zondag 6 september 2015

Hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen (Ez. 9)

1 Samuël 31; 1 Korintiërs 11; Ezechiël 9; Psalm 48

Zo Ezechiël 8 de verworden eredienst beschrijft die in Jeruzalem aan de gang was in de jaren die leidden naar haar verwoesting in 587 v.C., dan beschrijft Ezechiël 9 iets van wat God eraan doet.

Er is zowel een negatieve component als een positief element. In zijn visioen hoort Ezechiël Gods roep tot de wachters van de stad (9:1), meer bepaald de verdelgers van de stad. Er dagen zes mannen op, ‘ieder met zijn vernietigingswapen in de hand’ (9:2).

Een zevende man, in linnen gekleed, heeft een schrijverskit aan zijn zijde. God draagt hem op een merkteken op de voorhoofden aan te brengen van wie aan de slachting zullen ontkomen; hij draagt de verdelgers op door de stad te gaan en neer te slaan met de specifieke instructie: ‘ontziet niet en hebt geen deernis’ (9:5), te beginnen bij het heiligdom zelf. ‘Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich vóór de tempel bevonden’ (9:6).

Terwijl ze hun griezelige taak voortzetten, roept Ezechiël uit, ‘Ach, Here HERE, gaat Gij nu heel het overblijfsel van Israël verdelgen door uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?’ (9:8). De Heer antwoordt met een vernietigende aanklacht (9:9-10) die een woordspel bevat: het volk van Israël beweert dat de Heer niet ‘ziet’ of ‘kijkt’, dus is de Heer vastbesloten hen niet te ‘ontzien’ (zien/kijken) en geen deernis te hebben. Hij is vastbesloten: ‘hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen’ (9:10).

Aan het positieve element is al gealludeerd. Niet iedereen wordt gedood. De zevende man, de man met het schrijfgerief, trekt door de stad terwijl hij een kenteken op de voorhoofden aanbrengt bij de ‘mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden’ (9:4).

De verdelgers wordt strekt verboden deze mensen kwaad te doen (9:6). Let wel: zij die gespaard worden zijn niet degenen die eenvoudig aan de zijlijn zitten, maar zij die actief rouw bedrijven over de geestelijke neergang van de stad. Ze hebben misschien niet de kracht om verandering te bewerken, maar ze zijn niet gezonken in de lethargie van zorgeloze onverschilligheid. En God spaart hen.

Natuurlijk vindt al het beschrevene hier plaats in Ezechiëls visioenenwereld. In de echte wereld mogen we niet denken dat alle rechtvaardigen en alleen de rechtvaardigen ontkwamen aan alle lijden dat gepaard ging met de belegering door Nebukadnessar: de Bijbel staat vol verhalen waarin rechtvaardige mensen lijden (bijv. Naboth de bezitter van de wijngaard).

Wat dit visioen wel betekent is dat God zelf het oordeel beveelt, en dat God vrijpleit wie trouw bewijst aan het verbond. Vergelijkbare symboliek wordt terug opgepikt tegen het einde van Openbaring 13 en aan het begin van Openbaring 14 (zie vol. I, overdenking voor 23 december).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 5 september 2015

Nog meer gruwelen die zij bedrijven, zult gij zien (Ez. 8)

1 Samuël 29-30; 1 Korintiërs 10; Ezechiël 8; Psalmen 46-47

Ezechiël 8-11 bestaat uit één lang visioen.

Het openingsvers van Ezechiël 8 bepaalt het tijdstip op precies veertien maanden na het inauguraal visioen van de profeet, en daarom na de 390 dagen waarin hij gedurende een bepaald deel van elke dag op zijn linkerzijde lag en de noordelijke stammen aanklaagde die al gevangen genomen waren, en na de 40 dagen waarin hij op zijn rechterzijde lag en de zonden van Juda en Jeruzalem aan de kaak stelde.

Op dit punt kan hij zijn adelbrieven als profeet al voorleggen, dus komen de oudsten van de ballingengemeenschap om hem te raadplegen (8:1). Mogelijk stellenze zich vragen over zijn symbolisch geladen acties en vragen ze hem wat er zal gebeuren met Jeruzalem, en of en wanneer ze weer naar huis zullen kunnen.
Ezechiël antwoordt niet voor de vuist weg. Eerder wacht hij, en hij krijgt een nieuw visioen, waarvan hij de inhoud uiteindelijk overbrengt aan de ballingen (11:25).

In dit visioen ziet hij iets van God in categorieën die doen denken aan die van het inauguraal visioen (hoofdst. 1). Binnen de visionaire wereld wordt Ezechiël door de Geest overgebracht naar Jeruzalem, bij de noordelijke poort. Hij krijgt diverse vreselijke voorbeelden van afgoderij en syncretisme te zien.

Ten eerste is hij getuige van de afgod die Gods naijver opwekt (8:3-6). Als het bij de noordelijke poort is, is het bij de poort die de koning en zijn gevolg zouden gebruiken op hun weg naar de tempel. De koning wiens verantwoordelijkheid het is het volk te leiden in verbondstrouw is de leider in compromis en syncretisme – en in lijn met zijn verbondsvoorwaarden, is God terecht jaloers (zie Ex. 20:1-17).

Ten tweede ziet Ezechiël zeventig oudsten die werkelijk schepselen aanbidden die, volgens het Mozaïsch verbond, zelfs onrein zijn om te eten en aan te raken (8:7-13).

Ten derde ziet hij vrouwen die in ernstige mate betrokken zijn bij Tammuz (8:14-15). De Tammuz-cultus was een vruchtbaarheidscultus, die agriculturele voorspoed toeschreef aan een god die sterft en opstaat. Bepaalde van deze cultussen waren ook vreselijk promiscue.

Uiteindelijk ziet Ezechiël priesters (want alleen zij konden tussen de zuilengang en het altaar zijn) met hun rug naar de tempel, terwijl ze de zon aanbidden – niet alleen verheugen ze zich meer in het schepsel dan in de Schepper (Rom. 1:25), maar ze overtreden ook het verbond (Deut. 4:19), mogelijk beïnvloed door de Egyptische zonnegod Ra.

Moderne vormen van afgoderij zijn natuurlijk anders. De meesten van ons zijn niet betrapt op rouw over Tammuz. Maar jagen onze harten dingen na die God terecht naijverig maken? Hebben we onreine en verboden dingen lief? Schrijven we succes toe aan alles behalve aan God? Misschien geven we ons niet over aan vruchtbaarheidscultussen, maar maakt onze cultuur seks zelf niet tot een God?

Het is onvermijdelijk dat een verworden eredienst God vervangt en relativeert en eindigt met het afstompen van de morele visie (8:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 4 september 2015

Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig (Ps. 45)

1 Samuël 28; 1 Korintiërs 9; Ezechiël 7; Psalm 45

Aan de ene kant is Psalm 45 een koninklijk huwelijkslied. Het openingsvers biedt ons een glimp in de passies van de psalmist bij het schrijven van zijn zinnen (vergelijk gelijkaardige introducties in 39:1-3; 49:1-4).

De rest van de Psalm wordt onderverdeeld in vijf delen.

Het eerste (45:3-6) schetst de majesteit en luister van de koning. ‘Gord uw zwaard aan de heup, gij held, uw majesteit en uw luister’ (45:4) – en streef naar waarheid, ootmoed en recht, zelfs terwijl je ‘geduchte daden’ stelt en militaire sterkte vertoont (45:5-6).

In het tweede deel (45:7-10) overdenkt de psalmist de persoon en toestand van de monarch en spreekt hem aan als God (45:7). De psalmist keert zich niet af van de monarch om God aan te spreken. Het volgende vers (45:8) bewijst dat hij nog altijd de koning aanspreekt, en perfect in staat is het onderscheid te maken tussen de koning als ‘God’ en God zelf: ‘daarom heeft, o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen’.

Dus is de uitspraak van vers 6 buitengewoon: ‘Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig’ – in eerste instantie verwijzend naar een Davidische koning, zoals de rest van de psalm aantoont.

In het derde deel richt de psalmist zich tot de bruid en moedigt hij haar aan tot levenslange trouw (45:11-13). Dit brengt met zich mee dat ze het huis van haar vader ‘vergeet’ (de tegenhanger van Gen. 2:24), en haar affecties en loyaliteit richt op haar man.

Het vierde deel beschrijft in het kort de bruidstoet (45:14-16), die tot het huwelijk zelf leidt. De details ervan geven het belang van de gelegenheid aan. De Schrift bagatelliseert het huwelijk nooit, zeker nooit het huwelijk van een Davidische koning.

In het vijfde deel (45:17-18), keert de psalmist terug naar de koning (de Hebreeuwse voornaamwoorden zijn mannelijk). De focus ligt op de vrucht van het huwelijk: erfgenamen die hun vaderen opvolgen. Dit toont aan dat de psalmist denkt in termen van gewone voortplanting en opvolging. Dit is niet een profetisch-messiaanse psalm.

Niettemin citeert Hebreeën 1:8-9 deze Psalm (45:6-7) om Jezus’ essentiële superioriteit te bewijzen over engelen. Slechts de Zoon wordt rechtstreeks aangesproken als ‘God’. Waarom voelt de schrijver van Hebreeën dat hij Psalm 45 op die manier kan gebruiken?

De omringende verzen tonen dat hij lang en hard heeft nagedacht over diverse passages en thema’s: 2 Samuël 7 (zie vol. I, de meditatie voor 12 september), een hoofdstuk dat een eeuwig Davidisch koningshuis belooft; diverse passages die de Davidische koning aan God linken als zijn ‘zoon’ (2 Sam. 7; Ps. 2 – in dit verband zie de overdenking voor 4 augustus); een compleet patroon of een ‘typologie’ waarin David gezien wordt als een schaduw, een type, een afschaduwing van een nog grotere ‘David’ die moet komen.

Als de Schrift (en dus God) een vroege Davidische monarch aanspreekt als ‘God’, hoeveel te meer verdient de ultieme David deze titel dan niet?


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 3 september 2015

Waak op! Waarom slaapt Gij, Here? (Ps. 44)

1 Samuël 27; 1 Korintiërs 8; Ezechiël 6; Psalm 44

Psalm 44 is een belangrijk verweer voor de thema’s die we hebben afgeleid uit de profeten. De grote profeten blijven een nauw verband zien tussen de zonden van Israël en de vernietiging die God over hen liet komen: het volk krijgt wat het verdient. Natuurlijk hebben we al eerder onschuldig lijden ontmoet, in het bijzonder in Job en in sommige Psalmen. Maar hier in Psalm 44 is sprake van het lijden van een onschuldig volk.

Er waren al nederlagen en zelfs wegvoeringen (44:12) nog voor de ballingschap (zie Amos 1:6, 1:9), dus kunnen we niet zeker zijn over wanneer deze Psalm geschreven werd. Nederlagen waren zelfs de goede koningen niet onbekend (bijv. Ps. 60).

Hier begint de psalmist met een blik op het verleden. Toen het volk tot aanzijn werd geroepen, hing alles af van Gods krachtige tussenkomst: het was ‘uw rechterhand en uw arm en het licht van uw aanschijn, omdat Gij in hen een welbehagen hadt’ (44:4).

De psalmist blikt niet terug op de nationale helden, al jammerend dat ze nu ontbreken. Hij kijkt terug naar Gods kracht in het verleden en benadrukt dat het volk nog steeds op God vertrouwt (44:7-9). Dus waarom die rampzalige nederlagen (44:10-17)?

Anders dan bij de grove zonden die Jesaja, Jeremia en Ezechiël veroordelen, triomfeert de trouw hier nog steeds: ‘Dit alles is ons overkomen, maar wij vergaten U niet, noch verloochenden wij uw verbond, ons hart werd niet afvallig, noch weken onze voetstappen van uw pad’ (44:18-19).

Minstens twee hints naar het einde van de psalm toe, hoewel ze geen ‘oplossingen’ bieden, nodigen de lezer uit om na te denken over de richting die genomen wordt door latere Bijbelschrijvers.

(1) Gods schijnbare slaap, zijn terugtrekking (44:24 e.v.) is soms geen openlijke toorn die over onze zonde wordt uitgestort, maar Gods eigen timing. Hij weigert te worden opgejaagd, en zijn onuitputtelijke liefde of ‘goedertierenheid’ (44:27) zal uiteindelijk triomferen.

De ups en downs van de christelijke geschiedenis ondersteunen hetzelfde standpunt: ze komen niet altijd overeen met diverse gradaties van loyaliteit of verschillende methodes. Zoals een commentator (F. D. Kidner) uiteindelijk stelde, ‘Hoewel het beeld van de slapende Heer ons misschien naïef lijkt, werd het toch in het Nieuwe Testament opgenomen, om ons een les te leren die nog steeds relevant is: vgl. vers 24 met Markus 4:38’.

(2) Nog verbazingwekkender zegt de psalmist ook: ‘Waarlijk, om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij worden gerekend als slachtschapen’, (44:23, cursief toegevoegd). Dit punt wordt niet ten volle uitgelegd, tot Paulus het vers citeert (Rom. 8:36 e.v.).

Maar het omhelst al de idee dat bepaald lijden niet het gevolg is van onze zonde maar simpelweg het gevolg van het trouw zijn aan God in een wereld die Hem de oorlog verklaard heeft. In dergelijke gevallen is lijden niet een teken van nederlaag, maar een bewijs van trouw en gemeenschap, zelfs van overwinning: wij zijn ‘meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad’ (Rom. 8:37).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 september 2015

Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal (Ez. 5)


1 Samuël 26; 1 Korintiërs 7; Ezechiël 5; Psalmen 42-43

In Ezechiël 5 breidt Ezechiël zijn lijst van parabolische acties nog met een actie uit, en dan zet hij Gods woord uiteen met hun betekenis.

Ezechiël scherpt een zwaard en gebruikt het als een scheermes. Hij scheert zijn hoofd, baard en alles. Nadat hij er een paar strengen van in zijn kleren heeft gebonden, verdeelt hij de rest in drie hoopjes. Het eerste legt hij in de stad (d.w.z. op de kleitablet die model staat voor de stad Jeruzalem, 4:1) en hij steekt de haren in brand, misschien met een brandende kool.

Een ander derde deel strooit hij uit rond de stad, en hakt ze dan fijn met zijn zwaard tot er maar minieme deeltjes van overblijven.

Het laatste derde deel strooit hij in de wind, enkele haartjes per keer, tot ze allemaal weggewaaid zijn. Enkele van de haren die in zijn kleren waren gebonden haalt hij nu uit en strooit ze op de smeulende kool en assen binnen het stadsmodel, en ook die vatten vlam en verteren.

De betekenis van dit alles wordt uiteengezet in 5:12: een derde van het volk zal omkomen binnen de stad (door de hongersnood van de belegering), een derde deel zal door het zwaard sterven bij de finale uitval, en het resterende derde deel zal verstrooid worden in ballingschap.

Het volledige hoofdstuk benadrukt dat het God zelf is die dit oordeel over zijn volk zal brengen: onderstreep elke keer er ‘Ik’ staat in 5:8-17. Dit is wat er gebeurt als de Heer schiet om te doden (5:16). ‘Ik zal wegens al uw gruwelen aan u doen wat Ik nog nooit gedaan heb en nooit meer zo doen zal’ (5:9); deze formulering betekent dat dit oordeel zo erg is als tijdelijke oordelen maar kunnen zijn.

Jezus zelf gebruikt vrijwel dezelfde woorden als het gaat over het komende oordeel over Jeruzalem in zijn eeuw (Mt. 24:21).

God zegt dat zijn toorn moet uitgestort worden. Maar deze toorn is geen onbeheersbare woedeuitbarsting. God benadrukt dat wanneer het oordeel ten volle uitgestort wordt, zijn grimmigheid gestild zal worden en zijn woede gekoeld (5:13).

Deze uitbarsting van toorn maakt deel uit van een reeks uitgesproken uitbarstingen van toorn van de zondeval af: de vloek in Genesis 3, de zondvloed, Babel, de slavernij in Egypte, diverse oordelen in de woestijn (inclusief het ronddolen in de woestijn gedurende veertig jaar), enzovoort.

In cycli van oordeel die overeenstemmen met cycli van bijzonder schandelijke zonde, giet God zijn toorn uit. Dit maakt allemaal deel uit van de noodzakelijke Bijbelse theologie achter Romeinen 3:20-26: er is geen oplossing voor de dreiging van Gods rechtvaardige toorn over zijn schepselen die tegen Hem in opstand zijn gekomen – tot de persoon van zijn God-Zoon zelf de toorn op zich neemt die wij verdienen, waarbij Hij zijn gerechtigheid bewaart terwijl Hij ons rechtvaardigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 1 september 2015

'Ik geef je rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen om je brood op te bakken' (Ez. 4)


1 Samuël 25; 1 Korintiërs 6; Ezechiël 4; Psalmen 40-41

Willen we de redenen begrijpen waarom Ezechiël geroepen werd voor de krachtige parabolische daden die we vinden in Ezechiël 4, dan moeten we onszelf in de plaats stellen van de ballingen. Zoals het volk thuis in Jeruzalem en Juda, konden velen onder hen zich niet voorstellen dat de stad en de tempel van de Grote Koning ooit verwoest konden worden. God zou dit gewoon niet laten gebeuren.

In algemene zin reageren de ballingen in Babylon op dezelfde manier tegenover Ezechiël als de Joden in Jeruzalem reageren tegenover Jeremia: ze geloven hem niet. In feite hebben de ballingen zonder meer stimulansen toegevoegd om hun valse hoop in stand te houden.

Zolang Jeruzalem standhoudt, kunnen ze de hoop voeden dat God hen zal redden en zal terugbrengen naar huis. Als Jeruzalem valt, zal er geen ‘thuis’ meer zijn naar waar ze kunnen terugkeren. Je kunt je voorstellen hoe uitgesproken negatief en zelfs onmogelijk de waarschuwingen van Ezechiël hen in de oren klinken.
Maar Ezechiël deinst niet terug.

(1) Hij begint met het tekenen van een beeld van Jeruzalem op een grote kleitablet – misschien de contouren of een of ander makkelijk te herkennen perspectief, zodat toeschouwers meteen kunnen zien wat hij doet. Rond de stad werpt hij onder meer belegeringswallen op alsof hij oorlogsspelletjes speelt met zelfgemaakt speelgoed.

Iedereen begrijpt dat dit betekent dat Jeruzalem zal belegerd worden. Dan houdt hij een ijzeren bakplaat over het model. Als Gods profeet staat hij voor God, en hij houdt de plaat op die manier alsof hij dreigt ze op de stad te storten en die te vernietigen – daarmee schetst hij het feit dat het God zelf is die de stad bedreigt.

(2) In het volgende gedeelte (4:4-8) brengt Ezechiël elke dag enige tijd door liggend op zijn linkerzijde. (Hij is er niet de hele tijd, natuurlijk, aangezien de volgende verzen tonen dat hij nog andere daden moet stellen).

Als zijn hoofd gericht is naar het model van Jeruzalem dat hij gemaakt heeft, en zijn lichaam ligt op een oost-west as, dan kijkt hij wanneer hij op zijn linkerzijde ligt naar het noorden, naar Israël, de tien stammen die al in gevangenschap zijn gegaan onder de Assyriërs. Hij doet dit elke dag gedurende 390 dagen (langer dan een jaar!). Dan dagen de toeschouwers op een dag op en ze vinden hem op zijn rechterzijde – kijkend naar het zuiden en dus Juda bedreigend met oordeel en rampspoed.

(3) Binnen een belegerde stad in de oude wereld, konden de mensen bij het slinken van de voorraden niet anders dan brood maken uit gedroogde bonen en linzen, vermengd met het kleine beetje bloem dat nog restte. Ze zouden hun onmogelijk kleine porties eten (ongeveer 220 gram ‘brood’) en nippen van hun minieme waterquota, en wegkwijnen. Ze zouden hun voedsel koken op rundermest (zoals in de sloppenwijken van India), omdat er geen hout meer was. Dit alles, voorspelt Ezechiël, omwille van ‘hun ongerechtigheid’ (4:17; NBV: ‘onder de last van hun schuld’).


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 31 augustus 2015

Eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis Israëls (Ez. 3)

1 Samuël 24; 1 Korintiërs 5; Ezechiël 3; Psalm 39

Het kan nuttig zijn twee van de thema’s uit Ezechiël 3, inherent aan de roeping van Ezechiël, toe te lichten:

Ten eerste toont het openingsgedeelte hoe belangrijk het voor de profeet is om mee te leven met God en zijn visie. Gaan we voort vanaf de slotzinnen van hoofdstuk 2 en tot in het begin van hoofdstuk 3, dan krijgt Ezechiël in zijn visioen de opdracht een boekrol te eten met daarop aan beide zijden ‘klaagliederen geschreven, gezucht en gejammer’ (2:10).

Ezechiël eet ze op en schrijft daarover ‘zij was in mijn mond zoet als honig’ (3:3). Waarom zou een boekrol vol ‘klaagliederen’ en ‘gezucht en gejammer’ zoet smaken? Het punt van het visioen is dat Gods woorden zoet worden voor Ezechiël, gewoonweg omdat ze Gods woorden zijn. God weet het echt het best, Hij weet wat goed is. Daarom is er zelfs wanneer zijn woorden oordeel en rampspoed uitdrukken, er een betekenis is waarin de profeet empatisch moet zijn met Gods perspectief.

Evenzo in de volgende verzen (3:4-9): Ezechiël wordt niet gezonden naar een of andere vreemde cultuur, waar de eerste stap bestaat uit het leren van de plaatselijke taal. Hij wordt geroepen te spreken tot het volk van zijn eigen erfdeel.

Niettemin zal hij zien hoe onwillig ze zijn naar hem te luisteren, precies omdat ze onwillig zijn te luisteren naar God (3:7). Dus belooft God: ‘Zie, Ik maak uw gezicht even hard als het hunne, en uw voorhoofd even hard als het hunne. Als diamant, harder dan steen, maak Ik uw voorhoofd; vrees hen dan niet en wees niet beangst voor hun blik, want zij zijn een weerspannig geslacht’ (3:8-9).

Dus in deze koppigheidswedstrijd wordt Ezechiël in staat gesteld onvoorwaardelijk aan Gods kant te staan. God doet soms sterke en verbeten leiders opstaan die, ongeacht hun persoonlijke populariteit, ernaar hongeren aan Gods kant te staan.

Dit betekent geenszins dat Ezechiël zich niet verwant voelt met de ballingen; zowel de volgende verzen als de rest van het boek spreken elke dergelijke bewering tegen. Toch is zijn opdracht een oproep mee te voelen met Gods visie en daarbij onbuigzaam te zijn.

Ten tweede bevat dit hoofdstuk een oproep om waarschuwingen te uiten en voorzichtig te zijn (3:16-27). Het thema van de wachter (3:16-21) keert terug in het boek (hoofdstuk 33), en kan later onderzocht worden. Maar in de slotverzen krijgt Ezechiël het verbod iets te zeggen – beleefdheden, begroetingen, politieke toespraken, wat ook – behalve wat God hem te zeggen geeft.

Deze situatie houdt aan tot de val van Jeruzalem, nog ongeveer zes jaar verder weg (Ezech. 33:21-22), wanneer zijn tong wordt losgemaakt. De restrictie voegt gewicht toe aan de momenten waarop hij wel spreekt.

Het is ook een uitdaging voor iedereen die spreekt voor God. Al ons spreken en al onze stiltes moeten zo afgestemd zijn, dat wanneer we Gods woorden overbrengen, het onze geloofwaardigheid bevordert en niet vermindert.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 30 augustus 2015

Maar gij, spreek mijn woorden tot hen (Ez. 2)

1 Samuël 23; 1 Korintiërs 4; Ezechiël 2; Psalm 38

In sommige opzichten hangen de eerste drie hoofdstukken van Ezechiël samen om Ezechiëls vroege roeping en opdracht te beschrijven – de opdracht van een profeet die geroepen is te dienen in tijden van afval. In het Oude Testament zijn niet alle profetische roepingen hetzelfde. Elisa diende als een leerling van Elia; Amos werd geroepen terwijl hij als herder diende; Samuël hoorde voor het eerst de roeping van God toen Hij nog maar een adolescent was.

Maar profeten die aangesteld worden om te dienen in uitzonderlijke tijden van afval hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken in hun roeping. We kunnen hier niet al deze kenmerken traceren, maar een ervan komt met grote nadruk naar voren in Ezechiël 2.

Hier vertelt God aan Ezechiël waartoe hij geroepen is. Hij wordt gezonden, zegt God, ‘tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn’ (2:3; NBV: ‘naar de Israëlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen mij in opstand is gekomen’). Hij wordt gezonden naar het volk Israël, ten minste het deel ervan dat in ballingschap is met hem – en dit deel bestond natuurlijk uit het meest begaafde, het meest ontwikkelde, het meest adellijke, het meest geprivilegieerde.

Vanuit Gods gezichtspunt zijn ze slechts ‘stug van aangezicht en verstokt van hart’ (2:4). Ezechiël moet tot hen zeggen: ‘Zo zegt de Here HERE’ (2:4). Tot hiertoe heeft God Ezechiël nog niet verteld wat hij moet zeggen, d.w.z. de inhoud van wat de Soevereine Heer zegt. Veeleer is de rest van dit hoofdstuk gewijd aan het verzekeren dat Ezechiël begrijpt dat zijn bediening absoluut om één ding draait: de woorden van God doorgeven aan dit opstandige huis. ‘Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn weerspannig’ (2:7).

Natuurlijk is het altijd belangrijk voor profeten en predikers om getrouw Gods woorden te spreken. Maar in tijden van afval is het bijzonder dwingend. In perioden van opwekking en voorspoed, kan de prediker met respect bekeken worden, en worden zijn trouw en inzicht geroemd. Maar in tijden van afval zullen zij die waarlijk namens God spreken beschimpt en bedreigd worden.

De druk om af te zwakken wat God zegt wordt enorm. Handige exegese om de tekst te laten zeggen wat hij echt niet doet, selectieve stilte om de pijnlijke stukken weg te laten, hermeneutische handigheid om de netels en doornen van de Schrift weg te werken, alles wordt obligatoir, zodat we nog altijd aangenomen en zelfs bewonderd kunnen worden.

Maar God is zich van het gevaar bewust. Vanuit zijn gezichtspunt wordt succes niet afgemeten aan hoeveel mensen Ezechiël voor zijn visie wint, maar aan de trouw waarmee hij Gods woorden verkondigt. Alles wat minder is doet mee met de rebellie van dit ‘weerspannige geslacht’ (2:8). Het vereist Goddelijke moed die de vrees uitdrijft (2:6-7).

Waar precies zijn vandaag dergelijke trouw en moed zeer dringend nodig in de westerse wereld?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 29 augustus 2015

Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN (Ez. 1)


1 Samuël 21-22; 1 Korintiërs 3; Ezechiël 1; Psalm 37

Ezechiël was een tijdgenoot van Jeremia. Hoewel hij in een priesterlijke familie geboren werd, was Ezechiël van de tempel verwijderd. In maart 597 v.C. werden hij, koning Jojakin, de koningin-moeder, de aristocratie en velen van de leidende priesters en ambachtslieden meer dan 1100 km ver weggevoerd naar Babylon.

De jonge koning zat gedurende 37 jaar in de gevangenis of stond onder huisarrest. De ballingengemeenschap, verarmd en afgesneden van Jeruzalem en de tempel, droomde nostalgisch over thuis en smeekte God dat Hij hen zou redden.

Ze konden nog niet weten dat Jeruzalem nog binnen het decennium volledig verwoest zou zijn. Op de oevers van de Kebar-rivier – mogelijk een irrigatiekanaal dat zich in een lus ten zuidwesten van de Eufraat slingerde – probeerden de ballingen zich te settelen.

En hier, volgens Ezechiël 1, kreeg Ezechiël toen hij dertig jaar oud was en in het vijfde jaar van zijn ballingschap (d.i. rond 593, nog altijd zes jaar voor de verwoesting van Jeruzalem), een bijzondere boodschap.

Een gedetailleerde uitleg van dit apocalyptisch gezicht vraagt meer ruimte dan ik hier heb. Maar enkele opmerkingen zijn cruciaal:

(1) In algemene zin is hetgeen Ezechiël ziet een visioen van een mobiele troon, de mobiele troon van God. (Ik preekte ooit over dit gedeelte voor een aantal slechthorenden, en meer dan een onder hen dacht dat ik zei dat het gedeelte handelde over de mobilofoon van God!).

(2) De troon bestaat uit vier levende ‘wezens’, elk met de vleugels uitgestrekt om de twee naastliggende vleugels te kunnen aanraken met de vleugeltoppen, zodat de vier wezens samen een enorm, hol vierkant vormen. Binnen deze ruimte zijn er fakkels, bliksemflitsen en vuur.

Elk van de vier levende wezens heeft vier gezichten – waarschijnlijk een manier om aan te duiden dat Gods troon intelligent is (het menselijk gezicht), koninklijk (de leeuw), sterk (de stier) en erbarmend (de adelaar, vgl. Ex. 19:4; Jes. 40:31).

Naast elk wezen is een paar raderen, die elkaar zo kruisen dat ze niet kunnen vallen. De volledige structuur beweegt in rechte lijnen, als een cursor op een monitor maar dan in drie dimensies, aangedreven door de raderen en bijkomende vleugels van de levende wezens, gezamenlijk aangestuurd door de Geest.

Boven de hoofden van de wezens, en door ze ondersteund, is er een platform als een gigantische wok, glinsterend als ijs of rijm. Daarboven is de troon van God.

(3) Het belang van deze mobiele troon wordt later in het boek duidelijk. Hier moeten we twee dingen goed begrijpen:

(a) Hoe dichter het visioen bij God zelf komt, hoe afstandelijker Hij wordt beschreven. De culminatie – ‘Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN’ (1:28) – roept niet de gedachte van een artiest op, maar leidt tot aanbidding.

(b) Meer in het algemeen: visioenen van God bewerken altijd meer verbrokenheid, nederigheid en aanbidding (vgl. Jes. 6; Opb. 1, 4-5)


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 28 augustus 2015

Rijk aan informatie, arm aan godsvrucht? (Klaagliederen 5)

1 Samuël 20; 1 Korintiërs 2; Klaagliederen 5; Psalm 36

In deze informatierijke tijd, hebben velen van ons geleerd om zo beknopt mogelijk te zijn. Dit was een van de gebieden waarin mijn eigen doctoraatssupervisor me heel erg hielp: mijn prozastijl is nog altijd heel uitgesponnen, maar als je er al beknoptheid en precisie in herkent, dan is dit voor een groot deel te danken aan diens nauwgezette correctie van mijn werk een kwarteeuw geleden.

Efficiënte managers leren bondig te formuleren; computerprogrammeurs worden beoordeeld op hoe beknopt zij precieze code kunnen schrijven om te doen wat moet gedaan worden. Slechts een paar hedendaagse auteurs (bijv. Tom Clancy en James Michener) komen weg met lange, uitgesponnen boeken – en zelfs dan hebben de uitgevers er drastisch in geknipt.

Maar hier zijn we dan, terwijl we rustig door Jesaja, Jeremia en Klaagliederen lezen, met Ezechiël nog voor de boeg, en we merken hoe we altijd weer rond hetzelfde handvol thema’s draaien: zonde in de verbondsgemeenschap, dreigend oordeel, dan oordeel dat wordt uitgevoerd, eerst voor de noordelijke stammen, daarna voor Juda. We herkennen de subtiele verschillen natuurlijk: geschiedenis, apocalyptiek, godsspraak, klaaglied, gebeden.

Hier in Klaagliederen 5 wordt de vijfde treurzang neergezet als een lang gebed: ‘Gedenk, HERE, wat ons is overkomen; zie toch; aanschouw onze smaad’ (5:1). Maar heb je jezelf er al niet meer dan een keer op betrapt dat je zegt, ‘Ik weet dat dit het woord van God is, en ik weet dat het belangrijk is, maar ik denk dat ik nu iets begrijp van de geschiedenis en de theologie van de ballingschap. Kunnen we niet overgaan naar iets anders?’

We leven in een tijd die de informatie onder controle wil houden, we schreeuwen om beknoptheid en de Bijbel lijkt bij momenten vreselijk onsamenhangend. Dus gaan we opnieuw zo snel mogelijk door een hoofdstuk omdat we dit allemaal wel al ‘weten’.

Maar is dit niet deel van het probleem? Lees het hoofdstuk terug door, traag en bedachtzaam. Natuurlijk is het verbonden met het Israël van zes eeuwen voor Christus, met de verwoesting van haar steden en land en tempel, tot de aanvang van de ballingschap. Maar luister naar de diepte en volharding van de smeekbeden, het berouw, de persoonlijke omgang met God, het culturele bewustzijn, de erkenning van Gods soevereiniteit en gerechtigheid, de diepgaande erkenning dat het volk opnieuw met God zelf moet verenigd worden wil terugkeer naar het land mogelijk worden, laat staan zinvol (5:21).

Vergelijk dit dan met de soorten van christelijk belijdenis waarmee jij het meest vertrouwd bent. In tijden van culturele achteruitgang, morele neergang en grootschalige kerkelijke versnippering, is ons gebed dan zoals dat van Klaagliederen 5? Hebben de thema’s van de grote profeten zich zo in onze geesten en harten gebrand dat het onze passie is om weer met de levende God verenigd te worden? Of zijn we zelf zo opgeslokt door de geest van deze tijd dat we tevreden zijn rijk te zijn aan informatie en verarmd in wijsheid en godsvrucht?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 augustus 2015

De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn (Kl. 4)

1 Samuël 19; 1 Korintiërs 1; Klaagliederen 4; Psalm 35

De vierde treurzang (Klaagliederen 4) roept opnieuw verschillende mentale beelden op om het lijden van de finale belegering van Jeruzalem en omstreken voor te stellen. Het legt ook een aantal van de redenen uit voor het opgelegde oordeel, en eindigt met een glimp van hoop.

Het begin van de treurzang vergelijkt het volk van Jeruzalem met goud dat zijn glans verloren heeft (4:1). Zoals goud begonnen ze kostbaar, maar nu worden ze behandeld als de goedkoopste aarden kruiken (4:2).

Onder de omstandigheden van de belegering en de wegvoering, wordt voedsel zodanig schaars dat moeders hun kinderen niet langer kunnen zogen; zelfs de jongen van jakhalzen worden beter behandeld (4:3-4).

Spreekwoordelijk voor zijn zonde, werd Sodom in een snelle Holocaust vernietigd, ‘als in een oogwenk’ (4:6). Maar de straf van het volk van de dichter is groter dan die van Sodom (4:6; merk op dat de Nederlandstalige Bijbelvertalingen spreken over grotere ‘ongerechtigheid’ of ‘wandaden’ dan Sodom, JL); oorlogsvoering via belegering is een ellendige, slepende zaak, en de ballingschap die volgt gaat in die lijn verder.

De theologische veronderstelling is natuurlijk dat er een gradatie van schuld is: degenen met de meeste kennis van Gods wegen hebben het minst excuus, en zo kunnen ze zich aan het zwaarste oordeel verwachten (bijv. Mt. 11:20-24).

Wat de edelen betreft, die zijn al even uitgemergeld, vernederd, en vuil als de rest, en dus niet te onderscheiden van de overigen (4:8-9) – wat een andere manier is om te zeggen dat het leiderschap van de kleine natie vernietigd is. Ze zijn zo vuil, dat ze fysiek en ceremonieel onrein zijn, zoals melaatsen die hun bestaan moeten uitzitten waar niemand contact met hen wil (4:14-15).

‘De gezalfde des HEREN’ - hier een verwijzing naar Zedekia – blijkt van geen nut. ‘Hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren’ (4:20) – dit is, gerust in de wetenschap dat hij in de Davidische lijn lag, de gezalfde van de Heer.

Maar zoals de Heer de stad en de tempel verwoest heeft, zo heeft Hij ook de Davidische afstammelingen van de troon verwijderd. Waarom deed de Heer dit? ‘Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters’ (4:13).

Niet dat de schrijver suggereert dat zij de enige zondaars waren. Maar de godsdienstige leiders hadden het meest moeten doen om het volk in verbondstrouw te bewaren, maar in plaats daarvan leidden ze het volk in corruptie en ontrouw. Omwille van hun eigen posities hebben ze de nationale neergang geen halt toegeroepen, maar integendeel aangestookt en verhaast. Waar geldt dit vandaag?

Het verhaal eindigt hier niet. In spottende hoon zegt de schrijver aan de naburige heidenen dat ze zich al even goed mogen verheugen in dat ogenblik, want hun beurt komt nog. Gods recht wordt evenzeer aan hen opgelegd als aan Israël – en op een dag zal het verbondsvolk, hoewel nu verdrukt, elk spoor van de ballingschap achter zich laten (4:21-22). De Gezalfde des Heren zal hen rust geven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 augustus 2015

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn (Kl. 3)

1 Samuël 18; Romeinen 16; Klaagliederen 3; Psalm 34

Het is moeilijk beslissen of het eerste deel van Klaagliederen 3 de ervaring van een individueel persoon beschrijft (mogelijk Jeremia), of als die persoon een figuur is die het hele volk vertegenwoordigt nu het een catastrofale nederlaag, armoede en ballingschap opgelegd kreeg.

Diverse zinnen pleiten in het voordeel van de eerste visie (bijv. 3:14, waar de persoon een belaching is geworden ‘voor heel mijn volk’, eerder dan voor de omringende volken).

Het boek in zijn geheel en de meervoudsvorm ‘we’, die in het grootste deel van de tweede helft van dit hoofdstuk domineert, pleiten licht in het voordeel van de tweede visie.

Maar belangrijker dan deze kwestie te kunnen beslissen is de treffende manier waarop hoop of vertrouwen uitbreken onder de meest schrijnende problemen. Het eerste voorbeeld vinden we in 3:22-27. Ondanks de vreselijke verwoesting zegt de schrijver, ‘ Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (3:22).

Hun zonden verdienen meer oordeel dan ze krijgen. Ze hadden kunnen uitgeroeid worden. Slechts de barmhartigheid van de Here voorkwam dat dit gebeurde. Hoe groot ook hun lijden, het feit dat ze nog altijd bestaan getuigt van de genade van de Heer jegens hen. Gods gunstbewijzen vernieuwen zich in onze ervaring elke dag (3:23).

Bovendien zullen de getrouwen zeker benadrukken dat hetgeen ze het meest willen niet de zegeningen van de Heer zijn, maar de Heer zelf: ‘Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen’ (3:24).

Dit is een moreel standpunt: het wijst op het einde van de zelfgenoegzaamheid en zelfgerichtheid die dacht dat ze God met de nek kon aankijken. Voor deze schrijver bereikt de tuchtiging het gewenste effect: het drijft mensen terug naar God.

Het tweede blok van hoop is een terugblik op de voorafgaande manieren waarop de Heer al geantwoord heeft (3:55-57), en dat dan een pleidooi vormt voor rechtvaardiging (3:58-64).

De uitgesproken eenvoud van de eerste van deze twee gedeeltes is bijzonder aansprekend, het voorrecht van veel gelovigen die door donkere wateren gingen: Ik roep uw naam aan, o HERE, uit het onderste van de put. Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet’ (3:55-57).

Het gebed voor rechtvaardiging dat volgt (3:58-64) mag niet herleid worden tot bittere wraakzucht. Als God rechtvaardig is, dan moet Hij, op dezelfde manier als
Hij zijn eigen verbondsvolk getuchtigd heeft, recht spreken over hen die wreed anderen aanvielen – zelfs al gaat het dan om die aanval die God voorzienig gebruikte om zijn eigen volk te tuchtigen. God benadrukt elders hetzelfde punt (bijv. Jes. 10:5 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 augustus 2015

Ja, in Hem verheugt zich ons hart (Ps. 33)

1 Samuël 17; Romeinen 15; Klaagliederen 2; Psalm 33

Dit heerlijke loflied (Ps. 33) focust op wat God is en wat Hij doet. Het is zo wonderlijk rijk dat ik hier niet meer kan doen dan de aandacht vestigen op enkele van zijn evocatieve thema’s.

(1) De Heer is rechtvaardig, en ‘een lofzang betaamt de oprechten’ (33:1). Trouwe en doordachte aanbidding draait gedeeltelijk om bewondering van God voor zijn karakter. Wie hetzelfde karakter weerspiegelen, hoe bleekjes ook, zullen Hem uiterst hongerig aanbidden omwille van zijn perfectie. Zo is godvruchtige lofprijs verbonden met de morele transformatie van de aanbidder.

(2) De psalmist stelt zich creativiteit in muziek voor, uitmuntende bekwaamheid op de instrumenten, en ijver (33:3) – een nogal zeldzame combinatie in evangelische gemeenschappelijke aanbidding.

(3) Gods karakter en Gods werk kunnen niet gescheiden worden van zijn woord (33:4-9). Dit is niet alleen omdat Gods woord even rechtvaardig, waar, betrouwbaar (‘trouw’) , en liefdevol is als Hij, maar ook omdat Gods woord effectief blijkt – hetgeen we nergens duidelijker zien dan in de schepping: ‘ Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer’ (33:6).

(4) God is volkomen soeverein. Hij verijdelt de plannen van de volkeren; niemand verijdelt ooit zijn plannen (33:10-11): ‘de raad des HEREN [NBV: het plan van de Heer, JL] houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht’.

(5) Hoewel God soeverein is over het volledige menselijke ras, en Hij de Rechter is van allen, toch is Hij in het bijzonder de God van zijn eigen verbondsvolk (33:12-15).

(6) Volkeren zijn nooit louter door kracht gered, los van de zegen en goedkeuring van God.

Natuurlijk kan God wel de grote kanonnen gebruiken, en zijn soevereine voorzienigheid is zelfs werkzaam in de voorbereidingen van de machtige rijken die zijn eigen volk tuchtigden. Maar te vertrouwen op de grote kanonnen staat gelijk met vergeten wie sterkte en rijkdom en zegen schenkt. Bovendien is de Heer perfect in staat om gelijk welk volk van gelijk welke grootte ten val te brengen of de grote kanonnen neer te slaan. ‘Het paard [of de tank] faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte’ (33:17).

De uiteindelijke hoop is in de Heer: ‘Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen’ (33:18).

(7) Aangenomen dat dit de soort God is die er werkelijk is, dat dit de God is die we aanbidden, dan zijn de drie slotverzen al even onontkoombaar als triomfantelijk. Hier is de goede voedingsbodem voor goddelijke hoop: ‘Onze ziel verwacht de HERE, Hij is onze hulp en ons schild. Ja, in Hem verheugt zich ons hart, ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij. Uw goedertierenheid, HERE, zij over ons, gelijk wij op U hopen’ (33:20-22).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.


maandag 24 augustus 2015

Hoe zit zij eenzaam neder, de eens volkrijke stad (Kl. 1)


1 Samuël 16; Romeinen 14; Klaagliederen 1; Psalm 32

Vooraleer iets te zeggen over Klaagliederen 1, moet ik een aantal opmerkingen maken over het boek in zijn geheel.

(1) In het Hebreeuws betekent het eerste woord van het boek ‘O, hoe [verlaten is de stad]’, en dit eerste woord wordt de titel in de Hebreeuwse Bijbel. Latere Joodse schrijvers verwezen naar het boek met ofwel dit woord, ofwel een ander Hebreeuws woord dat ‘klaagliederen’ (of ‘geweeklaag’, JL) betekent.

(2) Vroege Griekse en Latijnse vertalingen van dit korte boek wijzen het toe aan Jeremia de profeet. Dit is volkomen mogelijk, maar strikt gezien is het werk anoniem.

(3) Klaagliederen bestaat uit vijf gedichten, vijf klaagzangen, die elk een hoofdstuk beslaan. De eerste vier zijn acrostichons: d.w.z., de tweeëntwintig medeklinkers van het Hebreeuwse alfabet vormen de introductie van respectievelijk elk van de tweeëntwintig strofen in elk gedicht (hoewel er kleine onregelmatigheden voorkomen in de hoofdstukken 2, 3 en 4).

In de eerste drie gedichten bestaat elke strofe normaal gezien uit drie zinnen in een bepaald parallellisme (met twee uitzonderlijke vierzinnenstrofes: 1:7; 2:19). In het derde gedicht begint elke zin van elke strofe met dezelfde Hebreeuwse medeklinker die deze klaagzang inleidt.

Het vierde gedicht telt slechts twee zinnen voor elke strofe. Hoewel het poëzie is, is het vijfde klaaglied geen acrostichon, maar bestaat het uit tweeëntwintig zinnen die lijken op bepaalde Psalmen van gemeenschappelijk geweeklaag (bijv. Ps. 44 en 80).

(4) Geen lineaire gedachtegang bestrijkt elk hoofdstuk of het volledige boek. Bepaalde thema’s blijven terugkomen, natuurlijk, maar in grote lijnen is het boek impressionistisch, vol krachtige beelden die een klein aantal brandende waarheden benadrukken.

Als Job te maken krijgt met rampspoed die een rechtvaardig mens overkomt, en dus met het probleem van onschuldig lijden, dan gaat Klaagliederen over de rampspoed die een schuldig volk overkomt. Wie wind zaaien zullen storm oogsten.

Terwijl deze gedichten eerlijk en krachtig het lijden van de natie schetsen, rechtvaardigen ze God: God bestuurt de geschiedenis, niet mensen, en God laat niet met zich spotten. Het recht zal uiteindelijk zegevieren in het drama van de geschiedenis, omdat God rechtvaardig is.

Twee finale uitdagingen.

(a) Lees het eerste hoofdstuk door en identificeer elk van de krachtige beelden die de schrijver naar voor brengt, terwijl je de vraag stelt wat ze bijdragen tot het hoofdstuk en hoe ze verbonden zijn met andere Bijbelse passages (indien het al zo is).

Vers 10 herinnert er ons bijvoorbeeld aan dat alleen de hogepriester het Heilige der Heiligen kon binnengaan – en nu hebben onbehouwen heidenen niet alleen de tempel betreden, maar hebben ze hem ook verwoest. Theologisch gezien is dit verbonden met het feit dat de heerlijkheid van God de tempel verlaten heeft (vgl. Ez. 8-11), terwijl het onder andere aantoont dat de tegenwoordigheid van God meer moet gezocht worden dan het gebouw.

(b) Wat is er godsvruchtig aan 1:21-22?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 23 augustus 2015

De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat hij ze uiteindelijk verstootte (Jer. 52)


1 Samuël 15; Romeinen 13; Jeremia 52; Psalm 31

Het historische aanhangsel aan de profetie van Jeremia (Jer. 52) zorgt voor een ‘wending’ aan het boek in zijn geheel. Zonder die bijlage zouden bepaalde punten in de lucht blijven hangen – dit wil zeggen, ze zouden nog altijd wel in de hoofdtekst van het boek staan, maar ze zouden niet zo krachtig benadrukt worden als nu met deze appendix om ze uit te werken.

Ten eerste kan het nuttig zijn notities te vermelden bij diverse van de historische details van dit verslag. Het is eerder verrassend dat er geen melding wordt gemaakt van Nebukadnessars instructies voor de bescherming van Jeremia. Maar in feite gaat de interesse naar de grote historische beweging, niet naar Jeremia’s persoonlijke omstandigheden.

Enkele van de details vervolledigen het historische verslag dat we vinden in 2 Koningen 25. Twee Koningen vermeldt bijvoorbeeld Zedekia’s gevangenschap niet (Jer. 52:11). De opperpriester Seraja (52:24), een van de leiders die om het leven werden gebracht, was de kleinzoon van Chilkia, de hogepriester onder Josia, die qua afstamming voortkomt uit Aäron (vgl. 1 Kron. 6:13-15).

Het verslag van de aantallen die werden weggevoerd (52:28-30) is veel lager dan de cijfers die we krijgen in 2 Koningen 24. Mogelijk weerspiegelen de cijfers in Koningen het totaal, terwijl de cijfers hier verwijzen naar volwassen mannen of volwassen mannen van een bepaalde rang.

De verschillen qua data tussen 2 Koningen 25:8 en Jeremia 52 weerspiegelen respectievelijk de Judese en de Babylonische methode om regeringsjaren te rekenen. Nebukadnessars zoon, Ewil-Merodak (52:31 – Amel-Marduk in Babylonische bronnen) regeerde slechts één jaar (561-560 v.C.). Babylonische verslagen bevestigen dat Jojakin zich onder hen bevond die de vrijgevigheid van deze heerser genoten.

Ten tweede moeten we de theologische effecten van het lezen van dit hoofdstuk aan het eind van het boek nog aanstippen. Twee elementen springen in het oog.

(a) De historische details herinneren de lezer eraan dat alles wat Jeremia predikte ook werkelijk in vervulling ging. Omdat Jeremia niet genoemd wordt, is de indruk zelfs nog sterker: alles wat God zei te zullen doen, deed Hij.
De zonde van het volk was aanhoudend, onboetvaardig, bijtend en pervers. In plaats van het volk gevoeliger te maken, bewerkte de aankondiging van het oordeel, dat God in genade uitstelde en uitstelde, eerder hardheid van hart. Maar het beloofde oordeel kwam er uiteindelijk toch. Je wordt herinnerd aan de redenering in 2 Petrus 3.

(b) De slotverzen van het hoofdstuk beschrijven hoe de legitieme Davidische koning uiteindelijk bevrijd werd uit zijn gevangenschap en met eer behandeld werd tijdens de slotjaren van zijn leven.

Natuurlijk keerde hij nooit terug naar Jeruzalem of naar een ander deel van het land Israël. Maar het kan niet anders of de aandachtige lezer staat stil bij het feit dat het boek finaal niet eindigt in oordeel. Er is nog altijd de fluistering van hoop. God is nog niet klaar met het Davidisch koningshuis. Aan de horizon bespeuren we de eerste voorafschaduwing van de beloften van de profetie van Jeremia.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 22 augustus 2015

Des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich (Ps. 30)


1 Samuël 14; Romeinen 12; Jeremia 51; Psalm 30

Heel wat christenen hebben de bijna onuitsprekelijke bevrijding ervaren wanneer ze overgaan van wanhoop of ziekte of rampzalige nederlaag of een gevoel van vervreemding en afstand van God, naar een hoogte van veiligheid of gezondheid of overwinning of geestelijke intimiteit met onze Maker en Verlosser. David had zeker dergelijke ervaringen. Psalm 30 geeft zijn blijdschap weer gedurende een van deze overgangen naar vreugde.

De psalm bestaat uit drie delen.

In het eerste (30:1-5) schildert David de geweldige ommekeer.

In het tweede (30:6-10) beschrijft hij de onbezorgdheid (NBV: ‘overmoed’) die hem in de eerste plaats neerwaarts trok, hetzij voorafgaand aan de eerste vijf verzen, hetzij in een andere cyclus van hetzelfde probleem.

In het laatste deel (30:11-12) besluit hij met dezelfde exuberante blijdschap die hij vertoont in de eerste vijf verzen, wanneer hij tot de grenzen van de taal gaat om de heerlijke transformatie te beschrijven van de verandering van rouwen naar dansen en van rouwkleed naar klederen van vreugde.

De lijst van tegenstellingen in de psalm verovert het hart en de verbeelding. Hier kunnen we stilstaan bij één paar dergelijke contrasten: ‘want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen; des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich’ (30:5).

David schrijft vanuit zijn gezichtspunt als lid van de verbondsgemeenschap. De almachtige God is aan hen gelieerd door een plechtige belofte en een verbond. Als ze zondigen, schrijft God hen niet af: ‘een ogenblik duurt zijn toorn’; zijn straffen, hoe zwaar ook, zijn tijdelijk. Zijn basisstandpunt tegenover hen is genadig: zijn welbehagen duurt ‘een leven lang’.

En aangezien de eerdere verzen aantonen dat David niet denkt aan de natie maar aan zijn individuele ervaring, is hetgeen waar is voor het volk van God op zijn geheel ook waar voor hem in het bijzonder: God kan hem om diverse redenen straffen, maar Gods fundamentele standpunt tegenover hem is barmhartig en genadig en duurt een leven lang.

Zich koesterend in de bewuste tegenwoordigheid en zegen van God, kijkt David terug op zijn recente ervaring en jubelt hij, want er is het feit dat ‘het geween wel ’s avonds overnacht, maar tegen de morgen is er gejuich’.

Er zijn veel dergelijke contrasten in de Schrift, waarvan niet weinige nauw samenhangen met het nieuwe verbond. De apostel Paulus kan spreken over ‘de lichte last der verdrukking van een ogenblik’ (hoewel zijn verdrukkingen volgens onze comfortabele maatstaven noch licht, noch kortstondig waren!). Zij bewerken voor ons ‘een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid’ (2 Kor. 4:17) – en op een dergelijke weegschaal zijn ze werkelijk licht en kortstondig.

Paulus volgt slechts Jezus, ‘die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods’ (Heb. 12:2).


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 augustus 2015

Op Hem vertrouwde mijn hart en ik werd geholpen (Ps. 28)



1 Samuël 13; Romeinen 11; Jeremia 50; Psalmen 28-29

De slotverzen van Psalm 28 bundelen diverse prominente thema’s uit de bijbelse theologie:

(1) Het eerste en meest voor de hand liggende is de ongeremde lofprijs in 28:7: ‘De HERE is mijn kracht en mijn schild; op Hem vertrouwde mijn hart en ik werd geholpen. Daarom juicht mijn hart en loof ik Hem met mijn lied’. Hier geen geloof van louter berusting; hier vind je veeleer een geloof dat opwelt uit een hart dat ‘juicht’ (of een dergelijk hart voortbrengt?) en zichzelf uitdrukt in een dankbaar lied.

Je kunt de Psalmen niet lezen zonder te erkennen dat waarachtig geloof niet slechts een puur stereotiepe emotionele respons voortbrengt. Gegeven de verschillende omstandigheden, kan waarachtig geloof gekoppeld worden aan een bijna wanhopig vertrouwen en angstige smeekbede, aan een rustig vertrouwen en volharding, aan lof die met enorme spontaniteit de grenzen van de uitbundigheid doorbreekt. In deze passage ligt geloof het dichtst bij dit laatste, want de Here heeft Davids smeekbede al gehoord (28:6).

(2) Doorheen de eerste zeven verzen van de Psalm zijn Davids gebeden en lofprijzingen in de eerste persoon enkelvoud; ze komen voort uit zijn individuele staat. De laatste twee verzen focussen op Gods ‘volk’ (28:8-9), zijn collectieve erfdeel (28:9). Wat de taal betreft wordt dit gedeeltelijk bewerkt door Davids nadenken over Gods ‘gezalfde’ (28:8), het woord dat uiteindelijk aan de basis ligt voor onze ‘messias’.

Als koning is David zelf natuurlijk de koninklijke ‘gezalfde’, de koninklijke ‘messias’. Maar zoals God zijn gebeden gehoord heeft, hem genade bewezen heeft en zijn blijde lofprijs opgewekt heeft, zo moet zijn individuele ervaring een paradigma zijn voor de verbondsgemeenschap in zijn geheel.
Hij vertegenwoordigt hen en er is een diepgaande betekenis waarin ze collectief Gods ‘gezalfde’, Zijn ‘zoon’ zijn (vgl. Ex. 4:22 – een andere titel die zowel wordt toegepast op Israël in zijn geheel als op Israëls koning afzonderlijk).

De uitdrukking ‘gezalfde’ in een Davidische psalm doet ons onvermijdelijk denken aan de koning; het parallellisme in vers 8 toont dat de uitdrukking hier verwijst naar Israël: ‘De HERE is hun kracht [NBV: De HEER is de kracht van zijn volk; JL], een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde’ (cursief toegevoegd).

De bedachtzame lezer denkt na over de manieren waarop David en het volk gelinkt zijn – en over de manieren waarop Jezus de Messias (d.i. Jezus de Gezalfde) niet alleen uit de lijn van David voortkomt, maar ook aantoont dat Hijzelf zowel de ultieme Davidische koning als de ultieme belichaming van Israël is.

(3) De laatste zin roept herinneringen op aan een heerlijke waarheid: ‘Verlos dan uw volk en zegen uw erfdeel’, schrijft David; ‘weid hen en draag hen tot in eeuwigheid’ (28:9, cursief toegevoegd). Denk na over passages als Psalm 23; Ezechiël 34; Lukas 15:1-7; Johannes 10; 1 Petrus 5:1-4.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 augustus 2015

Wacht op de HERE, wees sterk (Ps. 27)


1 Samuël 12; Romeinen 10; Jeremia 49; Psalmen 26-27

Psalm 27 heeft een aantal thema’s gemeen met zijn naaste buren (Ps. 26 en 28) maar is uitbundiger dan die beide.

(1) De Here is mijn licht (27:1-3). Licht is een tot de verbeelding sprekend beeld voor bijna al het goede: waarheid, kennis, blijdschap, morele zuiverheid, openbaring, en meer. Hier is het woord gelinkt aan ‘heil’ en ‘veste’(27:1); licht is verbonden met veiligheid. David staat tegenover vijanden die hem aanvallen als een troep wolven, maar als de Here zijn licht en heil is, zal David niet vrezen. Hoe zou een God die zo soeverein is, zo goed, zo zelfonthullend, zo heerlijk, niet altijd onze zekerheid zijn?

(2) De Here is mijn heiligdom (27:4-6) – in de dubbele betekenis dat het woord heeft in het Engels (‘sanctuary’ betekent zowel ‘heiligdom’ als ‘toevluchtsoord’). Aan de ene kant gaat het thema van de eerste drie verzen verder: God is Davids heiligdom in de zin dat Hij Davids bescherming is, zijn burcht: ‘Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent’ (27:5).

Maar aan de andere kant betekent dit ‘heiligdom’ oneindig veel meer dan louter politieke veiligheid: ‘Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven’ (27:4). Dit wil niet zeggen dat David een geheim, onmogelijk verlangen koestert om Leviet te worden. Eerder heeft hij een diepgaande passie om zijn leven te leven in de tegenwoordigheid van de levende God. Dit is de positie van veiligheid.

(3) De Here is mijn richting (27:7-12). David beschouwt zijn relatie met God niet als iets statisch, maar als zijn levenslange streven. Bovendien verstaat hij dat dit streven hem tegelijk vormt. Als hij Gods aangezicht zoekt zoals hij hoort te doen (27:8), als hij smeekt om genade zodat God ontfermend met hem zal omgaan en niet in toorn (27:9-10), dan zal hij ook Gods wegen leren en een effen pad bewandelen (27:11).
Dit kan niet te sterk of te vaak gezegd worden: te beweren dat iemand God zoekt zonder dat dit gepaard gaat met levensverandering en toenemende conformiteit aan de wegen van God, is verdorven en gevaarlijke onzin.

(4) De Here is mijn hoop (27:13-14). Hoe waar het ook is dat God de burcht is van de gelovige, in deze gebroken en gevallen wereld zijn er momenten waarop het niet zo voelt. De waarheid is dat Gods tijdschema zelden hetzelfde is als het onze. Vaak verlangt Hij dat we geduldig op Hem wachten: zijn timing is volmaakt. De rechtvaardiging van zijn volk vindt vaak plaats in de geschiedenis (27:13), maar zelden zo snel als we dat willen; niettemin is zijn ultieme rechtvaardiging onbetaalbaar: ‘Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE’ (27:14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 19 augustus 2015

Laten mijn vijanden niet over mij juichen (Ps. 25)


1 Samuël 11; Romeinen 9; Jeremia 48; Psalm 25

Een van de opvallende kenmerken van de Psalmen, in het bijzonder van de psalmen van David, is het thema ‘vijanden’. Dit maakt sommige christenen zenuwachtig. Draagt de Heer Jezus ons niet op om onze vijanden lief te hebben (Matt. 5:43-47)?

Maar hier bidt David dat God zijn vijanden niet over hem zal laten triomferen (Ps. 25, vooral vs. 2), noemt hij ze ‘trouweloos’ (25:3; NBV gebruikt ‘verraden’), en klaagt hij dat ze talrijker werden en hem op een boosaardige manier haten (25:19). Het volstaat niet om de twee standpunten toe te schrijven aan de verschillen tussen het nieuwe en het oude verbond.

Enkele inleidende gedachten:

(1) Zelfs Jezus’ leer dat zijn volgelingen hun vijanden zouden liefhebben veronderstelt dat zij vijanden hebben. Jezus’ eis onze vijanden lief te hebben moet niet herleid worden tot de sentimentele idee dat we allen zo ‘aardig’ worden dat we nooit enige vijanden zouden hebben.

(2) Nieuwtestamentische gelovigen kunnen vijanden hebben tegen wie je je op een bepaald vlak moet verzetten. De apostel Paulus, bijvoorbeeld, zegt dat hij Hymeneüs en Alexander aan Satan heeft overgeleverd om hen te leren dat ze niet moeten lasteren (1 Tim. 1:20).

Zowel 2 Petrus 2 als Judas gebruiken vrij kleurrijke taal om fundamentele vijanden van het evangelie aan de kaak te stellen. Zelfs als zijn taalgebruik deel uitmaakt van een hyperbool, kan Paulus wensen dat de onruststokers in Galatië zich zelf zouden laten castreren (Gal. 5:12).

De Heer Jezus zelf, dezelfde Jezus die, terwijl Hij sterft aan het kruis, uitroept, ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lk. 23:34) – kan elders zijn vijanden in spectaculaire kleurrijke taal veroordelen (Mt. 23).

Je kunt moeilijk om de conclusie heen dat, tenzij we de apostelen en Jezus moeten beschuldigen van hypocriete inconsistentie, de eis dat we onze vijanden zouden liefhebben niet herleid mag worden tot het sentimentele gebazel dat vijanden louter afvlakt tot ze er niet meer zijn.

(3) Er valt heel wat te zeggen voor de visie dat de primaire doelstelling van Matteüs 5:43-47 bestaat uit het verwerpen van persoonlijke wraak, het tegengaan van bloedwraak, het overwinnen van het kwaad dat ons wordt aangedaan door het goed dat we doen, en het verwerken van de haat van een tegenstander om die met liefde te beantwoorden.

Maar niets van dit alles ontkent ook maar een ogenblik dat de andere persoon een vijand is. Bovendien kunnen mensen in een leiderschapspositie zich uit liefde verplicht voelen de kudde te beschermen door een wolf in schaapsvacht te verjagen, de bedrieger te ontmaskeren, de boze te veroordelen – zonder te bezwijken voor persoonlijk venijn.

(4) Een maatstaf om te weten of iemands respons haat of wraak is of iets meer principieels dat Gods heiligheid koestert en dat plaats laat voor geduld en liefde, is de reeks van onderling verbonden beloften. In Davids geval bevatten ze vertrouwen (25:1-3, 4-5, 7b, 16, 21), berouw en geloof (25:7, 11, 18), en verbondstrouw (25:10).


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 18 augustus 2015

Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen? (Jer. 47)


1 Samuël 10; Romeinen 8; Jeremia 47; Psalmen 23-24

Hoewel een kort hoofdstuk, is Jeremia 47 toch belangrijk. Het begint met een profetie met betrekking tot de val van Filistijnse stadsstaten langs de kust, en eindigt met een van de meest tot nadenken stemmende stukjes benauwdheid aan het einde van dit boek.

Ten eerste de profetie (47:1-5). Haar precieze datering is nogal onduidelijk: ze kwam tot Jeremia ‘voordat Farao Gaza innam’ (47:1). Dit kan gebeurd zijn toen farao Necho van Egypte noordwaarts trok om Haran aan te vallen in 609 v.C.

Gaza, een van de Filistijnse stadsstaten, lag op die route. Maar hoewel dit aantoont dat de profetie tot Jeremia kwam voor de tijd dat de Egyptische suprematie voorbij was, ging het niet om Egyptische agressie, maar Babylonische: de wateren die ‘het land met al wat zich erop bevindt’ overstromen, ‘komen opzetten uit het Noorden’ (47:2) – de richting van waaruit de Babylonische macht zou komen.

De beeldrijke taal van de opeenvolgende vernietigingen is niet mooi om zien. De paniek is zodanig fel, zegt Jeremia, dat de vaders niet omzien naar de kinderen (47:3).

Vers 4 werd mogelijk niet correct vertaald. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Tyrus en Sidon afsnijden’, en de uitdrukking kan betekenen dat iedere hulp vanuit deze Phoenicische steden wordt tegengehouden, zodat die de Filistijnse steden verderop langs de kust niet kan bereiken. In elk geval is het de Heer die de Filistijnen verdelgt, wat ook hun kracht (47:4).

Gaza en Askelon (47:5) waren twee van hun belangrijkse steden. ‘Kaftor’ (47:4) is de oude naam voor Kreta, waar de oorspronkelijke Filistijnen vandaan kwamen – als je zegt dat de Heer op het punt staat ‘de rest van het eiland Kaftor’ te verdelgen, is dit een poëtische manier om te zeggen dat de Heer op het punt staat de Filistijnen uit te roeien.

Ten tweede, de uiteindelijke tot nadenken stemmende benauwdheid (47:6-7). In kleurrijke beelden schetst Jeremia de Filistijnen die (volgens bijv. de Engelstalige NIV-vertaling) het zwaard des Heren aanspreken: ‘Wee, zwaard des HEREN, [schreeuwen jullie, zie NIV] tot wanneer zult gij niet rusten? Trek u terug in uw schede, wees rustig en houd u stil!’ (47:6).

Dit veronderstelt dat de Filistijnen erkennen dat het Israëls God, de Heer zelf is, die het oordeel over hen gebracht heeft via de Babyloniërs. De Engelstalige NIV-vertaling voegt er dus de woorden ‘you cry’ (‘schreeuwen jullie’) aan toe. Hoewel het mogelijk is het Hebreeuws op die manier te verstaan, komen deze woorden strikt gesproken niet in de tekst voor: ze moeten toegevoegd worden.

Maar laat je deze woorden gewoon weg, dan is het Jeremia zelf die het zwaard des Heren aanspreekt. De Filistijnen mogen dan heidenen zijn, en ze mogen Israël vaak onderdrukt hebben, nu staan ze op het punt verpletterd te worden – en door de Babyloniërs, Juda’s vijand nummer één. Dus bidt Jeremia voor de Filistijnen.

Maar het laatste vers toont aan dat hij zeer goed begrijpt dat hij Gods zwaard niet kan bevelen. De Heer zelf heeft het bevolen, de God van het rechtvaardige oordeel, en het zal zijn werk doen. Zo ook op de laatste dag.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.