Posts tonen met het label eeuwigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eeuwigheid. Alle posts tonen

donderdag 25 april 2013

Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen (Pred. 12)


Numeri 2; Psalm 36; Prediker 12; Filemon
Hoewel de Leraar nooit bij de volheid van perspectief aanbelandt die de schrijvers van de Schrift uit het nieuwe verbond karakteriseert, vermindert zijn scepticisme nu hij een aantal fundamentele standpunten aanmoedigt die absoluut afhankelijk zijn van een rechtvaardige God die het einde al kent van in het begin, zelfs al kennen wij dit einde zelf niet.

Op die manier heeft hij zijn lezers al twee dingen verteld:

(a) weiger slechts voor vandaag te leven; investeer moedig in de toekomst, terwijl je bedenkt dat deze wereld God toebehoort (11:1-6);
(b) leef dankbaar en blij met de goede gaven die je gekregen hebt (11:7-10).

In Prediker 12 komt Qohelet met een laatste vermaning: wees godvrezend, te beginnen in je jeugd; want of we nu al dan niet betekenis vinden louter ‘van beneden’ gezien, dan mogen we er toch zeker van zijn dat God alles in het oordeel brengt.

‘Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren’ (12:1), zo schrijft de Leraar. God ‘gedenken’ betekent niet gewoon maar het pure feit van zijn bestaan in herinnering brengen, maar alle illusies van onafhankelijkheid en zelfstandigheid loslaten terwijl God zijn rechtmatige centrale plaats in onze levens terugkrijgt.

God heeft alles geschapen, Hij alleen ziet het volledige patroon, Hij is degene die de eeuwigheid in ons hart gelegd heeft (3:11). Hij is degene die alles goed gemaakt heeft, en wij zijn degenen die zoveel schade aangericht hebben met onze intriges (7:29).

Dus gedenk Hem, vermaant Qohelet ons, ‘voordat de kwade dagen komen’ (12:1) – en dan legt hij in beeldende taal uit hoe de ouderdom eruitziet. Aan een gevorderde leeftijd kan het dat we niet langer behagen vinden in onze jaren (12:1). We bereiken de winter van het leven (12:2); we worden als een oud huis, dat vergaat en vervalt, met alleen maar een paar relieken over (12:3). Ons gehoor vermindert (12:4b); in plaats van een vaste tred of het springen over de rotsen, zijn we bang van hoogten en vrezen we weggeduwd te worden op straat.

De amandelboom heeft een donkere kruin in de winter en wordt wit bij de lentebloesems, net zoals ons haar wit wordt (12:5). Lijdend aan artrose en versleten gewrichten, hobbelen we rond als een lompe sprinkhaan (12:5).

Het zilveren koord is wellicht de ruggengraat, de gouden lamp de schedel; de kruik is het hart: alles gaat achteruit, en we keren terug tot het stof waaruit we voortkomen – zoals God zelf, aan deze zijde van de vloek, gezegd had dat met ons zou gebeuren (Gen. 3:19).

Het is verre van duidelijk of Qohelet met de uitdrukkingen ‘ons eeuwig huis’ (12:5) en ‘de geest’ die ‘wederkeert tot God’ hetzelfde bedoelt als de Nieuwtestamentische schrijvers ermee bedoelden, maar zelfs hij is nu behoorlijk zeker dat ‘God elke daad zal doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad’ (12:14). Dus ‘Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen’ (12:13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 6 maart 2013

We krijgen een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel (2 Kor. 5)


Exodus 17; Lukas 20; Job 35; 2 Korinthiërs 5

Dingen zijn nooit zo goed als ze zouden kunnen zijn. En als ze dan al voor een kort moment zo goed zijn als je je kunt inbeelden, als je dan voor even lijkt de nectar van het leven zelf in te zuigen met elke ademtocht die je in je hebt, dan weet jij net zo goed als ik dat dergelijke hoogtes niet kunnen blijven duren.

Morgen ga je terug naar je werk. Je kunt je job graag doen, maar hij brengt druk met zich mee. Jouw huwelijk mag misschien dicht bij het idyllische aanleunen, maar in een donkere bui vraag je je misschien af hoeveel je niet wilt en kunt delen met je echtgenoot. De warme westenwind die je haar streelt verandert in een tornado die je huis vernielt. Een van je ouders wordt getroffen door de ziekte van Alzheimer; een van je kinderen sterft.

Er valt zoveel te genieten rond je, maar als je begint de kauwen op de filet mignon die je kinderen voor je verjaardag gekocht hebben, denk je aan de miljoenen die elke dag sterven van de honger. Er valt niet te ontkomen aan de harde realiteit dat, hoe wondermooi je ervaringen in deze gebroken wereld ook zijn, anderen lijden onder ervaringen die veel schadelijker zijn, en jij zelf kunt ook nooit geloven dat wat je meemaakt volkomen ideaal is.

Die rusteloosheid is voor ons welzijn. Het is een ontwerpkenmerk dat hoort bij onze samenstelling, bij onze aard als schepselen die gemaakt zijn naar het beeld van God. We zijn gemaakt om de eeuwigheid te bewonen; door constitutie weten we dat we behoren bij iets beters dan een wereld (hoe mooi ook bij momenten) die overspoeld wordt door zonde.

Paulus begrijpt dit punt volkomen (2 Korinthiërs 5:1-5). Hij kijkt vooruit naar de tijd waarin ‘de aardse tent’ (ons huidige lichaam) zal worden afgebroken, en weet dat ‘wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’ (5:1) – ons opstandingslichaam. ‘Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden’ (5:2). Niet dat we wensen dit sterfelijke kleed uit te trekken en willen bestaan in een naakte onsterfelijkheid: dat is niet onze ultieme hoop, ‘omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden’ (5:4).

Dan voegt Paulus eraan toe: ‘God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft’ (5:5). God heeft ons voor zijn doel gemaakt, d.w.z. voor het doel van opstandingsleven, voor ons verzekerd door de dood van zijn Zoon.

Bovendien heeft God ons, in afwachting van de heerlijke vervulling van leven, al zijn Geest gegeven als een onderpand, een soort voorafbetaling van de ultieme erfenis.

Geen wonder dan dat we zuchten in afwachting en ontdekken dat onze zielen rusteloos zijn in deze tijdelijke verblijfplaats die de doodstraf over zich draagt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 december 2012

'Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand' (1 Kron. 29)



1 Kronieken 29, 2 Petrus 3, Micha 6, Lukas 15
Het verslag van de dood van David door de kroniekschrijver wordt voorafgegaan door het verhaal van de rijkelijke giften die de bouw van de tempel moeten financieren na Davids overlijden en door het gebed dat David in dit verband uitsprak (1 Kron. 29). Niet zozeer de grootte van de som geld die David en anderen schonken is zo treffend, maar de theologie van Davids gebed. De hoogtepunten omvatten onder andere het volgende:

(1) In de openingslofzang (29:10-13) erkent David dat alles van God is (29:11). Als wij mensen iets ‘bezitten’, dan moeten we eerlijk bekennen ‘rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles’ (29:12). Vandaar dat David in het midden van zijn gebed zegt ‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’ (29:14); en opnieuw, met betrekking tot alle rijkdom die bijeengebracht werd, die ‘komt uit uw hand; U behoort het alles’ (29:16).

Een dergelijk standpunt vernietigt elke notie van wij die in absolute termen iets zouden ‘geven’ aan God. Het wordt een lust om aan God te geven, niet alleen omdat we Hem liefhebben, maar omdat we met vreugde erkennen dat alles wat wij ‘bezitten’ sowieso van Hem is.

(2) Het hoeft dan ook weinig te verwonderen dat het gebed begint met uitbundige uitingen van lof (29:10).

(3) David erkent dat alle menselijke bestaan vergankelijk is. God zelf verdient geprezen te worden ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (29:10), maar wat ons betreft, ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (29:15).

Dit is een bijzonder gedeelte. De Israëlieten bevinden zich in het Beloofde Land, in ‘rust’; maar, zoals in Psalm 95 en Hebreeën 3:6-4:11 en 11:13 kan dit niet de finale rust zijn, want ze zijn nog steeds ‘vreemdelingen en bijwoners’. David is koning, het hoofd van een machtige en blijvende dynastie.

Individueel echter moeten zowel de monarch als de boer op gelijke wijze erkennen dat hun dagen op aarde ‘als een schaduw zijn’ (29:15). Hier zie je een man van geloof die weet dat hij gegrond moet zijn in Hem die de eeuwigheid bewoont, of anders staat hij nergens.

(4) David legt geweldige nadruk op integriteit: ‘Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid (…) nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht’ (29:17). Het succes van deze fondsenwerving wordt niet gemeten in monetaire waarde, maar in de integriteit waarmee de rijkdom werd gegeven.

(5) In de slotanalyse erkent David ronduit dat aanhoudende toewijding en levensintegriteit onmogelijk zijn zonder het ingrijpen van Gods genade (29:18). Op die manier verdwijnt elke kans op persoonlijke hoogmoed die gebaseerd is op het geldbedrag dat geschonken wordt, en verandert ze in een dankbaar erkennen van Gods genadige soevereiniteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 januari 2012

Geen ontsnappen aan: toen stierf hij ... (Gen. 5)

Genesis 5, Mattheüs 5, Ezra 5, Handelingen 5


Steeds opnieuw klinkt in het vijfde hoofdstuk van Genesis hetzelfde refrein: ‘daarna stierf hij’. Die-en-die leefde zoveel jaren, daarna stierf hij … daarna stierf hij … daarna stierf hij … Waarom die herhaling?

Vanaf het begin was het Gods bedoeling dat de gemeenschap tussen Hemzelf en zijn beelddragers eeuwig zou zijn: Adam en Eva zouden eeuwig leven ervaren met God. Hun opstand maakte een einde aan die weg (Gen. 3:21-22). Al kwam de dood niet meteen over hen (Adam werd volgens Gen. 5:5 930 jaar), toch was die dood onvermijdelijk.

Het hoofdstuk dat aan deze dodenlijst voorafgaat, brengt het verslag van de eerste moord - Alweer een dood. En de drie volgende hoofdstukken (gen. 6:8) vind je het verslag van de zondvloed, waarin het menselijke ras sterft, op Noach en zijn gezin na. Of het nu door moord of door direct Goddelijk oordeel of door ouderdom is, het resultaat blijft altijd hetzelfde: ‘en daarna stierf hij’. Zoals de bittere uitdrukking het stelt: ‘Life is hard, and then you die’ (Het leven is hard, en dan volgt de dood).

Door Gods rechtvaardige oordeel legt de dood in feite beslag op het mensengeslacht. De leeftijden in Genesis 5 zijn buitengewoon. Ze blijven echter niet: meer jaren betekent meer kwaad. Al in Genesis 6:3 bepaalt God dat de leeftijd van zijn rebelse beelddragers korter wordt. Deze beslissing wordt gradueel maar toch resoluut ingevoerd, zodat tegen Genesis 11 de vermelde leeftijden aanmerkelijk zijn verminderd. In latere verslagen leven er nog weinigen langer dan 120 jaar. Maar wat ook hun leeftijd, het uiteindelijke resultaat is hetzelfde: ‘daarna stierf hij’.

Het hedendaagse westerse denken vindt de dood zo beangstigend dat het in beleefde conversaties het laatste taboe vormt. Vandaag kun je makkelijk praten over seks en financiën en men fronst niet eens de wenkbrauwen. Maar breng je de dood ter sprake, dan voelen mensen zich op zijn minst ongemakkelijk. Zelfs veel christenen denken over hun geloof bijna uitsluitend in termen van wat het nu voor hen doet, eerder dan dat het hen voorbereidt op een dusdanige manier voor de eeuwigheid dat dit een verandering brengt in hoe ze nu leven.

God wil niet dat we onze ogen sluiten voor de gevolgen van de zonde, voor de onvermijdelijkheid van de dood. Maar toch bevat dit hoofdstuk een stralende uitzondering: ‘En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.’ (Gen. 5:24). Het is bijna alsof God toont dat de dood ontologisch (volgens de zijnsleer, JL) niet noodzakelijk is, dat zij die met God wandelen op een dag de dood zullen ontsnappen. Dat er zelfs voor hen die sterven nog hoop is – in Gods genade – op een leven na onze onvermijdelijke dood. Maar het is verbonden met onze wandel met God. Er zal de rest van de Bijbel voor nodig zijn om verder te verklaren wat dit betekent.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

maandag 24 oktober 2011

De (wan)hoop van Raymond

De Standaard publiceerde zaterdag een interview met Raymond van het Groenewoud naar aanleiding van zijn nieuwe cd.
Een klein fragment, waarin ik iets belangrijks mis: hoop.

"Het nieuwe album gaat nadrukkelijk over de eindigheid en zin van alles. Denk je dat de mensen dat boeiend vinden?

'Ik heb aan den lijve ondervonden dat mijn privégepieker bij mensen lichtjes doet branden. Vooral oudere mensen zijn geraakt. Je zou soms denken dat de cultuur vandaag alleen nog zappen toestaat, maar neen dus. Die idee van de eindigheid heeft me trouwens altijd geboeid. Ze verschaft me een licht gevoel, omdat ik het ontroerend vind hoe het rad van het leven maar doordraait. Ik word oud, maar ik zie jonge voetballertjes, kinderen op straat, die tonen dat het allemaal opnieuw begint.'

Vandaar: 'als je sterft, word je herboren'?

'Dat gaat over mijn ouders. Die zijn gestorven, maar niet dood. Ze zijn gewoon een ander leven gaan leiden in mij. Ze maken deel uit van mijn verbeelding, nu ze fysiek niet meer in de weg lopen.'

Hoe zie jij de dood?

'Ik heb geen zin om er een theorie over te verkondigen. Ik heb er geen boodschap aan en ik wil niemand kwetsen. Maar ik vind de maan wel mooi en hoor graag vertellen over haar impact.'"

vrijdag 22 juli 2011

Brief aan een ongeboren baby

Uit een brief door Russell Moore tot een ongeboren jongetje dat geadopteerd zal worden.

"Mijn gebed voor jou is dat je zal zien hoe ontzettend geliefd je bent. Je moeder van geboorte hield van je of je zou er gewoon al niet zijn om dit te lezen. Je ouders hebben je lief en zullen dat altijd doen, wat er ook gebeurt. En wat nog belangrijker is: de God die je schiep houdt genoeg van je om je in je leven een beeld te laten zien van wat Hij voor elk van ons wil: dat we geadopteerd zouden worden, voor het leven, in zijn gezin.

Ik bid dat je op een dag, wanneer je oud genoeg bent, een bepaald vorm van onvrede zult kennen met je leven. Ik bid dat dit niet zal komen omwille van je omstandigheden, en al zeker niet omdat je geadopteerd bent. Maar wel omdat je, zoals wij allen, een zondaar bent die genade nodige heeft; een geestelijk weeskind dat een Vader nodig heeft. En ik bid dat je naar de geschiedenis zult kijken waar je ouders in geloven. Ik bid dat je naar Jezus’ bebloede kruis zult kijken als voldoende hel voor jou en naar Jezus’ lege graf als voldoende leven voor jou. Ik bid dat je zult leren, boven alle dingen, om twee dingen te zeggen: ‘Jezus is Heer’ en ‘Abba, Vader’. Ik beloof je: hij zal er zijn om je te ontvangen, om zich over je te verheugen. Dit doet Hij altijd.

Nogmaals, ik ken je nog niet. Maar ik kijk er naar uit je op een dag te ontmoeten, als je broeder. Als het niet in je volgende één tot honderd jaar van je leven is, dan in de miljoenen meer die we voor ons hebben in een nieuwe schepping in Christus. Ik hoop dat je daar met me zult zijn in een wonderbaarlijke ontelbare schare van ex-weeskinderen als wij. Het is alleen dan dat jij, en ik, volkomen zullen weten wat het betekent om geadopteerd te zijn, geadopteerd voor het leven."

Het volledige verhaal lees je hier.
Mijn eerste bron was Justin Taylor. De vrije vertaling is van mezelf.

zaterdag 11 juni 2011

"Zijn wens is dat God niet bestaat"



"Iedere man vertrouwt op iemand. Als hij niet op Yesu vertrouwt, vertrouwt hij op andere mensen of hij vertrouwt op zichzelf. Geen van beiden is betrouwbaar. Niet in China. Niet in Amerika. (...)
Vertel me eens, Ben Fielding. Waarom ben je opgehouden op Yesu te vertrouwen?"

(...)

" (...) Misschien was mijn geloof te simpel en is mijn wereld te gecompliceerd geworden. Hoe meer ik in het zakenleven opging, hoe meer ik inzag dat de kerk niet in contact stond met mijn wereld. De preken vond ik ... simplistisch, naïef. Ik kon mijn tijd beter gebruiken met boeken te lezen van schrijvers die mijn wereld begrepen."

"Jouw wereld? (...) Het is toch Gods wereld? Zou iemand haar beter begrijpen dan Hij die haar schiep en regeert, en voor haar stierf?"

"Het gaat om meer. Ik leef in een wereld van kapitaal, beleggingen, winstraming, schulden, gebouwen, leasing en belastingen. Dat is geen wereld van bijgelovige boeren en plattelanders."

"Heb je de woorden van Yesu niet gelezen? Hij sprak over grote schatten. Hij sprak over beleggen in juwelen en parels om te illustreren wat een duurzame belegging is. Hij sprak over schuldenlast en dat Hij ons onze schulden kwijtschold. Hij praatte over graanvelden en oogsten. Hij praatte over boeren boeren die land pachten, of landeigenaars die vorderingen hebben. Hij sprak over kapitaal, bankieren, rente, geldleners, het bouwen van schuren om graan op te slaan voor een inkomen op je oude dag. Hij had het over kostenraming voor het ondernemen van zakelijke projecten - over het verdelen van land, onverantwoorde geldbesteding, financieel mismanagement en oneerlijke zakenpraktijken."

(...)
"Bij godsdienst is de wens de vader van de gedachte."

"Dat is wat de communisten zeggen."

"Omdat het communisten zijn, hoeven ze nog niet altijd ongelijk te hebben."

"Nee, maar het is niet zo dat de communisten wensen dat er een God was, en overtuigd zijn van het bewijs dat het niet zo is. Het is zo dat ze vrezen dat er een God is, en om die reden het bewijs van Zijn bestaan afwijzen. Gelovigen troosten elkaar in hun lijden, met de waarheid dat er een God is. Communisten troosten elkaar in hun voorspoed met de mythe dat er geen God is. Dus juist bij het atheïsme is de wens de vader van de gedachte."

"Ik weet niet zeker of ik dat wel geloof."

"Een ware gelovige kan een nacht wakker liggen van twijfel aan God. Maar wat een communist 's nachts wakker houdt, is de vrees dat God wel bestaat. Zijn wens is dat God niet bestaat. Want als er geen God is, is er ook geen Rechter, en dus ook geen oordeel over zijn kwaad. Maar als er wel een God is, weet hij dat hij het niet goed kan maken met Hem. Of dat God eisen aan hem zal stellen waaraan hij niet wil voldoen. Misschien is dat waar jij bang voor bent?"

"Wie zegt dat ik bang ben? Er is een hoop dat jij niet weet", zei Ben. "Onze levens zijn twee verschillende kanten opgegaan. Ik heb de laatste twintig jaar heel veel financiële rapporten gelezen, en artikelen over investeringen, en boeken van deskundigen in succes. En jij ... nou, jij hebt iets heel anders gelezen. Ik ben het niet met je eens, Quan. Maar ik bewonder je. Ik denk dat het me gebroken had als ik mijn dromen op had moeten geven zoals jij."

"Li Quan heeft dromen opgegeven waaraan hij toch niet had kunnen vasthouden. In ruil daarvoor heeft hij de eeuwige dromen omhelsd van de opgestane Yesu. Een uitstekende ruil. Je ziet, Ben, je oude kamergenoot is niet zonder dromen. Hij heeft alleen de oude dromen vervangen door dromen die hoger zijn, en beter."


Een fragment uit een conversatie in 'Thuiskomst', een uitstekende roman van Randy Alcorn , uitg. Voorhoeve, Kampen, pag. 146-148

dinsdag 24 mei 2011

Zelfs de hel toont Gods glorie

God straft de bozen in de hel. Zo laat Hij het recht zegevieren tegenover allen die weigeren berouw te tonen over hun zonde of weigeren Hem als God te verheerlijken en te danken.

Hoe kan de hel bijdragen tot Gods heerlijkheid?

- De hel bewijst dat God zich aan Zijn woord houdt

- De hel toont Gods oneindige waarde die voor eeuwig blijft (immers: omdat zonde tegen Hem een eeuwige straf krijgt, moet Hij wel ontzettend groot zijn)

- De hel bewijst Zijn almacht om allen die tegen Hem rebelleren te overwinnen

- De hel toont ook hoe ontzettend barmhartig God is tegenover wie op Hem vertrouwen (want Hij bewaart hen voor een zo grote straf)

- De hel houdt de realiteit van de liefde hoog door oordeel uit te oefenen tegen hen die God verwerpen, die God die zelf liefde is

- De hel stelt uiteindelijk hen in het gelijk die geleden hebben om de waarheid van Gods woord te kunnen verkondigen of horen

- De hel toont de enormiteit van wat Jezus volbracht toen Hij stierf om allen die in Hem zouden geloven voor de hel te bewaren die ze eigenlijk verdienden. Indien er geen hel was, dan zou het kruis niet nodig geweest zijn