vrijdag 7 februari 2014

Waarom een gelovige geen fatalist is (Gn. 40)


Genesis 40; Markus 10; Job 6; Romeinen 10

Vertrouwen op Gods voorzienigheid mag niet verward worden met vervallen in fatalisme. Het is geen gelaten zuchten van ’Que sera, sera’ – ‘What will be, will be’ [of ‘wat zal zijn, zal zijn’]. Jozef begreep dit (Gen. 40).

Het verslag van Farao’s schenker en bakker vertelt ons niet wie van beiden uiteindelijk schuldig was aan iets, zo dit al gold voor een van hen. Het vertelt ons alleen wie van de twee door Farao schuldig werd bevonden. Zelfs dan wordt ons niets onthuld over de aard van de misdaad.

De focus ligt eerder op hun respectievelijke droom, en het feit dat – van alle gevangenen - alleen Jozef in staat is om hun dromen uit te leggen. De uitleggingen zijn zo dramatisch en zo precies vervuld, dat hun accuraatheid niet kan worden betwist.

Jozef zelf koestert geen illusies omtrent de bron van zijn bekwaamheid. ‘Zijn de uitleggingen niet Gods zaak?’, vraagt hij (40:8).

Zelfs als Jozef voor Farao staat, waar je misschien kon verwachten dat hij zijn uitleggingen een klein beetje zou aanpassen om zijn eigen reputatie aan te dikken, zal hij later zelfs met nog meer nadruk verklaren dat hij zelf geen dromen kan uitleggen: alleen God kan dit doen (41:16, 25).

Maar ondanks deze onwankelbare trouw aan God, ondanks zijn onbevangen belijdenis van zijn eigen beperkingen, ondanks de zuivere vasthoudendheid en integriteit van zijn wandel onder onrechtvaardig lijden, verwart Jozef Gods voorzienigheid niet met fatalisme. Het punt wordt in dit hoofdstuk op twee manieren aangetoond.

Ten eerste is Jozef wel bereid om de schenker over zijn eigen netelige situatie te vertellen (de dienaar die na drie dagen zal worden vrijgelaten en zijn positie aan het hof terugkrijgt) in de hoop dat hij zou worden vrijgelaten (40:14-15).

Jozefs geloof in God betekent niet dat hij helemaal passief wordt. Hij onderneemt duidelijk actie om verbetering in zijn omstandigheden te kunnen bewerken, mits die actie het zegel van integriteit draagt.

Ten tweede: wanneer hij kort de omstandigheden beschrijft die hem in de gevangenis brachten, doet Jozef geen moeite om te vergulden dat het om een ronduit boosaardige daad ging. Hij verklaart dat hij ‘gestolen’ is ‘uit het land der Hebreeën’ (40:15).

Dit was een belangrijk punt, want de meeste slaven waren in die toestand beland door economische omstandigheden. Wanneer mensen bijvoorbeeld bankroet gingen, verkochten ze zichzelf als slaven.

Maar dit was niet wat er met Jozef was gebeurd, en hij wilde dat Farao dit wist. Hij was een slachtoffer. Bovendien had hij zelfs tijdens zijn leven als slaaf in Egypte ‘niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten’ – wat natuurlijk betekent dat hij onterecht opgesloten zat. Jozef verwart Gods voorzienige regering dus niet met Gods morele goedkeuring.

Bij fatalisme en pantheïsme is er geen eenvoudige manier om het onderscheid te zien tussen wat is en wat had moeten zijn. Gefundeerd Bijbels theïsme moedigt ons aan om te vertrouwen op de goedheid van de soevereine, voorzienige God, terwijl het de zondigheid in deze gevallen wereld aan de kaak stelt en zich er tegen verzet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 februari 2014

Geloof midden de ellende (Gn.39)


Genesis 39; Markus 9; Job 5; Romeinen 9

Het is volkomen terecht Genesis 39 te lezen als een les in morele moed, een gevalsstudie van een Godvrezend man die goed beseft dat een aantrekkelijke verleiding in werkelijkheid een uitnodiging is om tegen God te zondigen (39:9) en die daarom meer bekommerd is om zijn reinheid dan om zijn perspectieven.
Niettemin moeten we Genesis 39 ook lezen in diverse bredere verbanden, elk met belangrijke lessen.

Ten eerste begint en eindigt dit hoofdstuk op een zeer vergelijkbare manier. Die literaire ‘inclusie’ [insluiting, JL] is een teken dat de thema’s in de inleiding en het slot het volledige hoofdstuk bepalen.

Aan het begin wordt Jozef verkocht om voor Potifar te werken. God is dermate bij hem dat hij na verloop van tijd de hoofdslaaf wordt van dit aanzienlijke huishouden. We moeten niet denken dat dit gebeurde van de ene op de andere dag; de chronologie suggereert dat acht of tien jaren voorbijgingen.
Gedurende die tijd zal Jozef de taal moeten hebben geleerd en zich van onderaan de ladder hebben opgewerkt. Maar dit was allemaal verbonden met de zegen van God over Jozefs leven, en met Jozefs volgehouden integriteit.

Aan het eind van het hoofdstuk is Jozef in de gevangenis geworpen op grond van een valse beschuldiging. Maar zelfs hier is God met hem en Hij schenkt hem goedgunstigheid in de ogen van de gevangenbewaarder, en na verloop van tijd wordt hij een gevangenen-vertrouwensman.

Zo toont het hoofdstuk in zijn geheel dat God soms kiest om ons te zegenen en ons integere mensen te maken te midden van abominabele omstandigheden, eerder dan onze omstandigheden te veranderen.

Ten tweede dient Genesis 39 als een tegengewicht voor Genesis 38. Juda is een vrij en rijk man, maar wanneer zijn vrouw hem ontnomen is, eindigt hij zelfs in bed met zijn schoondochter. Hij handelt volgens een dubbele standaard en maakt zichzelf en zijn familie te schande.

(Het feit dat hij aanvankelijk wil dat Thamar terechtgesteld wordt voor een zonde die hij ook zelf heft begaan, toont dat het er hem minder om gaat de schuldige te straffen uit principe, dan om hen te straffen die betrapt worden.)

Jozef is een slaaf, maar onder de zegen van God bewaart hij zijn seksuele reinheid en zijn integriteit. Wie is gelukkiger in de ogen van de wereld? Wie is gelukkiger in het licht van de eeuwigheid?

Ten derde is Genesis 39 onderdeel van de weg tot Jozefs verhoging tot leiderschap in Egypte. Door de ellendige middelen beschreven in Genesis 37 en 39-40, wordt Jozef uiteindelijk een soort ‘Eerste Minister’ van Egypte en redt hij velen van de hongerdood – inclusief zijn eigen uitgebreide familie, en zodoende ook de Messiaanse lijn.

Maar Jozef kon niet weten hoe dit allemaal zou uitdraaien terwijl hij door zijn ellende ging. Hij kende hoogstens de verhalen die sinds Abraham telkens werden doorgegeven, en zijn eigen jeugddromen (Gen. 37). Maar Jozef wandelt door geloof en niet door aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 februari 2014

Neem je kruis op (Mk. 8)


Genesis 38; Markus 8; Job 4; Romeinen 8
Daarnaar gevraagd, belijden de discipelen wie Jezus is (Markus 8:27-30). Christus is de Griekse vorm voor Messias, wat een Hebreeuwse achtergrond heeft. Deze belijdenis is de aanzet voor een stroom aan nieuwe openbaringen van de Heer Jezus (8:31-38).

Nu leert Hij ‘dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan’ (8:31). En zoals Markus aangeeft, sprak Jezus dit woord ‘vrijuit’ (8:32). Blijkbaar was vroegere commentaar rond dit onderwerp nog veel meer omfloerst.

Wij die aan deze zijde van het kruis leven kunnen gemakkelijk een beetje neerbuigend doen over Petrus’ reactie en vermaning van de Meester (8:32). Vanuit Petrus’ gezichtspunt moest Jezus wel verkeerd zijn op dit punt. Want uiteindelijk worden messiassen toch niet omgebracht: ze winnen.

En hoe kon een door God gezalfde en wonderen verrichtende Messias als Jezus nu verliezen? Petrus had het bij het verkeerde eind, natuurlijk. En hij zat er goed naast. Want zelfs de discipelen hadden nog niet begrepen dat Jezus de Messias tegelijk de overwinnende Koning en de lijdende Knecht was.

Maar er zou nog meer volgen. Niet alleen verklaarde Jezus dat Hijzelf zou lijden en sterven en weer opstaan, maar Hij verklaarde ook wat elk van zijn volgelingen moest doen: ‘zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen’ (8:34).

Voor een eerste-eeuws oor was dergelijke taal schokkend. ‘Je kruis opnemen’ betekende niet iets als tandpijn doorstaan, jobverlies of een persoonlijke handicap. Kruisiging werd wereldwijd beschouwd als de meest barbaarse van alle Romeinse executievormen, waar je in welopgevoede kringen nauwelijks over mocht spreken.

De veroordeelde misdadiger ‘nam zijn kruis op’, d.w.z.: hij nam de dwarsbalk van het kruis op en droeg die naar de plaats van terechtstelling. Als het je lot was je kruis op te nemen, dan was er geen hoop voor je. Er restte alleen een schandelijke en uiterst pijnlijke dood.

Maar dat is wel de taal die Jezus gebruikt. Want wat al zijn discipelen moeten leren is, dat een volgeling van Jezus zijn met zich mee brengt dat je je eigenbelang op een pijnlijke manier aan de kant zet en je onverdeeld toewijdt aan Jezus’ belangen.

Maar Jezus’ onverbloemde taal is geen uitnodiging tot geestelijk masochisme, maar een uitnodiging tot leven en overvloed. Want het is een vaste regel van het koninkrijk dat zelfgerichtheid uitmondt in dood, terwijl ‘ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil’, het zal ‘behouden’ (8:35).

Slechts voor enkelen zal deze toewijding ook het verlies van hun fysieke leven met zich mee brengen; voor elk van ons betekent het wel dood aan het zelf en discipelschap tegenover Jezus. En dit behelst ook een blijmoedige belijdenis van Jezus en een principiële weigering om ons voor Jezus en zijn woorden te schamen in deze overspelige en zondige generatie (8:38).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 februari 2014

Traditie in goede en slechte zin (Mk. 7)


Genesis 37; Markus 7; Job 3; Romeinen 7
Veel mensen uit protestantse kring staan wantrouwig tegenover ‘tradities’. In de populaire polemiek hebben protestanten de rooms-katholieken vaak afgeschilderd als mensen die de Bijbel omarmen plus tradities, terwijl wijzelf dan gewoon aan de Bijbel vasthouden. Diverse zaken vragen om verduidelijking voor we goed kunnen begrijpen wat Markus 7 over tradities zegt.

De eerste is een historische opmerking. Er is heel sterk bewijs dat de rooms-katholieke kerk tot aan de reformatie het scherp omlijnde verschil nog niet had geformuleerd dat opgeld deed na de reformatie.

Zelfs toen de katholieke kerk op de proppen kwam met behoorlijk vernieuwende leerstellingen, deed ze verwoede pogingen om die leer toch op een bepaalde manier met de Schrift te verbinden, soms via een reeks gevolgtrekkingen.

Maar geconfronteerd met het 'Sola Scriptura' (‘alleen de Schrift’) van de reformatie, pleitte de katholieke kerk voor een visie op openbaring die benadrukte dat de waarheid in bewaring was gegeven aan de kerk zelf. Deel daarvan werd dan gevormd door de weergave die we vinden in de heilige Schrift zelf, en een ander deel lag in andere tradities die de kerk bewaakte en doorgaf. In dergelijke formulering wordt traditie boven de Schrift gesteld als iets bijkomend.

Dit brengt ons bij de tweede opmerking, een die de tekst van het Nieuwe Testament raakt. Hier zie je hoe het woord 'traditie' [overlevering, JL] of 'tradities' ofwel in een positieve of een negatieve betekenis wordt gebruikt.

Het woord 'traditie' verwijst eenvoudigweg naar hetgeen wordt overgeleverd. Als hetgeen wordt overgeleverd ‘apostolische leer’ is, dan zijn tradities een zeer goede zaak (bijv. 1 Kor. 11:2); als hetgeen wordt overgeleverd conflicteert met wat God zegt, dan zijn 'tradities' niet nuttig en zelfs gevaarlijk (zoals hier in Markus 7).

Dit onderscheid tussen verschillende soorten 'traditie' is niet hetzelfde als wat vandaag meestal wordt gemaakt. We onderscheiden tradities die intrinsiek neutraal zijn maar niettemin behulpzaam in het bouwen van gezinnen of gemeenschappen – familietradities of interessante culturele of kerkelijke tradities – en daarnaast de tradities die repressief zijn, restrictief of verstikkend.

Kortom, we maken onderscheid op basis van het sociale effect van tradities, niet op basis van hun waarheidsgehalte. Maar in het Nieuwe Testament worden tradities niet geprezen of bekritiseerd op basis van hun sociale functie, maar in het licht van hun conformiteit aan of afwijken van het Woord van God.

Hier in Markus 7:3 zijn de tradities die Jezus veroordeelt, deze die mensen toelaten te omzeilen wat de Schrift duidelijk zegt.

Ten derde moeten we erkennen dat belijdende evangelicalen die in naam traditie schuwen ook soms tradities omarmen die feitelijk het Woord van God aan banden leggen.

Dit kunnen traditionele uitleggingen van de Schrift zijn, of traditionele kerkelijke praktijken, of traditionele gedragsvormen die in onze kringen worden ‘toegestaan’ maar ver af staan van de heilige Schrift. In elk geval vereist trouw aan Christus dat we hervormd worden door het Woord van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 februari 2014

Niet tot inzicht gekomen en een verhard hart (Mk. 6)


Genesis 35-36; Markus 6; Job 2; Romeinen 6
In Markus’ verslag van de spijziging van de vijfduizend en van Jezus’ daaropvolgende wandelen op het water (Markus 6), vind je een klein zijpad dat aanleiding geeft tot interessante bespiegelingen. Zodra Jezus midden de storm in de boot klom, ging de wind helemaal liggen.

Markus verhaalt vervolgens hoe de discipelen ‘innerlijk bovenmate ontsteld’ waren, ‘want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard’ (6:51-52).

De eerste opmerking is de meest voor de hand liggende: de verbazing van de discipelen verraadt het eenvoudige feit dat ze maar heel weinig nagedacht hebben over het spectaculaire wonder dat Jezus slechts enkele uren daarvoor verrichtte.

Op het eerste gezicht zou de persoon die de natuur dermate beheerst dat Hij in staat is om met een paar resten voedsel duizenden mensen te voeden, ongetwijfeld de natuur voldoende moeten beheersen om een storm te kunnen laten ophouden.

Maar voor we te zelfvoldaan worden in ons oordeel over de discipelen, moeten we wel bedenken hoe snel wij de genadebewijzen van de Heer in onze eigen levens vergeten, en we ronduit (en met het schaamrood op de wangen) verrast reageren wanneer Hij weeral eens ingrijpt.

De tweede opmerking ligt wat dieper. Als Jezus werkelijk de beloofde Messias is, als Hij alle macht bezit die Hij al tentoonspreidde, kan een weldenkend discipel dan nog denken dat Hij de controle verliest?

Kan enig weldenkend lid van de twaalven zich voorstellen dat dit soort Messias discipelen achter zich zou kunnen roepen, om ze vervolgens allemaal te verliezen in een bootongeval? Niet dat ik suggereer dat er vandaag geen ongevallen kunnen gebeuren met volgelingen van Jezus.

Natuurlijk kan dat – dit is een gevallen wereld en Jezus’ volgelingen worden niet uitgesloten van alle tragische en wrede verwikkelingen die zijn gevallen toestand met zich meebrengt. Maar zelfs wij moeten leren in moeilijke en beangstigende omstandigheden op Gods wijze voorzienigheid te vertrouwen.

Hier moeten de discipelen zeker nog iets meer leren – hun eigen specifieke dienst als de dichtste kring van discipelen is zo intens verbonden met de bediening van Jezus, dat het ondenkbaar is dat ze zomaar ‘in een ongeval’ omkomen.

En ten derde kun je niet anders dan nadenken over Markus’ conclusie, dat hun harten 'verhard' waren. Dit betekent niet dat ze dom waren. Het betekent ook niet dat, hoewel hun verstand in orde was, hun gevoelens tweeslachtig waren, alsof 'hart' alleen maar verwijst naar het centrum van onze gevoelens.

In de symboliek van de Bijbelse antropologie, verwijst het begrip 'hart' naar de zetel van de menselijke persoonlijkheid, niet te ver verwijderd van wat wij bedoelen met 'verstand' (hoewel dit misschien te strikt cerebraal is).

Hun volledige oriëntatie was nog altijd te beperkt, teveel gefocust op de ervaring van hun angsten, te gelimiteerd door hun onvermogen door te dringen tot het volle mysterie van wie Jezus is en waarom Hij kwam.

Aan deze zijde van het kruis en de opstanding, gelden voor ons nog minder excuses dan voor hen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 februari 2014

Een van de wonderen die je nooit opmerkt: water



Sceptici die de waarheid van wonderverhalen in vraag stellen, beseffen niet dat wonderen overal rond hen heen bestaan. Neem nu bijvoorbeeld degenen die smalend doen over Jezus die op het water loopt (Joh. 6:16-24). Ze vergeten dat wat ze slikken in een glas water al een wonder is in en op zichzelf!

Sta hier eens een ogenblik bij stil. In achttien milliliter water (ongeveer twee slokken), zijn er 6 x 1023 moleculen H2O. Hoeveel is 6 x 1023? Een goede computer kan zeker 10 miljoen tellingen per seconde uitvoeren. Een dergelijke computer zou twee miljard jaar bezig zijn om tot 6 x 1023 te tellen.

Bekijk het ook eens anders. Een stapel van 500 bladzijden papier is een paar centimeter hoog. Hoe hoog zou de stapel zijn als de stapel 6 x 1023 bladzijden zou tellen? Die stapel zou reiken van de aarde tot aan de zon, niet één keer, maar meer dan een miljoen keer. Maar in ongeveer twee slokken water, heeft God zoveel moleculen verpakt.

Ik zou zeggen dat het wonder van op water lopen klein is voor de God die om te beginnen water schiep. C.S. Lewis schreef eens dat een traag wonder niet makkelijker te verrichten is dan een instant wonder. Wat ik werkelijk ongelooflijk vind zijn de verklaringen die sceptici geven aan deze ‘trage wonderen’ van het leven. Ik vind het oneindig veel moeilijker te geloven dat materie uit niets ontstond dan dat God de wereld schiep.


Uit: ‘Jesus among other Gods – Youth edition’ door Ravi Zacharias, uitg. W Publishing, 2000, blz. 70, vrije vertaling Jan Leplae.

Niets beter dan Gods huis (Gn. 34)

Genesis 34; Markus 5; Job 1; Romeinen 5
Films en boeken over wraak zijn zodanig endemisch in de populaire cultuur dat we maar zelden stilstaan bij de dubbelzinnige, bijtende aard van zonde. Er zijn alleen ‘good guys’ en ‘bad guys’, goeden en slechteriken. Maar in de echte wereld is het verre van ongewoon als zonde niet alleen de boosdoeners aantast, maar ook hen die erop reageren met zelfingenomen verontwaardiging.

De enige personen die in dit vreselijke verslag van verkrachting en plundering (Gn. 34) geen verwijt krijgen, zijn de slachtoffers - Dina zelf, natuurlijk, en de Sichemieten die, hoewel niet gelinkt aan de schuld van Hamors zoon of het bedrog van Hamor, ofwel worden afgeslacht ofwel tot slaven worden gemaakt.

Zeker Sichem, de zoon van Hamor, is schuldig. In het licht van zijn verkrachting van Dina, lijken zijn inspanningen om de bruidsprijs te betalen en de overeenkomst te regelen van de andere mannen om zich te laten besnijden, minder op edelmoedige verzoening dan op besliste en bewuste zelfzucht, een soort voortgaande verkrachting via andere wegen.

De redenering van Hamor en zijn zoon, zowel bij het benaderen van Jakobs gezin als bij het benaderen van hun eigen volk, wordt ingegeven door eigenbelang en gekarakteriseerd door halve waarheden. Ze erkennen hun wandaad niet en spreken ook niet rechtuit, en ze proberen hun eigen volk erin te luizen door hebzucht op te wekken.

Je kan begrijpen dat Dina’s broers ‘zeer gegriefd’ en ‘toornig’ zijn (34:7), maar hun daaropvolgende daden vallen niet te verdedigen. Met buitengewone dubbelhartigheid gebruiken ze het belangrijke religieuze gebruik van hun geloof als een middel om de dorpsbewoners uit te schakelen (het woord 'stad' verwijst naar een gemeenschap van elke grootte). Daarna maken ze hen af en nemen ze hun vrouwen, kinderen en rijkdom als buit. Is daar iets bij dat Dina eert? Is daar iets bij dat God behaagt?

Zelfs Jakobs rol is op zijn minst dubbelzinnig. Zijn oorspronkelijke stilzwijgen (34:5) was mogelijk niet meer dan politiek opportunisme, maar het klinkt niet nobel of principieel. Zijn uiteindelijke conclusie (34:30) is ongetwijfeld een correcte analyse van de negatieve politieke gevaren, maar doet geen recht en biedt ook geen alternatief.

Wat draagt dit hoofdstuk bij tot het boek Genesis en bij uitbreiding tot de canon?

Veel. Om te beginnen herinnert dit hoofdstuk ons aan een terugkerend patroon. Alleen omdat God weeral eens genadig ingreep en zijn volk hielp in een crisissituatie (zoals Hij doet in Gen. 32-33), wil daarom nog niet zeggen dat er niet langer moreel gevaar is om af te glijden naar verderf.

Bovendien wordt nog maar eens duidelijk dat de lijn van de belofte niet is gekozen omwille van haar intrinsieke superioriteit; impliciet is dit hoofdstuk een argument voor de voorrang die de genade krijgt.

Schijnbaar is het de crisis bij Sichem die de familie terug naar Bethel brengt (Gen. 35:1, 5), hetgeen Jakobs verhuizingen afsluit en, belangrijker nog, de lezer eraan herinnert dat ‘het huis van God’ belangrijker is dan elke louter menselijke woonplaats.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 februari 2014

Een goede bodem brengt vrucht voort (Mk. 4)


Genesis 33; Markus 4; Esther 9-10; Romeinen 4

De zogenaamde gelijkenis van de zaaier (Markus 4:1-20) kan misschien beter de gelijkenis van de bodems worden genoemd worden, want het variabel element dat de gelijkenis leven en diepte geeft is de afwisseling in het land waarop het zaad wordt uitgestrooid.

Omdat Jezus de verklaring geeft van zijn eigen verhaal, zou er geen twijfel mogen zijn over de punten waarop de meeste nadruk ligt. Het zaad is het ‘woord’, d.i. het Woord van God, dat hier overeenkomt met het evangelie, het goede nieuws van het koninkrijk. Zoals een landbouwer zaad met de hand uitstrooit in de antieke wereld, wordt dit woord ook breed uitgestrooid.

Onvermijdelijk valt er wat van het zaad op een bodem die om een of andere reden ondoordringbaar is: mogelijk komt het door het aangestampte vuil van het pad, of mogelijk komen er vogels die het zaad opeten voor het zich in de grond kan inwerken en ontkiemen, of mogelijk groeit het in de schaduw van doornstruiken die er het leven uit knijpen, of mogelijk ontkiemt het in losse grond met rotsachtige kalksteenbodem net onder het oppervlak. In dit laatste geval kunnen de wortels niet zeer diep gaan om het noodzakelijke vocht op te nemen.

De parallellen met de manier waarop mensen het woord horen liggen voor de hand. Sommigen zijn hard en stoten elk woord dat binnenkomt af. Anderen zijn snel afgeleid door de speeltjes die satan snel tevoorschijn haalt; anderen ondervinden dat zorgen en rijkdom [in het Engels ‘worries and wealth, the terrible Ws’, dus de ‘vreselijke W’s’] alle belangstelling voor geestelijke zaken versmachten. Weer anderen horen het woord met vreugde aan en lijken het meest belovend van de oogst, maar ze ontwikkelen nooit de diepe wortels die nodig zijn om in leven te kunnen blijven. Maar dank God voor de bodem die vrucht voortbrengt, soms zelfs in overvloed.

Zoveel is al duidelijk. Maar twee andere kenmerken van deze gelijkenis verdienen onze verdere aandacht.

Het eerste is dat deze gelijkenis, zoals zoveel andere, de wijdverspreide visie bijstelt dat wanneer de Messias komt, er meteen een climax komt, een definitieve breuk: de schuldigen en onreinen zouden dan allen worden veroordeeld, en de rechtvaardigen en reinen zouden genieten van een transformerende heerschappij. Dit is hoe het uiteindelijke koninkrijk er zou uitzien.

Maar Jezus schetst de komst van het koninkrijk toch een beetje anders. In de gelijkenis van het mosterdzaad (4:30-32) bijvoorbeeld, is het koninkrijk als een boom die klein begint en tot iets aanzienlijks uitgroeit; hier is sprake van groei en niet van een apocalyptische climax. Zo ook bij de gelijkenis van de zaaier: voorlopig zal het woord breed worden uitgestrooid, en mensen zullen er verschillend op reageren, met zeer uiteenlopende opbrengsten tot gevolg.

Het tweede is dat niet allen van hen die aanvankelijk tekenen van leven van het koninkrijk vertonen, ook werkelijk wortel schieten en vrucht voortbrengen. Die waarheid verdient bezinning en roept ons op tot zelfonderzoek.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 31 januari 2014

Misschien wel mank, maar krachtiger dan ooit tevoren (Gn. 32)

Genesis 32; Markus 3; Esther 8; Romeinen 3
Wat een transformatie in Jakob (Gen. 32)! Oppervlakkig gezien is er natuurlijk niet zoveel veranderd. Hij verliet Berseba voor Paddan-Aram omdat hij vreesde voor zijn leven; zijn broer Esau had – in zijn ogen - genoeg reden om hem te doden. Nu keert hij terug naar huis en Jakob is nog altijd doodsbenauwd voor zijn broer.

Niet minder oppervlakkig bekeken zou iemand kunnen aanvoeren dat er veel is veranderd: Jakob ontvluchtte de tenten van zijn ouders als ongehuwde man, bijna zonder bezittingen, terwijl hij hier terugkeert als rijke, getrouwde man met veel kinderen.

Maar de diepste verschillen tussen de twee reizen blijken uit Jakobs veranderde houding tegenover God. Op de heenreis neemt Jakob geen initiatief in godsdienstige zaken. Hij gaat gewoon slapen (Gen. 28).

Het is God die ingrijpt met een opmerkelijke droom van een ladder die tot aan de hemel reikt. Wanneer Jakob wakker wordt, erkent hij dat wat hij heeft meegemaakt een soort bezoek van God was (28:16-17); maar hij reageert daarop met een zeker voorstel tot ruilhandel met God: als God hem veiligheid, bescherming, voorspoed en uiteindelijk een gelukkige terugkeer naar huis wil schenken, dan zal Jakob God op zijn beurt erkennen en Hem een tiende aanbieden.

Nu is het toch wel anders. Ja, God neemt opnieuw het initiatief: Jakob ontmoet engelen Gods (32:1-2). Jakob besluit voorzichtig te handelen. Hij stuurt enkele van zijn mensen vooruit om Esau aan te kondigen dat zijn broer terugkeert. Dit is de aanzet voor een onheilspellend bericht: Esau is op komst om hem te ontmoeten, maar met vierhonderd man.

Aan de ene kant zet Jakob een zorgvuldig georkestreerd plan in werking: opeenvolgende golven van geschenken voor zijn broer worden vooruitgezonden, en elk van de boodschappers wordt zorgvuldig geïnstrueerd om Esau bijzonder hoffelijk en respectvol aan te spreken.

Aan de andere kant geeft Jakob toe dat hij de controle over zaken kwijt is. De ruilhandel is voorbij. ‘Zeer bevreesd’ en ‘bang te moede’ (32:7) onderneemt Jakob actie en bidt dan, smekend om hulp.

Hij herinnert God aan zijn verbondsbeloften, hij voert zijn eigen onwaardigheid aan, hij erkent hoeveel onverdiende zegeningen hij gekregen heeft, hij belijdt hoe bevreesd hij wel is (32:9-12). En dan, tijdens de donkerste uren, worstelt hij met die vreemde manifestatie van God zelf (32:22-30).

Een twintigtal jaren zijn voorbijgegaan sinds Jakobs heenreis. Sommige mensen leren niets in twintig jaar. Jakob heeft nederigheid geleerd, vasthoudendheid, godsvrucht, vertrouwen op Gods verbondsbeloften en hoe hij moet bidden. Dit betekent helemaal niet dat hij zo door schrik is overmand dat hij niets anders doet dan zich terugtrekken in gebed. Veeleer betekent het dat hij doet wat hij kan, terwijl hij volkomen gelooft dat de redding van de Here moet komen.

Tegen dat de zon opkomt, stapt hij met een manke heup, maar hier is een sterkere en betere man.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 januari 2014

Gigantische veranderingen op komst (Mk. 2)

Genesis 31, Markus 2, Esther 7, Romeinen 2

De 3 meest gebruikelijke godsdienstige handelingen voor veel Joden waren gebed, vasten en het geven van aalmoezen (d.i. geld geven aan de armen). Dus toen Jezus’ discipelen een beetje onverschillig leken rond dit tweede punt, moest dit wel vragen oproepen. De farizeeën vastten en de discipelen van Johannes de Doper vastten. Maar vasten was niet karakteristiek voor Jezus’ discipelen. Waarom niet? (Markus 2:18-22)

Jezus’ antwoord wekt verbazing: ‘En Jezus zeide tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage’ (2:19-20).

Hier is dan Jezus, uitermate zelfbewust, zich goed bewust dat Hij zelf de messiaanse Bruidegom is, en dat in zijn onmiddellijke tegenwoordigheid vreugde de gepaste reactie is. Het koninkrijk was op komst, de koning was al aanwezig, de dag van de beloofde zegeningen brak aan. Dit was niet een tijd voor verdriet, waar het vasten een teken van was.

Maar toen Jezus doorging met spreken over de bruidegom die zou worden weggenomen van zijn discipelen, en dat deze gebeurtenis rouw zou brengen, dan valt het zeer te betwijfelen of iemand op dat ogenblik de betekenis van de uitspraak kon vatten.

Uiteindelijk zou er bij de komst van de Messias toch gerechtigheid zijn en de triomf van God? Wie kon er nu spreken over de Messias die zou worden weggenomen? De volledige analogie van de bruidegom werd wazig.

Maar na Jezus’ dood en opstanding, na zijn verhoging tot de heerlijkheid, en na de belofte van zijn wederkomst aan de voleinding van de eeuw, zouden de stukjes in elkaar passen. De discipelen zouden uitgesproken droefheid ervaren gedurende de drie dagen van het graf, voor Jezus’ glorieuze opstanding hun wanhoop voor altijd zou wegvegen.

En in een afgezwakte zin, zouden Jezus’ discipelen periodes van lijden ervaren die dagen van vasten zouden oproepen als ze te maken zouden krijgen met de aanvallen van de boze, terwijl ze wachtten op de gezegende wederkomst van hun Meester.

Maar nu nog niet. Op dit moment waren smart en vasten ronduit ongepast. De beloofde Messias, de hemelse bruidegom, was onder hen.

De waarheid is, zegt Jezus, dat met de komst van het koninkrijk, de traditionele levensstructuren en godsdienstige vormen zouden veranderen. Het zou ongepast zijn om het nieuwe op het oude te enten, alsof het oude de ondersteunende structuur vormt – net zo goed als het ongepast is om een grote scheur in een oud kleed te herstellen met een nieuw, ongekrompen stuk stof, of om oude en broze wijnzakken te gebruiken om nieuwe wijn te bevatten die nog aan het gisten is: de vrijkomende gassen zullen de oude zakken ongetwijfeld doen barsten.

Het oude is niet de ondersteuning voor het nieuwe; het verwijst er naar, bereidt er op voor, en ruimt dan baan. Zo bereidt Jezus zijn discipelen voor op de gigantische veranderingen die op komst waren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 januari 2014

Disfunctionele familie ontdekt trouwe God (Gn. 30)


Genesis 30, Markus 1, Esther 6, Romeinen 1
Toen ik een kind in de zondagschool was, leerde ik de namen van de twaalf stammen van Israël door een eenvoudig refreintje te zingen: ‘These are the names of Jacob’s sons: / Gad and Asher and Simeon, / Reuben, Issachar, Levi, / Judah, Dan, and Naphtali - / Twelve in all, but never a twin - / Zebulun, Joseph, and Benjamin.’ [Letterlijk in het Nederlands: ‘Dit zijn de namen van Jakobs zonen: Gad en Aser en Simeon, Ruben, Issachar, Levi, Juda, Dan en Naftali – twaalf in totaal, maar nooit een tweeling – Zebulon, Jozef en Benjamin.]

Maar vele jaren gingen voorbij voor ik begreep hoe belangrijk de twaalf stammen zijn in de grote verhaallijn van de Bijbel. Veel van de wrijvingen in de rest van Genesis draaien rond hun relaties. De organisatie van de natie Israël draait rond het apart zetten van één stam als priesters: de Levieten. Uit een andere zoon, Juda, komt het Davidische koningshuis voort dat leidt tot de Messias.

Doorheen de eeuwen zou de stam van Jozef verdeeld worden in Efraïm en Manasse; in aanzienlijke mate zou Benjamin met Juda samengaan. Tegen het laatste boek van de Bijbel, Openbaring, vormen de twaalf stammen van het oude verbond de tegenhanger voor de twaalf apostelen van het nieuwe verbond. Dit twaalf-maal-twaalfmodel (d.i. 144, in de symboliek van deze apocalyptische literatuur) omvat in principe het hele volk van God.

Maar wat een bedenkelijk begin kennen ze in Genesis 30. Het bedrog van Laban in Genesis 29, dat resulteerde in Jakobs huwelijk met zowel Lea als Rachel, mondt nu uit in een van de meest ongezonde gevallen van gezinsrivaliteit in de Heilige Schrift.

Elk van deze vrouwen uit dit gezin wil zo graag de andere overtreffen dat ze nog liever hun slavin aan hun echtgenoot geven, dan de ander toe te laten voorsprong te nemen in de race om kinderen te baren.

Zo zelfgericht en ondoordacht zijn de relaties dat Rachel op een andere keer bereid is om de sekstijd van haar man aan haar zuster Lea te verkopen voor wat liefdesappelen. Polygamie grijpt om zich heen, en daarmee ook een puinhoop van verstoorde relaties.

Uit deze pijnlijke en ronduit disfunctionele familierelaties komen elf zonen en een dochter voort (de geboorte van de laatste zoon, Benjamin, wordt verhaald in hoofdst. 35). Hier ligt de herkomst van de twaalf stammen van Israël, het ontstaan van de Israëlitische natie.

Hun herkomst is niet slechter dan die van anderen, ze is eerder typerend. Maar het wordt al meteen duidelijk dat God niet met deze familie omgaat omdat ze consequent boven andere families uitsteekt. Nee, Hij gebruikt hen om zijn verbondsbeloften te houden aan Abraham, Isaäk en Jakob.

Hij gaat genadig met hen verder om zijn grootse heilsplannen te volvoeren. De bedenkelijke gezinsconflicten, van de soort die de aanzet kunnen zijn voor B-films, kunnen de soevereine God van het heelal er niet van weerhouden trouw te zijn aan zijn verbondsbeloftes.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 januari 2014

Mp3 lezing: 'De gelovige en lijden'

Zaterdag jl. vond in Menen opnieuw een lezing plaats in de reeks 'Geloven in de 21e eeuw'. Deze keer sprak Jaap Vergouwe over het omgaan met pijn en verdriet. De lezing kreeg als titel mee 'De gelovige en lijden'.

Download de mp3 'De gelovige en lijden'


De eerstvolgende lezing staat gepland op zaterdag 15 februari. Dan behandelt Wim Hoddenbagh de rol van 'De gelovige in de wereld', als het gaat om evangelisatie en zending.

'Ik ben met u' (Mt. 28)


Genesis 29, Matteüs 28, Esther 5, Handelingen 28
De slotzin van Matteüs 28 is opvallend: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’ (28:20). Natuurlijk is dit een grootse belofte van de opgestane Christus aan zijn volk, zo kort voor zijn hemelvaart. Maar het verband onthult dat het hier niet zomaar gaat om een soort algemene bemoediging. Contextueel is ze gelinkt aan de Grote Opdracht.

Wat is de aard van dit verband? Of om de vraag nog te specificeren, waarom is Jezus’ belofte om met zijn discipelen te zijn tot helemaal aan het einde van de wereld, verbonden met zijn verklaring over zijn eigen gezag en zijn opdracht om overal alle volkeren tot discipelen te maken?

We moeten onderkennen dat deze woorden niet worden uitgesproken als een botte voorwaarde, bijna een dreigement. Jezus zegt dus niet: ‘Als je de volken tot discipelen maakt, dan pas zal ik met u zijn tot aan de voleinding van de wereld’. Nog minder zegt Hij: ‘Als je de volken niet tot discipelen maakt, dan zal Ik niet bij u zijn tot aan de voleinding van de wereld’. Toch wordt een bepaald verband verondersteld. Wat is het dan?

Het verband is zo algemeen dat ik vermoed dat het de bedoeling is dat we de aanwezigheid van Jezus met ons zullen zien als de modelvorm voor het vervullen van de Grote Opdracht – dit wil zeggen: het is zowel de ervaring van hen die de opdracht gehoorzamen, als tegelijk het kader van waaruit we die opdracht gehoorzamen.

We kennen en ervaren de tegenwoordigheid van Jezus in overeenstemming met zijn belofte, en we leggen daar getuigenis van af, zelfs bij het verkondigen van Wie Hij is en wat Hij gedaan heeft en wat Hij beveelt.

Hoe objectief de waarheid van het Evangelie dat we verkondigen ook is, we verkondigen het niet alleen omdat het de waarheid is, maar omdat we zelf zijn reddende en transformerende kracht hebben ervaren.

Daarom verkondigen we niet alleen zijn waarheid, we leggen er ook persoonlijk getuigenis van af, van Jezus zelf. We zijn niet slechts koele boodschappers van bepaalde objectieve gebeurtenissen, we zijn discipelen die zich toewijden aan het maken van andere discipelen.

Het hoeft niet te verwonderen dat wanneer we deze opdracht opnemen, we de beloofde tegenwoordigheid van Jezus nog intenser ervaren. Omdat we Hem kennen én zijn transformerende aanwezigheid in onze levens, evangeliseren we, dopen we, onderwijzen we en maken we discipelen – en zo leren we Hem nog beter kennen en ervaren we zijn transformerende tegenwoordigheid in onze levens nog meer.

Zijn belofte om bij ons te zijn tot aan het eind van de wereld is dus de matrix of modelvorm van waaruit we de Grote Opdracht gehoorzamen, tegelijk fundament en doel, basis en beloning. Hoe zou het ook anders kunnen? We dienen Hem omdat we Hem liefhebben en verlangen om aan het einde van onze weg zijn gezegende woorden te horen: ‘Wel gedaan!’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 27 januari 2014

God ontmoet ons waar we zijn (Gn. 28)


Genesis 28; Matteüs 27; Esther 4; Handelingen 27
De naam 'Bethel' betekent ‘huis van God’. Ik vraag me af hoeveel kerken, huizen, Bijbelscholen en –seminaries, christelijke opvangcentra en andere instituten niet deze naam hebben gekozen om hun logo’s en andere briefhoofden te sieren.

Maar de gebeurtenis die aan de naam ten grondslag lag (Gen. 28) was een allegaartje. Er is Jakob, die zich mijlenver naar het huis van zijn oom Laban haast.
Ogenschijnlijk is hij op zoek naar een godvrezende vrouw – maar die reden speelt veel meer door het hoofd van Isaak dan door dat van Jakob.

In werkelijkheid rent hij voor zijn leven, zoals het voorgaande hoofdstuk duidelijk maakt. Hij wil ontsnappen aan moord door zijn eigen broer, in de nasleep van zijn eigen smakeloze daad van bedrog en misleiding. Te oordelen naar de dingen die hij van God verzoekt, dreigt hij voedselgebrek te lijden en onvoldoende kleding te hebben, en hij mist zijn familie nu al (28:20-21).

Maar hier ontmoet God hem in een zo heldere droom dat Jakob verklaart: ‘Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels’ (28:17).

Van zijn kant herhaalt God de kern van het verbond met Abraham tegenover deze kleinzoon van Abraham. De droom van de ladder opent het vooruitzicht op toegang tot God, op Gods rechtstreekse contact met een man die tot op dit punt meer gedreven lijkt door opportunisme dan door principes.

God doet de belofte dat zijn nakomelingen talrijk zullen zijn en dit land zullen krijgen. De ultieme expansie wordt ook weer herhaald: ‘met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden’ (28:14). Zelfs op persoonlijk vlak zal Jakob niet verlaten worden, want God verklaart: ‘En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd’ (28:15).

Ontwaakt uit zijn droom, richt Jakob een altaar op en noemt de plaats Bethel. Maar in grote lijnen is hij nog steeds dezelfde opportunist. Hij doet een gelofte: ‘Als God zus en zo en zo zal handelen, als ik alles krijg wat ik verlang en verhoop van deze overeenkomst ‘dan zal de HERE mij tot een God zijn’ (28:20-21).

En God laat hem in leven! Het verhaal gaat verder: God doet al wat Hij belooft en meer. Al Jakobs voorwaarden worden ingewilligd. Een van de grote thema’s in de Bijbel is hoe God ons ontmoet waar we zijn: in onze onzekerheden, in onze voorwaardelijke gehoorzaamheid, in onze mix van geloof en twijfel, in onze mengeling van ontzag en eigenbelang, in ons verstaan en onze dwaasheid. God openbaart zich niet slechts aan de grootsten en meest heldhaftigen, maar aan ons, in ons Bethel, het huis van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 26 januari 2014

Achter de coulissen regeert God (Mt. 26)


Genesis 27, Matteüs 26, Esther 3, Handelingen 26
Alle vier de hierboven vermelde gedeeltes uit het Bijbelleesrooster dragen bij tot het thema van de voorzienigheid van God.

In veel opzichten is Genesis 27 een triest en smerig verhaal. Eerder had Esau zijn geboorterecht veracht (25:34); nu werkt Jakob hem eruit via oplichterij.
Jakob wordt hierbij aangestuurd door zijn moeder Rebekka, die op die manier favoritisme vertoont onder haar kinderen en niet loyaal is tegenover haar echtgenoot. Esau barst in woede uit en neemt in het geheel geen verantwoordelijkheid voor zijn daden. Hij koestert zelfs zijn bitterheid en beraamt de moord op zijn broer. Het gezin dat de lijn van de belofte vormt brengt er niet veel van terecht.

Maar wie het gedeelte lezen binnen het verloop van het volledige boek herinneren zich dat God zelf aan Rebekka verklaard had, nog voor dat de tweeling geboren was, dat de oudste de jongere zou dienen (25:23).

Misschien is dat een van de redenen waarom ze handelde zoals ze deed: blijkbaar dacht ze dat God wel wat hulp kon gebruiken om zijn voorzegging te laten uitkomen, zelfs immorele hulp. Maar achter deze smerige en boze daden werkt God op mysterieuze wijze zijn plannen uit om de lijn van de belofte tot het doel te brengen dat Hij heeft bepaald.

Natuurlijk had God het zo kunnen beschikken dat Jakob als eerste werd geboren, als dit de man was waarvan Hij wilde dat hij de lijn zou verderzetten. In plaats daarvan wordt Esau als eerste geboren, maar is Jakob uitverkoren, als om duidelijk te maken dat de lijn wel belangrijk is, maar dat Gods soevereine ingrijpende uitverkiezing belangrijker is dan menselijke anciënniteit, dan louter eerstgeboorterecht.

In Matteüs 26 beramen de autoriteiten een smerig plan om samen het recht te buigen en een politiek probleem op te lossen; Judas, een van de intimi van Jezus, verkoopt zijn meester. Jezus doorstaat doodsangsten in Getsemane, Hij wordt gearresteerd en verraden met een kus; het Sanhedrin veroordeelt en mishandelt zijn gevangene; Petrus verloochent Jezus.

Maar wie kan eraan twijfelen, in het licht van het verloop van het boek, dat God soeverein de controle behoudt om het gewenste doel tot stand te brengen? Jezus zal zijn leven geven ‘als een losprijs voor velen’ (20:28), en alle falen, pijn en zonde in dit hoofdstuk monden uit in verlossing.

Het boek Esther vermeldt zelfs het woord 'God' niet. Maar ook hier stevent zelfs Hamans geplande grove en door de regering gesanctioneerde genocide af op Gods redding.

En Paulus (Handelingen 26) zou wellicht zijn vrijgesproken, had hij zich niet beroepen op Caesar - maar net dit beroep laat hem finaal toe om het evangelie te verkondigen tot in het hart van het Rijk.

Voorzienigheid is mysterieus. Ze mag nooit gebruikt worden om verkeerde daden te rechtvaardigen of om zonde goed te praten: Isaak en zijn familieleden zijn meer dan een beetje slordig, Judas is een bedrieglijke ellendeling, Haman is boosaardig, en het Romeinse hof dat Paulus vervolgt is meer dan een klein beetje corrupt.

Maar God regeert soeverein, achter de schermen, en Hij brengt heerlijkheid voort uit bloedvergieten en eer uit schande.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 januari 2014

Eens dood, nu levend

Een van de cruciale verschillen tussen het Judeo-christelijke wereldbeeld en andere levensbeschouwingen is dat niet een mate van morele kwaliteit ons terug in een goede relatie met God kan brengen. Hierin ligt het verschil tussen moraliserende religies en hetgeen Jezus ons aanbiedt: Jezus biedt niet aan om slechte mensen goed te maken, maar dode mensen levend.

Bron: Ravi Zacharias, Just Thinking, Threads of a redeemed heart

Kol. 2:13 - Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold

Schaap of bok? (Mt. 25)


Genesis 26, Matteüs 25, Esther 2, Handelingen 25
De parabel van de schapen en de bokken (Mat. 25:31-46) vestigt onze aandacht op de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de zieken en de gevangenen. Hij spreekt boekdelen voor ons in een cultuur waarin de armen, ellendigen en ongelukkigen makkelijk kunnen worden genegeerd of naar de buitenkant van onze blik gedrukt.

Hier verklaart Jezus, de Mensenzoon en Koning: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’ (25:40; vgl. vers 45). Betekent dit niet dat we op de een of andere manier Christus dienen wanneer we de noodlijdenden dienen? Wordt dit dan niet een kenmerk – misschien zelfs hét onderscheidende kenmerk – van ware volgelingen van Jezus Christus?

Dit is in ieder geval hoe deze gelijkenis gewoonlijk wordt uitgelegd. Aan de ene kant ben ik terughoudend om die uitleg in vraag te stellen, omdat het altijd belangrijk is voor wie de levende God kennen en volgen om hun leven in God te tonen op het terrein van mededogen, dienstbetoon en zelfverloochening. De Bijbel heeft op andere plaatsen zeker heel wat te zeggen over zorg voor de armen.

Maar het is eerder onwaarschijnlijk dat dit de focus is van deze gelijkenis. Een andere klassieke stroming in de uitleg van dit gedeelte is veel waarschijnlijker. Twee elementen in de tekst verduidelijken de zaak.

Ten eerste benadrukt Jezus dat wat door ‘de schapen’ werd gedaan werd, of niet werd gedaan door ‘de bokken’, werd gedaan ‘aan één van deze mijn minste broeders’ (25:40; vgl. vers 45). Er is overvloedig bewijs dat deze uitdrukking niet verwijst naar iedereen die lijdt, maar naar Jezus’ volgelingen die lijden.

De nadruk ligt niet op mededogen in het algemeen (hoe belangrijk dit elders in de Schrift ook is), maar op hen die mededogen hebben bewezen aan de volgelingen van Jezus die hongerig, dorstig, naakt, ziek of gevangen zijn.

Ten tweede zijn zowel de schapen als de bokken (25:37, 41, 44) verrast wanneer Jezus zijn verdict kenbaar maakt over de manier waarop ze ‘deze mijn minste broeders’ hebben behandeld. Als Jezus zou verwijzen naar een algemeen of generiek mededogen, dan kun je je moeilijk voorstellen dat ook maar iemand zo verrast zou zijn als hier.

Het punt is dat het Jezus’ identificatie met deze mensen die wel (of niet) werden geholpen de kwestie is waar het om draait – en dit is een vast kenmerk in bijbels geloof. Bijvoorbeeld wanneer Saulus (Paulus) christenen vervolgt, vervolgt hij Jezus (Hd. 9:4).

Ware volgelingen van Jezus gaan tot het uiterste om andere volgelingen van Jezus te helpen, vooral de zwakken en meest verachten onder hen; anderen voelen niet de minste betrokkenheid op dit vlak. Dit is wat de schapen en de bokken scheidt (25:32-33).

Dus hoe behandel jij andere christenen, zelfs de geringsten van Jezus’ broeders?


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 januari 2014

De Mensenzoon komt onverwachts (Mt. 24)


Genesis 25; Matteüs 24; Esther 1; Handelingen 24
In tumultueuze tijden kwamen christenen al vaak in de verleiding om data vast te stellen waarop de Heer zou terugkomen – bijna altijd zeiden ze dan dat Hij zou terugkomen binnen één generatie van wie de voorspelling doet. In Matteüs 24:36-44 verklaart Jezus echter dat het tijdstip verborgen is. We kunnen het niet kennen en moeten dit ook niet proberen.

Meer bepaald benadrukt dit gedeelte twee dingen.

Ten eerste is niet alleen de ure van het eind een geheim dat de Vader voor zichzelf voorbehouden heeft, maar wanneer het oordeel komt zal dit onverwacht zijn, plots en onomkeerbaar.

Dat is ook het punt van Jezus wanneer Hij de vergelijking maakt met de plotse aanvang van de zondvloed: ‘Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn’ (24:37).

Het punt is niet dat mensen aan het einde van de tijden even slecht zullen zijn als in de dagen van Noach. Dit kan zo zijn of het kan niet zo zijn, maar het is niet wat Jezus zegt. Jezus vestigt de aandacht op het doodgewone verloop van het leven in Noachs dagen voor de zondvloed: ‘etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging’ (24:38).

De zondvloed kwam als een volslagen verrassing en vernietigde hen volkomen. ‘Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn’ (24:39). Twee mannen of twee vrouwen zullen gezamenlijk aan het werk zijn en het oordeel zal een ervan wegnemen en de ander zal achterblijven (24:40-41). Het einde der dingen zal plots en onverwacht zijn.

Ten tweede volgt daaruit (‘dan’, 24:42) dat trouwe dienstknechten altijd gereed zullen zijn. Vanzelfsprekend weet een heer des huizes in een gevaarlijke buurt niet wanneer de dief zal opdagen. Hij neemt eerder de nodige voorzorgen zodat hij altijd gereed zal zijn.

Het punt is niet dat Jezus’ terugkeer aan het einde der tijden stiekem – zoals het naderen van een dief – of gewelddadig gebeurt, of uitbuiting met zich brengt.

Het punt is eerder dat, alhoewel het tijdstip van zijn terugkeer niet kan worden voorspeld, Hij zal komen, en zijn volk moet er even goed zijn op voorbereid als de huiseigenaar in de onveilige buurt is voorbereid op de komst van de dief (wiens timing al even onvoorspelbaar is). ‘Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen’ (24:44).

Wat zou jij aan het doen, zeggen, denken of plannen willen zijn wanneer Jezus terugkomt? Wat zou je niét aan het doen, zeggen, denken of plannen willen zijn wanneer Jezus terugkomt? Jezus zegt wat we altijd moeten doen: ‘Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt’ (24:42).


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 23 januari 2014

Zaterdag lezing in Menen: 'De gelovige en lijden'



Aanstaande zaterdag 25 januari kun je opnieuw in CC De Steiger in Menen terecht voor een lezing in de reeks 'Geloven in de 21e eeuw'. Jaap Vergouwe uit Poperinge spreekt dan over 'De gelovige en lijden', over hoe gelovigen omgaan met pijn en verdriet.
Aanvangsuur: 19.30 u.

Slik, een kameel binnengewerkt (Mt. 23)


Genesis 24; Matteüs 23; Nehemia 13; Handelingen 23
De taal in Matteüs 23 is ronduit schokkend. Jezus spreekt herhaaldelijk zijn ‘wee’ uit over de farizeeën en schriftgeleerden, terwijl hij hen betitelt als ‘huichelaars’ en hen ‘blinde leidslieden’ en ‘blinde dwazen’ noemt, en hen vergelijkt met ‘gewitte graven’ die ‘van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid’. Ze zijn ‘kinderen van de hel’ en ‘adderengebroed’. Wat is het dat bij Jezus dergelijke verregaande taal oproept?

Er zijn drie belangrijke kenmerken in deze mensen die Jezus’ toorn opwekken.

Het eerste is het verlies van perspectief dat, met betrekking tot de openbaring van God, de minder belangrijke punten benadrukt, ten koste van de belangrijke punten. Ze zijn altijd overdreven minutieus over tienden geven, leggen zelfs tienden opzij van de kruiden die ze in de tuin kweken, terwijl ze zich in zekere zin geen zorgen maken over de uiterst belangrijke kwesties van ‘het oordeel en de barmhartigheid en de trouw’ (23:23).

Jezus maakt goed duidelijk dat hij de relatief minder belangrijke onderwerpen niet opheft: zijn gesprekspartners mogen die niet verwaarlozen, want deze voorschriften waren tenslotte door God gegeven. Maar deze punten zo benadrukken ten koste van de gewichtige onderwerpen, staat gelijk met de mug uitziften en de kameel doorzwelgen.

Net zo gaat het als je zorgvuldig regels opstelt over wanneer het belangrijk is om de waarheid te vertellen en wanneer en hoe je wegkomt met een leugen (23:16-22): dan ga je niet alleen voorbij aan het feit dat de waarheid spreken van fundamenteel belang is, maar impliciet ontken je daarmee dat het hele universum aan God toebehoort en dat al onze beloften en eden voor Hem gebeuren.

Het tweede kenmerk is liefde voor de uiterlijke religieuze vormen met zeer weinig blijk van een veranderde natuur, een veranderd hart. Je laten begroeten als een wetgeleerde, je laten eren door de gemeenschap, zorgen dat men je als heilig en religieus aanziet, terwijl je van binnen roof, onmatigheid, bitterheid, rivaliteit en haat koestert, is uitermate zondig (23:5-12, 25-32).

De derde vernietigende aanklacht betreft het feit dat deze leiders, omdat ze een belangrijke onderwijzende rol vervullen, hun vergif verder verspreiden en er anderen mee besmetten – zowel via hun leer als door hun voorbeeld. Niet alleen kunnen ze zelf het koninkrijk niet binnengaan, ze verhinderen ook effectief anderen er binnen te gaan (23:13-15).

Hoeveel evangelische leiders steken het grootste deel van hun energie in randzaken of bijkomstigheden, en veel te weinig in de uiterst belangrijke onderwerpen van oordeel, barmhartigheid en trouw – in onze gezinnen, in de kerken, op de werkvloer, in al onze relaties en in ons land?

Hoevelen maken zich drukker over de vraag of ze wijs en heilig beschouwd worden, dan of ze wijs en heilig zijn? Hoevelen belanden uiteindelijk op het punt dat ze hun toehoorders naar de verdoemenis helpen door hun eigen slechte voorbeeld en afdrijven van het evangelie en zijn implicaties?
Onze enige hoop rust op deze Jezus, die – ook al veroordeelt Hij deze verschrikkelijke schuld zo scherp – over de stad weent (Mat. 23:37-39; Lk. 19:41-44).


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 januari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.