Posts tonen met het label vasten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vasten. Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2014

Gigantische veranderingen op komst (Mk. 2)

Genesis 31, Markus 2, Esther 7, Romeinen 2

De 3 meest gebruikelijke godsdienstige handelingen voor veel Joden waren gebed, vasten en het geven van aalmoezen (d.i. geld geven aan de armen). Dus toen Jezus’ discipelen een beetje onverschillig leken rond dit tweede punt, moest dit wel vragen oproepen. De farizeeën vastten en de discipelen van Johannes de Doper vastten. Maar vasten was niet karakteristiek voor Jezus’ discipelen. Waarom niet? (Markus 2:18-22)

Jezus’ antwoord wekt verbazing: ‘En Jezus zeide tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage’ (2:19-20).

Hier is dan Jezus, uitermate zelfbewust, zich goed bewust dat Hij zelf de messiaanse Bruidegom is, en dat in zijn onmiddellijke tegenwoordigheid vreugde de gepaste reactie is. Het koninkrijk was op komst, de koning was al aanwezig, de dag van de beloofde zegeningen brak aan. Dit was niet een tijd voor verdriet, waar het vasten een teken van was.

Maar toen Jezus doorging met spreken over de bruidegom die zou worden weggenomen van zijn discipelen, en dat deze gebeurtenis rouw zou brengen, dan valt het zeer te betwijfelen of iemand op dat ogenblik de betekenis van de uitspraak kon vatten.

Uiteindelijk zou er bij de komst van de Messias toch gerechtigheid zijn en de triomf van God? Wie kon er nu spreken over de Messias die zou worden weggenomen? De volledige analogie van de bruidegom werd wazig.

Maar na Jezus’ dood en opstanding, na zijn verhoging tot de heerlijkheid, en na de belofte van zijn wederkomst aan de voleinding van de eeuw, zouden de stukjes in elkaar passen. De discipelen zouden uitgesproken droefheid ervaren gedurende de drie dagen van het graf, voor Jezus’ glorieuze opstanding hun wanhoop voor altijd zou wegvegen.

En in een afgezwakte zin, zouden Jezus’ discipelen periodes van lijden ervaren die dagen van vasten zouden oproepen als ze te maken zouden krijgen met de aanvallen van de boze, terwijl ze wachtten op de gezegende wederkomst van hun Meester.

Maar nu nog niet. Op dit moment waren smart en vasten ronduit ongepast. De beloofde Messias, de hemelse bruidegom, was onder hen.

De waarheid is, zegt Jezus, dat met de komst van het koninkrijk, de traditionele levensstructuren en godsdienstige vormen zouden veranderen. Het zou ongepast zijn om het nieuwe op het oude te enten, alsof het oude de ondersteunende structuur vormt – net zo goed als het ongepast is om een grote scheur in een oud kleed te herstellen met een nieuw, ongekrompen stuk stof, of om oude en broze wijnzakken te gebruiken om nieuwe wijn te bevatten die nog aan het gisten is: de vrijkomende gassen zullen de oude zakken ongetwijfeld doen barsten.

Het oude is niet de ondersteuning voor het nieuwe; het verwijst er naar, bereidt er op voor, en ruimt dan baan. Zo bereidt Jezus zijn discipelen voor op de gigantische veranderingen die op komst waren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 januari 2014

Vrome daden kunnen in werkelijkheid net het tegenovergestelde zijn

Genesis 6, Matteüs 6, Ezra 6, Handelingen 6

De eerste drie delen van Matteüs 6 (dat zelf het centrale hoofdstuk vormt van de Bergrede) behandelen 3 fundamentele daden van vroomheid in het judaïsme: geven aan de behoeftigen (traditioneel ‘aalmoezen geven’ genoemd), gebed, en vasten (Matt. 6:1-18).

Het gemeenschappelijk verband is treffend: Jezus erkent hoe makkelijk het voor zondaars is om zich te engageren in waardevolle, menslievende en zelfs religieuze activiteiten, minder om te doen wat goed is dan om bewonderd te worden voor dit goed doen.

Als worden gezien als vrijgevig belangrijker is dan vrijgevig zijn, als een reputatie van bidder belangrijker is dan bidden wanneer alleen God je hoort, als vasten iets is waar we ons alleen aan wijden als we er slinks mogen over praten, dan worden deze vrome daden net het tegenovergestelde.

De beste manier om te ontdekken hoe betrouwbaar we zijn op elk van deze terreinen is om die daden zo in het verborgen te doen dat niemand behalve God er van weet. Dus wees vrijgevig, maar vertel niemand wat je geeft (6:1-4). Sta erop dat zelfs de ontvangers er discretie over bewaren. Bid veel meer in het verborgen dan je dit publiek doet (6:5-8). En alsjeblieft, vast – maar vertel het aan niemand (6:16-18).

Voor het middelste punt van deze drie traditionele vroomheidsdaden is er een verdere test: onderneem geen pogingen om je hemelse Vader vergeving te vragen als je zelf onwillig bent om te vergeven (6:14-15).

Bij elk van deze drie traditionele vroomheidsdaden wordt het ware christelijke leven gekenmerkt door een eenvoudig maar oprecht verlangen om God te behagen, en niet door de drang naar uiterlijk vertoon, die er in werkelijkheid meer belang aan hecht om bij anderen de indruk te wekken dat we God behagen.

De laatste twee delen van het hoofdstuk gaan voort met het onderzoeken van onze diepste motieven.

(1) In het eerste deel draagt Jezus ons op om schatten te verzamelen in de hemel, want onze harten zullen onvermijdelijk naar onze schatten uitgaan. Wat we uiteindelijk kostbaar achten zal aan onze ‘harten’ trekken – onze beroemdheden, onze dromen, onze tijd, onze verbeelding, wie we diep van binnen zijn – en we zullen ze najagen.

Dat ding wordt onze God. Als hetgeen we waardevol achten louter materieel is, is materialisme onze god. Maar als alles wat we koesteren het meest behoort tot de eeuwige sfeer, dan zal ons hele wezen najagen wat van eeuwigheidswaarde is.

(2) In het tweede deel vertelt Jezus ons dat een oprechte en trouwe relatie met God weigert om zich over te geven aan eindeloze, nodeloze bezorgdheid. We kunnen God vertrouwen – zijn wijsheid, zijn goedheid, zijn voorzienige beschikkingen – zelfs in deze gebroken, boze wereld. Hem niet vertrouwen verraadt het heidense karakter van onze harten.

Kortom: zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid (6:33).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 juni 2013

Is dit niet het vasten dat Ik verkies? (Jes. 58)


Deuteronomium 31; Psalm 119:97-120; Jesaja 58; Matteüs 6

Hoe vaak misleiden we als mensen toch onszelf als het gaat over religieuze zaken. Zoveel dingen die beginnen als bonus voor bekering en godsvrucht ontwikkelen zich tot boosaardige afgoden. Wat begint als een hulpmiddel naar heiligheid eindigt als de driedubbele val naar wetticisme, eigengerechtigheid en bijgeloof.

Zo ging het met de koperen slang in de woestijn. Hoewel ze bevolen en gebruikt werd door God (Num. 21:4-9), werd ze later een dermate religieus onding dat Hizkia ze vernietigde (2 Kon. 18:4).

Zo gaat het soms ook met andere vormen van religieuze inachtneming of geestelijke discipline. Je kunt met een fijn doel en om goede redenen starten met het bijhouden van een ‘geestelijk dagboek’ als een discipline die bijdraagt tot eerlijkheid en zelfonderzoek, maar dit kan gemakkelijk afglijden naar de driedubbele val:

(a) in je gedachten beschouw je het bijhouden van je dagboek in die mate als een duidelijk bewijs van je persoonlijke groei en trouw aan Christus, dat je neerkijkt op wie zich niet aan dezelfde discipline wijdt, en je geeft jezelf een schouderklopje elke dag je de praktijk volhoudt (wetticisme);

(b) je begint te denken dat alleen de meest volwassen heiligen geestelijke dagboeken bijhouden, dus ga je in vakjes indelen – en je kent nogal wat mensen zonder dagboek (eigengerechtigheid);

(c) Je begint te denken dat er iets in de daad zelf aanwezig is, of in het papier, of in het schrijven, dat een noodzakelijk middel tot genade is, een speciaal kanaal van goddelijk welbehagen of waarheid (bijgeloof).

Dit is het moment om je dagboek weg te gooien.

Het is duidelijk dat vasten een vergelijkbare valstrik kan worden. De eerste vijf verzen van Jesaja 58 brengen het verkeerde soort vasten aan het licht en veroordelen het, terwijl de verzen 6-12 het soort vasten beschrijven dat God behaagt. Het eerste is verbonden met hypocrisie. Mensen houden hun vastentijden, maar maken ruzie in de familie (58:4). Hun vasten verhindert niet dat ze hun arbeiders uitbuiten (58:3b).

Deze religieuze mensen worden rusteloos: ‘We probeerden het vasten’, zeggen ze, ‘maar het bleek niet te werken’ (58:3). Oppervlakkig bekeken lijken ze honger te hebben naar God en zijn wegen (58:2). Maar de waarheid is dat ze het vasten beginnen te zien alsof het een beetje magie was: omdat ik gevast heb, moet God me zegenen. Dergelijk denken is zowel vreselijk triest als verschrikkelijk zondig.

Het vasten dat God behaagt, daarentegen, wordt gekenmerkt door oprecht berouw (58:6-12). Niet alleen keert het zich af van eigen genotzucht, maar het deelt ook actief uit aan de armen (58:7), en het streeft er doelbewust naar ‘de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken’ (58:6), en ‘het spreken van boosheid’ na te laten (58:9). Dit is het vasten dat Gods zegen wegdraagt (58:8-12).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 28 mei 2012

'Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen' (Ps. 81)


Deuteronomium 1, Psalmen 81-82, Jesaja 29, 3 Johannes

‘Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen’ (Ps. 81:11): de symboliek is duidelijk. God is volkomen welwillend en in staat om al onze diepste noden en verlangens te vervullen. Impliciet is het probleem dat wij zelfs onze monden niet openen om te genieten van het voedsel dat Hij voorziet. De symboliek keert terug in de laatste verzen: terwijl de zondaars eeuwigdurende pijn te verduren krijgen, staat er van de overigen: ‘Hij zou hen gespijzigd hebben met het vette der tarwe, ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rots’ (81:17).

Natuurlijk spreekt God over meer dan fysiek voedsel (en zeker niet over minder). De setting komt vaker voor, zowel in de Psalmen als in de verhalende delen van de Pentateuch. Genadig en op wonderlijke wijze redde God zijn volk uit de slavernij van Egypte, in antwoord op hun eigen noodkreten.
‘Ik heb zijn schouder van de last ontheven’, zegt God ‘in de benauwdheid riept gij en Ik redde u’ (81:7-8). Dan komt het gedeelte dat leidt tot de zin die we aanhaalden aan het begin van deze overdenking:

Hoor mijn volk, Ik wil u vermanen,
o Israël, of gij naar Mij hoordet!
Geen vreemde god zal onder u zijn,
gij zult u niet nederbuigen voor een uitlandse god.
Ik, de HERE, ben uw God,
die u opvoerde uit het land Egypte;
doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen (81:9-11).

Historisch gezien was het antwoord van het volk natuurlijk teleurstellend: ‘Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël was onwillig tegen Mij’ (81:12). In dit geval werd hun niet de bevrediging beloofd die voorgesteld wordt door volle monden. Verre van. God zegt: ‘Daarom liet Ik hen gaan in de verstoktheid huns harten, zodat zij in hun eigen raadslagen wandelden (81:13).

Natuurlijk verandert de aard van de afgoderij, afhankelijk van het tijdperk. Onlangs las ik een paar zinnen van John Piper:
‘De grootste vijand voor de honger naar God is niet vergif maar appeltaart. Het is niet het feestmaal van de goddelozen dat ons verlangen naar de hemel verdooft, maar het eindeloos nuttigen van kleine snacks aan de tafel van de wereld. Niet de video voor boven de achttien, maar de onbenullige programma’s die we avond aan avond indrinken. Satan kan weliswaar veel kwaad uitrichten, maar wat ons werkelijk van Gods liefdemaal afhoudt, is een akker, een span ossen of een vrouw (Lukas 14:18-20).
De grootste vijand van onze liefde tot God zijn niet zijn vijanden, maar zijn gaven. En de dodelijkste begeerte is niet een verlangen naar het kwade, maar de eenvoudige geneugten des levens. Want wanneer deze de plaats innemen van een verlangen naar God zelf, hebben we nauwelijks door dat ze een afgod geworden zijn, laat staan dat we ons ervan afkeren.’ (Uit: Honger naar God, door John Piper, pag. 12, uitg. Gideon, 1997)

‘Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 6 februari 2011

De bruidegom is er, laat de nieuwe wijn vloeien!

Markus 2:18-22

De bruidegom is er!

De oproep om te vasten is meestal verbonden met rouw. Maar Jezus wil nu dat de toehoorders verstaan dat de tijd waarin ze nu gekomen zijn, een tijd is van vreugde. Jezus stelt zichzelf voor als een bruidegom temidden een huwelijksviering. Deze tijd van grote vreugde stelt zijn discipelen buiten het vasten van die tijd.

Jezus beloofde dat hij het doodskleed zou wegnemen dat over de volkeren lag en dat Hij de dood zou voorgoed overwinnen. Jezus en zijn discipelen nemen daarom niet deel aan het ritueel van rouw: de bruidegom is immers gekomen. Dit is geen tijd om te vasten, want de reden voor het vasten van de mens zal weldra voor altijd weggenomen worden. Dit is een tijd voor grote vreugde.

Maar er is ook een tijd van rouw op komst, zo maakt Jezus duidelijk. In vers 20 ziet Jezus al vooruit naar de tijd waarin de bruidegom zal weggenomen worden. DAN zullen zijn discipelen vasten. Dan zal er rouw zijn. Niet in een ritueel, maar in realiteit. Jezus verwijst hier naar het kruis.

Hoewel zijn aanwezigheid op dat moment een reden voor grote vreugde is, komt er een tijd in de toekomst dat zijn discipelen zullen rouwen, wanneer Hij de verschrikkelijke dood sterft die God in petto heeft voor de dienstknecht des Heren - aan het kruis.
Er is een tijdsperiode die op zijn einde loopt (Mk1:15), een andere vangt aan (Mk10:30).

Jezus versterkt de verwachting door nog twee gelijkenissen die hetzelfde punt duidelijk maken. De gelijkenis van de lap stof (vers 21) is een waarschuwing om niet te proberen om Jezus in het systeem van het Judaïsme, de oude Joodse godsdienst, te duwen – of zelfs nog maar in wat Johannes de doper heeft gebracht. Het OT en Johannes de doper wezen heen naar Jezus in al zijn nieuwheid.

Als je van Christus verwacht dat Hij zich zal aanpassen aan de praktijken van de joodse godsdienstigheid uit de eerste eeuw, dan is dat al even dwaas en ongepast als de pogingen om een nieuwe lap stof (die dus nog niet is gekrompen) op een oud kleed te gaan stikken. Jezus is niet gekomen om een oud kleed te verstellen. Deze menselijke godsdienst is eenvoudig deel van een gevallen wereld die God zal oprollen en weggooien (Ps. 102:26-28 + Hebr1:10-12 enz)

De gelijkenis van de nieuwe wijn maakt eenzelfde punt. De vreugde van de oogsttijd was een gebruikelijk profetisch symbool van de nieuwe tijd die eraan kwam. Ook het beeld van de nieuwe wijn was dat. Gods redding na het oordeel werd voorgesteld in beelden waarbij Israël opnieuw de vrucht van het land zou genieten, met daarbij ook de zegen van wijn (Hos.2:22). In Amos begint een gedeelte met net dezelfde woorden als de gelijkenis van de Heer. Zie Amos 9:13-14.

Wanneer deze nieuwe wijn begint van de heuvels te komen bij het aanbreken van de nieuwe tijd, is het volledige dwaasheid dat het zou in de oude zakken kunnen gegoten worden. Beide gelijkenissen spreken van de nieuwheid van datgene wat in de wereld zou komen met Jezus. Ze wijzen naar de dwaasheid om te pogen het oude en nieuwe samen te voegen.

Jezus komt niet om het Judaïsme te hervormen, Hij brengt iets volledig nieuws dat niet in het oude systeem kan ingepast worden. Jezus is niet gekomen om in een systeem te treden waarvan de regels en voorschriften enkel konden spreken van zonde, onreinheid, ziekte, rouw, vergankelijkheid en dood. De tegenstelling tussen dood en leven is fundamenteel, Hij brengt het leven.

Jezus wordt niet opgeslorpt door een religie van tranen. Hij is de bruidegom die de geweldige tijd van de feesten van de laatste dagen brengt, wanneer het rouwkleed voorgoed afgegooid wordt. Laat de nieuwe wijn vloeien!