Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label berouw. Alle posts tonen

dinsdag 16 september 2014

'Gij zijt die man!' (2 Sam. 12)

2 Samuël 12; 2 Korinthiërs 5; Ezechiël 19; Psalmen 64-65

In Nathans dramatische confrontatie met koning David (2 Sam. 12) ging de moed van de profeet gepaard met een geweldige schranderheid. Hoe kon de profeet zonder deze onverwachte aanpak anders de aandacht krijgen van een autocratische koning en hem frontaal confronteren met zijn zonde?

We moeten verder stilstaan bij bepaalde kenmerken van dit hoofdstuk.

Ten eerste wordt het fundamentele verschil tussen David en Saul nu duidelijk. Beide mannen misbruikten hun macht in een hoge functie. Wat hen anders maakt is de manier waarop zij reageren op een terechtwijzing. Toen Samuël Saul van zonde beschuldigde, probeerde die laatste zijn zonde te verbloemen; toen Jonatan Sauls handelswijze in vraag stelde, kreeg hij een speer naar zijn hoofd.

Toen Nathan daarentegen zijn onderwerp indirect benaderde, komt de zonde spoedig aan het licht: ‘Gij zijt die man!’ (12:7). Maar Davids reactie is radicaal anders: ‘Ik heb tegen de HERE gezondigd’ (12:13).

Dit is zeker een van de ultieme tests voor de richting van iemands leven. We zijn een zondig geslacht. Zelfs goede mensen, mensen met een sterk geloof, zelfs iemand als David – die een ‘man naar Gods hart’ is (vgl. 1 Sam. 13:14) – kan afglijden en zondigen. Daar is nooit een excuus voor, maar wanneer het gebeurt, mag het ons nooit verbazen.

Maar wie ernstig zijn over het kennen van God zullen na verloop van tijd terugkeren met oprecht berouw. Valse bekeerlingen en afvalligen zullen uitpakken met een hele trits tamme excuses, maar zullen geen persoonlijke schuld toegeven, behalve op de meest oppervlakkige manieren.

Ten tweede kan alleen God zonde vergeven. Wanneer Hij dit doet, wordt de straf die bij de zonde hoort, de dood zelf, niet toegepast (12:13).

Ten derde kunnen er, zelfs wanneer de ultieme sanctie op de zonde niet wordt toegepast, andere gevolgen overblijven, die in deze gevallen en gebroken wereld niet te vermijden zijn. David krijgt nu te maken met drie ervan:

(1) dat het kind dat Batseba draagt zal sterven; (2) dat er tijdens zijn leven strijd en oorlog zal zijn terwijl hij zijn koninkrijk vestigt; (3) dat hij op een bepaald moment in zijn leven zal ondervinden wat het is om verraden te worden: iemand uit zijn eigen huis zal tijdelijk beslag leggen op de troon, wat tot uiting komt door te slapen met de koninklijke harem (12:10-12).

Elk van deze gevolgen is pijnlijk. Het eerste is verbonden met het overspel zelf; het tweede is misschien een verwijzing naar het feit dat David in de eerste plaats werd verleid omdat hij niet ten strijde getrokken was met Joab, maar was thuisgebleven (11:1), duidelijk verlangend naar vrede; en het derde trakteert David op het verraad dat ook hijzelf heeft gepleegd.

Ten vierde is Davids reactie op de meest drukkende van de oordelen uiteindelijk positief. God is niet het equivalent van het onpersoonlijke lot. Hij is een persoon, en een persoon kan gebeden en gezocht worden. Ondanks zijn gigantische falen is David nog altijd een man die God beter kent dan zijn talloze critici.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 7 mei 2014

'Schep in mij een rein hart' (Ps. 51)



Numeri 15; Psalm 51; Jesaja 5; Hebreeën 12
Schuld. Wat een afschuwelijke last.

Soms torsen mensen een enorm gewicht van subjectieve schuld – d.i. van gevoelde schuld – wanneer ze in werkelijkheid niet schuldig zijn. Veel erger is de situatie waarin ze een enorm gewicht van objectieve schuld dragen – d.w.z. dat ze werkelijk schuldig zijn aan een erge zonde in de ogen van de levende God – en zodanig verhard zijn dat ze het niet weten.

De inleidende zin van Psalm 51 onthult ons dat wanneer David schrijft, hij zich bewust is van zowel objectieve als subjectieve schuld. Objectief gezien heeft hij overspel gepleegd met Batseba en heeft hij de moord beraamd op haar echtgenoot Uria. Subjectief gezien heeft Nathans gelijkenis (2 Sam. 12; zie de overdenking voor 16 september) zijn doel bereikt en in Davids geweten iets van bewustzijn gewekt van de grootte van zijn zonde, en hij schrijft met schaamte.

(1) David belijdt zijn zonde en bidt om genade (51:3-4). Er is geen spoor van de roep om gerechtigheid die enkele van de eerdere psalmen kenmerken. Wanneer we schuldig en ook weten dat we schuldig zijn, dan is er geen andere weg mogelijk en kan ook maar deze weg ons helpen.

(2) David erkent openlijk dat zijn overtreding in de eerste plaats tegenover God is (51:6), niet tegen Uria, Batseba, het kind dat werd verwekt, of zelfs het verbondsvolk dat iets van het oordeel draagt. God bepaalt de maatstaven. Wanneer we die overtreden, dan tarten we Hem. Verder weet David dat hij louter dankzij Gods verkiezende genade op de troon zit. Het verbond verbreken vanuit een positie van door God vergund vertrouwen is nog dubbel zo verschrikkelijk.

(3) David is eerlijk genoeg om te erkennen dat deze opeenvolging van zonden, hoewel bijzonder boosaardig, niet op zichzelf staat. Het brengt aan het licht wat er in het hart is, het is een uitdrukking van onze zondige natuur die we van onze ouders erven. Niets baat als we niet finaal innerlijk worden gereinigd, als ons geen zuiver hart en een vaste geest worden geschonken (51:7-8, 12).

(4) Voor David is dit niet maar gewoon een cerebraal of koud theologisch proces. Objectieve schuld en subjectieve erkenning ervan zijn zodanig met elkaar verweven dat David zich verdrukt voelt: zijn gebeente is verbrijzeld (51:10), hij kan niet ontkomen aan het schrikbeeld van zijn zonde (51:5), en de vreugde over zijn heil is verdwenen (51:14). De transparante eerlijkheid en passie van Davids gebed onthullen dat hij geen blasé zoekt of uiterlijke reiniging.

(5) David erkent de waarde die ligt in het getuigenis over de vergeving, en gebruikt dit als een argument voor God van waarom hij zou moeten worden vergeven (51:14-17).Impliciet is dit natuurlijk een appèl op Gods heerlijkheid.

(6) Hoe doordrongen hij ook is van het offersysteem van het Mozaïsch verbond, toch maakt David zich meer fundamentele prioriteiten eigen. De voorgeschreven offerandes betekenen niets wanneer ze niet gepaard gaan met de offerande van een gebroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart (51:18-21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 30 december 2013

Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt (Mal. 3)


2 Kronieken 35; Openbaring 21; Maleachi 3; Johannes 20
Mensen kunnen trouweloos zijn, maar de Heer verandert niet. Die onveranderlijkheid bedreigt oordeel; het is de ook de reden dat het volk niet is verteerd (Mal. 3:6). Hoop is afhankelijk van Gods genadige ingrijpen, gegrond in zijn onveranderlijke karakter (Mal. 3).

(1) ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de HERE der heerscharen’ (3:1).

(2) Deze belofte klinkt als een antwoord op het cynisme dat opdook nadat de tweede tempel was gebouwd. Daar was de tempel, maar waar was de heerlijkheid die Ezechiël had voorzegd (Ez. 43:1-5)? Slechts wanneer de Heer komt zal het doel van de herbouw van de tempel zijn vervuld. En de Heer zal deze belofte vervullen.

Ten eerste zal Hij zijn ‘bode’ zenden, als een voorloper ‘die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal’. En dan zal plotseling ‘de Here, die gij zoekt’ tot zijn tempel komen, ‘de Engel des verbonds, die gij begeert’.

Ondanks dappere pogingen om de tekst op een andere manier uit te leggen, is de meest voor de hand liggende lezing deze die maar een paar pagina’s verder in de Bijbel de draad weer oppikt (hoewel in feite een paar eeuwen later).

Vooraleer de Heer zelf komt – de Heer die zij zoeken, de lang beloofde boodschapper van het nieuwe verbond – is er een andere boodschapper die de weg bereidt. Jezus benadrukt dat de voorloper over wie Maleachi sprak niemand anders is dan Johannes de Doper (Mat. 11:10).

(2) Telkens God zichzelf op een bijzondere manier aan zijn volk openbaart, en nog het meest in deze ultieme zelfopenbaring, is er zowel toorn als genade. Vooruitzien naar ‘de dag van zijn komst’ (3:2) roept daarom op tot diepgaand berouw (3:2-5).

Dergelijk berouw dekt de volle breedte van de lelijke zonden die worden opgesomd in 3:5 tot iets wat makkelijker over het hoofd wordt gezien, maar duidelijk ook lelijk is voor God: roof, God beroven van de tienden en offeranden die we Hem zijn verschuldigd (3:6-12).

Weg met het cynisme dat beweert dat God dienen gelijkstaat met tijd- en geldverspilling, dat er geen gewin is wanneer je God tot middelpunt maakt, dat het ‘nutteloos’ is God te dienen (3:13-15).

(3) Heel wat van de Oudtestamentische profeten volbrachten trouw hun dienst en zagen maar weinig vrucht in hun eigen tijd. Anderen waren getuige van iets van opwekking. Haggai zag de Heer zo werken onder het volk dat de tempel werd herbouwd.

Ook Maleachi zag vrucht in de levens van degenen die rekening hielden met zijn boodschap en begonnen te leven in het licht van de belofte die nog moest worden vervuld:

‘Dan spreken zij die de HERE vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste [blijkbaar bemoedigden en stimuleerden ze elkaar om trouw te zijn]: De HERE bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de HERE vrezen en zijn naam in ere houden’ (3:16).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 14 december 2013

Bekeert u tot Mij … dan zal Ik tot u wederkeren (Zach. 1)

2 Kronieken 16; Openbaring 5; Zacharia 1; Johannes 4
Net als zijn tijdgenoot Haggai is Zacharia een profeet van na de ballingschap. Daar waar Haggai grotendeels verantwoordelijk is, onder God, voor het aanmoedigen van het volk om door te gaan en de tweede tempel te bouwen, valt Zacharia’s bijdrage, hoewel in bepaalde opzichten significanter, moeilijker te duiden.

Hier vind je striemende apocalyptiek, enigmatische gezichten, uitgesproken moeilijke gedeeltes en meeslepend perspectief. Hoe moeilijk ze ook mogen zijn, de hoofdstukken 9-14 vormen wel het Oudtestamentisch gedeelte dat het meest geciteerd wordt in de lijdensverhalen van de canonieke evangeliën, en de op een na belangrijkste bron (na Ezechiël) voor de talloze allusies in het boek Openbaring.

Weinig Oudtestamentische profetische boeken waren de aanzet tot een bredere diversiteit van ‘scheidings of partitietheorieën’ – theorieën die de hoofdstukken 9-14 toewijzen, of verschillende delen ervan, aan een bepaalde andere auteur dan de historische Zacharia.

Dit is natuurlijk niet de plaats om al deze debatten te bespreken. We zullen ons inspannen om delen van de tekst op te pakken zoals ze er staan. Op dit moment focussen we op Zacharia 1:1-17.

De zes openingsverzen vormen een introductie tot de hoofdstukken 1-8. Het woord van de Heer komt tot Zacharia in oktober of november 520 v.C. Het doel van deze inleiding is terug te blikken op het catastrofale oordeel van 587, toen Jeruzalem en de tempel vielen, en wat hiertoe leidde en hieruit voortvloeide.

‘Bekeert u tot Mij … dan zal Ik tot u wederkeren’ (1:3) is de les die we moeten leren. Aanvankelijk wilde het volk niet luisteren. Maar uiteindelijk werd het meegevoerd in ballingschap en begon het ernstiger na te denken over alle boodschappen die het te horen had gekregen.

In ballingschap kwamen ze bij zinnen: ‘Zoals de HERE der heerscharen Zich voorgenomen had ons te doen naar onze handel en wandel, zo heeft Hij met ons gedaan’ (1:6). De implicatie is voor de hand liggend: de zegeningen en oordelen van het verbond blijven staan, en het volk van God moet tot Hem naderen met ontzag en goddelijke vrees, opdat ze niet in de hardnekkigheid van hun voorouders vallen en oordeel over zichzelf uitroepen.

Er volgen acht visioenen (1:7-6:15). Er wordt soms gezamenlijk naar ze verwezen als naar ‘het boek van de visioenen’. Deze acht visioenen hebben min of meer een standaardvorm. Na een inleidende uitdrukking wordt ons verteld wat de profeet ziet. Hij vraagt de engel wat deze dingen zijn of betekenen, en de engel biedt een verklaring.

Bij vier van de visioenen is er een begeleidende godsspraak (1:14-17; 2:6-13; 4:6-10a; 6:9-15), gewoonlijk maar niet altijd aan het einde. De acht visioenen zijn thematisch chiastisch: het eerste en achtste zijn gelijk, het tweede en zevende, enzovoort. Allemaal zeggen ze iets over de toekomst van Jeruzalem en Juda. Welke bijdrage wordt geleverd door het eerste?


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 8 november 2013

Door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld (Hos. 14)


2 Koningen 21; Hebreeën 3; Hosea 14; Psalm 139
Het slothoofdstuk van de profetie, Hosea 14, heeft een zachtere toon. Het is bijna alsof de donder van rebellie en oordeel zichzelf heeft uitgeput, en genade zegeviert.

Het hoofdstuk begint en eindigt met vermaning van Hosea. Daartussen vind je eerst de woorden van het volk (of, meer precies, de woorden die de profeet het volk opdraagt te zeggen), en dan de woorden van God. Ik zal kort elk van deze vier delen overdenken.

(1) Hosea begint met bekering: ‘Bekeer u, Israël, tot de HERE, uw God’ (14:2). ‘Bekering’ wordt perfect beantwoord door ‘uw God’: de profeet roept niet op tot een zekere nieuwe en gevaarlijke geestelijke reis, maar roept op om zich af te keren van de rebellie, terug te keren tot de Heer die ze zo lang gekend hebben.

Ze moeten de kern van het probleem onder ogen zien: ‘door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld’ (14:2). Er is nooit enige weg terug zonder doordrongen te zijn van deze fundamentele realiteit.

Bovendien is wat de profeet wil niet slechts een terugkeer naar een formele loyaliteit aan een wettenstelsel. Hij wil dat ze ‘met woorden komen’ wanneer ze terugkeren (14:3). Woorden kunnen natuurlijk leeg zijn: soms zeggen daden meer dan woorden. Maar vaak vereist oprecht berouw niet alleen berouwvol gedrag, maar ook woorden – niet een sombere terugkeer tot voorgeschreven rituelen en kerkbezoek, maar het soort berouw dat woorden doet opborrelen die onthullen wat er in het hart is.

(2) En welke woorden zouden ze moeten spreken? Hosea vertelt het hen (14:3b-4). Ze moeten om de vergeving van hun zonden vragen; ze moeten vragen dat God hen zou aannemen; ze moeten afstand doen van hun politieke banden, daarmee impliciet erkennend dat dergelijke verbindingen hen van het vertrouwen in God afhouden; ze moeten hun afgoderij afleggen en hun hoop stellen in de levende God. Hoe zou de echo van dergelijke gebeden klinken in onze eigen levens?

(3) De woorden van de Heer (14:5-9) zijn liefelijk. ‘Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af’ (14:5).

Dan beschrijft God in een reeks beelden de zegeningen die Hij zal zijn en zal schenken voor Israël. De slotzinnen van het gedeelte versterken nog eens de theologische les van het volledige hoofdstuk: ‘Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken’ (14:9).

God bezit alle ‘groenheid’, de vastheid van het altijd groene, en alle voedsel en rijkdom van een vruchtdragende boom (vgl. Ps. 1:3).

(4) Hosea besluit het boek: ‘Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des HEREN zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er’ (14:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 31 oktober 2013

Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer (Hos. 5-6)


2 Koningen 13; 2 Timotheüs 3; Hosea 5-6; Psalm 119:145-176
Iemand heeft eens gezegd dat je het volledige boek Hosea kunt zien als een studie van wat het betekent om terug te keren tot God. Hier is geen plaats voor lichtzinnige lapmiddelen; louter verbale excuses worden niet aanvaard.

Maar toch wordt hoop geboden aan een volk dat het soort terugkeer vertoont dat de Heer wel kan aanvaarden. Nergens is die spanning duidelijker dan in Hosea 5-6.

Hosea 5 begint met een aanklacht tegen Israël, in het bijzonder de leiders. Er is niets aan hen dat God onbekend is (5:3; vgl. 7:2; Heb. 4:13). Hun probleem is niet louter intellectueel, maar zeker moreel: ‘Hun daden gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet’ (5:4; vgl. Joh. 3:19).

Erger nog, wanneer ze in formele zin de Heer ‘zoeken’, is hun bezigheid zodanig vals dat Hij hen moet verlaten, want God is niet de gevangene van zijn eigen offersysteem (5:5-6).

Door het oordeel over hen te brengen beoogt God niet alleen vergelding, maar ook een aansporing tot bekering: ‘Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien’ (5:15).

De openingsverzen van hoofdstuk 6 (vv. 1-3) kun je op twee manieren verstaan.

(1) Ze kunnen een aangrijpende smeekbede zijn van Hosea tot zijn volk om zich te bekeren en terug te keren tot de Heer.

Hij wil dat ze hun godsdienst van louter offeranden voor de vorm verlaten voor een godsdienst van oprecht erkennen van de Heer. Dezelfde God die het volk getuchtigd heeft zal dan graag hun wonden verbinden. ‘Zijn verschijning staat vast als de dageraad’ (6:3).

(2) Ze kunnen de woorden zijn van het volk zelf – en in dat geval suggereert de context waarin ze zijn opgenomen dat ze, alhoewel ze heel mooi klinken, in werkelijkheid maar weinig betekenen (vgl. Ps. 78:34, 36-37). Dergelijke bekering is pure aanmatiging, en God kijkt er dwars doorheen en verwerpt die, want hun ‘liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat’ (6:4) - zoals Gomers liefde.

Elk van deze twee manieren om 6:1-3 uit te leggen is zinvol; in beide gevallen is de veranderlijkheid in Gods verbondsvolk uiterst weerzinwekkend.

Moet ik kiezen tussen de twee uitleggingen, dan neig ik naar de eerste. Hosea 6:1-3 klinkt meer als de oprechte bekering waarop wordt aangedrongen maar die er niet komt, dan als de lege woorden van onoprechte hypocrieten.

Voor welke uitleg je ook kiest, God is duidelijk niet onder de indruk van louter woorden en godsdienstige vormen: ‘Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers’ (6:6; vgl. Mt. 9:13; 12:7).

Een generatie die lustig Gods lof zingt terwijl het al even lustig met jan en alleman het bed induikt, mag zich aan het vernietigende oordeel van God verwachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 15 augustus 2013

De wet des HEREN is volmaakt, zij verkwikt de ziel (Ps. 19)


1 Samuël 5-6; Romeinen 5; Jeremia 43; Psalm 19

Psalm 19 is een van de kostbare diamanten uit het psalter. Hij telt drie delen. Het eerste verheugt zich in de woordenloze openbaring van God in het universum (19:1-6); het tweede bejubelt de helderheid, volmaaktheid en rijkdom van Gods geschreven openbaring (19:7-11); na een overgangsvers (19:11), schetst het derde deel het gepaste antwoord van de gelovige, een antwoord vol zelfonderzoek en godvruchtig voornemen.

Was het oude Israël soms geneigd om de scheppingsorde te aanbidden – zon, maan, sterren, dan is onze generatie meer geneigd argumenten aan te voeren die ze maken tot niets meer dan het product van onpersoonlijke krachten. Beide standpunten zijn verschrikkelijk.

Door de filosofische toewijding aan het naturalisme die in onze cultuur prevaleert, wordt het krachtige bewijs voor intelligent design gemarginaliseerd tot we het evidente niet langer kunnen zien: ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen’ (19:2).

De paradox van woordenloze uitdrukking is prachtig, zoals ook de idee van onstuitbare spraak: ‘de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen, toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld’ (19:3-5).

Maar het is in verbinding met zijn geschreven zelfonthulling dat de verbondsnaam van God, Jahweh (‘de HEER’ of ‘de HERE’ in veel van onze Nederlandstalige Bijbels), zeven maal voorkomt (19:8-12). De zes predikingen (19:8-10) overlappen een beetje, maar samen projecteren ze een kijk op de geschreven openbaring die vooruitgrijpt op de zelfs nog vollediger uiteenzetting van Psalm 119.

Een van de treffende dingen aan deze zes stellingen is dat verscheidene ervan niet puur abstract zijn. De tekst zegt niet alleen iets over de woorden van God, maar ook over hun functie in de levens van wie ze in zich opnemen en ze navolgen. Bijvoorbeeld: ‘de getuigenis des HEREN is betrouwbaar’ (19:8): dit is zo, maar de psalmist laat het daar niet bij. Precies omdat de getuigenis des HEREN betrouwbaar is, kunnen ze de onverstandige wijsheid schenken.

Opnieuw: ‘De bevelen des HEREN zijn waarachtig’ (19:9) – een punt dat nog wordt versterkt in het volgende vers: ‘de verordeningen des HEREN zijn waarheid, altegader rechtvaardig’ (19:10). Maar dit is precies waarom ze het hart verheugen (19:9): we hebben te maken met de waarachtige voorschriften en verordeningen des HEREN, dus zijn ze nooit corrupt of manipulatief.

Wat deze twee terreinen van openbaring vereisen is meer dan ontzag bij het zien van transcendente macht, en meer dan persoonlijke verrukking omwille van de persoonlijke, sprekende God – maar beide. Het gepaste antwoord is dan inderdaad berouw en geloof, en toegewijd gebed dat God zelf ons van binnen rein zou maken en onze woorden en overdenkingen Hem welgevallig zou maken (19:13-15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 6 augustus 2013

Maar gij zijt weder omgekeerd en hebt mijn naam ontheiligd (Jer. 34)


Richteren 20; Handelingen 24; Jeremia 34; Psalmen 5-6

Zowel personen als grotere groepen beloven soms plechtig, onder de druk van wanhoop, dat ze zullen veranderen en zich zullen toewijden aan het behagen van God. Maar wanneer de druk afneemt leggen ze hun beloftes naast zich neer en keren ze terug naar hun egocentrische zonde. Hun grilligheid wordt duidelijk. Het oordeel of de ramp die hen bedreigt leert hen niet echt de weg van de gerechtigheid of onderwijst hen niet dat ze zich moeten afkeren van zonde.

Ze willen gewoon maar verlichting, en als een belofte voor de Heer daartoe de weg is, dan zullen ze plechtig beloven. Maar dit betekent niet dat ze werkelijk proberen om zich aan die beloftes te houden.

Dit is het soort triest drama dat zich ontvouwt in Jeremia 34. Nebukadressar (of Nebukadnessar, JL) staat aan de poorten van Jeruzalem (34:1). Gemotiveerd door pure wanhoop leidt koning Sedekia het volk in een verbond dat alle slaven in vrijheid stelt (34:8). Het Mozaïsch verbond had in principe de omstandigheden voor de slaven fel verbeterd door hun dienst te beperken tot zes jaren (34:14; Ex. 21:2; Deut. 15:1, 12). Een hele rij profeten – Amos, Hosea, Jesaja, Micha – hekelde het verbondsvolk voor zijn gevoelloosheid, voor zijn laaghartige minachting van de Wet Gods, in het bijzonder op het vlak van slavernij. En nu leidt Sedekia de Jeruzalemieten in deze belangrijke hervorming.

Uit andere bronnen (zie de overdenking van 9 augustus) weten we dat de gewapende troepen van Babylon een gerucht bereikte met betrekking tot een Egyptisch leger dat naderde om Jeruzalem te bevrijden. Voor zover we weten was dit bericht niet waar. Niettemin trok het Babylonische leger zich terug om die nieuwe dreiging uit het zuiden het hoofd te bieden.

Voor de burgers van Jeruzalem moet dit bijna op een wonderbaarlijke verlossing geleken hebben. Dwaas, zondig en boosaardig genoeg, staat er over de voormalige slaveneigenaars: ‘later waren zij erop teruggekomen en hadden zij de slaven en slavinnen die zij vrij hadden laten gaan, teruggehaald en hen als slaven en slavinnen aan zich ondergeschikt gemaakt’ (34:11). Hun ware hart wordt op die manier helemaal ontmaskerd.

Uiteindelijk ontdekken de Babylonische troepen dat er geen dreiging van Egypte komt, en de belegering wordt hervat. Dit keer is er geen hoop op verlossing. Wie zal nu nog enige van hun daden van ‘berouw’ geloven?

God zegt: ‘Maar gij zijt weder omgekeerd en hebt mijn naam ontheiligd, doordat gij een ieder zijn slaaf en slavin, die gij naar hun verlangen vrij hadt laten gaan, hebt teruggehaald en hen als slaven en slavinnen aan u ondergeschikt hebt gemaakt’ (34:16). Ze hebben geen ‘vrijlating afgekondigd’, ‘ieder voor zijn broeder en een ieder voor zijn naaste’ (34:17).

Zo is de enige ‘vrijlating’ die zij zelf zullen ondervinden, de vrijheid om te vallen door het zwaard, de pest en de honger (34:17). Welke hoop is er nog voor een volk dat een berekende schijnvertoning opzet van ‘bekering’ om maar enige ontferming te kunnen bekomen, maar dat als een hond naar zijn braaksel terugkeert en als een varken naar zijn modderpoel (2 Pet. 2:20-22)?


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 20 juli 2013

Wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben? (Jer. 16)


Richteren 3; Handelingen 7; Jeremia 16; Markus 2
Drie opmerkingen over Jeremia 16:

(1) Het openingsgedeelte van dit hoofdstuk speelt zich waarschijnlijk nogal vroeg af in Jeremia’s bediening. Hij krijgt het verbod te huwen, niet gewoon omdat vrouwen en kinderen binnen een aantal jaren buitengewoon moeilijke tijden zullen beleven met de belegering tijdens de oorlog en de daaropvolgende ballingschap, maar als een symbolische manier om te anticiperen op het gedwongen ascetisme dat het oordeel zal brengen. In een cultuur waarin bijna alle mannen huwden, was zijn celibaat ongetwijfeld een krachtig symbool.

(2) Een van de meest opvallende kenmerken van dit hoofdstuk is dat het volk zich werkelijk niet bewust lijkt van zijn schuld. Het ziet niet in waarom het oordeel verdient. ‘Waarom heeft de HERE al dit groot onheil over ons uitgesproken’, vragen ze zich af. ‘Wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben?’ (16:10).

Een van de vreselijkste aanwijzingen voor hoe ver het volk is afgedwaald van gerechtigheid is de mate waarin het zijn eigen schuld niet meer kan zien. Mannen en vrouwen die werkelijk gerechtigheid en integriteit liefhebben zijn er zich steevast van bewust wanneer ze die schenden. De heiligste mensen zijn de eersten om met schaamte en berouw hun zonden te belijden.

De meest schuldige mensen zijn zich gewoon onbewust van hun overtredingen en afgoden. Dus moeten we ons afvragen: waar ergens in dit soort spectrum vinden we onze kerken? Of in onze cultuur? Worden we gekenmerkt door diep berouw, of door een beslist onvermogen aan te nemen dat we werkelijk niets verkeerd gedaan hebben? Wat zegt dit over ons? Wat zegt dit over het standpunt van de Heer tegenover ons?

(3) Hoewel de Heer oordeel belooft, zijn er twee elementen van hoop. Het eerste is dat God op een dag het volk uit ballingschap zal terugbrengen met een dermate dramatische en onverwachte redding dat het de heerlijkheid van de Exodus zelfs in de schaduw zal stellen (16:14-15).

Het tweede is dat een deel van het doel van dit oordeel pedagogisch is. Het volk heeft afgoden gekoesterd. ‘Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: HERE’ (16:21).

De ballingschap was bedoeld om de chronische afgoderij van het verbondsvolk te doen afnemen of zelfs uit te roeien. Minstens op het vlak van de formele afgodendienst bleek die in dit opzicht opmerkelijk effectief.

De geschiedenis van de Joden na de terugkeer uit ballingschap is in dit opzicht heel anders dan voorheen. Ondanks vreselijke misstappen vind je in de Joodse geschiedenis van na de ballingschap veel minder polytheïsme en syncretisme dan in de geschiedenis van voor de ballingschap. Natuurlijk is de valstrik van afgoderij zowel voor Joden als heidenen veel subtieler en schadelijker dan de verleidingen van het formele polytheïsme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 mei 2013

Bekeert u tot Hem, van wie de kinderen Israëls diep zijn afgevallen (Jes. 31)


Deuteronomium 3; Psalm 85; Jesaja 31; Openbaring 1
Hoewel Jesaja 31 historisch begint, houdt de tekst zoals zo vaak in deze profetie ook een verder gelegen horizon en verstrekkender hoop in het vizier.
Aan de ene kant spreekt Jesaja nog altijd weeën van Godswege uit over hen ‘die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en vertrouwen op wagens (…) maar de blik niet richten op de Heilige Israëls en naar de HERE niet vragen’ (31:1).

Jesaja neemt zijn toevlucht tot sarcasme: ook God ‘is wijs, Hij doet het kwaad komen’ (31:2). Hij maakt gebruik van een metafoor: God kan vergeleken worden met een leeuw die heel goed in staat is te vechten (31:4), of met vogels die perfect in staat zijn om hun nest te beschermen (31:5).

Dit brengt de lezer bij de verzen die een keerpunt vormen in dit hoofdstuk, de enige die in proza zijn geschreven: ‘Bekeert u tot Hem, van wie de kinderen Israëls diep zijn afgevallen. Want te dien dage zal ieder van u de zilveren en gouden afgoden versmaden, die uw handen hebben vervaardigd, u tot zonde’ (31:6-7).

Er is geen alternatief voor berouw, geen andere manier om de zegen van de Heer te ervaren. De aard van berouw in de Schrift sluit de onzin van gedeeltelijk berouw of voorwaardelijk berouw uit.

Oprecht berouw keert zich niet af van de ene zonde terwijl je andere zonden verbergt; gedeeltelijk berouw is al even incongruent als gedeeltelijke zwangerschap. Loyaliteit aan God op slechts een bepaald aantal terreinen is niet langer loyaliteit, maar bedrog.

Berouw tonen over ontrouw op sommige terreinen terwijl je wel ontrouw verkiest op andere vlakken, is helemaal geen berouw. God vraagt ons niet om deze of gene afgod op te geven terwijl Hij ons zou toestaan diverse andere afgoden te voeden. Eerder eist Hij dat we de afgoderij zelf verlaten en terugkeren tot de God van wie we zo ‘diep zijn afgevallen’.

Want God is maar al te goed in staat om zijn volk te beschermen tegen de macht van Assyrië, om met een zwaard te verslinden dat ‘niet van een mens’ komt (31:8, NBV). De letterlijke vervulling van deze belofte is 37:36 (zie de overdenking van 5 juni).

Maar de heenwijzingen naar een nog grotere verlossing in een verdere toekomst zijn niet moeilijk te vinden. Nog maar eens voorzegt Jesaja wat zal gebeuren ‘te dien dage’ (31:7), die veelzeggende uitdrukking die zo vaak profetische voorzegging aanduidt.

Hoewel het verlies van bijna tweehonderdduizend Assyrische soldaten, waarnaar wordt verwezen in 37:38, gebeurt in 701 v.C., zou de finale instorting van Assyrië en zijn hoofdstad Nineve, beschreven in de slotverzen van dit hoofdstuk, nog een eeuw op zich laten wachten (612).

Bovendien herinneren verwijzingen met betrekking tot het vuur van God in Sion (31:9) ons aan 4:2-6 en 29:5-8 – gezichten van de vernietiging van Sions vijanden en van de toekomstige regering van de Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 mei 2013

Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen (Jes. 25)


Numeri 33; Psalm 78:1-39; Jesaja 25; 1 Johannes 3
Jesaja 25 wordt opgedeeld in drie delen. In het midden vind je een feestmaal (25:6-8). Aan elke kant ervan staat een lied. Het eerste wordt gezongen door een solozanger, ongetwijfeld Jesaja zelf (25:1-5); het tweede is een gemeenschappelijk loflied (25:9-12).

Op het feest (25:6-8) bestaat het voedsel uit het fijnste, en het is gratis – ‘voor alle volken een feestmaal van vette spijzen’. De ‘sluier’ of de ‘bedekking’ die ‘alle natiën omsluiert’ (25:7) is de dood zelf, het resultaat van de vloek die vermeld wordt in het voorafgaande hoofdstuk.

Dit feest is een viering omdat God ‘voor eeuwig de dood vernietigen’ zal (25:8). Zelfs alle gevolgen van de vloek zullen uitgewist worden: ‘de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen’ (25:8; vergelijk met Opb. 21).

De in dit vers beschreven zegeningen worden bewerkt door Jezus (zie Lukas 14:15-24), die de dood overwint (1 Kor. 15:25-26, 51-57; 2 Tim. 1:10). Dit feest is ‘voor alle volken’ (25:6) – opnieuw een van de vele voorafschaduwingen van de universele toepassing van het evangelie – maar eerst moeten ze naar ‘deze berg’ komen (25:7); want de redding, zoals Jezus benadrukt tegen de Samaritaanse vrouw, ‘is uit de Joden’ (Joh. 4:22).

Wanneer Jesaja eraan toevoegt dat God de smaad ‘van zijn volk’ van de gehele aarde verwijderen zal, is de verwijzing enigszins dubbelzinnig: dit kan een verwijzing zijn naar Israël, of het kan een verwijzing zijn naar hen die uit ‘alle volken’ genomen worden die op de laatste dag werkelijk bewijzen zijn volk te zijn.

Het lied van de solozanger (25:1-5) vloeit over van exuberante lof aan God omdat Hij volkomen trouw is. Deze trouw blijkt zowel uit de vernietigende oordelen die Hij gebracht heeft als in Gods langdurige zorg voor de arme en de geringe (25:4). Kortom, God wordt geprezen voor de trouwe gerechtigheid van zijn oordelen.

Het finale gemeenschappelijke lied (25:9-12) toont Gods volk dat Hem collectief prijst: ‘Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft’ (25:9). Maar ook hier moet de tegengestelde activiteit van God geprezen worden: God heeft oordeel gebracht over hen die vol trots zijn. Moab wordt uitgekozen als een voorbeeld van dergelijke ontsporing.

Zo zullen er op het einde twee gemeenschappen zijn: Gods volk aan het feestmaal waar God zelf de gastheer is en de dood vernietigd wordt; en de volslagen hoogmoedigen, die de knieën niet willen buigen maar die door God ‘tot in het stof’ vernederd worden (25:12).

Een commentator (Barry G. Webb) schrijft: ‘Ofwel zal berouw je naar het feestmaal brengen of trots zal je er van weg houden, en de gevolgen zullen ofwel zuivere vreugde zijn of onuitsprekelijk verschrikkelijk oordeel. De alternatieven die het evangelie ons voorhoudt zijn al even contrasterend als dit’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 4 mei 2013

Zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor ik niet (Jes. 1)


Numeri 11; Psalm 48; Jesaja 1; Hebreeën 9
De openingsverzen van Jesaja 1 introduceren voor ons de enorme reikwijdte van het boek. Het kondigt een gezicht aan dat Jesaja zag, een visioen dat doorheen de regering liep van de vier koningen van Juda van koning Uzzia af.

Het eerste gedeelte (1:2-9) toont hoe diep het land is gevallen. God zelf heeft de natie Israël doen ontstaan (1:2) – ja, Hij ‘heeft hen grootgebracht’ en opgevoed als kinderen; en zoals opstandige kinderen hebben ze zich van Hem afgekeerd.

Een rund of een ezel weet meer van zijn ware thuis dan Israël weet van het zijne. De hemelen en aarde worden uitgenodigd om mee te luisteren naar de vermaning (1:2), zowel als een aanduiding van de intensiteit van de rebellie, als om aan te duiden dat er een mate is waarin het welzijn van het volledige universum afhangt van het feit of Gods volk zijn woord gehoorzaamt, dan wel ongehoorzaam is.

De beschrijving van de puinhoop in het land (1:5-9) is geen metafoor: waarschijnlijk is hetgeen beschreven wordt de bloederige slachtpartij die gepaard ging met de invasie van Juda door Sanheribs Assyrische legers (701 v.C.) – een voorproef van het oordeel dat nog moet komen.
Van hier tot aan het eind van het hoofdstuk loopt de gedachte in drie bewegingen:

(1) Israël wordt gehekeld voor zijn corrupte en hypocriete eredienst (1:10-17). In druipend sarcasme richt God zich tot zijn verbondsvolk als Sodom en Gomorra. Zij houden de gestipuleerde offerdiensten en feestdagen in stand, maar God benadrukt dat Hij hun ‘huichelachtige offers’ (1:13) niet langer kan verdragen; Hij haat ze (1:14). God zal zelfs niet luisteren naar zijn volk wanneer zij bidden (1:15), want onderdrukking van de zwakken en corruptie in de regering hebben dusdanige proporties aangenomen dat Hij moet handelen in lijn met het verbond van de Sinaï (Deut. 21:18-21). Hij kan deze overtredingen niet langer negeren.

(2) Niettemin wordt Israël nog altijd uitgenodigd tot vergeving en reiniging: ‘Komt toch en laat ons tezamen richten’, zegt de Here. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’ (1:18-20). Het is niet onderhouden van godsdienstige gebruiken dat aan de basis ligt van een dergelijke vergeving, maar berouw: ‘Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten’ (1:19). Het alternatief is oordeel (1:20).

Later in het boek zal de basis voor dergelijke vergeving uiteengezet worden; het vernietigende oordeel van onderdrukking en ballingschap was niet nodig, maar zo vaak verkiezen we zonde boven redding, hebzucht boven genade.

(3) Toch zal Sion (dat het volk van God vertegenwoordigt) op een dag ‘door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid’ (1:27). Er is geen uiteindelijke redding die recht en gerechtigheid veronachtzaamt; alleen oordeel wacht de onbekeerlijken (1:28, 31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 3 april 2013

Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers (Spr. 21)


Leviticus 6; Psalmen 5-6; Spreuken 21; Kolossenzen 4

Hier zal ik me toeleggen op drie van de verscheiden thema’s die in Spreuken 21 opduiken:

(a) ‘Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers’ (21:3). De profeten zeggen iets gelijkaardigs (bijv. Hosea 6:6), en dat doet ook de Heer Jezus (Mt. 9:13; 12:7).

Elke generatie moet bedenken dat integriteit en gerechtigheid belangrijker zijn dan religieuze rituelen. Het zou niet mogen verrassen dat religieuze mensen soms sjoemelen met hun belastingaangiftes, hun kinderen misbruiken, de auto van hun buren begeren en niets zo hard liefhebben als hun persoonlijke plezier. Hun religie zou in de praktijk kunnen dienen als mantel om hun zonde te bedekken onder een vernislaag van eerbiedwaardigheid.

Dit hoofdstuk bevat ook een andere relevante spreuk: ‘Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt (21:27). De religieuze inachtname door goddeloze mensen is gewoon verachtelijk in Gods ogen; het is onvoorstelbaar walgelijk voor Hem wanneer de goddeloze persoon minder een verdorven slachtoffer is dan een zelfbewuste charlatan die zijn religie gebruikt om mensen te misleiden.

Impliciet betekent dit natuurlijk dat de religie van de Bijbel meer gaat over karakter dan over koren, meer over werkelijke transformatie dan over religieuze traditie, meer over God en het evangelie dan over leiderschap en protserigheid.

(b) Armoede kan zijn oorsprong vinden in misbruik en onderdrukking door de sterken en machtigen. Maar het kan ook voortkomen uit een karakteriële zwakte zoals luiheid of liefhebben van eigen genot.

Zo is het ook in dit hoofdstuk: ‘Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk’ (21:17). ‘In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door (21:20). ‘De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken’ (21:25). ‘De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug’ (21:26).

In tegenstelling daarmee: ‘De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek’ (21:5). De wijze zal geen genot najagen als een van de grote doelen in het leven, maar zal zich vooruitziend tonen, vrijgevig, hardwerkend, trouw en rechtvaardig – precies het soort kwaliteiten die mensen tot goede werkgevers en goede werknemers maken.

(c) ‘Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart – de glans der goddelozen is zonde’ (21:4). ‘Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed’ (21:24). De kern van alle goddeloosheid is die voortdurende zelfgerichtheid die bij zichzelf de illusie wekt dat we alles zelf in handen hebben, in die mate dat God nooit meer kan zijn dan een handlanger. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat transformatie begint met berouw.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 13 maart 2013

'Daarom herroep ik en doe boete in stof en as' (Job 42)


Exodus 24; Johannes 3; Job 42; 2 Korinthiërs 12
Drie gedachten over Job 42:

(a) Jobs antwoord aan de Heer (42:1-6) is niet ‘Nu begrijp ik het. Nu heb ik het verstaan’, maar een diep berouw. Hij vat Gods argument tegenover hem zelfs terug samen: ‘Wie is het toch’, zegt U ‘die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?’ (42:3). Zonder een spoor van zelfrechtvaardiging, antwoordt Job ‘Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep’ (42:3). Job is nu zeker dat in de finale balans geen van Gods plannen verijdeld kunnen worden (42:2).

In feite heeft God nu met woorden zoveel van zichzelf geopenbaard dat Job zijn huidige visie op God contrasteert met wat hij slechts over Hem had vernomen in het verleden – wat ons er natuurlijk aan herinnert hoe God ons vaak in de Schrift vergunt om Hem ‘geopenbaard’ te zien met woorden.

‘Daarom herroep ik en doe boete in stof en as’ (42:6). Dit is niet zeggen dat de drie vrienden het uiteindelijk juist hadden. Job geeft hier niet toe dat zijn lijden duidelijk voortkomt uit aanzienlijke verborgen schuld, maar hij geeft wel toe schuldig te zijn aan het feit dat hij van God een grondige uitleg eiste.

(b) De drie vrienden krijgen alleen vergeving voor alle verkeerde dingen die ze over God gezegd hebben dankzij Jobs voorbede (42:7-9). Dit past uitermate goed bij de overtreding: ze hebben Job veroordeeld, maar alleen Jobs gebeden zullen voldoen voor hun eigen vergeving. Wat ze over God verkeerd gezegd hebben (42:7, 8) kan enkel gaan over hun simplistische verdienstetheologie, van met gelijke munt betaald zetten. Zij hebben geen mysterie en grootsheid toegelaten; impliciet hebben ze ook geen genade toegelaten.

(c) Het drama eindigt met een grondige rechtvaardiging van Job. Zijn rijkdom wordt hem teruggeschonken (en verdubbeld), hij krijgt een nieuw gezin, en alle eer die hij vroeger bezat wordt hem teruggegeven en nog vergroot.

Heel wat hedendaagse critici vinden dit kletspraat, of zelfs een tweede einde dat op een of andere manier werd toegevoegd door een dwaze redacteur aan een meer genuanceerd boek. Dergelijk scepticisme is uiterst verkeerd. Een van de punten van het boek is dat het volk van God op het einde wordt vrijgesproken. God is rechtvaardig.

Op vergelijkbare manier wordt van christenen niet verwacht dat ze lijden zullen aanvaarden zonder vrijspraak, of dood en zelfverloochening zonder de belofte van de hemel. Het kwade kan nu misschien mysterieus zijn, maar het zal niet overwinnen.

We zijn geen geestelijke masochisten die alleen vervulling kunnen vinden bij lijden. Als er een betekenis is waarin we ons verblijden in lijden, dan is het dat we verblijd zijn om de Heer Jezus te volgen die leed. Zelfs Hij verheugde zich niet in lijden. De leidsman en voleinder van ons geloof was degene ‘die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods’ (Heb. 12:2, eigen cursief). ‘Daarom dan, laten ook wij (…) met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt’ (Heb. 12:1).


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 8 maart 2013

Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil (2 Kor. 7)


Exodus 19; Lukas 22; Job 37; 2 Korinthiërs 7
Mensen stellen Paulus vaak voor alsof hij een koude intellectueel was. Waarom ‘koud’ moet verbonden worden met ‘intellectueel’ is me niet helemaal duidelijk. In elk geval past de beschrijving niet voor Paulus. God schonk Paulus duidelijk een eersteklas verstand. Maar hij was ook een man met een gloedvolle passie.

In 2 Korinthiërs 7 getuigt Paulus dat aan de ene kant zijn blijdschap geen grenzen kent (7:4); aan de andere kant is die blijdschap het resultaat van een beetje nieuws dat Paulus over de Korinthiërs ontving toen hij naar Macedonië ging.

Want bij zijn eerste aankomst in Macedonië had Paulus geen rust ervaren, maar, zo zegt hij ‘wij waren van alle kanten in de druk: van buiten strijd, van binnen vrees’ (7:5). Maar toen veranderden zijn vrees en strijd in blijdschap toen hij het goede nieuws kreeg over de Korinthiërs.

Wat lag aan de basis van die verregaande verandering in de blik van de apostel?

(1) Wat ook de mechanieken zijn, Paulus erkent dat de transformatie door God bewerkt was, ‘die de nederigen troost’ (7:6). In dit geval schonk God Paulus rust door hem Titus terug te geven, die ook wat nieuws van de Korinthiërs meebracht.

(2) Het nieuws dat Titus bracht was dat de Korinthiërs, hoezeer ze ook gekwetst geweest waren door Paulus’ vorige bezoek en de pijnlijke brief die hij had gezonden, hun evenwicht hadden teruggevonden. Ze verlangden nu Paulus te zien en drukten hun vurige zorg voor hem uit (7:7).

Titus bracht het nieuws dat de droefheid die door de brief van Paulus was veroorzaakt een ‘droefheid naar Gods wil’ is geworden, in die zin dat hij geleid heeft tot inkeer (7:8-10). Droefheid die inkeer bewerkt, die ‘brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood’ (7:10). Al dit nieuws over de reacties van de Korinthiërs heeft Paulus met blijdschap en bemoediging vervuld.

Dit duidt er natuurlijk op dat Paulus intiem betrokken is bij de levens van de mensen aan wie hij een dienstwerk verricht. Zijn eigen emoties kunnen op en neer gaan als een gevolg van hoe zij zich tot hem verhouden.

Maar wat treffend is, is dat Paulus twee veel voorkomende valstrikken ontwijkt.

(a) Hij vermijdt duidelijk het soort professionele afstand dat door bepaalde verkondigers wordt aangehouden als een soort beschermend schild.

(b) Hoewel zijn eigen vreugden en verdriet duidelijk verbonden zijn met wat de Korinthische christenen over hem denken, is die link niet in de eerste plaats een persoonlijke link.

Wanneer dit het geval is, verliest de verkondiger zijn profetische stem en zal hij alleen hetgeen zeggen en doen waarvan hij denkt dat het de genegenheid van de kudde in stand zal houden.

Paulus voelde het als zijn taak om de Korinthiërs te vermanen, zowel persoonlijk als via zijn schrijven; voor die verantwoordelijkheid is hij niet teruggedeinsd. Zijn blijdschap dat ze nu tot hem zijn teruggekeerd valt dus niet te scheiden van zijn blijdschap dat ze zijn teruggekeerd tot trouwe gehoorzaamheid aan het Evangelie – de kern van zijn grenzeloze vreugde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 14 december 2012

Wie is de nummer één: jij of God? (2 Kron. 16)



2 Kronieken 16, Openbaring 5, Zacharia 1, Johannes 4
Goed beginnen betekent niet hetzelfde als goed eindigen. Judas Iskariot begon als een apostel, Demas begon als apostolische helper. We weten hoe het met hen afliep. Asa begon als hervormend koning die ijverig was voor God, een man die geweldig geloof en moed vertoonde toen de Kusieten aanvielen (zie de overdenking van gisteren) – maar het is ronduit verontrustend hoe hij eindigt in 2 Kronieken 16.

De crisis kwam in een stroomversnelling toen Basa, de koning van Israël, een aantal van Juda’s afgelegen dorpen en steden aanviel. In plaats van hetzelfde vaste geloof te vertonen als vijfentwintig jaar eerder, toen hij te maken kreeg met de meer indrukwekkende Kusieten, opteert Asa voor een dure politieke schikking.

Hij haalt zowel de rijkdom uit de tempel als uit zijn eigen paleis, en zendt die naar Benhadad, die regeert over de opkomende regionale macht Aram, met centrum in Damascus. Asa wil dat Benhadad Israël van aan de noordkant aanvalt, waardoor hij Basa zou dwingen zijn troepen terug te trekken uit de aanval in het zuiden en zichzelf te beschermen in het noorden. De list werkt.

Dit linkte Juda op een gevaarlijke manier met Aram. Nog belangrijker: de profeet Chanani legt de vinger op het slechtste element in deze strategie: Asa vertrouwt op politiek en geld, en niet op de Here God. ‘Waren de Kusieten en de Libiërs niet een groot leger met zeer veel wagens en ruiters? Toch heeft de HERE hen in uw macht gegeven, omdat gij op Hem gesteund hebt. Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Gij hebt hierin dwaas gehandeld, want van nu af zult gij oorlogen hebben’ (16:8-9).

Zelfs dan had de situatie gekeerd kunnen worden: God luistert zo regelmatig naar wie waarlijk berouw vertoont. Maar Asa wordt alleen maar boos, zo verontwaardigd dat hij Chanani in de gevangenis zet. Zijn dictatoriale driften worden talrijker, en Asa begint wreedheden te begaan tegen zijn volk (16:10).

Vier jaar later loopt hij een ernstige ziekte op, maar in plaats van de Here om hulp te vragen (om nog te zwijgen over vergeving), wentelt hij zich in bitterheid en zoekt hij alleen maar hulp bij de heelmeesters. Twee jaren van ziekte later sterft hij.

Wat dan met al die jaren van godvruchtige hervormingen?We zijn natuurlijk niet in de positie om een finaal oordeel te vellen: dit komt alleen God toe. Maar mensen kunnen om allerlei andere redenen dan de liefde van God kiezen voor goedheid of hervorming; fenomenologisch gezien kunnen mensen een lange tijd een hart voor God hebben (15:17), maar wegkwijnen nog vooraleer ze definitieve volharding vertonen.

Bij een gedisciplineerd mens kan het een tijd duren vooraleer de waarheid uitkomt. Maar wanneer dit gebeurt, is de test zoals altijd fundamenteel: ben ik nummer één, of God?


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 16 september 2012

‘Gij zijt die man!’ (2 Sam. 12)

2 Samuël 12, 2 Korinthiërs 5, Ezechiël 19, Psalmen 64-65

In Nathans dramatische confrontatie met koning David (2 Sam. 12) ging de moed van de profeet gepaard met een geweldige schranderheid. Hoe kon de profeet zonder deze indirecte aanpak anders de aandacht krijgen van een autocratische koning en hem frontaal confronteren met zijn zonde?

We moeten verder stilstaan bij bepaalde kenmerken van dit hoofdstuk

Ten eerste wordt het fundamentele verschil tussen David en Saul nu duidelijk. Beide mannen misbruikten hun macht in een hoge functie. Wat hen anders maakt is de manier waarop zij reageren op een terechtwijzing. Toen Samuël Saul van zonde beschuldigde, probeerde die laatste zijn zonde te verbloemen. Toen Jonathan Sauls handelswijze in vraag stelde, kreeg hij een speer naar zijn hoofd.

Toen Nathan daarentegen met zijn indirecte aanpak kwam, komt de zonde spoedig aan het licht: ‘Gij zijt die man!’ (12:7). Maar Davids respons is radicaal anders: ‘Ik heb tegen de HERE gezondigd’ (12:13).

Dit is zeker een van de ultieme tests voor de richting waarin iemands leven gaat. We zijn een zondig geslacht. Zelfs goede mensen, mensen met een sterk geloof, zelfs iemand als David – die een ‘man naar Gods hart’ is (vgl. 1 Sam. 13:14) – kan wegglijden en zondigen. Er is nooit een excuus voor, maar wanneer het gebeurt, mag het ons nooit verbazen. Maar wie ernstig is over het kennen van God zal na verloop van tijd terugkeren met oprecht berouw. Valse bekeerlingen en afvalligen zullen uitpakken met een hele trits tamme excuses, maar zullen geen persoonlijke schuld toegeven, behalve op de meest oppervlakkige manieren.

Ten tweede kan alleen God zonde vergeven. Wanneer Hij dit doet, wordt de straf die bij de zonde hoort, de dood zelf, niet toegepast (12:13).

Ten derde kunnen er, zelfs wanneer de ultieme sanctie op de zonde niet wordt toegepast, andere gevolgen overblijven, die in deze gevallen en gebroken wereld onvermijdelijk zijn. David krijgt nu te maken met drie ervan:
(1) dat het kind dat Batseba draagt zal sterven;
(2) dat er tijdens zijn leven strijd en oorlog zal zijn terwijl hij zijn koninkrijk vestigt;
(3) dat hij op een bepaald moment in zijn leven zal ondervinden wat het is om verraden te worden: iemand uit zijn eigen huis zal tijdelijk beslag leggen op de troon, dit komt tot uiting wanneer hij slaapt met de koninklijke harem (12:10-12).

Elk van deze gevolgen is pijnlijk. Het eerste is verbonden met het overspel zelf; het tweede is misschien een verwijzing naar het feit dat David in de eerste plaats werd verleid omdat hij niet ten strijde getrokken was met Joab, maar thuisbleef (11:1), duidelijk verlangend naar vrede; en het derde trakteert David op het verraad dat ook hijzelf gepleegd heeft.

Ten vierde is Davids respons op de meest drukkende van de oordelen uiteindelijk positief. God is niet het equivalent van het onpersoonlijke lot. Hij is een persoon, en een persoon kan gebeden en gezocht worden. Ondanks zijn gigantische falen is David nog altijd een man die God beter kent dan zijn talrijke critici.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 13 augustus 2012

'Spreek HERE, want uw knecht hoort' (1 Sam. 3)



1 Samuel 3, Romeinen 3, Jeremia 41, Psalm 17

De Here roept niet al zijn profeten op dezelfde manier, of op dezelfde tijd in hun leven. Amos werd geroepen toen hij herder was in Tekoa. Elisa werd geroepen door Elia om dienend bij hem in de leer te gaan. Maar Samuel was zelfs al van voor de conceptie geroepen. Samuels bewuste ervaring van de roeping van God (1 Sam. 3) kwam er toen hij nog altijd een behoorlijk jonge knaap was – zeker niet een kleine zuigeling, zoals sommige van onze meer romantische beelden het portretteerden, want hij wist genoeg om in staat te zijn te verstaan wat de Here tot hem zei, om er bevreesd over te zijn en te aarzelen vooraleer hij het herhaalt tegenover Eli. Maar hij was niet al te oud, nog altijd een ‘jongen’ (3:1; in het Engels: ‘boy’).

Het verhaal is zodanig goed gekend dat het nauwelijks herhaling nodig heeft. Maar een paar opmerkingen kunnen helpen de zaken een beetje aan te scherpen:

(1) De stem die tot Samuel komt is een echte stem, die Hebreeuws spreekt, een echte taal. Dit is niet zomaar een subjectief ‘gevoel’ van het krijgen van een roeping. Echte roepingen, echte gezichten, echte openbaringen vinden plaats in de Bijbel; maar in de dagen van Samuel waren ze ‘schaars’ (3:1). Samuel had zeker tot op dit ogenblik nog nooit een dergelijke ervaring gehad; hij ‘kende de HERE nog niet; nog nooit was hem een woord des HEREN geopenbaard’ (3:7).

(2) Eli is een zielige figuur. In zijn eigen leven is hij een persoon van integriteit – zelfs al is hij een ramp met zijn gezin. Zijn lange ervaring stelt hem in staat, bij de derde roeping van Samuel, om te raden wat er aan de hand is, en de jonge Samuel te leiden in een gepast antwoord: ‘spreek HERE, want uw knecht hoort’ (3:9).

(3) De hoofdzaak van de openbaring die Samuel bij deze gelegenheid krijgt betreft een aanstaande ramp die zodanig ontstellend is dat ‘een ieder die ervan hoort, de beide oren tuiten zullen’ (3:11). In deze tragedie zal het gericht over Eli’s gezin inbegrepen zijn, in lijn met wat de Heer Eli eerder gezegd had: God zou voor altijd gericht oefenen over Eli’s gezin ‘om de ongerechtigheid, waarvan hij geweten heeft; immers zijn zonen brachten een vloek over zich en hij heeft hen niet eens berispt’ (3:13). Een dergelijk verzuim is altijd zondig, maar het is dit nog meer in het geval van religieuze leiders die hun eigen zonen promoveren tot posities waarin ze hun macht gebruiken om mensen te misbruiken en God zelf met minachting behandelen (2:12-25).

(4) Wanneer Eli erin slaagt om Samuel ertoe te bewegen hem alles te vertellen wat de Heer gezegd heeft, verraadt zijn eigen antwoord – hoewel dit een schijn van vertrouwen bewaart – zijn onverantwoordelijkheid: ‘Hij is de HERE, Hij doe wat goed is in zijn ogen’ (3:18). Waarom toont hij niet onmiddellijk berouw, en neemt hij geen doortastende maatregelen tegen zijn zonen, en oefent hij de tucht niet uit die binnen zijn priesterlijke bevoegdheid ligt, en vraagt hij de Heer niet om genade?


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 7 mei 2012

'Schep in mij een rein hart' (Ps. 51)



Numeri 15, Psalm 51, Jesaja 5, Hebreeën 12

Schuld. Wat een afschuwelijke last.

Soms dragen mensen een enorm gewicht van subjectieve schuld – d.i. van gevoelde schuld – wanneer ze in werkelijkheid niet schuldig zijn. Veel erger is de situatie waarin ze een enorm gewicht van objectieve schuld dragen – d.w.z. dat ze werkelijk schuldig zijn aan een erge zonde in de ogen van de levende God – en zodanig verhard zijn dat ze het niet weten.

De inleidende zin van Psalm 51 onthult ons dat wanneer David schrijft, hij zich bewust is van zowel objectieve als subjectieve schuld. Objectief gezien heeft hij overspel gepleegd met Batseba en heeft hij de moord beraamd op haar echtgenoot Uriah. Subjectief gezien heeft Nathans gelijkenis (2 Sam. 12; zie de overdenking voor 16 september) zijn doel bereikt en in Davids geweten iets van bewustzijn gewekt van de grootte van zijn zonde, en hij schrijft met schaamte.
(1) David belijdt zijn zonde en roept om genade (51:3-4). Er is geen spoor van de roep om gerechtigheid die enkele van de eerdere psalmen kenmerken. Wanneer we schuldig en ook weten dat we schuldig zijn, dan is er geen andere richting mogelijk en kan ook maar deze richting ons helpen.

(2) David erkent openlijk dat zijn overtreding in de eerste plaats tegenover God is (51:6), niet tegen Uriah, Batseba, het kind dat verwekt werd, of zelfs het verbondsvolk dat iets van de straf draagt. God bepaalt de maatstaven. Wanneer we die overtreden, dan treden we ze met voeten. Verder weet David dat hij louter op de troon zit dankzij Gods verkiezende genade. Het verbond verbreken vanuit een positie van door God aangewezen vertrouwen is nog dubbel zo verschrikkelijk.

(3) David is eerlijk genoeg om te erkennen dat deze opeenvolging van zonden, hoewel bijzonder boosaardig, niet op zichzelf staat. Het brengt naar buiten wat er in het hart zit, het is een uitdrukking van onze zondige natuur die we ervan van onze ouders. Niets baat als we niet finaal innerlijk worden gereinigd, als ons geen zuiver hart en een vaste geest wordt geschonken (51:7-8, 12).

(4) Voor David is dit niet maar gewoon een cerebraal of koud theologisch proces. Objectieve schuld en subjectieve erkenning ervan zijn zodanig met elkaar verweven dat David zich verdrukt voelt: zijn gebeente is verbrijzeld (51:10), hij kan niet ontkomen aan het schrikbeeld van zijn zonde (51:5), en de blijdschap over zijn vreugde is verdwenen (51:14). De transparante eerlijkheid en passie van Davids gebed onthullen dat hij geen blasé zoekt of uiterlijke reiniging.

(5) David erkent de waarde die ligt in het getuigenis over de vergeving, en gebruikt dit als een argument voor God van waarom hij vergeven zou moeten worden (51:14-17).Impliciet is dit natuurlijk een appèl voor Gods heerlijkheid.

(6) Hoe doordrongen hij ook is van het offersysteem van het Mozaïsch verbond, toch maakt hij zich meer fundamentele prioriteiten eigen. De voorgeschreven offerandes betekenen niets wanneer ze niet gepaard gaan met de offerande van een gebroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart (51:18-21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 6 mei 2012

Deze rebellie is ons niet vreemd (Num. 14)


Numeri 14, Psalm 50, Jesaja 3-4, Hebreeën 11


Nog een dag waarop we nadenken over rebellie – deze keer de opstand van het volk bij Kades Bernea, toen ze omwille van hun zonde de kans lieten liggen om het Beloofde Land binnen te trekken (Num. 14).

(1) Zoals in het voorgaande hoofdstuk de tien verspieders die een negatief verslag brachten verantwoordelijk waren voor het ontmoedigen van het volk, zo is het volk verantwoordelijk voor het beslissen naar wie zij zullen luisteren. Ze volgen gewoon de meerderheid. Waren ze trouw gebleven aan het verbond waartoe ze zich bij ede verbonden hadden, hadden ze zich herinnerd wat God al voor hen gedaan had, ze zouden de kant van Kaleb en Jozua gekozen hebben. Wie kiezen voor de kant van de meerderheid en niet voor die van het woord van God zijn altijd verkeerd en flirten met rampspoed.

(2) Twijfelen aan de verbondstrouw van God, niet in het minst als het gaat om zijn bekwaamheid en wil om zijn eigen volk te redden en te doen wat hij gezegd heeft te zullen doen, dit is God smadelijk behandelen (14:11, 23). Bijna alle aanhoudend gemopper staat gelijk met dergelijke smaad. Dit is een groot kwaad.

(3) Mensen verbergen vaak hun eigen gebrek aan geloof, hun flagrante ongeloof, door een vrome smoes. Hier drukken ze hun bezorgdheid uit dat hun vrouwen en kinderen ten buit zouden worden (14:3). In plaats van toe te geven dat ze doodsbenauwd zijn en zich tot God te wenden voor hulp, verwijten ze God impliciet dat Hij minder bezorgd is voor hun vrouwen en kinderen dan zij dat zijn.

(4) De gevorderde straf past daarom precies bij de misdaad: deze volwassen generatie (een paar uitzonderingen niet te na gesproken) sterft in de woestijn voor hun kinderen (diezelfde kinderen over wie ze zo bezorgd zijn) bijna veertig jaren later het land beërven (14:20-35).

(5) Er bestaat een soort berouw die treurt over mislukkingen uit het verleden maar niet vastbesloten is zich te onderwerpen aan het woord van God. De Israëlieten treuren – en beslissen om het Beloofde Land in te nemen, zelfs al heeft God hen nu opgedragen dit niet te proberen, aangezien Hij niet langer hun burcht en kracht zal zijn. Mozes ziet terecht dat dit niets anders is dan verdere ongehoorzaamheid (14:41). Onvermijdelijk staat er een pak slaag tegenover hun inspanningen (14:44-45).

De vijf kenmerken van deze vreselijke rebellie zijn ons vandaag niet vreemd: een veelvoorkomend aanhangen van de mening van de religieuze meerderheid met maar weinig belangstelling voor het kennen en gehoorzamen van het woord van God, een onverschillig smadelijk verwerpen van God dat voortkomt uit lelijk ongeloof, vrome excuses die angst en ongeloof moeten verdoezelen, vluchtige inschattingen die elke kans op moedig christelijk werk de kop indrukken, en een onecht en oppervlakkig ‘berouw’ die vastbesloten van een vergadering vertrekt om dingen in orde te maken en toch onwillig is om te luisteren naar het Woord van God en het te gehoorzamen. God helpe ons allen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org