maandag 8 juli 2013

Indien gij u bekeert, Israël, luidt het woord des HEREN, dan moogt gij tot Mij wederkeren (Jer. 4)


Jozua 10; Psalmen 142-143; Jeremia 4; Matteüs 18
Het grootste deel van Jeremia 4 is gewijd aan het beschrijven van de verwoesting die de Babylonische troepen uit het noorden zullen aanrichten (4:5-31). Veel van deze voorzegging komt van de lippen van Jahweh zelf.

Op een bepaald ogenblik is er een pauze waarin Jeremia beschrijft hoe kapot hij zelf is bij het vooruitzicht: ‘O mijn binnenste, mijn binnenste! Ik moet ineenkrimpen. O wanden mijns harten! Mijn hart jaagt in mij, ik kan niet zwijgen; want bazuingeschal hoor ik, strijdrumoer!’

Hoe getrouw hij Gods woorden ook doorgeeft, hoezeer hij erkent dat Gods oordelen rechtvaardig zijn, toch identificeert Jeremia zich met de benauwdheid die zijn volk zal ondergaan. Daarin anticipeert hij op de Heer Jezus, die de zonden van zijn tijd veroordeelt, maar weent over de stad als Hij stilstaat bij het oordeel dat onvermijdelijk moet volgen.

In de vier openingsverzen van het hoofdstuk toont de Heer echter dat het nog altijd niet te laat is. In feite zal de natie, indien Israël tot Hem terugkeert, niet slechts gespaard worden, maar zal ze haar rol van kanaal van zegen voor de volken terug opnemen (vgl. Gen. 12:3; Ps. 72:17).
Maar een dergelijke terugkeer mag geen schijnvertoning zijn, louter een schijnvertoning van inkeer. Israël moet werkelijk zijn afgoden verlaten. Het moet zweren ‘„zo waar de HERE leeft”, in waarheid, recht en gerechtigheid’ (4:2).

Er zijn minstens twee aspecten aan deze eedzwering.

Het eerste is dat ze eigenlijk bestaat uit een hernieuwing van het Sinaïverbond. Indien de eed niet gemeend is – d.w.z. niet in waarheid, recht en gerechtigheid – dan zou ze niet alleen vals zijn, maar ook godslasterlijk.

Het tweede facet is dat ze de Mozaïsche voorschriften weerspiegelt die zeggen dat de geloften van het volk in de naam van de Heer moeten zijn (Deut. 10:20). Een volk dat gezonken is in afgoderij zou zweren in de naam van vele valse goden. Wanneer iedereen in het land zweert in de naam van de Heer, dan zou dit enkel kunnen omdat de Heer alleen de allerhoogste is, de enige God, het hoogste Wezen bij wie ze kunnen zweren.

Twee uitdrukkingen geven een verdere beschrijving van de zuiverheid van bekering en de oprechtheid van hart die God vereist.

(a) ‘Ontgint u nieuw land en zaait niet tussen de doornen’ (4:3). Het volk toont geen echte ontvankelijkheid voor de Heer en zijn woorden. De hardheid moet opengebroken worden. Er is geen vruchtbaarheid wanneer je zaait tussen dorens die alle leven zuigen uit wat waardevol is (vgl. Mk. 4:1-20).

(b) Wat God wil is meer dan besnijdenis van de voorhuid, hoe diep symbolisch deze daad ook is. Hij wil besnijdenis van het hart (4:4) – een wegsnijden van al wat zondig is. Dit was zelfs al zo in Mozaïsche tijden (Deut. 10:16).

Denk verder na over de conclusies van Paulus (Rom. 2:28-29).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 7 juli 2013

Gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars – en dan tot Mij terugkeren? (Jer. 3)


Jozua 9; Psalmen 140-141; Jeremia 3; Matteüs 17
Wanneer de menselijke auteurs van de Bijbel de Schrift schreven, hadden ze vaker wel dan niet de Schriften gelezen die al voor hun tijd geschreven waren. Zo lazen de vroegste schrijvers van het Nieuwe Testament wat wij het Oude Testament noemen (en citeerden ze eruit of zinspeelden ze erop). De latere schrijvers van het Nieuwe Testament lazen op zijn minst een gedeelte van de vroege Nieuwtestamentische boeken (zie 2 Petr. 3:15-16). Zo lazen ook de latere schrijvers van het Oude Testament al alle of een aantal van de Oudtestamentische boeken.

Het is zeer waarschijnlijk dat Jeremia, een profeet uit de zesde eeuw, het werk van Hosea, profeet uit de achtste eeuw, had gelezen en overdacht. Hosea’s boek werkt uitvoerig de analogie tussen Israël en een hoer uit: trouwbreuk is een vorm van geestelijke hoererij.

Deze vreselijke maar veelzeggende analogie wordt op een aantal manieren naar voor gebracht – vooral door Gods opmerkelijk trouwe liefde voor zijn hoer-bruid. Sommige elementen uit dit thema van Hosea worden terug opgepikt en uitgewerkt door Jeremia (vooral in Jer. 3).

Het eerste vers alludeert op Deuteronomium 24:1-4. Daar wordt gesteld dat als een vrouw gescheiden is en een ander huwt, ze niet kan scheiden van de tweede om terug te keren naar de eerste. Spijtig genoeg heeft het volk van Juda ‘ontucht gepleegd met vele minnaars’ (3:1) – en nu zijn er geruchten over een terugkeer naar de Heer, alsof er helemaal geen vuiltje aan de lucht is.

Zij denken in Gods tegenwoordigheid te kunnen verschijnen en nostalgisch te bidden, ‘mijn Vader, de vertrouwde mijner jeugd zijt Gij! Zal Hij immer toornen, of voor altoos de wrok behouden?’ (3:4-5) – alsof het een eenvoudige zaak is deze ernstig beledigde God te benaderen, alsof de gevolgen een te ver gaande conclusie waren, alsof elke overblijvende moeilijkheid bij God ligt en bij zijn onbuigzame toorn.

Maar God ziet het nogal anders. Hij becommentarieert rustig ‘Zie, zo spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk’ (3:5). Beweringen over bekering, beloften van trouw en mooie allusies op een vergane relatie betekenen voor God niets in vergelijking met hoe ze er nu mee omgaan. Religieuze taal verbergt vaak niet alleen goddeloos gedrag, maar ook een verborgen begeerte om kwaad te doen (3:5) – hoewel de persoon die de zonde begaat meestal zo blind is dat hij of zij het niet zondig noemt.

De noordelijke natie van Israël zat gevangen in geestelijk overspel, en God gaf haar een ‘scheidbrief’ (3:6-8): ze werd in ballingschap gestuurd in 722 v.C. onder de Assyrische koning Sargon II.

Haar zuster Juda leerde er niets uit: een eeuw later deed ze hetzelfde als haar zuster Israël, maar had ze nog minder excuus aangezien ze gezien had wat Israël was overkomen (3:9 e.v.).

In welke mate heeft het hedendaags evangelicalisme het evangelie uitgehold, terwijl het bijna niets geleerd heeft uit de bijna vergelijkbare val van het Protestants confessionalisme ongeveer honderd jaar geleden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 6 juli 2013

Petrus: eerste onder gelijken (Mt. 16)


Jozua 8; Psalm 139; Jeremia 2; Matteüs 16
Over weinig gedeelten uit de synoptische evangeliën is in de geschiedenis van de kerk meer getwist dan over Petrus’ belijdenis dat Jezus ‘de Christus’ is, ‘de Zoon van de levende God’, en hetgeen daarop volgt (Mt. 16:13-28).

Hier wagen we ons aan slechts drie bedenkingen:

(1) Te oordelen naar zijn antwoord, ziet Jezus deze belijdenis als een belangrijke vooruitgang, bereikt via openbaring door de Vader (16:17). Maar dit betekent niet dat Petrus voor dat ogenblik nog niet besefte dat Jezus de Messias is. Ook betekent het niet dat hij ‘Messias’ begreep in de volwaardige, christelijke betekenis die het woord kreeg na Jezus’ dood en opstanding.

Op dat ogenblik is Petrus heel duidelijk bereid om Jezus te aanvaarden als Israëls koning, de Gezalfde uit de lijn van David, maar hij besefte niet dat Hij tegelijk de Davidische koning en de lijdende Knecht moest zijn, zoals de daaropvolgende verzen tonen.

Zowel Petrus’ begrip als zijn geloof waren groeiend, maar nog steeds pijnlijk beperkt. Om Petrus op dit gebied tot volle christelijke geloof te zien komen, moeten we wachten op de volgende grote heilshistorische afspraak: het kruis en de opstanding.

(2) Jezus’ woorden ‘Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen' (16:18), zijn begrepen als de start van het rooms-katholieke pausdom. Maar zelfs in de meest ruimhartige interpretatie kun je maar moeilijk zien hoe dit tekstgedeelte iets zou zeggen over het doorgeven van een Petrine voorrang, en nog minder over een geleidelijk ontwikkelen en bevorderen van het pausdom tot de introductie van de leer van de pauselijke onfeilbaarheid in 1870.
Beledigd door dergelijke buitensporige claims, zijn veel protestanten met uitleggingen gekomen die al even ongelooflijk zijn.

Misschien zei Jezus ‘gij zijt Petrus’ (wijzend naar Petrus) ‘en op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen’ (wijzend naar zichzelf).
Of misschien is de ‘rots’ waarop de gemeente gebouwd wordt niet Petrus, maar Petrus’ belijdenis – wat nauwelijks recht doet aan de woordspeling in het Grieks: ‘Jij bent petros en op deze petra’.’

(3) Het is beter te zien dat Petrus werkelijk een bepaalde voorrang heeft – wat een ‘heilshistorische voorrang’ genoemd werd. Hij was de eerste om bepaalde dingen te zien, de leider die van God gaven kreeg bij de eerste stappen van organisatie en evangelisatie na de opstanding (zoals Handelingen duidelijk maakt).

Maar niet alleen was dit leiderschap verbonden met Petrus’ unieke rol in de heilsgeschiedenis (zo uniek, dat het naar de aard van de zaak niet kon doorgegeven worden), maar de evangelieautoriteit die hem verleend was (16:18-19) wordt uitgebreid naar al de apostelen (18:18).

Dit is wat we moeten verwachten: elders wordt ons verteld dat de gemeente gebouwd wordt op het fundament van profeten en apostelen (Ef. 2:20, cursief toegevoegd). Zoals de oude formulering luidt, Petrus was primus inter pares – de eerste onder gelijken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 5 juli 2013

Zij zullen u niet overmogen, want Ik ben met u (Jer. 1)

Jozua 7; Psalmen 137-138; Jeremia 1; Matteüs 15

Jeremia leefde in een tijd van dreiging en verval. Geroepen als profeet in het dertiende jaar van de regering van koning Josia, Juda’s laatste hervormende koning (rond 627 v.C.), diende Jeremia meer dan veertig jaar. De val van Jeruzalem vond plaats in 587 (veertig jaar naar de roeping van Jeremia), en de profeet zette zijn dienst daarna nog een tijd voort.

Zijn dienst was gedoemd tot schijnbare vruchteloosheid. Maar God had hem geroepen om de waarheid te spreken over de natie en over het komende oordeel, of zijn woorden nu wel of niet goed ontvangen werden.

Je merkt Jeremia’s groeiende maturiteit en vastberadenheid met het voorbijgaan van zijn jaren dienst. De roeping van Jeremia beslaat het eerste hoofdstuk (Jer. 1). Een paar belangrijke elementen:

(1) Niet alleen kwam Jeremia’s opdracht van God, maar God had hem al uitverkoren van voor zijn geboorte (1:5). In de donkerste uren van tegenstand en wrede behandeling, was dit feit ongetwijfeld een ontzettende geruststelling voor Jeremia.

(2) Jeremia was duidelijk nog een jongeman toen God hem riep voor zijn eerste opdracht. Jeremia protesteerde dat hij te jong was, ‘nog maar een jongen’ (HSV) – maar God wilde van dit excuus niet weten, want Hij is volkomen in staat om iedereen toe te rusten die Hij kiest. God zelf zou de woorden in Jeremia’s mond leggen en hem een profetische stem maken, niet alleen voor Juda, maar ook voor de omliggende volken (1:7-10).

(3) Twee visionaire beschrijvingen verklaren de roeping van Jeremia.

De eerste is een amandeltwijg. Het Hebreeuwse woord klinkt als het Hebreeuws voor ‘waken over’. De amandeltwijg was de eerste om in de lente te ontspruiten, en zo wijst ze op de komst van de lente; in de woordspeling wijst Gods woord naar zijn eigen vervulling, die zonder twijfel moet volgen. Zo wordt Jeremia bemoedigd Gods woorden te brengen met volkomen vertrouwen dat al wat God zegt waar is, en al wat Hij voorspelt zal gebeuren (1:11-12): God waakt over alles.

Het tweede visionaire element is een kokende pot, die uit het noorden verschijnt – een beeldende manier om aan te duiden dat de kokende ketel van oordeel, het oordeel dat Babylon over de nietige natie zou brengen (1:13-16), zou over Juda uitgestort worden vanuit het noorden.

(4) Bovenal zegt God aan Jeremia niet bang te zijn – een veelgebruikt woord van God voor zijn dienstknechten (bijv. Abraham, Gen. 15:1; Mozes, Num. 21:34 en Deut. 3:2; Daniël, Dan. 10:12, 19; Maria, Lukas 1:30; Paulus, Handelingen 27:24). God verbloemt de moeilijkheden niet: Jeremia zal tegenstand krijgen en zal soms alleen staan ‘tegen het gehele land’ (1:18) – maar ‘zij zullen u niet overmogen’, zegt God, ‘want Ik ben met u (…) om u te bevrijden’ (1:19). Alleen dergelijke beloften zijn voldoende om gigantische profetische moed te verkrijgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 4 juli 2013

Op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft (Jes. 66)


Jozua 6; Psalmen 135-136; Jesaja 66; Matteüs 14
Hoewel Jesaja 66 eindigt op een noot van apocalyptische daadkracht en hoop (66:18-24), verweven met een duidelijk missionair thema (66:19), biedt het begin van het hoofdstuk nog één waarschuwing. Deze waarschuwing (Jes. 66:1-6) trekt hier onze aandacht.

De tekst kijkt vooruit naar de tijd waarin de tempel in Jeruzalem zal herbouwd worden. Jesaja heeft de hele tijd voorspeld dat Jeruzalem zou vernietigd worden en daarmee impliciet ook de tempel. Hij profeteerde ook dat een overblijfsel naar de stad zou terugkeren en de herbouw zou aanvatten. Maar ze mogen nooit vergeten dat God niet kan herleid worden tot de afmetingen van een tempel: ‘De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats mijner rust? Dit alles heeft immers mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan’ (66:1-2).

Salomo begreep dit toen hij Israël voorging in gebed bij de inwijding van de eerste tempel (1 Kon. 8:27). Niettemin is dit een les die snel wordt vergeten wanneer opeenvolgende generaties afglijden naar religieuze kerkelijkheid.

Op een of andere manier denken zij goed te zijn omdat ze de voorgeschreven religieuze verplichtingen nakomen. Maar God benadrukt dat een voorgeschreven dier offeren in de nieuwgebouwde tempel met een hart dat ver van de Heer staat, niet beter is dan te komen met de offerande van een onrein dier – het kan voor de Heer zelfs zo verwerpelijk zijn als een mensenoffer, want de volledige handeling wordt zo vreselijk Godonterend (66:3). Deze religieuze mensen glijden uiteindelijk af tot de godsdienstvervolging van wie Gods woord willen volgen (66:5).

Nog maar eens dreigt de Heer met enorm oordeel (66:4, 6). Wat zal de Heer dan zoeken onder het overblijfsel dat terugkeert uit ballingschap? ‘Op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft’ (66:2).

Een paar verzen later, richt Jesaja zich rechtstreeks tot de getrouwen als ‘gij die voor zijn woord beeft’ (66:5). Niets nieuws. Een van de lessen die de Israëlieten moesten leren gedurende hun jaren van omzwerving in de woestijn, was ‘dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat’ (Deut. 8:3).

Dit is van blijvend belang – niet alleen goed te luisteren naar elk woord dat God gesproken heeft, maar luisteren met nederigheid, verbrokenheid en vreze Gods (66:2).

In elke generatie bestaat het verschil tussen oprechten en valsen en gezegenden en vervloekten, uit hun trouw of ontrouw aan het woord van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 3 juli 2013

Ik zeide tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik (Jes. 65)


Jozua 5; Psalmen 132-134; Jesaja 65; Matteüs 13
Jesaja heeft gebeden ‘Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt’ (64:1). Nu (in Jes. 65) antwoordt God met twee complementaire perspectieven.

Ten eerste zegt God dat Hij niet zo ver weg is als Jesaja denkt. Doorheen de bewogen geschiedenis van Israël heeft God zich steeds weer geopenbaard aan het volk (65:1). Hij bleef zich onthullen, via een lange rij profeten, aan mensen die naar Hem niet vroegen, aan wie Hem niet zochten, aan een volk dat zijn naam niet aanriep.

Hij bleef maar herhalen ‘Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik’ (65:1) – maar zij toonden zich een opstandig volk, ‘dat de weg gaat die niet goed is, naar hun eigen gedachten’ (65:2).

Ongetwijfeld wil Jesaja dat God naderbij komt, maar door hun aanhoudende rebellie op elk vlak zegt het volk in feite ‘Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar’ (65:5).

Die gewoonte jezelf beter te vinden dan God is vandaag alomtegenwoordig. We zijn zo geïnteresseerd in ‘spiritualiteit’ en zo bezig onszelf in alles te zuiveren dat we ons onmogelijk kunnen onderwerpen aan wat God zegt. We vinden hetgeen Hij zegt onredelijk; wij zijn wijzer en beter dan God, heiliger dan Hij. Dit is de achtergrond van zijn oordeel (65:6-7).

Ten tweede schetst God, in weerwil van het dreigend oordeel, een heel ander vooruitzicht voor het uitverkoren overblijfsel dat zijn aangezicht zoekt in berouw en geloof. Wat Hij hen belooft is veel meer dan een iets veiliger tastbaar Sion.

Hij houdt hen niets minder voor dan ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (65:17). Dit is wat ‘Jeruzalem’ uiteindelijk betekent (65:18-19); zoals in Openbaring 21 is Jeruzalem niet zozeer een centrale plaats in de nieuwe hemel en nieuwe aarde, maar wel een andere manier om dezelfde realiteit levendig te maken.

Het gezicht is indrukwekkend (65:17-25), verwant aan wat al eerder voorspeld werd (2:2-5; 11:1-16). Maar het is niet zomaar voor iedereen. Even duidelijk als elk hoofdstuk in het boek, maakt ook dit hoofdstuk in het boek onderscheid tussen, aan de ene kant Gods uitverkorenen (65:22), het volk dat door de Heer wordt gezegend (65:23), zij die Hem zoeken (65:10), zijn knechten (65:9), en, aan de andere kant, zij die beschreven worden in de eerste zeven verzen, die zich bezighouden met beginselen van magie, en hun spelletjes spelen van Fortuin en Geluk (65:11, NBV).

De kern is dat zij niet antwoordden toen God riep, zij niet luisterden toen Hij sprak, maar gedaan hebben ‘wat kwaad is in mijn ogen’ en verkozen hebben ‘wat Mij mishaagt’ (65:12).

Nergens is het verschil duidelijker dan in 65:13-16. ‘Mijn knechten’, zegt God, zullen onuitsprekelijk mooie zegeningen ervaren, maar de ‘u’ die Hij aanspreekt zullen lijden onder volkomen verlatenheid en verwerping.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 2 juli 2013

Al onze gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed (Jes. 64)


Jozua 4; Psalmen 129-131; Jesaja 64; Matteüs 12
In een voorgaand hoofdstuk schreef Jesaja: ‘Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde’ (Isa. 62:6-7). Nu volgt Jesaja zijn eigen advies. Jesaja 64 (meer precies 63:7-64:12) beschrijft een van de grote momenten van voorbede uit de Schrift.

Het eerste deel van het gebed (63:7-19) begint met een bevestiging van Gods goedheid, in het bijzonder getoond in de redding van Israël ten dage van Mozes. Jesaja windt geen doekjes om het probleem: het volk heeft zozeer gerebelleerd dat God zelf hun vijand werd (63:10). Maar tot wie anders kon Jesaja zich wenden? Hij doet een beroep op Gods ‘innerlijke bewogenheid’ en zijn ‘ontferming’ (63:15), op Gods verbondstrouw als de Vader en Verlosser van zijn volk (zelfs als Abraham en Jakob het volk willen verloochenen, 63:16).

Maar nu in Jesaja 64 spreekt de profeet een van de meest pakkende gebeden uit die we in de Heilige Schrift kunnen vinden: ‘Och, dat Gij de hemel scheurdet, dat Gij nederdaaldet, dat voor uw aangezicht de bergen wankelden’ (64:1). Dit is onze enige hoop: we kunnen onszelf niet redden. Niets van onze besluiten en kunstjes en religie zullen volstaan. God zelf moet de hemel scheuren en nederdalen.

Jesaja ontkent Gods alomtegenwoordigheid niet, maar zegt dat God actief moet ingrijpen tot onze redding, terwijl Hij nog maar eens zijn kracht toont, of we zijn verloren.

Er zijn nog drie elementen uit Jesaja’s voorbede die we niet mogen missen.

Ten eerste ziet niemand duidelijker dan Jesaja dat de God bij wie hij pleit ook de Rechter is die we beledigden. ‘Zie, Gij zijt toornig geweest, omdat wij zondigden … zouden wij dan verlost worden?’, vraagt hij (64:5). Dit is de kern van het dilemma – en de hoop.

Ten tweede begrijpt Jesaja niet alleen dat zonde ons van God scheidt, hij identificeert zich ook volledig met zijn zondige volk: ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed’ (64:6).

De grootste voorbidders hebben altijd erkend dat er hen veel meer verbindt met het overgrote deel van de zondaren, dan er hen van hen scheidt – en in elk geval aarzelen ze niet om bij God te pleiten voor hen die voor zichzelf niet willen pleiten.

Ten derde begrijpt Jesaja zeer goed dat als God ons redt, Hij dit moet doen uit genade, uit barmhartigheid, uit bewogenheid – niet omdat we enig recht zouden hebben. Dit verklaart de bewogen toon in 64:8-12.

Wanneer hebben wij voor het laatst met zoveel inzicht en passie gebeden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 1 juli 2013

Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? (Mt. 11)


Jozua 3; Psalmen 126-128; Jesaja 63; Matteüs 11

We mogen het vanzelfsprekende niet negeren: in dit gedeelte (Mt. 11:2-19) is Johannes de Doper teleurgesteld.

Hij is teleurgesteld omdat Jezus niet voldoet aan zijn verwachtingen. Johannes heeft iemand aangekondigd die niet alleen mensen zou dopen met de Heilige Geest (3:11), maar die ook zou komen met streng oordeel, terwijl Hij koren en kaf zou scheiden en dat laatste zou verbranden (3:12).

Maar hier is Jezus dan, predikend tot grote massa’s mensen, zijn eigen volgelingen trainend, wonderen verrichtend – maar geen duidelijk oordeel volvoerend over de zondaars. Johannes de Doper kwijnt weg in de gevangenis voor de niet mis te verstane manier waarop hij Herodes’ onwettige huwelijk veroordeelde. Waarom heeft Jezus Herodes niet veroordeeld en met wonderbaarlijke kracht oordeel opgelegd?

Jezus antwoordt (Mt. 11:4-6) door zijn dienstwerk te beschrijven met de bewoordingen van twee cruciale gedeeltes uit Jesaja - 35:5-6 en 61:1-2. Maar Johannes de Doper kende zeker de boekrollen van Jesaja zeer goed. Elders citeerde hij er zelf uit (3:3, een citaat uit Jes. 40:3).

Dus wanneer Jezus zal verwijzen naar die gedeeltes (kan Johannes zich ook zelf afvragen), waarom vermeldt Hij dan ook niet altijd het oordeelsthema in dezelfde context? Uiteindelijk vermeldt Jes. 35:5-6 niet alleen dat de lammen zullen springen en dergelijke, maar ook ‘de vergelding gods’.

Jesaja 61 spreekt over het prediken van goed nieuws aan de armen, maar het grijpt ook vooruit naar ‘een dag der wrake van onze God’ (Jes. 61:2, zie de overdenking voor 29 juni). Waarom vermeldt Jezus de zegeningen zonder de oordelen?

Het is eigenlijk alsof Jezus zegt, ‘Johannes, kijk goed: de beloofde zegeningen van het koninkrijk komen eraan. Wat ik doe zijn exacte vervulling van de Schrift. Indien het oordeel nog niet aangebroken is, dan zal het komen, maar nu nog niet. Focus je momenteel op de goede dingen die gedaan worden, en laat het een bevestiging zijn dat ik ben wie ik zeg te zijn.

Jezus neemt nog drie stappen om Johannes te verdedigen, en daarvan vermeld ik er kort twee.

(a) Hij waarschuwt hen die in dit gesprek meeluisterden dat ze geen moment mogen denken dat Johannes werkelijk een of ander zwak riet is, heen en weer bewogen door de wind van moeilijke omstandigheden, en nog minder iemand die zich schuldig maakt aan zelfverrijking (11:7-8).

Verre van: (b) de rol van Johannes in de heilsgeschiedenis maakt hem degene die de komst van de Soevereine Heer aankondigt, naar Hem wijst, in een vervulling van de profetie van Maleachi (11:10). Dit is wat Johannes de Doper op dat moment tot de grootste mens maakt geboren uit vrouwen – groter dan Abraham of David of Jesaja – want hij kondigt eigenlijk Christus aan en wijst expliciet naar Hem. Dit is waarom de minste in het koninkrijk, aan deze kant van het kruis, nog groter is (11:11): jij en ik wijzen naar wie de Messias is met zelfs nog meer relevantie en nog explicieter. Dit is waar onze grootheid ligt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 30 juni 2013

Jullie die een beroep doen op de HEER, gun jezelf geen rust (Jes. 62)


Jozua 2; Psalmen 123-125; Jesaja 62; Matteüs 10
Veel van de poëzie uit Jesaja 62 sluit aan bij de omstandigheden van het aardse Sion. Maar de taal is zo verheven en de beloften zo veelomvattend dat het spoedig duidelijk wordt dat gedoeld wordt op veel meer dan de wederopbouw van het tastbare Jeruzalem van na de ballingschap.

Aan het eind van hoofdstuk 61 verheugt Jesaja zich in de overwinning van de Knecht-Messias die het volk van God verandert. Hier is Jesaja nog altijd aan het woord, en dan is het in toenemende mate de soevereine Heer die in dit hoofdstuk spreekt.

Aanvankelijk zegt Jesaja dat hij, in het licht van de heerlijke beloften voor Sion, ‘niet zal zwijgen’ tot Sions vrede en heerlijkheid gevestigd zijn. Dit betekent meer dan dat Jesaja zal voortgaan met zijn trouwe verkondiging.

In de taak van de ‘wachters’ die geposteerd waren op de muren van Jeruzalem (62:6) zit vervat dat je waarschuwt voor aankomend oordeel waar er geen bekering is, of waar er gedachteloos in zonde teruggevallen wordt (vgl. Ez. 33).

Maar indien er horizontale verkondiging is – d.w.z. dat er tot het volk gepredikt wordt – dan is daar ook verticale voorbede: ‘Gij, die de HERE indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde’ (62:6-7).

Zoals Daniël voorbede doet bij God in het licht van de beloften die God zelf gedaan had (Dan. 9), wil Jesaja dat trouwe mannen en vrouwen tot God zullen bidden, terwijl ze Hem geen rust zullen gunnen tot al deze heerlijke beloften met betrekking tot Sion vervuld zijn. Hier vind je dus een oproep tot hartstochtelijke en aanhoudende voorbede: ‘uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde’ (Mt. 6:10).

Dit Sion zal ‘met een nieuwe naam’ genoemd worden (62:2, 12); het zal een nieuwe identiteit hebben. Het zal niet langer genoemd worden ‘Verlatene’ en ‘Woestenij’; nu zal het ‘Mijn Welgevallen’ en ‘Gehuwde’ genoemd worden (62:4) –wat weer de grootse typologie oppikt die we zo vaak in het Oude Testament vinden: de soevereine Heer is de echtgenoot, het verbondsvolk, hier voorgesteld door Sion, is de bruid (vgl. 62:5).

Vers 12 pakt uit met nog meer namen: ‘Het heilige Volk’, ‘De Verlosten des HEREN’ (wat ons weer herinnert aan hoe ze veranderd zijn); ‘Begeerde’, ‘Niet verlaten Stad’. Dit is veel meer dan het tastbare Jeruzalem na de ballingschap. Dit is het verbondsvolk zelf, en deze gemeenschap heft een banier op ‘voor de volken’ (62:10, NBV).

Dit is een vooruitblik naar ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26-27, waar Jesaja geciteerd wordt), van ‘de berg Sion’, ‘het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God’ (Heb. 12:22), van ‘de heilige stad, een nieuw Jeruzalem’, ‘getooid als een bruid, die voor haar man versierd is’ (Opb. 21:2).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 29 juni 2013

De Geest des Heren HEREN is op mij…om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN (Jes. 61)


Jozua 1; Psalmen 120-122; Jesaja 61; Matteüs 9
Hier overdenk ik twee dingen: ten eerste de plaats van Jesaja 61 in het betoog dat zich ontwikkelt; en ten tweede, de bijdrage van het hoofdstuk aan Bijbelse theologie.

(1) Jesaja 60 maakte het duidelijk dat de huidige ordening der dingen niet voor altijd kan blijven doorgaan: er komt een tijd die gekenmerkt zal worden door zowel geweldige zegening (60:19-21) als onafwendbaar oordeel (60:12).

Die tweedeling wordt terug opgepikt in Jesaja 61: hier vinden we de aankondiging van zowel ‘een jaar van het welbehagen des HEREN’ als van ‘een dag der wrake van onze God’. Het wraakthema wordt pas verder uitgewerkt in hoofdstuk 63.

Onmiddellijk voor de deur staat het ‘jaar van het welbehagen des HEREN’ (hoofdst. 61-62). Jesaja 61 begint met iemand die verkondigt dat de Geest van de Heer op hem is om de heilsplannen van de Heer te bewerkstelligen (61:1-6).

Dan spreekt de Heer zelf (61:7-9), met de aankondiging van een eeuwig verbond dat gekenmerkt wordt door zowel vreugde als gerechtigheid. Het hoofdstuk eindigt met een enkele stem, wellicht die van Jesaja, die jubelt bij de verwachte vervulling van deze beloften (61:10-11).

(2) Maar wie is er aan het woord in 61:1-6? De belangrijkste aanwijzing staat in de eerste zin: ‘De Geest des Heren HEREN is op mij’, zegt hij – en oplettende lezers herinneren zich twee eerdere gedeeltes.

Jesaja heeft al gezegd dat de Geest van de Heer in bijzondere mate op de Messias zal rusten (11:1-2; vgl. Joh. 3:34), en heeft God voorgesteld als zeggend tot de Knecht: ‘Ik heb mijn Geest op hem gelegd’ (42:1; in toekomstige tijd in het Engels: ‘I will put my Spirit on him’).

De meest voor de hand liggende conclusie is dat degene die spreekt in Jesaja 61:1-6 deze Knecht-Messias is, de bovenmatig lijdende Knecht van Jesaja 40-55 en de verwachte Messias van Jesaja 1-35.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Heer Jezus in de synagoge van Nazareth deze zinnen uit de boekrol van Jesaja leest en ze welbewust op zichzelf toepast (Lk. 4:17-19). Deze met de Geest gezalfde Knecht-Messias roept het ‘jaar van het welbehagen des HEREN’ uit (61:2), bijna zeker een allusie op het jubeljaar, wanneer volgens het Mozaïsch verbond, slaven bevrijd werden en wie zich gedwongen zagen hun eigendom te verkopen die moesten terugkrijgen (Lev. 25:8-55).

De Knecht-Messias komt ‘om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis’, ‘om alle treurenden te troosten’ – om de diverse zaken ‘in plaats van’ te schenken: hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest (61:1-3).

Lag het initiële begin van dergelijke zegen in de terugkeer uit ballingschap en de eerste herbouw van de puinhopen (61:4), dan vallen deze bewoordingen in het niets bij de ultieme vervulling (hoofdstuk 62).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 28 juni 2013

De HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen (Jes. 60)


Deuteronomium 33-34; Psalm 119:145-176; Jesaja 60; Matteüs 8
Is Jesaja 59 buitengewoon somber, dan is Jesaja 60 een uitbarsting van heerlijkheid. Hier keert Sion terug – niet het Jeruzalem dat de terugkerende ballingen geleidelijk heropbouwen, maar het ultieme Sion, het koninkrijk van God dat op aarde komt. Dat veel van de symboliek nog altijd afkomstig is van de historische stad, is geen verrassing. Maar het gezicht overstijgt elke louter aardse hoop.

Als bewijs merken we op dat er niet langer een zon of maan nodig is, ‘maar de HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en uw God tot uw luister’ (60:19; vgl. Opb. 21:23). Hier staat de soevereine Heer zelf op, oneindig veel heerlijker dan welke aardse zonsopgang ook: ‘Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des HEREN gaat over u op’ (60:1).

Het voorgaande hoofdstuk stelt de diepe nood vast van het volk, het zuivere bewijs dat zij zichzelf niet echt kunnen veranderen. Dit hoofdstuk pikt de draad op bij dit donkere beeld en introduceert de enige mogelijke oplossing: ‘Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de HERE opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang’ (60:2-3).

Drie verdere opmerkingen:

(1) Dit Sion is een thuis voor natiën en vreemdelingen en koningen, voor ‘kustlanden’ (een manier om te verwijzen naar mensen die ver weg wonen), tot mensen uit landen die niets te maken hebben met het beloofde land (60:3, 9-10, 14).

Heidenen zullen zich voegen bij de Joden in dit koninkrijk, terwijl ze de trouwe Israëlieten eren die voor hen tot Sion behoorden. Het licht gaat op in Jeruzalem en verspreidt zich naar alle natiën.

(2) Al wie deze heerlijkheid weigeren staat oordeel te wachten: ‘Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden’ (60:12). De tekst biedt niet de hoop dat het uiteindelijke Sion iedereen zonder uitzondering verwelkomt; eerder verwelkomt het iedereen zonder onderscheid, mits zij ‘De stad des HEREN, het Sion van de Heilige Israëls’ (60:14) verwelkomen.

(3) Bovenal is er een blijvend heerlijk vooruitzicht van wat dit koninkrijk brengt. ‘Ik zal vrede tot uw overheid maken en gerechtigheid tot uw heerseres’, zegt God. ‘Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden (…) en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof’ (60:17-19, cursief toegevoegd).

Volg de tijdsaanduidingen: de zon zal je licht niet meer zijn, de Heer zal je eeuwige licht zijn; je zon zal nooit meer opgaan; je dagen van rouw zullen eindigen; het volk zal het land voor eeuwig bezitten (60:19-21). De cycli van opstand en bekering zullen eindigen; de cycli van zegen en vloek zullen niet meer zijn. ‘Ik, de HERE, zal het te zijner tijd met haast volvoeren’ (60:22).

Ook dan, Kom, Heer Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 juni 2013

Want onze overtredingen zijn talrijk voor U en onze zonden getuigen tegen ons (Jes. 59)


Deuteronomium 32; Psalm 119:121-144; Jesaja 59; Matteüs 7

Jesaja 59 wordt opgedeeld in drie delen. Indien je het hoofdstuk buiten de context van het boek beschouwt, zou je kunnen denken dat het een beschrijving is van het afglijden in zonde en de neergang die veel periodes in Israëls geschiedenis kenmerkt, en nog steeds veel periodes in de ervaring van de kerk of gemeente kenmerkt.

Maar zowel de positie in het boek als de twee slotverzen van het hoofdstuk suggereren dat de profeet de gemeenschap van het volk van God beoogt nadat ze zijn teruggekeerd uit ballingschap. Ze worden nog altijd gekenmerkt door zonde, en er is helemaal geen hoop, op één na.

Het eerste deel (59:1-8) beschrijft het volk in zijn wanhoop. De reden voor hun benarde toestand, zo benadrukt de profeet, is niet een bepaalde onvolkomenheid in God: ‘Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen’ (59:1).

Hun benarde toestand is te wijten aan hun eigen zonde: ‘maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (59:2).

De dodelijke lijst volgt: ongerechtigheid, gebrek aan integriteit, geweld, samenzweringen. In de kern ervan staat het menselijke karakter: boosheid komt van binnenuit. ‘Hun gedachten zijn onheilsgedachten, verwoesting en verderf zijn op hun wegen. De weg des vredes kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen; zij gaan langs kronkelpaden; niemand die ze betreedt, kent vrede’ (59:7b-8).

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de apostel Paulus diverse van deze zinnen citeert in zijn eigen aanklacht tegen het menselijke ras (Rom. 3:15-17). Wat kun je aanvangen met een geslacht dat zo volhardt in de zonde? Zelfs het enorme trauma van de ballingschap blijkt onvoldoende om hen te veranderen.

In het tweede deel (59:9-15a) komt het werkwoord in de eerste persoon meervoud te staan. De taal is die van gemeenschappelijke klaagliederen. Deze rouwenden (vergelijk 57:19) treuren over hun eigen zonden. De taal is ronduit eerlijk.

Zoals Jesaja zelf, als een Daniël of een Ezra, belijden ze niet alleen hun eigen zonden maar de zonden van hun volk (6:5; Dan. 9:4-19; Ezra 9:6-15). Ze weten dat hun situatie uitzichtloos is. En dat op zich is natuurlijk een teken van genade. Het volk van God is het verst van reformatie en opwekking wanneer het op een zelfvoldane manier tevreden is, zoals de kerk van Laodicea (Opb. 3:14-22).

Er is hoop wanneer ze zich door Gods genade gewrongen weten in de smart van eerlijke belijdenis, zich vreselijk bewust van de verraderlijke en aanhoudende macht van zonde in hun leven en in hun cultuur.

Het derde deel (59:15b-21) biedt ons de vertroosting. Alleen God is in deze situatie bekwaam – en Hij is meer dan voldoende. God zag dat er niemand anders was die zijn volk kon redden, ‘Daarom bracht Zijn arm Hem heil, en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem’ (59:16, HSV). En nog maar eens eindigt dit gezicht van hoop en belofte in apocalyptische proporties en met de bewoordingen van het nieuwe verbond (59:20-21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 juni 2013

Is dit niet het vasten dat Ik verkies? (Jes. 58)


Deuteronomium 31; Psalm 119:97-120; Jesaja 58; Matteüs 6

Hoe vaak misleiden we als mensen toch onszelf als het gaat over religieuze zaken. Zoveel dingen die beginnen als bonus voor bekering en godsvrucht ontwikkelen zich tot boosaardige afgoden. Wat begint als een hulpmiddel naar heiligheid eindigt als de driedubbele val naar wetticisme, eigengerechtigheid en bijgeloof.

Zo ging het met de koperen slang in de woestijn. Hoewel ze bevolen en gebruikt werd door God (Num. 21:4-9), werd ze later een dermate religieus onding dat Hizkia ze vernietigde (2 Kon. 18:4).

Zo gaat het soms ook met andere vormen van religieuze inachtneming of geestelijke discipline. Je kunt met een fijn doel en om goede redenen starten met het bijhouden van een ‘geestelijk dagboek’ als een discipline die bijdraagt tot eerlijkheid en zelfonderzoek, maar dit kan gemakkelijk afglijden naar de driedubbele val:

(a) in je gedachten beschouw je het bijhouden van je dagboek in die mate als een duidelijk bewijs van je persoonlijke groei en trouw aan Christus, dat je neerkijkt op wie zich niet aan dezelfde discipline wijdt, en je geeft jezelf een schouderklopje elke dag je de praktijk volhoudt (wetticisme);

(b) je begint te denken dat alleen de meest volwassen heiligen geestelijke dagboeken bijhouden, dus ga je in vakjes indelen – en je kent nogal wat mensen zonder dagboek (eigengerechtigheid);

(c) Je begint te denken dat er iets in de daad zelf aanwezig is, of in het papier, of in het schrijven, dat een noodzakelijk middel tot genade is, een speciaal kanaal van goddelijk welbehagen of waarheid (bijgeloof).

Dit is het moment om je dagboek weg te gooien.

Het is duidelijk dat vasten een vergelijkbare valstrik kan worden. De eerste vijf verzen van Jesaja 58 brengen het verkeerde soort vasten aan het licht en veroordelen het, terwijl de verzen 6-12 het soort vasten beschrijven dat God behaagt. Het eerste is verbonden met hypocrisie. Mensen houden hun vastentijden, maar maken ruzie in de familie (58:4). Hun vasten verhindert niet dat ze hun arbeiders uitbuiten (58:3b).

Deze religieuze mensen worden rusteloos: ‘We probeerden het vasten’, zeggen ze, ‘maar het bleek niet te werken’ (58:3). Oppervlakkig bekeken lijken ze honger te hebben naar God en zijn wegen (58:2). Maar de waarheid is dat ze het vasten beginnen te zien alsof het een beetje magie was: omdat ik gevast heb, moet God me zegenen. Dergelijk denken is zowel vreselijk triest als verschrikkelijk zondig.

Het vasten dat God behaagt, daarentegen, wordt gekenmerkt door oprecht berouw (58:6-12). Niet alleen keert het zich af van eigen genotzucht, maar het deelt ook actief uit aan de armen (58:7), en het streeft er doelbewust naar ‘de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken’ (58:6), en ‘het spreken van boosheid’ na te laten (58:9). Dit is het vasten dat Gods zegen wegdraagt (58:8-12).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 juni 2013

Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen (Mt. 5)


Deuteronomium 30; Psalm 119:73-96; Jesaja 57; Matteüs 5

De paragraaf Matteüs 5:17-20 is de start van het middendeel van de Bergrede. Het is een ingewikkeld maar enorm evocatief gedeelte.

Jezus zegt, ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen’ (5:17). Deze zinnen vormden aanleiding tot bepaalde populaire maar twijfelachtige uitleggingen.

(a) Sommigen denken dat het werkwoord ‘vervullen’ het tegenovergestelde moet betekenen van ‘ontbinden’, aangezien het laatste zinsdeel een duidelijk tegengestelde vereist (‘niet … om te ontbinden, maar om te vervullen’).

Dus geloven ze dat Jezus wil zeggen ‘Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden maar om ze in stand te houden of te vervullen of te houden’. Maar ziet Jezus zijn opdracht werkelijk in dergelijke termen, vooral als het bewaren of houden van de Wet gewoon verstaan wordt in termen van zijn eisen en voorschriften?

Zelfs in enkele van de antithesen die volgen (5:21-48), klinkt het daar dan niet alsof Jezus minstens bepaalde veranderingen introduceert? Introduceert Jezus niet een aantal veranderingen in de spijswetten in Matteüs 15:1-20 (vgl. Mk. 7:1-23)?

(b) Sommigen beweren daarom dat Jezus alleen de morele wet in gedachten heeft. Maar het is verre van duidelijk of christenen uit de eerste eeuw even snel onderscheid maakten tussen morele en civiele en ceremoniële weten als wij dat doen. In elk geval klinkt 5:18 (‘niet één jota of één tittel’) te veelomvattend om dergelijke beperking toe te staan.

(c) Nog anderen geloven dat ‘vervullen’ iets betekent als ‘intensifiëren’ of zelfs ‘de ware betekenis tonen van’. Maar het werkwoord krijgt nooit deze betekenis. De meest gebruikelijke betekenis van het werkwoord ‘vervullen’ in het Nieuwe Testament heeft te maken met eschatologie. In het verleden voorspelde God iets; nu ‘vervult’ hij zijn woord; Hij laat gebeuren wat Hij beloofd heeft. Dit is altijd wat Matteüs wil zeggen met het werkwoord (dat hij dikwijls gebruikt).

Dus zegt Jezus dan, dat Hij niet gekomen is om de Wet te ontbinden, maar om iets heel anders te doen: te laten gebeuren alles wat de Wet voorzegd heeft. Dergelijke vervulling zal doorgaan tot alles wat de Wet voorzegd heeft vervuld is, zelfs tot het eind der dagen (5:18).

Dit alles veronderstelt
(a) dat de Wet een voorzeggende functie heeft (dit is gemeengoed in het Nieuwe Testament);
(b) dat Jezus de ware betekenis van de Wet en Profeten inderdaad niet in een bepaalde abstracte zin toont, maar in hun profetische vervulling, de ware richting waarin ze wijzen; en
(c) dat Jezus zijn eigen opdracht beschouwt als de profetische vervulling van de beloften die vervat zijn in de Wet en de Profeten.

Hij ziet zichzelf niet als iemand die alles wat daarvoor kwam vernietigt om opnieuw te beginnen, noch als iemand die eenvoudigweg alle voorgaande traditie in stand houdt. Eerder wijst iedere voorgaande openbaring naar Hem, en Hij zorgt dat de gewekte verwachtingen ingelost worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 juni 2013

Jezus van de littekens (gedicht)



'Jesus of the Scars' is een gedicht van Edward Shillito (1872-1948), voorganger van een kerk in Engeland gedurende die bloederige en onzinnige Wereldoorlog I. Een aantal Britse dichters schreef en bundelde na afloop van de oorlog een paar ontroerende gedichten over hoe wreed de oorlog wel niet was geweest.

Jesus of the Scars

If we have never sought, we seek Thee now;
Thine eyes burn through the dark, our only stars;
We must have sight of thorn-pricks on Thy brow,
We must have Thee, O Jesus of the Scars.
The heavens frighten us; they are too calm;
In all the universe we have no place.
Our wounds are hurting us; where is the balm?
Lord Jesus, by Thy Scars, we claim Thy grace.
If, when the doors are shut, Thou drawest near,
Only reveal those hands, that side of Thine;
We know to-day what wounds are, have no fear,
Show us Thy Scars, we know the countersign.
The other gods were strong; but Thou wast weak;
They rode, but Thou didst stumble to a throne;
But to our wounds only God’s wounds can speak,
And not a god has wounds, but Thou alone.

Vrije vertaling van het gedicht:

Jezus van de littekens

Hebben we u nooit gezocht, we doen het nu;
Uw ogen branden doorheen de duisternis, onze enige sterren;
We moeten zicht krijgen op de doornprikken op uw voorhoofd,
Jou moeten we hebben, o Jezus van de littekens.
De hemelen jagen ons angst aan; ze zijn te rustig;
In het hele universum vinden we geen plaats.
Onze wonden doen ons pijn, waar is de balsem?
Heer Jezus, door uw littekens, doen we een beroep op uw genade.
Indien, wanneer de deuren gesloten zijn, U naderbij komt,
Toon ons dan slechts die handen, die zijde van U;
We weten vandaag wat wonden zijn, vrees maar niet,
Toon ons uw wonden, we kennen het wachtwoord.
De andere goden waren sterk; maar U was zwak;
Zij reden fier, maar u struikelde naar een troon;
Maar tot onze wonden kunnen alleen Gods wonden spreken,
En geen god heeft wonden, dan U alleen.

(of laatste zin nog wat vrijer weergegeven: Wij hebben Gods wonden nodig om van onze wonden af te komen, en er is geen god die wonden heeft, behalve U.)

"Je kunt een God vertrouwen die niet alleen soeverein is en heerst, maar ook voor jou bloedt. Soms, wanneer er geen andere antwoorden zijn op jouw schuld, jouw vrees, jouw onzekerheden of jouw zielsangst, is er één onaantastbare plaats waarop je kunt staan. Het is de grond net voor het kruis." (D.A. Carson, The God who is there, pag. 162).

Mijn heil staat gereed om te komen en mijn gerechtigheid om zich te openbaren (Jes. 56)

Deuteronomium 29; Psalm 119:49-72; Jesaja 56; Matteüs 4
Het laatste gedeelte van Jesaja (hoofdstukken 56-66) focust in de eerste plaats op de periode na de terugkeer van de eerste ballingen uit Babylon. Ook dit was een buitengewoon bewogen periode, zo getuigen andere Schriftplaatsen (in het bijzonder Ezra, Nehemia, Haggaï en Zacharia).

Maar een deel van Jesaja’s visioen strekt zich verder uit dan de vroege jaren van terugkeer, en wel tot de ultieme hoop – de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (bijv. 65:17).

In een aantal opzichten weerspiegelt de in deze hoofdstukken beschreven situatie van het volk onze eigen situatie: wij leven tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’, tussen de heerlijkheid van wat God al bewerkt heeft en wat God nog niet gedaan heeft maar beloofd heeft te doen.
De openingsverzen (Jes. 56:1-8) leggen de nadruk op twee thema’s:

Ten eerste zegt de Heer dat zij die op zijn heil wachten, dat ‘gereed staat om te komen’ (56:1), het recht moeten onderhouden en gerechtigheid moeten doen (56:1). De reden, zo zegt Hij, is dat zijn gerechtigheid gereed staat om zich te openbaren.

Met andere woorden, een van de fundamentele motieven voor het rechtvaardige gedrag van gelovigen is dat het vooruitgrijpt naar de vervulde gerechtigheid die nog moet komen. In tegenstelling tot zoveel van onze tijdgenoten, die leven voor de dag en maar weinig ernstig nadenken over de toekomst, zien wij het als onze taak te leven op een manier die vooruitgrijpt naar de toekomst.

Dit maakt deel uit van wat het betekent acht te geven ‘op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt’ (56:2). Jesaja’s lezers zullen zich dan niet gewoon maar aan een regeltje houden, hoezeer ook door God opgelegd, maar zullen nog twee verdere kenmerken vertonen:
(a) hun trouw aan het Mozaïsch verbond (en daarom aan de God van het verbond); en
(b) hun leven vanuit patronen van rust die tegelijk verbonden zijn met de rust van God (Gen. 2; Ex. 20) en met de rust die nog moet komen (vgl. Heb. 3:7-4:11).

Ten tweede belooft de Heer dat de komende zegeningen er ook zijn voor mensen die door velen systematisch zijn uitgesloten. Uiteindelijk waren er passages in de Wet van Mozes die de eunuch en de vreemdeling uitsloten (in het bijzonder Moabieten en Ammonieten), bijv. Deuteronomium 23:1-6 (en vgl. Lev. 22:24-25, en de parallel met dieren).

Maar het blijft moeilijk om aan te nemen dat deze wetten bedoeld waren om zeker oprechte bekeerlingen uit te sluiten, want anders zouden de verslagen van Rachab en Ruth (de tweede een Moabietische) weinig zin hebben (Joz. 6:24-25; Ruth 1-4).

Aan de ene kant mag de gemeenschap die door de lijdende Knecht gereinigd is geen onreine dingen aanraken. Ze moet ze vertrekken uit ‘Babylon’ en zuiver zijn (52:11). Aan de andere kant benadrukt de Heer hier dat eunuchen en vreemdelingen moeten toegelaten worden (56:3-8).

Het verschil is natuurlijk bekering, waarin God hen ‘een eeuwige naam’ geeft (56:5), zodat zij vasthouden aan zijn verbond (56:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 23 juni 2013

Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David (Jes. 55)


Deuteronomium 28:20-68; Psalm 119:25-48; Jesaja 55; Matteüs 3
Hier sta ik stil bij zowel Jesaja 55 als Matteüs 3, want ze overlappen.

(1) In het licht van de triomf van de Knecht in Jesaja 53 en de verbondsbeloften van vrede in Jesaja 54, opent Jesaja 55 met een prachtige uitnodiging. De dorstigen en hongerigen worden uitgenodigd op een heerlijk feestmaal waar de toegang vrij is (55:1-3a).

Het verbondsthema gaat verder: deze zegeningen zijn verweven met ‘een eeuwig verbond’ (55:3b) dat de Heer sluit met zijn volk – en dit keer wordt het verbond gezien als de vervulling van de beloften aan David (zie de overdenking voor 22 juni). God stelde David tot ‘een getuige voor de natiën (…), tot een vorst en gebieder der natiën’ (55:4); hij versloeg de omringende volken en onderwierp hen aan zijn heerschappij, en dus aan de heerschappij van de Heer.

Terug in het land gebracht, doet Israël iets vergelijkbaars: zij ‘roepen (…) een volk [Eng.: meervoud] (…) ter wille van de HERE, uw God, en van de Heilige Israëls’ (55:5). Hun ontbieden van de volken gebeurt niet door militaire kracht, maar om wat de Heer in hun midden doet.

Bovendien heeft dit verbond een bevestigend teken. Het Noach-verbond had het teken van de regenboog; dat van Abraham had de besnijdenis; het Sinaï-verbond het sprenkelen van het bloed. Het eeuwige verbond heeft als zijn eeuwig teken een veranderd, getransformeerd heelal (55:12-13; vgl. 2:2-5; 11:1-16).

(2) Matteüs bevestigt dat Johannes de Doper zichzelf ziet als een ‘stem van een, die roept in de woestijn, Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden’ (Mt. 3:3), waarmee hij Jesaja 40:3 citeert.

In de overdenking voor 8 juni legde ik deze passage kort uit als de Heer die (spreekwoordelijk) de weg effent voor het volk van God om terug te keren tot het land, onderdeel van een gedeelte met rijke vertroosting. De terugkeer van het volk van God toont de heerlijkheid van God.

Maar het is mogelijk het gedeelte op een wat andere manier te lezen, die niet minder gericht is op de heerlijkheid van de Heer. In die visie is het niet het volk dat door de woestijn trekt, maar de soevereine Heer zelf, die ‘zal komen met kracht’ (Jes. 40:10) als een machthebber voor wie de onderdanen het pad effenen. Johannes de Doper eist die functie op: hij bereidt de weg ‘des Heren’ – wat in zijn setting Jezus identificeert als de soevereine Heer.

(3) Johannes roept het volk uit zijn tijd op tot radicale bekering, waarbij hij bekering en niet letterlijke afstamming van Abraham essentieel maakt om tot Gods volk te kunnen behoren (Mt. 3:7-10). Op een vergelijkbare manier zijn de beloofde verbondszegeningen in Jesaja 55 voor zij die hun boze wegen en denken verlaten en zich tot de Heer wenden voor ontferming en vrije genade (55:6-7).

Want onze gedachten zijn niet Gods gedachten (55:7-8) – een belijdenis die Gods gedachten niet bewondert voor hun transcendentie, maar voor hun verheven zuiverheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 22 juni 2013

'Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen' (Jes. 54)


Deuteronomium 27:1-28:19; Psalm 119:1-24; Jesaja 54; Matteüs 2
Herhaaldelijk heeft Jesaja’s profetie vooruitgegrepen naar ‘vrede’, het totale welbevinden dat volgt uit een goede relatie met de levende soevereine Heer. Al vroeg vertelt hij ons dat de Messias een ‘vredevorst’ zal zijn (9:5). Uiteindelijk is het de Heer die vrede beschikt (26:12).

Maar terwijl dit goed nieuws is (52:7), is dergelijke vrede voorbehouden voor hen die op Hem vertrouwen (26:3). ‘De goddelozen (…) hebben geen vrede’ (48:22). Wie op God vertrouwen worden getuigen die volkomen en blij erkennen dat hun verzoening met God tot stand gebracht werd door de Knecht: ‘de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden’ (53:5).

Het resultaat, in Jesaja 54-55, is grote vrede voor Sions kinderen (54:13), een ‘vredesverbond’ dat nooit zal wankelen (54:10), een grote optocht van Gods volk dat ‘in vreugde … [zal] uittrekken en in vrede geleid worden’ (55:12).

In Jesaja 54 wordt dit heerlijke vooruitzicht aangekondigd als een ‘vredesverbond’ (54:10) dat op een aantal manieren drie andere grote verbonden vervult:

Ten eerste komt het verbond met Abraham in beeld (54:1-3). Verwijzingen naar de ‘onvruchtbare’, een ‘tent’ en een beloofd ‘nageslacht’ doen hieraan denken. God zal Sions uitzichtloze omstandigheden gedurende de ballingschap al even vlot overwinnen als hij Sara’s onvruchtbaarheid overwon.

Abrahams nageslacht verdreef uiteindelijk de volkeren in het land Kanaän; de terugkerende ballingen zullen hetzelfde doen – of is er een hint dat de kinderen van dit nieuw vredesverbond de volkeren uiteindelijk op een meer volkomen manier zullen overwinnen, terwijl ze ‘naar rechts en links (…) uitbreiden’ (54:3)?

Ten tweede komt het verbond van de Sinaï in beeld, met de herinneringen aan de schande van Israëls jeugd (de slavernij in Egypte, 54:4), van Israëls ‘Maker’ als haar ‘man’ (54:5), en van haar weduwschap in ballingschap (54:5-8).

Nu openbaart God zich wel nog altijd als hun Verlosser, echter nu in het licht van de grote verlossing die bewerkt wordt in 52:13-53:12: ‘met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u’ (54:8), verklaart Hij, terwijl Hij de richting uitzet van de voortzetting van het Sinaïverbond.

Ten derde wordt het verbond met Noach gepeild (54:9-17), tijdelijk uit beeld maar volkomen terecht, aangezien het een verbond was dat niet met Israël maar met het volledige mensdom opgericht was.

De ballingschap wordt vergeleken met de zondvloed en Sions kinderen met Noachs afstammelingen. Ze zullen niet uitgeroeid worden; de ‘knechten des HEREN’ (54:17) zullen zelfs het patroon van de Knecht van de Heer volgen in lijden en uiteindelijke rechtvaardiging.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 juni 2013

Door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken (Jes. 53)


Deuteronomium 26; Psalmen 117-118; Jesaja 53; Matteüs 1
Nu komt de identiteit van de volmaakte Knecht scherp in beeld. Jesaja 53, of beter, Jesaja 52:13-53:12, is de vierde van vijf liederen van de Knecht die hem beschrijven. ‘Zie, mijn knecht’ (52:13) zegt God, met een echo van de introductie van deze Knecht in 42:1.

De ‘arm van de Here’, Gods reddende kracht, werd beloofd in 51:9 en 52:10. Nu wordt de vraag, ‘aan wie is de arm des HEREN geopenbaard?’ (53:1). Het impliciete antwoord in dit hoogtepunt van Jesaja’s profetie is dat Gods reddende kracht nergens duidelijker gezien wordt dan in het werk van de Knecht.

In de voorgaande hoofdstukken heeft God zijn volk herhaaldelijk vergeving beloofd, maar de basis ervoor is nog niet gelegd. Hier wordt alles duidelijk: ‘mijn knecht, de rechtvaardige, [zal] velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen’ (53:11). Hij is een priester die de onreinen besprenkelt (52:15, zie HSV); Hij is een schuldoffer, dat hun ongerechtigheden wegneemt (53:10).

Het eerste van vijf delen (52:13-15) grijpt vooruit naar het geheel: ‘Mijn Knecht zal verstandig handelen’ (HSV) zegt God, vooruitgrijpend naar de conclusie. Beginnend met de verhoging van de Knecht (52:13), daalt deze strofe af tot zijn afschuwelijke lijden (52:14) en eindigt het met het ‘besprenkelen’ (HSV) van vele natiën en de reactie van verstomming daarop.

‘Besprenkelen’ met bloed, olie of water is in het Oude Testament verbonden met reiniging, d.w.z. met het geschikt maken van een persoon of voorwerp om voor God te komen. Normaal gezien verwijst dit naar Israël of zijn instellingen, maar niet hier: dit is voor ‘vele volken’ (52:15).

De reactie van verstomming getuigt van het feit dat Gods wijsheid alle menselijke wijsheid omverwerpt en verwart (vgl. 1 Kor. 1:18-2:5).

In de tweede en derde strofe (53:1-3, 4-6) zijn er getuigen aan het woord. God heeft zijn volk herhaaldelijk opgeroepen om van Hem te getuigen (43:10, 12; 44:8), maar ze zijn blind en doof gebleven.

Nu verklaren ze niet alleen maar dat alleen de Here God is (43:12), maar ze getuigen over wat God gedaan heeft door middel van zijn lijdende, gerechtvaardigde, verheerlijkte Knecht. Eerst zijn de reacties tegenover Hem behoedzaam, en dan negatief (53:1-3).

Hij groeide op om door mensen te worden veracht en verworpen: ‘wij hebben hem niet geacht’, zeggen de getuigen. Toen hij op een barbaarse manier gedood werd, dachten velen zelfs dat het Gods voorzienige oordeel was (53:4) – en ze zaten er dichter bij dan ze beseften.

Maar de getuigen beginnen te vatten dat Hij ‘om onze overtredingen werd (…) doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld’ – een plaatsvervangend lam (53:5-7).

In de vierde strofe (53:7-9) denkt Jesaja na over het stille lijden en de tegenstrijdige dood en begrafenis van de Knecht (Heeft God zijn werk aanvaard?), om in de vijfde strofe (53:10-12) te eindigen met duidelijke bevestiging van de plannen van God.

Gods knecht handelt verstandig (52:13, HSV); ‘door zijn kennis’ zal hij (letterlijk) velen rechtvaardig maken’, en hij zal ‘hun ongerechtigheden (…) dragen’ (53:11).

Denk na over Matteüs 1:21. Halleluja! Wat een Verlosser!


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 juni 2013

Gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des HEREN draagt (Jes. 52)

Deuteronomium 25; Psalm 116; Jesaja 52; Openbaring 22


Het kan nuttig zijn Jesaja 52 in drie ongelijke delen te verdelen.

(1) In de eerste zes verzen is de toon die van tedere geruststelling. Zoveel van wat Israël overkomen is (zelfs al was het vanwege haar zonde) heeft haar verbroken. Ze werd ‘om niet verkocht’ (52:3) en ‘om niet weggevoerd’ (52:5); ze werd verontreinigd (52:1), geketend (52:2), ‘onderdrukt’ (52:4), en gelasterd (52:5).

Maar nu moet ze ‘pronkgewaden’ (52:1) aantrekken en plaatsnemen op de troon (52:2; NBV), als een koningin in Jeruzalem. Hoewel ze om niet verkocht werd, is ze in Gods ogen nog altijd van onschatbare waarde (52:3). God noemt Israël nog altijd ‘mijn volk’ (52:4).

Bovendien verbindt Hij zijn eigen naam aan wat hen overkomen is: zijn naam ‘wordt voortdurend gelasterd’ (52:5). Nu kunnen ze troost vinden: de God die hun vernietiging voorzegd heeft, heeft ook hun herstel voorzegd (52:6).

Opvallend aan deze lijst met tegengestelden –de verpletterende nederlaag en vernedering van Israël aan de ene kant en de verrukte bewoordingen die de soevereine Heer voor haar gebruikt aan de andere – is dat de eerste reeks veroorzaakt wordt (volgens de argumentatie die in het boek gevoerd wordt) door Israëls eigen zonde, terwijl de tweede voortkomt uit Gods genadige goedheid en trouw waarmee Hij hen achtervolgt en haar verlost van de straf die Hij hen zelf heeft opgelegd.

(2) In de volgende vier verzen (52:7-10) moet het goede nieuws dat God de aan Israël opgelegde sancties omkeert verkondigd worden tot de einden van de aarde. Niet allen wordt de puinhopen van Jeruzalem bevolen uit te breken in jubelzang, maar ‘de HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God’ (52:9-10).

(3) De laatste twee verzen (52:11-12) roepen de bannelingen op te vertrekken en hun gevangenschap achter zich te laten. Op historisch vlak kon dit natuurlijk niet plaatsvinden tot Kores zijn toelating gaf. Maar Jesaja’s profetie moet verwachting gewekt hebben en het volk geholpen hebben om klaar te zijn. De taal zelf doet denken aan de Exodus, maar het verschil in nadruk is opvallend.

Toen de Israëlieten Egypte verlieten werd hen gezegd mee te nemen wat ze maar van de Egyptenaren konden krijgen – waardevolle sieraden en kleding. Hier echter wordt het volk gewaarschuwd niets aan te raken, maar ‘vandaar’ uit te gaan en rein te zijn.

Dit suggereert dat het ultieme doel niet het geografische Jeruzalem is, maar het nieuwe Jeruzalem, en wat moet achtergelaten worden is meer dan Babylon, maar alles wat Babylon vertegenwoordigt.

Die bedenking stelt ons in staat te verstaan hoe en waarom Paulus dit gedeelte gebruikt in 2 Korinthiërs 6:14-18 en hoe wij het vandaag zouden moeten gebruiken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.