Posts tonen met het label redding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label redding. Alle posts tonen

woensdag 3 december 2014

'Hebt de wereld niet lief' versus 'God had de wereld lief' (1 Joh. 2)


2 Kronieken 2; 1 Johannes 2; Nahum 1; Lukas 17

Je kunt je afvragen waarom God zou moeten worden geprezen omdat Hij de wereld heeft liefgehad (Joh. 3:16), wanneer het christenen net verboden wordt die lief te hebben (1 Joh. 2:15-17).

De wereld, zoals gewoonlijk het geval is in Johannes en 1 Johannes, is de morele orde in rebellie tegen God. Wanneer ons wordt verteld dat God de wereld liefheeft, moet zijn liefde worden bewonderd omdat de wereld zo slecht is. Gods liefde is de oorsprong van zijn verlossingswerk. Terwijl zijn heiligheid leidt tot zijn toorn (Joh. 3:36), bewerkstelligt zijn karakter als liefde (1 Joh. 4:8, 16) zijn reddingsmissie.

Wat God verbiedt in 1 Johannes 2:15-17 is echter iets heel anders. God heeft de wereld lief met de heilige liefde van de redding; Hij verbiedt ons de wereld lief te hebben met de verwerpelijke liefde van participatie. God heeft de wereld lief met de zelfopofferende liefde die de Zoon zijn leven kost; wij mogen de wereld niet liefhebben met de zelfzuchtige liefde die wil proeven van al de zonden van de wereld.

God heeft de wereld lief met de reddende kracht die personen zodanig kan veranderen dat ze niet langer tot de wereld behoren; ons wordt verboden de wereld lief te hebben met de morele zwakheid die het aantal wereldse mensen wil vermeerderen door er zelf volledig aan deel te nemen.

Gods liefde voor de wereld moet worden bewonderd voor haar unieke combinatie van zuiverheid en zelfopoffering; de onze wekt afgrijzen en weerzin voor haar onzuiverheid en hebberige boosheid.

De wereld die Johannes in deze verzen voor ogen heeft is niet mooi. Hij wordt gekenmerkt door alle begeerten van onze zondige natuur (‘de begeerte van het vlees’, 2:16), alle dingen die ons van buiten uit aanvallen en ons weglokken van de levende God (‘de begeerte van de ogen’, 2:16), alle hoogmoed van bezit, dominantie en controle (‘de hoogmoed van het leven’, 2:16 [HSV]; ‘pronkzucht’, [NBV]). Niets daarvan is afkomstig van de Vader, wel van de wereld.

Maar christenen maken hun afwegingen in het licht van de eeuwigheid. ‘En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17). Hij is te beklagen wiens zelfbeeld en hoop op vergankelijke dingen rust. Tien miljoen jaren verder in de eeuwigheid zal het een beetje gek lijken jezelf te beroemen op de auto waarmee je nu rijdt, de sommen geld die je verdiende of de opleiding die je kreeg, het aantal boeken dat je bezit, het aantal keren dat je naam werd vermeld in de krantenkoppen.

Of je nu al dan niet een Academy Award hebt gewonnen, zal dan minder belangrijk blijken dan de vraag of je wel of niet oprecht bent geweest tegenover je echtgenote. Of je nu een basketbalvedette was of niet, zal van minder betekenis zijn dan hoeveel je van je rijkdom vrijgevig hebt weggeschonken. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 2 juli 2013

Al onze gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed (Jes. 64)


Jozua 4; Psalmen 129-131; Jesaja 64; Matteüs 12
In een voorgaand hoofdstuk schreef Jesaja: ‘Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde’ (Isa. 62:6-7). Nu volgt Jesaja zijn eigen advies. Jesaja 64 (meer precies 63:7-64:12) beschrijft een van de grote momenten van voorbede uit de Schrift.

Het eerste deel van het gebed (63:7-19) begint met een bevestiging van Gods goedheid, in het bijzonder getoond in de redding van Israël ten dage van Mozes. Jesaja windt geen doekjes om het probleem: het volk heeft zozeer gerebelleerd dat God zelf hun vijand werd (63:10). Maar tot wie anders kon Jesaja zich wenden? Hij doet een beroep op Gods ‘innerlijke bewogenheid’ en zijn ‘ontferming’ (63:15), op Gods verbondstrouw als de Vader en Verlosser van zijn volk (zelfs als Abraham en Jakob het volk willen verloochenen, 63:16).

Maar nu in Jesaja 64 spreekt de profeet een van de meest pakkende gebeden uit die we in de Heilige Schrift kunnen vinden: ‘Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet, dat voor uw aangezicht de bergen wankelden’ (64:1). Dit is onze enige hoop: we kunnen onszelf niet redden. Niets van onze besluiten en kunstjes en religie zullen volstaan. God zelf moet de hemel scheuren en nederdalen.

Jesaja ontkent Gods alomtegenwoordigheid niet, maar zegt dat God actief moet ingrijpen tot onze redding, terwijl Hij nog maar eens zijn kracht toont, of we zijn verloren.

Er zijn nog drie elementen uit Jesaja’s voorbede die we niet mogen missen.

Ten eerste ziet niemand duidelijker dan Jesaja dat de God bij wie hij pleit ook de Rechter is die we beledigden. ‘Zie, Gij zijt toornig geweest, omdat wij zondigden … zouden wij dan verlost worden?’, vraagt hij (64:5). Dit is de kern van het dilemma – en de hoop.

Ten tweede begrijpt Jesaja niet alleen dat zonde ons van God scheidt, hij identificeert zich ook volledig met zijn zondige volk: ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed’ (64:6).

De grootste voorbidders hebben altijd erkend dat er hen veel meer verbindt met het overgrote deel van de zondaren, dan er hen van hen scheidt – en in elk geval aarzelen ze niet om bij God te pleiten voor hen die voor zichzelf niet willen pleiten.

Ten derde begrijpt Jesaja zeer goed dat als God ons redt, Hij dit moet doen uit genade, uit barmhartigheid, uit bewogenheid – niet omdat we enig recht zouden hebben. Dit verklaart de bewogen toon in 64:8-12.

Wanneer hebben wij voor het laatst met zoveel inzicht en passie gebeden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 juni 2013

Want onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons (Jes. 59)


Deuteronomium 32; Psalm 119:121-144; Jesaja 59; Matteüs 7

Jesaja 59 wordt opgedeeld in drie delen. Indien je het hoofdstuk buiten de context van het boek beschouwt, zou je kunnen denken dat het een beschrijving is van het afglijden in zonde en de neergang die veel periodes in Israëls geschiedenis kenmerkt, en nog steeds veel periodes in de ervaring van de kerk of gemeente kenmerkt.

Maar zowel de positie in het boek als de twee slotverzen van het hoofdstuk suggereren dat de profeet de gemeenschap van het volk van God beoogt nadat ze zijn teruggekeerd uit ballingschap. Ze worden nog altijd gekenmerkt door zonde, en er is helemaal geen hoop, op één na.

Het eerste deel (59:1-8) beschrijft het volk in zijn wanhoop. De reden voor hun benarde toestand, zo benadrukt de profeet, is niet een bepaalde onvolkomenheid in God: ‘Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen’ (59:1).

Hun benarde toestand is te wijten aan hun eigen zonde: ‘maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (59:2).

De dodelijke lijst volgt: ongerechtigheid, gebrek aan integriteit, geweld, samenzweringen. In de kern ervan staat het menselijke karakter: boosheid komt van binnenuit. ‘Hun gedachten zijn onheilsgedachten, verwoesting en verderf zijn op hun wegen. De weg des vredes kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen; zij gaan langs kronkelpaden; niemand die ze betreedt, kent vrede’ (59:7b-8).

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de apostel Paulus diverse van deze zinnen citeert in zijn eigen aanklacht tegen het menselijke ras (Rom. 3:15-17). Wat kun je aanvangen met een geslacht dat zo volhardt in de zonde? Zelfs het enorme trauma van de ballingschap blijkt onvoldoende om hen te veranderen.

In het tweede deel (59:9-15a) komt het werkwoord in de eerste persoon meervoud te staan. De taal is die van gemeenschappelijke klaagliederen. Deze rouwenden (vergelijk 57:19) treuren over hun eigen zonden. De taal is ronduit eerlijk.

Zoals Jesaja zelf, als een Daniël of een Ezra, belijden ze niet alleen hun eigen zonden maar de zonden van hun volk (6:5; Dan. 9:4-19; Ezra 9:6-15). Ze weten dat hun situatie uitzichtloos is. En dat op zich is natuurlijk een teken van genade. Het volk van God is het verst van reformatie en opwekking wanneer het op een zelfvoldane manier tevreden is, zoals de kerk van Laodicea (Opb. 3:14-22).

Er is hoop wanneer ze zich door Gods genade gewrongen weten in de smart van eerlijke belijdenis, zich vreselijk bewust van de verraderlijke en aanhoudende macht van zonde in hun leven en in hun cultuur.

Het derde deel (59:15b-21) biedt ons de vertroosting. Alleen God is in deze situatie bekwaam – en Hij is meer dan voldoende. God zag dat er niemand anders was die zijn volk kon redden, ‘Daarom bracht Zijn arm Hem heil, en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem’ (59:16, HSV). En nog maar eens eindigt dit gezicht van hoop en belofte in apocalyptische proporties en met de bewoordingen van het nieuwe verbond (59:20-21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 1 mei 2013

Kan een gelovige nog verloren gaan? (Hebr. 6)


Numeri 8; Psalm 44; Hooglied 6; Hebreeën 6
De passage over ‘afvalligheid’, Hebreeën 6:4-6 (vergelijk met 10:26-31) vormde in de loop van de geschiedenis het middelpunt van een aanzienlijk aantal theologische en pastorale disputen.

De kern van de vraag is of oprechte gelovigen hun redding kunnen verliezen. Sommige christenen antwoorden bevestigend, hoewel het moeilijk te verenigen valt met bevestigingen zoals bijvoorbeeld de ‘gouden ketting’ uit Romeinen 8:29-30 of de niet nader bepaalde beweringen van Johannes 6:39-40, 44. Sommige christenen hebben daarom gesuggereerd dat hetgeen Hebreeën hier ziet, niet gaat over het afvallen van eeuwig leven, maar afvallen van nuttige dienst.

Op het eerste gezicht is de taal van Hebreeën 6 en 10 strenger dan dit. Anderen stellen dat de waarschuwing louter hypothetisch of zelfs gunstig is – een instrument van genade dat garandeert dat gelovigen niet afvallig zullen worden.

Maar als we dit weten, is het moeilijk om de waarschuwing ernstig te nemen, want we krijgen op voorhand de verzekering dat de verzameling afvalligen een lege verzameling is – en dit maakt de waarschuwing lichtelijk bespottelijk en niet de bijzonder ernstige zaak waarvoor de auteur van de Hebreeënbrief ze aanziet.

Nog anderen argumenteren dat het Nieuwe Testament dan wel elders de volharding en de bewaring van de heiligen mag onderwijzen, maar dat hier verondersteld wordt dat sommigen zullen afvallen – en we moeten gewoon leven met die spanning, om maar niet te zeggen die tegenspraak.

Mijn eigen visie is dat de kwestie om twee punten draait, met een belangrijke pastorale implicatie. Ten eerste is het niet alsof Hebreeën één ding leert en Paulus en Johannes iets anders. Paulus smeekt christenen dat ze zichzelf zouden onderzoeken om te zien of ze in het geloof zijn (2 Kor. 13:5), maar dan stelt hij de gouden ketting op.

Johannes waarschuwt dat ranken van Christus (de ware wijnstok) afgesneden kunnen worden, maar benadrukt dat Christus al degenen zal bewaren die de Vader Hem gegeven heeft.

Daarom winnen we er niets mee als we Hebreeën 6 bijvoorbeeld tegenover Johannes stellen. Het gedeelte strookt telkens heel goed met één element in Johannes en Paulus.

Ten tweede moeten we ons afvragen of de individuele beschrijvingen (‘verlicht’, ‘de hemelse gave genoten hebben’, enz.) in Hebreeën 6 en 10 ons verplichten te denken aan ware christenen. Het antwoord op deze vraag is verbonden met onze theologie over bekering en over wat bedoeld wordt met ‘ware christen’.

Het Nieuwe Testament geeft veel voorbeelden van mensen die genoeg van Gods genade geproefd hebben om hun leven te veranderen en zich bij de zichtbare kerk te voegen, hoewel ze niet van de soort genade blijk geven die hen in staat stelt te volharden. Zelfs Hebreeën 3:6, 14 veronderstelt zoveel.

Onder een dergelijke ‘strakke’ definitie van een ware christen, valt niemand af. De vraag wordt dan: ‘Zul je volharden? Is je ervaring van genade zo licht dat je kunt wegwandelen van het kruis?’

Wat zijn de pastorale implicaties? De overdenkingen suggereren dat de Bijbel mooie bemoedigingen biedt aan de zwakken en wankelmoedigen, maar de openlijk opstandigen bedreigt met een ernstige toets van de oprechtheid van de belijdenis van hun geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 december 2012

'Hebt de wereld niet lief' versus 'God had de wereld lief' (1 Joh. 2)


2 Kronieken 2, 1 Johannes 2, Nahum 1, Lukas 17
Je kunt je afvragen waarom God zou moeten geprezen worden omdat Hij de wereld heeft lief gehad (Joh. 3:16), wanneer het christenen net verboden wordt die lief te hebben (1 Joh. 2:15-17).

De wereld, zoals gewoonlijk het geval is in Johannes en 1 Johannes, is de morele orde in rebellie tegen God. Wanneer ons verteld wordt dat God de wereld liefheeft, moet zijn liefde bewonderd worden omdat de wereld zo slecht is. Gods liefde is de oorsprong van zijn verlossingswerk. Terwijl zijn heiligheid leidt tot zijn toorn (Joh. 3:36), bewerkstelligt zijn karakter als liefde (1 Joh. 4:8, 16) zijn reddingsmissie.

Wat God verbiedt in 1 Johannes 2:15-17 is echter iets heel anders. God heeft de wereld lief met de heilige liefde van de redding; Hij verbiedt ons de wereld lief te hebben met de verwerpelijke liefde van participatie. God heeft de wereld lief met de zelfopofferende liefde die de Zoon zijn leven kost; wij mogen de wereld niet liefhebben met de zelfzuchtige liefde die wil proeven van al de zonden van de wereld.

God heeft de wereld lief met de reddende kracht die personen zodanig kan veranderen dat ze niet langer tot de wereld behoren; ons wordt verboden de wereld lief te hebben met de morele zwakheid die het aantal wereldse mensen wil vermeerderen door er zelf volledig aan deel te nemen.

Gods liefde voor de wereld moet bewonderd worden voor zijn unieke combinatie van zuiverheid en zelfopoffering; de onze wekt afgrijzen en weerzin voor zijn onzuiverheid en hebberige boosheid.

De wereld die Johannes in deze verzen beschouwt is niet mooi. Hij wordt gekenmerkt door alle begeerten van onze zondige natuur (‘de begeerte van het vlees’, 2:16), alle dingen die ons van buiten uit aanvallen en ons weglokken van de levende God (‘de begeerte van de ogen’, 2:16), alle hoogmoed van bezit, dominantie en controle (‘de hoogmoed van het leven’, 2:16, HSV; ‘pronkzucht’, NBV). Niets daarvan is afkomstig van de Vader, wel van de wereld.

Maar christenen maken hun afwegingen in het licht van de eeuwigheid. ‘En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17). Hij is te betreuren wiens zelfbeeld en hoop op vergankelijke dingen rusten.

Tien miljoen jaren verder in de eeuwigheid zal het een beetje gek lijken jezelf te beroemen op de auto waarmee je nu rijdt, de som geld die je bezit of de opleiding die je kreeg, het aantal boeken dat je bezit, het aantal keren dat je naam vermeld werd in de krantenkoppen.

Of je nu al dan niet een Academy Award gewonnen hebt, zal dan minder belangrijk blijken dan de vraag of je wel of niet oprecht geweest bent tegenover je echtgenote. Of je nu een basketbalvedette was of niet, zal van minder betekenis zijn dan hoeveel je van je rijkdom vrijgevig weggeschonken hebt. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 30 oktober 2012

Eén Lam voor de hele wereld


Ook de Pentateuch vestigt de blik op Christus. Nancy Guthrie schreef er een boek over: ‘The Lamb of God: Seeing Jesus in Exodus, Leviticus, Numbers, and Deuteronomy’ (Crossway).

Gods Wet biedt ons niet in de eerste plaats een eindeloze lijst met morele regels, nee, ze wijst ons vooruit naar Hem die zou komen en de Wet volkomen zou vervullen: het Lam dat het finale, smetteloze offer voor de zonde is.

In een interview voor The Gospel Coalition-blog geeft Guthrie ook aan hoe ze op weg gezet werd door Philip Rykens 1200-pagina’s tellende commentaar ‘Exodus: Saved for God's Glory’.
Ryken ziet een duidelijke voortgang in de Bijbel:
- één lam voor één persoon wanneer Abraham een ram offert in plaats van zijn zoon Isaak,
- één lam voor één huishouden bij het Pascha
- één lam voor een heel volk op de Grote Verzoendag
- en – uiteindelijk – één Lam voor de hele wereld (zie Joh. 1:29).

Guthrie heeft het in het interview ook over ‘redding via oordeel’. De Oudtestamentische voorbeelden van redding zijn een voorafschaduwing van onze uiteindelijke redding. Hier verwijst Guthrie naar het boek van James Hamilton ‘God's Glory in Salvation Through Judgment’.

- Adam en Eva worden in Genesis gered van de eeuwige door het oordeel van weggestuurd worden uit de tuin van Eden
- Gods volk wordt in Exodus gered door het oordeel dat over Egypte kwam in de vorm van de 10 plagen
- Je ziet het het duidelijkst bij het kruis van Christus, wanneer de redding van zondaars mogelijk wordt gemaakt door het oordeel van God dat neerdaalt op Christus
- Onze finale redding in de Nieuwe Hemel en Nieuwe Aarde zal blijken bij het grote oordeel dat voorgoed een einde zal maken aan alle kwaad van de wereld

Download een uittreksel uit het boek van Nancy Guthrie, 'The Lamb of God (A 10-week Bible Study): Seeing Jesus in Exodus, Leviticus, Numbers, and Deuteronomy' (pdf)

Lees het interview van The Gospel Coalition met Nancy Guthrie
Lees meer via de website Preaching Christ in the Old Testament