Posts tonen met het label Markus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Markus. Alle posts tonen

donderdag 23 juli 2015

En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand (Mk. 5)


Richteren 6; Handelingen 10; Jeremia 19; Markus 5

De genezing van de man uit het land van de Gerasenen die bezeten was door een ‘legioen’ demonen (Mk. 5:1-20) vraagt op veel punten om uitleg en overdenking. We pikken er zes uit:

(1) De omgeving is heidens gebied aan de oostkant van het Meer van Galilea, in de regio van de Dekapolis (5:20), de tien steden met grotendeels heidenen. Dit punt is zelfs duidelijk vanwege de kudde varkens, die geen zichzelf respecterende Jood zou houden.

(2) De arme man die in deze verzen wordt beschreven leed onder een bepaald soort terugkerende aanvallen. Bij momenten was hij voldoende tam om hem te ketenen, maar dan werd de aanval weer zo ontzettend sterk dat hij de ketenen aan stukken trok om zich te bevrijden. Van huis en haard verstoten, leefde hij bij de graven, waar hij schreeuwde en zichzelf pijnigde, een man die door demonische machten zieltogend ten onder gaat (5:5).

We mogen niet veronderstellen dat elke zaak van wat we vandaag krankzinnigheid noemen het resultaat is van demonische activiteit; evenmin mogen we het reductionisme aannemen dat alle demonie herleidt tot chemische onevenwichten in de hersenen.

(3) De woorden tot Jezus (5:6-8) komen van de lippen van de man, maar zijn het product van de ‘onreine geest’. Deze geest weet voldoende om (a) te erkennen wie Jezus is, en (b) om te leven met de vreselijke verwachting van de ultieme verdoemenis die hem wacht.

(4) De conversatie tussen Jezus en de ‘onreine geest’ bevat twee elementen die we niet vinden in andere gevallen van exorcisme in de canonieke evangeliën.

Ten eerste suggereert het vreemde samenspel tussen de enkelvouds- en meervoudsvorm – ‘Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk’ – een ambiguïteit in bepaalde demonische activiteit. Zoals Jezus elders duidelijk maakt is een meervoudige invasie door onreine geesten bovendien een ‘ergere’ toestand die te allen prijze moet vermeden worden (Mt. 12:45).

Ten tweede willen deze demonen het gebied niet verlaten en willen ze toch in een lichaam huizen (5:10, 12). Jezus staat beide verzoeken toe. Wellicht weerspiegelt dit deels het feit dat het finale tijdstip voor hun verderf nog niet gekomen is.

(5) Terwijl het essentieel is om Jezus’ absolute meesterschap over deze boze geesten te erkennen, moet je eraan toevoegen dat Hij niet elk van deze geesten een voor een oproept, hen benadert met hun naam, in gesprek met ze gaat, of tal van andere zaken doet die vandaag in de praktijk gebracht worden door hen die zich wijden aan ‘bevrijdingsbedieningen’.

(6) De reacties op deze bevrijding zijn opmerkelijk. De bevrijde man wil Jezus volgen en krijgt de opdracht te getuigen, in zijn heidense wereld, over hoeveel de Heer voor hem gedaan heeft en hoe Hij hem erbarming betoond heeft (5:18-20). De mensen uit het gebied smeken Jezus om weg te gaan (5:17): ze verkiezen varkens boven mensen, hun financiële zekerheid boven de transformatie van een leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 21 juli 2015

En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn … (Mk. 3)


Richteren 4; Handelingen 8; Jeremia 17; Markus 3
Onder de kinderliedjes die ik als kind leerde in de zondagschool had je ook deze twee:

(Engels)
These are the names of Jacob’s sons:
Gad, and Asher, and Simeon,
Reuben, Issachar, Levi,
Judah, Dan, and Naphtali—
Twelve in all, but never a twin—
Zebulun, Joseph, and Benjamin.

Dit zijn de namen van Jakobs zonen:
Gad, en Aser, en Simeon,
Ruben, Issachar, Levi,
Juda, Dan, en Naftali –
Twaalf in totaal, maar nooit een tweeling-
Zebulon, Jozef, en Benjamin.

(Engels)
There were twelve disciples Jesus called to help him:
Simon Peter, Andrew, James, his brother John,
Philip, Thomas, Matthew, James the son of Alphaeus,
Thaddaeus, Simon, Judas, and Bartholomew.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples, I am one, and you.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples; we his work must do.

Er waren twaalf discipelen die Jezus riep om Hem te helpen:
Simon Petrus, Andreas, Jakobus, diens broer Johannes,
Filippus, Thomas, Matteüs, Jakobus de zoon van Alfeüs,
Taddeüs, Simon, Judas en Bartolomeüs.
Hij heeft ook ons geroepen; Hij heeft ook ons geroepen!
Wij zijn Zijn discipelen; Zijn werk moeten wij doen.

Ik ben dankbaar dat ik werd opgevoed in een tijd waarin veel van de liederen die we leerden ons enige feiten, wat data, en een aantal redenen voor dingen bijbrachten. Veel christenen zouden vandaag noch de twaalf aartsvaders, noch de twaalf apostelen kunnen opnoemen, en zijn jammerlijk onwetend over heel wat andere elementaire gegevens die de minst geleerde zondagschoolstudent van een generatie terug al kende aan de leeftijd van zes of tien jaar. Natuurlijk maakt het louter beheersen van data je nog geen christen. Aan de andere kant: onwetendheid over de Schrift verzekert bijna altijd een pijnlijke onvolwassenheid.

Niettemin is het refrein van het tweede stukje dat ik hierboven citeer een beetje misleidend. Het is waar, we worden geroepen om discipelen te zijn van Jezus, d.w.z. volgelingen van Jezus. Dit is de roeping van elke christen. Maar toch waren er unieke elementen in de roeping van de twaalf apostelen (Mk. 3:13-19).
Ik vermeld er hier maar een: zij waren aangesteld ‘opdat zij met Hem zouden zijn’ (3:14). Dit was belangrijk om minstens twee redenen:

(a) Ze werden door Hem getraind, en een belangrijk onderdeel van hun vorming was wat we vandaag ‘mentoraat’ zouden noemen – niet slechts het overbrengen van een boodschap en een opdracht, maar je mensen vormen door het goede voorbeeld en het principe te geven van hoe zij moesten leven.

(b) Deze twaalven waren in staat om te getuigen over de feiten met betrekking tot de Christus vanaf de eerste dagen van zijn openbare dienst. Petrus begreep het belang van dit punt (Hd. 1:21-22), want de openbaring van Jezus Christus was niet een bepaalde private mystieke ervaring, maar een unieke, historische gebeurtenis die getuigen vereiste.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 14 oktober 2014

Een snapshot van team Paulus (Kol. 4)


1 Koningen 17; Kolossenzen 4; Ezechiël 47; Psalm 103

Hier en daar worden ons in het Nieuwe Testament plotseling glimpen gegund van groepen christen mensen. Romeinen 16 biedt ons een dergelijke snapshot, en Kolossenzen 4:7-18 toont ons een andere. De mannen en vrouwen die kort worden geïntroduceerd leefden volledige, complexe en onderling verbonden levens, waarover we bijna niets weten.

Maar ze zijn onze broers en zusters in Christus; ze kregen te maken met vervolgingen, overwonnen uitdagingen, kweten zich van heel diverse taken, en speelden hun rol in verschillende geledingen van de maatschappij. De glimpen die ons hier worden gegeven wakkeren onze verbeelding aan; onze vollere nieuwsgierigheid zal pas in de hemel worden bevredigd.

Een paar opmerkingen kunnen een aanwijzing zijn voor een aantal dingen die we kunnen leren van de informatie die Paulus’ brief ons biedt.

(1) Paulus had een team van mensen die met hem werkten. Een van hun taken was heen en weer reizen tussen waar Paulus ook was en de kerken waarvoor hij zich verantwoordelijk voelde. Leggen we Paulus’ brieven naast Handelingen, dan is het vaak mogelijk om iets van hun voortdurende reizen in kaart te brengen. Hier zendt Paulus Tychikus naar de Kolossenzen met uitgesproken pastorale bedoelingen (4:7-8).

(2) De ‘Markus’ van 4:10 is bijna zeker Johannes Markus, en de auteur van het tweede Evangelie. Hier wordt hij geïdentificeerd als een verwant van Barnabas. Dit kan deels een verklaring zijn voor het dispuut tussen Barnabas en Paulus, of Markus een tweede kans zou moeten krijgen nadat hij zich terugtrok uit de eerste zendingsexpeditie (Handelingen 13:5, 13; 15:37-40). Zeker tegen het einde van Paulus’ dienst was Markus hersteld in de ogen van de apostel (2 Tim. 4:11).

(3) Onder Paulus’ medewerkers bevonden zich vaak zowel Joden als heidenen (4:11). Je hebt niet veel verbeelding nodig om je de uitdagingen en spanningen voor te stellen, net als de zegeningen en rijkdommen, die deze regeling met zich bracht.

(4) Epafras verschijnt als een geweldig voorbeeld. Hij wordt de gelovigen in Kolosse voorgesteld als ‘die altijd voor u strijdt in de gebeden’. Wat hij bovenal bidt, is dat ze mogen vaststaan ‘volmaakt en volkomen’, ‘in heel de wil van God’ (4:12). Hoezeer heeft de gemeente van Christus vandaag gebedsstrijders nodig met een vergelijkbare focus!

(5) De ‘Lucas’ die vermeld wordt in 4:14 is bijna zeker de auteur van het Lucasevangelie en van Handelingen, en een heiden (aangezien hij in het heidens deel staat van deze opsomming, 4:11 e.v.). Dit maakt van hem de enige heidense schrijver van een Nieuwtestamentisch document. Demas wordt in één en dezelfde adem genoemd, maar hij is waarschijnlijk dezelfde die uiteindelijk de zending en het evangelie vaarwel zegt (2 Tim. 4:10). Een goed begin garandeert geen goed einde.

(6) Gemeentes in de eerste eeuw hadden geen eigen gebouwen. Gelovigen kwamen regelmatig bijeen in de huizen van hun rijkere leden. Nymfa uit Laodicea is een van de rijkere vrouwen uit een rijke stad, en de gemeente daar kwam bijeen in haar huis (4:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 12 februari 2014

'Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!' (Mk. 15)


Genesis 45; Markus 15; Job 11; Romeinen 15
In Markus 15 spreken mensen eigenlijk beter dan ze beseffen.

‘Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?’, vraagt Pilatus (15:12). Natuurlijk gebruikt hij die uitdrukking ‘de Koning der Joden’ met een zekere schampere minachting. Wanneer de menigte antwoordt met ‘Kruisig Hem!’ (15:13-14), dan denken degenen met politieke motieven dat dit het einde is van alweer iemand met messiaanse pretenties.

Zij weten niet dat deze koning moét sterven, dat zijn regering afhangt van zijn dood en dat Hij tegelijk Koning en Lijdende Knecht is.

De soldaten vlechten een doornenkroon in elkaar en duwen die hardhandig op zijn hoofd. Ze slaan en bespuwen Hem en vallen dan op hun knieën in spottend eerbetoon, terwijl ze roepen ‘Wees gegroet, Gij Koning der Joden!’ (15:18).

In feite is Hij meer dan de Koning der Joden (hoewel zeker niet minder). Op een dag zal elk van deze soldaten, met ieder ander, ook weer neerknielen voor de opgestane man die ze hebben bespot en gekruisigd, en zullen ze belijden dat Hij Heer is (Fp. 2:9-11).

De voorbijgangers konden het niet laten verwijten te slingeren: ‘Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!’ (15:29-30). De afwijzende spot verborg de waarheid die ze niet konden zien: eerder had Jezus inderdaad geleerd dat Hijzelf de ware tempel was, het tegenbeeld van het gebouw in Jeruzalem, de ultieme ontmoetingsplaats tussen God en mensen (Joh. 2:19-22).

Jezus had zelfs niet alleen maar beweerd dat Hijzelf de tempel is, maar dat dit zo is op grond van het feit dat deze tempel moet worden vernietigd en in drie dagen terug tot leven moet komen.

Had Hij van dat kruis ‘afgekomen’ en zichzelf gered, zoals zijn spotters stelden, dan had Hij niet de afgebroken en herrezen ‘tempel’ kunnen worden die mannen en vrouwen weer met God verzoent.

‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden’ (15:31). Weer mis – en ook weer correct. Dit is de man die vrijwillig naar het kruis gaat (14:36; vgl. Joh. 10:18). Beweren dat Hij zichzelf niet ‘kàn’ redden, is belachelijk beperkend. Maar Hij kon zichzelf niet redden én tegelijk anderen redden. Hij redt anderen door zichzelf niét te redden.

‘Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven’ (15:32). Maar in wat voor een Christus zouden ze in dat geval geloofd hebben? Een machtig koning, ongetwijfeld – maar niet de Redder, niet het Offer, niet de Lijdende Dienstknecht.

Ze hadden niet lang in Hem kunnen geloven, want de basis voor deze transformatie in hen was precies gelegen in dat kruiswerk waarvan ze Hem treiterend wilden afbrengen.

‘Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!’ (15:39). Ja, meer dan ze beseften.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 10 februari 2014

Onze maatschappij vanuit Gods perspectief (Mk. 13)


Genesis 43; Markus 13; Job 9; Romeinen 13

Christenen waren het vaak oneens over de precieze uitleg van Markus 13. Maar welke meningsverschillen ook prevaleerden, we kunnen niet naast het verbazingwekkende contrast kijken tussen de invalshoek van de discipelen als ze in het tempelcomplex rondkijken en de invalshoek van Jezus zelf.

De discipelen zijn onder de indruk van de indrukwekkende stenen en geweldige gebouwen: ‘zie, welke stenen en welke gebouwen’ (13:1). Wat hun aandacht trekt is de architectuur, het product van de menselijke creativiteit en het menselijke vernuft. Maar Jezus bekijkt het op een ander vlak.

Hij beoordeelt de patronen van het kwaad in deze wereld, de valse religieuze aanspraken, de vervolging van zijn discipelen, het oordeel dat komt. Wat de stenen en gebouwen betreft voorspelt Hij oordeel: ‘Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken’ (13:2). Het zal nog een goede veertig jaren duren eer deze voorzegging letterlijk wordt vervuld.

Dit Schriftgedeelte roept herinneringen op aan een ander gedeelte. In Handelingen 17:16 e.v. bevindt Paulus zich in Athene. Zijn reactie op de stad is treffend. Lucas zegt niet dat Paulus onder de indruk was van de spectaculaire architectuur, van de geschiedenis van de zuivere kennis, van de literatuur die zijn inwoners hadden voortgebracht, of van de heerlijkheid van zijn erfgoed. Verre van. Paulus keek rond in deze eerbiedwaardige oude stad en zijn geest werd ‘in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was’ (17:16).

In geen van beide gevallen – noch in Jezus’ inschatting van Jeruzalem, noch in die van Paulus wat betreft Athene – was de analyse oppervlakkig. In beide gevallen bekeek de evaluatie de dingen vanuit Gods perspectief.

Wie onder de indruk zijn van machtige bouwwerken en spectaculaire menselijke verwezenlijkingen doen er goed aan om het verslag van de torenbouw van Babel nog eens te overdenken (Gen. 11).

Ongetwijfeld waren er toen ook sommigen onder de indruk van het bouwwerk. Maar God, die keek naar het menselijke hart en de redenen voor het gebouw, zag het als nog maar eens een staaltje van onuitstaanbare eigendunk.

Op heel gelijklopende wijze worden ook wij opgeroepen om onze cultuur te begrijpen en te beoordelen vanuit Gods perspectief. Omdat mensen geschapen zijn naar het beeld van God, kunnen we veel doen dat waardevol en bewonderenswaardig is. Theologisch gesproken is dit het resultaat van ‘algemene genade’.

Maar het is mogelijk om veel te veel onder de indruk te zijn van rijkdom, macht, architectuur, roem, kennis, fysieke moed en technologie, met als gevolg dat we niet meer verder nadenken over de morele en geestelijke dimensies van de wereld rondom ons.

We kunnen de heerlijkheid zien en blind blijven voor de schande; we kunnen menselijke verwezenlijkingen zien en de onderliggende afgoderij verwaarlozen; kortom: we kunnen onder de indruk zijn van al wat indruk maakt op Gods gevallen beelddragers, maar falen in het beoordelen van deze werkelijkheden in het licht van het kruis en in het licht van de eeuwigheid. We zouden er veel beter aan doen om de voorbeelden van Jezus en Paulus te volgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 9 februari 2014

Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? (Mk. 12)


Genesis 42; Markus 12; Job 8; Romeinen 12
Het gesprek tussen Jezus en sommige van zijn tegenstanders in Markus 12:13-17 is bijzonder interessant. Markus zegt dat Jezus’ gesprekspartners naar Hem toekwamen ‘om Hem op een woord te vangen’ (12:13).

Ongetwijfeld is dit ook de reden dat ze beginnen met nogal belerend gevlei over wat een principieel leraar Hij toch wel is, helemaal vastbesloten zich niet te laten beïnvloeden door de publieke opinie. Het is allemaal een valstrik. ‘Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?’, vragen ze. ‘Zullen wij betalen of niet betalen?’ (12:14:15).

Ze dachten dat ze Hem te pakken hadden. Antwoordde Hij ‘Nee’, dan zou Hij last krijgen met de Romeinse autoriteiten, die zeker een populair religieus prediker in een onstabiel land als dit niet zomaar zouden laten aanzetten tot het niet betalen van belastingen. Jezus kon zelfs ter dood worden gebracht voor verraad.

Maar zou Hij ‘Ja’ antwoorden, dan zou Hij het vertrouwen van het volk verliezen en daarmee ook zijn populariteit zien tanen. Veel gewone Joden koesterden niet alleen de algemeen menselijke wrevel tegenover belastingen, maar hadden ook theologische bezwaren.

Hoe konden gewetensbezwaarde Joden betalen met munten die de afbeelding droegen van de keizer, vooral munten die hem ook goddelijke titels toedichtten? Als Joden bovendien werkelijk rechtschapen waren, zou God dan niet neerdalen en zijn volk weer verlossen, deze keer van de Romeinse supermacht? Vereist principiële trouw aan God dan niet dat je geen belastingen betaalt?

Welk antwoord Jezus ook gaf, Hij zou een verliezer zijn. Maar Hij weigert zich gewonnen te geven. In plaats daarvan vraagt Hij om een munt, vraagt wiens beeltenis er op voorkomt, en stelt dat het gerechtvaardigd is aan Caesar te geven wat van Caesar is en aan God wat van God is. Jezus ontsnapt zo netjes aan hun valstrik en zijn gesprekspartners verwonderen zich.

Maar er zijn diverse toepassingslagen hier. Onder een strikte theocratie zouden Jezus’ woorden incoherent zijn: de regering van God wordt uitgevoerd door de koning, zodat hun gezagsterrein niet zo makkelijk kan worden onderscheiden. Bovendien was de structuur van het oude verbond op papier heel nauw verbonden met een theocratische regering.

Maar hier kondigt Jezus aan dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de aanspraken van Caesar en die van de levende God.
Natuurlijk betekent dit niet dat Caesars gezagsterrein volledig losstaat van Gods gezagsterrein, en ook niet dat God niet volledig voorzienig alles onder controle heeft. Maar er valt moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat Jezus een fundamentele verandering aankondigt in het bestuur van de verbondsgemeenschap.

De kern van de gemeenschap is niet langer een theocratisch koninkrijk; het is nu een verzameling van kerken van overal ter wereld, die onder vele ‘koningen’ en ‘caesars’ leven, terwijl ze geen van hen aanbidden.

En dit is waarom veel christenen over de hele wereld het ontstaan van het niet-vestigen van een specifieke godsdienst baseren op deze uitspraak van Jezus zelf.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 8 februari 2014

De christen is rechtuit maar niet naïef (Mk. 11)


Genesis 41; Markus 11; Job 7; Romeinen 11
Het gesprek tussen Jezus en enkele van zijn tegenstanders, zoals verhaald in Markus 11:27-33, is een van de vreemdste van de vier evangeliën. Jezus ontwijkt hun cruciale vraag door er zelf een te stellen, een die ze om politieke redenen niet kunnen beantwoorden.

Waarom antwoordt Jezus niet rechtstreeks op de vraag? Klinkt dit niet een klein beetje als crisisdiplomatie, of slechter nog, een kleingeestig manoeuvre om macht of uit eigenbelang?

Aan de ene kant was de vraag van de hogepriesters, de wetgeleerden en leiders volkomen legitiem. Met welk gezag reinigt Jezus de tempelplaats, aanvaardt Hij de lofbetuigingen van ontelbare duizenden als Hij Jeruzalem wordt binnengeleid op een ezel, en predikt Hij met rotsvast vertrouwen? Hij kan niet bogen op de autoriteit van de rabbijnse scholen, ook niet van hen die hoge kerkelijke en politieke posities bekleden. Dus wat voor gezag is dit?

Hoe had Jezus kunnen antwoorden? Zou Hij beweren dat Hij deze dingen gewoon op eigen kracht deed, dan zou Hij aanmatigend en arrogant klinken. Hij kon geen passende aardse autoriteit noemen. Had Hij verklaard dat alles wat Hij zei en deed de woorden en daden van God waren, dan zouden ze een aanklacht voor godslastering kunnen starten. Het is niet voor de hand liggend welk oprecht antwoord Hij had kunnen geven dat hen tegelijk bevredigde en zijn eigen veiligheid garandeerde.

Dus zegt Jezus hen in feite dat Hij hun vraag zal beantwoorden als zij een van zijn vragen willen beantwoorden: ‘De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoordt Mij daarop’ (11:30). Zijn gesprekspartners wegen hun mogelijke antwoorden af op basis van politiek opportunisme.

Als ze zeggen ‘Uit de hemel’, zo denken ze, dan zal Hij hen veroordelen omdat ze geen discipelen van Johannes werden. Erger nog, ze kunnen er niet naast kijken dat dit ook een valstrik is voor het antwoord op hun eigen vraag. Want uiteindelijk wees Johannes de Doper naar Jezus.

Als ze erkennen dat Johannes’ dienst een hemelse verankering heeft, en Johannes wijst op Jezus, dan heeft Jezus wel degelijk hun vraag beantwoord; want ook zijn dienst moet dan de goedkeuring van de hemel wegdragen. Maar als ze zeggen ‘Uit de mensen’, dan lijden ze gezichtsverlies bij het volk dat Johannes hoogacht. Dus zeggen ze niets en verliezen ze hun recht op een antwoord van Jezus (11:31).

Twee pastorale implicaties volgen uit dit gesprek.

De eerste is dat sommige mensen niet tot Jezus’ ware identiteit en dienst kunnen doordringen, zelfs wanneer ze indringende vragen lijken te stellen, omdat hun mening in werkelijkheid al vastligt en het enige waar ze echt naar zoeken munitie is om Hem te treffen.

De tweede is dat een wijs antwoord soms een indirect antwoord is dat valstrikken vermijdt en ondertussen de tweeslachtige perversiteit van de gesprekspartner aan het licht brengt. Terwijl christenen normaal duidelijk moeten zijn, mogen we ook nooit naïef zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 februari 2014

Neem je kruis op (Mk. 8)


Genesis 38; Markus 8; Job 4; Romeinen 8
Daarnaar gevraagd, belijden de discipelen wie Jezus is (Markus 8:27-30). Christus is de Griekse vorm voor Messias, wat een Hebreeuwse achtergrond heeft. Deze belijdenis is de aanzet voor een stroom aan nieuwe openbaringen van de Heer Jezus (8:31-38).

Nu leert Hij ‘dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan’ (8:31). En zoals Markus aangeeft, sprak Jezus dit woord ‘vrijuit’ (8:32). Blijkbaar was vroegere commentaar rond dit onderwerp nog veel meer omfloerst.

Wij die aan deze zijde van het kruis leven kunnen gemakkelijk een beetje neerbuigend doen over Petrus’ reactie en vermaning van de Meester (8:32). Vanuit Petrus’ gezichtspunt moest Jezus wel verkeerd zijn op dit punt. Want uiteindelijk worden messiassen toch niet omgebracht: ze winnen.

En hoe kon een door God gezalfde en wonderen verrichtende Messias als Jezus nu verliezen? Petrus had het bij het verkeerde eind, natuurlijk. En hij zat er goed naast. Want zelfs de discipelen hadden nog niet begrepen dat Jezus de Messias tegelijk de overwinnende Koning en de lijdende Knecht was.

Maar er zou nog meer volgen. Niet alleen verklaarde Jezus dat Hijzelf zou lijden en sterven en weer opstaan, maar Hij verklaarde ook wat elk van zijn volgelingen moest doen: ‘zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen’ (8:34).

Voor een eerste-eeuws oor was dergelijke taal schokkend. ‘Je kruis opnemen’ betekende niet iets als tandpijn doorstaan, jobverlies of een persoonlijke handicap. Kruisiging werd wereldwijd beschouwd als de meest barbaarse van alle Romeinse executievormen, waar je in welopgevoede kringen nauwelijks over mocht spreken.

De veroordeelde misdadiger ‘nam zijn kruis op’, d.w.z.: hij nam de dwarsbalk van het kruis op en droeg die naar de plaats van terechtstelling. Als het je lot was je kruis op te nemen, dan was er geen hoop voor je. Er restte alleen een schandelijke en uiterst pijnlijke dood.

Maar dat is wel de taal die Jezus gebruikt. Want wat al zijn discipelen moeten leren is, dat een volgeling van Jezus zijn met zich mee brengt dat je je eigenbelang op een pijnlijke manier aan de kant zet en je onverdeeld toewijdt aan Jezus’ belangen.

Maar Jezus’ onverbloemde taal is geen uitnodiging tot geestelijk masochisme, maar een uitnodiging tot leven en overvloed. Want het is een vaste regel van het koninkrijk dat zelfgerichtheid uitmondt in dood, terwijl ‘ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil’, het zal ‘behouden’ (8:35).

Slechts voor enkelen zal deze toewijding ook het verlies van hun fysieke leven met zich mee brengen; voor elk van ons betekent het wel dood aan het zelf en discipelschap tegenover Jezus. En dit behelst ook een blijmoedige belijdenis van Jezus en een principiële weigering om ons voor Jezus en zijn woorden te schamen in deze overspelige en zondige generatie (8:38).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 februari 2014

Traditie in goede en slechte zin (Mk. 7)


Genesis 37; Markus 7; Job 3; Romeinen 7
Veel mensen uit protestantse kring staan wantrouwig tegenover ‘tradities’. In de populaire polemiek hebben protestanten de rooms-katholieken vaak afgeschilderd als mensen die de Bijbel omarmen plus tradities, terwijl wijzelf dan gewoon aan de Bijbel vasthouden. Diverse zaken vragen om verduidelijking voor we goed kunnen begrijpen wat Markus 7 over tradities zegt.

De eerste is een historische opmerking. Er is heel sterk bewijs dat de rooms-katholieke kerk tot aan de reformatie het scherp omlijnde verschil nog niet had geformuleerd dat opgeld deed na de reformatie.

Zelfs toen de katholieke kerk op de proppen kwam met behoorlijk vernieuwende leerstellingen, deed ze verwoede pogingen om die leer toch op een bepaalde manier met de Schrift te verbinden, soms via een reeks gevolgtrekkingen.

Maar geconfronteerd met het 'Sola Scriptura' (‘alleen de Schrift’) van de reformatie, pleitte de katholieke kerk voor een visie op openbaring die benadrukte dat de waarheid in bewaring was gegeven aan de kerk zelf. Deel daarvan werd dan gevormd door de weergave die we vinden in de heilige Schrift zelf, en een ander deel lag in andere tradities die de kerk bewaakte en doorgaf. In dergelijke formulering wordt traditie boven de Schrift gesteld als iets bijkomend.

Dit brengt ons bij de tweede opmerking, een die de tekst van het Nieuwe Testament raakt. Hier zie je hoe het woord 'traditie' [overlevering, JL] of 'tradities' ofwel in een positieve of een negatieve betekenis wordt gebruikt.

Het woord 'traditie' verwijst eenvoudigweg naar hetgeen wordt overgeleverd. Als hetgeen wordt overgeleverd ‘apostolische leer’ is, dan zijn tradities een zeer goede zaak (bijv. 1 Kor. 11:2); als hetgeen wordt overgeleverd conflicteert met wat God zegt, dan zijn 'tradities' niet nuttig en zelfs gevaarlijk (zoals hier in Markus 7).

Dit onderscheid tussen verschillende soorten 'traditie' is niet hetzelfde als wat vandaag meestal wordt gemaakt. We onderscheiden tradities die intrinsiek neutraal zijn maar niettemin behulpzaam in het bouwen van gezinnen of gemeenschappen – familietradities of interessante culturele of kerkelijke tradities – en daarnaast de tradities die repressief zijn, restrictief of verstikkend.

Kortom, we maken onderscheid op basis van het sociale effect van tradities, niet op basis van hun waarheidsgehalte. Maar in het Nieuwe Testament worden tradities niet geprezen of bekritiseerd op basis van hun sociale functie, maar in het licht van hun conformiteit aan of afwijken van het Woord van God.

Hier in Markus 7:3 zijn de tradities die Jezus veroordeelt, deze die mensen toelaten te omzeilen wat de Schrift duidelijk zegt.

Ten derde moeten we erkennen dat belijdende evangelicalen die in naam traditie schuwen ook soms tradities omarmen die feitelijk het Woord van God aan banden leggen.

Dit kunnen traditionele uitleggingen van de Schrift zijn, of traditionele kerkelijke praktijken, of traditionele gedragsvormen die in onze kringen worden ‘toegestaan’ maar ver af staan van de heilige Schrift. In elk geval vereist trouw aan Christus dat we hervormd worden door het Woord van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 februari 2014

Niet tot inzicht gekomen en een verhard hart (Mk. 6)


Genesis 35-36; Markus 6; Job 2; Romeinen 6
In Markus’ verslag van de spijziging van de vijfduizend en van Jezus’ daaropvolgende wandelen op het water (Markus 6), vind je een klein zijpad dat aanleiding geeft tot interessante bespiegelingen. Zodra Jezus midden de storm in de boot klom, ging de wind helemaal liggen.

Markus verhaalt vervolgens hoe de discipelen ‘innerlijk bovenmate ontsteld’ waren, ‘want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard’ (6:51-52).

De eerste opmerking is de meest voor de hand liggende: de verbazing van de discipelen verraadt het eenvoudige feit dat ze maar heel weinig nagedacht hebben over het spectaculaire wonder dat Jezus slechts enkele uren daarvoor verrichtte.

Op het eerste gezicht zou de persoon die de natuur dermate beheerst dat Hij in staat is om met een paar resten voedsel duizenden mensen te voeden, ongetwijfeld de natuur voldoende moeten beheersen om een storm te kunnen laten ophouden.

Maar voor we te zelfvoldaan worden in ons oordeel over de discipelen, moeten we wel bedenken hoe snel wij de genadebewijzen van de Heer in onze eigen levens vergeten, en we ronduit (en met het schaamrood op de wangen) verrast reageren wanneer Hij weeral eens ingrijpt.

De tweede opmerking ligt wat dieper. Als Jezus werkelijk de beloofde Messias is, als Hij alle macht bezit die Hij al tentoonspreidde, kan een weldenkend discipel dan nog denken dat Hij de controle verliest?

Kan enig weldenkend lid van de twaalven zich voorstellen dat dit soort Messias discipelen achter zich zou kunnen roepen, om ze vervolgens allemaal te verliezen in een bootongeval? Niet dat ik suggereer dat er vandaag geen ongevallen kunnen gebeuren met volgelingen van Jezus.

Natuurlijk kan dat – dit is een gevallen wereld en Jezus’ volgelingen worden niet uitgesloten van alle tragische en wrede verwikkelingen die zijn gevallen toestand met zich meebrengt. Maar zelfs wij moeten leren in moeilijke en beangstigende omstandigheden op Gods wijze voorzienigheid te vertrouwen.

Hier moeten de discipelen zeker nog iets meer leren – hun eigen specifieke dienst als de dichtste kring van discipelen is zo intens verbonden met de bediening van Jezus, dat het ondenkbaar is dat ze zomaar ‘in een ongeval’ omkomen.

En ten derde kun je niet anders dan nadenken over Markus’ conclusie, dat hun harten 'verhard' waren. Dit betekent niet dat ze dom waren. Het betekent ook niet dat, hoewel hun verstand in orde was, hun gevoelens tweeslachtig waren, alsof 'hart' alleen maar verwijst naar het centrum van onze gevoelens.

In de symboliek van de Bijbelse antropologie, verwijst het begrip 'hart' naar de zetel van de menselijke persoonlijkheid, niet te ver verwijderd van wat wij bedoelen met 'verstand' (hoewel dit misschien te strikt cerebraal is).

Hun volledige oriëntatie was nog altijd te beperkt, teveel gefocust op de ervaring van hun angsten, te gelimiteerd door hun onvermogen door te dringen tot het volle mysterie van wie Jezus is en waarom Hij kwam.

Aan deze zijde van het kruis en de opstanding, gelden voor ons nog minder excuses dan voor hen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 februari 2014

Een goede bodem brengt vrucht voort (Mk. 4)


Genesis 33; Markus 4; Esther 9-10; Romeinen 4

De zogenaamde gelijkenis van de zaaier (Markus 4:1-20) kan misschien beter de gelijkenis van de bodems worden genoemd worden, want het variabel element dat de gelijkenis leven en diepte geeft is de afwisseling in het land waarop het zaad wordt uitgestrooid.

Omdat Jezus de verklaring geeft van zijn eigen verhaal, zou er geen twijfel mogen zijn over de punten waarop de meeste nadruk ligt. Het zaad is het ‘woord’, d.i. het Woord van God, dat hier overeenkomt met het evangelie, het goede nieuws van het koninkrijk. Zoals een landbouwer zaad met de hand uitstrooit in de antieke wereld, wordt dit woord ook breed uitgestrooid.

Onvermijdelijk valt er wat van het zaad op een bodem die om een of andere reden ondoordringbaar is: mogelijk komt het door het aangestampte vuil van het pad, of mogelijk komen er vogels die het zaad opeten voor het zich in de grond kan inwerken en ontkiemen, of mogelijk groeit het in de schaduw van doornstruiken die er het leven uit knijpen, of mogelijk ontkiemt het in losse grond met rotsachtige kalksteenbodem net onder het oppervlak. In dit laatste geval kunnen de wortels niet zeer diep gaan om het noodzakelijke vocht op te nemen.

De parallellen met de manier waarop mensen het woord horen liggen voor de hand. Sommigen zijn hard en stoten elk woord dat binnenkomt af. Anderen zijn snel afgeleid door de speeltjes die satan snel tevoorschijn haalt; anderen ondervinden dat zorgen en rijkdom [in het Engels ‘worries and wealth, the terrible Ws’, dus de ‘vreselijke W’s’] alle belangstelling voor geestelijke zaken versmachten. Weer anderen horen het woord met vreugde aan en lijken het meest belovend van de oogst, maar ze ontwikkelen nooit de diepe wortels die nodig zijn om in leven te kunnen blijven. Maar dank God voor de bodem die vrucht voortbrengt, soms zelfs in overvloed.

Zoveel is al duidelijk. Maar twee andere kenmerken van deze gelijkenis verdienen onze verdere aandacht.

Het eerste is dat deze gelijkenis, zoals zoveel andere, de wijdverspreide visie bijstelt dat wanneer de Messias komt, er meteen een climax komt, een definitieve breuk: de schuldigen en onreinen zouden dan allen worden veroordeeld, en de rechtvaardigen en reinen zouden genieten van een transformerende heerschappij. Dit is hoe het uiteindelijke koninkrijk er zou uitzien.

Maar Jezus schetst de komst van het koninkrijk toch een beetje anders. In de gelijkenis van het mosterdzaad (4:30-32) bijvoorbeeld, is het koninkrijk als een boom die klein begint en tot iets aanzienlijks uitgroeit; hier is sprake van groei en niet van een apocalyptische climax. Zo ook bij de gelijkenis van de zaaier: voorlopig zal het woord breed worden uitgestrooid, en mensen zullen er verschillend op reageren, met zeer uiteenlopende opbrengsten tot gevolg.

Het tweede is dat niet allen van hen die aanvankelijk tekenen van leven van het koninkrijk vertonen, ook werkelijk wortel schieten en vrucht voortbrengen. Die waarheid verdient bezinning en roept ons op tot zelfonderzoek.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 januari 2014

Gigantische veranderingen op komst (Mk. 2)

Genesis 31, Markus 2, Esther 7, Romeinen 2

De 3 meest gebruikelijke godsdienstige handelingen voor veel Joden waren gebed, vasten en het geven van aalmoezen (d.i. geld geven aan de armen). Dus toen Jezus’ discipelen een beetje onverschillig leken rond dit tweede punt, moest dit wel vragen oproepen. De farizeeën vastten en de discipelen van Johannes de Doper vastten. Maar vasten was niet karakteristiek voor Jezus’ discipelen. Waarom niet? (Markus 2:18-22)

Jezus’ antwoord wekt verbazing: ‘En Jezus zeide tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage’ (2:19-20).

Hier is dan Jezus, uitermate zelfbewust, zich goed bewust dat Hij zelf de messiaanse Bruidegom is, en dat in zijn onmiddellijke tegenwoordigheid vreugde de gepaste reactie is. Het koninkrijk was op komst, de koning was al aanwezig, de dag van de beloofde zegeningen brak aan. Dit was niet een tijd voor verdriet, waar het vasten een teken van was.

Maar toen Jezus doorging met spreken over de bruidegom die zou worden weggenomen van zijn discipelen, en dat deze gebeurtenis rouw zou brengen, dan valt het zeer te betwijfelen of iemand op dat ogenblik de betekenis van de uitspraak kon vatten.

Uiteindelijk zou er bij de komst van de Messias toch gerechtigheid zijn en de triomf van God? Wie kon er nu spreken over de Messias die zou worden weggenomen? De volledige analogie van de bruidegom werd wazig.

Maar na Jezus’ dood en opstanding, na zijn verhoging tot de heerlijkheid, en na de belofte van zijn wederkomst aan de voleinding van de eeuw, zouden de stukjes in elkaar passen. De discipelen zouden uitgesproken droefheid ervaren gedurende de drie dagen van het graf, voor Jezus’ glorieuze opstanding hun wanhoop voor altijd zou wegvegen.

En in een afgezwakte zin, zouden Jezus’ discipelen periodes van lijden ervaren die dagen van vasten zouden oproepen als ze te maken zouden krijgen met de aanvallen van de boze, terwijl ze wachtten op de gezegende wederkomst van hun Meester.

Maar nu nog niet. Op dit moment waren smart en vasten ronduit ongepast. De beloofde Messias, de hemelse bruidegom, was onder hen.

De waarheid is, zegt Jezus, dat met de komst van het koninkrijk, de traditionele levensstructuren en godsdienstige vormen zouden veranderen. Het zou ongepast zijn om het nieuwe op het oude te enten, alsof het oude de ondersteunende structuur vormt – net zo goed als het ongepast is om een grote scheur in een oud kleed te herstellen met een nieuw, ongekrompen stuk stof, of om oude en broze wijnzakken te gebruiken om nieuwe wijn te bevatten die nog aan het gisten is: de vrijkomende gassen zullen de oude zakken ongetwijfeld doen barsten.

Het oude is niet de ondersteuning voor het nieuwe; het verwijst er naar, bereidt er op voor, en ruimt dan baan. Zo bereidt Jezus zijn discipelen voor op de gigantische veranderingen die op komst waren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 23 juli 2013

En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand (Mk. 5)


Richteren 6; Handelingen 10; Jeremia 19; Markus 5
De genezing van de man uit het land van de Gerasenen die bezeten was door een ‘legioen’ demonen (Mk. 5:1-20) vraagt op veel punten om uitleg en overdenking. We pikken er zes uit:

(1) De omgeving is heidens gebied aan de oostkant van het Meer van Galilea, in de regio van de Dekapolis (5:20), de tien steden met grotendeels heidenen. Dit punt is zelfs duidelijk vanwege de kudde varkens, die geen zichzelf respecterende Jood zou houden.

(2) De arme man die in deze verzen wordt beschreven leed onder een bepaald soort terugkerende aanvallen. Bij momenten was hij voldoende tam om hem te ketenen, maar dan werd de aanval weer zo ontzettend sterk dat hij de ketenen aan stukken trok om zich te bevrijden. Van huis en haard verstoten, leefde hij bij de graven, waar hij schreeuwde en zichzelf pijnigde, een man die door demonische machten zieltogend ten onder gaat (5:5).

We mogen niet veronderstellen dat elke zaak van wat we vandaag krankzinnigheid noemen het resultaat is van demonische activiteit; evenmin mogen we het reductionisme aannemen dat alle demonie herleidt tot chemische onevenwichten in de hersenen.

(3) De woorden tot Jezus (5:6-8) komen van de lippen van de man, maar zijn het product van de ‘onreine geest’. Deze geest weet voldoende om (a) te erkennen wie Jezus is, en (b) om te leven met de vreselijke verwachting van de ultieme verdoemenis die hem wacht.

(4) De conversatie tussen Jezus en de ‘onreine geest’ bevat twee elementen die we niet vinden in andere gevallen van exorcisme in de canonieke evangeliën.

Ten eerste suggereert het vreemde samenspel tussen de enkelvouds- en meervoudsvorm – ‘Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk’ – een ambiguïteit in bepaalde demonische activiteit. Zoals Jezus elders duidelijk maakt is een meervoudige invasie door onreine geesten bovendien een ‘ergere’ toestand die te allen prijze moet vermeden worden (Mt. 12:45).

Ten tweede willen deze demonen het gebied niet verlaten en willen ze toch in een lichaam huizen (5:10, 12). Jezus staat beide verzoeken toe. Wellicht weerspiegelt dit deels het feit dat het finale tijdstip voor hun verderf nog niet gekomen is.

(5) Terwijl het essentieel is om Jezus’ absolute meesterschap over deze boze geesten te erkennen, moet je eraan toevoegen dat Hij niet elk van deze geesten een voor een oproept, hen benadert met hun naam, in gesprek met ze gaat, of tal van andere zaken doet die vandaag in de praktijk gebracht worden door hen die zich wijden aan ‘bevrijdingsbedieningen’.

(6) De reacties op deze bevrijding zijn opmerkelijk. De bevrijde man wil Jezus volgen en krijgt de opdracht te getuigen, in zijn heidense wereld, over hoeveel de Heer voor hem gedaan heeft en hoe Hij hem erbarming betoond heeft (5:18-20). De mensen uit het gebied smeken Jezus om weg te gaan (5:17): ze verkiezen varkens boven mensen, hun financiële zekerheid boven de transformatie van een leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 21 juli 2013

En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn … (Mk. 4)


Richteren 4; Handelingen 8; Jeremia 17; Markus 3

Onder de kinderliedjes die ik als kind leerde in de zondagschool had je ook deze twee:

These are the names of Jacob’s sons:
Gad, and Asher, and Simeon,
Reuben, Issachar, Levi,
Judah, Dan, and Naphtali—
Twelve in all, but never a twin—
Zebulun, Joseph, and Benjamin.
Dit zijn de namen van Jakobs zonen:
Gad, en Aser, en Simeon,
Ruben, Issachar, Levi,
Juda, Dan, en Naftali –
Twaalf in totaal, maar nooit een tweeling-
Zebulon, Jozef, en Benjamin.

There were twelve disciples Jesus called to help him:
Simon Peter, Andrew, James, his brother John,
Philip, Thomas, Matthew, James the son of Alphaeus,
Thaddaeus, Simon, Judas, and Bartholomew.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples, I am one, and you.
He has called us, too; he has called us, too!
We are his disciples; we his work must do.

Er waren twaalf discipelen die Jezus riep om Hem te helpen:
Simon Petrus, Andreas, Jakobus, diens broer Johannes,
Filippus, Thomas, Matteüs, Jakobus de zoon van Alfeüs,
Taddeüs, Simon, Judas en Bartolomeüs.
Hij heeft ook ons geroepen; Hij heeft ook ons geroepen!
Wij zijn Zijn discipelen; Zijn werk moeten wij doen.

Ik ben dankbaar dat ik werd opgevoed in een tijd waarin veel van de liederen die we leerden ons enige feiten, wat data, en een aantal redenen voor dingen bijbrachten. Veel christenen zouden vandaag noch de twaalf aartsvaders, noch de twaalf apostelen kunnen opnoemen, en zijn jammerlijk onwetend over heel wat andere elementaire gegevens die de minst geleerde zondagschoolstudent van een generatie terug al kende aan de leeftijd van zes of tien jaar. Natuurlijk maakt het louter beheersen van data je nog geen christen. Aan de andere kant: onwetendheid over de Schrift verzekert bijna altijd een pijnlijke onvolwassenheid.

Niettemin is het refrein van het tweede stukje dat ik hierboven citeer een beetje misleidend. Het is waar, we worden geroepen om discipelen te zijn van Jezus, d.w.z. volgelingen van Jezus. Dit is de roeping van elke christen. Maar toch waren er unieke elementen in de roeping van de twaalf apostelen (Mk. 3:13-19).

Ik vermeld er hier maar een: zij waren aangesteld ‘opdat zij met Hem zouden zijn’ (3:14). Dit was belangrijk om minstens twee redenen:

(a) Ze werden door Hem getraind, en een belangrijk onderdeel van hun vorming was wat we vandaag ‘mentoraat’ zouden noemen – niet slechts het overbrengen van een boodschap en een opdracht, maar je mensen vormen door het goede voorbeeld en het principe te geven van hoe zij moesten leven.

(b) Deze twaalven waren in staat om te getuigen over de feiten met betrekking tot de Christus vanaf de eerste dagen van zijn openbare dienst. Petrus begreep het belang van dit punt (Hd. 1:21-22), want de openbaring van Jezus Christus was niet een bepaalde private mystieke ervaring, maar een unieke, historische gebeurtenis die getuigen vereiste.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 15 maart 2013

'De HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid' (Spr. 2)


Exodus 26; Johannes 5; Spreuken 2; Galaten 1

Misschien is het nergens duidelijker dan in Spreuken 2 dat het tegenovergestelde voor Oudtestamentische wijsheid zonde is.

Salomo spreekt tot zijn ‘zoon’ – mogelijk zijn onmiddellijke zoon en erfgenaam voor de troon, of eventueel een meer algemene verwijzing. Salomo wil dat deze zoon zijn vaders geboden ‘bewaart’ (of ‘opbergt’, HSV), dat hij met zijn oor de wijsheid opmerkt en zijn hart neigt tot verstandigheid (2:1-2). Als dit zijn passie is, (zo zegt Salomo hem), dan ‘zult gij de vreze des HEREN verstaan en de kennis Gods vinden. Want de HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid’ (2:5-6).

Dergelijk nastreven van wijsheid zal een persoon niet sluw of slim maken in de zin van gewiekst. Verre van: ‘Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook rechtschapenheid, elke goede weg. Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal voor uw ziel liefelijk zijn; bedachtzaamheid zal over u waken, verstandigheid zal u behoeden, om u te redden van de boze weg, van de man die verkeerde dingen spreekt’ (2:9-12).

We moeten eens nadenken over een dergelijk begrip van wijsheid. De cynicus zou neerbuigend kunnen zeggen dat deze visie op wijsheid te klein is. Het is niets dan de kleingeestige vooruitgang van religieuze mensen. Ware wijsheid in onze wereld wordt vaak verbonden met die soort ‘sofisticering’ die makkelijk en met even weinig toewijding meekomt met secularisten, christenen, boeddhisten, moslims en heidenen – waarbij het van allemaal een beetje neemt en andere dingen verwerpt, allemaal in de naam van een kosmopolitische wijsheid.

Aan de andere kant kan wijsheid gelinkt worden aan die bepaalde ‘mensenkennis’ die je in staat stelt om een grote onderneming te runnen en het te maken in de zakenwereld of de kunstwereld. Het heeft zeker niet noodzakelijk iets te maken met religie.

Niet dat we ook maar een ogenblik gaven als ‘mensenkennis’ verachten. Maar op zichzelf zou dergelijke ‘wijsheid’ op de manier zoals de Bijbel het ziet, beoordeeld worden als zuivere dwaasheid. Welk voordeel ligt er, vanuit Gods gezichtspunt, in het krijgen van complimenten van een cultuur die God veracht? Vraagt Jezus niet ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden? Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?’ (Markus 8:36-37).

Indien dit Gods universum is, als Hij onze Schepper en Rechter is, waarom ook ter wereld (of daarboven in dit geval!) zou ook maar iets als ‘wijs’ bestempeld worden dat Hem negeert? Hoeveel te minder mag het ‘wijs’ genoemd worden als het zich overgeeft aan daden of gedragingen die door Hem verboden worden?

Verre van dat de Oudtestamentische wijsheid te beperkt zou zijn of te religieus, voor de christen die de levende God kent, want voor hem is het de enige zinvolle visie op wijsheid. Elk ander standpunt is noodzakelijkerwijs eerder bedroevend en vaak ook louter eigenbelang.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 14 oktober 2012

Een snapshot van team Paulus (Kol. 4)

1 Koningen 17, Kolossenzen 4, Ezechiël 47, Psalm 103
Hier en daar vangen we in het Nieuwe Testament plots een glimp op van groepen christen mensen. Romeinen 16 biedt ons een dergelijke snapshot, en Kolossenzen 4:7-18 toont ons een andere. De mannen en vrouwen die kort voorgesteld worden leefden volledige, complexe en onderling verbonden levens, waarover we bijna niets weten. Maar ze zijn onze broers en zusters in Christus; ze kregen te maken met vervolgingen, overwonnen uitdagingen, kweten zich van heel diverse taken, en speelden hun rol in verschillende geledingen van de maatschappij. De glimpen die ons hier worden gegeven vuren onze verbeelding aan; onze vollere nieuwsgierigheid zal pas in de hemel bevredigd worden.

Een paar opmerkingen kunnen een aanwijzing zijn voor een aantal dingen die we kunnen leren van de informatie die Paulus ons in zijn brief biedt.

(1) Paulus had een team van mensen die met hem werkten. Een van hun taken was heen en weer reizen tussen waar Paulus ook was en de kerken waarvoor hij zich verantwoordelijk voelde. Leggen we Paulus’ brieven naast Handelingen, dan is het vaak mogelijk om iets van hun voortdurende reizen in kaart te brengen. Hier zendt Paulus Tychikus naar de Kolossenzen met uitgesproken pastorale bedoelingen (4:7-8)

(2) De ‘Markus’ van 4:10 is bijna zeker Johannes Markus, en de auteur van het tweede Evangelie. Hier wordt hij geïdentificeerd als een verwant van Barnabas. Dit kan deels een verklaring zijn voor het dispuut tussen Barnabas en Paulus, of Markus een tweede kans zou moeten krijgen nadat hij zich terugtrok uit de eerste zendingsexpeditie (Handelingen 13:5, 13; 15:37-40). Zeker tegen het einde van Paulus’ dienst was Markus hersteld in de ogen van de apostel (2 Tim. 4:11).

(3) Onder Paulus’ medewerkers bevonden zich vaak zowel Joden als heidenen (4:11). Je hebt niet veel verbeelding nodig om je de uitdagingen en spanningen voor te stellen, net als de zegeningen en rijkdommen, die deze regeling met zich bracht.

(4) Epafras verschijnt als een geweldig model. Hij wordt de gelovigen in Kolosse voorgesteld als ‘die altijd voor u strijdt in de gebeden’. Wat hij bovenal bidt, is dat ze mogen vaststaan ‘volmaakt en volkomen’, ‘in heel de wil van God’ (4:12). Hoezeer heeft de gemeente van Christus vandaag gebedsstrijders nodig met een vergelijkbare focus!

(5) De ‘Lucas’ die vermeld wordt in 4:14 is bijna zeker de auteur van het Lucasevangelie en van Handelingen, en een heiden (aangezien hij in het heidens deel staat van deze opsomming, 4:11 e.v.). Dit maakt van hem de enige heidense schrijver van een Nieuwtestamentisch document. Demas wordt in één en dezelfde adem genoemd, maar hij is waarschijnlijk dezelfde die uiteindelijk de zending en het evangelie vaarwel zegt (2 Tim. 4:10). Een goed begin garandeert geen goed einde.

(6) Gemeentes in de eerste eeuw hadden geen eigen gebouwen. Gelovigen kwamen regelmatig bijeen in de huizen van hun rijkere leden. Nymfa uit Laodicea is een van de rijkere vrouwen uit een rijke stad, en de gemeente kwam bijeen in haar huis (4:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 5 mei 2012

De allerhoogste rijke jongeling gaf de allerhoogste rijkdom weg - raad eens waarom

En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder. Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af. En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, volg Mij. Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen. (Mk. 10:17-22)

'(...) heb je gemerkt wat Marcus schreeft toen Jezus met de rijke jongeling sprak: hij 'keek hem liefdevol aan' (NBV-vertaling). Waarom was Jezus' hart opeens vol van liefde? Jezus was uiteraard een liefdevol mens, maar het is zeldzaam dat in de beschrijving van het evangelie expliciet melding gemaakt wordt van zijn tederheid voor een specifiek iemand. Hield Jezus van hem vanwege zijn grote kwaliteiten? Was het om wat de man zei? Nee, ik denk het niet.

Jezus, die op dit moment ongeveer 31 jaar is, kijkt naar hem en identificeert zich met hem. Ook Jezus is een rijke jongeman, veel rijker dan deze man zich kan voorstellen. Jezus heeft van eeuwigheid af geleefd in onvoorstelbare glorie, rijkdom, liefde en vreugde van de drie-eenheid. Paulus zegt dat Jezus Christus rijk was, maar omwille van ons arm is geworden (2 Kor. 8:9).

"En ik word nog armer dan iemand ooit geweest is, zegt Jezus. Ik geef alles weg. Waarom? Om jou. En daarom moet jij alles weggeven om mij te volgen. Als ik mijn 'grote alles' heb weggegeven om jou te krijgen, kun jij je 'kleine alles' dan weggeven om mij te volgen? Ik vraag geen dingen van je die ik niet zelf al heb gedaan. Ik ben de allerhoogste rijke jongeling die de allerhoogste rijkdom weggegeven heeft om jou te krijgen. Nu moet jij die van jou weggeven om mij te krijgen"

Als je begrijpt dat Jezus de ware rijke jongeling is, dan gaat je houding tegenover geld veranderen. Dan ga je bijvoorbeeld niet meer uitzoeken hoeveel je moet weggeven; je gaat uitzoeken wat je kunt weggeven. (...)

De enige manier die ik ken om weerstand te bieden tegen de macht van geld in je leven, is om je blik gericht te houden op de allerhoogste rijke jongeling, die alles weggegeven heeft om naar jou toe te komen, om jou te redden, om jou lief te hebben.

Jezus zegt: "Mijn macht gaat altijd bij mensen vandaan die macht en geld liefhebben. Mijn macht is altjd op weg naar mensen die het weggeven, zoals ik." (...)'


Tim Keller in zijn boek 'Kruistocht - Het leven van koning Jezus', uitgeverij Van Wijnen, Franeker, pag. 164-165

Op de website van Friesch Dagblad lees je een recensie van 'Kruistocht' van Tim Keller.




zondag 12 februari 2012

‘Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!’ (Mk. 15)


Genesis 45, Markus 15, Job 11, Romeinen 15
In Markus 15 spreken mensen beter dan ze eigenlijk beseffen.
‘Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?’, vraagt Pilatus (15:12). Natuurlijk gebruikt hij die uitdrukking ‘de Koning der Joden’ met een zekere snerende minachting. Wanneer de menigte antwoordt met ‘Kruisig Hem!’ (15:13-14), dan denken zij die politieke motieven hebben dat dit het einde is van alweer iemand met messiaanse aanspraken. Zij weten niet dat deze koning moét sterven, dat zijn regering afhangt van zijn dood en dat Hij tegelijk Koning en Lijdende Knecht is.

De soldaten vlechten een doornenkroon in elkaar en duwen die hardhandig op zijn hoofd. Ze slaan en bespuwen Hem en vallen dan op hun knieën in een spottende verering, terwijl ze roepen ‘Wees gegroet, Gij Koning der Joden!’ (15:18). In feite is Hij meer dan de Koning der Joden (hoewel zeker niet minder). Op een dag zal elk van deze soldaten, met ieder ander, ook weer neerknielen voor de opgewekte man die ze bespot en gekruisigd hebben, en zullen ze belijden dat Hij Heer is (Fp. 2:9-11).

De voorbijgangers konden niet aan de drang weerstaan om verwijten te slingeren: ‘Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!’ (15:29-30). De onverschillige spot verborg de waarheid die ze niet konden zien: eerder had Jezus inderdaad geleerd dat Hijzelf de ware tempel was, het tegenbeeld van het gebouw in Jeruzalem, de ultieme ontmoetingsplaats tussen God en mensen (Joh. 2:19-22). Meer, Jezus had niet enkel benadrukt dat Hijzelf de tempel is, maar dat Hij dit is op grond van het feit dat deze tempel moet worden vernietigd en in drie dagen terug herrijzen. Had Hij ‘afgekomen’ van dat kruis en zichzelf gered, zoals zijn bespotters stelden, dan kon Hij niet de afgebroken en herrezen ‘tempel’ worden die mannen en vrouwen weer met God verzoent.
‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden’ (15:31). Weer mis – en ook weer correct. Dit is de man die vrijwillig naar het kruis gaat. (14:36; vgl. Joh. 10:18). Te zeggen dat Hij zichzelf niet ‘kàn’ redden, is dwaas beperkend. Maar Hij kon zichzelf niet redden én tegelijk anderen redden. Hij redt anderen door zichzelf niét te redden.

‘Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven’ (15:32). Maar in wat voor een Christus zouden ze in dat geval geloofd hebben? Een machtige koning, ongetwijfeld – maar niet de Redder, niet het Offer, niet de Lijdende Dienstknecht. Ze hadden niet lang in Hem kunnen geloven, want de basis voor die verandering in hen was precies gelegen in dat kruiswerk waarvan ze Hem smadend wilden afbrengen.
‘Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!’ (15:39). Ja, meer dan ze beseften.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

vrijdag 10 februari 2012

Met Gods ogen naar onze cultuur kijken (Mk. 13)


Genesis 43, Markus 13, Job 9, Romeinen 13

Christenen waren het vaak oneens over de precieze uitleg van Markus 13. Maar welke meningsverschillen ook opdoken, we kunnen niet naast het verbazingwekkende contrast kijken tussen de manier waarop de discipelen naar het tempelcomplex kijken en de manier waarop Jezus zelf dit doet.

De discipelen zijn onder de indruk van de stenen en gebouwen: ‘zie, welke stenen en welke gebouwen’ (13:1). Het is de architectuur, het product van de menselijke creativiteit en het menselijk vernuft, die hun aandacht trekt. Maar Jezus bekijkt het op een ander vlak. Hij staat stil bij de patronen van slechtheid in deze wereld, de valse religieuze aanspraken, de vervolging van zijn discipelen, het oordeel dat komt. Hij voorziet oordeel voor de stenen en het gebouw: ‘Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken’ (13:2). Het zal nog een goede veertig jaren duren eer deze voorzegging letterlijk wordt vervuld.

Dit gedeelte roept herinneringen op aan een ander. In Handelingen 17:16 e.v. bevindt Paulus zich in Athene. Zijn reactie op de stad is treffend. Lucas zegt niet dat Paulus onder de indruk was van de spectaculaire architectuur, van de geschiedenis van loutere wetenschap, van de literatuur die zijn inwoners hadden voortgebracht, of van de heerlijkheid van zijn erfgoed. Ver van dat. Paulus keek rond in deze eerbiedwaardige oude stad en zijn geest werd ‘in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was’ (17:16).

In geen van beide gevallen – noch in Jezus’ inschatting van Jeruzalem, noch in die van Paulus wat betreft Athene – was de analyse oppervlakkig. Beide keren rekende de evaluatie met zaken zoals ze er vanuit Gods perspectief uitzagen. Wie onder de indruk is van machtige bouwwerken en spectaculaire menselijke verwezenlijkingen doet er goed aan om het verslag van de torenbouw van Babel nog eens te overdenken (Gen. 11). Ongetwijfeld waren er toen ook sommigen onder de indruk van het bouwwerk. Maar God, die keek naar het menselijke hart en de redenen voor het gebouw, zag het als nog maar eens een staaltje van ondraaglijke eigendunk.

Op heel gelijklopende wijze worden wij er ook toe opgeroepen om onze cultuur te verstaan en te beoordelen vanuit Gods perspectief. Omdat mensen geschapen zijn naar het beeld van God, kunnen we veel doen dat waardevol en bewonderenswaardig is. Theologisch gesproken is dit het resultaat van ‘algemene genade’. Maar het is mogelijk om veel te veel onder de indruk te zijn van rijkdom, macht, architectuur, roem, wetenschap, fysieke moed of technologie, met als gevolg dat we niet meer verder nadenken over de morele en geestelijke dimensies van de wereld rondom ons. We kunnen de glorie zien en blind blijven voor de schande; we kunnen menselijke verwezenlijkingen zien en de onderliggende afgoderij verwaarlozen; kortom: we kunnen onder de indruk zijn van al wat indruk maakt op Gods gevallen beelddragers, maar tekortschieten in het beoordelen van deze werkelijkheden in het licht van het kruis en in het licht van de eeuwigheid. We zouden er veel beter aan doen om de voorbeelden van Jezus en Paulus te volgen.



Eigen vertaling van de overdenking bij 10 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding
Bron afbeelding 2

donderdag 9 februari 2012

Geef God wat van God is (Mk. 12)

Genesis 42, Markus 12, Job 8, Romeinen 12

Het gesprek tussen Jezus en sommige van zijn tegenstanders in Markus 12:13-17 is hoogst interessant. Markus zegt dat Jezus’ opponenten naar Hem toekwamen ‘om Hem op een woord te vangen’ (12:13). Ongetwijfeld is dit ook de reden dat ze begonnen met nogal minzaam gevlei over hoe principieel Hij wel is als leraar, vastbesloten om zich niet te laten beïnvloeden door de populaire opinie. Het is allemaal een val. ‘Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?’, vragen ze. ‘Zullen wij betalen of niet betalen?’ (12:14:15).

Ze dachten dat ze Hem te pakken hadden. Antwoordde Hij ‘Nee’, dan kreeg Hij last met de Romeinse autoriteiten. Zij zouden een populair religieus prediker in een onstabiel land als dit zeker niet zomaar laten begaan als die zou oproepen om geen belastingen te betalen. Misschien wachtte Jezus wel de doodstraf voor verraad. Maar zou Hij ‘Ja’ antwoorden, dan zou Hij het vertrouwen van het volk verliezen en zou daarmee ook zijn populariteit tanen. Veel Joden koesterden niet alleen de algemeen menselijke wrevel tegenover belastingen, maar hadden ook theologische bezwaren. Hoe kon een Jood die het nauw nam met zijn overtuigingen belastingen betalen als er op de munten een afbeelding stond van de keizer, dan nog niet gesproken over de munten die hem ook goddelijke titels toedichtten? Als Joden bovendien werkelijk oprecht waren, zou God dan niet neerdalen en zijn volk terug verlossen, deze keer van de Romeinse supermacht? Vraagt principiële trouw aan God niet dat je dan geen belastingen betaalt?

Welk antwoord Jezus ook gaf, Hij zou verliezen. Maar Hij weigert zich gewonnen te geven. In plaats daarvan vraagt Hij om een munt, vraagt wiens beeltenis er op voorkomt, en argumenteert dat het gerechtvaardigd is te geven aan Caesar wat van Caesar is en aan God wat van God is. Jezus ontsnapt zo netjes aan hun valstrik en zijn tegenstanders verwonderen zich.

Maar er zijn diverse toepassingslagen hier. Onder een strikte theocratie zouden Jezus’ woorden onsamenhangend zijn: de regering van God wordt uitgevoerd door de koning, zodat hun macht niet zo makkelijk van elkaar te onderscheiden valt. Bovendien was de structuur van het oude verbond op papier heel nauw verbonden met een theocratische regering. Maar hier kondigt Jezus aan dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen de aanspraken van Caesar en die van de levende God.

Natuurlijk betekent dit niet dat Caesars macht volledig losstaat van Gods macht, en ook niet dat God niet volledig voorzienig de controle zou behouden. Maar er valt moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat Jezus een fundamentele verandering aankondigt in de regering van de verbondsgemeenschap. Het punt voor die gemeenschap is niet langer een theocratisch koninkrijk; het is nu een gemeenschap van kerken van overal ter wereld, die leven onder vele ‘koningen’ en ‘caesars’ of ‘keizers’, terwijl ze geen van hen aanbidden. En dit is waarom overal in de wereld veel christenen, als ze doorheen de geschiedenis geen bepaalde godsdienst willen vestigen, dit herleiden naar deze uitspraak van de Heer Jezus zelf.
(vertaling laatste zin nog onduidelijk. Engels: And that is why many christians around the world trace the history of the non-establishment of a particular religion to this utterance of the Lord Jesus himself.)


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding