maandag 10 september 2012

'De HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden' (2 Sam. 4-5)


2 Samuël 4-5, 1 Korinthiërs 15, Ezechiël 13, Psalmen 52-54
De schrijver van 2 Samuël (van wie we de identiteit niet kennen) vindt het duidelijk belangrijk om de verschillende stappen op te tekenen waardoor David aan het hoofd komt van heel Israël.

Bekeken binnen de hele canon is dit belangrijk omdat dit het begin is van het Davidische koningshuis dat rechtstreeks leidt naar ‘de grote David zijn grotere Zoon’ (zie de overdenking van 17 mei). Binnen dit kader wil ik nadenken over diverse kenmerken van deze twee hoofdstukken (2 Sam. 4-5).

(1) Het is behoorlijk verbazingwekkend om te merken hoe David bereid was te wachten op de troon, zonder het soort acties te ondernemen dat hem sneller zou verzekeren van de troon. Niet minder indrukwekkend is zijn positie tegenover Isboset. De moordenaars van Isboset, Baäna en Rekab, denken met hun boosaardige moordaanslag (in lijn met wat in die tijd de gewoonte was) een wit voetje te halen bij de rijzende ster, maar ze leren dat Davids toewijding aan gerechtigheid hun executie beveelt. De enige lichtelijk zure ondertoon is de dubbele moraal: deze moordenaars krijgen een rechtvaardige straf voor hun misdaad (2 Sam. 4), terwijl in het voorgaande hoofdstuk de moordenaar Joab, omwille van zijn macht, weliswaar publiek beschaamd wordt, maar niet de doodstraf krijgt.

(2) Dit boek geeft zorgvuldig weer hoe ‘alle stammen van Israël’ bij David komen in Hebron en hem uitnodigen om hun koning te worden. In Gods voorzienigheid brengt de boosaardige moord door Baäna en Rekab de vervulling van Gods belofte aan David tot stand.

(3) Davids inname van Jeruzalem (5:6-12) moet opgetekend worden, want dit wordt niet alleen Davids hoofdstad maar wordt na verloop van tijd ook de rustplaats voor de tabernakel. Tijdens de regering van zijn zoon Salomo zal het ook de locatie voor de tempel worden. Enorm belangrijke theologische kwesties draaien om Jeruzalem en de tempel. Die worden achtereenvolgens aangehaald door de profeten (voor en na de ballingschap), door Jezus zelf en door de schrijvers van het Nieuwe Testament. Denk bijvoorbeeld na over Johannes 2:13-22, Galaten 4:21-31, Hebreeën 9 en 12:22-23 of Openbaring 21-22.

(4) Bovenal, wanneer de Israëlieten David uitnodigen om hun koning te worden, zeggen ze: ‘En de HERE sprak tot u: Gij zult mijn volk Israël weiden en vorst over Israël zijn’ (5:2). Het ‘herder’-thema is makkelijker te begrijpen dan het ‘vorst’-thema en wordt op verschillende manieren uitgewerkt. In het begin van de ballingschap hekelt God de valse ‘herders’ die meer geïnteresseerd zijn in het kaalplukken van de schapen dan in het beschermen en voeden van de kudde (Ezech. 34) – een fenomeen dat ons ook vandaag niet onbekend is. Zo belooft God herhaaldelijk dat Hijzelf de herder van zijn volk zal zijn; ja, Hij zal zijn dienstknecht ‘David’ aanstellen (drieëneenhalve eeuw na Davids dood!) om hun herder te zijn (Ez. 34:23-24; zie de overdenking voor 20 maart). In de volheid van de tijd, verklaart de rechtmatige erfgenaam uit de lijn van David ‘Ik ben de goede herder’ (Joh. 10:11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 9 september 2012

'Ik ben nu nog zwak' (2 Sam. 3)

2 Samuël 3, 1 Korinthiërs 14, Ezechiël 12, Psalm 51
Zelfs na de dood van koning Saul werd David niet meteen koning van Israël. Eerst werd David tot koning gezalfd over Juda (2 Sam. 2:1-7), en alleen maar Juda: zelfs Benjamin, dat bij Juda bleef toen er na de dood van Salomo een scheiding kwam tussen ‘Israël’ en ‘Juda’, was op dit moment nog verenigd met de andere stammen (2:9).

Abner, de aanvoerder van wat er nog van Sauls leger overbleef, had Isboset, Sauls overgebleven zoon, koning gemaakt van Israël (2:8-9). De schermutselingen tussen Davids troepen en die van Isboset namen toe. Veel gevechten in die tijd brachten de vijandige troepen tegenover elkaar in hevige clashes, gevolgd door een rennend gevecht: de ene zijde rende weg, en de andere zijde zat hen achterna.

In een van dergelijke conflicten doodt Abner Asaël uit de troepen van David, een van de drie zonen van Seruja. Het was een ‘nette’ dood, d.w.z. volgens de regels van oorlogvoering, en geen moord.

Niettemin gaat deze dood vooraf aan een van de belangrijkste acties in 2 Samuël 3. De verschillende delen van het land samenbrengen in verenigde loyaliteit onder David was een bloederige en soms gemene zaak – een herinnering aan het feit dat God soms de dwaasheid en boosheid van mensen gebruikt om zijn goede plannen tot stand te brengen.

Abner slaapt met een van Sauls voormalige bijvrouwen (3:6-7). Dit was niet enkel een overtreding van morele wetten, maar in de symboliek van die tijd claimde Abner het recht op het koningschap voor hemzelf. Het was een grote belediging en blaam voor Isboset.

Zo blijken Abners motieven om de elf stammen naar Davids kant over te hevelen minder te maken te hebben met integriteit en een verlangen om Gods roeping te erkennen, dan met frustratie over Isboset en een zucht naar macht voor hemzelf.

Dan wordt Abner vermoord door Joab en zijn mannen (3:22-27), Joab die een van Asaëls broers is. Maar dit is echt moord en in strijd met de vrijgeleide die David gaf.

De manier waarop David deze crisis aanpakt weerspiegelt zowel zijn grote sterktes als een van zijn grootste zwakheden – sterktes en zwaktes die nog zullen opduiken.

Politiek gezien is David zeer schrander. Hij distantieert zich volkomen van Joabs daad en beveelt dat Joab en andere leiders deelnemen aan de officiële rouwstoet van de omgebrachte Abner. ‘Al het volk bemerkte dit en keurde het goed, zoals het alles goedkeurde, wat de koning deed’ (3:36).

Aan de andere kant roept hij Joab niet ter verantwoording, en ontloopt daarmee zijn verantwoordelijkheid met het argument dat ‘deze mannen, de zonen van Seruja, harder zijn dan ik’ (3:39; NBV: tegen deze mannen, de zonen van Seruja, ben ik niet opgewassen). Met andere woorden, hij ontliep zijn verantwoordelijkheid – zoals hij later ook zou doen met zijn zoon Amnon (2 Sam. 13), waarbij de gevolgen Absaloms opstand in de hand werkten en David bijna zijn troon kostten. Het is nooit Gods weg om bijbels gemandateerde verantwoordelijkheid van je af te schuiven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 8 september 2012

Lecrae aan de top van de iTunes hitlijsten met 'Gravity'



Een christelijk artiest heeft voor het eerst de top van de iTunes hitlijsten bereikt.
De gloednieuwe 'Gravity' van hiphopper Lecrae (Moore) kwam meteen binnen op nummer 1 op dinsdag 4 september 2012.

Op de Gospel Coalition Blog lees je een uitgebreide recensie van Lecrae's 'Gravity'.

Uit die bespreking neem ik gewoon de aanhaling uit track 14 over, 'Tell the world'; Heel wat theologie verpakt in slechts enkele verzen:

I can't offer you nothin', but your care & kindness keeps comin'
And your love is so unconditional, I get butterflies in my stomach
I got the old me in the rearview, now the new me got a clear view
And I was so dead, I couldn't hear you, too deep in sin to come near you
. . . My face look the same, my frame ain't rearranged, but I'm changed; I promise I ain't the same
Your love's so deep you suffered and took pain, you died on the cross to give me a new name
Ain't nothing like I've seen before, I got a beaming glow
I was low, down, and dirty, but you cleaned me, Lord
You adopted me, you keep rocking me
I'mma tell the world, and ain't nobody stopping me!

'Had ik de liefde niet, ik zou niets zijn' (1 Kor. 13)

2 Samuël 2, 1 Korinthiërs 13, Ezechiël 11, Psalm 50

Hoewel 1 Korinthiërs 13 deel uitmaakt van een uitgebreid betoog dat doorheen de hoofdstukken 12-14 loopt, vormt het gedeelte een heel lieflijke eenheid met zoveel wondermooie opwekkende zinnen, dat het al uitmondde in talloze uitgebreide verhandelingen. Vandaag wil ik wat langer stilstaan bij de eerste drie verzen.

Deze tekst zegt niet dat liefde alles is en dat de andere zaken die vermeld worden – spreken in tongen, de gave van profetie, het vermogen om geheimen te doorgronden, alle kennis bezitten, een geloof dat bergen kan verzetten, zelfverloochenende overgave van al je bezittingen ten behoeve van de armen, en de martelaarsdood sterven – niets zijn. Eerder benadrukt de passage dat deze dingen volkomen onbetekenend zijn, tenzij ze gepaard gaan met liefde. Liefde vervangt ze niet; de afwezigheid van liefde maakt ze zinloos en uiteindelijk waardeloos.

Deze paragraaf is uitgewerkt om te vernederen wie hoogmoedig is. De geschiedenis biedt trieste voorbeelden van mensen die trots geworden zijn op hun gave van tongen of hun profetische gave, zelfs op hun filantropie en opofferingsgezindheid. Maar het is een volkomen tegenstrijdigheid om trots te zijn op je liefde, in wat voor christelijke betekenis van liefde ook.

Misschien is dat een van de redenen waarom die andere deugden in het niets vallen als ze niet gepaard gaan met liefde. Een van de meest treffende kenmerken van deze stelling over liefde is dat ze een van de definities van liefde ontkracht die nog altijd standhoudt in bepaalde christelijke kringen.

Daarin wordt beweerd dat christelijke liefde niet tot de emotionele sfeer behoort, maar niets anders is dan een niet aflatende vastberadenheid om het goed van de ander na te streven. Dat is, zo beweren ze, waarom je ook kunt bevelen om lief te hebben: iemand kan een diepgaande hekel hebben aan de ander, maar als je je nauwgezet inzet voor zijn of haar welzijn, en daar ook naar handelt, is dit nog altijd liefde.

Eerlijk gezegd is dit soort spitsvondigheden reductionistische onzin. Wat zonet moest doorgaan voor ‘liefde’ is niets anders dan resoluut altruïsme. Maar in deze verzen maakt Paulus nu net duidelijk onderscheid tussen altruïsme en liefde: ‘Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand’ (13:3): hier vind je zowel altruïsme als zelfopoffering, maar Paulus kan ze zich allebei voorstellen zonder liefde. Dus moet liefde iets anders zijn dan, of meer dan louter altruïsme en zelfopoffering.

Het is misschien moeilijk om een perfecte definitie te geven voor christelijke liefde. Maar het is niet moeilijk om er een volmaakt voorbeeld van te vinden. De liefde van Christus voor ons is niet gegrond in onze lieflijkheid, maar in zijn eigen karakter. Zijn liefde is niet louter sentimenteel, maar er hangt wel een immense affectie en warmte aan vast. Ze is resoluut in haar zelfopoffering, maar nooit louter mechanische zelfdiscipline.

Willen we op een lijn komen met de apostolische voorstelling van christelijke liefde als ‘de weg die nog voortreffelijker is’ (12:31b, NBV – zie ook de overdenking van 11 oktober) die alle gelovigen moeten volgen, hoeven we alleen Jezus Christus na te volgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 september 2012

Een tijd voor rouw, niet voor roddel (2 Sam. 1)


2 Samuël 1, 1 Korinthiërs 12, Ezechiël 10, Psalm 49
Wanneer David de dood van Saul en Jonathan verneemt (2 Sam. 1) is zijn verdriet niet louter formeel. Het kon niet anders of hij wist dat de weg naar de troon nu voor hem open lag.

Niettemin is zijn smart zodanig oprecht dat hij een uitgebreid klaaglied (1:19-27) schrijft, het op muziek zet en het de mensen van zijn stam aanleert (1:18), zodat het voor een lange tijd in het land gezongen zal worden als een van de liederen van het volk.

Veel elementen van dit klaaglied verdienen dat we er lang over nadenken. Vandaag sta ik stil bij slechts één vers: ‘Verkondigt het niet te Gat, boodschapt het niet op de straten van Askelon, opdat de dochters der Filistijnen zich niet verheugen, opdat de dochters der onbesnedenen niet jubelen!’ (1:20).

Formeel gezien is de tekst duidelijk genoeg. Gat en Askelon waren de twee vooraanstaande Filistijnse steden. David zegt in feite dat ze de Filistijnen niet mogen laten weten dat Saul en Jonathan dood zijn, opdat die zich niet zouden verblijden of jubelen.

Natuurlijk kon het niet anders dan dat de Filistijnen het zouden te weten komen, en David wist dit – hij zeker. Maar zijn doel met het schrijven van deze woorden is niet dat hij de Filistijnen nog een tijd in het ongewisse wil laten. Hoe zou dat ook kunnen? Ze hadden al het lijk van Saul opgehangen aan de muur van Bet-San (1 Sam. 31:10) en hadden bodes met het nieuws in Filistijns gebied rondgestuurd (31:9). Maar als deze zinnen uit Davids pen niet als letterlijk advies bedoeld zijn, wat is dan hun functie?

Voor een gedeelte is het gewoon een klaaglied. Het is een krachtige manier om te zeggen dat de vijanden van de Israëlieten blij zouden zijn met het nieuws en daarom is hun vreugde een deel van de tragedie.

Maar ik vermoed ook een andere ondertoon. Wanneer een van onze leiders valt, gedraag je dan op een zodanige manier dat je de tegenstand niet sterker maakt. Dit is een les die steeds opnieuw door de kerk moet geleerd worden. Wanneer een dienstknecht van het evangelie betrapt wordt op het verduisteren van fondsen of met een affaire, dan moet het bijbelse principe van tucht in elk geval meteen uitgevoerd worden. Indien de wet overtreden werd, moeten de burgerlijke autoriteiten verwittigd worden. Indien gezinnen beschadigd werden, dan kan er heel wat pastoraal werk nodig zijn.

Maar begrijp goed dat veel ongelovigen zich met plezier in de handen zullen wrijven en zeggen ‘Zie je wel? Wat had je verwacht? Al dat godsdienstig gedoe is zo hypocriet en vals.’ Op die manier wordt Christus veracht en verliest het christelijk getuigenis aan geloofwaardigheid. Christenen moeten hun tong in toom houden, opletten wat ze zeggen, en in het bijzonder voorzichtig zijn wat ze onnodig vertellen aan ongelovigen. Dit is een tijd voor rouw, niet voor roddel. ‘Verkondigt het niet te Gat …’


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 september 2012

'Wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer' (1 Kor. 11)



1 Samuël 31, 1 Korinthiërs 11, Ezechiël 9, Psalm 48
Drie opmerkingen over de maaltijd van de Heer, uit de vele die we kunnen maken vanuit Paulus’ behandeling van het thema (1 Kor. 11:17-34):

Ten eerste is het een tijdelijke instelling. Ze moet maar nageleefd worden ‘totdat Hij komt’ (11:26). Dit is deels door haar ‘herdenkings’-functie (‘doet dit tot mijn gedachtenis’, 11:24). In de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen veranderde gelovigen geen ritueel als dit nodig hebben om Jezus te ‘gedenken’, want Hij zal voortdurend het centrum van hun aandacht en bewondering vormen.

Dit te beseffen elke keer we deelnemen aan de maaltijd van de Heer, helpt ons niet alleen om terug te kijken naar het verbroken lichaam van Jezus, maar ook om vooruit te kijken naar de uiteindelijke vervulling.

Ten tweede moet de maaltijd van de Heer, indien naar behoren nageleefd, ook een kerygmatische functie vervullen. Het woord kerygmatisch komt van het werkwoord kerysso, ‘verkondigen’: Paulus zegt dat we door deze maaltijd de dood van de Heer verkondigen totdat Hij komt (11:26) – hoewel hij hier een ander werkwoord gebruikt. Normaal gezien wordt het gebruikte werkwoord gevonden in een evangelisatiecontext: we verkondigen of delen het Evangelie mee aan mensen die nog onbekeerd zijn.

Als dit is wat Paulus bedoelt, dan is een van de functies van de maaltijd van de Heer – zijn kerygmatische functie – evangelisatie. Ik ben zeker al in kerken geweest waar dit het geval is. Ongelovigen zijn een onderdeel van de dienst. Ze worden gewaarschuwd niet deel te nemen, maar worden aangemoedigd te observeren en na te denken over wat ze zien en horen. Iets van het belang van het ritueel wordt uitgelegd, misschien zijn functie als getuigenis van Jezus als het brood van het leven die zijn leven geeft voor het leven van de wereld (Joh. 6:51). De verordening en het woord verkondigen samen de dood van de Heer.

Ten derde biedt het naderen tot de maaltijd van de Heer elke christen een gelegenheid om zichzelf te onderzoeken vooraleer van het brood te eten en van de beker te drinken (11:27-28). Uitleggers zijn het oneens over de betekenis van het ‘niet onderscheiden van het lichaam’ (11:29). In deze context is het niet mogelijk de diverse opties te evalueren. Ik kan hier volstaan met mijn conclusie weer te geven: Paulus waarschuwt dat ‘wie eet en drinkt (…) als hij het lichaam niet onderscheidt’ dat werd geofferd aan het kruis en waarvan getuigenis gegeven wordt in dit ritueel, ‘eet en drinkt tot zijn eigen oordeel’.

Hoe kan het ook anders? Als je, door deel te nemen, zegt ‘Wij herdenken’ en ‘Wij verkondigen’, terwijl je zonde koestert, dan nader je tot deze tafel op een onwaardige manier; het is ‘zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren’ (11:27). Maar ongeacht of deze specifieke uitleg correct is, moet de waarschuwing zelf zeer ernstig genomen worden. Het is geen kwestie van goed genoeg zijn, want dat is niemand. De enige ‘waardige wijze’ om aan deze maaltijd deel te nemen is met berouw en geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 september 2012

Henk Binnendijk komt naar Menen



Op zaterdag 10 november 2012 staat in CC De Steiger in Menen een dag van ontmoeting gepland met Henk Binnendijk. Hoofdthema is 'Eén ding', dit blijkt uit de titels van de toespraken.

Het programma ziet er als volgt uit:
•09.30 - Ontvangst met koffie
•10.00 - Samenzang en gebed
•10.30 - Boodschap 1 door Henk Binnendijk: 'Eén ding ontbreekt u'
•12.00 - Lunch
•14.00 - Boodschap 2 door Henk Binnendijk: 'Eén ding is nodig'
•16.00 - Samenzang en gebed

Deze dag is gratis, maar niet onbelangrijk: je moet vooraf aanmelden.
Om in te schrijven of voor meer info over de dag van ontmoeting, raadpleeg je de website van de organisatoren 'De Weg'.

Let op, het aantal plaatsen is beperkt.

Een middagmaal is niet voorzien, maar je kunt je lunchpakket in de cafetaria nuttigen, mits aankoop van een drankje.

Voor eventuele vragen kun je mailen naar 10nov@de-weg.be

'Deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons' (1 Kor. 10)


1 Samuël 29-30, 1 Korinthiërs 10, Ezechiël 8, Psalmen 46-47
1 Korinthiërs 10 bevat diverse tekstgedeeltes die uitgebreide overdenking waard zijn. Maar vandaag staan we stil bij wat er, oppervlakkig bekeken, een van de eenvoudigste van is.

Paulus vertelt de Korinthiërs dat de dingen die ‘onze vaderen’ overkwamen (10:1) en die in de Schrift staan opgetekend, zijn geschied ‘ten voorbeeld’, ‘opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden’ (10:6). Na enkele voorbeelden te hebben gegeven, zegt de apostel opnieuw ‘Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is’ (10:11).

(1) Het is belangrijk de verschillende doelstellingen te zien die de Schrift heeft. Elders leren we bijvoorbeeld dat de Geschriften van het Oude Testament, of delen ervan, gegeven werden om zonden te laten zien als de vreselijke dingen die ze zijn, niets minder dan misdaden; ook om de weg te bereiden voor Christus, niet alleen door profetische woorden maar ook door modellen, patronen en ‘types’ die vooruitblikten naar hoe Christus zou zijn; of om de tijd aan te kondigen waarop God definitieve actie zou ondernemen ten behoeve van zijn volk; om te waarschuwen voor zonde en oordeel; en zoveel meer. Maar hier biedt de Bijbel ons voorbeelden die ons moeten weerhouden van het nastreven van boze dingen.

Dit betekent dat, alhoewel de Oudtestamentische verhalen ongetwijfeld meer bieden dan ‘gewoon’ moraallessen, ze zeker niet minder bieden. Terwijl we de complexe lagen van verbindingen binnen de canon onderzoeken, mogen we de morele lessen die echt aan de oppervlakte liggen van de tekst niet over het hoofd zien.

(2) De grove zonden die Paulus oplijst bij wijze van voorbeeld – afgoderij, seksuele immoraliteit, de Here verzoeken (d.w.z. door zijn goedheid of macht in vraag te stellen, zoals in Ex. 17:2), en morren (10:7-10) – zijn niet onbekend onder hedendaagse gelovigen.

(3) Volgens Paulus was Gods bedoeling met het schrijven van deze materialen in de Schrift, dat we er ons voordeel mee zouden doen – waarbij de ‘we’ verwijst naar hen ‘over wie het einde der eeuwen gekomen is’ (10:11). Dit mag ongetwijfeld niet als een exhaustieve verklaring van Gods doelstelling gezien worden, maar het is zeker bedoeld als een van de fundamentele doelstellingen.

Dus waren de boeken van het Oude Testament vanuit Gods perspectief niet alleen bedoeld voor degenen die ze lazen toen ze eerst geschreven werden, maar voor ‘ons’, die leven in dit bijzondere moment in de wereldgeschiedenis, wanneer de eerste vervulling van de beloften der eeuwen ervaren wordt.

(4) Dit betekent impliciet dat het nog schokkender is als wij, die zoveel instructies en waarschuwingen gekregen hebben uit de voorbije eeuwen, onze rijkdom aan voorrechten negeren. In onze blindheid verwonderen we er ons soms over hoe bepaalde Oudtestamentische figuren of groepen de goddelijke erfenis en het verbond die ze ontvingen zo snel konden verlaten. Hoeveel erger is het als wij dat doen!

Eigen vertaling van de overdenking bij 5 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 september 2012

'Saul vroeg de HERE, maar de HERE antwoordde hem niet' (1 Sam. 28)


1 Samuël 28, 1 Korinthiërs 9, Ezechiël 7, Psalm 45
Er zijn diverse vragen over de dodenbezweerster uit Endor (1 Sam. 28) die we niet kunnen beantwoorden. Werd de profeet Samuël werkelijk opgeroepen door haar activiteiten als medium, of was dit een of andere demonische misleiding? Indien Samuël opgeroepen werd, was dit een uitzondering op wat God normaal toestaat of beveelt? En indien het werkelijk Samuël is, waarom zou hij dan bereid zijn om Saul ook maar te antwoorden, en daardoor tegemoetkomen aan Sauls begeerte naar kennis over de toekomst, door welke middelen ook, zelfs middelen die specifiek veroordeeld werden in Israël?

Terwijl het moeilijk is om bepaalde van deze vragen met zekerheid te beantwoorden, springen er een aantal punten in het oog.

(1) Wat zondig is in spiritisme is niet dat het nooit werkt (soms kan het gaan om manipulatieve hocus pocus; soms kan het werkelijk antwoorden bieden), maar dat het in de kaart speelt van het demonische. Bovenal trekt het mensen af van God, die alleen heerst over zowel het heden als de toekomst. Richting vinden voor je leven via dergelijke middelen, zal je niet alleen vroeg of laat doen dwalen, het is op zich al een teken van opstand – een vreselijke manier om duidelijk te maken dat het je niet kan schelen wat God zegt.

(2) Saul speelt hier de rol van de hypocriet. Aan de ene kant heeft hij de dodenbezweerders en waarzeggers uit het land verwijderd (28:3); aan de andere kant verlangt hij wanhopig zelf naar een van hen. Had Saul langer geleefd, dan had zijn dubbelhartigheid onmogelijk lang verborgen kunnen blijven voor het volk. Zelfs de fundamenten van orde en recht in een maatschappij verbrokkelen wanneer de machthebbers niet alleen vallen voor de persoonlijke hypocrisie van een gevallen mensheid, maar ook in publieke overtredingen van de wet die ze zelf bij eed moeten navolgen.

(3) Wanneer God niet antwoordt via een van de wegen die Hij zelf aanwees (28:6, 15), vormt dit geen bevel om God ongehoorzaam te zijn, maar tot berouw, volharding en geduld. Er is iets bedroevend meelijwekkend aan het zoeken van Gods leiding terwijl je rustig daden stelt die God zelf verboden heeft.

(4) De kern van de zonde van Saul is wat hij al een hele tijd is. Hij wil een afgerichte god, een god als de geest in Aladdins lamp, een god die zich verbindt tot het doen van wonderlijke dingen voor hem zolang hij die lamp vasthoudt. Op de een of andere manier voelt hij dat David nu de lamp vasthoudt en wenste wel dat hij die macht terug kon krijgen. Maar ondertussen heeft hij niet door dat de ware God moet worden aanbeden, geëerbiedigd, gehoorzaamd, gevreesd en geliefd – onvoorwaardelijk. Hier is een man die zichzelf ziet als het centrum van het heelal; alle goden die er ook maar zijn moeten hem dienen. Wanneer de verbondsgod van Israël hem niet helpt zoals hij dat wil, dan is Saul bereid om andere goden te vinden. Dit is de kiem van alle afgoderij.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 september 2012

Let op dat je vrijheid geen struikelblok wordt voor de zwakken (1 Kor. 8)



1 Samuël 27, 1 Korinthiërs 8, Ezechiël 6, Psalm 44
Blijkbaar voelen sommige christenen in Korinthe zich wonderlijk vrij om te eten wat ze maar wensen, daarbij verzekerd door de kennis dat afgoden helemaal niets zijn en dat alle vlees geschapen werd door de ene ware God en dus goed is om te eten, ook al werd het dan geofferd aan een afgod.

Anderen, mogelijk bekeerd vanuit een leven dat verbonden was met heidens bijgeloof, bespeuren het demonische in de afgod en geloven dat het onveilig is voedsel te eten dat aan die afgoden werd geofferd (1 Kor. 8).

De hoofdlijn in de argumentatie van Paulus is duidelijk. Zij die een sterk geweten hebben in deze materies moeten bereid zijn hun rechten op te geven, zodat ze andere broers en zusters in Christus geen schade toebrengen.

Het mag niettemin de toepassing uitkristalliseren als we verschillende elementen onderstrepen:

(1) De kwestie draait rond iets dat intrinsiek niet verkeerd is. Je kunt je niet voorstellen dat de apostel zou suggereren dat sommige christenen denken dat overspel geen probleem vormt, terwijl anderen er moeite mee hebben, en dat de eersten dan misschien hun vrijheid zouden moeten opgeven om de anderen niet te kwetsen. In dergelijk geval is er nooit een excuus voor die daad; die is verboden. Dus zijn de principes van Paulus enkel toepasbaar op daden die op zichzelf moreel neutraal zijn.

(2) Paulus gaat ervan uit dat het verkeerd is om tegen het geweten in te gaan, want dan kan het geweten gekwetst worden (8:12, of ‘ondermijnd’ in de NBV-vertaling). Een geweten dat op een terrein verhard wordt, over een neutrale zaak, kan hard worden in een andere materie – iets meer cruciaals. In het ideale geval moet het geweten natuurlijk meer volmaakt in lijn gebracht worden met wat God zegt in de Schrift, zodat het de persoon in neutrale zaken vrij zou laten. Het geweten kan geïnstrueerd en gevormd worden door de waarheid. Maar totdat het geweten hervormd wordt door de Schrift, is het best er niet tegen in te gaan.

(3) De ‘zwakke’ broeder in dit hoofdstuk (8:7-13) is er een met een ‘zwak’ geweten; dit wil zeggen, iemand die denkt dat een bepaalde daad verkeerd is, zelfs al is er intrinsiek niets verkeerds aan. Dus is de ‘zwakke’ broeder meer gebonden aan regels dan de ‘sterke’ broeder. Beiden zullen de regels aannemen als het gaat om dingen die werkelijk verkeerd zijn, terwijl de zwakke broeder regels toevoegt voor zaken die niet werkelijk verkeerd zijn maar die op dit punt verkeerd zijn voor hem, omdat hij denkt dat ze verkeerd zijn.

(4) Paulus legt de last van de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de ‘sterken’ om hun eigen vrijheden te beperken voor het welzijn van anderen. Het volstaat met andere woorden voor de christen nooit om de vraag te stellen ‘Wat is er me toegestaan om te doen? Wat zijn mijn rechten?’. Christenen dienen een Heer die zeker niet op zijn rechten stond toen Hij naar het kruis ging. Wanneer ze de zelfverloochening van Jezus volgen, zullen ze ook vragen ‘Welke rechten zou ik moeten opgeven voor het welzijn van anderen?’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 september 2012

'Het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen' (1 Kor. 7)


1 Samuël 26, 1 Korinthiërs 7, Ezechiël 5, Psalmen 42-43

Terwijl Paulus het onderwerp ‘maagden’ behandelt (1 Kor. 7:25-38 – het woord verwijst naar de seksueel onervarenen, zowel mannelijk als vrouwelijk), schrijft Paulus ‘Ik acht dus om de bestaande nood dit goed, dat het voor een mens goed is, zo te zijn’ (7:26).

Het is dus goed voor de ongehuwde om ongehuwd te blijven, voor de gehuwden geen scheiding te zoeken, enzovoort. Dit betekent niet, voegt Paulus eraan toe, dat als een maagd huwt, zij dan zondigt. Maar hij benadrukt nogmaals ‘de tijd is kort’ (7:29). Wat betekent dit?

(1) Sommigen hebben betoogd dat Paulus, in lijn met alle anderen in de vroege kerk, geloofde dat Jezus zeer snel zou terugkomen, zeker nog tijdens hun leven. Met een dergelijk gelimiteerd perspectief, zegt Paulus dat het in het algemeen beter is voor hen die ongehuwd zijn, ook in die toestand te blijven.

Dergelijke lezing van het tekstgedeelte betekent natuurlijk dat Paulus en de rest van de vroege kerk er gewoon volledig naast zouden zitten: Jezus kwam niet zo snel terug. Maar er zijn zoveel passages in het Nieuwe Testament die betrekking hebben op de mogelijkheid van een lang uitblijven dat we niet kunnen meegaan met het idee dat vroege christenen leden aan die specifieke verblinding.

(2) Sommigen hebben dan weer betoogd dat ‘de bestaande nood’ (7:26) verwijst naar een bepaalde speciale zorgwekkende periode van vervolging. Als de autoriteiten erop uit zijn om christenen te pakken te krijgen, in het bijzonder hun leiders, dan kan het een voordeel zijn om ongetrouwd te zijn: je bent mobieler, kunt je makkelijker verbergen, en de autoriteiten kunnen je niet onder druk zetten door je gezin te verdrukken.

Maar deze uitleg telt twee onoverkomelijke problemen.

(a) Het mag dan passen voor de ongetrouwden, het past niet bij elk van de andere mensen op wie Paulus het toepast: bijvoorbeeld zij die wenen moeten leven als weenden zij niet, zij die blij zijn als waren ze dit niet, zij die kopen als zouden zij er niets van behouden (7:29-30).

(b) Bovenal is er geen goed bewijs dat de Korinthiërs bedreigd werden door vervolging. De volledige toon van deze brief suggereert dat ze het leven een beetje als een lachertje opvatten.

(3) Het woord dat vertaald wordt als ‘nood’ (of ‘beproevingen’, NBV), betekent gewoon ‘noodzakelijkheid’ of ‘dwang’. Waar Paulus naar verwijst is noch de wederkomst van Christus, noch vervolging, maar de huidige ‘noodzakelijkheid’, de huidige ‘dwang’, van leven met het Einde in zicht. In tegenstelling tot heidenen en secularisten kunnen we onze belangrijkste vreugde niet laten afhangen van het huwelijk, van voorspoed of enige ander tijdelijk ding. Ze vallen allemaal onder de formule ‘alsof ze niet’ of ‘als zouden zij niet’: zij moeten leven in deze wereld ‘als zouden zij haar niet ten einde toe gebruiken. Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen’. (7:31, cursief toegevoegd). Er zijn verantwoorde manieren voor christenen om van deze dingen te genieten, of te huilen of blij te zijn – maar nooit alsof deze dingen het einddoel zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 september 2012

'De HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen' (1 Sam. 25)


1 Samuel 25, 1 Korinthiërs 6, Ezechiël 4, Psalmen 40-41

Hoewel heel interessant en met handige karakterschetsen, vraag je je toch af waarom het verhaal dat we vinden in 1 Samuel 25 is opgenomen. Hoe helpt het de verhaallijn van 1 en 2 Samuel verder?

Eens we de sociale gebruiken van die tijd begrijpen, is het verslag zelf duidelijk. Blijkbaar wordt David op dit ogenblik niet actief vervolgd door Saul (Zie 1 Sam. 24), maar de relaties zijn nog altijd zodanig broos dat David en zijn mannen ver bij Saul uit de buurt blijven. Veel van deze cultuur was verbonden met twee waarden die velen in het westen maar zelden kennen:

(1) Elke goede daad moet noodzakelijkerwijs terugbetaald worden met een andere. De vormen van beleefdheid strekken zich uit tot wederzijdse geschenken. Falen op dit gebied brengt schande over de persoon die tekortschiet, en behandelt de andere persoon met minachting.

(2) De eisen van gastvrijheid maken duidelijk dat het onredelijk is om een ander af te wijzen. Dit zou onbeschoftheid en hebzucht aantonen. De zuivere beleefdheid vereist dat je het beste aan je gasten aanbiedt. Dit is zeker waar wanneer iemand rijk is. Wanneer Davids mannen dus bij Nabal aan de deur komen, vragen ze niet om beschermingsgeld. Wanneer Nabal hen terug op weg zendt, is hij geen oprecht man die weigert om afgeperst te worden door een boef, maar een ondankbare wrek die neemt en neemt van iedereen, nooit iets in ruil teruggeeft en zijn neus ophaalt voor de hoffelijkheidsregels en –conventies van de cultuur. Hij brengt schande over zichzelf en is onverschillig voor wat mensen van hem denken. Hij behandelt de man die bijdroeg tot de rijkdom en het welzijn van zijn bedrijf, met onaanvaardbare minachting.
Abigail slaat het beste figuur in het verhaal. Met genade en tact stilt ze Davids toorn en redt ze de levens van haar man en de mannen in zijn dienst.

David is een tweeslachtig figuur. In het licht van de tijd had hij ongetwijfeld enige grond voor de wraakneming die hij plande, maar het voorspelde alleen maar meer bloedvergieten en een leiderschapsstijl die de troon zou bevlekken die hij op een dag zou bezetten.

Abigail ziet dit allemaal – en ze weet hem met succes te overtuigen dat ze het bij het rechte eind heeft.

Dus waarom is het verslag opgenomen? Oppervlakkig bekeken zijn er natuurlijk kleine aanwijzingen dat David dichter komt bij de troon. Samuël, de profeet die hem zalfde, is dood (25:1). David staat nu aan het hoofd van een gewapende bende van zeshonderd man. Abigail vertegenwoordigt het groeiend aantal Israëlieten dat erkent dat David vroeg of laat hun koning zal zijn (25:28, 30).

Maar bovenal gaat David nu in een andere morele richting dan Saul. Terwijl de macht van Saul is toegenomen, is ook zijn wraakzucht gegroeid. David evolueerde in dezelfde ellendige richting, tot Abigail hem ontmoet, zoals hijzelf erkent (25:32-34). Hier liggen belangrijke lessen voor veel krachtige christelijke leiders.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 31 augustus 2012

'Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur' (1 Kor. 5)


1 Samuel 24, 1 Korinthiërs 5, Ezechiël 3, Psalm 39

In het geval iemand 1 Korinthiërs 4 leest en daaruit zou afleiden dat er in de kerk of gemeente helemaal geen sprake kan zijn van welke regels ook – want het navolgen van regels vereist oordelen, niet? – dan biedt het volgende hoofdstuk, 1 Korinthiërs 5, een geval waarin Paulus de gemeente in Korinthe de les leest omdat ze geen oordeel en tucht uitgeoefend hebben. We moeten een beetje stilstaan bij de zaak op zich, en dan wordt die onderweg gelinkt aan het vorige hoofdstuk.

Paulus benadrukt dat, met betrekking tot de man die hij beschrijft in 5:1, er sprake is van twee zonden. De eerste is seksueel. Een lid van de gemeente ‘leeft met de vrouw van zijn vader’ (of: ‘heeft’ de vrouw van zijn vader). Het specifieke taalgebruik suggereert dat hij slaapt met zijn stiefmoeder. In elk geval is de zonde zodanig grof dat ze zelfs door heidenen schokkend zou bevonden worden.

De tweede zonde is de slappe reactie van de kerk. Ondanks deze zondigheid in hun midden, blijft hun voorliefde voor hoogmoedig geparadeer, dat opduikt in vele hoofdstukken van 1 en 2 Korinthiërs, onverminderd voortduren. Ze hadden verteerd moeten worden door smart; ze hadden de man die dit deed uit hun midden moeten verwijderen (5:2).

We kunnen niet bij alle elementen van dit oordeel stilstaan, maar let op het volgende:

(1) Het oordeel dat Paulus wil uitgevoerd zien, moet gemeenschappelijk zijn. De volledige gemeente, ‘vergaderd (…) met de kracht van onze Here Jezus’ (Eng.: assembled in the name of our Lord Jesus) (5:4), moet in het bewustzijn van zijn krachtige aanwezigheid actie ondernemen. Dus is het gebrek hieraan een falen van de hele gemeente.

(2) Een van de redenen om deze actie te ondernemen, is omdat ‘een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt’ (5:6); zonde in de gemeente waar niemand iets aan doet, tast gauw de hele gemeente aan.

(3) Dit heeft niets te maken met tucht uitoefenen tegenover de wereld buiten. Paulus veronderstelt dat de wereld buiten de gemeente zal toelaten dat zonde voortwoekert. Waar hij aan denkt is tucht binnen de gemeente van God (5:9-10).

(4) Paulus’ begrip van welke wandel onder gemeentelijke tucht valt, gaat verder dan het seksuele terrein, of dan die specifieke vorm van seksuele zonde. Het is zijn bedoeling belangrijke morele afval hierbij in te sluiten en hij geeft een lijst met voorbeelden: hebzucht, afgodendienst, laster, dronkenschap, oplichterij. Elders voegt hij nog twee andere terreinen bij de belangrijke morele overtredingen: belangrijke leerstellige afwijking, en aanhoudende drang tot scheuringen. Nu roept hij op dit alles te ‘oordelen’ (5:12-13). Christenen moeten hen oordelen die ‘in uw kring zijn’ (‘binnen’), terwijl God hen oordeelt die ‘buiten’ zijn.

Op zijn minst moeten hoofdstuk 4 en 5 in creatieve spanning gehouden worden. Nog belangrijker, de Korinthiërs in hoofdstuk 4 oefenden oordeel uit ‘boven hetgeen geschreven staat’ (4:6), d.w.z. onderhielden regels en criteria waarvoor in Gods openbaring geen basis bestaat, en uit louter belang van partijschappen. Ondertussen oefenden ze geen tucht uit in hoofdstuk 5, ondanks wat de Schrift, welbegrepen, duidelijk maakt. Beide zijn inbreuken tegen Gods openbaring.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 augustus 2012

'Hij, die mij beoordeelt is de Here' (1 Kor. 4)



1 Samuël 23, 1 Korinthiërs 4, Ezechiël 2, Psalm 38

Paulus heeft de Korinthiërs in 1 Korinthiërs 3 verteld hoe ze dienstknechten van Christus niet mogen zien. Ze mogen geen enkele specifieke dienstknecht van Christus als een groepsgoeroe beschouwen, want dat zou impliceren dat andere dienstknechten minderwaardig zijn. Wanneer elke groep binnen de gemeente haar eigen christelijke goeroe heeft, brengt dit twee kwaden met zich: onnodige verdeeldheid binnen de gemeente, en een bedilzieke verwaandheid die oordeel uitspreekt over wie er waard is om een goeroe te zijn en wie niet. Paulus benadrukt dat alles wat God voor de kerk heeft in een Paulus of een Apollos of een Kefas rechtmatig toekomt aan de hele gemeente (3:21-22).

Bij het begin van 1 Korinthiërs 4 gaat Paulus verder met de Korinthiërs te vertellen hoe ze dienstknechten van Christus dan wel moeten zien: ‘als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd’ (4:1). Het woord dat wordt weergegeven als ‘geheimenissen’ (of ‘geheimen’ in NBV) betekent niet ‘mysterieuze dingen’ of ‘dingen die alleen de elite van de uitverkorenen kan leren’. Het woord wordt vaak weergegeven als ‘mysteries’ in onze oudere vertalingen.
In het Nieuwe Testament verwijst het meest naar iets dat God in het verleden in een bepaalde mate omsluierd hield, verborgen, of geheim, maar nu overvloedig duidelijk maakt in Christus Jezus.

Kort gezegd, deze ‘dienstknechten van Christus’ werd het evangelie toevertrouwd – alles wat God duidelijk gemaakt heeft in de komst van Jezus Christus.
Zij die dit vertrouwen kregen moeten hun trouw bewijzen tegenover degenen aan wie zij verantwoording afleggen (4:2). Om die reden weet Paulus dat het van weinig belang is hoe de Korinthiërs hem zien; en hoe hij zichzelf ziet speelt ook al geen grote rol (4:3). Paulus weet dat het belangrijk is om een rein geweten te bewaren voor de Heer.
Maar het is mogelijk om een rein geweten te hebben en toch aan veel dingen schuldig te zijn, omdat het geweten geen perfect instrument is. Het geweten kan verkeerd geïnformeerd zijn of verhard. De enige persoon wiens oordeel absoluut correct is, en van ultiem belang, is de Heer zelf (4:4).

Hieruit volgt dat de Korinthiërs zichzelf niet mogen aanstellen als rechters over alle ‘dienstknechten van Christus’ die Christus stuurt. Wanneer de Heer terugkomt, zal de finale afrekening duidelijk worden. Op dit punt zegt Paulus: ‘En dan zal God het zijn die ieder de lof geeft die hem toekomt’ (4:5 NBV) – een wonderlijke gedachte, want het lijkt erop dat de uiteindelijke Rechter meer bemoedigend en positief zal blijken dan vele menselijke rechters.

Er blijft ruimte in de gemeente voor onderscheidingsvermogen en oordeel: zie de overdenking van morgen! Maar er zijn altijd hordes critici die ‘gaan boven hetgeen geschreven staat’ (4:6) met wettische tests op het vlak van hun eigen chagrijnige afsplitsing, waarbij ze zichzelf verbinden aan hun goeroes en de rest verachten. Ze denken vaak dat ze profetisch zijn, waarbij hun aanspraken dicht komen bij het zich toe eigenen van Gods plaats.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 augustus 2012

'Alleen God is belangrijk, want hij doet groeien' (1 Kor. 3)



1 Samuel 21-22; 1 Korinthiërs 3, Ezechiël 1, Psalm 37
De twee uitgebreide metaforen die Paulus gebruikt in 1 Korinthiërs 3:5-15 leren in grote lijnen dezelfde les, hoewel elk ervan een speciale nuance overbrengt die niet gevonden wordt in de andere.

In de metafoor uit de landbouw (3:5-9) is de Heer de landbouwer, Paulus maakt de grond klaar en doet het plantwerk, Apollos begiet de jonge plantjes en de Korinthiërs zijn ‘Gods akker’ (3:9). In zijn verband, ontworpen om de neiging tot verdeeldheid van de Korinthiërs te bestrijden, gebaseerd op het feit dat ze zich verbinden met specifieke ‘helden’ (3:3-4), is het Paulus’ bedoeling aan te tonen dat hij en Apollos geen concurrenten zijn, maar ‘medearbeiders’ (5:9) – zelfs ‘Gods medearbeiders’ (d.w.z. ze zijn medearbeiders die God toebehoren, niet medearbeiders samen met God, alsof God deel uitmaakt van een drietal).

Niet alleen dat, maar noch Paulus, noch Apollos kan vrucht garanderen: alleen God doet het zaad groeien (3:6-7). Dus waarom zou je dan die positie van verering van ofwel Paulus ofwel Apollos innemen?

De architecturale metafoor leert aanvankelijk dezelfde les: de verschillende bouwers dragen allen bij tot één gebouw, en daarom zou geen van hen moeten verafgood worden. Nu zijn de Korinthiërs niet het veld, maar het gebouw zelf (3:9-10). Paulus legde het fundament voor dit gebouw; anders gezegd, hij plantte de kerk in Korinthe. Het fundament dat Paulus legde is Jezus Christus zelf (3:11).

Sinds Paulus dit bouwproject verliet, zijn anderen gekomen die voortbouwden op dit fundament. Dus leert de architecturale metafoor impliciet dezelfde les die de landbouwmetafoor expliciet leerde.

Maar nu gaat de architecturale metafoor in een lichtelijk andere richting. Paulus benadrukt dat latere bouwers verantwoordelijk zijn om het materiaal met zorg te kiezen dat ze in dit gebouw gebruiken (3:12-15).

Er komt een ‘dag’ (3:13), de dag van het oordeel, waarop alles wat niet kostbaar is in Gods ogen verteerd zal worden. Het is mogelijk dat een bouwer zulk ondeugdelijk materiaal kon gebruiken dat op het einde alles wat hij gebouwd heeft verteerd wordt, zelfs al ontkomt hij dan zelf aan de vlammen.

Twee opmerkingen:

(1) De persoon die Paulus beschrijft als ‘gered, maar door het vuur heen’ (3:15), is niet een of andere zuivere naamchristen wiens wandel in niets verschilt van gelijk welke heiden. Dergelijke personen komen het koninkrijk niet in (6:9-10). Dit is een ‘bouwer’, niet de menigte van christenen die het ‘gebouw’ vormen (3:10). De vraag is of deze evangelisten en opzieners het goede materiaal gebruiken.

(2) In 3:16-17 wordt het gebouw, de kerk van God, een tempel. Later is Gods tempel het lichaam van de individuele christen (6:19-20), maar hier is het de plaatselijke kerk. God heeft dit gebouw zo lief, dat hij openlijk dreigt te vernietigen wie Gods tempel vernietigen. Breng de kerk schade toe en je schendt Gods tempel – en God zal jou vernietigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 augustus 2012

De HERE zal tussen mij en u staan voor altijd (1 Sam. 20)


1 Samuel 20, 1 Korinthiërs 2, Klaagliederen 5, Psalm 36

Er zijn niet veel hoofdstukken in de Bijbel die veel ruimte wijden aan het thema vriendschap, maar 1 Samuel 20 is er een van.

Strikt gesproken gaat 1 Samuel 20 natuurlijk niet over vriendschap op zich, zoals vriendschap als thema uitgewerkt wordt door een begaafde romanschrijver. Het verslag past in een groter verhaal van de neergang van Saul en de opkomst van David, een belangrijk keerpunt in de heilsgeschiedenis. Maar de manier waarop het verslag zich ontvouwt draait in belangrijke mate rond de relatie tussen Jonatan en David.

Jonatan blijkt een zeer bewonderenswaardige jongeman. Eerder had hij al aanzienlijke fysieke moed vertoond toen hij en zijn wapendrager een contingent Filistijnen wisten te verslaan (1 Sam. 14). Toen David aan het Koninklijke hof kwam, had je kunnen verwachten dat Jonatan vele kwaadwillige emoties zou vertonen: jaloezie over Davids groeiende populariteit, een geest van concurrentie op militair vlak, zelfs vrees dat David hem op een dag zijn recht op de troon zou afnemen.

Maar de ziel van Jonatan raakte ‘verknocht aan die van David; en Jonatan had hem lief als zichzelf’ (18:1). Hij ging een ‘verbond’ aan met David, dat eigenlijk van David zijn eigen broer maakte (18:3-4) – een verbazingwekkende stap voor iemand van koninklijken bloede tegenover een gewone burger.

Eer we bij hoofdstuk 20 aanbelanden, is Jonatan zich ervan bewust dat David op een dag koning zal zijn. Hoe hij tot die kennis kwam kunnen we niet met zekerheid zeggen. Gezien hun vriendschap is het niet uitgesloten dat David Jonatan had verteld over zijn zalving door Samuel.

Niet alleen deelt Jonatan zijn vaders boosaardigheid niet, maar, nadat hij ook al een keer een verzoening tussen zijn vader Saul en David kon bewerkstelligen (19:4-7), kan hij moeilijk geloven dat zijn vader onverbiddelijk vastbesloten is David te doden, zoals David gelooft (20:1-3).

Dus wordt het uitgewerkte plan uit dit hoofdstuk in werking gesteld. Jonatan ontdekt dat zijn eigen vader vastbesloten is over de dood van Jonatans beste vriend. Zijn vader is zelfs zo woest dat Jonatan zelf in doodsgevaar is (20:33).

David en Jonatan ontmoeten elkaar. Ze hernieuwen hun verbond, zoals ze later nog een keer zullen doen (23:17-18). David van zijn kant verbindt er zich toe te zorgen voor Jonatans familie indien en wanneer Jonatan er niet langer is – een voorbode voor wat nog zal volgen, en nogal verschillend van het normale bloedvergieten dat meestal volgde als een nieuwe koning alle potentiële troonopvolgers van een voorgaande dynastie uit de weg probeerde te ruimen.

Maar misschien is het meest treffende wel dat Jonatan in de stad blijft bij zijn vader. Want de realiteit is dat we onze vrienden kiezen, maar onze familie niet; maar toch krijgen onze verantwoordelijkheden tegenover onze families een hogere prioriteit. Anders wordt de vriendschap zelf een excuus voor een nieuwe vorm van zelfzucht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 27 augustus 2012

'De gemeente van God … geheiligd door Christus Jezus' (1 Kor. 1)


1 Samuel 19, 1 Korinthiërs 1, Klaagliederen 4, Psalm 35
Evangelicalen trekken regelmatig een duidelijke grens tussen rechtvaardiging en heiliging. Rechtvaardiging is Gods verklaring dat een individuele zondaar rechtvaardig is – een verklaring die niet gegrond is op het feit dat hij of zij rechtvaardig is, maar in Gods aanvaarding van Christus’ dood in de plaats van die van de zondaar, in God die aan de zondaar de gerechtigheid van Christus schenkt.

Het markeert het begin van de pelgrimsreis van de gelovige. Vanuit het oogpunt van de gelovige is gerechtvaardigd worden een definitieve ervaring, verbonden met Gods plannen in de dood van Christus, eens en voor altijd.

In contrast daarmee, werd heiliging in de Protestantse traditie gewoonlijk verstaan als verwijzend naar het proces waardoor gelovigen geleidelijk aan heiliger worden. (Heilig en geheiligd/heiliging hebben in het Grieks dezelfde wortel). Dit is geen ervaring van eens en voor altijd; het weerspiegelt een levenslange pelgrimstocht, een proces dat niet definitief voltooid zal zijn tot het ontstaan van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het is niet wat God ons schenkt, hoe Hij ons beschouwt; het is wat we, door Hem bekrachtigd, kunnen worden.

Als we niet het onderscheid kunnen maken tussen rechtvaardiging en heiliging, eindigt dit meermaals in een vervaging van de rechtvaardiging. Als rechtvaardiging een nuance van persoonlijke groei in gerechtigheid krijgt, dan duurt het niet lang of de gerechtelijke, verklarende aard van de rechtvaardiging verdwijnt uit het zicht, en via de achterdeur halen we weer een bepaalde werken-gerechtigheid binnen.

Historisch is de waarschuwing natuurlijk heel terecht gebleken. Men moet altijd waakzaam zijn de nadruk van Paulus op rechtvaardiging te bewaren. Maar de HEILIGING-woordgroep werd door deze analyse niet altijd goed gediend. Zij die Paulus bestuderen hebben lang opgemerkt dat soms van mensen gezegd wordt dat ze ‘geheiligd’ zijn in een POSITIONELE of DEFINIËRENDE zin – dit wil zeggen, ze worden apartgezet voor God (POSITIONEEL), en daarom zijn ze al geheiligd (DEFINIËREND). In dergelijke passages gaat het niet over het proces van progressief heilig worden.

De meeste Schriftplaatsen waar Paulus het heeft over ‘heilig’ worden of ‘geheiligd’ vallen onder deze POSITIONELE of DEFINIËRENDE categorie. Dit is beslist het geval in 1 Korinthiërs 1:2: Paulus schrijft ‘aan de gemeente van God in Korinte, geheiligd door Christus Jezus, aan hen die zijn geroepen om zijn heiligen te zijn’ (NBV). De Korinthiërs zijn al geheiligd: ze zijn apartgezet voor God. Daarom zijn ze geroepen om heilig te zijn – d.w.z. om te leven in lijn met hun roeping (waar ze over het algemeen in gefaald hebben, en dan nogal opvallend ook, te oordelen naar de rest van het boek).

Natuurlijk zijn er veel passages die spreken over groei en vooruitgang die niet de term ‘HEILIGING’ gebruiken; denk om te beginnen maar eens na over Filippenzen 3:12-16. Als we kiezen om ‘HEILIGING’ te gebruiken als een term uit de systematische theologie om deze groei te beschrijven, doen we er niet verkeerd aan. Maar dan mogen we deze betekenis niet teruglezen in Paulus’ gebruik van het woord op momenten waar zijn focus elders ligt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 26 augustus 2012

Van jaloezie tot een bazooka voor een vlieg (1 Sam. 18)



1 Samuel 18, Romeinen 16, Klaagliederen 3, Psalm 34
De soort jaloezie beschreven in 1 Samuël 18 is iets vreselijks.

(1) Ze is gegrond in een lelijke zelfgerichtheid, een zelfgerichtheid die geen grenzen kent. In zijn wereld moet Saul nummer één zijn. Dit betekent dat gelijken hem niet mogen overtroeven of hij wordt jaloers. Op geen enkel ogenblik bekijkt hij zaken vanuit het standpunt van een ander – Davids perspectief, bijvoorbeeld, of dat van Jonathan. Uiteindelijk kan hij al evenmin iets bekijken vanuit Gods standpunt ook.
Zijn zelfgerichtheid behoort tot de soort waarbij je jezelf in het middelpunt plaatst. Dit vormt de kiem van alle menselijke zondigheid. Maar in graad en intensiteit is ze zo teugelloos dat ze tegelijk elke realiteitszin verliest en de meest elementaire afgoderij aanneemt.

(2) Ze wordt veroorzaakt door eindeloze vergelijkingen, eindeloze inschattingen van wie opklimt en wie neerwaarts gaat. Zo zie je dat, als Davids successen Saul goed uitkomen, Saul tevreden is; maar als iemand begint vergelijkingen te maken tussen Saul en David die in enige mate stekelig zijn voor Saul, is hij jaloers (18:7-8). In zoverre Davids successen een indicatie vormen van het feit dat ‘de HERE met David was’ (18:12-28), is Saul jaloers omdat hij weet dat de Here niet met hem is. De tragedie is dat die erkenning geen berouw voortbrengt, maar jaloezie. Zelfs de liefde die Sauls dochter Michal koestert voor David, verergert de jaloezie van Saul (18:28-29).

Het kan niet anders of deze soort en mate van jaloezie is heel erg verbonden met vrees; steeds weer wordt ons verteld dat Saul David vreesde (18:12, 15, 29). David is een ondraaglijke bedreiging geworden. Jaloezie van die orde kan geen bekwaamheid verdragen in anderen.

Het moet gezegd dat veel leiders, en net zo goed christen leiders, zelfs al bezwijken ze niet voor deze graad van boosaardigheid, wel de posities rond hen invullen met minder bekwame mensen. Ze denken dat ze daardoor hun eigen imago of autoriteit kunnen in stand houden. Dat is natuurlijk niet zo; ze worden gewoonweg de meesters van onbekwame kabinetten. Op lange termijn wordt hun eigen reputatie slechter. Maar jaloezie is een zodanig verblindende zonde dat dergelijke voor de hand liggende werkelijkheden niet toegegeven kunnen worden.

(3) In de ergste gevallen is deze soort jaloezie progressief verterend. Ze knaagt aan Sauls gedachten en groeit als een kanker. Ze barst uit in ongecontroleerd geweld (18:10-11); ze sluipt binnen in verwrongen plannen waarin Sauls eigen gezin betrokken raakt (18:20-27). In de hoofdstukken die voor ons liggen nestelt de jaloezie zich in iets dat woede overstijgt – meedogenloze haat die de strijdkrachten ontplooit tegen een onschuldige man die maakt dat Saul zich onzeker voelt.

Een gelovige die boven alles wil dat de naam van de Heer wordt verheven, die oprecht het goede wenst voor het volk van God, en die in volkomen vrede zijn of haar reputatie aan God kan toevertrouwen, zal nooit bezwijken voor de zonde van jaloezie.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 augustus 2012

'Ik treed u tegemoet in de naam van de HERE der heerscharen' (1 Sam. 17)


1 Samuel 17, Romeinen 15, Klaagliederen 2, Psalm 33
De namen van David en Goliath (1 Sam. 17) halen een verhaal voor de geest dat velen kennen uit hun jeugd. Soms wordt van David een heel kleine jongen gemaakt, maar in werkelijkheid is hij minstens een jongeman die zowel een leeuw als een beer verslagen heeft.

Maar vandaag staat het koppel namen symbool voor kleine mensen en organisaties die het opnemen tegen de ‘Goliaths’. Ongetwijfeld kunnen we lessen trekken over durf en moed, maar de belangrijkste lessen liggen langs lichtelijk verschillende lijnen.

(1) Misschien zou je eerst moeten nadenken over de wat obscure chronologie. Tegen het einde van 1 Samuel 16 verschijnt David al aan Sauls hof om kalmerende muziek te spelen; maar na Davids gevecht met Goliath moet Saul nog altijd ontdekken wie deze jonge man is (17:55-58). Skeptische uitleggers beweert dat het probleem niet kan opgelost worden, en leiden daaruit af dat hier een heleboel materiaal niet-historisch is.
Maar:

(a) Er is geen specifieke reden waarom Saul speciaal onderzoek had moeten verrichten naar de achtergrond van gewoon nog een muzikant aan het koninklijke hof, hoe kalmerend diens muziek ook was. Het is mogelijk dat Saul niet gemotiveerd was om dit uit te zoeken tot na de gebeurtenissen in hoofdstuk 17.

(b) Meer waarschijnlijk hebben de gebeurtenissen in hoofdstuk 17 plaatsgevonden voor 15:14-23. Hebreeuwse werkwoorden brengen niet hetzelfde onderscheid in tijden aan zoals bijvoorbeeld Engelse (of Nederlandstalige, JL) dat doen, en er is aangetoond dat er geen reden is waarom we 17:1, ‘De Filistijnen nu verzamelden hun leger …’ enz., niet zouden kunnen vertalen als belangrijke achtergrond leverend voor de relatie tussen Saul en David verder aandacht krijgt in de volgende hoofdstukken.

(2) Hoewel Davids woorden tot de soldaten (17:26) kunnen verstaan worden als de onstuimige arrogantie van een onbeproefde jongeling (en zeker Davids broer Eliab zag het op die manier, 17:28), maar achter de brutaliteit vind je een duidelijke zorg voor de glorie van God, een bekommernis die hem ertoe aanzet om Goliath te antwoorden zonder een aanwijzing van persoonlijke branie, maar met een overvloedige dosis geloof (17:45-47).

Natuurlijk verstoppen manipulatoren zich vaak achter God-gepraat. Maar David is niet van die soort. In deze fase van zijn leven kan je hem misschien verwijten dat het hem aan het poetsmiddel van terughoudendheid ontbreekt , maar zijn hart zit tenminste op de goede plaats.

(3) Bovenal moet je dit hoofdstuk niet lezen zonder terug te denken aan de zalving van David door Samuël: ‘Van die dag af greep de Geest des HEREN David aan’ (16:13). Daar ligt de bron van de Godgerichtheid, de bron van de moed, van de zeer duidelijke doelstelling, van de grote overwinning, en van het verhogen van de naam en glorie van God.
De tekst roept ons niet op om David te bewonderen, de mens en niet meer dan dat, de oproep is om stil te staan bij wat de Geest van God kan doen door middel van één persoon.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 augustus 2012

'De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan' (1 Sam. 16)



1 Samuel 16, Romeinen 14, Klaagliederen 1, Psalm 32


De zalving van David tot Koning over Israël (1 Sam. 16:1-13) is heel interessant, ook al volgt zijn troonsbestijging pas vele jaren later.

(1) Soms zijn profeten en predikers trager om een slechte leider te laten gaan dan de Almachtige God (16:1). Dit is niet omdat wij barmhartiger zijn dan God, maar omdat passiviteit of nostalgie of persoonlijke banden van genegenheid ons verblinden voor de duidelijke schade die de leider aanricht. Hoe groot ook zijn mededogen, God is nooit verblind.

(2) Saul was tot de troon verheven omdat God dit zo bepaald had. Is hij zo dwaas om te denken dat hij God te slim af kan zijn om die positie te kunnen behouden? Het is bijzonder droevig om te ontdekken dat Samuel vreest om de volgende koning te zalven, omdat Saul iedereen zal doden, zelfs een profeet van God, die een bedreiging vormt voor het koningshuis waarvan God zelf verklaard heeft dat het er nooit zal komen.

(3) Saul leek zeer beloftevol toen hij pas tot de troon verheven was. Nu denkt Samuel dat hij koninklijk materiaal bespeurt in de zonen van Jesse – bijvoorbeeld in Eliab, de eerstgeborene. Maar God zegt: ‘Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan’ (16:7). Dit is een les die opnieuw moet geleerd worden, in het bijzonder in onze tijd, want onze tijd houdt meer van beelden dan van realiteit. Zelfs bepaalde predikers wijden meer aandacht aan hoe ze zich ‘succesvol kunnen kleden’ (Eng.: dress for success) en hoe ze een dwingende en autoriteitsvolle stem kunnen ontwikkelen, dan aan het bewaren van een zuiver hart.

(4) De belangrijkste factor in het leven en de dienst van David is de Geest van de Heer die hem ‘aangreep’ (16:13; HSV: vaardig over hem werd). Dit is de normale verwachting van die profeten, priesters, koningen en een aantal andere leiders, die speciale rollen vervulden onder de bepalingen van het oude verbond. Hoe moeilijk het ook is om in dergelijke zaken onderscheidingsvermogen aan de dag te leggen, toch kun je niet genoeg of te luid zeggen dat wat de kerk vandaag nodig heeft, leiders met zalving (Eng.: ‘unction’) zijn – een woord dat de puriteinen graag gebruikten. Dit is wat het ook eenvoudig betekent: zalving (Eng.: ‘anointing’), dit wil zeggen:een zalving door de Geest. Is het teveel gevraagd in een tijdperk waarin onder de bepalingen van het nieuwe verbond, ieder die deel uitmaakt van het verbondsvolk van
God, de Geest ontvangt die werd uitgestort op Pinksteren?

(5) Het kan niet anders dan dat zij die hun Bijbel kennen een bepaalde opwinding voelen bij de eenvoudige woorden van vers 12. Daar vertelt de Heer aan Samuël met betrekking tot David: ‘Sta op, zalf hem, want deze is het’. Ja, David was de man. Hier is het veelbelovende begin van een belangrijke nieuwe stap in de heilsgeschiedenis, een begin dat rechtstreeks leidt naar de meest vooraanstaande van Davids nakomelingen – en tegelijk zijn Heer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.