Posts tonen met het label Jeruzalem. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeruzalem. Alle posts tonen

woensdag 10 september 2014

'De HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden' (2 Sam. 4-5)

2 Samuël 4-5; 1 Korinthiërs 15; Ezechiël 13; Psalmen 52-54

De schrijver van 2 Samuël (van wie we de identiteit niet kennen) vindt het duidelijk belangrijk om de verschillende stappen op te tekenen waardoor David aan het hoofd komt van heel Israël.

In de canon is dit belangrijk omdat dit het begin is van het Davidische koningshuis dat rechtstreeks leidt naar ‘de grote David zijn grotere Zoon’ (zie de overdenking van 17 mei). Binnen dit kader wil ik nadenken over diverse kenmerken van deze twee hoofdstukken (2 Sam. 4-5).

(1) Het is behoorlijk verbazingwekkend om te merken hoe David bereid was te wachten op de troon, zonder het soort acties te ondernemen dat hem sneller zou verzekeren van de troon. Niet minder indrukwekkend is zijn positie tegenover Isboset. De moordenaars van Isboset, Baäna en Rekab, die denken met hun boosaardige moordaanslag (in lijn met de gebruiken uit die tijd) een wit voetje te halen bij de rijzende ster, maar leren dat Davids toewijding aan gerechtigheid hun executie verzekert.

De enige lichtelijk zure ondertoon is de dubbele moraal: deze moordenaars krijgen een rechtvaardige straf voor hun misdaad (2 Sam. 4), terwijl in het voorgaande hoofdstuk de moordenaar Joab, omwille van zijn macht, weliswaar publiek wordt beschaamd, maar niet de doodstraf krijgt.

(2) Dit boek geeft zorgvuldig weer hoe ‘alle stammen van Israël’ (5:1) bij David komen in Hebron en hem uitnodigen om hun koning te worden. In Gods voorzienigheid brengt de boosaardige moord door Baäna en Rekab de vervulling van Gods belofte aan David tot stand.

(3) Davids inname van Jeruzalem (5:6-12) moet worden opgetekend, want dit wordt niet alleen Davids hoofdstad maar wordt na verloop van tijd ook de rustplaats voor de tabernakel. Tijdens de regering van zijn zoon Salomo zal het ook de locatie voor de tempel worden. Enorm belangrijke theologische kwesties draaien om Jeruzalem en de tempel. Die worden achtereenvolgens aangehaald door de profeten (voor en na de ballingschap), door Jezus zelf en door de schrijvers van het Nieuwe Testament. Denk bijvoorbeeld na over Johannes 2:13-22, Galaten 4:21-31, Hebreeën 9 en 12:22-23 of Openbaring 21-22.

(4) Bovenal, wanneer de Israëlieten David uitnodigen om hun koning te worden, zeggen ze: ‘En de HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden en vorst over Israël zijn’ (5:2). Het ‘herder’-thema is omvangrijker dan het ‘vorst’-thema en wordt op verschillende manieren uitgewerkt. Bij aanvang van de ballingschap hekelt God de valse ‘herders’ die meer geïnteresseerd zijn in het kaalplukken van de schapen dan in het beschermen en voeden van de kudde (Ezech. 34) – een fenomeen dat ons ook vandaag niet onbekend is.

Zo belooft God herhaaldelijk dat Hijzelf de herder van zijn volk zal zijn; ja, Hij zal zijn dienstknecht ‘David’ aanstellen (drieëneenhalve eeuw na Davids dood!) om hun herder te zijn (Ez. 34:23-24; zie de overdenking voor 20 maart). In de volheid van de tijd, verklaart de rechtmatige erfgenaam uit de lijn van David ‘Ik ben de goede herder’ (Joh. 10:11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 14 maart 2014

Ware aanbidding (Ex. 25 en Joh. 4)


Exodus 25; Johannes 4; Spreuken 1; 2 Korinthiërs 13
Exodus 25 en Johannes 4 zijn canoniek met elkaar verbonden.

Het eerste [van bovenstaande schriftgedeeltes] vormt het begin van de instructies voor de bouw van de tabernakel en haar toebehoren (Ex. 25-30). De tabernakel is de voorloper van de tempel, gebouwd in Salomo’s tijd.

Herhaaldelijk zegt God in deze hoofdstukken ‘Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is’ (25:40) of ‘Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd’ of iets dergelijks.

De brief aan de Hebreeën haakt in op dit punt. De tabernakel en de tempel waren geen willekeurige ontwerpen; ze weerspiegelden een hemelse realiteit. ‘Zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: “Let erop,” staat er immers, “dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is”’ (Hebr. 8:5).

Johannes 4 toont ons Jezus in gesprek met een Samaritaanse vrouw. Samaritanen geloofden dat de gepaste plaats om God te aanbidden niet Jeruzalem was, waar de tempel staat, maar de bergen Gerizim of Ebal, aangezien dit de laatste plaatsen waren die voor dergelijke aanbidding werden aangeduid toen het volk het land binnenkwam (Deut. 11:29; Joz. 8:33).

Ze aanvaardden de teksten betreffende de monarchie niet als Schrift. De vrouw wil weten wat Jezus denkt: zijn deze bergen, dichtbij waar ze stonden, de gepaste plaats voor aanbidding, of is dat Jeruzalem (Joh. 4:20)?

Jezus benadrukt dat de tijd aanbreekt dat geen van deze plaatsen zal voldoen (4:21). Dit betekent niet dat Jezus het Samaritaanse alternatief ziet als gelijkwaardige adelbrieven bezittend als Jeruzalem. Integendeel: in dit debat staat Hij in het kamp van de Joden, aangezien zij degenen zijn die de volle breedte van de Oudtestamentische Schrift volgen, inclusief de verhuis vanuit de tabernakel naar de tempel in Jeruzalem (4:22).

‘Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders’ (4:23).
Dit betekent:

(1) Met de komst van Christus Jezus en het aanbreken van het nieuwe verbond, zal gepaste aanbidding niet langer verbonden zijn met een specifieke geografische plaats. Impliciet kondigt dit de veroudering van de tempel aan. Aanbidding zal geografisch even uitgestrekt zijn als de Geest, als God zelf die geest is (4:24).

(2) Aanbidding zal niet slechts ‘in geest’ zijn, maar ook ‘in waarheid’. In de context van dit evangelie betekent dit niet dat aanbidding oprecht moet zijn (‘waarachtig’ in die zin); maar wel dat het in lijn moet zijn met wat finaal beschouwd waar is, de loutere manifestatie van waarheid, Jezus Christus zelf. Hij is het ‘ware licht’ of ‘waarachtige licht’ (1:9), de ware tempel (2:19-22), het ware brood uit de hemel (6:25 e.v.), en meer. Ware aanbidders aanbidden in geest en in waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 7 oktober 2013

In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg (Ez. 40)


1 Koningen 10; Filippenzen 1; Ezechiël 40; Psalm 91
Op Ezechiël 29:17-21 na, vinden de negen hoofdstukken voor ons, Ezechiël 40-48, later plaats dan de andere gezichten en godsspraken waaruit het boek bestaat. Zoals het boek begint met een gezicht, zo eindigt het er ook met een.

Hoewel dit gezicht dermate los staat van de rest van het boek dat sommigen het beschouwen als een appendix, zijn er niettemin een aantal dramatische verbanden.

In het gezicht van 8:1-11:25 zag Ezechiël de heerlijkheid van God de tempel verlaten; nu is hij getuige van de heerlijkheid die terugkeert en de nieuwe tempel vult (43:5). In de jaren die volgden op de catastrofale val van Jeruzalem heeft Ezechiël het volk vertroost met de belofte van een terugkeer naar het land en tot God; in bepaalde opzichten moet dit visioen van een tempel bemoediging en hoop gegeven hebben.

Maar dit maakt nog niet dat dit gezicht eenvoudig kan begrepen worden. Vandaag zal ik eerder in grote lijnen de gedachtestroom uitleggen, niet alleen van Ezechiël 40 maar van deze negen hoofdstukken. Morgen zal ik vier belangrijke uitleggingen uiteenzetten en deze aanduiden waarvan ik denk dat ze het dichtst staat bij wat de Schrift zegt.

In het vijfentwintigste jaar van zijn ballingschap (rond die tijd was hij ongeveer vijftig), wordt Ezechiël in een gezichtservaring meegevoerd naar ‘een zeer hoge berg’ (40:2), dicht bij wat de heilige stad blijkt te zijn. Waarschijnlijk wordt de berg Sion bedoeld.

Een engelenfiguur geeft hem een rondleiding rond het tempelgebied, terwijl hij onderweg alles opmeet. Hij begint met een gedetailleerde studie van de oostpoort tot de buitenste voorhof (40:6-16). Dit wordt snel gevolgd door de voorhof zelf, twee andere poorten tot de voorhof (noorden en zuiden), en dan poorten tot de binnenste voorhof (40:17-37).

Er zijn geen poorten aan de westzijde, omdat de tempel zelf hier gesitueerd is. Na een korte ronde langs het offergereedschap en de kamers die voorbehouden zijn aan de offerende priesters (40:38-47), krijgt Ezechiël een nogal gedetailleerde beschrijving van de tempel (40:48—41:26), gevolgd door een overzicht van het tempelgebied met bijzondere aandacht voor de kamers van de priesters (42:1-20).

De heerlijkheid van God komt de tempel binnen, en Ezechiël krijgt te horen wat hij moet doen met deze informatie (43:1-12). De rest van hoofdstuk 43 gaat over het offeraltaar en hoe het moet gebruikt worden (43:13-27).

De hoofdstukken 44 en 45 geven de bepalingen voor het organiseren van de tempel (vooral met betrekking tot de Levieten en Zadokieten), en dan voor de verdeling van het land rond de tempel.

Meer rituele bepalingen volgen (45:18—46:24). Ezechiël 47:1-12 beschrijft een waterstroom vanuit het heiligdom die leven brengt in de kale Dode Zee-vallei. De rest van het gezicht verdeelt het land over de twaalf stammen en duidt de poorten van de stad aan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 30 september 2013

Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël (Ez. 33)


1 Koningen 2; Galaten 6; Ezechiël 33; Psalmen 81-82
Ezechiël 33 vormt een keerpunt in het boek. De hoofdstukken 33-37 brengen verslag uit over profetieën die gerelateerd zijn aan de val van Jeruzalem. Hoewel de waarschuwingen en oproepen tot bekering doorgaan, hoor je nu een opkomende noot van vertroosting.

Zo lang de ballingen moeilijk konden geloven dat Jeruzalem zou vallen, was Ezechiël een en al waarschuwing. Eens de val plaatsgevonden, geeft God Ezechiël in zijn genade woorden die de ballingengemeenschap zullen vertroosten, hun geloof zullen voeden en hun begrip en wil zullen sterken.

Vooraleer we dit keerpunt bereiken, keert de eerste helft van het hoofdstuk terug naar een thema dat het eerst werd ingeleid in 3:16-21: Ezechiël als wachter. Het thema keert terug omdat Ezechiël nu een nieuwe fase in zijn bediening begint. In zekere zin wordt hij opnieuw aangesteld.

Tegelijk biedt het nieuws dat hij moet overbrengen over de val van Jeruzalem het volk een nieuwe kans om zich te bekeren en God te vertrouwen. Zo valt de eerste helft van het hoofdstuk (33:1-20) op een natuurlijk manier uiteen in deze twee thema’s.

Aan de ene kant herinnert God de profeet aan zijn vreselijke verantwoordelijkheid als wachter (33:1-9). Hij is vastbesloten om een beetje afgezonderd te blijven van zijn medeballingen. Hij moet de wacht houden, naar God luisteren en trouw verkondigen wat God hem opdraagt, terwijl hij waarschuwt voor de oordelen die komen en oproept tot geloof in Gods trouw.

Aan de andere kant is het volk geroepen om gehoor te geven aan de waarschuwingen van de wachter (33:10-20). Ze mogen niet vertrouwen op hun eigen gerechtigheid en mogen niet vervallen in fatalisme.

De gepaste reactie is altijd om acht te geven op Gods wachter, want God zelf is degene die verklaart: ‘Zo waar ik leef (…) de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft. Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om, want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?’ (33:11).

Zo komt het nieuws: Jeruzalem is gevallen (33:22). Ezechiël wordt nu vrijgelaten uit de stilte die God hem eerder had opgelegd: hij kan openlijk converseren en andere dingen zeggen dan wat hem als profeet gegeven was. Maar alles wat hij in de rest van dit hoofdstuk zegt zijn nog meer woorden van de Heer.
Hij heeft twee thema’s.

(a) Wat de mensen betreft die bij de ruïnes van Jeruzalem zijn achtergebleven, zij zijn altijd de optimisten. Zij denken dat ze zichzelf weer zullen oprichten, hoewel ze hun zonden niet hebben afgezworen. Dus zal God doorgaan hen te tuchtigen tot er alleen nog maar woestenij is, zodat ze zullen leren dat Hij de Heer is (33:23-29).

(b) Wat de ballingen betreft tot wie Ezechiël zich rechtstreeks richt, zij hebben geleerd om met plezier naar hem te luisteren, zoals iemand luistert naar een begaafd redenaar – maar ze hebben niet geleerd om berouw te tonen.

Waar vinden we vandaag de nauwste overeenkomsten met dergelijke standpunten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 september 2013

Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal (Ez. 5)

1 Samuël 26; 1 Korintiërs 7; Ezechiël 5; Psalmen 42-43
In Ezechiël 5 breidt Ezechiël zijn lijst van parabolische acties nog met een actie uit, en dan zet hij Gods woord uiteen met hun betekenis.

Ezechiël scherpt een zwaard en gebruikt het als een scheermes. Hij scheert zijn hoofd, baard en alles. Nadat hij er een paar strengen van in zijn kleren heeft gebonden, verdeelt hij de rest in drie hoopjes. Het eerste legt hij in de stad (d.w.z. op de kleitablet die model staat voor de stad Jeruzalem, 4:1) en hij steekt de haren in brand, misschien met een brandende kool.

Een ander derde deel strooit hij uit rond de stad, en hakt ze dan fijn met zijn zwaard tot er maar minieme deeltjes van overblijven.

Het laatste derde deel strooit hij in de wind, enkele haartjes per keer, tot ze allemaal weggewaaid zijn. Enkele van de haren die in zijn kleren waren gebonden haalt hij nu uit en strooit ze op de smeulende kool en assen binnen het stadsmodel, en ook die vatten vlam en verteren.

De betekenis van dit alles wordt uiteengezet in 5:12: een derde van het volk zal omkomen binnen de stad (door de hongersnood van de belegering), een derde deel zal door het zwaard sterven bij de finale uitval, en het resterende derde deel zal verstrooid worden in ballingschap.

Het volledige hoofdstuk benadrukt dat het God zelf is die dit oordeel over zijn volk zal brengen: onderstreep elke keer er ‘Ik’ staat in 5:8-17. Dit is wat er gebeurt als de Heer schiet om te doden (5:16). ‘Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal’ (5:9); deze formulering betekent dat dit oordeel zo erg is als tijdelijke oordelen maar kunnen zijn.

Jezus zelf gebruikt vrijwel dezelfde woorden als het gaat over het komende oordeel over Jeruzalem in zijn eeuw (Mt. 24:21).

God zegt dat zijn toorn moet uitgestort worden. Maar deze toorn is geen onbeheersbare woedeuitbarsting. God benadrukt dat wanneer het oordeel ten volle uitgestort wordt, zijn grimmigheid gestild zal worden en zijn woede gekoeld (5:13).

Deze uitbarsting van toorn maakt deel uit van een reeks uitgesproken uitbarstingen van toorn van de zondeval af: de vloek in Genesis 3, de zondvloed, Babel, de slavernij in Egypte, diverse oordelen in de woestijn (inclusief het ronddolen in de woestijn gedurende veertig jaar), enzovoort.

In cycli van oordeel die overeenstemmen met cycli van bijzonder schandelijke zonde, giet God zijn toorn uit. Dit maakt allemaal deel uit van de noodzakelijke Bijbelse theologie achter Romeinen 3:20-26: er is geen oplossing voor de dreiging van Gods rechtvaardige toorn over zijn schepselen die tegen Hem in opstand zijn gekomen – tot de persoon van zijn God-Zoon zelf de toorn op zich neemt die wij verdienen, waarbij Hij zijn gerechtigheid bewaart terwijl Hij ons rechtvaardigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 30 juni 2013

Jullie die een beroep doen op de HEER, gun jezelf geen rust (Jes. 62)


Jozua 2; Psalmen 123-125; Jesaja 62; Matteüs 10
Veel van de poëzie uit Jesaja 62 sluit aan bij de omstandigheden van het aardse Sion. Maar de taal is zo verheven en de beloften zo veelomvattend dat het spoedig duidelijk wordt dat gedoeld wordt op veel meer dan de wederopbouw van het tastbare Jeruzalem van na de ballingschap.

Aan het eind van hoofdstuk 61 verheugt Jesaja zich in de overwinning van de Knecht-Messias die het volk van God verandert. Hier is Jesaja nog altijd aan het woord, en dan is het in toenemende mate de soevereine Heer die in dit hoofdstuk spreekt.

Aanvankelijk zegt Jesaja dat hij, in het licht van de heerlijke beloften voor Sion, ‘niet zal zwijgen’ tot Sions vrede en heerlijkheid gevestigd zijn. Dit betekent meer dan dat Jesaja zal voortgaan met zijn trouwe verkondiging.

In de taak van de ‘wachters’ die geposteerd waren op de muren van Jeruzalem (62:6) zit vervat dat je waarschuwt voor aankomend oordeel waar er geen bekering is, of waar er gedachteloos in zonde teruggevallen wordt (vgl. Ez. 33).

Maar indien er horizontale verkondiging is – d.w.z. dat er tot het volk gepredikt wordt – dan is daar ook verticale voorbede: ‘Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde’ (62:6-7).

Zoals Daniël voorbede doet bij God in het licht van de beloften die God zelf gedaan had (Dan. 9), wil Jesaja dat trouwe mannen en vrouwen tot God zullen bidden, terwijl ze Hem geen rust zullen gunnen tot al deze heerlijke beloften met betrekking tot Sion vervuld zijn. Hier vind je dus een oproep tot hartstochtelijke en aanhoudende voorbede: ‘uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde’ (Mt. 6:10).

Dit Sion zal ‘met een nieuwe naam’ genoemd worden (62:2, 12); het zal een nieuwe identiteit hebben. Het zal niet langer genoemd worden ‘Verlatene’ en ‘Woestenij’; nu zal het ‘Mijn Welgevallen’ en ‘Gehuwde’ genoemd worden (62:4) –wat weer de grootse typologie oppikt die we zo vaak in het Oude Testament vinden: de soevereine Heer is de echtgenoot, het verbondsvolk, hier voorgesteld door Sion, is de bruid (vgl. 62:5).

Vers 12 pakt uit met nog meer namen: ‘Het heilige Volk’, ‘De Verlosten des HEREN’ (wat ons weer herinnert aan hoe ze veranderd zijn); ‘Begeerde’, ‘Niet verlaten Stad’. Dit is veel meer dan het tastbare Jeruzalem na de ballingschap. Dit is het verbondsvolk zelf, en deze gemeenschap heft een banier op ‘voor de volken’ (62:10, NBV).

Dit is een vooruitblik naar ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26-27, waar Jesaja geciteerd wordt), van ‘de berg Sion’, ‘het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God’ (Heb. 12:22), van ‘de heilige stad, een nieuw Jeruzalem’, ‘getooid als een bruid, die voor haar man versierd is’ (Opb. 21:2).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 15 juni 2013

Daal af, en zet u neer in het stof, jonkvrouw, dochter van Babel (Jes. 47)


Deuteronomium 20; Psalm 107; Jesaja 47; Openbaring 17
Aan de ene kant is Jesaja 47 behoorlijk eenvoudig; aan de andere kant bevat het hoofdstuk subtiele symboliek en bereidt het de weg voor de ontwikkeling van bepaalde Bijbelse symboliek in het Nieuwe Testament.

Aan de eenvoudige kant, schetst het hoofdstuk de val van Babylon, die in gang wordt gezet met de troonsbestijging van Kores. Babylon is een zielig trotse en arrogante stad. Ze is de ‘gebiedster der koninkrijken’ (47:5); ze denkt dat ze eeuwig zal bestaan (47:7) – een beetje zoals het Derde Rijk van Hitler. Ze is zo vol zelfvertrouwen over haar eigen veiligheid dat ze zich niet kan voorstellen weduwe te worden of haar kinderen te verliezen (47:8).

Trots op haar wijsheid en kennis (47:10) en haar toewijding aan de astrologie, denkt ze dat ze haar toekomst kan bepalen (47:12-13). Haar zelfverafgoding is ronduit afstotelijk: het terugkerende ‘ik ben het en niemand anders’ (47:8, 10) is een rechtstreekse aanval op Gods identieke aanspraak (45:5).

Maar God heeft er genoeg van. De ‘gebiedster der koninkrijken’ zal in het stof neerzitten (47:1); ze zal een slaaf worden (47:1-3). Deze ‘moeder’ zal plots weduwe worden en van kinderen beroofd worden (47:8-9). De astrologie zal waardeloos blijken als het er om gaat haar te redden (47:12-13), en bezweerders en tovenaars zullen geen baat brengen (47:12). God zelf is er op uit Babylon te vernietigen.

Maar deze tekst zinspeelt ook op een andere kant. De hoofdstukken 47 en 48 zijn met elkaar verbonden en vormen één groot geheel. Jesaja 47 veroordeelt Babylon voor zijn uitdagende trots en belooft haar ondergang; Jesaja 48 is gericht tot de bannelingen, die (zoals we zullen zien in de overdenking van morgen) aangepord worden om Babylon te verlaten en terug te keren naar Jeruzalem.

In de praktijk leven ze in de ene stad, Babylon; theologisch gezien horen ze bij een andere stad, Jeruzalem. Zuiver op historisch vlak gezien konden de gevangenen op dat ogenblik natuurlijk niet terugkeren naar Jeruzalem. Ze konden dit enkel doen nadat Kores aan de macht kwam en hen de toestemming gaf om terug te keren.

Maar theologisch gezien moeten de bannelingen zichzelf zien als behorend tot Jeruzalem en niet tot Babylon. Dus zoals ‘Jeruzalem’ soms met die naam verwijst naar de oude stad, en soms, zoals we al zagen, vooruitgrijpt naar het nieuwe, eschatologische Jeruzalem, zo kan het ook dat ‘Babylon’ niet alleen verwijst naar de oude stad die het hoogtepunt van zijn weelde bereikt rond de zesde eeuw v.C., maar ook een symbool wordt – een symbool dat vooruitgrijpt naar elke trotse stad of cultuur die zich verbeeldt eeuwig te zullen leven en hoogmoedig alles afmeet aan de standaarden van zijn eigen zonde en vooronderstellingen. Het historische Babylon wordt het symbool van vele Babylons.

Johannes begrijpt deze dingen. Dit is waarom hij in Openbaring 17 Rome beschrijft als ‘het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde’ (Opb. 17:5), een vrouw die dronken is door het bloed van de heiligen. Welke Babylons zijn sindsdien allemaal opgestaan?


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 11 januari 2013

'Ach HEER, God van de hemel, machtige en ontzagwekkende God…' (Neh. 1)


Genesis 12; Matteüs 11; Nehemia 1; Handelingen 11
In de complexe geschiedenis van de Judese gemeenschap van na de ballingschap speelt Nehemia een opmerkelijke rol. Hij maakte geen deel uit van de oorspronkelijke groep die naar Juda terugkeerde, maar wordt er nadien door de koning zelf naartoe gestuurd.

In twee afzonderlijke expedities fungeert Nehemia in de praktijk als gouverneur van de resterende gemeenschap en was hij grotendeels verantwoordelijk voor de herbouw van Jeruzalems muren, zonder zijn andere hervormingen te vergeten. Zijn werk overlapte met dat van Ezra.

Het boek Nehemia wordt vaak behandeld als een handleiding voor godvrezend leiderschap. Ik vraag me af of dit recht doet aan het boek. Was het Nehemia’s bedoeling om een handleiding over leiderschap te schrijven? Wordt het boek met dat doel in de canon opgenomen – alsof we dan, zeg maar, Handelingen opslaan om de geschiedenis van de vroege kerk te ontdekken en Nehemia lezen om de principes van leiderschap te ontdekken?

Hiermee wil ik niet zeggen dat we niets kunnen leren over leiderschap van Nehemia – net zoals ook van Mozes, David, Petrus of Paulus. Maar lees je dit boek met focus op het thema leiderschap, dan kan het niet anders of je trekt zaken scheef; het is niet wat de auteur bedoeld heeft, en het is niet in lijn met de canonieke prioriteiten.

Nehemia is een boek over Gods trouw en over de vertegenwoordigers die God gebruikte om zijn verbondsvolk opnieuw in het Beloofde Land te vestigen bij het einde van de ballingschap – over de eerste stappen die gezet werden om hun veiligheid en identiteit te verzekeren als Gods volk en hun verbondstrouw te versterken. Canoniek legt dit deel van de verhaallijn van de Bijbel stukken van de post-ballingschapsgeschiedenis vast die ons tot bij de Heer Jezus zelf brengen.

Maar misschien kunnen we er ons voordeel mee doen als we focussen op twee elementen van Nehemia 1, waarmee we meteen de brug slaan naar Nehemia 2.

Vroege verslagen over de droevige staat waarin de teruggekeerde resterende gemeenschap in Juda verkeert (1:3), wekken bij Nehemia diep verdriet op en hartstochtelijke voorbede (1:4). De essentie van zijn gebed neemt het grootste deel van het eerste hoofdstuk in beslag (1:5-11).

Nehemia richt zich tot de ‘grote en geduchte God’ in bewoordingen uit het verbond. God had beloofd zijn volk in ballingschap te sturen indien ze aanhoudend ongehoorzaam waren; maar Hij had ook beloofd dat, als ze zich zouden bekeren en tot Hem zouden terugkeren, Hij hen terug bijeen zou brengen op de plaats die Hij had gekozen als een woonplaats voor zijn naam (1:8-9; zie Deut. 30:4-5).

Toch bidt Nehemia niet voor anderen terwijl hij ondertussen gelijk welke rol voor zichzelf vermijdt. Hij bidt dat hij welgevallen mag vinden in de ogen van de koning, die hij als schenker dient (1:11), wanneer hij die benadert omtrent deze grote last. Zelfs Nehemia’s ‘schietgebed’ in het volgende hoofdstuk (2:4) is de manifestatie van aanhoudende voorbede in het verborgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 december 2012

'Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon' (Opb. 18)



2 Kronieken 32, Openbaring 18, Zacharia 14, Johannes 17
Wanneer Openbaring 17 de gruwelen van ‘Babylon’ aan de kaak stelt, dan kondigt Openbaring 18 haar naderende val aan. Veel van de taal is afkomstig uit gedeeltes van het Oude Testament die de val aankondigen van het historische Babylon of bepaalde andere heidense steden die gekenmerkt worden door corruptie, geweld en afgoderij.

Lees het hoofdstuk opnieuw, traag en overwegend. Het is goed in herinnering te houden dat hoewel Rome in de daaropvolgende driehonderd jaren te maken kreeg met diverse belangrijke omwentelingen, de stad toch pas in de tijd van Augustinus ernstig geplunderd werd door de barbaren van het noorden. Zo werd veel uit de beschrijving uit dit hoofdstuk nogal gewelddadig en letterlijk vervuld.

Maar rond die tijd was het christendom zelf de staatsgodsdienst geworden, en veel christenen vonden daarom de val van de stad moeilijk te aanvaarden, laat staan dat ze die konden verklaren.

Het was Augustinus die een boek schreef waarin hij de val van Rome in een theologisch kader zette dat de christenen hielp de zin van dit alles te vatten. Zijn werk ‘De stad van God’ herkent twee steden, de stad van God en de stad van de mens. (Zie de overdenking van 9 januari).

Voor hem worden deze categorieën de bepalende typologie, niet alleen voor zijn beknopte overzicht van de bijbelse geschiedenis, maar ook voor zijn analyse van goed en kwaad binnen de geschiedenis. Het werk is meesterlijk en verdient zelfs vandaag met aandacht te worden gelezen.

Bovenal waarschuwt Augustinus tegen een te nauwe verwevenheid van de kerk en van het evangelie met de steden en koninkrijken van deze wereld, steden die allemaal tijdelijk en eindig zijn en tot vernietiging opgeschreven zijn, hopeloos gecompromitteerd als ze zijn.

Christenen zouden zich integendeel moeten identificeren met het nieuwe Jeruzalem, de stad van de grote Koning, het Jeruzalem dat boven is, waarvan God bouwmeester en schepper is. Deze zaken goed vatten is nooit makkelijk of eenvoudig. ‘Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (18:4).

In de context van het boek Openbaring is dit een dwingende vermaning om met geen van ‘Babylons’ vergankelijke rijkdommen en verdorven waarden te conformeren. Je moet ‘uitgaan’ en de vervloekte stad ‘verlaten’ die onder het oordeel ligt van de almachtige God.

Maar deze woorden werden al gebruikt om onrechtstreekse derdegraads afscheiding te rechtvaardigen, alsof dit is wat de Apocalyps ons leert. Waar sommigen zodanig genieten van Babylon dat ze uiteindelijk met haar ten val komen, verwachten anderen hun eigen centra te kunnen bouwen die volledig afgescheiden zijn van Babylons knagende invloed, zonder dat ze doorhebben dat het volk van God tot de terugkeer van Jezus voortdurend in verschillende richtingen moet getrokken worden door de stad van God en door de stad van de rebellerende beelddragers van God.

Onze ultieme hoop ligt in God zelf, die niet alleen het nieuwe Jeruzalem introduceert (Opb. 21-22), maar die in zijn eigen soevereine oordeel ook deze ‘moeder van de hoeren’ ten val brengt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 december 2012

'Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor mijn naam' (2 Kron. 5-6:11)



2 Kronieken 5:1-6:11, 1 Johannes 4, Nahum 3, Lukas 19
Eenmaal de tempel gebouwd, bestaat de laatste stap voor de inwijding van de tempel uit het halen van de ark van het verbond uit de oude tabernakel, die zich nu in Sion bevindt, de stad van David (deel van Jeruzalem), naar zijn nieuwe woonplaats in het heilige der heiligen van de tempel.

2 Kronieken 5:1-6:11 geeft niet alleen die overgang weer, maar ook Salomo’s inwijdingswoorden voor het volk, voorafgaand aan zijn inwijdingsgebed (zie de overdenking van morgen).

Zowel de verhuis van de ark als Salomo’s openingswoorden blijken belangrijk.
De verhuis zelf volgt op de voorschriften van de Wet: alleen de Levieten mogen de ark aanraken. Maar de verhuis is desondanks een nationaal evenement. De oudsten van Israël en de familiehoofden komen van overal in Israël bijeen voor deze grote viering. De verhuis gaat gepaard met dermate rijkelijke offeranden dat het aantal dieren dat gedood werd niet geteld kan worden (5:6).

Uiteindelijk wordt de ark geplaatst onder de vleugels van de cherubim in het heilige der heiligen. Als nevenopmerking vermeldt de kroniekschrijver dat op dat ogenblik alleen de tafels van de Wet zich nog in de ark van het verbond bevinden. Wellicht waren de kruik met manna en Aärons staf die gebloeid had, uit de ark gehaald toen die veroverd was door de Filistijnen.

In elk geval geven de orkesten en koren het beste van zichzelf, inclusief een trompetsectie van 120 personen. De zangers prijzen God in het welbekende refrein: ‘Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (5:13).

Twee details verdienen speciale commentaar.

(1) In het verleden bestond het bewijs van Gods tegenwoordigheid in de tabernakel uit een wolk. Nu vult dezelfde wolk de tempel; de heerlijkheid van de Heer vult de tempel zelfs in die mate dat de priesters niet konden blijven staan om dienst te doen (5:13-14). Dit toont aan dat God behagen schept in de tempel, dat Hijzelf de verhuis van de tabernakel naar de tempel geboden heeft; en bovenal dat, als de tempel zijn tempel is, die niet gedomesticeerd kan worden louter door rites, hoe uitgebreid die ook zijn. De heerlijkheid van zijn tegenwoordigheid is wat telt.

(2) Salomo’s inleidende opmerkingen dragen ook bij tot het besef van continuïteit. Misschien kwamen sommige puristen in de verleiding te zeggen dat het beter ware geweest bij de tabernakel te blijven: uiteindelijk was dit toch wat God bevolen had op de berg Sinaï. Daarom blikt Salomo terug op de voorafgaande stappen in het verhaal tot hiertoe: Gods beloften aan David, Gods keuze voor Jeruzalem en voor deze tempellocatie, Gods verkiezing van Salomo boven David om in te staan voor de eigenlijke bouw, enzovoort.

Zo is de tempel helemaal geen bedenkelijke innovatie, maar de volgende stap in de heilsgeschiedenis en de vervulling van Gods beloften (6:10-11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 4 mei 2012

God spreekt over de toekomst (Ps. 48)


Numeri 11, Psalm 48, Jesaja 1, Hebreeën 9

Een van de manieren waarop God over de toekomst spreekt is … wel, gewoon door de spreken over de toekomst. Er zijn plaatsen in de Bijbel waar God voorzegt, met woorden, wat zal gebeuren: Hij spreekt over de toekomst. Maar Hij voorziet ons ook van beelden, patronen, types en modellen. In deze gevallen vestigt Hij een instelling, of een ritueel, of een patroon van relaties.

Dan geeft Hij hier en daar een aanwijzing, al spoedig een opeenvolging van aanwijzingen, dat deze beelden of patronen of types of modellen niet een doel zijn op zichzelf, maar manieren zijn om vooruit te kijken naar iets dat nog beter is. In dergelijke gevallen spreekt God dan over de toekomst in beelden.

Christenen die vaak in hun Bijbel lezen overdenken de verbanden tussen het Davidische koningschap en het koningschap van Jezus, tussen het lam van het Pascha en Jezus als ‘Paaslam’, tussen Melchizedek en Jezus en tussen de sabbatsrust en de rust die Jezus geeft, tussen de rol van de hogepriester en de priesterlijke rol van Jezus, tussen de tempel die de priesters van het oude verbond binnengingen en het hemelse ‘heilige der heiligen’ dat Jezus binnenging, en zoveel meer.

Natuurlijk was het zo dat voor wie leefde onder de bepalingen van het oude verbond, verbondstrouw gelijkstond met je houden aan de instellingen en rituelen die God gaf, ook al wezen diezelfde instellingen en rituelen op een wijdere canonieke schaal dan vooruit naar iets dat nog beter was.

Doorheen deze beelden sprak God over de toekomst. Eens een christen dit punt vat, worden hele stukken van de Bijbel op nieuwe manieren levend. Een van deze beelden of modellen is Jeruzalam zelf, soms ook Sion genoemd (de historische burcht). Jeruzalem was niet alleen verbonden met het feit dat de stad vanaf David de hoofdstad vormde (zelfs na de verdeling in Israël en Juda vormde het de hoofdstad van het zuidelijke rijk), maar ook met het feit dat het van Salomo af de locatie vormde van de tempel, en daarom ook van het middelpunt van Gods openbaring.

Voor de psalmist is het dan ‘de stad van onze God zijn heilige berg’. Die is niet slechts ‘schoon’ maar ook ‘een vreugde voor de ganse aarde’ (Ps. 48:2-3). Het is niet alleen het centrum van gewapende veiligheid (48:5-9), maar ook de locatie waar Gods volk Gods nooit falende liefde gedenkt (48:10), het centrum van lofprijs (48:11).

Maar de psalmist kijkt verder dan de stad, naar God zelf: Hij is degene die haar ‘bevestigt voor altoos’ (48:9), wiens lof reikt tot aan de einden der aarde, voor eeuwig en altoos (48:11, 15).

Op die manier geworteld in het historische Jeruzalem, kijken de schrijvers van het nieuwe verbond naar een ‘Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26), naar de ‘berg Sion’, naar ‘het Hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God (Heb. 12:22), naar het ‘nieuw Jeruzalem’ (Opb. 21:2).
Denk lang en vaak na over deze verbanden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org