Posts tonen met het label Aäron. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aäron. Alle posts tonen

vrijdag 9 mei 2014

Alleen de staf van Aäron bloeit! (Num. 17)


Numeri 17-18; Psalm 55; Jesaja 7; Jakobus 1
In een bepaald opzicht rondt het korte verslag in Numeri 17 het rapport van de opstanden uit het vorige hoofdstuk af [Merk op: o.a. de NBV-vertaling ordent de beginverzen van hoofdstuk 17 ook bij hoofdstuk 16]. God wil af van het constante gemopper van de Israëlieten die nu Aärons priesterlijke gezag in vraag stellen (17:5). Dus moet nu de staf van de vorsten van elke stam zorgvuldig worden gekentekend en dan volgens de richtlijnen in bewaring gegeven bij Mozes, in de tabernakel, de ‘Tent der Getuigenis’. God verklaart op voorhand dat de staf die toebehoort aan de man die Hij verkiest zal bloeien.

Mozes doet zoals hem is opgedragen. De volgende morgen haalt hij de twaalf staven op. Aärons staf, en alleen zijn staf, heeft gebloeid – ja, hij had bloesem voortgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen. Deze staf moet van Godswege bewaard worden voor het nageslacht.

En de Israëlieten begint het nu te dagen dat hun rebellie niet gewoon maar was gericht tegen een paar mensen, Aäron en Mozes, maar tegen de levende God. Nu roepen ze: ‘Zie wij geven de geest, wij komen om, wij komen allen om. Al wie ook maar nadert tot de tabernakel des HEREN, zal sterven. Moeten wij dan tot de laatste man de geest geven?’ (17:12-13).

Wat moeten we van dit verslag maken?

(1) De respons van de Israëlieten is deels goed, maar is nog steeds uiterst ontoereikend. Het is goed dat deze gebeurtenis hen, ten minste voorlopig, aanzet om te zien dat hun opstand niet alleen tegen Mozes en Aäron was, maar tegen de levende God. Vrees voor God kan lovenswaardig zijn. Maar dit klinkt meer als de kruiperige angst van mensen die God niet al te goed kennen.

Ze zijn bang te zullen omkomen, maar het zet hen niet aan tot grotere toewijding aan God. In Numeri 20 en 21 is het volk al opnieuw aan het zeuren en mopperen; deze wonderlijke vertoning van de staf die bloeide heeft niets voor zeer lange tijd opgelost. Ook dit is vreselijk realistisch: de kerk heeft een lange geschiedenis van krachtige opwekkingen die in een korte tijdspanne vervlogen of verontreinigd raakten.

(2) Je zou je afvragen waarom God zoveel belang hecht aan het feit dat alleen de aangeduide hogepriester de priesterlijke taken mag vervullen. We moeten hieruit niet afleiden dat dit de manier is waarop we voor alle christelijke leiders moeten buigen. Binnen het canonieke raamwerk staat er veel meer dan dit op het spel bij het verslag van de bloeiende staf van Aäron.

Punt is dat alleen de door God aangeduide hogepriester aangenaam is voor God om het priesterlijke ambt te vervullen. Zoals de openingsverzen van Numeri 18 duidelijk maken, kunnen alleen Aäron en zijn zonen ‘de ongerechtigheid, tegen het heiligdom begaan’ of die in het priesterambt, dragen. Het Nieuwe Testament benadrukt ‘En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron’ (Heb. 5:4). Zo ook Christus (Heb. 5:5)! Alleen de door God aangewezen priester zal voldoen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 5 mei 2014

Opstandigheid neemt veel gedaantes aan (Num. 12-13)


Numeri 12-13; Psalm 49; Jesaja 2; Hebreeën 10
Rebellie heeft veel gezichten.

Numeri 12-13 brengt verslag uit over twee nogal verschillende en complexe vormen van rebellie.

In de eerste zien we hoe Aäron en Mirjam kwaadspreken over hun broer Mozes. Het probleem is hier dat zij, omdat de Heer even goed door hen heeft gesproken als door Mozes, vinden dat ze het recht hebben om elk gezag dat Mozes uitoefent met hem te delen. Maar er zijn nog dieperliggende motieven: ze zijn verontwaardigd over Mozes omwille van zijn huwelijk met een Kushietische [een Ethopische vrouw]. Menselijke motieven zijn vaak gecompliceerd.

Het protest klinkt onmiskenbaar redelijk en gevoelig, zelfs democratisch (in onze oren). Verder is het uitgekiend om Mozes in een moeilijke positie te brengen. Als hij vasthoudt dat alleen hij de leider is die God in het bijzonder tot deze taak heeft geroepen, kan hij er door de naijverigen en skeptici van worden beschuldigd zijn eigen territorium op een hoogmoedige manier te willen beschermen. Wat hem, gedeeltelijk, redt is dat Mozes, net als de Redder die later volgde, een buitengewoon zachtmoedig man is (12:3; vgl. Matt. 11:29).

God zelf komt tussenbeide en maakt duidelijk wie de leider is. Mozes is uniek, want de directheid van de openbaring die hij krijgt en doorgeeft overstijgt die van alle andere profeten. Bovendien is Mozes trouw bevonden in geheel Gods huishouden (12:6-8).

Mirjam wacht een vreselijk oordeel. Waarom Mirjam op die manier wordt gestraft en Aäron niet is onduidelijk: mogelijk was zij in deze opstand de leider, of misschien wilde God het legitieme gezag dat Aäron als hogepriester bezat niet ondermijnen.

Wat wel duidelijk is, is dat zelfs wanneer Mirjam, dankzij Mozes’ tussenkomst in voorbede, wordt vergeven, er wacht haar een week van schande en oneer buiten het kamp, om zowel haar als het volk te leren dat de rebellie die zich manifesteert als machtshonger het oordeel verdient van de levende God.

De tweede rebellie die in Numeri 13 wordt vermeld, begint met de vrees van tien van de twaalf verspieders die werden belast met de taak het Beloofde Land te verkennen. Ze konden niet anders dan zijn weelderige vruchtbaarheid rapporteren, maar ze focusten op de hindernissen. Daarin hadden ze alles vergeten, of bewust genegeerd, wat God zo wonderlijk had gedaan om hen tot hier te brengen.

Maar hun opstand is nog erger. Als leiders waren ze niet alleen belast met de taak om zorgvuldig verslag uit te brengen, maar moesten ze ook de mening van het volk vormen. Als leiders van het volk van God hadden ze de kenmerken van het land moeten overbrengen zoals ze het vonden, en dan de aandacht moeten vestigen op de trouwe God van het verbond, terwijl ze het volk herinnerden aan de plagen, het Pascha, de uittocht, de voedselvoorziening en veiligheid in de woestijn en Gods openbaring bij Sinaï. Maar in feite slagen ze er alleen maar in om aan te zetten tot een grote muiterij (zie hoofdst. 14), in de eerste plaats door vrees en ongeloof op te wekken.

Op welke manieren manifesteert opstandigheid zich vandaag onder het volk van God?


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 maart 2014

Mozes, een buitengewoon middelaar (Ex. 32)


Exodus 32; Johannes 11; Spreuken 8; Efeziërs 1

Exodus 32 is tegelijk een van de dieptepunten en een van de hoogtepunten in Israëls geschiedenis.

Nog maar maanden uit de slavernij in Egypte, tonen de Israëlieten zich zo onberekenbaar dat het wegblijven van Mozes op de berg (slechts veertig dagen) hen alle nodige uitvluchten biedt voor een nieuw rondje klagen.

Mozes’ uitblijven zet hen niet aan tot bidden, maar wekt gevoelloze ondankbaarheid en doelloos syncretisme [of vermenging]. Zelfs hun toon is snerend: ‘deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet, wat er van hem geworden is’ (32:1).

Aäron wordt ontmaskerd als een watje zonder ruggengraat, onbekwaam of onwillig om enige tucht op te leggen. Het ontbreekt hem aan ook maar enige theologische ruggengraat – zelfs om een consequent heiden te zijn, aangezien hij de naam van de Heer blijft gebruiken terwijl hij zelf een gouden kalf maakt (32:4-5).

Hij is nog altijd een watje wanneer hij, uitgedaagd door zijn broer, eerder belachelijk stelt ‘Wie heeft goud? (…) Zij gaven het mij en ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit’ (32:24).

Ondanks de verbondsbeloften (24:7) die ze maakten, wilden velen uit het volk alle zegeningen die ze maar van God konden krijgen, maar dachten ze maar weinig na over de aard van hun eigen verplichtingen onder ede tegenover hun Maker en Verlosser.

Het was een dieptepunt van nationale schaamte – niet het laatste wat hen betreft, en niet het laatste wat de belijdende kerk betreft.
Het hoogtepunt? Wanneer God ermee dreigt het volk te verdelgen, treedt Mozes op als middelaar. Niet een keer suggereert hij dat het volk het niet verdient om uitgeroeid te worden, of dat ze niet zo slecht zijn als men wel zou denken.

Hij beroept zich daarentegen op de heerlijkheid van God. Waarom zou God op een manier handelen die de Egyptenaren zou doen spotten en doen beweren dat de Heer niet sterk genoeg is om deze redding te voleindigen (32:12)? Is God daarenboven niet verplicht zich te houden aan zijn eden tegenover de aartsvaders Abraham, Isaak en Israël (32:13)? Hoe kon God van zijn plechtige geloften afwijken?

Uiteindelijk vraagt hij gewoon om vergeving (32:30-32), en als God dergelijke genade niet kan bewijzen, dan wil Mozes niet meer aan een nieuw volk beginnen (hoe boos hijzelf ook is, 32:19). Hij verkiest om zelf met de rest van het volk te worden verdelgd.

We zien hier een buitengewoon middelaar, een man die zozeer meevoelt met God en zijn genadige redding en openbaring, een man die geen excuses zoekt voor het volk waarvoor hij als leider geroepen is, maar die zich niettemin zodanig met hen identificeert dat, wanneer het oordeel over hen moet komen, hij smeekt om met hen te lijden. Hier is een man die ‘op de bres staat’ (vgl. Ezech. 13:3-5; 22:29-30).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 9 mei 2012

Alleen de staf van Aäron bloeit! (Num. 17)


Numeri 17-18, Psalm 55, Jesaja 7, Jakobus 1

In een bepaald opzicht rondt het korte verslag in Numeri 17 het ‘rebellenrapport’ uit het vorige hoofdstuk af (o.a. de NBV-vertaling ordent deze verzen ook bij hoofdstuk 16). God wil af van het constante gemopper van de Israëlieten die nu Aärons priesterlijke gezag in twijfel trekken (17:5). Dus moet nu de staf van de vorsten van elke stam zorgvuldig gekentekend worden en dan volgens de richtlijnen in bewaring gegeven bij Mozes, in de tabernakel, de ‘Tent der Getuigenis’. God verklaart op voorhand dat de staf van de man die Hij verkiest zal bloeien.

Mozes doet zoals opgedragen. De volgende morgen haalt hij de twaalf staven op. Aärons staf, en alleen zijn staf, heeft gebloeid – ja, hij had bloesem voortgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen. Deze staf moet van Godswege bewaard worden voor het nageslacht.

En de Israëlieten begint het nu te dagen dat hun rebellie niet slechts begaan werd tegenover een aantal mensen, Aäron en Mozes, maar ook tegen de levende God. Nu roepen ze: ‘Zie wij geven de geest, wij komen om, wij komen allen om. Al wie ook maar nadert tot de tabernakel des HEREN, zal sterven. Moeten wij dan tot de laatste man de geest geven?’ (17:12-13).

Wat moeten we van dit verslag maken?

(1) De respons van de Israëlieten is deels goed, maar is nog steeds zeer ontoereikend. Het is goed dat deze gebeurtenis hen, ten minste toch voor een tijd, aanzet om te zien dat hun opstand niet slechts tegen Mozes en Aäron alleen was, maar tegen de levende God. Vrees voor God kan iets goeds zijn. Maar dit klinkt meer als de kruiperige angst van mensen die God niet al te goed kennen. Ze zijn bang te zullen omkomen, maar het zet hen niet aan tot grotere toewijding aan God. In Numeri 20 en 21 is het volk al opnieuw aan het zeuren en mopperen; deze wonderlijke vertoning van de staf die bloeide heeft niets voor zeer lange tijd opgelost. Ook dit is vreselijk realistisch: de kerk heeft een lange geschiedenis van krachtige opwekkingen die in een korte tijdspanne vervlogen of verontreinigd raakten.

(2) Je zou je afvragen waarom God zoveel belang hecht aan het feit dat alleen de aangeduide hogepriester de priesterlijke taken mag vervullen. We moeten hieruit niet afleiden dat dit de manier is waarop we alle christelijke leiders moeten zien. Binnen het canonieke raamwerk staat er veel meer dan dit op het spel bij het verslag van de bloeiende staf van Aäron. Punt is dat alleen de van God aangeduide hogepriester aangenaam is voor God om de priesterlijke dienst te vervullen. Zoals de openingsverzen van Numeri 18 duidelijk maken, kunnen alleen Aäron en zijn zonen ‘de ongerechtigheid, tegen het heiligdom begaan’ of die in het priesterambt, dragen. Het Nieuwe Testament benadrukt ‘En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron’ (Heb. 5:4). Zo ook Christus (Heb. 5:5)! Alleen de door God aangewezen priester zal voldoen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org