Posts tonen met het label Geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geest. Alle posts tonen

zondag 27 augustus 2023

Nieuwe mp3 over het grotere verhaal achter de tempel: Gods blijvende tempel kan niet met handen zijn gemaakt

Hieronder vind je de link naar deel 17 uit het grotere verhaal achter tabernakel en tempel.
In dit slotdeel over de tempel zoals die aan bod komt in Handelingen, bekijken we onder meer Hd.17:24-25: 
‘De God Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, Deze, Die een Heere van de hemel en van de aarde is, woont niet in tempels die met handen gemaakt zijn. Hij wordt ook door mensenhanden niet gediend alsof Hij iets nodig heeft, omdat Hij Zelf aan allen het leven, de adem en alle dingen geeft.’






dinsdag 11 juli 2023

Beluister de studies over het grotere verhaal van de tempel: deel 15 en 16 - Handelingen

Hieronder de mp3's van 2 studies uit de reeks over het grotere verhaal van tabernakel en tempel.

Op 14 juni behandelden we  onder meer de kosmische omwenteling uit de rede van Petrus uit Handelingen 2. Petrus citeert daarbij Joël.

Op 28 juni kwam Stefanus' rede aan bod. Stefanus citeert uit de profeet Jesaja en ziet de hemel geopend.

Door een wijziging in de policy van Issuu kan ik niet meer gratis via die weg delen.
Daarom heb ik besloten om momenteel geen PowerPoints meer op te laden van de huidige reeks studies. 



woensdag 24 september 2014

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)


2 Samuël 20; 2 Korinthiërs 13; Ezechiël 27; Psalmen 75-76

In veel kerken overal ter wereld - hoewel verhoudingsgewijs toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit [Eng.: ‘The grace’]. Zij die zijn samengekomen weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, het vers reciterend waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar er snel overheen te lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers neemt en tot gemeenschap herstelt met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen is de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ is de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het bijzonder waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel ogenblik mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen betonen enzovoort. In zekere zin zijn genade, liefde en gemeenschap afkomstig van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit het wijze en liefhebbende hart van God, van wie wordt gezegd ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.
Prijs God uit wie alle zegeningen voortvloeien; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 24 augustus 2014

'De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan' (1 Sam. 16)

1 Samuel 16; Romeinen 14; Klaagliederen 1; Psalm 32

De zalving van David tot Koning over Israël (1 Sam. 16:1-13) is bijzonder interessant, ook al volgt zijn troonsbestijging pas vele jaren later.

(1) Soms zijn profeten en predikers trager om afscheid te nemen van een slechte leider dan de Almachtige God (16:1). Dit is niet omdat wij barmhartiger zijn dan God, maar omdat passiviteit of nostalgie of persoonlijke banden van genegenheid ons verblinden voor de duidelijke schade die de leider aanricht. Hoe groot ook zijn mededogen, God is nooit verblind.

(2) Saul was tot de troon verheven via Gods bekrachtiging. Is hij zo dwaas om te denken dat hij God te slim af kan zijn om die positie te kunnen behouden? Het is bijzonder droevig om te ontdekken dat Samuel vreest om de volgende koning te zalven, omdat Saul iedereen zal doden, zelfs een profeet van God, die een bedreiging vormt voor het koningshuis waarvan God zelf verklaard heeft dat het er nooit zal komen.

(3) Saul leek zeer beloftevol toen hij pas tot de troon verheven was. Nu denkt Samuel dat hij koninklijk materiaal bespeurt in de zonen van Jesse – bijvoorbeeld in Eliab, de eerstgeborene. Maar God zegt: ‘Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan’ (16:7).

Dit is een les die opnieuw moet worden geleerd, in het bijzonder in onze tijd, want onze tijd houdt meer van beelden dan van realiteit. Zelfs bepaalde predikers wijden meer aandacht aan hoe ze zich ‘succesvol kunnen kleden’ [Eng.: dress for success] en hoe ze een dwingende en autoriteitsvolle stem kunnen ontwikkelen, dan aan het bewaren van een zuiver hart.

(4) De belangrijkste factor in het leven en de dienst van David is de Geest van de Heer die hem ‘aangreep’ (16:13 [HSV: vaardig over hem werd]). Dit is de regelmatige ervaring van die profeten, priesters, koningen en een aantal andere leiders, die speciale rollen vervulden onder de bepalingen van het oude verbond. Hoe moeilijk het ook is om in dergelijke zaken onderscheidingsvermogen aan de dag te leggen, toch kun je niet genoeg of te luid zeggen dat wat de kerk vandaag nodig heeft, leiders zijn met zalving [Eng.: ‘unction’] – een woord dat de puriteinen graag gebruikten.

Het betekent gewoon: zalving [Eng.: ‘anointing’], d.i.:een zalving door de Geest. Is dit teveel gevraagd in een tijdperk waarin onder de bepalingen van het nieuwe verbond, ieder die deel uitmaakt van het verbondsvolk van God de Geest ontvangt die werd uitgestort op Pinksteren?

(5) Het kan niet anders dan dat zij die hun Bijbel kennen een bepaalde opwinding voelen bij de eenvoudige woorden van vers 12. Daar vertelt de Heer aan Samuël met betrekking tot David: ‘Sta op, zalf hem, want deze is het’. Ja, David was de man. Hier is het veelbelovende begin van een belangrijke nieuwe stap in de heilsgeschiedenis, een begin dat rechtstreeks leidt naar Davids meest vooraanstaande nakomeling – en tegelijk zijn Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 juli 2014

'Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees' (Hd. 2)

Jozua 22; Handelingen 2; Jeremia 11; Mattheüs 25

Handelingen 2 wordt soms de geboortedag van de kerk genoemd. Dit kan misleidend zijn. In zekere zin kan de gemeenschap van het oude verbond ook terecht als kerk worden bestempeld (7:38 – NBV: ‘vergadering’; HSV: ‘samenkomst’). Toch is er een nieuwe start die begint op die dag, een start verbonden met de universele gave van de Heilige Geest, in vervulling van de Schrift (2:17-18) en ten gevolge van Jezus’ verhoging tot de rechterhand van God (2:33-34). De kritieke gebeurtenis die deze onschatbare zegen voortbracht is de dood, opstanding en verhoging van Jezus Christus; deze gebeurtenis was zelf voorzegd door de eerdere Schrift.

Een van de dingen die opvallen aan Petrus’ toespraak, nog los van zijn volledigheid, moed, directheid en gepassioneerde vuur, is de manier waarop de apostel, zelfs in deze vroege fase van het openbare dienstwerk in post-opstandingstijdperk, omgaat met wat wij de Oudtestamentische Schrift noemen. Zijn gebruik van de Schrift in deze Pinkstertoespraak is te rijk en veelkleurig om in detail te ontleden.

Maar merk het volgende op:

(1) Eens te meer is er een David-typologie (2:25-28, citaat van Ps. 16:8-11). Maar hier is er ook een klein staaltje van apostolische redenering in dit verband. Hoewel het mogelijk is om 2:27 (‘omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien’) te lezen als Davids overtuiging dat God hem op dit punt niet zal laten omkomen, maar de taal is zo buitensporig en Davids typologische rol zo gewoon, dat Petrus stelt dat deze woorden naar iets meer moeten verwijzen: een grotere dan David zal vrij letterlijk niet aan het dodenrijk worden overgelaten en zal geen ontbinding ondervinden. David was uiteindelijk een profeet. Of hij dan in dit geval zoals Kajafas (Joh. 11:50-52) beter sprak dan hij zelf besefte, hij wist wel minstens dat God ‘hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten’ (2:30).

(2) De profetie van Joël (Hd. 2:17-21; zie Joël 2:28-32) is meer uitgesproken, in die zin dat het een geval is van woordelijke voorzegging en niet teruggrijpt naar typologie. De voor de hand liggende betekenis is dat Petrus in de gebeurtenissen van Pinksteren de vervulling ziet van deze woorden: de ‘laatste dagen’ (2:17) zijn gekomen.

(Of de zon die verandert in duisternis en de maan in bloed, allebei gebeurtenissen zijn die verbonden zijn met de donkere uren waarin Jezus aan het kruis hing, of een voorbeeld van Hebreeuwse natuursymboliek mag ons hier niet afleiden).

Deze Oudtestamentische passage is maar één van een handvol teksten die de komst van de Geest voorzeggen, of het schrijven van Gods wet op onze harten, maar in elk geval verbondsbrede persoonlijke transformatie in de laatste dagen (bijv. Jer. 31:31 e.v.; Ez. 36:25-27).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 maart 2014

De Geest focust op Jezus (Joh. 16)

Exodus 37; Johannes 16; Spreuken 13; Efeziërs 6
De komst van de Heilige Geest, de 'Pleitbezorger' of Parakleet [de Trooster], is afhankelijk van Jezus’ 'heengaan', d.i. zijn kruisdood, daaropvolgende opstanding en verheerlijking (Joh. 16:7; vgl. 7:37-39). Dit roept belangrijke vragen op over de relatie tussen de rol van de Geest onder het Oude Verbond, voor het kruis, en zijn rol aan deze kant van het kruis. Dit is ons zorgvuldig onderzoek waard. Hier echter moet Johannes’ nadruk op het werk van de Geest verduidelijkt worden.

Aan het eind van Johannes 15 wordt ons gezegd dat de Pleitbezorger zal getuigen van Jezus; een taak waar de discipelen van Jezus hun stem aan zullen verlenen (15:26-27). De eerste getuigenis is voor de Geest. In Joh. 16:8-11 overtuigt de Pleitbezorger de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij doet dit omdat Jezus terugkeert naar de Vader en niet langer zelf de rol vervult van het overtuigen van mensen.

Als de Heilige Geest getuigt van Jezus in 15:26-27 en mensen overtuigt door het werk van Jezus in 16:8-11 voort te zetten, brengt Hij in 16:12-15 glorie aan Jezus door Christus te verklaren aan degenen die het Laatste Avondmaal bijwoonden (de ‘u’ uit vers 12 kan moeilijk anders begrepen worden, en bepaalt ook de ‘u’ in de rest van de paragraaf; vgl. ook 14:26).

Zoals Jezus niet onafhankelijk handelt van zijn Vader, maar slechts spreekt wat de Vader Hem opdraagt te zeggen (5:16-30), zo handelt de Geest niet onafhankelijk van de Vader en de Zoon: ‘Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken’ (16:13). Zijn focus is Jezus: ‘Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (16:14).

En natuurlijk komt zelfs hier hetgeen Jezus toebehoort van de Vader: ‘Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen’ (16:15).

De reden waarom Jezus niet zelf alles aan zijn discipelen onthulde over zichzelf en zijn opdracht, is dat ze nog niet klaar zijn om het te dragen (16:12). Zelfs zo ver in hun discipelschap kunnen ze het begrip van een Koning-Messias in hun verstand nog niet echt rijmen met het begrip van een Lijdende Messias.

Tot dit punt duidelijk is gesteld, zal de manier waarop ze de Schriften lezen – wat wij het Oude Testament noemen – zodanig worden vertroebeld door politieke en koninklijke aspiraties dat ze het niet goed op een rijtje krijgen.

Hoeveel van het werk van de Geest focust toch op Jezus Christus - van Hem getuigen, diverse aspecten van zijn dienst voortzetten, zijn belang verklaren!


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 maart 2014

'Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven' (Joh. 14)


Exodus 35; Johannes 14; Spreuken 11; Efeziërs 4
De afscheidsrede die begint in Johannes 14 bevat buitengewoon rijk materiaal over de Heilige Geest. Een paar hoogtepunten:

(1) In het Grieks wordt elk zelfstandig naamwoord grammaticaal aangeduid als mannelijk, vrouwelijk of neutraal. Het woord voor ‘geest’ is neutraal. Wanneer een bijvoeglijk naamwoord verwijst naar ‘geest’, dan zou het ook neutraal moeten zijn. In dit hoofdstuk is het gebruikte bijvoeglijk naamwoord soms mannelijk, waarmee het de grammaticale vorm doorbreekt, een manier om zacht te bevestigen dat de Heilige Geest persoonlijk is.

(2) Bij deze titels staat ook ‘Raadgever’ (14:16) of ‘Trooster’ of ‘Helper’ (in het Engels: ‘Counselor’, ‘Comforter’ of ‘Helper’). Wanneer ‘Trooster’ werd gebruikt, kwam het van Latijnse woorden die iets betekenden als ‘versterken’ of ‘versterken samen met’. Vandaag staat een ‘comforter’ in het Engels ofwel voor een dikke deken of iemand die de bedroefden helpt, en daarom is het woord te beperkend om te schetsen wat hier bedoeld wordt.

Het Griekse woord draagt een heleboel nuanceverschillen in zich, dus zijn er sommigen die het niet vertalen maar gewoon translitereren (d.i. naar de Nederlandse spelling omzetten) als ‘parakleet’ [‘Pleitbezorger’]. Hij is zeker iemand die erbij wordt geroepen om te helpen en te versterken. Soms is de hulp op wettelijk vlak: hij kan bijvoorbeeld dienen als vervolgende procureur (16:7-11), en hij kan onze wettelijke ‘Raadgever’ zijn. (Het woord moet geen beelden oproepen van kampbegeleider of psychologisch raadgever).

(3) Hij is volgens Jezus’ woorden ‘een andere Trooster’ (14:16, cursief toegevoegd). In ouder Grieks heeft het woord dat gebruikt wordt voor ‘andere’ meestal een ondertoon van ‘een andere van dezelfde soort’. In de tijd van het Nieuwe Testament was die betekenis al eerder zeldzaam; ze kan niet verondersteld worden, maar moet uit het verband worden aangetoond.

In dit geval belooft Jezus duidelijk iemand te sturen die in zijn plaats zal staan. Intrigerend genoeg wordt, uitgezonderd van zijn gebruik bij deze afscheidsrede, het woord dat vertaald wordt als ‘Voorspraak’ of ‘Pleitbezorger’ in het Nieuwe Testament nog slechts op één andere plaats gebruikt, nl. 1 Johannes 2:1 (NBV: ‘een pleitbezorger bij de Vader’). Jezus is dus de eerste Pleitbezorger. Bij zijn aanstaande vertrek, belooft Hij de Heilige Geest te zenden, een andere Pleitbezorger, tot en voor zijn volgelingen.

(4) Hij wordt ook genoemd ‘de Geest der waarheid’ (14:17). Dit betekent niet slechts dat Hij de waarheid vertelt, als tegengesteld aan leugens, maar dat Hij de ware Geest is, Degene die de loutere tegenwoordigheid van de Vader en de Zoon tot de gelovigen brengt (14:23).

(5) De Geest, zo belooft Jezus, ‘zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb’ (14:26). Aangezien de ‘u’ te binnen gebracht [of herinnerd] zullen worden wat Jezus heeft gezegd, moet het hier in eerste instantie om de eerste discipelen gaan. De Geest zal hen in staat stellen om zich Jezus’ leer te herinneren, en zijn belang toe te lichten na het kruis en de opstanding. Hoe betrouwbaar zouden de verbanden geweest zijn zonder zijn werk?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 29 juni 2013

De Geest des Heren HEREN is op mij…om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN (Jes. 61)


Jozua 1; Psalmen 120-122; Jesaja 61; Matteüs 9
Hier overdenk ik twee dingen: ten eerste de plaats van Jesaja 61 in het betoog dat zich ontwikkelt; en ten tweede, de bijdrage van het hoofdstuk aan Bijbelse theologie.

(1) Jesaja 60 maakte het duidelijk dat de huidige ordening der dingen niet voor altijd kan blijven doorgaan: er komt een tijd die gekenmerkt zal worden door zowel geweldige zegening (60:19-21) als onafwendbaar oordeel (60:12).

Die tweedeling wordt terug opgepikt in Jesaja 61: hier vinden we de aankondiging van zowel ‘een jaar van het welbehagen des HEREN’ als van ‘een dag der wrake van onze God’. Het wraakthema wordt pas verder uitgewerkt in hoofdstuk 63.

Onmiddellijk voor de deur staat het ‘jaar van het welbehagen des HEREN’ (hoofdst. 61-62). Jesaja 61 begint met iemand die verkondigt dat de Geest van de Heer op hem is om de heilsplannen van de Heer te bewerkstelligen (61:1-6).

Dan spreekt de Heer zelf (61:7-9), met de aankondiging van een eeuwig verbond dat gekenmerkt wordt door zowel vreugde als gerechtigheid. Het hoofdstuk eindigt met een enkele stem, wellicht die van Jesaja, die jubelt bij de verwachte vervulling van deze beloften (61:10-11).

(2) Maar wie is er aan het woord in 61:1-6? De belangrijkste aanwijzing staat in de eerste zin: ‘De Geest des Heren HEREN is op mij’, zegt hij – en oplettende lezers herinneren zich twee eerdere gedeeltes.

Jesaja heeft al gezegd dat de Geest van de Heer in bijzondere mate op de Messias zal rusten (11:1-2; vgl. Joh. 3:34), en heeft God voorgesteld als zeggend tot de Knecht: ‘Ik heb mijn Geest op hem gelegd’ (42:1; in toekomstige tijd in het Engels: ‘I will put my Spirit on him’).

De meest voor de hand liggende conclusie is dat degene die spreekt in Jesaja 61:1-6 deze Knecht-Messias is, de bovenmatig lijdende Knecht van Jesaja 40-55 en de verwachte Messias van Jesaja 1-35.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Heer Jezus in de synagoge van Nazareth deze zinnen uit de boekrol van Jesaja leest en ze welbewust op zichzelf toepast (Lk. 4:17-19). Deze met de Geest gezalfde Knecht-Messias roept het ‘jaar van het welbehagen des HEREN’ uit (61:2), bijna zeker een allusie op het jubeljaar, wanneer volgens het Mozaïsch verbond, slaven bevrijd werden en wie zich gedwongen zagen hun eigendom te verkopen die moesten terugkrijgen (Lev. 25:8-55).

De Knecht-Messias komt ‘om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis’, ‘om alle treurenden te troosten’ – om de diverse zaken ‘in plaats van’ te schenken: hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest (61:1-3).

Lag het initiële begin van dergelijke zegen in de terugkeer uit ballingschap en de eerste herbouw van de puinhopen (61:4), dan vallen deze bewoordingen in het niets bij de ultieme vervulling (hoofdstuk 62).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 31 mei 2013

… totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit den hoge (Jes. 32)


Deuteronomium 4; Psalmen 86-87; Jesaja 32; Openbaring 2
Daar waar Jesaja 30-31 het probleem en de gevaren aangeeft van te vertrouwen op Egypte, biedt Jesaja 32-33 het alternatief: een goede regering geleid door een rechtvaardige Koning. Hoewel Jesaja verwacht dat een dergelijke regering zich slechts in de toekomst zal aandienen (bijv. 31:1, 15-16; 33:5-6, 17-22), is zijn standpunt niet helemaal eschatologisch: hij richt zich op de crisis van zijn eigen tijd, een tijd van zelfgenoegzaamheid (32:9-11), wanneer de diplomaten hebben gefaald en de leiders wanhopig zijn (33:7-8), een tijd waarin de verwaande Assyriërs, ‘hetvolk met een duistere, onverstaanbare spraak’, (33:19) nog altijd in het land zijn.

Historisch gezien verwijst dit waarschijnlijk naar koning Hizkia’s vergeefse poging om Sanherib om te kopen met buitengewoon eerbetoon (2 Kon. 18:13-16). Maar Sanherib is niet gesust. Zijn gezanten met hun ‘duistere, onverstaanbare spraak’ (33:19) eisen dat Hizkia de poorten van Jeruzalem zou opengooien.

Wanneer Hizkia weigert, begint de belegering. Nu kan de bevolking van Jeruzalem de gevolgen zien van een regering die niets volgt behalve de lege zinloosheid van louter menselijke wijsheid. Jesaja biedt het enige alternatief: het koningschap van God.

Gelukkig grijpt Hizkia dit alternatief net op tijd aan (2 Koningen 19:14-19). Waar Jesaja naar uitziet is de tijd waarin Gods koningschap ten volle aanvaard zal worden door zowel het volk als de heersers.

Jesaja 32 begint dit gezicht dan met tonen hoe dergelijke goddelijke heerschappij er uitziet, wat die zou voortbrengen (32:1-8). De identiteit van deze koning die regeert in gerechtigheid (32:1) is niet zo helder als in 11:1-9 (waar Hij de Messias is) of als in 33:22 (waar Hij de Heer is).

Vanuit het perspectief van de christen bestaat er geen spanning tussen die dubbele aanspraak: de ultieme Koning is zowel de Gezalfde uit de geslachtslijn van David als de levende God (zoals in Jes. 9 en Ez. 34).

Hier (in Jes. 32) ligt de focus minder op de identiteit van de koning dan op zijn passie voor gerechtigheid. De transformatie van het gebied is zo compleet dat ‘de ogen der zienden niet meer verblind zijn en de oren der horenden zullen opmerken’ (32:3) – het omgekeerde van 6:9-10.

Maar op dit punt is er geen manier om dergelijke heerlijkheid te bereiken dan via oordeel. Er zal maar een jaar voorbijgaan vooraleer er een verpletterende vernietiging van de oogst komt (32:10) – mogelijk wanneer Sanherib zijn machtige leger binnenleidt nadat het buitengewoon eerbetoon onvoldoende bleek om hem tevreden te stemmen. Erger nog, de stad zelf zal vernietigd worden (32:14) – een gebeurtenis die nog een eeuw verder ligt.

Maar achter dit alles wacht de uitstorting van de Geest (32:15-20) – Gods handelen, dat het volk van God krachtig transformeert – bewerkt met Pinksteren na de opstanding en verheerlijking van Jezus de Messias (Handelingen 2:16-18) en vervuld bij zijn wederkomst (Opb. 11:15-17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 mei 2013

Hij heeft uw ogen, de profeten, toegesloten (Jes. 29)


Deuteronomium 1; Psalmen 81-82; Jesaja 29; 3 Johannes
In het derde grote gedeelte van zijn boek (hoofdst. 28-35) focust Jesaja op de belangrijke kwestie die de monarch van Jeruzalem wacht. Zal het zuidelijke koninkrijk zich tot Egypte wenden wanneer het probeert de agressie van Assyrië het hoofd te bieden, of zal het vertrouwen op de Heer?

De aard van de crisis en de onheilspellende stemmen die aan het hof circuleren overheersen in de hoofdstukken 28-29. De hoofdstukken 30-31 spreken het wee uit over al wie vertrouwt op Egypte: in die richting ligt alleen rampspoed. De hoofdstukken 32-33 schilderen de godsvruchtige oplossing: vertrouw op de levende God die als Koning regeert in het midden van zijn volk.

De twee laatste hoofdstukken van het gedeelte, 34 en 35 tonen respectievelijk de verschroeide aarde van het oordeel dat zal voortkomen uit het vertrouwen op de heidense naties, en de tuin van vreugde die wacht voor wie op de Heer vertrouwen.

Jesaja 29 maakt dan deel uit van de beschrijving van de crisis. Jeruzalem wordt aangesproken als ‘Ariël’ (29:1, 2, 7 – NBG vertaalt de naam, i.t.t. NBV en HSV, met ‘Vuurhaard’, JL). We weten dat dit staat voor Jeruzalem, omdat Ariël beschreven wordt als ‘veste waar David zich legerde’ (29:1).

Die benaming komt bijna zeker van Jesaja; er is geen eerdere vermelding van een vroeger gebruik van dit woord voor Jeruzalem gevonden. ‘Ariël’ is een woordspeling met ‘vuurhaard’ of ‘altaarhaard’ – het vlakke oppervlak op het altaar waar het vuur de offers verteert (vgl. Ez. 43:15). God zegt dat Hij Ariël zal ‘benauwen’ (of belegeren), dat voor Hem zal zijn ‘als een vuurhaard’ (29:2): God zal het vuur van oordeel onder Jeruzalem aansteken.

De tragedie van de situatie ligt in de zuivere blindheid van het volk. Dit is tegelijk hun eigen verdorvenheid en Gods oordeel (29:9-10). Wat God ook openbaart door Jesaja, het volk veegt zijn woorden gewoon van tafel wanneer ze die horen.

De waarheid kunnen ze niet vatten; ze hebben er zelfs geen beschrijvingen voor, want hun harten zijn ver van Gods wegen verwijderd (29:13). Voor hen blijft alles wat Jesaja zegt als verzegelde woorden in een boekrol die ze niet kunnen lezen (29:11-12). Zelfs hun eredienst wordt tot weinig meer dan louter plicht (29:13b).

Dus wanneer God finaal doorbreekt, zal het ‘wonderlijk en wonderbaar’ zijn’, allemaal tot stand gebracht om de pretenties van de ‘wijzen’ en ‘verstandigen’ te beschamen (29:14), die de koning aanraden te doen wat God verbiedt.

De uiteindelijke vervulling van dit patroon vindt plaats in evangelietijden. Paulus verstaat zeer goed hoe iemand zonder de Geest van God het evangelie in grote mate incoherent vindt, hoe de ‘wijzen’ en ‘verstandigen’ met veel bedenkselen komen, geen ervan in lijn met het evangelie (1 Kor. 1:18-31; 2:14).

Ook hier verderft God de wijsheid van de wijzen (1 Kor. 1:19; Jes. 29:14), want zijn weg is wat geen van de wijzen had voorzien: de loutere ‘dwaasheid’ van het kruis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 19 maart 2013

'Als u zich laat besnijden, zal Christus u niets baten' (Gal. 5)


Exodus 30; Johannes 9; Spreuken 6; Galaten 5
Het begin en het slot van Galaten 5 vertellen ons - als we ze samen beschouwen - heel wat over het evangelie dat Paulus predikt.

In het eerste deel probeert Paulus nog altijd om de heidense christen lezers in Galatië te overtuigen dat het toevoegen van Joods erfgoed en Joodse rituelen aan hun christelijk geloof niets kan toevoegen, maar er wel iets van af doet. Als ze zich, in het bijzonder, overgeven aan besnijdenis, dan zal Christus hen ‘van geen nut’ zijn (5:2). Waarom niet? Welk kwaad kon het je te laten besnijden? Paulus legt uit dat de heiden die zichzelf laat besnijden ‘verplicht is de gehele wet na te komen’(5:3).

Dit was de symbolische betekenis van besnijdenis: het was het teken van onderwerping aan het Wetsverbond. Maar die stap zetten verraadt een enorm gebrek aan inzicht in de ware relatie tussen het Wetsverbond en het Nieuwe Verbond dat de Heer Jezus Christus introduceerde.

Het eerste bereidt voor op het tweede, kondigt het aan, en grijpt ernaar vooruit. Maar je toewijden aan het gehoorzamen van de voorschriften van het Wetsverbond staat eigenlijk gelijk met verklaren dat het Nieuwe Verbond dat Jezus door zijn dood verzekerde in zekere zin ontoereikend is.

Deze Galaten, die in het verleden duidelijk verstaan hebben dat mannen en vrouwen die gerechtvaardigd zijn door genade doorheen geloof, nu ‘door de wet gerechtigheid verwachten’, en daarmee meteen ‘los van Christus’ zijn; het betekent niets minder dan afvallen van genade (5:4).

De uiteindelijke gerechtigheid zal op het einde de onze zijn, wanneer Jezus terugkomt. Ondertussen geldt: ‘Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen’ (5:5). De cruciale betekenis van Christus op die manier begrijpen, betekent dat zij die in Christus Jezus geloven – in wat Hij voor ons heeft bewerkt in zijn centrale plaats in de heilsgeschiedenis – heel goed weten dat de besnijdenis zelf volkomen irrelevant is (5:6).

Maar besnijdenis trekt eigenlijk van Christus af als je ze ondergaat vanuit een verlangen om je te onderwerpen aan een verbond dat Christus in bepaalde opzichten voorbijgestreefd heeft gemaakt.

Terwijl Paulus in het eerste deel van het hoofdstuk spreekt over het werk van Christus, schuift hij er een korte vermelding van de Geest in: ‘Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen’ (5:5, cursief toegevoegd).

De Geest is al aan gelovigen gegeven, als gevolg van Christus’ werk. Christenen zijn dan zij die ‘door de Geest het spoor houden’ (5:25, of ‘door de Geest wandelen’, HSV), die de liefelijke vrucht van de Geest vertonen: ‘liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (5:22-23).

Streeft naar deze dingen; er is geen wet tegen ze, en ze staan tegenover de rotte daden van onze zondige natuur (5:19-21; vgl. Spr. 6:16-19) waartegen de Wet zich wel uitsprak maar die ze zelf niet kon overwinnen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 6 maart 2013

We krijgen een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel (2 Kor. 5)


Exodus 17; Lukas 20; Job 35; 2 Korinthiërs 5

Dingen zijn nooit zo goed als ze zouden kunnen zijn. En als ze dan al voor een kort moment zo goed zijn als je je kunt inbeelden, als je dan voor even lijkt de nectar van het leven zelf in te zuigen met elke ademtocht die je in je hebt, dan weet jij net zo goed als ik dat dergelijke hoogtes niet kunnen blijven duren.

Morgen ga je terug naar je werk. Je kunt je job graag doen, maar hij brengt druk met zich mee. Jouw huwelijk mag misschien dicht bij het idyllische aanleunen, maar in een donkere bui vraag je je misschien af hoeveel je niet wilt en kunt delen met je echtgenoot. De warme westenwind die je haar streelt verandert in een tornado die je huis vernielt. Een van je ouders wordt getroffen door de ziekte van Alzheimer; een van je kinderen sterft.

Er valt zoveel te genieten rond je, maar als je begint de kauwen op de filet mignon die je kinderen voor je verjaardag gekocht hebben, denk je aan de miljoenen die elke dag sterven van de honger. Er valt niet te ontkomen aan de harde realiteit dat, hoe wondermooi je ervaringen in deze gebroken wereld ook zijn, anderen lijden onder ervaringen die veel schadelijker zijn, en jij zelf kunt ook nooit geloven dat wat je meemaakt volkomen ideaal is.

Die rusteloosheid is voor ons welzijn. Het is een ontwerpkenmerk dat hoort bij onze samenstelling, bij onze aard als schepselen die gemaakt zijn naar het beeld van God. We zijn gemaakt om de eeuwigheid te bewonen; door constitutie weten we dat we behoren bij iets beters dan een wereld (hoe mooi ook bij momenten) die overspoeld wordt door zonde.

Paulus begrijpt dit punt volkomen (2 Korinthiërs 5:1-5). Hij kijkt vooruit naar de tijd waarin ‘de aardse tent’ (ons huidige lichaam) zal worden afgebroken, en weet dat ‘wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’ (5:1) – ons opstandingslichaam. ‘Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden’ (5:2). Niet dat we wensen dit sterfelijke kleed uit te trekken en willen bestaan in een naakte onsterfelijkheid: dat is niet onze ultieme hoop, ‘omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden’ (5:4).

Dan voegt Paulus eraan toe: ‘God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft’ (5:5). God heeft ons voor zijn doel gemaakt, d.w.z. voor het doel van opstandingsleven, voor ons verzekerd door de dood van zijn Zoon.

Bovendien heeft God ons, in afwachting van de heerlijke vervulling van leven, al zijn Geest gegeven als een onderpand, een soort voorafbetaling van de ultieme erfenis.

Geen wonder dan dat we zuchten in afwachting en ontdekken dat onze zielen rusteloos zijn in deze tijdelijke verblijfplaats die de doodstraf over zich draagt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 25 februari 2013

'Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest' (1 Kor. 12)


Exodus 8; Lukas 11; Job 25-26; 1 Korinthiërs 12
1 Korinthiërs 12 begint met een blok van drie hoofdstukken over tongen, profetie en andere ‘genadegaven’ (charismata) en hun relatie tot de liefde, die de hoogste ‘weg’ is (geen gave) voor een christen. We kunnen op zijn minst de gedachtegang volgen.

Ten eerste bevestigt 1 Korinthiërs 12:4-6 dat er verscheidenheid van gaven is maar slechts één bron. De impliciete verwijzing naar de Drieëenheid is treffend: verschillende gaven, gegeven door dezelfde Geest; verschillende soorten dienst, maar dezelfde Heer (Jezus); verschillende soorten werkingen, maar dezelfde God.

Dit betekent niet dat Paulus deze dingen in vakjes stopt, alsof, bijvoorbeeld, de gaven afkomstig zijn van de Geest, maar niet van Jezus en niet van God. Dit is eerder het middel van de prediker om te benadrukken dat hoe divers deze gaven en genades ook zijn, er slechts één bron is: de drieënige God.

Ten tweede wijdt Paulus verder uit over dit principe van eenheid dat verscheidenheid samenbindt (12:7-12). De verschillende gaven die vermeld worden – spreken met wijsheid, spreken met kennis, geloof, gaven van genezing enzovoort – zijn niet slechts manifestaties van die ene Geest, maar hun primaire doel is het gemeenschappelijk welzijn (12:7).

Dus zowel in bron als doel, dienen ze eenheid in hun diversiteit. Bovendien, hoewel Paulus meteen zal zeggen dat christenen de hoogste gaven moeten nastreven (12:31), benadrukt hij hier dat wat uiteindelijk telt is dat de Geest ze uitdeelt, zoals Hij wil – wat betekent dat er nooit sprake zou mogen zijn van trots deze of gene gift te bezitten, noch van naijver tegenover iemand anders die een gave bezit die jij verlangt.

Ten derde wordt het thema van het hoofdstuk overgebracht in een analogie (12:12-20). Het lichaam is één, maar het bestaat uit vele leden die samen moeten functioneren. De analogie is treffend, want christenen werden allen gedoopt door Christus in één Geest (de Geest is hier het middel in wie christenen gedoopt zijn, niet de uitvoerder van de doop, die Christus is), tot één lichaam, de gemeente.

Alle lichaamsdelen zijn duidelijk nodig: het zou het lichaam niet helpen om bijvoorbeeld niets te zijn dan één gigantische oogbol. Dus moeten de diversiteit en de uitdeling van gaven in de gemeente gekoesterd worden.

Ten vierde volgt er verder uit dat geen deel van het lichaam het recht heeft tot een van de andere lichaamsdelen te zeggen dat het noch gewenst is, noch nodig is (12:21-27). Op een bepaalde manier zouden de minst eervolle delen van het lichaam de hoogste eer moeten krijgen, precies omdat ze die anders ontberen. Er zou zodanig veel empathie moeten bestaan onder de diverse delen dat als er één geëerd wordt, ze dan allemaal geëerd worden; en als er één deel lijdt, dan lijden ze allemaal.

Hoewel de toepassingen voor de kerk duidelijk zijn, doet Paulus de moeite om ze duidelijk uiteen te zetten (12:27-31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 september 2012

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)

2 Samuël 20, 2 Korinthiërs 13, Ezechiël 27, Psalmen 75-76
In veel kerken overal ter wereld - hoewel in vergelijking met elders toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit (Eng.: ‘The grace’).
Zij die samengekomen zijn weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, waarbij ze het vers reciteren waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar dat we er snel overheen lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers herstelt tot gemeenschap met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen zijn de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het heel erg waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en ons denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel moment mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen aan de dag leggen enzovoort. In zekere zin komen genade, liefde en gemeenschap van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit een wijs en liefhebbend hart van God, van wie er gezegd wordt ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.

Prijs God van wie alle zegeningen komen; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 augustus 2012

'De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan' (1 Sam. 16)



1 Samuel 16, Romeinen 14, Klaagliederen 1, Psalm 32


De zalving van David tot Koning over Israël (1 Sam. 16:1-13) is heel interessant, ook al volgt zijn troonsbestijging pas vele jaren later.

(1) Soms zijn profeten en predikers trager om een slechte leider te laten gaan dan de Almachtige God (16:1). Dit is niet omdat wij barmhartiger zijn dan God, maar omdat passiviteit of nostalgie of persoonlijke banden van genegenheid ons verblinden voor de duidelijke schade die de leider aanricht. Hoe groot ook zijn mededogen, God is nooit verblind.

(2) Saul was tot de troon verheven omdat God dit zo bepaald had. Is hij zo dwaas om te denken dat hij God te slim af kan zijn om die positie te kunnen behouden? Het is bijzonder droevig om te ontdekken dat Samuel vreest om de volgende koning te zalven, omdat Saul iedereen zal doden, zelfs een profeet van God, die een bedreiging vormt voor het koningshuis waarvan God zelf verklaard heeft dat het er nooit zal komen.

(3) Saul leek zeer beloftevol toen hij pas tot de troon verheven was. Nu denkt Samuel dat hij koninklijk materiaal bespeurt in de zonen van Jesse – bijvoorbeeld in Eliab, de eerstgeborene. Maar God zegt: ‘Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan’ (16:7). Dit is een les die opnieuw moet geleerd worden, in het bijzonder in onze tijd, want onze tijd houdt meer van beelden dan van realiteit. Zelfs bepaalde predikers wijden meer aandacht aan hoe ze zich ‘succesvol kunnen kleden’ (Eng.: dress for success) en hoe ze een dwingende en autoriteitsvolle stem kunnen ontwikkelen, dan aan het bewaren van een zuiver hart.

(4) De belangrijkste factor in het leven en de dienst van David is de Geest van de Heer die hem ‘aangreep’ (16:13; HSV: vaardig over hem werd). Dit is de normale verwachting van die profeten, priesters, koningen en een aantal andere leiders, die speciale rollen vervulden onder de bepalingen van het oude verbond. Hoe moeilijk het ook is om in dergelijke zaken onderscheidingsvermogen aan de dag te leggen, toch kun je niet genoeg of te luid zeggen dat wat de kerk vandaag nodig heeft, leiders met zalving (Eng.: ‘unction’) zijn – een woord dat de puriteinen graag gebruikten. Dit is wat het ook eenvoudig betekent: zalving (Eng.: ‘anointing’), dit wil zeggen:een zalving door de Geest. Is het teveel gevraagd in een tijdperk waarin onder de bepalingen van het nieuwe verbond, ieder die deel uitmaakt van het verbondsvolk van
God, de Geest ontvangt die werd uitgestort op Pinksteren?

(5) Het kan niet anders dan dat zij die hun Bijbel kennen een bepaalde opwinding voelen bij de eenvoudige woorden van vers 12. Daar vertelt de Heer aan Samuël met betrekking tot David: ‘Sta op, zalf hem, want deze is het’. Ja, David was de man. Hier is het veelbelovende begin van een belangrijke nieuwe stap in de heilsgeschiedenis, een begin dat rechtstreeks leidt naar de meest vooraanstaande van Davids nakomelingen – en tegelijk zijn Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 22 augustus 2012

Stel jezelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst (Rom. 12)


1 Samuel 14, Romeinen 12, Jeremia 51, Psalm 30

Een van de hoofdpunten die Paulus maakt in zijn brief aan de Romeinen, is het feit dat genade volledig kosteloos geschonken wordt, de verbazingwekkende maat van barmhartigheid die zowel Joden als heidenen gewonnen heeft. We zijn beiden schuldig; we zijn beiden gerechtvaardigd, vergeven en vernieuwd, dankzij de onmetelijke barmhartigheid van God.

In het licht van dergelijke ontferming moedigt Paulus zijn lezers aan ‘dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer’ (Rom. 12:1).

We zijn zo gewoon geraakt aan dit vers dat zijn vreemdheid ons niet langer treft. In de oude wereld moest een offerdier om te beginnen natuurlijk levend zijn, maar wat het tot een offer maakt is dat het gedood wordt. Maar Paulus wil dat we onze lichamen offeren als levende offers, dit wil zeggen, als voortdurende ‘offers’ die Gods ontferming beantwoorden door zichzelf toe te wijden aan Hem, niet op de laatste plaats ook onze lichamen. Dergelijke offers zijn ‘heilig en Gode welgevallig’. De idee is, dat in het licht van de onovertroffen ontferming die we ontvingen, Hem welgevallig zijn wel het minste zal zijn dat we voor Hem willen doen.

Dergelijke offers vormen onze ‘redelijke eredienst’. Het adjectief dat weergegeven wordt als ‘redelijke’, staat zowel voor ‘geestelijk’ als ‘redelijk’ of misschien ‘rationeel’. Dit zijn geen offers die gebracht worden in een tempel, beginnend met het aflaten van het bloed, voortgezet met het verbranden van het lichaam en afgewerkt door het selectief eten van het vlees.

De eredienst in het nieuwe verbond is niet langer verbonden met de tempel en de rituele voorschriften van het verbond van de Sinaï. De manier waarop we leven, als respons op de ontferming van God, vormt het hart van de christelijke eredienst of aanbidding.

Willen we weten hoe dit er dan uitziet, toont het tweede vers ons dan de principes van de praktische uitvoering, en de daaropvolgende verzen geven er een concrete vorm aan. Onze lichamen tot levende offers stellen voor God betekent dat we niet langer het patroon van deze wereld volgen, maar veranderd worden door de vernieuwing van ons denken (12:2).

Met andere woorden, het gaat hier niet louter om uitwendig gedrag terwijl we innerlijk in de greep blijven van zorgvuldig gemaskeerde haat, begeerte, bedrog, jaloezie, hebzucht, vrees, bitterheid en hoogmoed. Waar het om gaat is de verandering van de manier waarop we denken, waarbij we ons denken in lijn brengen met de wegen en het Woord van God.

Dit zal alle verandering in gedrag voortbrengen die noodzakelijk is en wijs – en die verandering zal radicaal zijn.
Door die fundamentele verandering zullen we in staat zijn om te beproeven en onderscheiden in onze eigen ervaring wat Gods wil is – en we zullen het ‘goed, welbehaaglijk en volmaakt’ vinden (12:2).

In het licht van Romeinen 8:9 is de motiverende kracht achter deze verandering zonder twijfel de Geest van God. Maar die geweldige waarheid sluit onze inzet niet uit; ze vormt er de krachtbron van.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 31 juli 2012

Geestesgaven zijn nooit een excuus voor persoonlijke zonde (Richteren 14)



Richteren 14, Handelingen 18, Jeremia 27, Markus 13

Sommigen van ons hebben zich afgevraagd waarom God occasioneel duidelijk gebrekkige mensen gebruikt in krachtig dienstwerk. Dit wil niet zeggen dat God alleen volmaakte mensen zou moeten gebruiken, want dit zou betekenen dat hij géén mensen zou gebruiken. Noch refereer ik naar het feit dat wij allen allerhande zwakheden en fouten hebben. George Whitefield bijvoorbeeld, deed het ondanks zijn enorme aanzien als prediker en evangelist, niet al te goed op het huwelijksfront, of in zijn (misleide) overtuiging dat zijn zoon zou genezen van zijn dodelijke ziekte. Vrijwel iedere christen leider, of uit bijbelse tijden of uit de meer recente geschiedenis, kon niet blijven staan onder de drieste aanvallen van dit soort kritiek.

Nee, waar ik aan denk is de afwijking die zo publiek is en vreselijk dat het iemand de volgende twee vragen doet bedenken: (a) Indien deze persoon zo krachtig en godvrezend is, vanwaar dan die lelijke fout? (b) Indien deze persoon zo vervuld is met de Geest, waarom doet diezelfde Geest hem dan zijn daad niet opruimen?

Er zijn geen eenvoudige antwoorden. Soms is het slechts een kwestie van tijd. Judas Iscariot was uiteindelijk betrokken in publieke dienst met de elf andere apostelen – zelfs in een dienst van wonderen – maar met de tijd bleek hij afvallig. Het verloop van de tijd deed hem door de mand vallen. Maar soms zijn de afwijkingen er vanaf het begin tot het eind.

Dit blijkt waar, zo lijkt het, in het leven van Simson. De Geest van God kwam krachtig over hem; de Here gebruikte hem om de Filistijnen te bedwingen. Maar wat doet hij als hij een Filistijnse vrouw huwt, wanneer de Wet strikt verbood om iemand te huwen van buiten de verbondsgemeenschap (Richteren 14:2)? Wanneer zijn ouders hem waarschuwen voor de gevolgen, gaat hij er gewoon tegenin, en zij berusten erin (14:3). Het is waar, zij wisten niet ‘dat dit zo door de HERE beschikt was’ (14:4), op dezelfde manier als het verkopen van Jozef als slaaf van de Heer was; maar dit praatte die menselijke daden daarom nog niet goed.

Simsons gewaagde raadsel (14:12-13) is meer verwaand en hebzuchtig dan het wijs en eerbaar is. Natuurlijk zijn de Filistijnen echt wreed in deze zaak (14:15-18, 20), maar wanneer Simson dertig mannen vermoordt om aan de bepalingen van de weddenschap te voldoen wordt hij minder gemotiveerd door een verlangen om het land te reinigen en het verbondsvolk in zijn kracht te herstellen, dan door persoonlijke wraak.

Gelijkaardige opmerkingen kunnen gemaakt worden over zijn taktieken in het volgende hoofdstuk, en over zijn stomende leven in het hoofdstuk daarna.
Het lijkt er daarom wel op dat kracht van de Geest in een dimensie van het leven, op zichzelf geen garantie is voor Geestgedreven discipline en maturiteit in elke dimensie van het leven.

Daaruit volgt dat het aanwezig zijn van Geestesgaven nooit een excuus is voor persoonlijke zonde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 29 juli 2012

Kom over en help ons (Hd. 16)



Richteren 12, Handelingen 16, Jeremia 25, Markus 11

Drie opmerkingen over deze stappen in de dienst van Paulus en Silas (Handelingen 16):

(1) Om de ‘Macedonische roeping’ van Paulus te begrijpen (16:6-10), moet je zijn bewegingen op een kaart kunnen volgen. Na het centrale deel van wat nu Turkije is, doorreisd te hebben, verhindert de Geest Paulus en Silas om Asia in te trekken (16:6), d.w.z. Klein-Azië, het westelijke deel van het huidige Turkije. Dus reizen ze naar het noorden. Nu proberen ze Bitynië in te trekken (16:7). Waren ze daartoe in staat geweest, dan bevonden ze zich op de belangrijkste oost-westverbinding die het Romeinse Rijk verbond met Indië – richting het oosten. Maar de ‘Geest van Jezus’ verhindert dat ze die stap nemen (16:7), en dus trekken ze in de enige richting die nog voor hen open ligt langs de wegen van die tijd: ze trekken richting de havenstad Troas. Van daaruit ligt er maar een bestemming voor de hand: over het water naar Europa. Tijdens de nacht krijgt Paulus een visioen van een man in Macedonië, de meest nabijgelegen landstrook van Europa, die hem smeekt: ‘Steek over naar Macedonië en help ons’ (16:9). Dit bevestigt Paulus en Silas in hun bewegingen; het zet hen niet in een andere richting. Het resultaat is dienstwerk op het Europese continent en uiteindelijk een pad naar Rome.

(2) De eerste bekeerling in Europa was een vrouw, een intercontinentale zakenreiziger uit Tyatira. Merk de beschrijving van haar bekering op en daarna de beschrijving van die van de gevangenbewaarder in Filippi: ‘de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd’ (16:14); ‘hij (was) met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen’ (16:34). Laten we beide uitdrukkingen vandaag gebruiken.

(3) De moeite waard om over na te denken zijn de gelegenheden waarin Paulus staat op zijn Romeins staatsburgerschap, en wanneer hij dit niet doet. Soms wordt hij geslagen zonder een woord van protest. In Filippi worden aan Paulus en Silas ‘vele slagen gegeven’ (16:23-24), schijnbaar zonder dat ze protesteren. Romeinse staatsburgers waren uitgesloten van zweepslagen zolang ze niet schuldig waren bevonden aan de misdaad die hen ten laste werd gelegd. Maar wanneer de gevangenbewaarder wordt opgedragen de gevangenen los te laten, protesteert Paulus dat hij en Silas, beiden staatsburgers, gegeseld werden zonder voorafgaand proces en hij staat erop dat de hoofdlieden van de stad naar hen toekomen en uit de gevangenis leiden als een soort publieke verontschuldiging (16:37-39).
Waarom niet eenvoudig in stilte lijden, niet in het minst omdat dit is wat ze soms doen? Het valt moeilijk te bewijzen, maar velen hebben geloofwaardig geargumenteerd dat Paulus op zijn rechten staat wanneer hij door zo te handelen denkt dat hij wettelijke precedenten kan scheppen die andere christenen kunnen helpen. Elke zaak in de boeken waarin van christenen blijkt dat ze onschuldig zijn of onschuldig aan publieke oproer of geen bedreiging vormen voor het Romeinse Rijk, kan maar een nuttig wettelijk precedent zijn. Als dit juist is, is het een teken van strategische visie – in het belang van anderen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 15 juli 2012

'Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees' (Hd. 2)



Jozua 22, Handelingen 2, Jeremia 11, Mattheüs 25


Handelingen 2 wordt soms de geboortedag van de kerk genoemd. Dit kan misleidend zijn. In zekere zin kan de gemeenschap van het oude verbond ook terecht als kerk bestempeld worden (7:38 – NBV: ‘vergadering’; HSV: ‘samenkomst’). Toch is er een nieuwe start die begint op die dag, een start verbonden met de universele gave van de Heilige Geest, in vervulling van de Schrift (2:17-18) en ten gevolge van Jezus’ verhoging tot de rechterhand van God (2:33-34). De kritieke gebeurtenis die deze onschatbare zegen voortbracht is de dood, opstanding en verhoging van Jezus Christus; deze gebeurtenis was zelf voorzien door de vroegere Schrift.

Een van de dingen die treffend zijn aan Petrus’ toespraak, nog los van zijn volledigheid, moed, directheid en gepassioneerde vuur, is de manier waarop de apostel, zelfs in deze vroege fase van het openbare dienstwerk in post-opstandingstijdperk, omgaat met wat wij de Oudtestamentische Schrift noemen. Zijn gebruik van de Schrift in deze Pinkstertoespraak is te rijk en veelkleurig om in detail te ontleden. Maar merk het volgende op:

(1) Eens te meer is er een David-typologie (2:25-28, citaat van Ps. 16:8-11). Maar hier is er ook een klein staaltje van apostolisch redeneren in dit verband. Hoewel het mogelijk is om 2:27 (‘omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien’) te lezen als Davids overtuiging dat God hem op dit punt niet zal laten omkomen, maar de taal is zo buitensporig en Davids typologische rol zo gewoon, dat Petrus benadrukt dat deze woorden naar iets meer moeten verwijzen: een grotere dan David zal behoorlijk letterlijk niet aan het dodenrijk overgelaten worden en zal geen ontbinding ondervinden. David was uiteindelijk een profeet. Of hij dan in dit geval zoals Kajafas (Joh. 11:50-52) beter sprak dan hij zelf besefte, hij wist wel minstens dat God ‘hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten’ (2:30).

(2) De profetie van Joël (Hd. 2:17-21; zie Joël 2:28-32) is meer uitgesproken, in die zin dat het een geval is van woordelijke voorzegging en niet teruggrijpt naar typologie. De voor de hand liggende betekenis is dat Petrus in de gebeurtenissen van Pinksteren de vervulling ziet van deze woorden: de ‘laatste dagen’ (2:17) zijn gekomen. (Of de zon die verandert in duisternis en de maan in bloed, beiden gebeurtenissen zijn die verbonden zijn met de donkere uren waarin Jezus aan het kruis hing, of een voorbeeld van Hebreeuwse natuursymboliek mag ons hier niet afleiden). Deze Oudtestamentische passage is een van een handvol teksten die de komst van de Geest voorzeggen, of het schrijven van Gods wet op onze harten, maar in elk geval verbondsbrede persoonlijke transformatie in de laatste dagen (bijv. Jer. 31:31 e.v.; Ez. 36:25-27).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org