Posts tonen met het label Jozef. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jozef. Alle posts tonen

dinsdag 17 december 2019

Beluister de lezing van Raymond Hausoul over "Jozef"

Op 13 december jl. gaf Raymond Hausoul in CC De Steiger in Menen een lezing in de reeks "Leven door geloof".
Zijn titel was dit keer "Jozef".

- Beluister de mp3 van R. Hausoul over "Jozef"


Audio vorige lezingen

- Beluister ook eerdere audio in deze reeks.

- Of gebruik deze link voor de audio uit het vorige seizoen.

Bron afbeelding: EO


dinsdag 10 december 2019

Vrijdag lezing Raymond Hausoul over 'Jozef'



Aanstaande vrijdag 13 december staat opnieuw een lezing gepland in de reeks 'Leven door geloof - deel 2'.
Dit keer spreekt Raymond Hausoul uit Ieper over 'Jozef'.
Deze bijbellezingen vinden telkens plaats in CC De Steiger in Menen (Zaal 3). Ze beginnen telkens om 20 u.

Audio vorige lezingen

- Beluister ook eerdere audio in deze reeks.

- Of gebruik deze link voor de audio uit het vorige seizoen.

vrijdag 29 april 2016

Hoezeer is God betrokken in de details van je leven? (deel 2 - slot)



Tijdens zijn lezing van vorige week vermeldde Geert Soete kort de intense betrokkenheid van de Here God bij alle details van ons leven. Geert had daarover een stuk gelezen dat het leven van Jozef gebruikte ter illustratie van deze bijbelse waarheid, op de website van Desiring God.

Ik heb dit artikel (van Jon Bloom) opgezocht en gedeeltelijk vertaald. Ik heb me beperkt tot de voorbeelden uit het leven van Jozef. Dit is het tweede en meteen ook laatste deel.

Lees ook deel 1.

• De Egyptische rechtsgang die de schenker vrijsprak en de bakker veroordeelde waren deel van Gods plan (Genesis 40:20–22).

• Dat de schenker gedurende twee jaar niet meer aan Jozef dacht was deel van Gods plan (Genesis 41:23–42:1).

• De timing van Farao’s dromen was deel van Gods plan (Genesis 41:1–7).

• Het onvermogen van Farao’s raadslieden om zijn dromen uit te leggen was deel van Gods plan (Genesis 41:8).

• De schenker die terugdacht aan Jozef en de moed had om Farao te herinneren aan een potentieel verdachte gebeurtenis was deel van Gods plan (Genesis 41:9–13).

• Dat Farao wanhopig genoeg was om te luisteren naar een Hebreeuwse gevangene was deel van Gods plan (Genesis 41:14–15).

• Dat Jozef het inzicht had om Farao’s dromen uit te leggen was deel van Gods plan (Genesis 41:25–36).

• De wonderbaarlijke grootte van Farao’s onmiddellijke vertrouwen in Jozefs verklaring en raad was deel van Gods plan (Genesis 41:37–40).

• Dat Jozef Asnath (een Egyptische) als vrouw kreeg was deel van Gods plan (Genesis 41:45).

• De twee zonen van Jozef bij Asnath, Manasse en Efraïm, waren deel van Gods plan (Genesis 41:50–52, 48:5).

• De complexe samenloop van natuurlijke fenomenen die de buitengewoon vruchtbare jaren lieten volgen door buitengewoon armoedige jaren, met de daaropvolgende menselijke voorspoed en daarna het menselijke lijden, en de voortzetting van de Egyptische rijkdom en macht in Farao’s handen, waren deel van Gods plan (Genesis 41:53–57; 47:13–26).

• De dreiging van hongersnood die geweldige angst veroorzaakten en Jakob ertoe aanzetten om zijn zonen naar Egypte te sturen voor graan waren deel van Gods plan (Genesis 42:1–2).

• De veilige reis van de broers naar Egypte en het niet deelnemen van Benjamin waren deel van Gods plan (Genesis 42:3–4).

• De broers die buigen voor Jozef en daarmee onbewust de dromen vervullen die ze zo haatten was deel van Gods plan (Genesis 42:6).

• Jozefs hele plan om zijn broers te testen was deel van Gods plan (Genesis 42:9–44:34).

• Simeon die wordt gekozen om in Egypte achter te blijven was deel van Gods plan (Genesis 42:24). Jakobs weigering om Benjamin toe te staan om naar Egypte terug te keren en daarmee de broers hun terugreis vertraagt en Simeons verwarrende ervaring in gevangenschap was s deel van Gods plan (Genesis 42:38).

• De aanhoudende dreiging van de hongerdood die Juda ertoe aanzette om zich persoonlijk garant te stellen voor Benjamins veilige terugkeer en Jakob er uiteindelijk toe dwongen om Benjamin toe te staan naar Egypte te gaan, was deel van Gods plan (Genesis 43:8–14).

• Het succes waarmee Jozef in staat was om zijn identiteit te blijven verbergen voor zijn familie en de diefstal van Benjamin in scène te kunnen zetten en alle leed bij de broers dat daarop volgde, waren deel van Gods plan (Genesis 43:15–44:17).

• Juda’s bereidheid om zijn leven te geven voor dit van Benjamin uit liefde voor zijn vader, waarmee hij de aanzet gaf om zelf als slaaf verkocht te worden zoals hij dit deed bij zijn broer, was deel van Gods plan (Genesis 44:18–34).

• Jozefs timing in het zich bekendmaken bij zijn broers was deel van Gods plan (Genesis 45:1–14).

• Jakob die van zijn zoons te horen krijgt dat Jozef nog leeft en welke positie hij bekleedt in Egypte (en het aan licht komen van de meer dan 20 jaar van bedrog door zijn zoons met alle daarmee gepaard gaande pijn) was deel van Gods plan (Genesis 45:25–28).

• God die Jakob ertoe leidt om naar Egypte te verhuizen was (natuurlijk) deel van Gods plan (Genesis 46:2–4).

• De verhuis van de volledige familie van Israël naar Egypte, waar ze zich zouden vestigen en gedurende 430 jaar talrijker zouden worden en uiteindelijk in vreselijke slavernij zouden terechtkomen, waarmee ze Gods belofte vervulden aan Abraham uit Genesis 15:13–14, was deel van Gods plan (Genesis 46:5–47:12).
Vertaald van Jon Bloom op de website van Desiring God.

donderdag 28 april 2016

Hoezeer is God betrokken in de details van je leven?

Tijdens zijn lezing van voorbije zaterdag haalde Geert Soete kort de intense betrokkenheid aan van de Here God bij alle details van ons leven. Geert had daarover een stuk gelezen dat het leven van Jozef gebruikte ter illustratie van deze bijbelse waarheid, op de website van Desiring God.

Ik heb dit artikel (van Jon Bloom) opgezocht en gedeeltelijk vertaald. Ik heb me beperkt tot de voorbeelden uit het leven van Jozef. Hieronder deel 1.

- Jozefs plaats in de volgorde van geboorte van de aartsvaders maakte deel uit van Gods plan (Genesis 30:22–24).

- Dit betekent dat Rachels hartverscheurende strijd met haar onvruchtbaarheid deel uitmaakte van Gods plan (Genesis 30:1–2).

- Jakobs voorliefde voor Rachel en zijn wellicht daaraan te wijten favoritisme voor Jozef maakte deel uit van Gods plan (Genesis 29:30, 37:3).

- Jozefs profetische dromen waren (duidelijk) deel van Gods plan (Genesis 37:5–11).

- De jaloezie van zijn broers (merk op: rivaliteit onder gezinsleden en gezinsconflict) was deel van Gods plan (Genesis 37:8).

- Het boosaardige, moordzuchtige en hebzuchtige verraad van hem, en Juda’s deelhebben daaraan, was deel van Gods plan (Genesis 37:18–28, 50:20).

- Zijn broers twintig jaar durende misleiding van Jakob met betrekking tot Jozef was deel van Gods plan.

- Het bestaan van een zondige slavenhandel en de plaats ervan in Egypte was deel van Gods plan (Genesis 37:36).

- Potifars betrokkenheid in de slavenhandel en diens positie in Egypte was deel van Gods plan (Genesis 37:36).

- Jozefs bijzondere bestuurlijke begaafdheid was deel van Gods plan (Genesis 39:2–4).

- Jozefs gunst bij Potifar was deel van Gods plan (Genesis 39:4–6).

- Potifars vrouw die zich overgaf aan seksuele immoraliteit was deel van Gods plan (Genesis 39:8–12, Romans 1:24).

- De oneerlijkheid van Potifars vrouw was deel van Gods plan (Genesis 39:14–18).

- Potifars onrechtvaardige oordeel van Jozef was deel van Gods plan (Genesis 39:19–20).

- De specifieke gevangenis waarheen Jozef werd gestuurd – de gevangenis waar de schenker en bakker zouden belanden – was deel van Gods plan (Genesis 39:20).

- Jozefs gunst bij de gevangenbewaarder was deel van Gods plan (Genesis 39:21–23).

- De samenzwering op hoog niveau en het onthullen ervan die resulteerde in de gevangenschap van Farao’s schenker en bakker was deel van Gods plan (Genesis 40:1–3).

- Jozefs aanduiding om voor hen te zorgen was deel van Gods plan (Genesis 40:4).

- De dromen van de schenker en bakker waren (duidelijk) deel van Gods plan (Genesis 40:5).

- Jozefs meelevende zorg met hun angstige harten was deel van Gods plan (Genesis 40:6–7).

- Hun mate van vertrouwen in Jozefs integriteit om hem hun dromen toe te vertrouwen was deel van Gods plan (Genesis 40:8–20).

- Jozef die in staat is de betekenis van hun dromen uit te leggen was deel van Gods plan (Genesis 40:12–13, 18–19).
(Wordt later vervolgd – Kun je zolang niet wachten? Lees het origineel bij Desiring God: How Involved Is God in the Details of Your Life?)

dinsdag 11 februari 2014

Juda: van egoïst naar plaatsvervanger (Gn. 44)


Genesis 44; Markus 14; Job 10; Romeinen 14

Tot op dit punt in het verhaal (Gen. 44) verscheen Juda in geen al te goed daglicht. Wanneer Jozefs broers voor het eerst hun intentie kenbaar maken hem te doden (Gen. 37:19-20), zijn er twee van hen die alternatieven bieden. Ruben stelt voor dat Jozef gewoon in een put zou worden gegooid waaruit hij niet kan ontsnappen (37:21-22).

Dit voorstel had twee voordelen. Ten eerste kon de moord niet rechtstreeks aan de broers worden toegeschreven, en ten tweede, hoopte Ruben later in het geheim terug te komen om zijn kleine broer te redden. Ruben was compleet van de kaart toen zijn plan niet slaagde (37:29-30).

De andere broer met een onafhankelijk voorstel was Juda. Zijn argument was dat er geen voordeel lag in een zuivere moord. Het zou beter zijn om Jozef als slaaf te verkopen (37:25-27) – zijn visie haalde het.

Juda verschijnt opnieuw in het volgende hoofdstuk, waarin hij slaapt met zijn schoondochter (Gen. 38) en, zeker aanvankelijk, een dubbele standaard aan de dag legt (zie de overdenking van 6 februari).

Maar hier in Genesis 44 werpt Juda zich meer op als een heldhaftig figuur. Jozef stuurt de dingen zodanig dat Benjamin en zijn broers worden gearresteerd voor diefstal. Hij benadrukt daarbij dat alleen Benjamin als slaaf in Egypte zal moeten achterblijven.

Mogelijk was Jozefs list bedoeld om zijn oudere broers te testen, om te zien of ze nog steeds wrok koesterden jegens de jongste, of ze nog zo hard waren dat ze een van hen in slavernij konden laten belanden, zich in de handen wrijvend dat ze zelf toch mooi de dans ontsprongen.

Het is Juda die tussenkomt en boven alles pleit op de bijzondere liefde die zijn vader voor Benjamin koestert. Hij verwijst zelfs naar Jakobs geloof dat Jozef omkwam door wilde dieren (44:28), alsof dat duidelijke bedrog en de slechtheid van dit alles de voorbije kwarteeuw in zijn gedachten waren blijven spoken.

Juda legt uit hoe hijzelf beloofde de jongen veilig terug te brengen en hij houdt een emotioneel pleidooi: ‘Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven, en de jongen trekke met zijn broeders mee. Want hoe zal ik naar mijn vader heentrekken, wanneer de jongen niet bij mij is? Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien, dat mijn vader zou treffen’ (44:33-34).

Dit is het hoogtepunt in wat we van Juda’s pelgrimstocht weten. Hij biedt zijn leven aan als plaatsvervanger voor een ander. Misschien werd hij daarbij deels gedreven door een schuldig geweten. Indien dit het geval was, kwam de pure heldendaad voort uit zuivere schaamte.

Hij kon niet weten dat minder dan twee millennia later, zijn meest illustere nakomeling, in geen geval gedreven door schaamte maar alleen door gehoorzaamheid aan zijn hemelse Vader en door liefde voor schuldige opstandelingen, zichzelf zou opofferen als een plaatsvervanger voor hen (Markus 14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 februari 2014

Waarom een gelovige geen fatalist is (Gn. 40)


Genesis 40; Markus 10; Job 6; Romeinen 10

Vertrouwen op Gods voorzienigheid mag niet verward worden met vervallen in fatalisme. Het is geen gelaten zuchten van ’Que sera, sera’ – ‘What will be, will be’ [of ‘wat zal zijn, zal zijn’]. Jozef begreep dit (Gen. 40).

Het verslag van Farao’s schenker en bakker vertelt ons niet wie van beiden uiteindelijk schuldig was aan iets, zo dit al gold voor een van hen. Het vertelt ons alleen wie van de twee door Farao schuldig werd bevonden. Zelfs dan wordt ons niets onthuld over de aard van de misdaad.

De focus ligt eerder op hun respectievelijke droom, en het feit dat – van alle gevangenen - alleen Jozef in staat is om hun dromen uit te leggen. De uitleggingen zijn zo dramatisch en zo precies vervuld, dat hun accuraatheid niet kan worden betwist.

Jozef zelf koestert geen illusies omtrent de bron van zijn bekwaamheid. ‘Zijn de uitleggingen niet Gods zaak?’, vraagt hij (40:8).

Zelfs als Jozef voor Farao staat, waar je misschien kon verwachten dat hij zijn uitleggingen een klein beetje zou aanpassen om zijn eigen reputatie aan te dikken, zal hij later zelfs met nog meer nadruk verklaren dat hij zelf geen dromen kan uitleggen: alleen God kan dit doen (41:16, 25).

Maar ondanks deze onwankelbare trouw aan God, ondanks zijn onbevangen belijdenis van zijn eigen beperkingen, ondanks de zuivere vasthoudendheid en integriteit van zijn wandel onder onrechtvaardig lijden, verwart Jozef Gods voorzienigheid niet met fatalisme. Het punt wordt in dit hoofdstuk op twee manieren aangetoond.

Ten eerste is Jozef wel bereid om de schenker over zijn eigen netelige situatie te vertellen (de dienaar die na drie dagen zal worden vrijgelaten en zijn positie aan het hof terugkrijgt) in de hoop dat hij zou worden vrijgelaten (40:14-15).

Jozefs geloof in God betekent niet dat hij helemaal passief wordt. Hij onderneemt duidelijk actie om verbetering in zijn omstandigheden te kunnen bewerken, mits die actie het zegel van integriteit draagt.

Ten tweede: wanneer hij kort de omstandigheden beschrijft die hem in de gevangenis brachten, doet Jozef geen moeite om te vergulden dat het om een ronduit boosaardige daad ging. Hij verklaart dat hij ‘gestolen’ is ‘uit het land der Hebreeën’ (40:15).

Dit was een belangrijk punt, want de meeste slaven waren in die toestand beland door economische omstandigheden. Wanneer mensen bijvoorbeeld bankroet gingen, verkochten ze zichzelf als slaven.

Maar dit was niet wat er met Jozef was gebeurd, en hij wilde dat Farao dit wist. Hij was een slachtoffer. Bovendien had hij zelfs tijdens zijn leven als slaaf in Egypte ‘niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten’ – wat natuurlijk betekent dat hij onterecht opgesloten zat. Jozef verwart Gods voorzienige regering dus niet met Gods morele goedkeuring.

Bij fatalisme en pantheïsme is er geen eenvoudige manier om het onderscheid te zien tussen wat is en wat had moeten zijn. Gefundeerd Bijbels theïsme moedigt ons aan om te vertrouwen op de goedheid van de soevereine, voorzienige God, terwijl het de zondigheid in deze gevallen wereld aan de kaak stelt en zich er tegen verzet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 februari 2014

Geloof midden de ellende (Gn.39)


Genesis 39; Markus 9; Job 5; Romeinen 9

Het is volkomen terecht Genesis 39 te lezen als een les in morele moed, een gevalsstudie van een Godvrezend man die goed beseft dat een aantrekkelijke verleiding in werkelijkheid een uitnodiging is om tegen God te zondigen (39:9) en die daarom meer bekommerd is om zijn reinheid dan om zijn perspectieven.
Niettemin moeten we Genesis 39 ook lezen in diverse bredere verbanden, elk met belangrijke lessen.

Ten eerste begint en eindigt dit hoofdstuk op een zeer vergelijkbare manier. Die literaire ‘inclusie’ [insluiting, JL] is een teken dat de thema’s in de inleiding en het slot het volledige hoofdstuk bepalen.

Aan het begin wordt Jozef verkocht om voor Potifar te werken. God is dermate bij hem dat hij na verloop van tijd de hoofdslaaf wordt van dit aanzienlijke huishouden. We moeten niet denken dat dit gebeurde van de ene op de andere dag; de chronologie suggereert dat acht of tien jaren voorbijgingen.
Gedurende die tijd zal Jozef de taal moeten hebben geleerd en zich van onderaan de ladder hebben opgewerkt. Maar dit was allemaal verbonden met de zegen van God over Jozefs leven, en met Jozefs volgehouden integriteit.

Aan het eind van het hoofdstuk is Jozef in de gevangenis geworpen op grond van een valse beschuldiging. Maar zelfs hier is God met hem en Hij schenkt hem goedgunstigheid in de ogen van de gevangenbewaarder, en na verloop van tijd wordt hij een gevangenen-vertrouwensman.

Zo toont het hoofdstuk in zijn geheel dat God soms kiest om ons te zegenen en ons integere mensen te maken te midden van abominabele omstandigheden, eerder dan onze omstandigheden te veranderen.

Ten tweede dient Genesis 39 als een tegengewicht voor Genesis 38. Juda is een vrij en rijk man, maar wanneer zijn vrouw hem ontnomen is, eindigt hij zelfs in bed met zijn schoondochter. Hij handelt volgens een dubbele standaard en maakt zichzelf en zijn familie te schande.

(Het feit dat hij aanvankelijk wil dat Thamar terechtgesteld wordt voor een zonde die hij ook zelf heft begaan, toont dat het er hem minder om gaat de schuldige te straffen uit principe, dan om hen te straffen die betrapt worden.)

Jozef is een slaaf, maar onder de zegen van God bewaart hij zijn seksuele reinheid en zijn integriteit. Wie is gelukkiger in de ogen van de wereld? Wie is gelukkiger in het licht van de eeuwigheid?

Ten derde is Genesis 39 onderdeel van de weg tot Jozefs verhoging tot leiderschap in Egypte. Door de ellendige middelen beschreven in Genesis 37 en 39-40, wordt Jozef uiteindelijk een soort ‘Eerste Minister’ van Egypte en redt hij velen van de hongerdood – inclusief zijn eigen uitgebreide familie, en zodoende ook de Messiaanse lijn.

Maar Jozef kon niet weten hoe dit allemaal zou uitdraaien terwijl hij door zijn ellende ging. Hij kende hoogstens de verhalen die sinds Abraham telkens werden doorgegeven, en zijn eigen jeugddromen (Gen. 37). Maar Jozef wandelt door geloof en niet door aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 17 februari 2012

'Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht' (Gn.50)


Genesis 50, Lukas 3, Job 16—17, 1 Korinthiërs 4

Het laatste hoofdstuk van Genesis bevat een gedeelte dat zowel aandoenlijk als glorieus is (Gen. 50:15-21).

Alles wat droevig en gebrekkig is in deze familie duikt terug op wanneer Jakob sterft. Jozefs broers vrezen dat hun vermaard gezinslid misschien zijn haatdragende rancune slechts tijdelijk onderdrukt heeft tot de dood van de oude man. Waarom dachten ze dit? Was het omdat ze nog steeds geplaagd werden door schuldgevoelens? Projecteerden ze slechts op Jozef wat ze zelf zouden doen in zijn plaats? Hun aanpak laadt nieuwe zonden op hen: ze liegen over wat hun vader zei, in de hoop dat een oproep van Jakob op zijn minst een gevoelige snaar zou raken bij Jozef. In dit licht klinkt hun nederige onderwerping (‘Zie, wij zijn u tot slaven’, 50:18) minder als loyale hulde dan als wanhopige manipulatie.

Jozef daarentegen weent (50:17). Hij kan niet anders dan zien dat deze kruiperige leugens verraden hoe weinig geliefd hij is of hoe weinig ze hem vertrouwen, zelfs na zeventien jaren (47:28) van uiterlijk herstel. Zijn verbale respons toont niet slechts pastorale zachtmoedigheid ‘Zo troostte hij hen en sprak tot hun hart’, met de belofte voor hen en hun gezinnen te zullen zorgen (50:21) – het weerspiegelt ook een man die diep nagedacht heeft over de mysteries van voorzienigheid, over Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid. ‘Vrees niet’, zegt hij. ‘Ben ik in Gods plaats?’ Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (50:19-20).

De diepte van deze redenering komt scherper in beeld wanneer we nadenken over wat Jozef niet zegt. Hij zegt niet dat Jozefs broers hem in slavernij verkochten gedurende een tijdelijke onachtzaamheid van Godswege, maar dat God, die een uitstekende schaakspeler is, het spel heeft omgedraaid en te zijner tijd Jozef tot Eerste Minister van Egypte heeft gemaakt.

Nog minder zegt hij dat het Gods bedoeling was om Jozef naar Egypte te sturen in een welbepaalde strijdwagen, maar dat Jozefs broers ongelukkigerwijs het goddelijke plan in de war stuurden en God dwongen om te antwoorden met slimme tegenzetten om zijn eigen goede bedoelingen teweeg te brengen.

Veeleer waren er in die ene gebeurtenis – Jozef die als slaaf wordt verkocht – twee partijen en twee heel verschillende intenties. Aan de ene kant handelden Jozefs broers, met kwade bedoelingen; aan de andere kant handelde God, en zijn intenties waren goed. Beiden handelden om deze gebeurtenis tot stand te laten komen, maar waar het boze ervan terugvoert naar de broers en niet verder, wijst het goede erin naar God.

Dit is een gebruikelijk standpunt in de Schrift. Het zorgt voor vele complexe filosofische discussies. Maar de basisidee is eenvoudig. God is soeverein en zonder uitzondering goed; wij zijn moreel verantwoordelijk en vaak slecht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

dinsdag 7 februari 2012

Waarom een gelovige geen fatalist is (Gn. 40)


Genesis 40, Markus 10, Job 6, Romeinen 10

Vertrouwen op Gods soevereiniteit moet niet verward worden met vervallen in fatalisme. Het is geen gelaten zucht van ’Que sera, sera’ – ‘What will be, will be’ of ‘wat zal zijn, zal zijn’. Jozef begreep dit (Gen. 40).

Het verslag van Farao’s schenker en bakker vertelt ons niet wie van beiden uiteindelijk schuldig was aan iets, zo dit al gold voor een van hen. Het vertelt ons alleen wie van de twee door Farao schuldig werd bevonden. Zelfs dan wordt ons niets onthuld over de aard van de misdaad. De focus ligt eerder op hun dromen en op het feit dat – van alle gevangenen - alleen Jozef in staat was om hun dromen uit te leggen. De uitleggingen zijn zo dramatisch en gaan zodanig precies in vervulling, dat de accuratesse ervan niet betwist kan worden.

Jozef zelf maakt zich geen illusies over de bron van zijn bekwaamheid. ‘Zijn de uitleggingen niet Gods zaak?’, vraagt hij (40:8). Zelfs als hij voor Farao staat, waar je misschien had kunnen verwachten dat hij zijn uitleggingen een beetje zou aanpassen om zijn eigen reputatie aan te dikken, zal Jozef zelfs nog meer benadrukken dat hij zelf niet in staat is om dromen uit te leggen: alleen God kan dit doen (41:16, 25).

Maar ondanks deze onwankelbare trouw aan God, ondanks zijn openhartige belijdenis van zijn eigen limieten, ondanks de zuivere volharding en integriteit van zijn wandel onder onrechtvaardig lijden, verwart Jozef Gods voorzienigheid niet met fatalisme. Het punt wordt op twee manieren aangetoond in dit hoofdstuk.
Ten eerste is Jozef wel bereid om de schenker over zijn eigen netelige situatie te vertellen (de dienaar die na drie dagen zal vrijgelaten worden en zijn positie aan het hof terugkrijgt) in de hoop dat hij zal vrijgelaten worden (40:14-15). Jozefs geloof in God betekent niet dat hij helemaal passief wordt. Hij onderneemt duidelijk actie om verbetering in zijn omstandigheden te kunnen bewerken, mits die actie het zegel van integriteit draagt.

Ten tweede: wanneer hij kort de omstandigheden beschrijft die hem in de gevangenis brachten, doet Jozef geen moeite om te vergulden dat het om een zeer boosaardige daad ging. Hij benadrukt dat hij ‘gestolen’ is ‘uit het land der Hebreeën’ (40:15). Dit was een belangrijk punt, want de meeste slaven waren in die toestand beland door economische omstandigheden. Wanneer mensen bijvoorbeeld bankroet waren, verkochten ze zichzelf als slaven. Maar dit was niet wat er met Jozef gebeurd was, en hij wilde dat Farao dit wist. Hij was een slachtoffer. Bovendien heeft hij zelfs tijdens zijn leven als slaaf in Egypte ‘niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten’ – wat natuurlijk betekent dat hij onterecht in de gevangenis zit. Jozef verwart dus Gods voorzienige regering niet met Gods morele goedkeuring.

Fatalisme en pantheïsme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen wat er is en wat er had moeten zijn. Gefundeerd Bijbels theïsme moedigt ons aan om te vertrouwen op de goedheid van de soevereine, voorzienige God, terwijl het aan de kaak stelt en zich verzet tegen wat boos is in deze gevallen wereld.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

maandag 6 februari 2012

Geloof midden de ellende (Gn.39)


Genesis 39, Markus 9, Job 5, Romeinen 9

Het is volkomen terecht Genesis 39 te lezen als een les in morele moed, een gevalsstudie van een Godvrezend man die goed beseft dat een aantrekkelijke verleiding in werkelijkheid een uitnodiging is om tegen God te zondigen (39:9). Daarom geeft hij meer om zijn reinheid dan om zijn vooruitzichten.

Niettemin moeten we Genesis 39 ook lezen in diverse bredere verbanden, telkens met belangrijke lessen ermee verbonden.

Ten eerste begint en eindigt dit hoofdstuk op een manier die zeer gelijklopend is. Die literaire ‘inclusie’ (insluiting) is een signaal dat de thema’s in het aanvangs- en slotgedeelte het hele hoofdstuk bepalen. In het begin wordt Jozef verkocht om voor Potifar te werken. God is zodanig bij hem dat hij na verloop van tijd de hoofdbediende wordt van dit aanzienlijk huishouden. We moeten niet denken dat dit gebeurde in een tijdspanne van twee weken; de chronologie suggereert dat acht of 10 jaren voorbijgingen. Gedurende die tijd moet Jozef de taal geleerd hebben en zich van onderaan de ladder opgewerkt hebben. Maar dit was allemaal verbonden met de zegen van God over Jozefs leven en met de daarmee verbonden integriteit van de Jozef. Op het eind van het hoofdstuk werd Jozef in de gevangenis geworpen nadat hij valselijk werd beschuldigd. Maar zelfs hier is God met hem en Hij schenkt hem goedgunstigheid in de ogen van de gevangenbewaarder. Na een tijd krijgt hij de leiding over de gevangenen. Zo toont het hoofdstuk in zijn geheel dat God soms kiest om ons te zegenen en ons tot integere mensen te maken temidden abominabele omstandigheden, eerder dan onze omstandigheden te veranderen.

Ten tweede dient Genesis 39 als een tegengewicht voor Genesis 38. Juda is een vrij en rijk man, maar wanneer zijn vrouw hem ontnomen wordt zal hij uiteindelijk zelfs met zijn schoondochter slapen. Hij handelt volgens een dubbele standaard en maakt zichzelf en zijn familie te schande. (Het feit dat hij aanvankelijk wil dat Thamar terechtgesteld wordt voor een zonde die hij ook zelf begaan heeft, toont dat het er hem minder om gaat de schuldige om principiële redenen te straffen dan wel om hen te straffen die betrapt worden.) Jozef is een slaaf maar onder de zegen van God bewaart hij zijn seksuele reinheid en integriteit. Wie is gelukkiger in de ogen van de wereld? Wie is gelukkiger in het licht van de eeuwigheid?

Ten derde is Genesis 39 onderdeel van de weg tot Jozefs verhoging tot het leiderschap over Egypte. Door de ellendige middelen beschreven in Genesis 37 en 39-40, wordt Jozef uiteindelijk een soort Eerste Minister van Egypte en redt hij velen van de hongerdood – ook zijn eigen uitgebreide familie, en zodoende ook de lijn van de Messias. Maar Jozef kon niet weten wat het uiteindelijke resultaat ging zijn toen hij door zijn lijden moest. Hij kende hoogstens de verhalen die sinds Abraham telkens werden doorgegeven en zijn eigen jeugddromen (Gen. 37). Maar Jozef wandelt door geloof en niet door aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

maandag 8 september 2008

Hel, die plaats waar je maar niet kunt vergeten


"De oudste noemde hij Manasse, omdat God hem al zijn ellende en het gemis van zijn familie had doen vergeten. Het tweede kind noemde hij Efraïm, ‘want,’ zei hij, ‘God heeft mij vruchtbaar gemaakt in dit land, waar ik zoveel te verduren heb gehad.’" (Genesis 41:51-52)


We kunnen niet "Efraïm" zijn, als we niet eerst "Manasse" zijn. Anders gezegd: we kunnen pas echt vrucht voortbrengen als we ook leren vergeten. In zijn boek "The Great Divorce" (Ned. titel: De grote scheiding) beschrijft C.S. Lewis de hel als een plaats waar niemand ook maar iets vergeet. Volgens hem zal iedereen in de hel elke belediging, elke vernedering, elke wrede woordenwisseling, elk onrecht dat hen werd aangedaan; en iedereen zou al even weinig bereid zijn tot vergeving.
Maar in de hemel zijn al deze dingen weggedaan, want alles is nieuw geworden.

Welke vrucht wordt in jouw leven tegengehouden omdat je niet wilt vergeten? Mogen we zijn zoals Paulus, die zei: "Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.(Fp.3:13-14)"

Vrij vertaald naar een stukje van David Guzik, mij doorgespeeld door Luc Claerebout. Waarvoor dank.