Posts tonen met het label gemeenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gemeenschap. Alle posts tonen

dinsdag 2 december 2014

'Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u' (1 Joh. 1)


2 Kronieken 1; 1 Johannes 1; Micha 7; Lukas 16

De openingsparagraaf van 1 Johannes 1 bevat heel wat schatten. Ik wil focussen op vers 3, met een zijdelingse blik naar vers 4.

Terwijl we aannemen dat de apostel Johannes de auteur is, is de ‘wij’ die hier instaat voor de verkondiging, hoogstwaarschijnlijk een editoriale ‘wij’, of een wij die zelfbewust spreekt vanuit de kring van apostolische getuigen. In dit verband moet die dus onderscheiden worden van de ‘wij’ van alle christenen; hij verschilt in het bijzonder van de ‘u’ die de lezers omvat: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

De twee voorafgaande verzen specificeren wat Johannes en de andere getuigen gezien en gehoord hebben. Het is niets minder dan de Incarnatie: ‘Hetgeen was van den beginne’ (1:1), van den beginne een met God, was niets anders dan wat in de echte geschiedenis gebeurde en bij herhaling gehoord, gezien en aangeraakt werd.

Het eeuwige Woord werd mens (1:14 in het evangelie van Johannes); hier is het ‘Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is’ (1:2 [NBV]). Zo herhaalt Johannes: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

Er is geen christendom zonder de Incarnatie. Bovendien is de Incarnatie niet een soort vage notie van het goddelijke dat zich identificeert met het menselijke.

Het is onverminderd concreet: het Woord dat bij God was en dat God was werd vlees (zoals Johannes elders schrijft, 1:1, 14 in het evangelie van Johannes). Dat is fundamenteel in de tijd van Johannes, wanneer hij hen bestrijdt die veronderstellen dat hetgeen werkelijk geestelijk is wel menselijk vlees kan aandoen, maar niet een mens kan worden; het is fundamenteel vandaag wanneer we een filosofische naturalist bestrijden die beweert dat de enige realiteit bestaat uit hetgeen het geheel van ruimte en tijd beslaat.

Johannes vertelt zijn lezers dat hij hen deze waarheid verkondigt, ‘opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’ (1:3). Gemeenschap in het Nieuwe Testament is meer dan warme wolligheden. Het is toegewijd partnerschap, waarin persoonlijke belangen ondergeschikt zijn aan de gezamenlijke missie.

De eerste getuigen traden toe tot de gemeenschap ‘met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’. De lezers van Johannes kunnen toetreden tot deze gemeenschap door de gemeenschap met de apostelen binnen te treden. Dat is waarom Johannes verkondigt wat hij heeft gezien en gehoord.

De apostelen geven het evangelie aan anderen door. Wij kunnen niet intreden in de gemeenschap met God en met zijn Zoon Jezus Christus, zonder in gemeenschap te komen met de apostelen die de eerste getuigen waren van de Incarnatie

Niets van dit alles bewerkt bedompte religie. Johannes schrijft om ‘onze’ of ‘uw’ blijdschap volkomen te maken (1:4): welk van beide nu de originele versie is, ze vertelt op dit punt de waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 december 2012

'Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u' (1 Joh. 1)



2 Kronieken 1, 1 Johannes 1, Micha 7, Lukas 16
De openingsparagraaf van 1 Johannes 1 bevat vele schatten. Ik wil focussen op vers 3, met een zijdelingse blik naar vers 4.

Terwijl we aannemen dat de apostel Johannes de auteur is, is de ‘wij’ die hier instaat voor de verkondiging, hoogstwaarschijnlijk een editoriale ‘wij’, of een wij die zelfbewust spreekt vanuit de kring van apostolische getuigen. In dit verband moet die dus onderscheiden worden van de ‘wij’ van alle christenen; het verschilt in het bijzonder van de ‘u’ die de lezers omvat: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

De twee voorafgaande verzen specifiëren wat Johannes en de andere getuigen gezien en gehoord hebben. Het is niets minder dan de incarnatie: ‘Hetgeen was van den beginne’ (1:1), van den beginne een met God, was niets anders dan wat in de echte geschiedenis gebeurde en bij herhaling gehoord, gezien en aangeraakt werd.

Het eeuwige Woord werd mens (1:14 in het evangelie van Johannes); hier is het ‘Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is’ (1:2, NBV). Zo herhaalt Johannes: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

Er is geen christendom zonder de incarnatie. Bovendien is de incarnatie niet een soort vage notie van het goddelijke dat zich identificeert met het menselijke. Het is onverminderd concreet: het Woord dat bij God was en dat God was werd vlees (zoals Johannes elders schrijft, 1:1, 14 in het evangelie van Johannes).

Dat is fundamenteel in de tijd van Johannes, wanneer hij hen bestrijdt die veronderstellen dat hetgeen werkelijk geestelijk is wel menselijk vlees kan ààndoen, maar niet een mens kan wórden; het is fundamenteel vandaag wanneer we een filosofische naturalist bestrijden die beweert dat de enige realiteit bestaat uit hetgeen het geheel van ruimte en tijd beslaat.

Johannes vertelt zijn lezers dat hij hen deze waarheid verkondigt, ‘opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’ (1:3). Gemeenschap in het Nieuwe Testament is meer dan warme wolligheden. Het is toegewijd partnerschap, waarin persoonlijke belangen ondergeschikt zijn aan de gezamenlijke missie.

De eerste getuigen traden toe tot de gemeenschap ‘met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’. De lezers van Johannes kunnen toetreden tot deze gemeenschap door de gemeenschap met de apostelen binnen te treden. Dat is waarom Johannes verkondigt wat hij heeft gezien en gehoord. De apostelen geven het evangelie aan anderen door. Wij kunnen niet intreden in de gemeenschap met God en met zijn Zoon Jezus Christus, zonder in gemeenschap te komen met de apostelen die de eerste getuigen waren van de incarnatie

Niets van dit alles bewerkt bedompte religie. Johannes schrijft om ‘onze’ of ‘uw’ blijdschap volkomen te maken (1:4): welk van beide nu de originele versie is, ze vertelt op dit punt de waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 september 2012

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)

2 Samuël 20, 2 Korinthiërs 13, Ezechiël 27, Psalmen 75-76
In veel kerken overal ter wereld - hoewel in vergelijking met elders toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit (Eng.: ‘The grace’).
Zij die samengekomen zijn weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, waarbij ze het vers reciteren waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar dat we er snel overheen lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers herstelt tot gemeenschap met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen zijn de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het heel erg waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en ons denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel moment mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen aan de dag leggen enzovoort. In zekere zin komen genade, liefde en gemeenschap van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit een wijs en liefhebbend hart van God, van wie er gezegd wordt ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.

Prijs God van wie alle zegeningen komen; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.