Posts tonen met het label oudsten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oudsten. Alle posts tonen

vrijdag 28 november 2014

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25; 1 Petrus 5; Micha 3; Lukas 12

1 Petrus 5:1-4 biedt ons meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten.

Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en diens lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, want ze mogen de groep niet teleurstellen, en ze kregen ook niet de scholing om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze manier te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk wordt betaald; ook is het geen beroepsgroep die wordt geassocieerd met een hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers reageren met schandelijk materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier vind je een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten worden uitgesloten). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag.

Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 november 2014

Slechts twee kerkelijke ambten? (Titus 1)


2 Koningen 15; Titus 1; Hosea 8; Psalmen 123-125

In sommige denominaties wordt vastgehouden aan de idee dat de Bijbel drie ambten in de kerk voorschrijft: bisschoppen, die verantwoordelijk zijn over verschillende gemeenten; oudsten/pastors die dienen op het niveau van de plaatselijke gemeente, in het bijzonder in de dienst van het woord en in gebed (sommigen zouden ‘sacrament’ toevoegen’), en diakenen, die helpen in het beheer van de fondsen, in het bijzonder in de zorg voor de fysieke noden van de kudde (zie de overdenking van 25 oktober).

Er wordt echter breed erkend dat het Nieuwe Testament in werkelijkheid maar twee ambten onderscheidt: de bisschop/oudste/pastor en de diaken. Een van de meest overtuigende behandelingen van deze kwestie werd in de voorbije eeuw geschreven door J. B. Lightfoot, zelf een anglicaan.

De onderverdeling in drie categorieën, betoogt hij, kwam er pas nadat de documenten van het NieuweTestament waren geschreven. Dit betekent natuurlijk dat een van de twee ambten drie labels krijgt, deels omdat het werk ook vele facetten heeft.

Het woord ‘pastor’ heeft een Latijnse stam en komt van ‘herder’ (1 Petr. 5:2). Herders voeden, beschermen, leiden en tuchtigen de kudde. De oudsten-terminologie komt zowel uit het bestuur van oude steden als uit de synagogen: de leiders moeten ervaren en gerespecteerd zijn. Omdat ‘bisschoppen’ vandaag zoveel kerkelijke ondertonen heeft, opteren heel wat Nederlandstalige vertalingen [net zoals de Engelstalige NIV] om het woord weer te geven als ‘opziener’ (bijv. 1 Tim. 3:1) om de elementen van overzien, godvrezend bestuur, en geestelijke aansprakelijkheid te kunnen weergeven die met de taak verbonden zijn.

Een van de redenen waarom zovelen tot de conclusie kwamen dat bisschop, oudste en voorganger [pastor] allen woorden zijn die toegepast kunnen worden op één ambt, is dat de lijsten met kwalificaties voor deze taken zo gelijklopend zijn. Vergelijk zo Titus 1:6-9 met betrekking tot een oudste, met 1 Timotheüs 3:1-7 met betrekking tot een opziener (bisschop).

Een punt waar beide schijnbaar uiteenlopen in de meeste Nederlandstalige vertalingen [en in de Engelstalige NIV] zorgt voor knagende gewetens bij sommige pastors. 1 Timotheüs 3:4 stipuleert het volgende voor de opziener: ‘een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt’. Titus 1:6 daarentegen stipuleert dat de oudste ‘gelovige kinderen’ moet hebben, ‘die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten’.

Dit klinkt alsof de voorwaarden voor het oudstenschap strenger zijn. Maar in feite is de weergave in onze vertalingen zowel verkeerd als onwerkbaar [net als in de NIV]. Het Grieks wordt correct weergegeven als ‘wiens kinderen trouw zijn’ – in de zin dat ze niet ‘losbandig zijn en van geen tucht willen weten’.
Zolang de kinderen onder hun vaders dak wonen, moet de bisschop/oudste zijn gezin zo besturen dat hij aantoont bekwaam te zijn de gemeente te besturen. Als

Titus 1:6 zou begrepen worden in de zin van bijvoorbeeld NBG, HSV of NBV, als stipulerend dat zijn kinderen gelovigen moeten zijn, dan zou je terecht kunnen vragen ‘Vanaf welke leeftijd?’.

Kortom: deze verkeerde vertaling is ook onwerkbaar. Wat de tekst werkelijk zegt, brengt hem ook mooi op één lijn met 1 Timotheüs 3.

Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 oktober 2014

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6; 1 Timotheüs 3; Daniël 10; Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten. Aan de ene kant zijn er de pastors [of voorgangers, JL] (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’ [Eng.: bishops]).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat bisschoppen een soort van derde trap werden in het kerkelijke gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor het voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, tot een aristocratische groep in de maatschappij horen of een bepaalde leiderschapsbekwaamheid. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en dergelijke.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven er moet uitzien. In die zin liggen de eisen in hun geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de onderscheidende eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 november 2012

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25, 1 Petrus 5, Micha 3, Lukas 12

Meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage biedt 1 Petrus 5:1-4 ons een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten. Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en zijn lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, omdat ze de groep niet mogen teleurstellen, of omdat ze niet de scholing kregen om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze weg te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk betaald wordt; ook is het geen beroepsgroep gekend voor zijn hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers antwoorden met ernstig materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier is er een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten uitgesloten worden). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag. Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 2 november 2012

Slechts twee kerkelijke ambten en waarom? (Titus 1)

2 Koningen 15, Titus 1, Hosea 8, Psalmen 123-125
In sommige denominaties wordt vastgehouden aan de idee dat de Bijbel drie ambten in de kerk voorschrijft: bisschoppen, die verantwoordelijk zijn over verschillende gemeenten; oudsten/pastors die dienen op het niveau van de plaatselijke gemeente, in het bijzonder in de dienst van het woord en in gebed (sommigen zouden ‘sacrament’ toevoegen’), en diakenen, die helpen in het beheer van de fondsen, in het bijzonder in de zorg voor de fysieke noden van de kudde (zie de overdenking van 25 oktober).

Er wordt echter breed erkend dat het Nieuwe Testament eigenlijk maar twee ambten onderscheidt: de bisschop/oudste/pastor en de diaken. Een van de meest overtuigende behandelingen van deze kwestie werd in de afgelopen eeuw geschreven door J. B. Lightfoot, zelf een anglicaan.

De indeling in drie categorieën, betoogt hij, kwam er pas nadat de documenten van het Nieuwe Testament geschreven waren. Dit betekent natuurlijk dat een van de twee ambten drie etiketten krijgt, gedeeltelijk omdat het werk ook vele facetten kent.

Het woord ‘pastor’ heeft een Latijnse stam en komt van ‘herder’ (1 Petr. 5:2). Herders voeden, beschermen, leiden en tuchtigen de kudde. De terminologie voor oudsten komt zowel uit het bestuur van oude steden als uit de synagogen: de leider moeten ervaren en gerespecteerd zijn. Omdat ‘bisschoppen’ vandaag zoveel kerkelijke ondertonen heeft, opteren heel wat Nederlandstalige vertalingen (net zoals de Engelstalige NIV) ervoor het woord weer te geven als ‘opziener’ (bijv. 1 Tim. 3:1) om de elementen van overzien, godvrezend bestuur, en geestelijke aansprakelijkheid te kunnen weergeven die met de taak verbonden zijn.

Een van de redenen waarom zovelen tot de conclusie kwamen dat bisschop, oudste en voorganger allen woorden zijn die toegepast kunnen worden op één ambt, is dat de lijst met kenmerken voor die taken zo gelijklopend is. Vergelijk zo Titus 1:6-9 met betrekking tot een oudste, met 1 Timotheüs 3:1-7 met betrekking tot een opziener (bisschop).

Een punt waar beide schijnbaar uiteenlopen in de meeste Nederlandstalige vertalingen (en in de Engelstalige NIV) zorgt voor knagende gewetens onder een aantal pastors. 1 Timotheüs 3:4 stipuleert het volgende voor de opziener: ‘een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt’. Titus 1:6 daarentegen stipuleert in verband met de oudste dat hij ‘gelovige kinderen’ moet hebben, ‘die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten’.

Dit klinkt alsof de voorwaarden rondom oudstenschap strenger zijn. Maar in feite is de weergave in onze vertalingen zowel verkeerd als onwerkbaar. Het Grieks wordt correct weergegeven als ‘wiens kinderen trouw zijn’ – in de zin dat ze niet ‘losbandig zijn en van geen tucht willen weten’.

Zolang de kinderen onder hun vaders dak wonen, moet de bisschop/oudste zijn gezin zo besturen dat hij aantoont bekwaam te zijn de gemeente te besturen. Als Titus 1:6 zou verstaan worden in de betekenis van bijvoorbeeld NBG, HSV of NBV, als stipulerend dat zijn kinderen gelovigen moeten zijn, dan zou je terecht kunnen vragen ‘Vanaf welke leeftijd?’.

Kortom: deze verkeerde vertaling is ook onwerkbaar. Wat de tekst eigenlijk wel zegt, brengt hem ook mooi op één lijn met 1 Timotheüs 3.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 oktober 2012

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6, 1 Timotheüs 3, Daniël 10, Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten.

Aan de ene kant zijn er de pastors, de voorgangers (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’, Eng.: bishops).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat die bisschoppen een soort van derde categorie werden in het kerkelijk gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor een voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, behoren bij een aristocratische groep in de maatschappij of een bepaald soort bekwaamheid in het leiderschap. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en zo meer.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven behoort te zijn. In die zin liggen de eisen in het geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de typische eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.