Posts tonen met het label koningschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label koningschap. Alle posts tonen

zaterdag 22 november 2014

'Nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn' (1 Kron. 17)


1 Kronieken 17; Jakobus 4; Jona 1; Lukas 6

1 Kronieken 17 loopt aardig parallel met 2 Samuel 7. In beide passages drukt David zijn verlangen uit om een ‘huis’ te bouwen voor God. De profeet Nathan stemt initieel in met het project, maar houdt dan, na het ontvangen van een specifieke openbaring van God, David een heel ander plaatje voor. In plaats dat David een ‘huis’ zou bouwen voor God, zal God een ‘huis’ bouwen voor David – dit wil zeggen, een ‘huishouden’ (het origineel woord is tweeslachtig, het woordspel met de betekenis bewust). Het ‘huis’ of ‘huishouden’ dat God voor David zal bouwen is niets anders dan het Davidisch koningshuis.

De lijn van David zal nooit het lot ondergaan van Saul en zijn lijn. Wanneer de lijn van David zondigt, zullen Gods oordelen tijdelijk zijn (17:12-14); de lijn zal niet worden uitgeroeid. David beantwoordt met een bewogen gebed (17:16-27) dat overloopt van dankbaarheid. Het gebed is heerlijk Godgericht; David is zich ten volle bewust dat als zijn lijn zo anders wordt behandeld dan die van Saul, het uiteindelijke verschil genade is.

Zo zijn de slotwoorden van het gebed ronduit treffend en onthullend: ‘Nu dan, HERE, Gij zijt God en Gij hebt dit goede aangaande uw knecht gesproken; nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’ (17:26-27).

Je mag echter niet vergeten dat deze woorden moeten worden gelezen als onderdeel van een tweedelig werk – 1 en 2 Kronieken – waarvan de verhaallijn eindigt met niets minder dan een ramp voor de Davidische lijn – los van de twee laatste verzen van 2 Kronieken, die een sprankel hoop bieden.

Vandaag plaatsen we ze automatisch binnen het grotere raamwerk van de verhaallijn van de Bijbel, en zien we waar ze passen in het patroon dat leidt tot Jezus, de ultieme Davidische koning.

Maar de eerste lezers genoten ons perspectief niet; de onbekende samensteller die de hofverslaggeving verzorgde en andere bronnen, die ongeveer 500 jaar geschiedenis dekken, en dit in de vorm goten van onze ‘1 en 2 Kronieken’, genoten niet hetzelfde perspectief als wij.

Louter cynisme of de wreedheid van hun ervaring onder de ballingschap hadden er toe kunnen leiden dat ze de woorden die we hier in 1 Kronieken 17:27 vinden zouden afzwakken: ‘nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’.

In plaats daarvan fungeren de woorden voor hen als een stabiliserende belofte wanneer al hun recente ervaringen ze leken tegen te spreken. Kortom, ze tonen ons wat het betekent te wandelen door geloof in de beloften van God, en niet door aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 oktober 2014

Jehu vs. David: het doel wettigt de middelen niet (2 Koningen 9)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het loont de moeite de zalving van David (1 Sam. 16) te vergelijken met de zalving van Jehu (2 Koningen 9) – of, meer precies, loont het de moeite niet alleen de twee zalvingen te vergelijken, maar ook wat volgt uit de twee zalvingen.

Het verhaal van David is het bekendste van de twee (1 Sam.). Toen Samuel hem tot koning zalfde, was David nog altijd een jonge man, een jeugdige herder. De zalving veranderde niets aan zijn onmiddellijke situatie. Na verloop van tijd kreeg hij een heldenstatus door Goliath te verslaan en daarna uit te groeien tot een efficiënte en trouwe dienaar van Koning Saul.

Toen Saul verbitterd en krankzinnig werd waardoor hij David dwong zich te verbergen in het heuvelland van Judea, leek David ver van de troon af. Voorzienigheid bood hem twee verrassende gelegenheden om Saul te doden, maar David beheerste zich; hij hield zelfs een aantal van zijn eigen mannen tegen die maar al te zeer bereid waren om de daad te stellen waar David niet aan wilde raken. Zijn redenering was eenvoudig. Hoewel hij wist dat hij koning zou worden, wist hij ook dat Saul op dat ogenblik koning was. Dezelfde God die David had gezalfd, had eerst Saul aangesteld.

Saul doden stond daarom gelijk met het doden van de gezalfde van de Heer. Hij was niet bereid om het erfdeel te grijpen dat de Heer zelf hem had beloofd, indien de prijs daarvoor bestond uit een immorele daad. God had hem de troon beloofd; God zou die eerst moeten vrijmaken van zijn huidige plaatsbekleder, want David zou niet buigen voor intrige en moord. Dit was een van Davids beste periodes.

Hoe anders is Jehu! Wanneer hij gezalfd is, krijgt hij de taak het zondige huis van Achab te straffen en uit te roeien. Maar hij wacht niet op een teken van God: wat hem betreft is zijn zalving voldoende aansporing om meteen tot een bloederige opstand over te gaan. Bovendien mag hij dan vroom praten over het uitroeien van de afgoderij van het zondige huis van Achab (bijv. 9:22), twee boze feiten verraden zijn eigen hart.

Ten eerste vermoordt hij niet alleen de huidige bezetter van de troon in Israël, maar wanneer hij de kans krijgt doodt hij ook Achazja, de koning van Juda (9:27-29), echter zonder dat de profeet dit gebood. Koesterde Jehu misschien denkbeelden van een hersteld en verenigd koninkrijk, bijeengebracht door moord en militaire macht?

Ten tweede maakte Jehu weliswaar een einde aan de macht van de Baälsdienst, maar hij onderhield andere vormen van afgoderij die niet minder afstotelijk waren voor God (10:28-31). In tegenstelling tot David was hij geen ‘man naar Gods hart’ (vgl. 1 Sam. 13:14). Verre van: ‘hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (10:31).

De les is belangrijk. Zelfs goddelijke profetie ontslaat een mens niet van de verplichtingen tot moraliteit, integriteit en trouw en gehoorzaam geloof in God. Het doel wettigt de middelen niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 12 september 2014

'Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen' (2 Sam. 7)


2 Samuël 7; 2 Korinthiërs 1; Ezechiël 15; Psalmen 56-57

Nadat zijn paleis is gebouwd beseft David dat hij leeft in pracht in vergelijking met de kleine en bescheiden tabernakel. Hij verlangt een tempel te bouwen, een ‘huis’ waarin de ark van het verbond kan worden geplaatst (2 Sam. 7).

Via de profeet Nathan toont God echter dat de zaken wel even anders liggen. David wil een ‘huis’ bouwen voor God, maar God verklaart dat Hijzelf een ‘huis’ zal bouwen voor David. Het woord ‘huis’ kan verwijzen naar een gebouw, maar het kan worden uitgebreid naar een gezin en zelfs naar een koningshuis, een dynastie (zoals je bijvoorbeeld in Engeland het koningshuis van de Windsors hebt, ‘the house of Windsor’).

David hoopt een ‘huis’ voor God te bouwen in de eerste betekenis; God vertelt David dat Hij voor hem een ‘huis’ zal bouwen in de derde betekenis. Alhoewel Davids zoon Salomo een ‘huis’ voor God zal bouwen, is God in het laatste geval zelf de ultieme Gever, en het ‘huis’ dat Hij voorstelt te zullen bouwen zal duurzamer blijken.

In deze context doet God dan een aantal opvallende beloften aan David. ‘Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken’ (7:11), zegt God. Om de lijn van David na zijn dood verder te zetten, voegt God eraan toe ‘zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen’ (7:12-13).

De verwijzing gaat niet verder dan Salomo. In de verhaallijn van 1 en 2 Samuel fungeert Saul als het eerste voorbeeld van een koning die regeerde en wiens troon niet blijvend was, wiens ‘huis’ niet gebouwd werd. Maar zo zal het niet zijn met David. Zijn nakomelingschap zal regeren.

Toen Saul zondigde werd hij vervolgens verworpen door God. Maar wanneer Davids zoon in de fout gaat, zegt God: ‘Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. [Noot van de schrijver: dus is deze ‘zoon’ zeker Jezus niet.] Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul’ (7:14-15). Tot zover is het dus Salomo die we aan de horizon zien.

Maar dan kijkt God nogmaals op lange termijn: ‘Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd’ (7:16). Dit betekent ofwel dat er altijd iemand op de troon zal zitten in de lijn van David, of iets sterkers.

Na verloop van tijd worden de profetieën over de komende ‘David’ of ‘Zoon van David’ geladen met veel grotere belofte. Jesaja voorziet iemand die zal regeren ‘op de troon van David en over zijn koninkrijk’, maar die ook genoemd wordt ‘Sterke God, Eeuwige Vader’ (Jes. 9:6-7). Hier is een afstammeling van David die het Davidische koningshuis in stand houdt, niet door dit door te geven, maar door zijn eigen eeuwige heerschappij.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 4 september 2013

Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig (Ps. 45)


1 Samuël 28; 1 Korintiërs 9; Ezechiël 7; Psalm 45
Aan de ene kant is Psalm 45 een koninklijk huwelijkslied. Het openingsvers biedt ons een glimp in de passies van de psalmist bij het schrijven van zijn zinnen (vergelijk gelijkaardige introducties in 39:1-3; 49:1-4).

De rest van de Psalm wordt onderverdeeld in vijf delen.

Het eerste (45:3-6) schetst de majesteit en luister van de koning. ‘Gord uw zwaard aan de heup, gij held, uw majesteit en uw luister’ (45:4) – en streef naar waarheid, ootmoed en recht, zelfs terwijl je ‘geduchte daden’ stelt en militaire sterkte vertoont (45:5-6).

In het tweede deel (45:7-10) overdenkt de psalmist de persoon en toestand van de monarch en spreekt hem aan als God (45:7). De psalmist keert zich niet af van de monarch om God aan te spreken. Het volgende vers (45:8) bewijst dat hij nog altijd de koning aanspreekt, en perfect in staat is het onderscheid te maken tussen de koning als ‘God’ en God zelf: ‘daarom heeft, o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen’.

Dus is de uitspraak van vers 6 buitengewoon: ‘Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig’ – in eerste instantie verwijzend naar een Davidische koning, zoals de rest van de psalm aantoont.

In het derde deel richt de psalmist zich tot de bruid en moedigt hij haar aan tot levenslange trouw (45:11-13). Dit brengt met zich mee dat ze het huis van haar vader ‘vergeet’ (de tegenhanger van Gen. 2:24), en haar affecties en loyaliteit richt op haar man.

Het vierde deel beschrijft in het kort de bruidstoet (45:14-16), die tot het huwelijk zelf leidt. De details ervan geven het belang van de gelegenheid aan. De Schrift bagatelliseert het huwelijk nooit, zeker nooit het huwelijk van een Davidische koning.

In het vijfde deel (45:17-18), keert de psalmist terug naar de koning (de Hebreeuwse voornaamwoorden zijn mannelijk). De focus ligt op de vrucht van het huwelijk: erfgenamen die hun vaderen opvolgen. Dit toont aan dat de psalmist denkt in termen van gewone voortplanting en opvolging. Dit is niet een profetisch-messiaanse psalm.

Niettemin citeert Hebreeën 1:8-9 deze Psalm (45:6-7) om Jezus’ essentiële superioriteit te bewijzen over engelen. Slechts de Zoon wordt rechtstreeks aangesproken als ‘God’. Waarom voelt de schrijver van Hebreeën dat hij Psalm 45 op die manier kan gebruiken?

De omringende verzen tonen dat hij lang en hard heeft nagedacht over diverse passages en thema’s: 2 Samuël 7 (zie vol. I, de meditatie voor 12 september), een hoofdstuk dat een eeuwig Davidisch koningshuis belooft; diverse passages die de Davidische koning aan God linken als zijn ‘zoon’ (2 Sam. 7; Ps. 2 – in dit verband zie de overdenking voor 4 augustus); een compleet patroon of een ‘typologie’ waarin David gezien wordt als een schaduw, een type, een afschaduwing van een nog grotere ‘David’ die moet komen.

Als de Schrift (en dus God) een vroege Davidische monarch aanspreekt als ‘God’, hoeveel te meer verdient de ultieme David deze titel dan niet?


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 4 augustus 2013

Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg (Ps. 2)



Richteren 18; Handelingen 22; Jeremia 32; Psalmen 1—2
Aan de ene kant kun je Psalm 2 volledig verstaan binnen het raamwerk van het leven van een Davidische koning– zelfs van David zelf. Hij heeft de omliggende volken verslagen. Als zij rebelleren, dan spannen ze samen ‘tegen de HERE en zijn gezalfde’ (2:2), d.w.z. zijn ‘Messias’, een uitdrukking die kan verwijzen naar elke gezalfde koning van Israël, of naar de ultieme Messias.

Als ze proberen het juk af te werpen van hun verplichtingen tegenover Israël (2:3), dan moeten ze afrekenen met God: ‘Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen’ (2:4). Hij wijst hen terecht in zijn toorn, want Hij is Degene die zijn Koning over Sion gesteld heeft (2:5-6).

Nu spreekt de koning zelf. Hij getuigt van diezelfde aanstelling, d.i. van zijn eigen aanstelling als koning, terwijl hij uitdrukkingen gebruikt die gewoon zijn in het oude Nabije Oosten. Bij de aanstelling van de koning wordt hij de ‘zoon’ van de God die in de eerste plaats soevereiniteit over dat volk uitoefent.

Jahweh zelf gebruikt die taal: de koning van Israël wordt bij zijn aanstelling Gods ‘zoon’, toegewijd aan het nastreven van zijn ‘Vaders’ heerlijkheid en goed, terwijl hij diens karakter en wil weerspiegelt (2:7). God heeft alle volken zozeer onder controle dat de Davidische koning slechts hoeft te vragen, en God zal hem absolute soevereiniteit verlenen over de volken (2:8-9).

De koningen moeten daarom wijs zijn en zijn gewaarschuwd (2:10). ‘Dient de HERE met vreze ... Kust de zoon , [d.i. de Davidische koning], opdat hij niet toorne’ (2:11-12).

Maar er zijn minstens twee elementen die duidelijk maken dat we niet moeten denken dat de betekenis van de Psalm ophoudt bij een van de oude Davidische monarchen.

Ten eerste, werd David vroeg in het bestaan van het Davidisch koningshuis een type of model van de ultieme ‘messias’ uit die lijn, de ultieme ‘David’. Je kunt eeuwen later makkelijk expliciete verwijzingen vinden naar die figuur (bijv. Jes. 9; Ez. 34). De typologische redenering kan dan als volgt zijn: als de historische koning David Gods uitvoerder was om over de omliggende volken te regeren, hoeveel te meer zal Davids grotere Zoon, de Davidische koning par excellence, niet over de volken regeren?

Ten tweede zijn er diverse hints in de Psalm die iets meer suggereren dan een vroege Davidische koning. Hij onderwerpt de ‘koningen der aarde’ (2:2), wat nogal veelomvattend klinkt (hoewel het ook kan betekenen ‘de koningen van het land’); deze ‘Zoon’ worden ‘volken’ en ‘de einden der aarde’ als zijn bezit beloofd - heel wat moeilijker van tafel te vegen. De uiteindelijke zegen (2:12) klinkt lichtelijk hoogdravend voor ieder ander dan de ultieme Messias.

Elk van deze uitdrukkingen kan ‘uitgelegd’ worden (of ‘weggeredeneerd worden’): ze kunnen pakweg voorbeelden zijn van hyperbolische taal. Maar neem je ze samen, dan wijzen ze niet zozeer weg van de historische David, maar wijzen ze verder dan hem. Denk na over Handelingen 4:23-30.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 december 2012

'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde' (Opb. 11)


2 Kronieken 24, Openbaring 11, Zacharia 7, Johannes 10
Doorheen het boek Openbaring vind je regelmatig gezichten van het einde of van de troonzaal van God die vooruitgrijpen op de laatste twee hoofdstukken. De manier waarop de verhaallijn zich ontwikkelt is met andere woorden niet altijd lineair. De verwachting van overwinning, heerlijkheid en het perspectief van de Almachtige worden soms in de context geplaatst van de meest donkere scènes van oordeel: zo bijvoorbeeld Openbaring 14:1-5, in de context van de hoofdstukken 12-14.

Wanneer de zevende bazuin klinkt (Opb. 11:15-19) wordt de sluier een beetje weggeschoven om ons een glimp te schenken van precies een dergelijke scène – in dit geval niet van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, maar van de regering van God over deze taferelen van verschrikkelijk oordeel.

Ik wil de aandacht vestigen op twee elementen.

Ten eerste is het begrip ‘koningschap van God’ een dynamisch begrip dat van precieze betekenis verandert naargelang de context. Hier verkondigen luide stemmen in de hemel: ‘Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden’ (11:15). Dit suggereert dat er daarvoor een tijd was waarin dit goddelijke ‘koningschap’ over deze gevallen wereld nog niet begonnen was.

Waar het hier dus om gaat is zeker niet het universele koningschap van Gods voorzienige regering. Ook is het niet het begin van Jezus’ regering, zoals ingeluid door zijn opstanding en verheerlijking. Het is waar, op dat moment kreeg hij alle gezag in hemel en aarde (Matt. 28:18). Niettemin wordt die regering zo uitgeoefend dat ze nog steeds gecontesteerd is.

Het volgende vers suggereert dat God nu zijn grote kracht opneemt met de bedoeling hen te verderven die voorheen zijn volk hebben verdorven. De tijd is gekomen ‘voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven’ (11:18).

Dit kondigt aan dat de uiteindelijke uitoefening van het gezag nabij is, dat alle resterende oppositie zal wegvegen en allen met een volmaakt oordeel zal oordelen.
Ten tweede hebben we al gezien dat gemengde metaforen kenmerkend zijn voor apocalyptische literatuur. Hier in 11:19 is Gods tempel in de hemel geopend - binnen in de tempel zien we de ark van het verbond – en dit gaat gepaard met een ontzagwekkende storm.

Vreselijke stormen die Gods grote daden van zelfopenbaring vergezellen stammen uit hetgeen plaatsvond bij Sinaï; iets vergelijkbaars vinden we in het gezicht van 4:5. De les van de tempel, ark en storm in dit vers is, dat God zelf aanwezig is en regeert.
In het gezicht van de hoofdstukken 21-22 is er daarentegen geen tempel in de hemel nodig, want de Heer God Almachtig en het Lam zijn de tempel (21:22). Alleen een kniesoor zal dit beschouwen als met elkaar in tegenspraak.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 12 juni 2012

De koning die de HERE, uw God, verkiezen zal (Deut. 17)


Deuteronomium 17, Psalm 104, Jesaja 44, Openbaring 14

Mozes voorziet een tijd waarin het volk Israël een koning zal kiezen (Deut. 17:14-20). Hij kon niet weten dat eeuwen later, wanneer de Israëlieten voor het eerst om een koning zouden vragen, ze dit zouden doen met alle verkeerde motieven – in de eerste plaats omdat ze wilden zijn als de heidense volkeren rond hen. Het resultaat was Saul. Maar dat is een ander verhaal.

Als het volk een koning moet hebben, welke soort koning zou dit dan moeten zijn?

(1) Hij moet de eigen keuze zijn van de Here (17:15).

(2) Hij moet een Israëliet zijn, gekozen ‘uit het midden van uw broeders’ (17:15), geen buitenlander.

(3) Hij zal voor zichzelf geen grote aantallen paarden verwerven, d.w.z. grote persoonlijke rijkdom verwerven en militaire macht, en zeker niet als dit een of ander militair bondgenootschap inhoudt met een grootmacht als Egypte (17:16).

(4) Hij mag zich niet vele vrouwen nemen (17:17). Het ging niet simpelweg over polygamie. In het oude Midden-Oosten was het zo dat hoe machtiger de koning, hoe meer vrouwen hij had. Dit verbod is daarom tegelijk een beperking op de macht van de koning en een waarschuwing dat veel vrouwen waarschijnlijk zijn hart zouden doen afwijken (17:17). Dit is niet omdat vrouwen op zich slecht zijn; veeleer is een koning die op veel vrouwen jaagt geneigd om prinsessen en edelvrouwen te huwen uit omliggende landen, en zij brengen hun heidendom mee. Binnen dit kader zal het hart van de koning afwijken. Dit is precies wat er gebeurde met Salomo.

(5) Bij troonsbestijging is het eerste dat een koning moet doen, voor zichzelf in het Hebreeuws een afschrift van ‘deze wet’ laten maken – ofwel van het boek Deuteronomium ofwel van de volledige Pentateuch. Dan moet hij er elke dag in lezen gedurende heel zijn leven (17:18-20). De vele doelstellingen van deze taak zijn duidelijk: dat hij de HERE, zijn God, zou vrezen, al zijn woorden nauwgezet zou volgen en dat hij zich daarom niet beter zou achten dan zijn volksgenoten en niet zou afwijken van de wet. Het resultaat zal een langdurige dynastie zijn.

Het is niet moeilijk om je voor te stellen hoe radicaal anders de volledige geschiedenis van Israël ware geweest indien deze vijf criteria nagevolgd waren door elke koning die op de troon van David terechtkwam. Het zou bijna anderhalf millennium duren eer er in Israël een koning zou opstaan die de uitgekozen dienstknecht van de Here zou zijn, iemand ‘in alle opzichten aan zijn broeders gelijk’ (Hebr. 2:17), een gewone handarbeider zonder rijkdom of macht, een man die niet verleid werd door schoonheid of macht of heidendom (ondanks de meest boosaardige aanvallen van de duivel), een man die doortrokken was van de Schrift van zijn jeugd af en die nauwgezet al de woorden van God volgde. Hoezeer hebben we die koning nodig!


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org