Posts tonen met het label Ezechiël. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ezechiël. Alle posts tonen

zaterdag 10 oktober 2015

(Dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid (Ez. 43)

1 Koningen 13; Filippenzen 4; Ezechiël 43; Psalmen 95-96

Bijna twintig jaar zijn voorbijgegaan sinds de visioenservaring waarin Ezechiël zag hoe de heerlijkheid des Heren de tempel verliet (Ez. 10:18-22; 11:22-24). Hier in Ezechiël 43:1-12 is hij getuige van de terugkeer van de Heer.

Talrijke zinnen en zinsdelen herinneren ons eraan dat de heerlijkheid die Ezechiël nu ziet moet geïdentificeerd worden als de heerlijkheid die hij eerst zag in het gezicht van de mobiele troon in Ezechiël 1-3, en als de heerlijkheid die de tempel en de stad verliet in het gezicht uit de hoofdstukken 8-11.

Ezechiël maakt het punt expliciet: ‘Het gezicht dat ik zag, was als het gezicht dat ik gezien had, toen Hij kwam om de stad te vernielen, en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had bij de rivier de Kebar. Ik viel op mijn aangezicht’ (43:3).

Binnen de symboolstructuur van het gezicht betekent dit dat God zichzelf nog maar eens manifesteert onder zijn volk. Zij moeten reageren door zich te schamen over hun zonden (43:10-11) en door zich nauwgezet te houden aan wat Hij voorschrijft (43:11).

Het hoogtepunt van het gezicht binnen het boek Ezechiël wordt gevonden in het laatste vers van het boek: ‘En de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar’ (48:35). Dit is prachtig. Overal waar de Heer is, is heilig.

‘Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus. Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1 Pet. 1:13-16).

Johannes zag een gezicht van ‘de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God’ (Opb. 21:2). De stem riep, ‘Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn’ (Opb. 21:3).

We moeten enkele punten altijd in gedachten houden:

Het evangelie wordt in de Schrift niet in de eerste plaats bewonderd om de sociale transformatie die het teweegbrengt, maar omdat het mannen en vrouwen verzoent met een heilige God.

Zijn doel is niet dat wij ons vervuld zouden voelen, maar dat we verzoend zouden worden met de levende en heilige God.

De eindvervulling is heerlijk voor het getransformeerde volk van God, niet gewoon maar omdat de omgeving van de nieuwe hemel en nieuwe aarde aangenaam is, maar omdat we voor eeuwig leven en werken en aanbidden in de stralende glans van de tegenwoordigheid van onze heilige Schepper en Verlosser.

Dit vooruitzicht moet het leven en de dienst van de kerk vormgeven, en de hartslag vormen van zijn dienstwerk. Het enige alternatief is welluidende maar zelfzuchtige afgoderij.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 oktober 2015

Hoe moeten we Ezechiëls tempel verstaan? (Ez. 42)


1 Koningen 12; Filippenzen 3; Ezechiël 42; Psalm 94

De beschrijving van de tempel (Ez. 41) wordt gevolgd door een beschrijving van de kamers die voorbehouden waren aan de priesters (Ez. 42). Maar ik zal de discussie van gisteren nog wat verderzetten en kort nog twee bijkomende manieren bespreken hoe deze hoofdstukken uitgelegd worden.

(3) Veel oudere commentatoren betogen dat de hoofdstukken 40-48 duidelijke symbolen zijn van wat vervuld is in de christelijke kerk. Er zit een bepaalde waarheid in deze visie. Ze wordt nog verder versterkt wanneer je ziet dat bijvoorbeeld Johannes’ gezicht van de heilige stad in Openbaring in grote mate afgeleid is van de taal van Ezechiël. Maar de zelfde passages in Openbaring betekenen ook de zwakte van deze uitleg.

Wanneer Johannes de taal van Ezechië gebruikt (of van Daniël of een andere Oudtestamentische auteur), dan zet hij die regelmatig om, of neemt er de woorden en zinnen van over zonder die precies op dezelfde manier te gebruiken.

Hoewel Johannes’ beschrijving van de heilige stad in grote mate gebaseerd is op Ezechiël, heeft de stad van Johannes geen tempel, want de Here God en het Lam zijn haar tempel (Opb. 21:1-22:5). In die zin is Openbaring geen directe en onmiddellijke vervulling van een reeks symbolen.

(4) Het is beter, maar ook complexer, om deze hoofdstukken te zien als behorend bij de grensgevallen van apocalyptische literatuur en typologie. Het symbolisme bevat numerieke kenmerken; haar toekomstgerichtheid komt niet louter voort uit verbale voorzegging of simplistisch symbolisme, maar uit structuren of patronen en gebeurtenissen die vooruitwijzen.

We hebben al glimpen opgevangen van dit soort dingen in de hoofdstukken 38-39, waar de eindstrijd afgebeeld wordt, wanneer God soeverein in beweging komt om al zijn vijanden te vernietigen.

Lezen we de hoofdstukken 40-48 op die manier, dan hebben ze betrekking op de messiaanse toekomst, maar in de symbolische bewoordingen van Ezechiëls tegenwoordige tijd.

De tempel is een soort uitvoering of incarnatie van de tegenwoordigheid en zegen van God in de tijd waarnaar vrome Israëlieten verlangden. Volgens deze visie zijn onder andere dit de theologische thema’s en pastorale vertroostingen van deze hoofdstukken:

(a) Gods tegenwoordigheid blijft permanent als de bron van alle zegening.
(b) Gods volk wordt volkomen hersteld, de volmaaktheid van zijn plan en van hun ervaring is terug te vinden in de volmaaktheid in de symmetrie van het gebouw.
(c) Omdat God volmaakt aanwezig is, vloeit volheid van leven en vruchtbaarheid voort vanuit Gods tegenwoordigheid naar alle dorre plaatsen op aarde. Dit is een getransformeerd universum.
(d) De aanbidding van God staat centraal, en wordt precies uitgevoerd zoals God het vereist.
(e) Recht en gerechtigheid zijn aan de orde van de dag, wat wordt gezien in de volmaakte verdeling van land en verantwoordelijkheden.

Indien dit grotendeels correct is, ligt de ultieme hoop aan het einde van de geschiedenis – maar dit einde is al de geschiedenis zelf binnengekomen, in deze laatste dagen. De eindvervulling is er nog niet, maar het koninkrijk gloort al.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 8 oktober 2015

Moeten we Ezechiël 41 - en de daaropvolgende hoofdstukken - letterlijk verstaan?


1 Koningen 11; Filippenzen 2; Ezechiël 41; Psalmen 92-93

Alhoewel Ezechiël 41 (of preciezer nog, 40:48-41:26) gewijd is aan de beschrijving van de tempel binnen het grote gezicht van hoofdstuk 41-48, wil ik de aandacht hier vestigen op hoe dit hoofdstuk, en meteen alle negen deze hoofdstukken, moeten begrepen worden.

Ik zal hier twee van de meer belangrijke opties onderzoeken, en morgen nog twee.

(1) Sommigen zijn van mening dat dit Ezechiëls visie is van wat in feite zou moeten gebouwd worden eens de ballingschap ten einde is en sommigen uit het volk naar het land terugkeren. In dit geval biedt hoofdstuk 41 specificaties voor de bouw. De sterkte van deze visie is dat het een vervolg is op de vele passages in dit boek die vertellen dat de ballingschap zal eindigen.

Niettemin moet je zeggen dat, als je het leest als bouwspecificaties, dit hoofdstuk nogal dunnetjes uitvalt (veel minder gedetailleerd dan, bijvoorbeeld, de specificaties voor ofwel de tabernakel ofwel de tempel van Salomo).

Bovendien moet hoofdstuk 41 gelezen worden binnen het kader van de hoofdstukken 40-48, en zoals we zullen zien, zijn er talrijke eigenschappen die niet letterlijk kunnen genomen worden. Er is zeker weinig bewijs voor dat zij die de tweede tempel bouwden geloofden dat ze Ezechiëls richtlijnen dienden te volgen.

(2) De mid-twintigste-eeuwse vorm van het dispensationalisme pleitte voor een gelijkaardig literalisme, maar hield het daarop dat de bouw van de tempel en de terugkeer van bloederige offers en Levitisch en Zadokitisch priesterschap zal plaatsvinden in het duizendjarig vrederijk.

De offers zouden dan op dezelfde manier terugkijken op het offer van Christus als de oudtestamentische offers vooruitkeken. Maar het is heel moeilijk om deze visie te plaatsen binnen de theologie van Hebreeën.

Bovendien zijn er veel aanwijzingen dat deze hoofdstukken niet letterlijk moeten genomen worden. De verdeling van het land (hfdst. 47-48) is vrijwel onmogelijk voor iedereen die het terrein gezien heeft.

De onmogelijke bron en de loop van de rivier (47:1-12) stelt het voorstellingsvermogen op de proef – en in elk geval krijgen zowel de tempel als de levensrivier nogal verschillende verklaringen in Openbaring, het laatste boek van de Bijbel.

Met de beste wil van de wereld valt moeilijk te zien hoe de voorgeschreven stammenreinheid van Levitische en Zadokitische geslachtslijnen hersteld kan worden.
Tussentijdse verslagen zijn verloren gegaan, zodat niemand zijn afstamming van Aäron zou kunnen bewijzen. Wellicht zou een dispensationalist kunnen redeneren dat God de noodzakelijke informatie zou kunnen openbaren.

Maar het punt is dat de stammen doorheen de eeuwen dermate vermengd zijn dat ze niet terug uit elkaar gehaald kunnen worden. Het probleem is er niet een van informatie, maar van vermengde geslachtslijnen.

Dus is deze uitlegging, precies omdat ze te maken heeft met iets aan het einde der tijden, wanneer de stammenlijnen niet langer te onderscheiden zijn, nog minder aannemelijk dan de vorige.

Hoe moeten we dan deze hoofdstukken uitleggen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 7 oktober 2015

In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg (Ez. 40)


1 Koningen 10; Filippenzen 1; Ezechiël 40; Psalm 91

Op Ezechiël 29:17-21 na, vinden de negen hoofdstukken voor ons, Ezechiël 40-48, later plaats dan de andere gezichten en godsspraken waaruit het boek bestaat. Zoals het boek begint met een gezicht, zo eindigt het er ook met een.

Hoewel dit gezicht dermate los staat van de rest van het boek dat sommigen het beschouwen als een appendix, zijn er niettemin een aantal dramatische verbanden.

In het gezicht van 8:1-11:25 zag Ezechiël de heerlijkheid van God de tempel verlaten; nu is hij getuige van de heerlijkheid die terugkeert en de nieuwe tempel vult (43:5). In de jaren die volgden op de catastrofale val van Jeruzalem heeft Ezechiël het volk vertroost met de belofte van een terugkeer naar het land en tot God; in bepaalde opzichten moet dit visioen van een tempel bemoediging en hoop gegeven hebben.

Maar dit maakt nog niet dat dit gezicht eenvoudig kan begrepen worden. Vandaag zal ik eerder in grote lijnen de gedachtestroom uitleggen, niet alleen van Ezechiël 40 maar van deze negen hoofdstukken. Morgen zal ik vier belangrijke uitleggingen uiteenzetten en deze aanduiden waarvan ik denk dat ze het dichtst staat bij wat de Schrift zegt.

In het vijfentwintigste jaar van zijn ballingschap (rond die tijd was hij ongeveer vijftig), wordt Ezechiël in een gezichtservaring meegevoerd naar ‘een zeer hoge berg’ (40:2), dicht bij wat de heilige stad blijkt te zijn. Waarschijnlijk wordt de berg Sion bedoeld.

Een engelenfiguur geeft hem een rondleiding rond het tempelgebied, terwijl hij onderweg alles opmeet. Hij begint met een gedetailleerde studie van de oostpoort tot de buitenste voorhof (40:6-16). Dit wordt snel gevolgd door de voorhof zelf, twee andere poorten tot de voorhof (noorden en zuiden), en dan poorten tot de binnenste voorhof (40:17-37).

Er zijn geen poorten aan de westzijde, omdat de tempel zelf hier gesitueerd is. Na een korte ronde langs het offergereedschap en de kamers die voorbehouden zijn aan de offerende priesters (40:38-47), krijgt Ezechiël een nogal gedetailleerde beschrijving van de tempel (40:48—41:26), gevolgd door een overzicht van het tempelgebied met bijzondere aandacht voor de kamers van de priesters (42:1-20).

De heerlijkheid van God komt de tempel binnen, en Ezechiël krijgt te horen wat hij moet doen met deze informatie (43:1-12). De rest van hoofdstuk 43 gaat over het offeraltaar en hoe het moet gebruikt worden (43:13-27).

De hoofdstukken 44 en 45 geven de bepalingen voor het organiseren van de tempel (vooral met betrekking tot de Levieten en Zadokieten), en dan voor de verdeling van het land rond de tempel.

Meer rituele bepalingen volgen (45:18—46:24). Ezechiël 47:1-12 beschrijft een waterstroom vanuit het heiligdom die leven brengt in de kale Dode Zee-vallei. De rest van het gezicht verdeelt het land over de twaalf stammen en duidt de poorten van de stad aan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 6 oktober 2015

Ik zal Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen (Ez. 39)

1 Koningen 9; Efeziërs 6; Ezechiël 39; Psalm 90

Ezechiël 38 zet de Godsspraak tegen Gog in; Ezechiël 39 zet die voort. Hier wordt Gogs val opnieuw verhaald, maar in andere bewoordingen. Dit is typisch voor Hebreeuwse semi-poëzie. We hebben niet te maken met een afzonderlijk verslag van hetzelfde, iets dat op een of andere manier is achterwege gebleven bij het eerste verslag. De Hebreeuwse retoriek houdt ervan rond te cirkelen en uit te weiden over vroegere beweringen, zelfs als dit conflicteert met onze westerse zin voor volgorde.

Twee opmerkingen:

(1) Er zijn tal van aanwijzingen dat deze twee hoofdstukken zijn overgegaan van een letterlijke of grotendeels prozaïsche beschrijving van de strijd naar de apocalyptische beschrijving van de ultieme strijd. Dit betekent niet dat die ultieme strijd niet reëel is. Het betekent dat zijn vorm en details niet komen bovendrijven bij de tekst.

De oorlogstuigen zijn de wapens van Ezechiëls tijd (‘schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren’, 39:9) – maar deze strijd vond zeker niet in enige letterlijke betekenis plaats in Ezechiëls tijd, en indien hij aan het einde van de geschiedenis zou plaatsvinden, zouden dit niet de oorlogswapens zijn.

Typisch voor apocalyptische literatuur hebben we nu netjes afgeronde tijdspannes: zeven jaar (39:9), zeven maanden (39:12, 14).

De triomferende Israëlieten zijn er getuige van hoe de vogels en wilde dieren het vlees eten en het bloed drinken van machtige mannen en vorsten van de aarde, die geofferd zijn als rammen, lammeren, bokken en stieren (39:17-19).

Beweren dat dit alleen maar beeldspraak is om te zeggen dat alle vijanden zullen verslagen worden is instemmen met mijn punt: de taal is dieperliggend en symbolisch-geladen, en je moet zorgvuldig lezen.

(2) Het is God zelf die Gog en zijn leger uit het ‘verre noorden’ brengt (39:2) om ze te vernietigen. Dit is zowel vergelijkbaar als ook niet met een belangrijk thema in de grote profeten dat we al eerder opmerkten. De profeten blijven zeggen dat de grootmachten (Assyrië, Babylon) die Israël en Juda tuchtigen, dit doen onder Gods krachtige beweging, hoewel ze zelf verantwoordelijk geacht worden voor hun gewelddaden (bijv. Jes. 10:5 e.v.).

Het beeld hier bevestigt Gods soevereiniteit over deze heidense volkeren, maar nu gebruikt Hij hen niet om de verbondsgemeenschap te tuchtigen, maar om ze naar hun eigen ondergang te leiden. Het Bijbelboek waarin dit thema het duidelijkst wordt uitgewerkt, is Openbaring.

Gelovigen moeten bemoediging vinden in het feit dat zelfs in deze wereld van vreselijke wreedheid en ongerechtigheid, God uiteindelijk de overtreders naar het laatste oordeel zal leiden.

Gerechtigheid zal niet alleen geschieden, maar er zal worden op toegezien dat ze geschiedt. Dus laten we de moed niet zakken. We koesteren en voeden het apocalyptische gezicht, niet omdat het een prozaïsche routekaart is van de geschiedenis die voor de deur staat, maar omdat het een voorbode is van de finale overwinning van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 5 oktober 2015

Zo zegt de Here HERE: zie, ik zàl u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! (Ez. 38)


1 Koningen 8; Efeziërs 5; Ezechiël 38; Psalm 89

De hoofdstukken 38-39 van Ezechiël zijn van de moeilijkste hoofdstukken uit het hele boek. In verschillende opzichten onderscheiden ze zich van wat er aan voorafgaat en wat er op volgt. Misschien is het volgende de eenvoudigste verklaring.

De hoofdstukken 40-48 spelen zich zoveel later af dan het grootste deel van het boek (het vijfentwintigste jaar van de ballingschap, 40:1) dat ze bijna als een appendix zijn voor de rest van de visioenen en orakels. In dat geval moeten de hoofdstukken 38-39 gezien worden als een besluit van de voorafgaande zevenendertig hoofdstukken, maar niet noodzakelijk als een brug naar de hoofdstukken 40-48.

Hoe deze profetie tegen Gog dan precies dient als een conclusie voor alles wat daaraan voorafgaat in Ezechiël, hangt heel erg af van hoe je deze twee hoofdstukken interpreteert. Zelfs nog maar de mogelijkheden oplijsten zou van deze korte overdenking een commentaar maken, dus moet ik me grotendeels beperken tot enkele aarzelende conclusies.

Het kan niet aan de aandacht ontsnapt zijn dat ik er in diverse voorgaande hoofdstukken voor koos om bepaalde gedeeltes niet te becommentariëren. Dit was deels niets meer dan selectiviteit omwille van mijn beperkte ruimte. Maar deze passages zijn deels vergelijkbaar en we kunnen ze op een nuttige manier gezamenlijk overdenken.

Bijvoorbeeld grijpt 37:25-28 vooruit naar de tijd waarin Israël, onder Gods knecht David, ‘tot in eeuwigheid’ in het land zal wonen, en ‘mijn knecht David (…) hun voor eeuwig tot vorst’ zal zijn. Gods heiligdom staat ‘voor eeuwig’ te midden van hen. Dergelijke taal moet je ofwel helemaal zo laten staan – een tempel in Jeruzalem, met een Davidische koning, en de troon en tempel die voor altijd blijven – of ze wijst naar iets dat dit overstijgt.

Om redenen die duidelijker zullen worden, ben ik geneigd te denken dat deze en vergelijkbare profetieën vooruitblikken naar de heerlijke messiaanse toekomst, maar grotendeels in de bekende bewoordingen van het oude verbond gegoten zijn. Diezelfde bewoordingen, zo benadrukken de Nieuwtestamentische schrijvers, hebben een voorzeggende functie die wordt vervuld in Jezus de zoon van David en in alles wat Hij brengt.

In dezelfde trant begint Ezechiël 38 met het aanklagen van ‘Gog, grootvorst van Mesek en Tubal’ (38:3). De suggestie dat deze namen verwijzen naar Moskou en Tobolsk is zonder linguïstische waarde. Dit paar namen verschijnt ook elders (Gen. 10:2; 1 Kron. 1:5; Ezech. 27:13; 32:26) en verwijst naar de bekende stammen van Moschoi and Tibarenoi. Gog kan misschien geïdentificeerd worden als Gyges, koning van Lydia (in bepaalde oude verslagen Gûgu genoemd).

Wat belangrijker is, deze verwachte benden met vijanden voor Gods volk komen van ‘ver in het noorden’ (38:6) – wat de richting is van waaruit Israëls ergste vijanden altijd kwamen.

Het hoofdstuk eindigt in apocalyptische beeldtaal (38:18-23) – wat de scene doet aanvoelen als een geïdealiseerde en finale uitval tegen het volk van God, waarin God zijn naam en zijn doel rechtvaardigt. Zo zien alle voorgaande aanvallen vooruit naar en komen ze tot hun einde in deze finale apocalyptische slag.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 4 oktober 2015

Eén herder zal er voor hen allen zijn (Ez. 37)


1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87—88

Sinds de aankondiging van de val van Jeruzalem heeft Ezechiël nieuw leiderschap beloofd, een terugkeer tot het land, en een morele en geestelijke transformatie. Maar net als zijn eerdere aankondiging van de val van Jeruzalem op aanzienlijk scepticisme stootte, zo wordt nu zijn aankondiging van de zegeningen op hetzelfde onthaald.

Het volk is verstrooid, hun steden verwoest, en veel volksgenoten zijn over het buitenland verspreid, terwijl ze als ballingen in vreemde landen leven. Het is moeilijk zelfs maar een glimp van hoop te ontwaren. Daarom schreeuwen ze ‘Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan’ (37:11).

In Ezechiël 37 biedt God een gezicht en een objectles om die hoop te wekken en te voeden.

Eerst krijg je het gezicht van de vallei met de dorre doodsbeenderen (37:1-14). Ezechiël krijgt deze ‘zeer dorre’ beenderen te zien en krijgt de vraag ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?’ (37:3).

De beenderen vertegenwoordigen de Israëlieten in ballingschap. De noordelijke stammen zijn al anderhalve eeuw in ballingschap. De ballingengemeenschap in Babylon, waar Ezechiël leeft, is daar een decennium. De beenderen zijn zelfs zeer dor.

Ten eerste wordt Ezechiël bevolen tegen de beenderen te profeteren. Wonderlijk genoeg komen de beenderen bij elkaar en worden ze bedekt met vlees en huid – maar we zijn slechts van skeletten naar lichamen gegaan.

Dan krijgt Ezechiël de opdracht te profeteren tot de ‘adem’ (ruach, wat tegelijk ‘geest’ en ‘wind’ betekent). Nu komen de lichamen tot leven en gaan ze op hun voeten staan – ‘een geweldig groot leger’ (37:10).

Met andere woorden: hoewel prediking op zich bepaalde veranderingen bewerkt, is hetgeen vereist is de ingrijpende kracht van de Geest van God.
Binnen de metaforische wereld is dit niets minder dan opstanding uit de dood (37:12). De betekenis van het gezicht is echter dat God zijn Geest zal uitstorten, en de ballingschap zal eindigen (37:14).

Het tweede deel van het hoofdstuk is gewijd aan de objectles van de twee stukken hout (37:15-28).

Het eerste stuk hout vertegenwoordigt Juda; het tweede vertegenwoordigt de noordelijke stammen van Israël. Ezechiël staat voor God. Bij het aaneenzetten van de twee stukken hout, verklaart God dat er bij de beloofde terugkeer niet langer twee koninkrijken zullen zijn, maar één. ‘En één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken’ (37:22).

Nog maar eens komt de belofte van innerlijke transformatie naar voren: ‘Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn’ (37:23).

Wat nog het belangrijkste is, de beloofde Messias zal hen leiden: ‘En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden’ (37:24).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 3 oktober 2015

Maar gij, bergen van Israël, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israël (Ez. 36)


1 Koningen 6; Efeziërs 3; Ezechiël 36; Psalm 86

Net zoals God in hoofdstuk 35 via Ezechiël de berg Seïr aanspreekt (de regio van de Edomieten), zo richt Hij zich in Ezechiël 36 tot de bergen van Israël (36:1-15). Deze retorische techniek heeft als effect dat hij de hoofdstukken 35 en 36 verbindt, vooral aangezien Edom opnieuw specifiek bij naam wordt genoemd (36:5; zie de overdenking van gisteren).

Het eerste deel van de rede tot de bergen van Israël veroordeelt de vijanden die hen verwoest en geplunderd hebben, vooral Edom (36:1-7); het tweede deel (36:8-15) voorziet een tijd waarin de bergen opnieuw voorspoedig zullen zijn.

De belofte dat de bergen opnieuw vruchtbaar en dichtbevolkt zullen zijn is precies het tegenovergestelde van de vloek die tegen Edom uitgesproken wordt (35:3, 7, 15). Alsof een dergelijke aanspreking van de bergen van Israël het gevaar met zich meebrengt dat de Israëlieten zichzelf zullen beginnen zien als louter slachtoffers en niet als zondaars die rampspoed over zich oproepen, biedt God een korte historische terugblik (36:16-21). Het doel ervan is te herhalen dat God zijn toorn over het land deed komen omdat het verbondsvolk zelf zo zondig was. Het heeft zelf het land ‘verontreinigd door zijn handel en wandel’ (36:17).

Maar voor de toekijkende heidense wereld leek het alsof de God van Israël niet in staat was zijn eigen volk te beschermen. Dus omdat God zijn heiligheid wil tonen onder de volkeren van de wereld, voor wiens ogen het verbondsvolk het vertreden hebben, zal God actie ondernemen. Hij zal dit niet doen omwille van het huis van Israël (36:22) – d.w.z. alsof ze het verdienden – maar ter wille van zijn eigen naam (36:22-23).

En welke actie zal Hij ondernemen om zijn heerlijkheid te bewaren? Ten eerste zal Hij de ballingen fysiek laten terugkeren tot hun thuisland (36:24). Ten tweede zal Hij daarop krachtige morele en geestelijke veranderingen laten volgen. Het besprenkelen met rein water (36:25) betekent meer dat vergeving van zonden. De taal is afgeleid van rituele wassingen (Ex. 30:17-21; Lev. 14:52; Num. 19:17-19), maar hier is het verbonden met het reinigen van het volk van de vuiligheid van de afgoderij.

Het geschenk van een ‘nieuw hart’ en een ‘nieuwe geest’ suggereert niet louter aspecten van menselijke persoonlijkheid, maar de transformatie van het gehele menselijke karakter. Dit is het equivalent van Jeremia’s belofte van een nieuw verbond (Jer. 31:31 e.v.); zijn taal wordt terug opgenomen door de Heer Jezus in zijn beschrijving van de nieuwe geboorte (Joh. 3); de transformatie wordt beschreven door Paulus (bijv. Rom. 8). Dit is wat oprechte bekering bewerkt (Ez. 36:31-31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 2 oktober 2015

Zoals gij u verheugt omdat het erfdeel van het huis Israëls verwoest is, zó zal Ik aan u doen (Ez. 35)

1 Koningen 4-5; Efeziërs 2; Ezechiël 35; Psalm 85

Je zou je best kunnen afvragen waarom Edom speciaal moet aangeklaagd worden in Ezechiël 35. Hoort dit materiaal niet thuis bij de hoofdstukken 25-32? Zou deze passage niet moeten verbonden worden met de korte aanklacht tegen Edom in 25:12-14?

De eenvoudigste oplossing is natuurlijk te veronderstellen dat dit een latere invoeging is (hetgeen door sommige critici beweerd wordt). Maar dit werpt terug de vraag op: waarom was degene die invoegt zo dwaas? Als we bovendien geen redenen kunnen vinden waarom de plaats van dit hoofdstuk zinvol is, dan maakt het natuurlijk wel uit als het hier geplaatst wordt in de originele tekst.

Formeel gezien behoudt Ezechiël 35 iets van de structuur van de aanklachten in hoofdstuk 34: ‘omdat … daarom’ (bijv. 35:5-6, 10-11). Wat belangrijker is, van alle omringende landen was Edom in een bepaald opzicht een speciaal geval. Het volk van Edom stamde af van Ezau, en de oude rivaliteit tussen Jakob en Esau was overgegaan in de rivaliteit tussen Israël en Edom, twee volkeren van verwanten die verdeeld waren door een gedeelde vijandigheid.

Edom wordt natuurlijk niet specifiek vermeld in dit hoofdstuk; de verwijzing is in de plaats naar de berg Seïr (35:2) – d.w.z. de bergstreek oostelijk van de Arabah, de vallei die zuidelijk loopt van de Dode Zee. Daar koesterden ze hun ‘oude vijandigheid’ (35:5).

Maar de vier verwijzingen naar ‘bloed’ in dit hoofdstuk (Hebreeuws ‘dam’) kan een bewuste woordspeling zijn met het onvermelde woord Edom, als een manier om aan te duiden dat Edoms gevoelloze bedrog des te weerzinwekkender was omwille van de graad van verwantschap die ze hadden met Israël. Toen Jeruzalem op het punt stond in te storten, hoopte Edom te kunnen profiteren van de vernietiging van de ‘beide volken’ (35:10, Israël en Juda) voor territoriale uitbreiding.

Waarschijnlijk probeerden ze steun aan Nebukadnessar als pasmunt te gebruiken voor de belofte van territoriale winst. Bovenal is hun leedvermaak met hun gevallen rivalen (35:12-15) in Gods ogen niets minder dan de Heer zelf verachten: de Here was daar (35:10), verklaart God; ‘gij hebt een hoge toon tegen Mij aangeslagen en grote woorden tegen Mij opeengestapeld – Ik heb het wel gehoord’ (35:13), waarschuwt God.

In feite zal een deel van het herstel van de Israëlitische ballingen tot het land inhouden dat het veilig voor hen wordt gemaakt: het land moet bevrijd worden van het ‘wild gedierte’ (34:25) die het geteisterd hebben. Indien dit subtiel alludeert aan de omringende stammen die probeerden binnen te trekken, dan is deze profetie van de verwoesting van Edom heel passend hier geplaatst (zie ook de overdenking van morgen).

Dus behoorlijk los van impliciete waarschuwingen tegen gekoesterde bitterheid en op vetes lijkende vendetta’s, verzekert dit hoofdstuk ook het verbondsvolk impliciet opnieuw van Gods voortgaande toewijding aan hun welzijn – inclusief de vernietiging van hun vijanden.

Welke Nieuwtestamentische gedeeltes laten dezelfde toon horen, omgezet naar de sleutel van het nieuwe verbond?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 1 oktober 2015

Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien (Ez. 34)

1 Koningen 3; Efeziërs 1; Ezechiël 34; Psalmen 83-84

‘Herder’ was een gebruikelijke metafoor voor ‘koning’ in het oude Nabije Oosten, meest nog in het Oude Testament (vgl. Jes. 44:28; Jer. 10:21; 23:1-6; Mic. 5:4, 5; Zach. 11:4-17). De herder bood niet alleen zorg en voedsel voor het schaap, maar ook leiding, medische zorg, en bescherming tegen vijanden.
Dit was ongetwijfeld een uitstekende metafoor om te gebruiken voor afvallige heersers die in de verleiding kwamen hun roeping te zien in termen van macht en voorrechten maar niet in termen van verantwoordelijkheid.

Wanneer David daarentegen de Heer belijdt als zijn herder (Ps. 23:1), bevat de metafoor de idee dat God koning is. De schapen passeren onder de staf (Ps. 23:4 – hetzelfde woord dat ook wordt gebruikt voor de Koninklijke scepter).

Het hoofdstuk (Ez. 34) begint met een vernietigende veroordeling van de herders die Israël geleid hebben (34:1-10). Er zijn in de kern twee aanklachten.

(a) Op een gulzige manier hebben ze de schapen kaalgeplukt, terwijl ze de kudde uitbuiten voor eigen comfort en rijkdom, maar ze hebben de schapen die aan hen toevertrouwd waren niet gevoed en verzorgd (34:2-4).

(b) In plaats van de schapen te beschermen door ze in één kudde te houden, heeft het gedrag van de herders ertoe geleid dat de schapen ‘verstrooid’ raken (34:5-6) – een woord dat de ballingschap aanduidt. Dus wat God zal doen is ervoor zorgen dat deze valse en gevaarlijke herders nooit meer over de schapen gesteld zullen worden (34:7-10).

Het kost moeite om in deze zinnen niet de verwerping te zien van het Davidisch koningshuis zoals het toen werd begrepen, samen met het Levietische priesterdom.

Wat God in hun plaats zal stellen is – Hemzelf. Hij zal zelf komen om zijn schapen te weiden. Lees de ontroerende zinnen vanaf vers 16 , en tel het aantal keren dat God zegt ‘Ik zal…’ of ‘Ik, de Heer, zal …’

Niet alleen zal Hij de kudde beschermen (34:10-16), Hij zal ook rechtspreken binnen de kudde (34:17-22), want onvermijdelijk zijn er een aantal schapen corrupt of tiranniek. De kudde zal niet alleen gezuiverd worden van zijn hebzuchtige leiderschap maar ook van zijn zondige leden, zeker van de ‘vette’ schapen die de anderen wegstoten van de overvloed.

Plots verandert de taal. De hele tijd heeft God verklaard dat Hijzelf de kudde zal weiden. Nu zegt Hij, ‘Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de HERE, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de HERE, heb het gesproken’ (34:23-24).

De beloofde hervorming zal zelfs een transformerend Nieuw verbond brengen (34:25-31). Dit verbond zal effectief zijn (dit is wat ‘verbond des vredes’ suggereert).

Een transformerende herder die zowel Jahweh is als iemand uit de lijn van David? Denk na over Johannes 10.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 30 september 2015

Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël (Ez. 33)

1 Koningen 2; Galaten 6; Ezechiël 33; Psalmen 81-82

Ezechiël 33 vormt een keerpunt in het boek. De hoofdstukken 33-37 brengen verslag uit over profetieën die gerelateerd zijn aan de val van Jeruzalem. Hoewel de waarschuwingen en oproepen tot bekering doorgaan, hoor je nu een opkomende noot van vertroosting.

Zo lang de ballingen moeilijk konden geloven dat Jeruzalem zou vallen, was Ezechiël een en al waarschuwing. Eens de val plaatsgevonden, geeft God Ezechiël in zijn genade woorden die de ballingengemeenschap zullen vertroosten, hun geloof zullen voeden en hun begrip en wil zullen sterken.

Vooraleer we dit keerpunt bereiken, keert de eerste helft van het hoofdstuk terug naar een thema dat het eerst werd ingeleid in 3:16-21: Ezechiël als wachter. Het thema keert terug omdat Ezechiël nu een nieuwe fase in zijn bediening begint. In zekere zin wordt hij opnieuw aangesteld.

Tegelijk biedt het nieuws dat hij moet overbrengen over de val van Jeruzalem het volk een nieuwe kans om zich te bekeren en God te vertrouwen. Zo valt de eerste helft van het hoofdstuk (33:1-20) op een natuurlijk manier uiteen in deze twee thema’s.

Aan de ene kant herinnert God de profeet aan zijn vreselijke verantwoordelijkheid als wachter (33:1-9). Hij is vastbesloten om een beetje afgezonderd te blijven van zijn medeballingen. Hij moet de wacht houden, naar God luisteren en trouw verkondigen wat God hem opdraagt, terwijl hij waarschuwt voor de oordelen die komen en oproept tot geloof in Gods trouw.

Aan de andere kant is het volk geroepen om gehoor te geven aan de waarschuwingen van de wachter (33:10-20). Ze mogen niet vertrouwen op hun eigen gerechtigheid en mogen niet vervallen in fatalisme.

De gepaste reactie is altijd om acht te geven op Gods wachter, want God zelf is degene die verklaart: ‘Zo waar ik leef (…) de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft. Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om, want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?’ (33:11).

Zo komt het nieuws: Jeruzalem is gevallen (33:22). Ezechiël wordt nu vrijgelaten uit de stilte die God hem eerder had opgelegd: hij kan openlijk converseren en andere dingen zeggen dan wat hem als profeet gegeven was. Maar alles wat hij in de rest van dit hoofdstuk zegt zijn nog meer woorden van de Heer.

Hij heeft twee thema’s.

(a) Wat de mensen betreft die bij de ruïnes van Jeruzalem zijn achtergebleven, zij zijn altijd de optimisten. Zij denken dat ze zichzelf weer zullen oprichten, hoewel ze hun zonden niet hebben afgezworen. Dus zal God doorgaan hen te tuchtigen tot er alleen nog maar woestenij is, zodat ze zullen leren dat Hij de Heer is (33:23-29).

(b) Wat de ballingen betreft tot wie Ezechiël zich rechtstreeks richt, zij hebben geleerd om met plezier naar hem te luisteren, zoals iemand luistert naar een begaafd redenaar – maar ze hebben niet geleerd om berouw te tonen.

Waar vinden we vandaag de nauwste overeenkomsten met dergelijke standpunten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 26 september 2015

En Ik zal een keer brengen in het lot der Egyptenaren (Ez. 29)

2 Samuël 22; Galaten 2; Ezechiël 29; Psalm 78:1-39

In bepaalde opzichten is de profetie tegen Egypte (Ez. 29) verwant aan de profetieën tegen andere volkeren die vermeld worden in dit deel van Ezechiël (hfdst. 25-32). De herhaling van thema’s zou een signaal voor ons moeten zijn van hoe belangrijk God ze acht, bijv. de zondigheid van arrogant zelfvertrouwen en de hoogmoed van onafhankelijkheid (29:3, 9).

Maar daarbovenop zijn hier diverse nieuwe elementen het overdenken waard.

(1) Egypte wordt ervan beschuldigd een ‘rietstaf’ te zijn die niet de steun kon bieden die hij beloofd had. Wanneer mensen probeerden erop te leunen, dan knakte hij en reet hun vlees open (29:6; vgl. Jes. 36:6 = 2 kon. 18:21). Noch individuele personen, noch landen zouden mogen beloven wat ze toch niet kunnen bieden.

(2) Net als Israël (en heel wat andere landen, wat dat betreft), zou Egypte verslagen worden en een aanzienlijk deel van zijn bevolking zou in ballingschap gaan (29:12). Net zoals het de Israëlieten zou toegestaan worden terug te keren tot hun vaderland onder het toegeeflijker beleid van de Perzen, zo zou het ook heel wat andere ballingen toegestaan worden terug te keren naar hun respectievelijke vaderland.

Onder hen zouden vooral ook Egyptenaren zijn (29:13). Dit is het werk van Jahweh: ‘Ik [zal] de Egyptenaren bijeenverzamelen uit de volken, in wier land zij verstrooid zijn’.

(3) Niettemin benadrukt God dat Egypte nooit meer een grootmacht zal zijn (29:14-16). Indien Hij de God is die naties kan laten opkomen en terug kan afzetten, dan heeft Hij alle recht om deze opdrachten te geven.

Sommige oude machten zijn bijna of helemaal verdwenen: de Hittieten, de Assyriërs, de Babyloniërs. De Egyptenaren zijn er nog, maar God zegt dat Hij het zwak zal maken, ‘zodat het zich niet meer boven de volken verheffen kan’ (29:15) – en dan zal het ook nooit meer het vertrouwen kunnen uitmaken van naties als Israël (29:16).

(4) Een van de meest intrigerende redeneringen ‘van achter de schermen’ vinden we in 29:17-20. Nebukadressar van Babylon zal Tyrus overwinnen, maar het zal een harde campagne zijn met slechts weinig winst. Dus zal God Egypte aan Babylon geven, gedeeltelijk om Babylon te betalen voor zijn lange en dure jaren tegen Tyrus.

‘Als vergoeding voor zijn dienst zal Ik hem het land Egypte geven, want zij hebben voor Mij gewerkt, luidt het woord van de Here HERE’ (29:20). We mogen helemaal niet denken dat er ook maar een van de naties handelde uit bewuste gehoorzaamheid aan de Heer (vgl. Jes. 10:5 e.v.!). Maar de Heer blijft niemand iets schuldig, en dit zijn de regelingen die de Almachtige God treft.

Zonder openbaring zouden we natuurlijk geen van deze dingen weten. Maar ze waarschuwen ons tegen het al te luid roepen over wat er in onze tijd gebeurt, wanneer we zo weinig zien van het grote plaatje van wat God zelf aan het doen is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 25 september 2015

Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten (Ez. 28)

2 Samuël 21; Galaten 1; Ezechiël 28; Psalm 77

De lange profetie tegen de stad-staat Tyrus bereikt haar hoogtepunt in deze profetie tegen de koning van Tyrus (Ezech. 28:1-19). Historisch gezien was de koning in kwestie Ithobal II. Maar er blijkt duidelijk uit het hoofdstuk voor ons, dat de focus niet zozeer op een specifieke monarch ligt, als wel op al hetgeen hij vertegenwoordigt.

De aanklacht die voortdurend herhaald wordt is dat de koning van Tyrus in zijn hart zegt ‘ik ben een god’ (28:2, 6, 9). De context toont aan dat de kwestie niet is dat de individuele monarch een of andere monsterlijke persoonlijke en ontologische aanspraak maakt, als wel dat de koning, die het gedrag van Tyrus op zijn geheel typeert, een ontzettende eigendunk heeft, trots op geweldige commerciële successen en, daardoor, uiterst onafhankelijk.

Er is geen besef van persoonlijke zwakheid of nood, nog minder een sluimerend besef van afhankelijkheid tegenover de God die hen gemaakt heeft en voorzienig over hen regeert. De kern van de zaak is eenvoudig samen te vatten: ‘door uw wijs beleid bij de handel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart is trots geworden op uw vermogen’ (28:5).

De zeer ongepaste dimensies van de hoogmoed worden onderstreept door de vele allusies naar Genesis 2-3 (duidelijker in het Hebreeuws dan in de Nederlandse vertaling). Ze waanden zichzelf in Eden, de hof van God (28:13), ze beschouwden zich Gods beschuttende cherub (28:14), maar ze zullen verdreven worden (28:16).
Met andere woorden: hun zonde staat op een lijn met die van Adam en Eva. Ook zij wilden als God zijn, onafhankelijk, zelf goed en kwaad kennende zonder dat iemand hen dit moest vertellen (zelfs niet hun Schepper!).

In beide gevallen is het resultaat hetzelfde: desastreuze rampspoed, dood en catastrofaal oordeel. Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten. Dit is een nogal voor de hand liggende samenvatting van het gedeelte. Maar we moeten goed nadenken over wat dit zegt aan elke cultuur of kerk of land die vandaag vasthangen aan rijkdom.

Natuurlijk kunnen zeer arme mensen ook materialistisch zijn, in die zin, dat hetgeen ze het meest van al willen, materiële bezittingen zijn. Materialisme is niet exclusief voorbehouden aan de rijken. Maar de focus ligt hier op de rijken, wiens bezittingen hen hoogmoedig gemaakt hebben.

Ze staan boven de gewone mensen, boven andere naties die verarmd zijn of verstrooid. Op welk punt treft ons de bekende zin van de Heer Jezus hard: ‘gij kunt niet God dienen èn Mammon’ (Mt. 6:24)?

Het feit dat Amerika de enige overblijvende supermacht is heeft meer dan een klein beetje hoogmoed met zich gebracht. Talloze specialisten hebben met reden betoogd, dat de morele onverschilligheid over presidentiële leugens, in de eerste plaats moet toegeschreven worden aan een sterke economie. Dus hoe ver en hoe lang zal God ons laten gaan als er geen sprake is van een brede en diepe bekering?


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 22 september 2015

Zeg tot de Ammonieten: hoort het woord van de Here HERE (Ez. 25)

2 Samuël 18; 2 Korintiërs 11; Ezechiël 25; Psalm 73

Ezechiël 25-32 is gewijd aan Ezechiëls profetieën tegen de volken. Indien Jahweh de God van de hele aarde is, dan hoeft het niet te verrassen als hij dingen te zeggen heeft aan afzonderlijke naties buiten Israël, die ook nogal verschillen van alles wat Hij zonder onderscheid tegen alle volkeren te zeggen heeft.

Er is zeker uitgebreid bewijs dat God alle volkeren verantwoordelijk houdt voor de zonden die zij op grote schaal begaan hebben – al houdt Hij hen dan niet aansprakelijk voor de details van de Wet van Mozes, Hij is zeker in staat om oordeel te brengen waar er sprake is van hoogmoed, wreedheid, geweld, overspeligheid en hebzucht. Deze spreuk geldt altijd: ‘Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën’ (Spr. 14:34).

Vier meer inleidende opmerkingen zullen ons naar deze hoofdstukken brengen.

(a) Het aantal behandelde volkeren is zeven: Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, Sidon en Egypte. Hetzelfde aantal volkeren verschijnt in Amos. Deze profetieën kunnen uitgesproken zijn over een langere periode van Ezechiëls bediening, maar het feit dat ze op deze manier tot zeven verzameld zijn, en slechts zeven, suggereert dat het getal zelf symbolisch is: God spreekt tot alle volkeren.

(b) Intrigerend genoeg is Babylon er niet bij. Mogelijk is dit omdat Babylon Gods uitvoerder is bij het verpletteren van al deze volkeren.

(c) Het overgrote deel van de ruimte wordt gebruikt voor de veroordeling van Tyrus, op dat moment een krachtige stad-staat die heel veel rijkdom vergaarde door haar handel. Nadat Nebukadnessar klaar was met Jeruzalem, was Tyrus de volgende stad die hij met succes belegerde – en die belegering duurde dertien jaar. Ongetwijfeld waren de ballingen zeer geïnteresseerd om te horen of een stad als Tyrus al dan niet op dezelfde manier aansprakelijk werd gehouden als Jeruzalem.

(d) Vanuit een literair gezichtspunt, heeft het bundelen van deze profetieën tot één groep, samengebald tussen hoofdstuk 24 en 33 (wanneer het nieuws over Jeruzalems val in Babylon wordt vernomen), het effect van een verhoogde dramatische spanning. De eerste twee dozijn hoofdstukken van Ezechiël specifiëren op kleurrijke manier wat God zal doen. Dan, vooraleer de uitkomst te onthullen, verhaalt dit boek dat Gods gerechtigheid zal worden opgelegd aan alle volkeren. En dan volgt het verslag van wat Jeruzalem is overkomen.

De last van Ezechiël 25, met zijn profetieën tegen de eerste vier volkeren (elk ervan kleine staten rond Juda), bevat een nuttige les. Wanneer het machtige Babylonische leger uiteindelijk Jeruzalem aanviel en verwoestte, namen deze nabijgelegen staten deel aan de finale aanval. Waarschijnlijk poogden ze voor een deel in de gunst van Babylon te komen. Ze probeerden ook Juda te slopen.

Hun harteloze begerigheid en hoogmoedige wraak is een gruwel voor de Heer, en daarvoor zullen ze betalen. Denk na over de implicaties.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 21 september 2015

Des morgens nu sprak ik tot het volk, des avonds stierf mijn vrouw (Ez. 24)

2 Samuël 17; 2 Korintiërs 10; Ezechiël 24; Psalm 72

Het tweede deel van Ezechiël 24 (Ezech. 24:15-27) is mogelijk het meest hartverscheurende gedeelte van het hele boek. Elders vangen we glimpen op van Ezechiël de trouwe profeet, Ezechiël de volhardende getuige van de waarheid van God, Ezechiël de man die bereid is te handelen vanuit bijzonder symbolische parabels. Hier lezen we over Ezechiël de echtgenoot.

Een paar opmerkingen:

(1) Een kleine hint naar hoe Ezechiël zijn vrouw zag komt naar boven in de uitdrukking die God gebruikt: ‘de lust van uw ogen’ (24:16). Als Ezechiël dertig jaar was in het vijfde jaar van de ballingschap (1:1-2), dan kan hij nu in het negende jaar (24:1) niet meer dan vier- of vijfendertig geweest zijn, en vermoedelijk was zijn vrouw niet ouder.

Ezechiël is niet de enige leider van Gods volk die te lijden krijgt onder verwoestend persoonlijk verlies. Hier wordt hem al op voorhand gezegd dat de klap zal komen (vooraf al weten is zowel een zegen als een beklemming), maar hij krijgt ook de opdracht niet te rouwen: zijn stilte bij een dergelijke aangelegenheid, in een maatschappij die bekend staat voor zijn ongehinderde uitingen van rouw, wordt opnieuw een symbolische profetische actie.

(2) Je kunt bijna de enorme zelfbeheersing voelen in de beknopte woorden: ‘Des morgens nu sprak ik tot het volk, des avonds stierf mijn vrouw. En op de volgende morgen deed ik, zoals mij bevolen was’ (24:18, cursief toegevoegd).

Zijn stilzwijgen kan verkeerd begrepen worden als ongevoeligheid, maar in dit geval niet voor lang. De mensen weten welk soort man hij is, en bemerken dat zijn volkomen zelfbeteugeling een boodschap voor hen bevat (24:19).

(3) Ezechiël onthult aan het volk de betekenis van zijn stilte (24:20-24). De lust van hun ogen, het verlangen van hun hart, dat waarop ze nog altijd hun hoop vestigen, is de stad Jeruzalem. Vanaf die plaats, zo dachten ze, zal God uitbreken en hen redden. Maar Jeruzalem zal weggenomen worden, net zoals Ezechiëls vrouw weggenomen werd. En wanneer dit gebeurt, mogen ze niet meer wenen dan Ezechiel heeft gerouwd over de dood van zijn vrouw.

Wat betekent dit?

(a) Sommigen denken dat dit een veroordeling is van het volk: ze zijn zodanig hard en ongevoelig dat het rouwen over de val van de stad hen niets zegt. Deze verklaring past helemaal niet in het boek in zijn geheel. (b) Anderen denken dat de tragedie van Jeruzalems vernietiging zodanig diep gaat dat er geen enkele uitdrukking van rouw gepast is. Dit is mogelijk, maar Ezechiël is niet stil omwille van de diepte van zijn verlies, maar omwille van Gods bevel.

(c) Het kan dus zijn dat het volk hier de opdracht krijgt niet te rouwen over de val van de stad, omdat het oordeel zo volkomen verdiend is (vgl. 14:22-23; 1 Sam. 16:1).

Denk in het licht van 24:25-27 na over 3:26-27 en 33:21-22.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 20 september 2015

Wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten (Ps. 71)

2 Samuël 16; 2 Korintiërs 9; Ezechiël 23; Psalmen 70-71

Hoge ouderdom. Het is niet iets waar onze generatie graag heel veel over spreekt, althans niet in realistische bewoordingen. We spreken over voorbereidingen treffen voor ons pensioen (de VUT in Nederland), maar slechts met de grootste tegenzin bereiden we ons voor op krachteloosheid en de dood.

Heel weinig mensen spreken openlijk en vrijuit over deze zaken – zonder aan de ene kant, er te blijven op terugkomen (wat aantoont dat ze er bevreesd voor zijn), of, aan de andere, ze te onderdrukken (wat opnieuw aantoont dat ze er bevreesd voor zijn).

Het toont veel meer verantwoordelijkheidszin om te leren hoe je trouw ouder wordt, om te leren hoe je goed sterft. Dit is wat de psalmist wilde: ‘Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms, begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat… wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten, totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’ (Ps. 71:9, 18). Van zijn jeugd aan, zo wist hij, had God hem onderwezen (71:17). Nu bidt hij tegen verlating op hoge ouderdom.

Aan de ene kant vraagt de psalmist in de eerste plaats dat God hem zal beschermen tegen aanvallen van buitenaf wanneer hij te oud en te zwak is om zich te verzetten (71:10 e.v.). Dit zou een bijzondere zorg zijn indien de auteur van deze specifieke psalm David is of een andere Davidische koning. Een nabijgelegen natie die Israël niet durfde aanvallen wanneer hij veertig was, kon stoutmoediger worden wanneer David de zeventig naderde.

Hoewel de meesten van ons geen koningen zijn, is het juist en goed om God voor speciale bescherming te bieden wanneer we zo bejaard en zwak worden dat het gemakkelijk wordt voor anderen om van ons te profiteren.

Maar Davids visie is verstrekkender dan louter bescherming. Hij wil zo leven in zijn ouderdom dat hij zijn getuigenis doorgeeft aan de volgende generatie. Zijn doel is niet om comfortabel te leven in zijn pensionering, maar om zijn jaren als senior te gebruiken ‘totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’.

Dit is een gebed dat bij uitstek waard is om gebeden te worden. Zouden heiligen in hun ouderdom niet moeten bidden voor genade om aan een volgende generatie door te geven wat ze geleerd hebben? Misschien in een situatie van één op één, of in kleine groepen.

Misschien zal iemand van hen een jonge christen of verlaten dakloze onder zijn of haar vleugels nemen. Misschien zal een ervaren gebedsstrijder een jonge christen leider leren hoe hij moet bidden.

En wanneer er zelfs voor deze dingen te weinig kracht is, moeten we bidden dat Gods genade zo in onze zwakheid zal werken dat God verheerlijkt wordt door ons heen: misschien zullen we jongere christenen leren hoe ze onder lijden moeten volharden, hoe ze temidden de pijn kunnen vertrouwen, en hoe ze in de genade van God kunnen sterven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 19 september 2015

Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die op de bres zou kunnen staan (Ez. 22)


2 Samuël 15; 2 Korintiërs 8; Ezechiël 22; Psalm 69

Mijn roeping tot de bediening was verbonden met Ezechiël 22:30-31: ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen – luidt het woord van de Here HERE.’

We moeten eerst nadenken over dit gedeelte in zijn eigen tekstuele en historische context. Ezechiël 22 veroordeelt de zonden van Jeruzalem, die stad ‘berucht om […] onreinheid en vol van wanorde!’ (22:5). Het gedeelte focust in het bijzonder op de zonden van de leiders – de koningen en vorsten, de priesters, de profeten – en toont de manier waarop hun zonden het volk in zijn geheel schade toegebracht hebben.

In elke cultuur in verval wordt veel van dit verval veroorzaakt door de leiders en predikers die handelen uit eigenbelang of zelfs hebzuchtig zijn, corrupt en mogelijk valsaardig, mensen die veel meer interesse hebben in macht verwerven dan in dienen, mensen die meer aandacht schenken aan de ‘draai’ die ze kunnen geven aan publieke antwoorden dan aan het waarheidsgehalte van hun antwoorden.

Al snel rafelt het volledige weefsel van de cultuur uit. Corruptie wordt gauw getolereerd, en vervolgens verwacht. Cynisme is aan de orde van de dag. Meer en meer mensen doen meer en meer datgene waarmee ze denken weg te komen. Integriteit wordt zodanig zeldzaam dat het nieuwswaardig wordt.

Dit is wat er het oude koninkrijk van David overkwam. Wanneer God zegt dat Hij naar een man zocht om de muur op te bouwen en in de bres te staan voor Hem ten behoeve van het land opdat Hij het niet zou moeten vernietigen (22:30), dan pikt Hij voor een deel de beeldtaal op die al gebruikt wordt in hoofdstuk 13 met betrekking tot de valse profeten (zie de overdenking voor 10 september).

Maar Hij is ook op zoek naar een middelaar, een leider als Mozes die kan voorbede doen voor het volk wanneer het zondigt (Ex. 32-33), een leider die geroepen en toegerust is om gerechtigheid en recht te vestigen.

In Israël, aan het begin van de zesde eeuw, vond Hij er geen. Natuurlijk had God Jeremia in Jeruzalem en Ezechiël onder de ballingen. Maar deze mannen moesten Gods woord verkondigen in tijden van verval. Het was niet hun taak om de muur te herbouwen, of in de bres te staan, om de toorn van God af te wenden.

Oppervlakkig bekeken zou je natuurlijk kunnen zeggen dat Nehemia de muur herbouwde, en dat Ezra terug gerechtigheid bracht. Maar uiteindelijk zou er maar één Middelaar volstaan om in de bres te staan.

En mijn roeping, meer dan drieëndertig jaar geleden? Het was ingewikkeld. Ik verstond dit gedeelte niet al te goed. Maar de Geest van God trof me er hard mee, en ik wist alleen dat ik in de bres wilde staan voor Hem en zijn volk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 17 september 2015

Maar Ik heb gehandeld ter wille van mijn naam (Ez. 20)


2 Samuël 13; 2 Korintiërs 6; Ezechiël 20; Psalmen 66-67

Net als in Ezechiël 8, waar de oudsten van de ballingengemeenschap de profeet gaan raadplegen, doen ze dit ook in Ezechiël 20. Zoals bij die eerdere gelegenheid geeft God Ezechiël ook nu iets om te zeggen aan de oudsten en de gemeenschap die ze vertegenwoordigen.

Een deel van wat Ezechiël doorgeeft is al eerder gezegd. De soevereine Heer is niet al te happig om zich te laten beraden wanneer hij ziet dat hun harten zo ver van Hem verwijderd zijn (20:2-4, 31; vgl. Ez. 13-14).

Er volgt een overzicht van Israëls geschiedenis van rebellie. Maar er zijn twee of drie thema’s in dit hoofdstuk, die ofwel nog niet eerder aan bod kwamen of nog maar weinig werden vermeld.

Het eerste is de zuivere heerlijkheid van God: dit is een van de bekommernissen die God drijft tot de oordelen die al zijn uitgestort en die nog voor de deur staan. Ter wille van zijn naam heeft God aldus gehandeld, ‘om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid’ (20:14; vgl. 20:22).

Dit thema wordt verder ontvouwd in de hoofdstukken 36 en 39. Het is zo fundamenteel in de Schrift dat we gevaar lopen het over het hoofd te zien, juist omdat het zo vertrouwd is. We zijn bijvoorbeeld gewoon geraakt om te denken, wanneer Jezus naar het kruis gaat, aan Gods liefde voor ons door het zenden van een zo verbijsterend geschenk, of aan Jezus’ liefde voor ons dat Hij onze schuld en straf op zich nam in zijn eigen lichaam aan het kruis.

Allemaal waar. Maar de Schrift benadrukt ook dat de verhoging van Christus het gevolg is van de wil van de Vader dat allen de Zoon zouden eren zoals zij ook de Vader eren (Joh. 5:23; vgl. Joh. 12:23).

Wanneer Jezus naar het kruis gaat, handelt Hij deels uit pure liefhebbende gehoorzaamheid aan zijn Vader (vgl. Joh. 14:31; vgl. 15:9-11). Gods geweldige heilsplan is tot lof van zijn heerlijkheid (Ef. 1:3-14). Dit moet ook ons begrip van God vormen – en dus ons gebedsleven en onze prioriteiten.

Dit is ook waarom, in de tweede plaats, God zijn volk niet zal toestaan dat ze zich goed voelen in hun zonde. De wet werd gegeven zodat degene die ze gehoorzaamt ‘daardoor zou leven’ (20:11, 21, 25; vgl. Lev. 18:5) – in deze context betekent dit dat degene die de wet gehoorzaamt voorspoedig zal zijn. Wanneer het volk ongehoorzaam is en wil ‘aan de volken gelijk worden, zweert God dat wat hen in de zin is gekomen, ‘geenszins zal geschieden’ (20:32).

In plaats daarvan zal God over zijn naam waken, hen ‘in de band van het verbond’ brengen (20:37) en zijn grimmigheid uitstorten (20:33) zodat het volk niet zal ‘leven door’ de zondige inzettingen die zij verkiezen: zij zullen niet voorspoedig zijn.

Jaren van lankmoedigheid van Godswege (of het nu gaat om toen of nu) moeten uiteindelijk uitmonden in ofwel transformatie, of in oordeel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 16 september 2015

Hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël (Ez. 19)

2 Samuël 12; 2 Korintiërs 5; Ezechiël 19; Psalmen 64-65

Het klaaglied over Israëls vorsten (Ez. 19) is op zeker vlak nogal rechtuit. De leeuwin in de openingsverzen van de psalm is de natie in haar geheel, die het leven schonk aan de koningen. Net als nu was de leeuw toen ook de koning van de dieren, en zo dient hij gauw als een symbool voor de koninklijke Davidische lijn (bijv. Gen. 49:9; Micha 5:8). In 19:10-14 is het land de wijngaard.

De koningen waar Ezechiël in elk onderdeel aan denkt zijn duidelijk. Joachaz is de eerste die in beeld komt. Hij werd gevangen genomen en naar Egypte gebracht in 609 v.C. (19:4). Jojakim wordt overgeslagen, maar het lot van Jojakin wordt duidelijk gemaakt in 19:5-9. Hij werd naar Babylon meegenomen in 597 (19:9). Het lot van Zedekia wordt uitgewerkt in 19:10-14.

Indien dit gedicht rond dezelfde tijd geschreven werd als de hoofdstukken er omheen (d.w.z. rond 592 of 591), dan was Zedekia natuurlijk nog niet verslagen (587). In dat geval is dit gedeelte van het gedicht voorspellend. Anders kan het dat Ezechiël het klaaglied vervolledigde na de gebeurtenissen van die dagen.

Het is opmerkelijk dat de woorden niet gewoon maar de omverwerping van een kleinere macht door een superieure macht schetsen, maar de neergang van de lijn en zelfs de achteruitgang van de natie. Dit maakt deel uit van het beeld van de wijngaard in 19:12-14. Het land zelf werd ziekelijk zwak: ‘Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf tot heersen!’ (19:14).

De ergste ironie is dat het vuur dat de vruchten van de wijngaard verteerde, uitging van een van zijn sterkste takken: dit alludeert naar Zedekia’s rebellie, die op haar beurt de strafexpeditie van de Babyloniërs over zich uitriep.

Dit maakte niet alleen een einde aan de Davidische lijn, maar betekende gedurende vele jaren ook nagenoeg de vernietiging van Israëls nationale identiteit.
Binnen de theologie van Ezechiëls profetie op haar geheel, was God, die in oordeel handelt, natuurlijk de ultieme oorzaak van Israëls omverwerping. Maar hier is het duidelijk dat de oorzakelijke rol voor de vernietiging van de natie bij haarzelf lag.

Het is niet voor het eerst en niet voor het laatst dat een natie of een instituut van binnenuit vernietigd werd. Lezers van de geschiedenis zullen denken aan het Romeinse Rijk, de Russische jaren onder het communisme, diverse plaatselijke gemeenten, christelijke universiteiten, confessionele seminaries, en ga zo maar door.

Ze weten dat menselijke instituten nooit zo veilig opgebouwd zijn dat de uitkomsten zeker kunnen zijn. Want het hart van het menselijke dilemma is zodanig diep geworteld in persoonlijke zonde dat geen structuur het finaal kan veranderen.

Het klaaglied over Israëls vorsten wordt een klaaglied over het mensengeslacht, dat wanhopig een oplossing nodig heeft die veel dieper gaat en effectiever is dan prinsen, presidenten en structuren ze ooit kunnen bieden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 september 2015

De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden (Ez. 18)


2 Samuël 11; 2 Korintiërs 4; Ezechiël 18; Psalmen 62-63

Het pleidooi voor individuele verantwoordelijkheid klinkt waarschijnlijk nergens in de Bijbel sterker dan in Ezechiël 18. Maar het is belangrijk het gedeelte te verstaan binnen zijn historische en theologische context, vooraleer te pogen het toe te passen op onze eigen tijd.

De spreuk die geciteerd wordt in vers 2, ‘de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden’, vinden we ook in Jeremia 31:29, dus moet ze zowel in Jeruzalem als onder de ballingen zijn rondgegaan.

Blijkbaar gebruikten sommige mensen het gezegde als een gemakkelijke uitvlucht: er was maar weinig dat zij konden doen aan hun ellendige lot, zo zeiden ze, aangezien ze leden onder de zonden van hun vaderen, waaraan zij niets konden doen.

Dus in plaats van gerechtigheid en verbondshernieuwing na te streven gebruikten ze het gezegde als een excuus voor morele onverschilligheid en vermoeid fatalisme. Maar als het niet op dergelijk droevig slot uitdraait, leert het gezegde in feite wel enige waarheid. Op verschillende manieren overschrijdt gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wel degelijk de generatiegrenzen.

Bij het geven van de Wet verklaart God zelf dat Hij de kinderen straft voor de zonden van hun vaderen tot in het derde en vierde geslacht van wie Hem haten – hoewel dit natuurlijk veronderstelt dat die latere generaties voortgaan met Hem te haten.

De prediking van Jesaja, van Jeremia en van Ezechiël zelf dreigt met lijden en ballingschap omwille van de aanhoudende rebellie en afgoderij van zowel voorgaande generaties als van de huidige generatie Israëlieten.

Wijzelf weten dat zonde vaak sociaal is in zijn gevolgen: bijvoorbeeld kinderen met een achtergrond van misbruik worden vaak zelf misbruikers, kinderen uit arrogante families worden vaak zelf arrogant, of worden op de duur gebroken en bitter. Zonde is slechts zelden volledig privaat en individueel. Het gezegde is niet volledig verkeerd.

Wanneer Jeremia dit gezegde weerlegt, is het alternatief dat hij presenteert eschatologisch – dit wil zeggen, het gezegde zal in de laatste dagen verdwijnen, met het aanbreken van het nieuwe verbond (zie de overdenking voor 3 augustus).

Ezechiëls punt is een beetje anders. Gods is bekommerd om elke individuele persoon: ‘Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij’ (18:4). Welke sociale gevolgen er bovendien ook aan zonde vasthangen, je mag het gezegde nooit als een excuus gebruiken om huidige zonde te bedekken. Individuele verantwoordelijkheid blijft altijd staan: ‘de ziel die zondigt, die zal sterven’ (18:4).

Dit is het belang van de voorbeelden van gedragsverandering in dit hoofdstuk. Ze zetten niet enkele eenvoudige blauwdrukken neer van gerechtigheid door werken. Eerder benadrukken ze dat ware godsdienst transformeert, en geen excuus zal toereikend zijn (misschien achter een gezegde verborgen). De praktische conclusie vinden we in 18:30-32, een gedeelte dat verdient om uit het hoofd geleerd te worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.