vele belangrijke lessen kunnen we er twee uitlichten:

Ten eerste kunnen zelfs begaafde en moreel oprechte gelovigen vaak tragische zwakheden vertonen. Af en toe staat een Daniël op, van wie geen mislukkingen vermeld staan. Maar het merendeel van het kruim in de Schrift geeft blijkt van de een of andere zwakte – Abraham, Mozes, Petrus, Thomas, en (niet het minst) David.

We moeten die realiteit onder ogen zien, want vandaag is het niet minder zo. God wekt strategisch geplaatste en invloedrijke leiders op. Een uitzondering kan zodanig vasthoudend zijn dat het zeer moeilijk is om ook maar een noemenswaardige misrekening te bespeuren. Maar gewoonlijk is dit niet het geval.

Gewoonlijk vertonen zelfs de besten van onze christelijke leiders fouten die hun dichtste familieleden en vrienden kunnen opmerken (of de leiders ze nu zelf zien of niet!). Dit zou ons niet moeten verrassen. In deze gevallen wereld is dit hoe de dingen gaan, en ook hoe de dingen verliepen in de tijd dat de Bijbel geschreven werd.

Daarom zouden we niet gedesillusioneerd mogen zijn wanneer leiders blijk geven van onvolmaaktheden. We zouden hen moeten ondersteunen waar we maar kunnen en waar mogelijk proberen de tekortkomingen te corrigeren, en de rest aan God overlaten – terwijl we ondertussen wel altijd beseffen welk vreselijk potentieel voor falen en fouten er in ons leven voorkomt.

Ten tweede werkt Gods soevereiniteit nog maar een keer doorheen de ingewikkelde inspanningen van zijn volk. Wanneer David op de hoogte gebracht wordt van het probleem, gooit hij zijn handen niet in de lucht en gaat hij niet in gebed over de situatie: hij beveelt onmiddellijk dat beslissende, symbolische en complexe stappen gezet worden om te verzekeren dat Salomo de troon kan bestijgen.

Vertrouwen in Gods soevereine goedheid is nooit een excuus voor passiviteit of laksheid. Vele jaren van geloofswandel hebben David geleerd dat, wat ‘wandelen door geloof’ ook allemaal nog moge betekenen, het allerminst een vrijbrief is voor passiviteit. Willen we vermijden te handelen in strijd met God, of met ijdele pogingen onafhankelijk van God, dan moeten we ook het piëtisme vermijden dat in voortdurend gevaar verkeert om vertrouwen te doen verschrompelen tot fatalisme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.