woensdag 2 juli 2014

Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan? (Ps. 130)

Jozua 4; Psalmen 129-131; Jesaja 64; Mattheüs 12

Vanuit welk soort ‘diepten’ roept de psalmist in Psalm 130:1? In andere psalmen is de pure wanhoop van de uitdrukking verbonden met verraderlijke ‘vrienden’ en openlijke vervolging (Ps. 69), of met ziekte en heimwee (Ps. 6, 42). In dit geval zijn het zonde en schuld die de psalmist in ‘de diepten’ hebben geworpen: ‘Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan?’ (130:3).

Vier gedachten:

Ten eerste dient deze nadruk op de ellende van schuld en de nood aan vergeving van Godswege als een welgekomen verweer tegen sommige van de psalmen die vragen om rechtvaardiging op grond van het feit dat de psalmist fundamenteel rechtvaardig is of gerechtvaardigd (zie de overdenkingen van 10 en 24 april). Dergelijke aanspraken kunnen haast niet absoluut worden genomen; waarachtig rechtvaardige mensen worden zich zonder uitzondering meer bewust van hun persoonlijke schuld en hun nood aan vergeving, dan degenen die zodanig vuil en hard zijn geworden dat ze hun eigen schande niet meer kunnen inzien.

Ten tweede is het verband tussen vergeving en vrees treffend: ‘Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt’ (130:4). Misschien dat dit paar zinnen een hint is dat de zekerheid van zondevergeving in dit stadium van de heilsgeschiedenis niet zo vast was als ze zou worden aan deze kant van het kruis.

Nog belangrijker: ‘de vreze des Heren’ wordt niet slechts gezien als het resultaat van vergeving, maar als een van zijn doelen. Het bevestigt dat ‘vreze des Heren’ minder te maken heeft met slaafse, kruiperige angst (die zeker zou verkleinen door vergeving, niet groter worden), dan met heilige eerbied. Maar zelfs dan heeft deze eerbied een aspect van oprechte vrees.

Wanneer zondaars de omvang van hun zonde beginnen te zien, en de vreugde van vergeving ervaren, dan zien ze in het beste geval een glimp van wat het geval had kunnen zijn als ze niet waren vergeven.

Vergeving wekt opluchting; ironisch genoeg wekt het ook ernstige bezinning op die uitmondt in eerbied en goddelijke vrees, aangezien zonde nooit meer licht kan worden opgenomen en vergeving gemakkelijk kan worden verkregen.

Ten derde verstaat de psalmist dat wat hij nodig heeft niet vergeving is in het abstracte, maar vergeving die van God komt – want wat hij wil en nodig heeft is verzoening met God, herstelde gemeenschap met God. Hij wacht op de Heer en vertrouwt in zijn beloften (130:5). Hij wacht zoals een wachter op de dageraad wacht doorheen de meest angstige uren, maar met de zekerheid dat het aanbreken van de dageraad onvermijdelijk is (130:6).

Ten vierde is het meest kostbare aan deze psalm dat, zelfs al is de culminatie van het heilsplan nog eeuwen ver, de focus niet ligt op het mechanisme maar op God. ‘Israël hope op de HERE, want bij de HERE is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing; Hij zelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden’ (130:7-8).


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 juli uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten