Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen

zaterdag 11 juni 2022

Be Gone Unbelief, My Savior is Near (John Newton, 1803)

 Be gone unbelief, my Savior is near,

And for my relief will surely appear:
By prayer let me wrestle, and He wilt perform,
With Christ in the vessel, I smile at the storm.

Though dark be my way, since He is my Guide,
‘Tis mine to obey, ’tis His to provide;
Though cisterns be broken, and creatures all fail,
The Word He has spoken shall surely prevail.

His love in time past forbids me to think
He’ll leave me at last in trouble to sink;
Each sweet Ebenezer I have in review,
Confirms His good pleasure to help me quite through.

Determined to save, He watched o’er my path,
When Satan’s blind slave, I sported with death;
And can He have taught me to trust in His Name,
And thus far have brought me, to put me to shame?

Why should I complain of want or distress,
Temptation or pain? He told me no less:
The heirs of salvation, I know from His Word,
Through much tribulation must follow their Lord.

How bitter that cup, no heart can conceive,
Which He drank quite up, that sinners might live!
His way was much rougher, and darker than mine;
Did Jesus thus suffer, and shall I repine?

Since all that I meet shall work for my good,
The bitter is sweet, the medicine is food;
Though painful at present, wilt cease before long,
And then, O! how pleasant, the conqueror’s song!

– John Newton, 1803

 Bron: tgc.org. 

woensdag 27 april 2016

'He Will Hold Me Fast' / Hij zal me vasthouden



“He Will Hold Me Fast”


- door: The Norton Hall Band

When I fear my faith will fail,
Christ will hold me fast;
When the tempter would prevail,
He will hold me fast.
I could never keep my hold
Through life’s fearful path;
For my love is often cold;
He must hold me fast.

He will hold me fast,
He will hold me fast;
For my Savior loves me so,
He will hold me fast.

Those He saves are His delight,
Christ will hold me fast;
Precious in his holy sight,
He will hold me fast.
He’ll not let my soul be lost;
His promises shall last;
Bought by Him at such a cost,
He will hold me fast.

For my life He bled and died,
Christ will hold me fast;
Justice has been satisfied;
He will hold me fast.
Raised with Him to endless life,
He will hold me fast
‘Till our faith is turned to sight,
When He comes at last!

Bron: Justin Taylor

woensdag 3 februari 2016

Smeken in geloof



Doorheen de geschiedenis hebben veel gelovigen antwoorden van God gezocht door vragen te stellen, ook in de Schrift zelf. Deze vragen stellen is een werk van geloof, want we weten dat God de antwoorden heeft.

Wanneer David lijdt door toedoen van goddeloze mensen, roept hij het uit:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
bent U ver van mijn verlossing, van de woorden van mijn jammerklacht?
Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
(Ps. 22:2-3)

In Ps. 73 roept Asaf het uit:
Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
Want de hele dag word ik gekweld
en mijn bestraffing is er elke morgen.

Waarom lijden we? Wat doet God toch? Waar is de gerechtigheid? Waarom voel ik me zo eenzaam? God, ben je me vergeten?
Deze vragen komen niet van nergens, maar ze komen voort uit het kennen van de beloften van God, zonder de ervaring van deze beloften te vinden in de schaduwen van de dood.
Het is goed om vragen te stellen om de waarheid te herontdekken waarop we het zicht verliezen. In elke beproeving hebben we de keuze:
- onze tanden knarsen en de lasten en vragen alleen in onze harten dragen;
- ze allemaal bij de God brengen die ons antwoordt.

Wanneer we vragen stellen in onze pijn, zoeken we naar de God die er is. Het is het verlangen om God te zien handelen op manieren die Hij heeft beloofd te zullen gebruiken.
Komen we nederig met onze vragen, dan ontkennen we zijn karakter niet, maar zoeken we de God die zich heeft geopenbaard als rechtvaardig, genadig, goed en liefdevol.
Wanneer we bidden, in het bijzonder in lijden, dan uiten we een smeekbede tot God om ons te antwoorden, terwijl we wachten in geloof dat Hij dit zal doen in volmaakte voorzienigheid. Laten we niet twijfelen.
Vertrouw op de HEERE met heel je hart,
en steun op je eigen inzicht niet.
Ken Hem in al je wegen,
dan zal Híj je paden rechtmaken.
(Spr. 3:5-6)


Vrije bewerking naar Joe Thorn in Tabletalk januari 2016

dinsdag 28 oktober 2014

Jehu vs. David: het doel wettigt de middelen niet (2 Koningen 9)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het loont de moeite de zalving van David (1 Sam. 16) te vergelijken met de zalving van Jehu (2 Koningen 9) – of, meer precies, loont het de moeite niet alleen de twee zalvingen te vergelijken, maar ook wat volgt uit de twee zalvingen.

Het verhaal van David is het bekendste van de twee (1 Sam.). Toen Samuel hem tot koning zalfde, was David nog altijd een jonge man, een jeugdige herder. De zalving veranderde niets aan zijn onmiddellijke situatie. Na verloop van tijd kreeg hij een heldenstatus door Goliath te verslaan en daarna uit te groeien tot een efficiënte en trouwe dienaar van Koning Saul.

Toen Saul verbitterd en krankzinnig werd waardoor hij David dwong zich te verbergen in het heuvelland van Judea, leek David ver van de troon af. Voorzienigheid bood hem twee verrassende gelegenheden om Saul te doden, maar David beheerste zich; hij hield zelfs een aantal van zijn eigen mannen tegen die maar al te zeer bereid waren om de daad te stellen waar David niet aan wilde raken. Zijn redenering was eenvoudig. Hoewel hij wist dat hij koning zou worden, wist hij ook dat Saul op dat ogenblik koning was. Dezelfde God die David had gezalfd, had eerst Saul aangesteld.

Saul doden stond daarom gelijk met het doden van de gezalfde van de Heer. Hij was niet bereid om het erfdeel te grijpen dat de Heer zelf hem had beloofd, indien de prijs daarvoor bestond uit een immorele daad. God had hem de troon beloofd; God zou die eerst moeten vrijmaken van zijn huidige plaatsbekleder, want David zou niet buigen voor intrige en moord. Dit was een van Davids beste periodes.

Hoe anders is Jehu! Wanneer hij gezalfd is, krijgt hij de taak het zondige huis van Achab te straffen en uit te roeien. Maar hij wacht niet op een teken van God: wat hem betreft is zijn zalving voldoende aansporing om meteen tot een bloederige opstand over te gaan. Bovendien mag hij dan vroom praten over het uitroeien van de afgoderij van het zondige huis van Achab (bijv. 9:22), twee boze feiten verraden zijn eigen hart.

Ten eerste vermoordt hij niet alleen de huidige bezetter van de troon in Israël, maar wanneer hij de kans krijgt doodt hij ook Achazja, de koning van Juda (9:27-29), echter zonder dat de profeet dit gebood. Koesterde Jehu misschien denkbeelden van een hersteld en verenigd koninkrijk, bijeengebracht door moord en militaire macht?

Ten tweede maakte Jehu weliswaar een einde aan de macht van de Baälsdienst, maar hij onderhield andere vormen van afgoderij die niet minder afstotelijk waren voor God (10:28-31). In tegenstelling tot David was hij geen ‘man naar Gods hart’ (vgl. 1 Sam. 13:14). Verre van: ‘hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (10:31).

De les is belangrijk. Zelfs goddelijke profetie ontslaat een mens niet van de verplichtingen tot moraliteit, integriteit en trouw en gehoorzaam geloof in God. Het doel wettigt de middelen niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 27 oktober 2014

Wie niet voor zijn familie zorgt heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige (1 Tim. 5)

2 Koningen 8; 1 Timotheüs 5; Daniël 12; Psalm 119:49-72

Hoewel ik er niets van wist, legden mijn ouders een stille gelofte af tegenover de Heer terwijl ik in mijn laatste jaar middelbaar onderwijs zat. Omwille van redenen die te ingewikkeld zijn om er hier dieper op in te gaan, beslisten ze dat tenzij bepaalde dingen gebeurden, mijn vader zijn taak als voorganger zou neerleggen, die hij vijftien jaar lang vervuld had. Ik werkte mijn school af, verliet het huis en trok naar de universiteit.

Na zowat een maand ontving ik een brief van mijn ouders: papa had ontslag genomen als voorganger van die kerk. Mijn ouders hadden heel weinig geld. Er was geen andere Franssprekende kerk waar hij eventueel aan de slag kon. Op dat kritieke punt voelde papa zich te oud om een andere gemeente op te starten in een andere plaats. Hij weigerde voorgangersfuncties te overwegen in Engelstalig Canada: zowel zijn roeping als zijn hart waren verbonden met Quebec. Zo ontdekte ik wat mijn ouders hadden beslist: ze verhuisden naar Hull, aan de Franse kant van de rivier tegenover Ottawa, de hoofdstad van het land, waar papa voor zijn gezin zou zorgen als vertaler bij de overheid, en waar hij zoveel mogelijk tijd zou geven aan de Franssprekende kerk in Hull.

Ik kon niet eerder naar ‘huis’ dan met Kerstmis. Op een gegeven moment peilde ik mijn vader in een poging zijn redenering te begrijpen. Gezien zijn overtuiging dat hij in het Franstalige deel van Canada moest blijven, rees snel de vraag hoe hij voor zijn gezin zou zorgen. ‘Want de Schrift zegt’, zo legde papa uit, ‘dat als een man niet voor zijn eigen gezin zorgt, hij slechter is dan een ongelovige. Hij gebruikte zijn oude King James-vertaling voor de woorden van 1 Timotheüs 5:8: ‘Maar als iemand de zijnen en vooral zijn huisgenoten niet verzorgt, heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige’.

Er zijn duidelijk een aantal uitzonderingen op deze tekst. Als een man te ziek is om te werken, bijvoorbeeld, is hij vrijgesteld – en te oordelen naar de toon van het hele hoofdstuk, zou de gemeente zelf moeten tussenkomen met wat voor steun ook maar nodig is, in het geval de familie niet rondkomt.

Maar wat je als lezer treft bij veel van de richtlijnen in dit hoofdstuk, is de manier waarop de voorziening van de kerk voor de sociale noden van haar mensen wordt voorgeschreven met buitengewone gevoeligheid voor de gevaren.

Met het risico de zaken te eenvoudig voor te stellen, kan het patroon dat Paulus uitlegt op deze manier worden samengevat: de kerk zorgt voor hen die in ware nood zitten, maar wie de mogelijkheid bezitten om hun weg te vinden en voor zichzelf te zorgen moeten dit doen – zowel om geen last te vormen voor de kerk, als voor hun eigen goed – of ze moeten worden aangeklaagd omdat ze het geloof hebben verlaten.

Luiheid gaat niet samen met godsvrucht. Ik kan me niet veel gelegenheden herinneren waarin ik nog groter respect had voor papa’s gehoorzame geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 maart 2014

Kinds worden of worden als een kind? (Lk. 18)


Exodus 15; Lukas 18; Job 33; 2 Korinthiërs 3
Elk van de eerste vier delen van Lukas 18 kan makkelijk worden misverstaan; maar elk ervan is zeer zinvol wanneer gelezen in verbinding met de andere.

Het eerste gedeelte (18:1-8) is een gelijkenis die Jezus zijn discipelen vertelt ‘met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen’ (18:1). Een onrechtvaardige rechter wordt lastiggevallen door een vastberaden weduwe zodat hij haar op het einde toch het recht verschaft waar ze om vraagt. ‘Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten?’ (18:7).

Als zelfs deze rechter uiteindelijk de zaken in orde brengt, hoeveel te meer God, wanneer ‘zijn uitverkorenen’ tot Hem roepen?

Op zichzelf had kon deze gelijkenis natuurlijk ook zo worden uitgelegd dat hoe langer en luider je bidt, hoe meer zegeningen je krijgt – een soort ‘voor wat hoort wat’-regeling die Jezus zelf elders verwerpt (Matt. 6:5-15).

Maar het laatste vers (18:8) stelt de kwestie scherp: ‘Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ Het ware probleem ligt niet bij Gods onwilligheid om te verhoren, maar bij onze ongelovige en futloze weigering om te vragen.

De tweede gelijkenis (18:9-14) beschrijft een farizeeër en een tollenaar die beiden naar de tempel gaan om te bidden. Sommige moderne relativisten leiden uit dit verhaal af dat Jezus iedereen aanneemt, ongeacht zijn of haar voortgaande zonden, gewoontes of levensstijl.

Hij verwerpt slechts de zelfverzekerde religieuze hypocrieten. Zeker, Jezus verwerpt die laatsten. Maar de gelijkenis suggereert niet dat de tollenaar wenste in zijn zonde te blijven; veeleer smeekt hij om genade, wetende wat hij is; hij benadert God vanuit een vrijmoedig erkende nood.

In het derde gedeelte (18:15-17) benadrukt Jezus dat kleine kinderen bij Hem worden gebracht, ‘want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods’. Je moet het Koninkrijk Gods ontvangen ‘als een kind’, of zal het voorzeker niet binnengaan.

Toch is dit geen aansporing tot in alle opzichten kinderlijk gedrag (bijv. naïviteit, kortetermijndenken, morele onvolwassenheid, de nukkige ‘nee’ van de zogenaamde ‘terrible twos’ [‘lett.: verschrikkelijke tweejarigen]). Maar kleine kinderen hebben wel een openheid, een verfrissende vrijheid van zelfprofilering, een eenvoud die vraagt en vertrouwt.

Het vierde gedeelte (18:18-30) toont ons Jezus die een rijke overste opdraagt alles te verkopen wat hij bezit en aan de armen te geven, wil hij een schat krijgen in de hemel, en dan Jezus te volgen.

Betekent dit dat slechts armzalig ascetisme de zegeningen van de hemel zal genieten? Is dit niet Christus’ manier om de ware god van deze specifieke persoon aan het licht te brengen, de meelijwekkende basis voor zijn zelfvertrouwen, opdat hij zijn vertrouwen op Jezus zou stellen en Hem volkomen zou navolgen?

Kun je zien wat deze vier gedeeltes bijeenhoudt?


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 maart 2014

Doortocht door de Rode Zee: God is geen passieve speler (Ex. 14)


Exodus 14; Lukas 17; Job 32; 2 Korinthiërs 2
Drie opmerkingen over de doortocht door de Rode Zee (Ex. 14).

Ten eerste gaat de dynamische confrontatie tussen Farao en de soevereine Heer verder. Aan de ene kant volgt Farao zijn begeertes, wanneer hij concludeert dat de Israëlieten ingesloten zitten tussen zee en woestijn en dus een gemakkelijke prooi zijn (14:3).

Bovendien betreuren Farao en zijn hofhouding nu dat ze het volk lieten gaan. Slavernij was een van de fundamentele sterktes van hun economisch systeem, zeker de belangrijkste hulpbron in hun bouwprogramma’s. Misschien waren de plagen niets meer dan vreselijke toevalstreffers. De Israëlitische slaven moeten worden teruggehaald.

Maar God is geen passieve speler wanneer de gebeurtenissen zich verder ontrollen, en Hij is ook meer dan iemand die gewoon het initiatief van anderen beantwoordt. Hij leidt de vluchtende Israëlieten weg van de route naar het Noordoosten, niet alleen maar opdat ze de confrontatie met de Filistijnen zouden vermijden (13:17), maar ook opdat de Egyptenaren zouden concluderen dat de Israëlieten in de val zitten (14:3).

In feite lokt God de Egyptenaren in een val. Dat Hij daarbij het hart van Farao verhardt maakt deel uit van de strategie (14:4, 8, 17). Deze brede voorzienige soevereiniteit is wat aan het vertrouwen van het volk van God ten grondslag moet liggen (14:31).

Bovenal is de Heer vastbesloten dat in deze confrontatie zowel de Israëlieten als de Egyptenaren zullen leren wie God is. ‘Ik zal Mij verheerlijken aan Farao en aan zijn gehele legermacht … de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HERE ben, doordat Ik Mij verheerlijken zal aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters’ (14:17-18). ‘Toen zag Israël, welk een machtige daad de HERE tegen Egypte gedaan had; en het volk vreesde de HERE en zij geloofden in de HERE en in Mozes, zijn knecht’ (14:31).

Ten tweede verschijnt de ‘Engel des Heren’ opnieuw (14:19) – niet als een engel, maar ’s nachts als een kolom van vuur en overdag als een wolkkolom, die het volk afwisselend leidt en van de achtervolgende Egyptenaren afscheidt.

Maar van een andere kant bekeken, kun je ook zeggen: ‘De HERE ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan’ (13:21). De dualiteiten die we eerder zagen (zie Ex. 3; overdenking voor 20 februari) gaan verder.

Ten derde, welke middelen (zoals de wind) ook dienstbaar waren bij het splijten van de Rode Zee, de gebeurtenis wordt – net als de plagen – voorgesteld als wonderbaarlijk. Dit betekent dat we niet de gewone voorzienige ordening van alles zien (de regelmatigheid die wetenschap mogelijk maakt), maar het ingrijpen van God ten opzichte van de manier waarop Hij normaal de dingen doet (wat wonderen uniek maakt en daarom niet onderhevig aan wetenschappelijke analyse). Want een volk op het droge laten wandelen tussen muren van water (14:21-22) is iets dat de soevereine God van de schepping voor elkaar kan krijgen, maar niemand anders.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 februari 2014

What if trials of this life are Your mercies in disguise



Laura Story: 'Blessings'


We pray for blessings
We pray for peace
Comfort for family, protection while we sleep
We pray for healing, for prosperity
We pray for Your mighty hand to ease our suffering
All the while, You hear each spoken need
Yet love is way too much to give us lesser things
(Chorus)
'Cause what if your blessings come through raindrops
What if Your healing comes through tears
What if the thousand sleepless nights are what it takes to know You're near
What if trials of this life are Your mercies in disguise
We pray for wisdom
Your voice to hear
We cry in anger when we cannot feel You near
We doubt your goodness, we doubt your love
As if every promise from Your Word is not enough
And all the while, You hear each desperate plea
And long that we'd have faith to believe
Chorus
When friends betray us
When darkness seems to win
We know the pain reminds this heart
That this is not, this is not our home
Chorus
What if my greatest disappointments
Or the aching of this life
Is the revealing of a greater thirst this world can't satisfy
What if trials of this life
The rain, the storms, the hardest nights
Are your mercies in disguise

zondag 8 december 2013

De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden (Hab. 3)


2 Kronieken 8; 3 Johannes; Habakuk 3; Lukas 22
Habakuks laatste gebed (Hab. 3) is in grote lijnen een reactie op het perspectief van de Heer in hoofdstuk 2. Het is een heel mooi voorbeeld van hoe te reageren op openbaringen van God wanneer die iets zeggen dat we misschien niet zo fijn vinden.

Dit zijn de dominerende thema’s:

(1) Habakuk blijft bidden voor opwekking. Wie weet of dit niet een van die gelegenheden is waarin God hartstochtelijke voorbede verhoort? In het voorgaande hoofdstuk sluit God de mogelijkheid van een dergelijke bezoeking niet volledig uit.

Dus bidt Habakuk: ‘HERE, ik heb de tijding aangaande U vernomen, ik ben, HERE, met vreze voor uw werk vervuld; roep het in het leven in de loop der jaren, maak het openbaar in de loop der jaren; gedenk in de toorn aan ontfermen!’ (3:2).

(2) In uiterst poëtische taal roept Habakuk dan herinneringen op aan een aantal gelegenheden uit het verleden waarin God in feite zijn verbondsvolk redde door hun tegenstanders te slaan. ‘In gramschap doorschrijdt Gij de aarde, in toorn dorst Gij de volkeren’, herinnert Habakuk (3:12), duidelijk suggererend ‘waarom nu niet opnieuw?’.

Uiteindelijk, zo voegt hij toe, trok U bij die gelegenheden ‘uit tot redding van uw volk, tot redding van uw gezalfde’ (3:13 – merk op hoe ‘gezalfde’ hier blijkbaar verwijst naar het hele volk van God, niet slechts naar de Davidische koning).

(3) Maar Habakuk heeft gehoord wat God gezegd heeft over deze gelegenheid. Hoezeer het ook zijn hart doet beven en zijn knieën doet knikken (3:16), hij is vastbesloten om de enige wijze koers te volgen: ‘toch zal ik rustig afwachten de dag der benauwdheid, wanneer die aanbreken zal voor het volk dat met benden ons aanvalt’ (3:16).

Met andere woorden, hij zal wachten op wat God heeft beloofd – het rechtvaardige oordeel van God over de onderdrukkers, zelfs als het volk van God eerst zelf oordeel moet ondergaan.

(4) Maar het mooiste en meest inzichtrijke deel van Habakuks gebed is voorbehouden voor het einde. Zijn ultieme vertrouwen rust niet op het vooruitzicht van oordeel over Babylon. Aan de ene kant staat zijn uiteindelijke vertrouwen volkomen los van politieke omstandigheden en van het materiële welzijn van zijn volk. ‘Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn’, zo schrijft hij, en ‘de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil’ (3:17-18).

Een dergelijk geloof kan leven zonder te weten; het kan overwinnen wanneer er geen opwekking is; het kan zich in God verblijden, zelfs al is de cultuur in verval. ‘De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten’ (3:19).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 4 november 2013

Ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht (Ps. 131)


2 Koningen 17; Titus 3; Hosea 10; Psalmen 129-131

Velen hebben opgemerkt dat Psalm 131 vooruitgrijpt naar de leer van Jezus in Matteüs 18:1-4, waar Hij vraagt, ‘Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen?’ – en dan een klein kind roept om tussen de discipelen te gaan staan.

In bepaalde opzichten moet de volgeling van Jezus als een kind zijn, en deze psalm levert zijn eigen bijdrage aan dit thema. Maar kinderlijkheid is niet hetzelfde als kinderachtigheid; eenvoud is niet hetzelfde als achterlijkheid; nederigheid is geen slaafsheid. De psalm zal krachtiger spreken als we nadenken over een aantal van de kenmerken ervan:

(1) Volgens het opschrift is dit een psalm van David. Je zou je wel kunnen afvragen tijdens welke periode in zijn loopbaan hij dit schreef. Meer dan een schrijver heeft geopperd dat het uit een vroege periode komt, voor de successen van zijn middelste en latere jaren een bepaalde arrogantie voortbrachten die het voor hem onmogelijk maakte om te schrijven ‘ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn’ (131:1).

Dat is natuurlijk mogelijk. Niettemin zou een zeer jonge man die nog niet de gelegenheid had zich bezig te houden met grootse dingen, niet gauw deze woorden schrijven – en als hij het al deed, zouden ze lichtelijk pretentieus klinken, een beetje als een hoogdravend excuus om de moeilijke zaken niet aan te pakken.

Je kunt het punt niet finaal bewijzen, maar ik vermoed dat deze psalm makkelijker kan worden verstaan als hij voortkomt uit het einde van Davids leven, nadat hij was verbroken door zaken als met Batseba en Uria, en door de opstand van zijn zoon Absalom.

Verbroken, minder snel denkend dat alleen hij verstaat, trager om zijn paraplu open te trekken, en meer onder de indruk van de wijze voorzienigheid van God, schrijft David (zo stel je je voor) nu tot rust gekomen: ‘HERE, mijn hart is niet hovaardig, mijn ogen zijn niet trots; ik wandel niet in grootse dingen, noch in dingen die te wonderbaar voor mij zijn’ (131:1).

(2) Bepaalde commentatoren (en zelfs vertalingen) stellen het kind van vers 2 voor als zogend aan de borst. Maar dit is niet wat de tekst zegt. David stelt zichzelf voor als ‘een gespeend kind bij zijn moeder’. Dit kind weent niet langer, net zomin als David, voor wat het daarvoor als onmisbaar zag.

Ook dit suggereert dat David nu volwassen genoeg is om iets op te geven – namelijk, in het licht van vers 1, de zelfverzekerde zoektocht om alles te verstaan, voortgekomen uit meer dan een beetje arrogantie. De onvolwassenheid die hij verlaat is als een klein kind dat kronkelt om zijn moeders borst te pakken te krijgen. Maar David is dit punt voorbij. Hij is gespeend, en hij is voldaan. Vgl. Filippenzen 4:11 e.v.

(3) De maturiteit die David heeft bereikt is niet alleen gegrond in vluchtgedrag uit de complexiteiten van het leven, maar in vertrouwen in de Heer (131:3), wiens volmaakte verstand een bolwerk vormt voor onze hoop.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 21 oktober 2013

Uw God, die gij zo volhardend dient, die bevrijde u! (Dan. 6)


2 Koningen 2; 2 Thessalonicenzen 2; Daniël 6; Psalmen 112-113
In het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil (Dan. 6) zien we een man van rond de tachtig even getrouw aan het einde van zijn leven als hij dat was aan het begin.
Een paar opmerkingen:

(1) Ondanks zijn gevorderde leeftijd maken Daniëls bestuurlijke talenten en zijn passie voor integriteit hem uiterst waardevol voor een relatief verlicht heerser als Darius. Dezelfde deugden maken hem tot doelwit van jaloezie onder mindere mannen, die al te blij zijn te kunnen deelnemen aan een vuile listen-campagne om hem neer te halen. Vuile listen werden niet uitgevonden door Nixon; ze gaan al terug tot de zondeval.

Gezegend is de christen wiens leven zo transparant is, dat geschreven kan worden dat ‘hij getrouw was en er geen verzuim of iets verkeerds bij hem gevonden werd’ (6:5), zodat de enige manier om hem of haar te treffen eruit bestaat een misdaad te maken van de christen wandel en overtuiging.

(2) Daniël dient als een voorbeeld van hoe een christen kan dienen in een regering die op zichzelf op geen enkele manier christelijk is. Hij biedt geen steun voor wie zich niet alleen aan zonde onttrekt maar ook aan verantwoordelijkheid en godvrezende invloed.

(3) De uitdrukking ‘wet der Meden en Perzen, die niet kan worden herroepen’ (6:9) was waarschijnlijk een pronkstuk van het rijk. Waarschijnlijk was dit beleid ontworpen om favoritisme, corrupte uitzonderingen en pragmatische verschuivingen te ontmoedigen.

Maar er is geen wettelijk systeem dat consistente rechtspraak kan verzekeren. Corrupte mensen zullen altijd manieren vinden om het systeem uit te buiten om anderen te onderdrukken en zichzelf te bevoordelen. Achter de slogan zit de diepere kwestie verborgen.

Historisch gezien was er lang spanning tussen positieve wetstheorie, waarin de enige wet die moet gehoorzaamd worden de wet is die wordt uitgevaardigd door de regering, en de natuurlijke wetstheorie, waarbij geleerd wordt dat bepaalde grondslagen ontdekt worden door mensen.

In de naam van gelijkheid en rechtvaardigheid schoven de Britse hoven nog niet zo lang geleden soms de positieve wet terzijde ten gunste van de natuurlijke wet waar het anders nogal duidelijk was dat onrecht werd gedaan. Zowel in Groot-Brittannië als de Verenigde Staten zijn dergelijke overwegingen vandaag zeldzaam.

In Groot-Brittannië moet je gehoorzaam zijn aan wat het parlement zegt; in de Verenigde Staten moet gedaan worden wat het Hooggerechtshof zegt. In beide gevallen krijgt de positieve wet grotendeels de overhand, zoals in het oude Perzië.

De kwestie is hier steeds moeilijker geworden, aangezien Westerse staten zijn gaan denken dat ze een therapeutische rol hebben in de maatschappij, waarbij ze de ‘ziekten’ moesten bepalen die moeten aangepakt worden en de therapieën die nodig zijn als ze voortduren. De kans op ongerechtigheid en ongelijkheid vermenigvuldigt.

(4) In de crisis die wordt veroorzaakt door deze onrechtvaardige wet, blijft Daniël consequent, en hij pronkt niet met zijn onafhankelijkheid en verbergt ook zijn overtuigingen en gewoontes niet. De uitkomst laat hij aan God over – wat heel erg doet denken aan Jezus’ gebed (‘uw wil geschiede’) en voorbeeld (Mt. 6:10; 26:39). Dergelijke maturiteit vormt daarom een kostbaar model voor ons.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 18 oktober 2013

Het zij u bekend, o koning, dat wij (...) het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden (Dan. 3)


1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107

Het beeld dat Nebukadnessar oprichtte (Dan. 3) was ongetwijfeld ontworpen om het rijk te verenigen. Dit is waarom hij het bevel gaf aan alle ‘volken, natiën en talen’ dat ze zich moesten ‘ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden’ (3:4-5).

Nebukadnessar leefde in een pluralistische cultuur waarin mensen straffeloos goden aan hun persoonlijke pantheon konden toevoegen, en hij zag dan ook geen reden waarom iemand zou weigeren het beeld te aanbidden, behalve vanwege opstand of onbuigzame weerstand.

Het dreigement van de oven garandeerde vanuit zijn oogpunt conformiteit, en de potentiële politieke winst viel niet te berekenen. Ovens dienden in Babylon in de eerste plaats voor het bakken van stenen (vgl. Gen. 11:3), en waren wijdverbreid omdat geschikte bouwstenen zo schaars waren. Bepaalde grote bouwsteenovens zijn opgegraven buiten de ruïnes van het oude Babylon. Nebukadnessar zou zeker geen scrupules hebben om mensen levend te verbranden (Jer. 29:22).

Het treffende gesprek in dit hoofdstuk gaat tussen Nebukadnessar en de drie jonge mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, na hun eerste weigering voor het beeld te buigen (3:13-18). De finale sneer van de heerser daagt bijna elke god uit om naar voor te stappen: ‘wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?’ (3:15).

Natuurlijk leefde hij als heiden in een wereld van krachtige maar uiteindelijk eindige goden, en bij bepaalde gelegenheden voelde hij zeker dat hij hun gelijke was of zelfs hun superieur. Vanuit het perspectief van het bijbels theïsme, is dit een afschuwelijke arrogantie.

Maar het is het antwoord van de drie mannen dat onze herinnering en overdenking waard is: ‘Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden. Maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (3:16-18).

Merk op:

(a) Hun basisbeleefdheid en respect zijn onverminderd, hoe gedurfd ook hun woorden.

(b) Ze willen zich helemaal niet verontschuldigen voor hun standpunt. De wijze gelovige verontschuldigt zich nooit voor God of voor een van zijn karaktertrekken.

(c) Ze twijfelen niet of God in staat is om hen te redden, en dat zeggen ze ook: God is niet een gegijzelde van andere goden, andere mensen, heersers of anderen.

(d) Maar of God hen nu wel of niet zal redden, kunnen ze niet weten – en het punt speelt ook helemaal geen rol in hun vastberadenheid. Trouw hangt niet af van een vluchtweg. Ze kiezen trouw te blijven omdat dit het juiste is om te doen, zelfs al kost het hen hun leven.

De moed die we in dit anti-christelijke tijdperk nodig hebben is welgemanierd en vasthoudend. Hij verontschuldigt zich nooit voor God. Die moed gelooft ook met vreugde dat God alles kan doen, maar is bereid te lijden in plaats van de krachtige gehoorzaamheid te compromitteren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 12 september 2013

Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die het voor mij voleindigt (Ps. 57)

2 Samuël 7; 2 Korintiërs 1; Ezechiël 15; Psalmen 56-57
Het opschrift van Psalm 57 verduidelijkt dat deze psalm geschreven werd toen David ‘voor Saul in de spelonk vluchtte’ (vgl. 1 Sam. 22:1; 24:3). Wat we dan krijgen is iets van de emotionele en geestelijke toon van de man op een ogenblik dat hij eigenlijk kon zeggen dat er ‘slechts één schrede’ was tussen hem en de dood’ (1 Sam. 20:3).

Enkele gedachten:

(1) Zelfs wanneer hij om genade schreeuwt, drukt David zijn vertrouwen uit in Gods soevereine macht. De taal is verbijsterend: ‘Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die het voor mij voleindigt’ (57:3). De titel ‘Allerhoogste’ is niet zeer gebruikelijk in de Psalmen. Misschien denkt David aan een andere man zonder huis, Abraham, die meer vertrouwd was met deze manier om God aan te spreken.

David denkt zeker niet dat de omstandigheden deze God op een of andere manier uit de hand zijn gelopen. Hij smeekt om genade, maar hij erkent dat God, de machtige God, zijn plannen in hem vervult.

Deze mengeling van nederig pleiten en rustig vertrouwen op Gods soevereine macht komt heel vaak terug in de Schrift. Nergens bereikt het een hoger niveau dan in het gebed van de Heer Jezus in de hof Getsemane: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Mt. 26:39). Elke volgeling van Jezus Christus zal in zekere mate de beklemming en de vreugde van dit soort gebed willen leren.

(2) Het refrein in 57:6 en 12 – ‘Verhef U boven de hemelen, o God; uw heerlijkheid zij over de ganse aarde’ – toont ons David niet alleen in eerbiedige aanbidding, maar bevestigt iets wat gelovigen makkelijk vergeten, zeker wanneer ze onder spanning staan. Misschien dat het duidelijkste Nieuwtestamentische equivalent wel in het gebed ligt dat de Heer Jezus ons leerde: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd’ (Mt. 6:9).

Hier overdenkt David niet Gods soevereine macht, maar Gods soevereine belang. Nog belangrijker voor David dan of hij nu wel of niet uit de grot ontkomt, is dat God verheerlijkt wordt boven de hemelen.

Het bewogen gebed dat gewillig dringende persoonlijke belangen onderwerpt aan Gods heerlijkheid ademt vreugde en stabiliteit uit: ‘Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust; ik wil zingen, ja psalmzingen’ (57:8).

(3) Eerder treffend is Davids blik op de ruimte waar hij van plan is te getuigen: ‘Ik zal U loven, o Here, onder de volken, ik zal U psalmzingen onder de natiën; want hemelhoog is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw’ (57:10-11).

Geen beperkte blik, hier. En vandaag, wanneer ontelbare miljoenen deze woorden zingen, is Davids gelofte veel uitgebreider vervuld dan hij zich ooit kon voorstellen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 20 augustus 2013

Wacht op de HERE, wees sterk (Ps. 27)


1 Samuël 12; Romeinen 10; Jeremia 49; Psalmen 26-27
Psalm 27 heeft een aantal thema’s gemeen met zijn naaste buren (Ps. 26 en 28) maar is uitbundiger dan die beide.

(1) De Here is mijn licht (27:1-3). Licht is een tot de verbeelding sprekend beeld voor bijna al het goede: waarheid, kennis, blijdschap, morele zuiverheid, openbaring, en meer. Hier is het woord gelinkt aan ‘heil’ en ‘veste’(27:1); licht is verbonden met veiligheid. David staat tegenover vijanden die hem aanvallen als een troep wolven, maar als de Here zijn licht en heil is, zal David niet vrezen. Hoe zou een God die zo soeverein is, zo goed, zo zelfonthullend, zo heerlijk, niet altijd onze zekerheid zijn?

(2) De Here is mijn heiligdom (27:4-6) – in de dubbele betekenis dat het woord heeft in het Engels (‘sanctuary’ betekent zowel ‘heiligdom’ als ‘toevluchtsoord’). Aan de ene kant gaat het thema van de eerste drie verzen verder: God is Davids heiligdom in de zin dat Hij Davids bescherming is, zijn burcht: ‘Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent’ (27:5).

Maar aan de andere kant betekent dit ‘heiligdom’ oneindig veel meer dan louter politieke veiligheid: ‘Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven’ (27:4). Dit wil niet zeggen dat David een geheim, onmogelijk verlangen koestert om Leviet te worden. Eerder heeft hij een diepgaande passie om zijn leven te leven in de tegenwoordigheid van de levende God. Dit is de positie van veiligheid.

(3) De Here is mijn richting (27:7-12). David beschouwt zijn relatie met God niet als iets statisch, maar als zijn levenslange streven. Bovendien verstaat hij dat dit streven hem tegelijk vormt. Als hij Gods aangezicht zoekt zoals hij hoort te doen (27:8), als hij smeekt om genade zodat God ontfermend met hem zal omgaan en niet in toorn (27:9-10), dan zal hij ook Gods wegen leren en een effen pad bewandelen (27:11).

Dit kan niet te sterk of te vaak gezegd worden: te beweren dat iemand God zoekt zonder dat dit gepaard gaat met levensverandering en toenemende conformiteit aan de wegen van God, is verdorven en gevaarlijke onzin.

(4) De Here is mijn hoop (27:13-14). Hoe waar het ook is dat God de burcht is van de gelovige, in deze gebroken en gevallen wereld zijn er momenten waarop het niet zo voelt. De waarheid is dat Gods tijdschema zelden hetzelfde is als het onze. Vaak verlangt Hij dat we geduldig op Hem wachten: zijn timing is volmaakt. De rechtvaardiging van zijn volk vindt vaak plaats in de geschiedenis (27:13), maar zelden zo snel als we dat willen; niettemin is zijn ultieme rechtvaardiging onbetaalbaar: ‘Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE’ (27:14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 juli 2013

Jeremia’s geloof en zielestrijd (Jer. 20)


Richteren 7; Handelingen 11; Jeremia 20; Markus 6
Het hoofdstuk voor ons (Jer. 20) biedt zowel inzicht in Jeremia’s externe omstandigheden in deze fase van zijn bediening als in zijn innerlijke onrust.

(1) Jeremia’s externe omstandigheden: de priester Paschur, de zoon van Immer, is ‘hoofdopziener’ in de tempel, waarschijnlijk hoofd van de veiligheidsmensen, die onder de huidige hogepriester dienst doen.

De profetische acties en woorden van Jeremia uit het voorgaande hoofdstuk, waarmee hij de vernietiging van Jeruzalem en zijn tempel aankondigt, worden bijna gezien als hoogverraad, of godslasterlijk, temeer daar Paschur een van degenen was die ‘vals geprofeteerd’ hebben (20:6), bewerend dat God deze stad nooit in handen van de heidenen zou laten vallen (vgl. 14:14-15).

Dus liet hij Jeremia aanhouden en slaan, wellicht met de wettelijke limiet van veertig zweepslagen (Deut. 25:3 – dit aantal werd in de tijd van Paulus met één verminderd zodat de limiet niet per ongeluk werd overschreden, 2 Kor. 11:24).

Jeremia moet een nacht in de gevangenis doorbrengen, een uitgelezen middel om de vreselijke pijn van verkrampte spieren te garanderen. Tegen de volgende morgen is Paschur op andere gedachten gekomen en laat hij Jeremia gaan.

Als hij denkt dat deze toegeeflijkheid de profeet angstig zal doen ineenkrimpen, heeft hij het verkeerd: Jeremia maakt van de gelegenheid gebruik om Paschur een nieuwe naam te geven die ‘Schrik-van-rondom’ betekent (20:3-4) – een nieuwe beeldrijke voorzegging van het oordeel dat zeker komt, wanneer al Paschurs valse profetieën zullen ontmaskerd worden.

(2) De innerlijke onrust van Jeremia: is de profeet naar buitenuit moedig, dan tonen de volgende verzen (20:7-18) iets van zijn persoonlijke angst. Op dit moment heeft Jeremia al tientallen jaren oordeel gepredikt, en het is nog niet gekomen. Het is steeds makkelijker geworden om hem af te wijzen en te bespotten. De lankmoedigheid van de Heer wordt een excuus voor cynisme (zoals in 2 Petr. 3:8-9).

Jeremia grijpt tijdelijk terug naar stilte, maar het profetische woord brandt zodanig sterk in hem dat hij het niet kan inhouden (20:8-9). Dus spreekt hij, en zijn voormalige ‘vrienden’ luisteren met neerbuigende spot, terwijl ze hopen dat hij iets zal zeggen dat hen in staat zal stellen hem aan de autoriteiten over te leveren en deze dwaze man in de problemen te brengen (20:10).

Jeremia wordt heen en weer geslingerd tussen een gefocust en schitterend geloof dat volkomen vertrouwt dat de Heer hem finaal zal rechtvaardigen (20:11-13), en een verlammende wanhoop die rechtuit wenst dat hij nooit geboren was en zich wentelt in begrijpelijk zelfbeklag (20:14-18).

Misschien zijn er dienstknechten van de Heer die dergelijke hoogten en laagten nooit meegemaakt hebben. Maar ze zijn zeldzaam. Zeker zij die dienen op moeilijke plaatsen weerspiegelen bijna zonder uitzondering in een bepaalde mate de ervaringen van Jeremia. Bid voor christen leiders, in het bijzonder voor hen wiens kring bijzonder ontmoedigend is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 5 juli 2013

Zij zullen u niet overmogen, want Ik ben met u (Jer. 1)

Jozua 7; Psalmen 137-138; Jeremia 1; Matteüs 15

Jeremia leefde in een tijd van dreiging en verval. Geroepen als profeet in het dertiende jaar van de regering van koning Josia, Juda’s laatste hervormende koning (rond 627 v.C.), diende Jeremia meer dan veertig jaar. De val van Jeruzalem vond plaats in 587 (veertig jaar naar de roeping van Jeremia), en de profeet zette zijn dienst daarna nog een tijd voort.

Zijn dienst was gedoemd tot schijnbare vruchteloosheid. Maar God had hem geroepen om de waarheid te spreken over de natie en over het komende oordeel, of zijn woorden nu wel of niet goed ontvangen werden.

Je merkt Jeremia’s groeiende maturiteit en vastberadenheid met het voorbijgaan van zijn jaren dienst. De roeping van Jeremia beslaat het eerste hoofdstuk (Jer. 1). Een paar belangrijke elementen:

(1) Niet alleen kwam Jeremia’s opdracht van God, maar God had hem al uitverkoren van voor zijn geboorte (1:5). In de donkerste uren van tegenstand en wrede behandeling, was dit feit ongetwijfeld een ontzettende geruststelling voor Jeremia.

(2) Jeremia was duidelijk nog een jongeman toen God hem riep voor zijn eerste opdracht. Jeremia protesteerde dat hij te jong was, ‘nog maar een jongen’ (HSV) – maar God wilde van dit excuus niet weten, want Hij is volkomen in staat om iedereen toe te rusten die Hij kiest. God zelf zou de woorden in Jeremia’s mond leggen en hem een profetische stem maken, niet alleen voor Juda, maar ook voor de omliggende volken (1:7-10).

(3) Twee visionaire beschrijvingen verklaren de roeping van Jeremia.

De eerste is een amandeltwijg. Het Hebreeuwse woord klinkt als het Hebreeuws voor ‘waken over’. De amandeltwijg was de eerste om in de lente te ontspruiten, en zo wijst ze op de komst van de lente; in de woordspeling wijst Gods woord naar zijn eigen vervulling, die zonder twijfel moet volgen. Zo wordt Jeremia bemoedigd Gods woorden te brengen met volkomen vertrouwen dat al wat God zegt waar is, en al wat Hij voorspelt zal gebeuren (1:11-12): God waakt over alles.

Het tweede visionaire element is een kokende pot, die uit het noorden verschijnt – een beeldende manier om aan te duiden dat de kokende ketel van oordeel, het oordeel dat Babylon over de nietige natie zou brengen (1:13-16), zou over Juda uitgestort worden vanuit het noorden.

(4) Bovenal zegt God aan Jeremia niet bang te zijn – een veelgebruikt woord van God voor zijn dienstknechten (bijv. Abraham, Gen. 15:1; Mozes, Num. 21:34 en Deut. 3:2; Daniël, Dan. 10:12, 19; Maria, Lukas 1:30; Paulus, Handelingen 27:24). God verbloemt de moeilijkheden niet: Jeremia zal tegenstand krijgen en zal soms alleen staan ‘tegen het gehele land’ (1:18) – maar ‘zij zullen u niet overmogen’, zegt God, ‘want Ik ben met u (…) om u te bevrijden’ (1:19). Alleen dergelijke beloften zijn voldoende om gigantische profetische moed te verkrijgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 juni 2013

Op wie vertrouwt gij toch? (Jes. 36)


Deuteronomium 8; Psalm 91; Jesaja 36; Openbaring 6
Jesaja 36-39 is minder een historische excursus dan een scharniergedeelte voor het boek. Om een andere beeldspraak te gebruiken: deze hoofdstukken vormen de kaft die de twee grote delen aan weerszijden ervan bijeenhoudt.

Niet alleen bieden ze de historische setting voor veel van het boek (in het bijzonder voor veel van de eerste vijfendertig hoofdstukken), maar ze zetten ook de fundamentele vraag die het boek behandelt in historische vorm: op wie zullen we vertrouwen? Of, in de heidense blik van Sanheribs veldheer, ‘Op wie vertrouwt gij toch (…)?’ (36:5). Jesaja 36 brengt het drama op gang.

Koning Hizkia had de natie geleid in een anti-Assyrische opstand en keek dan naar Egypte voor hulp. Sanherib van Assyrië was niet meteen in een vergevingsgezinde stemming. Trots over zijn onafgebroken rij successen (36:18-20), was Sanherib vastbesloten Jeruzalem te verpletteren en het een les te leren die het niet meer zou vergeten. Hij nam van Juda stad na stad in, tot er maar twee meer overbleven, Lakis en Jeruzalem.

Hier komen we Sanheribs veldheer tegen die de resterende troepen probeert te ontmoedigen, terwijl hij spreekt in het Hebreeuws, dat het volk van Jeruzalem kon begrijpen, in plaats van in zijn eigen Aramees (36:11-12).

Wat we in dit hoofdstuk misschien het nauwgezetst moeten bekijken is het voorbeeld van satanische halve waarheden, de methoden van twijfel zaaien, waarbij de argumenten bedoeld zijn om het geloof in de levende God te doen afnemen. Ken je vijand, en zeker zijn leugens, en hij wordt zwakker en minder geloofwaardig.

Dus hier zijn zijn wapens:

Veel van de toespraak is brutale spot. Op dit ogenblik hield Juda zodanig weinig strijders over dat zelfs indien Sanherib de paarden zou leveren, Hizkia niet eens de ruiters had kunnen leveren (36:8).

De veldheer beweert dat hij hier is op bevel van de Heer (36:10) – wat natuurlijk deels waar was en zelfs resoneerde met het onderwijs van Jesaja zelf (10:5). Maar het was anderzijds volkomen onjuist in elke betekenis die het zou veronderstellen dat Assyrië de gehoorzame dienstknecht was van de Heer; veeleer is het een instrument dat gebruikt wordt in het mysterie van voorzienigheid.

Een bewuste poging om het vertrouwen van het volk in Hizkia te ondermijnen (36:13-15) wordt finaal alleen beantwoord met stilte (36:21), maar de psychologische schade moet aanzienlijk geweest zijn.

Zelfs de dreiging met deportatie naar een vreemd land wordt voorgesteld als een gezellige verhuis naar een betere plaats (36:16-17) – een beetje alsof je zonde zou voorstellen als heerlijk, terwijl je de schaamte, eenzaamheid en dood verbergt.

Als je natuurlijk Jahweh kunt reduceren tot de status van de heidense afgoden, zal het makkelijker zijn om hem aan de kant te schuiven (36:18-19). En zo de veldheer de betekenis van Hizkia’s vernietiging van afgodische altaren (36:7) verkeerd begrijpt, dan heeft hij het waarschijnlijk wel bij het rechte eind als hij iets van onvrede voelt bij velen uit het volk.

Welke vergelijkbare leugens en halve waarheden worden door krachtige stemmen in onze maatschappij eindeloos herhaald om het volk van God te demoraliseren?


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 mei 2013

Wee de opstandige kinderen, luidt het woord des HEREN (Jes. 30)


Deuteronomium 2; Psalmen 83-84; Jesaja 30; Judas

Jesaja 30 en 31 hangen samen als een duidelijke veroordeling van iedereen die streeft naar een alliantie met Egypte. Beiden hoofdstukken openen met aanzienlijke weerstand tegen deze alliantie (30:1-5; 31:1-3). Maar Jesaja 30 besluit met de genade van God, terwijl Jesaja 31 eindigt met een krachtige oproep tot bekering. Treffende parallellen komen naar voor tussen Jesaja 30 en een van de andere hierboven aangeduide teksten uit het Bijbelleesrooster, namelijk Judas.

De eerste helft van Jesaja 30 klaagt de leiders in Juda aan die zeer actief de hulp van Egypte najagen. Hun afgezanten hebben al de steden in Egyptes Nijldelta bereikt (30:4). Ezels en kamelen beladen met rijkdom om Egyptes steun te kopen, trekken door de Negev op weg naar het zuiden.

Vanuit Gods gezichtspunt bewijst dit dat ze het verbond niet trouw zijn. Ze zijn ‘opstandige kinderen’ en ‘leugenachtige kinderen’ (30:1, 9), letterlijk ‘rebelse zonen’ – in plaats van de trouwe zoon die God verwachtte (Ex. 4:22-23).

Ze zijn meer als de spreekwoordelijke ‘weerspannige zoon’ van Deuteronomium 21:18-21, waar geen leren aan is, en die uiteindelijk moet veroordeeld worden. En de reden is ontmoedigend: ze willen niet luisteren naar openbaring – of het nu gaat om de oude verbondsbepalingen die elke terugkeer naar Egypte verboden (Ex. 13:17; Deut. 17:16), of om de gezichten van de profeten en zieners uit hun tijd (30:10).

Hun criterium voor aanvaardbare preken is pijnlijk eenvoudig: ‘spreekt tot ons aangename dingen, schouwt begoochelingen; wijkt af van de weg, buigt af van het pad, doet de Heilige Israëls weg uit onze ogen’ (30:10-11).

Dit klinkt ontzettend vergelijkbaar met veel van de zoektocht naar ‘spiritualiteit’ in onze dagen, binnen en buiten de kerk, en klinkt als het ‘therapeutisch christendom’, als het oecumenisch christendom, als het welvaartsevangelie van gezondheid en rijkdom.

Tussen deze bewegingen onderling zijn er natuurlijk grote verschillen, maar wat je typisch bij ze mist is het krachtige thema van naderend oordeel zo er geen onvoorwaardelijke overgave aan Gods genadige openbaring wordt gevonden.

Onze hoop is de genade van God (30:17-33). Hij verlangt zijn volk genadig te zijn (30:18) – of het nu is als hun Leraar (30:18-22), degene die hun land geneest (30:23-26), of de Strijder die hen verdedigt (30:27-33).

Dit zijn de fundamentele alternatieven: genade (30:18) of de brandende stortplaats of verbrandingsplaats (in het Hebreeuws tofteh), de vuurhaard die vooruitwijst naar de hel zelf.

Judas begrijpt dit. In zijn dagen zijn valse leraars die het volk doen dwalen ‘goddelozen (…) onder een straf van eeuwig vuur’ (Judas 4 en 7).

In contrast daarmee: ‘Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheden!’ (24-25).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 19 mei 2013

Als het hun al zo vergaat, onze hoop, (…) hoe kunnen wij dan gered worden? (Jes. 19-20)


Numeri 28; Psalm 72; Jesaja 19-20; 2 Petrus 1
Jesaja 19-20 gaat verder met de profetieën met betrekking tot Egypte/Cusj. Hier zal ik de gedachtegang uiteenzetten en er dan een belangrijke les uit halen voor de wereld van vandaag.

Jesaja 19 wordt onderverdeeld in twee delen. Het eerste is in poëtische vorm (19:1-15) en spreekt het oordeel uit over Egypte. De details zijn onvoldoende specifiek voor ons om met zekerheid te kunnen zeggen welke historische aanval op Egypte in beeld is.

Egypte werd ingenomen door Esarhaddon (671 v.C.), Assurbanipal (667), Nebukadnessar (568), Cambyses (525) en Alexander de Grote (332). Waarschijnlijk is de ‘hardvochtige heer’ of de ‘gestrenge koning’ (19:4) representatief voor hen allemaal.

De les voor Jesaja’s medeburgers is de les die voortdurend herhaald wordt in dit boek: ga geen bondgenootschappen aan met vreemde mogendheden; vertrouw op God alleen. Wanneer God tegen Egypte handelt, zal haar religie haar niet redden (19:1-4), ook de Nijl zal dit niet doen (normaal gezien haar levensader, 19:5-10), noch haar raadgevers zullen haar redden (19:11-15).

Het tweede deel van Jesaja 19 is in proza (19:16-25). De woorden ‘te dien dage’ keren een aantal malen terug (19:16, 18, 19, 23, 24) – een teken van het inkapselen van de ultieme horizon, de finale oordeelsdag, in de aanbrekende historische horizon, veel dichter bij de onmiddellijke context van de profeet.

Jesaja schetst, gebruikmakend van de bewoordingen van die tijd, de tijd waarin heel Egypte – zelfs een stad als Heliopolis (19:18 e.v.), voorheen het centrum van de zonnegod Ra –onder de heerschappij zal komen van God.

En niet alleen Egypte: andere heidense machten, hier voorgesteld door Assyrië, zullen zich verenigen in gezamenlijke dienst aan Israëls God, en er zal vrede zijn (vergelijk 2:2-5). Hier is opnieuw een voorafschaduwing van evangeliekracht die mannen en vrouwen aantrekt ‘uit elke stam en taal en volk en natie’ (Opb. 5:9), in lijn met Gods genadige belofte aan Abraham (Gen. 12:3b).

De setting van Jesaja 20 is meer specifiek: de Filistijnse revolte met Egyptische ruggensteun tegen Assyrië (713-711 v.C.; vgl. 14:28-31). Het gedeelte voorspelt de vernietiging van Asdod, een van de grote steden van Filistea. Gedurende die drie jaren, werd Jesaja opgedragen gekleed te lopen (of ongekleed!) als een gevangene, ‘ongekleed en barrevoets’ (20:2), minstens voor een deel van de dag, tot Asdod gevallen was – en toen gaf hij een verbijsterende uitleg voor zijn actie: hij verbeeldde de vernietiging en gevangenenstatus, niet van Filistea maar van Egypte (20:4-6). De les is duidelijk: vertrouw je toekomst niet toe aan Egypte, het is een gebroken riet.

Eén les die we moeten leren draait om het feit dat het einde van Egypte er niet eerder kwam dan veertig jaren later (671). Vaak vragen we onmiddellijke antwoorden van God. Maar God nam twaalf jaar om Hitler neer te halen, zeventig om het Russische rijk te doen instorten, twee eeuwen om het Britse rijk te vernederen. Denk na over de implicaties.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 16 maart 2013

'Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet' (Spr. 3)



Exodus 27; Johannes 6; Spreuken 3; Galaten 2
Spreuken 3 bevat diverse bekende passages.

Veel christenen hebben al gehoord dat ze niet wijs mogen zijn in eigen ogen (3:7).

Het gedeelte dat de tuchtiging van gelovigen door de Heer vergelijkt met de tucht van een vader tegenover zijn zoon in wie hij zich verheugt (3:11-12) duikt ook later weer op in het Nieuwe Testament (Heb. 12:5-6).

Opgroeiend in een christelijk gezin is mij vaak gezegd ‘Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt … Zij (de wijsheid, noot van de auteur) is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren (3:13, 15). Wijsheid is ofwel Gods plan of het gepersonaliseerde middel om de volledige geschapen orde vast te stellen (3:19-20).

Maar de eerste plaats zou moeten gaan naar 3:5-6, een passage die ingekaderd aan veel muren hangt en door vele generaties zondagschoolstudenten uit het hoofd geleerd werd: ‘Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’.

Merk op:

(1) Het eerste deel van deze vertrouwde tekst valt de onafhankelijkheid aan bij de wortel van alle zonde. Ons eigen inzicht is onvoldoende en vaak vervormd. Het enige rechte pad is dat je de Here vertrouwt. Dergelijk vertrouwen in de Heer is niet een etherisch subjectivisme; het is een soort levenslange toewijding (‘met uw ganse hart’ zegt Salomo) die zelfzuchtige gezichtspunten achterwege laat en ze inruilt voor de gezichtspunten van de Heer.

In de context van Bijbels geloof betekent dit dat je leert en weet wat de wil van de Heer is, en die wil gehoorzaamt, ongeacht of het nu ‘populair’ is om dit te doen of niet. Verre van een oproep te zijn voor subjectieve leiding, brengt dit vertrouwen van de Heer met je hele hart, met zich mee dat je nadenkt over Gods woord, dit woord in je hart bergt, en leert te denken zoals God denkt – precies zo dat je niet op je eigen inzicht vertrouwt.

Jozua heeft deze les moeten leren aan het begin van zijn leiderschap (Joz. 1:6-9). Van de koningen van Israël werd verwacht dat ze dit zouden leren (Deut. 17:18-20), maar het gebeurde zelden.

(2) De tweede strofe, ‘Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ vereist meer dan dat we erkennen dat God bestaat en dat Hij voorzienig regeert, of iets dergelijks. Het betekent dat we Hem zodanig erkennen dat zijn wegen en wetten en karakter onze keuzes vormgeven en onze levens besturen. Dan kennen we Hem in al onze wegen – niet uitsluitend in een bepaalde nauwe religieuze sfeer, maar in alle dimensies van ons leven. Het alternatief is Hem verwerpen.

Zo loopt de tweede strofe grotendeels parallel met de eerste. Het resultaat is een rechte koers, bestuurd door God zelf.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.