Posts tonen met het label afgoden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label afgoden. Alle posts tonen

vrijdag 13 september 2013

Mensenkind, doe Jeruzalem haar gruwelen kennen (Ez. 16)

2 Samuël 8-9; 2 Korintiërs 2; Ezechiël 16; Psalmen 58-59

Waar Ezechiël 15 Jeruzalem voorstelt als een nutteloze wijnstok (een beeld dat ook elders opduikt, bijv. Ps. 80; Jes. 5), daar stelt Ezechiël 16 Jeruzalem voor als een hoer.

De taal is schokkend, vreselijk – en dit is bewust zo gedaan. De lange analogie begint als een eerder vreemde versie van ‘My Fair Lady’: absoluut alles waar deze vrouw van geniet, het meest nog het leven zelf, is het directe gevolg van Gods genadige tussenkomst.

Maar heel anders dan in ‘My Fair Lady’, waarin de man zich een onbedachtzame en zelfgerichte manipulator betoont tot op het ogenblik dat de dame, de ‘lady’, die hij gevormd heeft uit een kind van de straat hem terechtwijst, is het hier God die zich onwrikbaar toont in zijn trouw.
Bovendien wordt Hij gekwetst door de ondankbaarheid en het verraad, inherent aan het continu achterna lopen door deze vrouw van andere minnaars – d.w.z. andere goden. Ze blijkt niet alleen ‘door hartstocht verteerd’ maar ook ‘brutaal’ (16:30).

Erger nog, terwijl hoeren loon krijgen voor hun diensten, betaalt deze vrouw anderen zodat ze met hen kan slapen. Israël werd niet zozeer verleid tot afgoderij en werd niet op een of andere manier betaald om zich in afgoderij te storten, maar veeleer nam ze een actieve rol op en heeft ze nogal wat betaald om te kunnen zwelgen in afgoderij, precies omdat dit hetgeen is dat ze wil doen.

De analogie wordt uitgebreid om te praten over de oudere zuster (de noordelijke stammen, die meer dan een eeuw eerder in gevangenschap gingen omwille van hun geestelijke overspel). De Judeëers lijken zichzelf superieur te achten tegenover plaatsen als Sodom (spreekwoordelijk voor zijn zonde), maar ook over de noordelijke stammen; God zegt dat Juda zo slecht is dat de andere twee ‘zusters’ in vergelijking met haar onschuldig lijken (16:49-52).

Er zijn vier redenen waarom de analogie werkt.

(a) Het brengt de emotionele verschrikking van afval aan het licht. Afval zoals ontucht wordt gezien als het verraderlijk, verachtelijk, pijnlijk, zelfzuchtig gedrag dat het in werkelijkheid is.

De kwestie draait niet om vrijheid van religie (net als overspel geen vrijheid is van seksuele kortzichtigheid), maar om eigenliefde en onberekenbaarheid.

(b) Het huwelijk kan gezien worden als een verbondsrelatie. Het huwelijksverbond op die manier breken is duidelijk een weerspiegeling van het breken van het verbond tussen God en het volk dat hij bevrijdde uit de slavernij van Egypte. In beide gevallen is de afval/ het overspel een flagrante verachting van plechtige beloften.

(c) De voorstelling boort een groot bijbels-theologisch thema aan dat bijna door de hele Schrift loopt: Jahweh is de bruidegom van de gemeente; de ultieme vervulling is het bruiloftsmaal van het Lam.

(d) Alle verbondstrouw vereist de juist manier van ijverig gedenken: herlees 16:43, 60, 61, 63 en denk na over 1 Korintiërs 11:23-26.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 11 september 2013

Mensenkind, deze mannen dragen hun afgoden in het hart (Ez. 14)


2 Samuël 6; 1 Korintiërs 16; Ezechiël 14; Psalm 55

Drie opmerkingen vanuit Ezechiël 14:

Ten eerste ruikt de bijzondere uitdrukking ‘dragen hun afgoden in het hart’, die diverse malen met minieme variaties wordt herhaald in 14:1-8, naar dubbelhartigheid. Publiek kan er nog aardig wat verbondstrouw gevonden worden, maar er is gewoon geen hartsloyaliteit. Afgoden oprichten in je hart staat gelijk met afvallig worden van de levende God (14:7).

Dit gevaar is vandaag niet minder verraderlijk dan in Ezechiëls tijd. We kunnen er ergens wel in slagen om ons aan onze geloofsbelijdenis te houden, maar als er iets misgaat, dan toont onze ongecontroleerde woede dat we weinig echt vertrouwen in de levende God bezitten: onze geheime afgod is comfort en fysiek welzijn.
We bezoeken de kerk, maar in de privésfeer bidden we zelden of lezen we het Woord van God weinig zorgvuldig. We zingen lustig op zendingsconferenties, maar hebben al jaren het evangelie niet meer met iemand gedeeld. En diep vanbinnen zijn we meer geïnteresseerd in onze reputatie, of in seks, of in reizen, dan vol te worden van de schitterende glans en majesteit van God.

Denk goed na over 14:8 en vraag vergeving en genade om meer vasthoudend te worden.

Ten tweede zijn degenen die afgoden in hun hart oprichten precies die mensen die het makkelijkst een profeet of prediker opzoeken om de schijn op te houden en zich van een beetje hulp voor onderweg te verzekeren.

Maar God zegt, ‘Ik, de HERE, zal hem bij zijn komst van antwoord dienen met zijn vele afgoden’ (14:4). Hij zal de profeten ‘verdwazen’ (14:9-11) – het woord kan hier beter weergegeven worden als ‘misleiden’. Gods ‘misleiding’ van de profeten maakt deel uit van zijn justitiële straf. Maar het is een specifieke ‘misleiding’, want Gods openbaring is daar al aanwezig in publieke Schrift die kan gelezen en bestudeerd worden; bovendien vertelt Hij de profeten nu openlijk over zijn justitiële hand over hen.

Bezaten ze ook maar een jota geestelijke fijngevoeligheid, dan had de waarschuwing hen tot zelfonderzoek en berouw aangezet. Maar nee: de straf is uitgesproken, en zij zijn misleid. Dergelijke profeten liegen tegen het volk, en het volk houdt van de leugens en luistert er naar (vgl. 13:19).

Ten derde wordt het oordeel soms zo onvermijdelijk dat zelfs de aanwezigheid van de meest rechtvaardige niet meer voor enig uitstel kan zorgen (14:12-23). De redenering veronderstelt de theologie van Genesis 18: God kan een zondige stad of zondig volk sparen ter wille van de rechtvaardige die er woont.

Maar waar de zonde welig tiert, zal zelfs de aanwezigheid van Noach (gespaard uit de zondvloed), Job (‘vroom’ en ‘oprecht’ verklaard, Job 1:1), en Daniël
(Ezechiëls tijdgenoot, die dienst doet aan het Babylonische hof en bekendstaat om zijn vroomheid), de ramp niet tegenhouden die God beveelt. Wanneer de ballingen de weerzinwekkende wandel van de nieuwe vluchtelingen zullen opmerken, zullen ze zich zelfs realiseren hoezeer God het bij het rechte eind had (14:22-23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 september 2013

Nog meer gruwelen die zij bedrijven, zult gij zien (Ez. 8)


1 Samuël 29-30; 1 Korintiërs 10; Ezechiël 8; Psalmen 46-47
Ezechiël 8-11 bestaat uit één lang visioen.

Het openingsvers van Ezechiël 8 bepaalt het tijdstip op precies veertien maanden na het inauguraal visioen van de profeet, en daarom na de 390 dagen waarin hij gedurende een bepaald deel van elke dag op zijn linkerzijde lag en de noordelijke stammen aanklaagde die al gevangen genomen waren, en na de 40 dagen waarin hij op zijn rechterzijde lag en de zonden van Juda en Jeruzalem aan de kaak stelde.

Op dit punt kan hij zijn adelbrieven als profeet al voorleggen, dus komen de oudsten van de ballingengemeenschap om hem te raadplegen (8:1). Mogelijk stellenze zich vragen over zijn symbolisch geladen acties en vragen ze hem wat er zal gebeuren met Jeruzalem, en of en wanneer ze weer naar huis zullen kunnen.

Ezechiël antwoordt niet voor de vuist weg. Eerder wacht hij, en hij krijgt een nieuw visioen, waarvan hij de inhoud uiteindelijk overbrengt aan de ballingen (11:25).

In dit visioen ziet hij iets van God in categorieën die doen denken aan die van het inauguraal visioen (hoofdst. 1). Binnen de visionaire wereld wordt Ezechiël door de Geest overgebracht naar Jeruzalem, bij de noordelijke poort. Hij krijgt diverse vreselijke voorbeelden van afgoderij en syncretisme te zien.

Ten eerste is hij getuige van de afgod die Gods naijver opwekt (8:3-6). Als het bij de noordelijke poort is, is het bij de poort die de koning en zijn gevolg zouden gebruiken op hun weg naar de tempel. De koning wiens verantwoordelijkheid het is het volk te leiden in verbondstrouw is de leider in compromis en syncretisme – en in lijn met zijn verbondsvoorwaarden, is God terecht jaloers (zie Ex. 20:1-17).

Ten tweede ziet Ezechiël zeventig oudsten die werkelijk schepselen aanbidden die, volgens het Mozaïsch verbond, zelfs onrein zijn om te eten en aan te raken (8:7-13).

Ten derde ziet hij vrouwen die in ernstige mate betrokken zijn bij Tammuz (8:14-15). De Tammuz-cultus was een vruchtbaarheidscultus, die agriculturele voorspoed toeschreef aan een god die sterft en opstaat. Bepaalde van deze cultussen waren ook vreselijk promiscue.

Uiteindelijk ziet Ezechiël priesters (want alleen zij konden tussen de zuilengang en het altaar zijn) met hun rug naar de tempel, terwijl ze de zon aanbidden – niet alleen verheugen ze zich meer in het schepsel dan in de Schepper (Rom. 1:25), maar ze overtreden ook het verbond (Deut. 4:19), mogelijk beïnvloed door de Egyptische zonnegod Ra.

Moderne vormen van afgoderij zijn natuurlijk anders. De meesten van ons zijn niet betrapt op rouw over Tammuz. Maar jagen onze harten dingen na die God terecht naijverig maken? Hebben we onreine en verboden dingen lief? Schrijven we succes toe aan alles behalve aan God? Misschien geven we ons niet over aan vruchtbaarheidscultussen, maar maakt onze cultuur seks zelf niet tot een God?

Het is onvermijdelijk dat een verworden eredienst God vervangt en relativeert en eindigt met het afstompen van de morele visie (8:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 16 augustus 2013

Doet zo iets gruwelijks, dat Ik haat, toch niet! (Jer. 44)


1 Samuël 7-8; Romeinen 6; Jeremia 44; Psalmen 20-21
Voor zover we weten, bevat Jeremia 44 Jeremia’s laatste profetie. De profetie van het volgende hoofdstuk wordt specifiek in een eerdere periode gedateerd, en waarschijnlijk stammen de diverse profetieën tegen de volken, die we vinden in hoofdstuk 46-51, ook allemaal uit een eerdere periode. Voor zover de geschiedenis teruggaat, gaat het hier om Jeremia’s laatste publieke rede.

Je kunt niet zeggen dat Jeremia’s bediening in schoonheid eindigde. We zijn allemaal geroepen om trouw te zijn; sommigen zijn geroepen om trouw te zijn in moeilijke tijden van verval. Je durft Jeremia’s bediening niet afmeten aan het aantal mensen dat hij overtuigde, aan hoeveel rampen hij afwendde, of hoeveel opwekkingen hij beleefde. Zijn bediening moet je afmeten aan de mate waarin hij trouw was aan God, en in hoeverre God wel of niet tevreden over hem was. En dit geldt uiteindelijk voor ons allen.

Ik betwijfel of velen van ons die leven in het westen, ten volle beseffen hoezeer het successyndroom onze visie op onszelf en anderen bepaalt – soms om ons te allen prijze te laten hongeren naar succes, en soms, in een soort omgekeerde pseudogeestelijkheid, door ons koste wat het kost achterdochtig te maken over succes. Maar succes is niet de kwestie, wel trouw.

Wat we in dit hoofdstuk vinden is absolute rebellie. De Joden in Egypte – zowel zij die daar net zijn aangekomen, als zij die er zich eerder vestigden in een poging te ontkomen aan de moeilijke tijden thuis – hebben enkel de Kanaänietische goden die ze thuis gewoonlijk aanbaden vervangen door de Egyptische goden overal rondom hen. Zij verstaan de geschiedenis helemaal anders dan Jeremia.

Zij kijken terug naar de tijd toen ze ‘opgehouden zijn’ met hun afgodendienst (44:17-18): waarschijnlijk denken ze aan de hervorming onder koning Josia. Alle rampen die hen overkomen zijn, hebben sindsdien plaatsgevonden. Dus wat ze moeten doen, zo redeneren ze, is de ‘koningin des hemels’ dienen en de andere heidense goden, en ze nemen zich voor deze koers aan te houden.

We moeten twee belangrijke lessen leren.

Ten eerste kun je de geschiedenis altijd zo interpreteren dat ze bijna alles bewijst wat jij wilt. Dit betekent niet dat we niets kunnen leren uit de geschiedenis, want God zelf vertelt het volk wat het had moeten leren. Het betekent dat hetgeen het volk van God zou moeten leren uit de geschiedenis, moet gevormd worden door de lens van Gods geschreven openbaring, door zijn profetisch woord, door onze verbondsgeloften. We kunnen niet verwachten dat heidenen het altijd eens zullen zijn met hoe wij de geschiedenis verstaan.

Ten tweede toont dit hoofdstuk, in de meest harde bewoordingen, dat er geen hoop, maar dan ook geen enkele hoop is voor het verbondsgeslacht, zonder de tussenkomst van genade.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 20 juli 2013

Wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben? (Jer. 16)


Richteren 3; Handelingen 7; Jeremia 16; Markus 2
Drie opmerkingen over Jeremia 16:

(1) Het openingsgedeelte van dit hoofdstuk speelt zich waarschijnlijk nogal vroeg af in Jeremia’s bediening. Hij krijgt het verbod te huwen, niet gewoon omdat vrouwen en kinderen binnen een aantal jaren buitengewoon moeilijke tijden zullen beleven met de belegering tijdens de oorlog en de daaropvolgende ballingschap, maar als een symbolische manier om te anticiperen op het gedwongen ascetisme dat het oordeel zal brengen. In een cultuur waarin bijna alle mannen huwden, was zijn celibaat ongetwijfeld een krachtig symbool.

(2) Een van de meest opvallende kenmerken van dit hoofdstuk is dat het volk zich werkelijk niet bewust lijkt van zijn schuld. Het ziet niet in waarom het oordeel verdient. ‘Waarom heeft de HERE al dit groot onheil over ons uitgesproken’, vragen ze zich af. ‘Wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde, waarmede wij tegen de HERE, onze God, gezondigd hebben?’ (16:10).

Een van de vreselijkste aanwijzingen voor hoe ver het volk is afgedwaald van gerechtigheid is de mate waarin het zijn eigen schuld niet meer kan zien. Mannen en vrouwen die werkelijk gerechtigheid en integriteit liefhebben zijn er zich steevast van bewust wanneer ze die schenden. De heiligste mensen zijn de eersten om met schaamte en berouw hun zonden te belijden.

De meest schuldige mensen zijn zich gewoon onbewust van hun overtredingen en afgoden. Dus moeten we ons afvragen: waar ergens in dit soort spectrum vinden we onze kerken? Of in onze cultuur? Worden we gekenmerkt door diep berouw, of door een beslist onvermogen aan te nemen dat we werkelijk niets verkeerd gedaan hebben? Wat zegt dit over ons? Wat zegt dit over het standpunt van de Heer tegenover ons?

(3) Hoewel de Heer oordeel belooft, zijn er twee elementen van hoop. Het eerste is dat God op een dag het volk uit ballingschap zal terugbrengen met een dermate dramatische en onverwachte redding dat het de heerlijkheid van de Exodus zelfs in de schaduw zal stellen (16:14-15).

Het tweede is dat een deel van het doel van dit oordeel pedagogisch is. Het volk heeft afgoden gekoesterd. ‘Daarom zie, Ik laat hen ditmaal gewaarworden, Ik laat hen gewaarworden mijn hand en mijn kracht, en zij zullen weten, dat mijn naam is: HERE’ (16:21).

De ballingschap was bedoeld om de chronische afgoderij van het verbondsvolk te doen afnemen of zelfs uit te roeien. Minstens op het vlak van de formele afgodendienst bleek die in dit opzicht opmerkelijk effectief.

De geschiedenis van de Joden na de terugkeer uit ballingschap is in dit opzicht heel anders dan voorheen. Ondanks vreselijke misstappen vind je in de Joodse geschiedenis van na de ballingschap veel minder polytheïsme en syncretisme dan in de geschiedenis van voor de ballingschap. Natuurlijk is de valstrik van afgoderij zowel voor Joden als heidenen veel subtieler en schadelijker dan de verleidingen van het formele polytheïsme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 14 juni 2013

Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver (Jes. 46)


Deuteronomium 19; Psalm 106; Jesaja 46; Openbaring 16
Jesaja 46 bestaat uit drie delen, en elk ervan brengt een verschillend argument naar voren dat Israël impliciet of expliciet oproept tot trouw tegenover de levende God.

(1) In de eerste twee verzen, spot Jesaja met de Babylonische goden. ‘Bel’ betekent ‘heer’ en is een equivalent van Baäl als titel. Hij werd gebruikt voor Marduk (of Mardoek), de oppergod van de stad Babylon. ‘Nebo’ was de zoon van Bel-Marduk. Hij was de patroonheilige van het schrijven en van wijsheid.

Op het nieuwjaarsfeest werden Bel-Marduk en Nebo door de straten rondgedragen in een grote processie voor het Esagila-heiligdom. Het was het grootste religieuze evenement van het jaar. Maar Jesaja voorziet een tijd waarin Bel-Marduk en Nebo zullen buigen en knielen, en waarin de uitgeputte lastdieren die hen moeten dragen zullen vallen, en ze in gevangenschap worden afgevoerd (46:1-2).

Dit werd niet letterlijk vervuld toen de Perzen de macht overnamen in de zesde eeuw, want Kores bewaarde de status van de Babylonische goden en versterkte die nog. Op de lange termijn gleden Bel-Marduk en Nebo natuurlijk af naar de vergetelheid. Niemand aanbidt hen vandaag nog. Maar miljoenen mannen en vrouwen aanbidden nog de God van Israël.

(2) In het volgende deel (46:3-7) zet God de openlijke veroordeling van afgoderij voort. Nu is er een wat nieuwe ontwikkeling. God zegt eigenlijk, dat afgodendienaars hun goden moeten dragen en dat zelfs hun lastdieren moe worden; maar met de ware God, is het net andersom: Hij draagt zijn volk. Het is niet moeilijk een verschil te zien tussen beide godsdiensten. In de ene doet het volk alle zware hefwerk; in de andere doet God het, en zijn volk wordt door Hem gedragen.

(3) In het laatste deel (46:8-13) vermaant God zijn verbondsvolk in ongezouten, om niet te zeggen brutale termen. Zij zijn opstandigen, en ze zijn al Gods genadige en krachtige wegen vergeten die Hij met hen ging toen de natie ontstond ten tijde van de Exodus.

Er zijn belangrijke dingen voor de gelovige om te herinneren (46:8-9). Waarschijnlijk is Kores toch een deel van hun obsessie. Ze vinden het nog altijd moeilijk zich in te denken dat god een heidense koning als hij zal gebruiken, eerder dan hen gewoon te vernietigen. Maar God benadrukt dat Hij ‘een roofvogel’ uit het oosten zal roepen (46:11) – bijna zeker een verwijzing naar Kores.

Wat ook zijn doel en plan, Hij zal erover waken dat het gebeurt. De implicatie is natuurlijk dat God zowel soeverein is als goed – dus staak de pogingen het beter te willen weten en vertrouw Hem. ‘Hoort naar Mij, gij trotsen van hart, die ver van gerechtigheid zijt. Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven’ (46:12-13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 12 juni 2013

Is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen (Jes. 44)


Deuteronomium 17; Psalm 104; Jesaja 44; Openbaring 14
We hebben al geleerd dat God tegen Israël zei ‘Gij zijt (…) mijn getuigen’ (Jes. 43:10, 12). Want de Israëlieten moesten getuigen dat God en alleen God al deze dingen voorzegd had, en dus het bewijs had geleverd dat Hij ze gedaan had, want Hij alleen is de soevereine God.

In Jesaja 44:6-23 worden deze thema’s samengevat (44:6-8). Alleen Jahweh is ‘de Koning en Verlosser van Israël, de HERE der heerscharen’ (44:6). God zegt’ Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God’ (44:6). Wat betreft zijn volk: ‘Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen’ (44:8). Maar indien alleen God God is, zijn allen die daar ook aanspraak op maken afgoden.

Zo leidt de samenvatting van dit thema een van de meest vernietigende veroordelingen in van afgoderij in de Bijbel.

Vanuit Gods perspectief is afgoderij altijd weerzinwekkend. In zekere zin is het de basiszonde, want afgoderij onttroont God en vervangt Hem door iets of iemand anders. Dit is waarom hebzucht afgoderij is (Kol. 3:5): we streven naar wat we begeren, en wat we zo hartstochtelijk nastreven wordt onze god.

De historische context van deze afwijzing is cruciaal, want afgoderij wordt niet alleen begaan door al de kleine naties rond Israël, maar ook door de regionale machten en door de opeenvolgende supermachten.

Onvermijdelijk schreven Egyptenaren en Assyriërs en Babyloniërs allen hun succes toe aan de macht van hun eigen goden. Maar hier is de God van klein Israël – verpletterd, verslagen, in ballingschap, zielig klein Israël – bewerend de enige God te zijn, de soevereine Heer, de machtige Schepper en voorzienige Heerser over alle koninkrijken van de aarde. En hij verwacht van zijn verbondsvolk dat ze van deze waarheid zullen getuigen in plaats van te bezwijken voor de afgoderij rond hen, die ze, bedroevend genoeg, uiterst aantrekkelijk vinden.

De vraag rond macht zal God op de lange termijn behandelen. Hier ligt de focus op het aantonen van de absurditeit van afgoderij en daardoor zijn geloofwaardigheid neer te halen (44:9-20). Wat aanvankelijk aantrekkelijk lijkt, daarvan wordt getoond dat het ridicuul is. De afgoderij die uitermate smadelijk is voor God, is ook uitermate dwaas.

De oplossing is tweevoudig. (a) Israël wordt opgeroepen terug te denken aan wat God gezegd heeft, wat God gedaan heeft (44:21), zeker het feit dat God Israël geformeerd heeft en tot zijn bevoorrechte knecht gemaakt heeft. (b) Israël wordt opgeroepen terug te keren tot God, want Hij heeft hen verlost (44:22). Dit moeten de voortdurende prioriteiten zijn van Gods volk: gedenken van alles wat God is, alles wat Hij gezegd en gedaan heeft; en wanneer we afdwalen, meteen en prompt tot Hem terugkeren (1 John 1:7-9).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 mei 2013

Bekeert u tot Hem, van wie de kinderen Israëls diep zijn afgevallen (Jes. 31)


Deuteronomium 3; Psalm 85; Jesaja 31; Openbaring 1
Hoewel Jesaja 31 historisch begint, houdt de tekst zoals zo vaak in deze profetie ook een verder gelegen horizon en verstrekkender hoop in het vizier.
Aan de ene kant spreekt Jesaja nog altijd weeën van Godswege uit over hen ‘die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en vertrouwen op wagens (…) maar de blik niet richten op de Heilige Israëls en naar de HERE niet vragen’ (31:1).

Jesaja neemt zijn toevlucht tot sarcasme: ook God ‘is wijs, Hij doet het kwaad komen’ (31:2). Hij maakt gebruik van een metafoor: God kan vergeleken worden met een leeuw die heel goed in staat is te vechten (31:4), of met vogels die perfect in staat zijn om hun nest te beschermen (31:5).

Dit brengt de lezer bij de verzen die een keerpunt vormen in dit hoofdstuk, de enige die in proza zijn geschreven: ‘Bekeert u tot Hem, van wie de kinderen Israëls diep zijn afgevallen. Want te dien dage zal ieder van u de zilveren en gouden afgoden versmaden, die uw handen hebben vervaardigd, u tot zonde’ (31:6-7).

Er is geen alternatief voor berouw, geen andere manier om de zegen van de Heer te ervaren. De aard van berouw in de Schrift sluit de onzin van gedeeltelijk berouw of voorwaardelijk berouw uit.

Oprecht berouw keert zich niet af van de ene zonde terwijl je andere zonden verbergt; gedeeltelijk berouw is al even incongruent als gedeeltelijke zwangerschap. Loyaliteit aan God op slechts een bepaald aantal terreinen is niet langer loyaliteit, maar bedrog.

Berouw tonen over ontrouw op sommige terreinen terwijl je wel ontrouw verkiest op andere vlakken, is helemaal geen berouw. God vraagt ons niet om deze of gene afgod op te geven terwijl Hij ons zou toestaan diverse andere afgoden te voeden. Eerder eist Hij dat we de afgoderij zelf verlaten en terugkeren tot de God van wie we zo ‘diep zijn afgevallen’.

Want God is maar al te goed in staat om zijn volk te beschermen tegen de macht van Assyrië, om met een zwaard te verslinden dat ‘niet van een mens’ komt (31:8, NBV). De letterlijke vervulling van deze belofte is 37:36 (zie de overdenking van 5 juni).

Maar de heenwijzingen naar een nog grotere verlossing in een verdere toekomst zijn niet moeilijk te vinden. Nog maar eens voorzegt Jesaja wat zal gebeuren ‘te dien dage’ (31:7), die veelzeggende uitdrukking die zo vaak profetische voorzegging aanduidt.

Hoewel het verlies van bijna tweehonderdduizend Assyrische soldaten, waarnaar wordt verwezen in 37:38, gebeurt in 701 v.C., zou de finale instorting van Assyrië en zijn hoofdstad Nineve, beschreven in de slotverzen van dit hoofdstuk, nog een eeuw op zich laten wachten (612).

Bovendien herinneren verwijzingen met betrekking tot het vuur van God in Sion (31:9) ons aan 4:2-6 en 29:5-8 – gezichten van de vernietiging van Sions vijanden en van de toekomstige regering van de Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 14 augustus 2012

'De ark Gods buitgemaakt' (1 Sam. 4)



1 Samuel 4, Romeinen 4, Jeremia 42, Psalm 18


Wanneer mensen weinig weten over de God die zichzelf eigenlijk geopenbaard heeft, is het voor hen heel gemakkelijk om een bepaalde verwrongen visie van die God te krijgen, totdat het beeld dat ze van Hem hebben nog heel weinig overeenstemt met de realiteit.
Je kunt de onwetendheid van de Filistijnen begrijpen (1 Sam. 4). In hun polytheïstische wereld vol afgoden die concrete afbeeldingen zijn van hun goden, wordt de aankomst van de ark van het verbond in het kamp van Israël verstaan als de aankomst van de Israëlitische god (4:6-7).

Maar deze God, zelfs als Hij zo krachtig bleek dat hij op een bepaald ogenblik de Egyptenaren aankon, is niet meer dan nog een bijkomende god, eindig, gelimiteerd, lokaal. De Filistijnen kiezen dus tussen twee opties: ofwel op de knieën gaan, ofwel moedig strijden. Ze opteren voor de tweede en winnen. Inbegrepen bij hun overwinning zitten een analyse en een resultaat: de analyse is dat God niet langer de doodsangst voor de Israëlieten op de harten van de Kanaänieten legt die met de eerdere Israëlitische overwinningen gepaard ging (en dit betekent oordeel voor de Israëlieten); het resultaat is dat de Filistijnen nu zelfs nog kleiner zullen denken over God.

Wie de God van de Bijbel kent, weet zeker dat dit een situatie is die niet lang zal duren; God zal actie ondernemen om zijn heerlijkheid te verdedigen.

De onwetendheid van de Israëlieten met betrekking tot God valt helemaal niet goed te praten, maar ligt in lijn met de vreselijke neergang tegen het einde van de periode van de Richteren. Ze worden ingemaakt door de Filistijnen. Hun theologische redenering is zo slecht dat ze denken dat ze het geluk in de strijd kunnen doen kantelen door de ark van het verbond in het militaire kamp binnen te brengen als een uit de kluiten gewassen geluksbrenger.

De schrijver geeft een hint in de richting van de zuivere absurditeit van de gedachte: ze brengen ‘de ark van het verbond des HEREN der heerscharen, die op de cherubs troont’ (4:4). Jammer genoeg zijn Eli’s zonen, de priesters Hofni en Pinehas, medeplichtig in deze regelingen.

Wordt Gods gunst zo makkelijk gemanipuleerd? Geeft Hij evenveel om de locatie van een doos, als Hij geeft om de wandel en (on)trouw van zijn beelddragers en verbondsgemeenschap? Welk een beperkt en slaafs beeld van God hadden de leiders van Israël toch op dat ogenblik dat ze dergelijke onzin verkondigden?

Gisteren ontving ik een brief via de post van een van Amerika’s vooraanstaande televisiepredikanten. Ze nodigden me uit om geld te sturen en zouden me als tegenprestatie een kerstboomversiering sturen van een ‘engel’ met een trompet, om me eraan te herinneren dat God de engel die voor me zorgde had bevolen op een trompet te blazen om mij te vieren. Wat een beperkt en slaafs beeld van God hebben dergelijke leiders toch dat ze dergelijke onzin verkondigen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 3 augustus 2012

'Ieder deed wat goed was in zijn ogen' (Richteren 17)


Richteren 17, Handelingen 21, Jeremia 30-31, Markus 16

De tekenen van morele, spirituele en intellectuele neergang in Israël gedurende de tijd van de Richters worden nu talrijker. Sommige ervan zijn duidelijk, andere meer subtiel. Hoewel Richteren 17 een kort hoofdstuk is, vind je er een overvloed aan dergelijke tekenen.

(1) Een volwassen man met de naam Micha heeft blijkbaar elfhonderd zilverstukken gestolen van zijn moeder. Dat zegt niet veel goeds over de gezinsrelaties – hoewel het natuurlijk maar om één gebeurtenis gaat. Hij belijdt de misdaad aan zijn moeder (17:2). Te oordelen aan zijn opmerkingen wordt hij minder gedreven door liefde voor zijn moeder of door een bewustzijn van zonde, dan door bijgelovige vrees omdat zijn moeder een vloek uitgesproken heeft over de dief, die haar tot op dit ogenblik nog onbekend was.

(2) Micha’s moeder antwoordt hem met een vroom woord: ‘Gezegend zij mijn zoon door de HERE [d.i. Yahweh]’ – wat toont dat er nog altijd een sterk bewustzijn is van de verbondsgod die hen uit Egypte leidde, of toch ten minste een herinnering aan zijn naam. Maar heel snel krijg je als lezer door dat alleen de buitenkant van verbondstrouw rest. Syncretisme heeft de overhand gekregen. Dankbaar voor het geld dat ze terugkreeg, geeft ze het terug aan haar zoon, terwijl ze het ernstig heiligt ‘aan de HERE [Yahweh]’, met als doel ‘er een gesneden en gegoten beeld van te maken’ (17:3), wat natuurlijk herhaaldelijk verboden was in het verbond van de Sinaï.

(3) Hij geeft het zilver meteen terug aan zijn moeder voor dit doel. Zij geeft tweehonderd zilverstukken aan een zilversmid (wat haar nog negenhonderd zilverstukken overlaat, ondanks het bedrag dat ze had ‘geheiligd’) om er een afgod mee te maken. Hebzucht triomfeert zelfs over afgoderij. De kleine afgod wordt dan in Micha’s huis geplaatst, als geluksbrenger en als herinnering aan een herstelde familierelatie na een diefstal, misschien zelfs als iets om de vloek af te houden die door de moeder was uitgesproken (17:4).

(4) Micha’s religieuze syncretisme gaat nog dieper. Hij heeft zijn eigen godshuis, en installeert er een van zijn zonen als privépriester om er gebeden en offeranden te brengen, en hij maakt een priesterkostuum voor hem (de efod, 17:5). De overtredingen worden talrijker. Onder het verbond mocht er normaal gezien maar één ‘godshuis’ zijn – op dit punt de tabernakel – en alleen Levieten konden functioneren als priester.

(5) Er zijn nog genoeg van deze voorschriften bekend, zodat wanneer Micha een jonge Leviet ontmoet die op doorreis is, hij die inhuurt als ‘privépriester’ (!). Micha is ervan overtuigd dat dit zal verzekeren dat de Here goed voor hem zal zijn (17:13). De verbondsgodsdienst heeft veel van zijn structuur verloren en al zijn discipline en gehoorzaamheid. Het is een droevige puinhoop van afgodisch bijgeloof.
Voor het eerst lezen we de woorden: ‘In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen’ (17:6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

donderdag 19 juli 2012

'Gij hebt naar mijn stem niet geluisterd. Wat hebt gij gedaan?' (Richt. 2)


Richteren 2, Handelingen 6, Jeremia 15, Markus 1
Uit de lezing van Richteren 1-2 lijkt het dat na de aanvankelijke Israëlitische overwinningen het tempo van de veroveringen ernstig schommelt. In veel gevallen waren stammen verantwoordelijk voor het onder controle krijgen van hun eigen gebieden. Na verloop van tijd lijkt het echter de ongeschreven politiek geworden, toen de Israëlieten sterker werden, om de Kanaänieten niet te verjagen uit het land of ze te verdelgen, maar om ze te onderwerpen en zelfs tot slaven te maken, om hen te maken tot waterdragers en houthakkers, om hen tot herendienst te verplichten (1:28).

Het onvermijdelijke gevolg is dat er heel wat heidendom in het land overbleef. Met de menselijke natuur zoals die is, worden die valse goden onvermijdelijk een ‘valstrik’ voor de verbondsgemeenschap (Richt. 2:3). Boos omwille van de weigering van het volk om de heidense altaren af te breken, verklaart de Engel des Heren dat als het niet doet wat het opgedragen wordt, Hij hen niet langer de beslissende hulp zal schenken die hen in staat ging stellen om de taak af te werken (waren ze gewillig geweest!). Het volk weent over de verloren mogelijkheid, maar het is te laat (2:1-4). Het is zeker niet dat ze nooit verwittigd waren.

Dit is de achtergrond voor de rest van het boek van de Richters. Enkele van zijn belangrijkste thema’s worden dan toegelicht in de rest van hoofdstuk 2. Veel van de rest van het boek is dan illustratie voor het denken dat hier wordt uiteengezet.
De belangrijkste lijn, doorspekt met tragedie, is het cyclische falen van de verbondsgemeenschap, en hoe God telkens weer tussenkomt om hen te redden.

Aanvankelijk bleef het volk getrouw gedurende Jozua’s leven en dat van de oudsten die Jozua overleefden (2:7). Maar tegen de tijd dat een volledig nieuwe generatie was opgegroeid – een die de wonderen niet had gezien die de Here bewerkt had, of het nu bij de uittocht was of gedurende de woestijnjaren of bij het binnentrekken van het Beloofde Land – was de trouw aan de Here teruggelopen.

Syncretisme en heidendom waren overvloedig aanwezig; het volk verliet de God van hun vaderen en diende de Baäls, d.w.z. de verschillende ‘heren’ van de Kanaänieten (2:10-12). De Here antwoordde in toorn; het volk kreeg te lijden onder invallen, tegenslagen, en militaire nederlagen door de hand van omliggende plunderaars.
Wanneer het volk riep tot de Here om hulp, deed Hij een richter opstaan – een regionaal of vaak nationaal leider – die het volk bevrijdde uit de tirannie en hen leidde naar verbondstrouw. En dan startte de cyclus weer opnieuw. En opnieuw. En opnieuw.

Hier ligt een ontnuchterende les. Zelfs na tijden van spectaculaire opwekking, hervorming of verbondsvernieuwing is het volk nooit meer dan een of twee generaties verwijderd van ontrouw, ongeloof, massale afgoderij, ongehoorzaamheid en toorn. God helpe ons.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 28 mei 2012

'Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen' (Ps. 81)


Deuteronomium 1, Psalmen 81-82, Jesaja 29, 3 Johannes

‘Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen’ (Ps. 81:11): de symboliek is duidelijk. God is volkomen welwillend en in staat om al onze diepste noden en verlangens te vervullen. Impliciet is het probleem dat wij zelfs onze monden niet openen om te genieten van het voedsel dat Hij voorziet. De symboliek keert terug in de laatste verzen: terwijl de zondaars eeuwigdurende pijn te verduren krijgen, staat er van de overigen: ‘Hij zou hen gespijzigd hebben met het vette der tarwe, ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rots’ (81:17).

Natuurlijk spreekt God over meer dan fysiek voedsel (en zeker niet over minder). De setting komt vaker voor, zowel in de Psalmen als in de verhalende delen van de Pentateuch. Genadig en op wonderlijke wijze redde God zijn volk uit de slavernij van Egypte, in antwoord op hun eigen noodkreten.
‘Ik heb zijn schouder van de last ontheven’, zegt God ‘in de benauwdheid riept gij en Ik redde u’ (81:7-8). Dan komt het gedeelte dat leidt tot de zin die we aanhaalden aan het begin van deze overdenking:

Hoor mijn volk, Ik wil u vermanen,
o Israël, of gij naar Mij hoordet!
Geen vreemde god zal onder u zijn,
gij zult u niet nederbuigen voor een uitlandse god.
Ik, de HERE, ben uw God,
die u opvoerde uit het land Egypte;
doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen (81:9-11).

Historisch gezien was het antwoord van het volk natuurlijk teleurstellend: ‘Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël was onwillig tegen Mij’ (81:12). In dit geval werd hun niet de bevrediging beloofd die voorgesteld wordt door volle monden. Verre van. God zegt: ‘Daarom liet Ik hen gaan in de verstoktheid huns harten, zodat zij in hun eigen raadslagen wandelden (81:13).

Natuurlijk verandert de aard van de afgoderij, afhankelijk van het tijdperk. Onlangs las ik een paar zinnen van John Piper:
‘De grootste vijand voor de honger naar God is niet vergif maar appeltaart. Het is niet het feestmaal van de goddelozen dat ons verlangen naar de hemel verdooft, maar het eindeloos nuttigen van kleine snacks aan de tafel van de wereld. Niet de video voor boven de achttien, maar de onbenullige programma’s die we avond aan avond indrinken. Satan kan weliswaar veel kwaad uitrichten, maar wat ons werkelijk van Gods liefdemaal afhoudt, is een akker, een span ossen of een vrouw (Lukas 14:18-20).
De grootste vijand van onze liefde tot God zijn niet zijn vijanden, maar zijn gaven. En de dodelijkste begeerte is niet een verlangen naar het kwade, maar de eenvoudige geneugten des levens. Want wanneer deze de plaats innemen van een verlangen naar God zelf, hebben we nauwelijks door dat ze een afgod geworden zijn, laat staan dat we ons ervan afkeren.’ (Uit: Honger naar God, door John Piper, pag. 12, uitg. Gideon, 1997)

‘Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

woensdag 16 mei 2012

Niet vervloekt, wel verleid (Num. 25)


Numeri 25, Psalm 68, Jesaja 15, 1 Petrus 3

Er is meer dan één manier om het volk van God te verslaan. Balak wilde dat Bileam de Israëlieten zou vervloeken (Num. 22-24). Onder bedreiging van Goddelijke sancties, hield Bileam vol en verkondigde hij alleen wat God hem te zeggen gaf. Maar hier in Numeri 25 ontdekken we een behoorlijk verschillende techniek. Enkele van de Moabietische vrouwen nodigden enkele van de Israëlische mannen uit voor een bezoek. Sommige van deze bezoeken waren gewijd aan de feesten en offerandes van hun goden. Verbindingen ontkiemden. Al snel was er zowel seksuele immoraliteit als flagrante afgoderij met deze heidense goden (25:1-2), in het bijzonder van de Baäl (letterlijk ‘Heer’) van Peor (25:3). ‘Daarom ontstak de HEER in woede tegen Israël’ (25:3).

Het resultaat is onvermijdelijk. Nu wacht de Israëlieten niet de toorn van Moab maar de toorn van de almachtige God. Een plaag breekt uit in het kamp en kost 24.000 mensen het leven (25:9). Pinehas onderneemt de meest drastische actie (25:7-8). Als we die evalueren in het licht van het hedendaagse pluralisme, of zelfs tegenover de aard van sancties die de kerk geautoriseerd is op te leggen (bijv. 1 Kor. 5), dan zal de executie van de man door Pinehas afgrijzen en verwijten van primitief barbarisme opwekken.

Maar als we ons herinneren dat onder het vastgelegde verbond van deze theocratische natie, de voorziene sanctie voor zowel openlijk overspel als afgoderij de doodstraf was, en als we opmerken dat door te gehoorzamen aan de voorwaarden van dit verbond (waartoe het volk zich door een eed verbonden had) Pinehas vele duizenden levens redde door de plaag af te wenden, dan lijken zijn acties veeleer principieel dan barbaars. En dit oordeel is zeker ook al niets, hoe zwaar het ook is, als je het vergelijkt met het oordeel dat nog moet komen.

Maar ik zal me toespitsen op twee verdere opmerkingen.

Ten eerste had Moab een manier gevonden om Israël te vernietigen door het volk te verleiden om daden te stellen waarmee ze het oordeel van God op zich halen. Israël was slechts sterk omdat God sterk is. Indien God het volk zou verlaten, dan zou het volk tot weinig in staat zijn.

Volgens Bileams gezichten moesten de Israëlieten een volk zijn ‘dat afgezonderd leeft, zich niet verbindt met andere naties’ (23:9). Het kwaad in dit geval van verbondsbreuk is dat ze nu willen dat ze niet te onderscheiden vallen van de heidense volkeren.

Welke verleidingen brengen de kerk in het Westen in verzoeking ons zo te gedragen dat we onvermijdelijk de toorn van Gods oordeel over ons halen?

Ten tweede maken latere passages duidelijk dat deze ontwikkelingen niet toevallige ‘jongen-ontmoet-meisje’-gevallen zijn, maar de officiële politiek die voortkomt uit Bileams advies (31:16; vgl. 2 Petr. 2:16; Opb. 2:14). We worden getrakteerd op het ellendige spektakel van een gecompromitteerde profeet die trouw bewaart op formele gelegenheden maar wel sluiks boosaardig advies levert, in het bijzonder als er persoonlijk voordeel te halen valt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 12 november 2010

Lijden berooft je niet van vreugde, afgoderij wel

"'Hoe is je huidige teleurstelling, ontmoediging of verdriet een venster op wat werkelijk je hart veroverd heeft?' Als we afhankelijk zijn van iets dat kleiner is dan God om ons de veiligheid, betekenis, zin en waarde te geven waar we naar verlangen, dan houdt God genoeg van ons om dit weg te nemen.

Veel van onze boosheid en bitterheid is daarom toe te schrijven aan God die onze handen openwrikt om iets weg te nemen waar we sterker aan vasthielden dan aan Hem."

Tullian Tchividjian citeert Paul Tripp en diept de gedachte uit.

zaterdag 4 september 2010

De antithese van God liefhebben

"De tegenstelling van God liefhebben is erger dan God niet liefhebben: het is iets boven alles liefhebben, het vaakst nog onszelf of dingen die we begeren.

We worden afgodendienaars: we hebben God niet boven alles lief.

Wanneer we ons wentelen in zelfliefde, is het makkelijk om hoogmoedig en arrogant te worden."


(D.A. Carson in 'From the Resurrection to His Return', pag. 13. Het boekje over 2Tim. 3 en 4 is gratis te downloaden als pdf. Zie mijn post van gisteren.)

zondag 6 juni 2010

Met zijn allen naar de voetbaltempels



Recent deze Nike-spot gezien via de website/blog van Tim Challies. Hij vindt dit vooral interessant vanuit de vraag of je - los van het feit dat deze clip knap gemaakt is - als zgn. outsider naar de spot kunt kijken en het als iets anders dan afgoderij kunt zien. Maken we deze mannen niet tot goden?

Geloof en bijgeloof op WK Voetbal

Fragment van een dubbelinterview over het WK in HLN met Joseph Akpala en Dorge Kouemaha:

« (...) Een gemiddelde Afrikaan kan zich één, maximaal twee tickets ver­oorloven.»

Bidden

Maar dat zal geen domper op de feest­vreugde zijn. Akpala belooft een kleurrijk en feestelijk WK, met veel muziek en dans en een stevige portie typisch Afrikaanse gebruiken. «Zo zul­len jullie beelden te zien krijgen van Afrikaanse supporters die voor en na elke match samenkomen om te bid­den», zegt Akpala. «Het WK is voor ons niet alleen een kans om te tonen dat we kunnen voetballen, maar het is ook een podium om te tonen waarin we geloven. Religie en geloof hebben bij ons een rol in alles wat we doen. Dat zal ook op het WK zo zijn. Die cultuur zullen we zeker delen.»

Geitenbloed

Maar het zal er niet altijd zo vroom aan toe gaan. De link met die andere Afri­kaanse religie, voodoo, is snel ge­maakt. Ook daar kan je niet onderuit, weet Akpala. «Ik ben christen en ik ge­loof in god, maar er zijn mensen die andere tradities hebben. Geitenbloed, kippen slachten en vervloekingen, ook op het WK zal dat er zijn. Het is een eeuwenoude traditie. Veel mensen ge­loven daarin. Bijgeloof vind je in heel Afrika, behalve misschien in het noor­den.»

(...)

maandag 15 maart 2010

Afgoden op zondag

Justin Taylor linkt naar een serie blogs van Bob Kauflin over de diverse afgoden die we op zondagmorgen tijdens onze eredienst kunnen koesteren:

- muziek
- traditie
- creativiteit
- ervaring
- liturgie
- bijbelse kennis of bijbelse onwetendheid
- muzikale uitmuntendheid
- resultaten


Kauflin werkt ze verder uit, je vindt die uitdieping makkelijk terug via de links van Taylor.

zaterdag 13 maart 2010

Jesaja 44 vandaag: mijn gitaar was mijn god

Getuigenis van Cam Huxford (Mars Hill Downtown Seattle campus): hoe bouw je een god. Hij beschrijft hoe afgoderij een rol speelde in zijn leven als muzikant die meespeelt in aanbiddingsmuziek ('worship musician').

Dit is zijn intro:
"The heart of man is proud. We find created things to worship rather than the Creator God.
We make good things into god things. We build idols for ourselves that prove to be ridiculous.
Here’s my story of such foolishness. Check out the video below."





(bron: the resurgence)