woensdag 16 december 2015

Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan (Zach. 3)


2 Kronieken 18; Openbaring 7; Zacharia 3; Johannes 6

Zacharia’s vierde visioen (Zach. 3) voorziet hoe de hogepriester terug in zijn ambt wordt gesteld in de persoon van Jozua. Tegelijkertijd kijkt het vooruit naar iemand die hem overstijgt, wat Jozua een wegwijzer maakt in de loop van de heilsgeschiedenis, net zoals Zerubbabel aan het einde van de profetie van Haggai een wegwijzer is in de loop van de heilsgeschiedenis (Hag. 2:23; zie de overdenking voor 13 december).

De eerste drie visioenen kijken naar Jeruzalem van buitenaf. Dit en het volgende visioen tonen de profeet binnen de tempelhoven. Hier vindt de profeet Jozua de priester die als het ware balanceert tussen de engel des Heren en ‘satan’: het woord betekent ‘aanklager’.

Jozua is bekleed ‘met vuile klederen’ (3:3). Het vuil is een teken van schuld, zoals het tweede deel van vers 4 duidelijk maakt. De aanklager probeert Jozua uit te schakelen door de aanklachten die hij tegen hem inbrengt, en Jozua is naar waarheid een schuldige zondaar (zoals aangeduid door de vuile klederen) – dus hoe kan hij ooit effectief priester zijn? Het antwoord is dat de engel van de Heer, die voor de Heer zelf staat, hem reine klederen geeft, rijke gewaden.

De situatie is verwant aan Jesaja’s ervaring in Jesaja 6. Wanneer Jesaja de Heer ziet, wordt hij zich vreselijk bewust van zijn zonde. Maar God voorziet in de middelen om de zonde weg te doen – in dat geval een gloeiende kool afkomstig van het altaar. De implicatie hier is dat Jozua moet wandelen in Gods wegen en aan zijn eisen moet voldoen (3:7).

Zo wordt Jozua weer aangesteld. Maar het visioen zegt nog veel meer. Jozua en zijn gezellen (waarschijnlijk andere priesters) zijn (letterlijk) ‘mannen die ten wonderteken dienen’ – of zoals de Engelse NIV-vertaling het stelt [vrij vertaald, JL] ‘mannen die symbool staan voor komende dingen’ (3:8).

Zij wijzen op ‘mijn knecht, de Spruit’ (3:8). Hier wordt ons niets meer onthuld over zijn identiteit, maar hij verschijnt terug in 6:12-13, waar we verder over hem zullen nadenken (zie de overdenking voor 19 december).

De metafoor verandert dan naar een steen met zeven ‘ogen’ of ‘facetten’ (of zelfs ‘bronnen’); de precieze betekenis van de metafoor wordt betwist, maar het resultaat is dat de Almachtige verklaart ‘Ik zal op één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen’ (3:9).

Zoals God het vuil van zijn hogepriester wegdeed, doet Hij nu hetzelfde voor zijn volk, terwijl Hij ‘op één dag de ongerechtigheid van dit land’ wegdoet. Het gevolg is volkomen geluk (wat de essentie is van het visionaire ideaal in 3:10).

Wij, die leven aan deze kant van het kruis, twijfelen niet over wie de ultieme hogepriester is en hoe Hij onze zonde volkomen gedragen heeft in zijn eigen lichaam aan het kruis. Door Gods handelen werden de zonden van zijn verbondsvolk op één beslissend moment aangepakt. De ‘mannen die ten wonderteken dienen’ dienden beter dan ze beseften: ‘Jozua’ is de Hebreeuwse naam voor de Griekse vorm die wij kennen als Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 december 2015

En Ik zelf zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar (Zach. 2)


2 Kronieken 17; Openbaring 6; Zacharia 2; Johannes 5

De laatste paar verzen van Zacharia 1 [in de NBV-vertaling zijn dit eerste verzen van hoofdstuk 2] (die niet aan bod kwamen in de overdenking van gisteren) zijn nogal onverholen.

‘Horen’ staat voor sterkte of koninkrijk of koninklijke macht. De vier horens die Juda en Israël verstrooien zijn mogelijk geen vier rijken, maar een manier om te verwijzen naar alle machten die daar een hand in hadden (zoals in ‘de vier windstreken des hemels’ [Eng.: ‘from the four corners of the world’] of ‘de vier winden’).

Maar de ‘smeden’ overwinnen hen uiteindelijk – opnieuw vier, om te laten overeenstemmen met de vier die het volk van God decimeren. Historisch waren het natuurlijk de Perzen die overwonnen en het grondgebied van de voorgaande rijken inlijfden bij dat van hen.

Het algemene punt is overduidelijk en wordt op verschillende manieren herhaald in de profeten: alle landen krijgen te maken met goddelijke vergelding, in het bijzonder zij die Gods verbondsvolk aanvallen.

Dit geeft je de achtergrond voor Zacharia 2 [of, afhankelijk van je vers- en hoofdstukkenindeling, voor het vervolg van Zacharia 2, JL] en het derde visioen.
Hier heeft Jeruzalem een goddelijke beschermer: het heeft niet langer muren nodig. Het groot aantal mensen en de massa vee die tot de stad behoren maken muren zelfs onpraktisch.

Maar Jeruzalem wordt daardoor niet bedreigd. Verre van: ‘En Ik zelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar’ (2:5). Delen van het visioen wijzen vooruit naar het visioen van het nieuwe Jeruzalem (zie in het bijzonder Opb. 22:1 e.v.).

Elementen van dit visioen resoneren met andere Bijbelse thema’s.

(a) De Heer zal de volkeren plunderen die trouweloos en wreed waren. Dit thema komt aan de orde in elk groot Oudtestamentisch werk, en het komt naar voren in het voorgaande hoofdstuk.

(b) Het verbondsvolk van de Heer is ‘zijn oogappel’ (2:8). Het is waar, de uitverkorenen van God zijn kan betekenen dat je de eerste bent die wordt getuchtigd (Amos 3:2), maar het betekent ook dat je geliefd bent van voor de grondlegging van de wereld, door Hem wordt gekoesterd, door Hem wordt bewaard, en uiteindelijk tot eschatologische heerlijkheid wordt gebracht.

(c) Het zendingsthema duikt ook weer op: ‘vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de HERE en zij zullen Mij tot een volk zijn’ (2:11). Dit mag geen verrassing zijn. De eerste aankondiging van het verbond met Abraham belooft dat alle volkeren op aarde door Hem zullen worden gezegend (Gen. 12:3).

(d) ‘Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit zijn heilige woning’ (2:13). Met andere woorden, in het licht van de heerlijke openbaringen die God via Zacharia heeft gegeven, is het gepaste antwoord stille eerbied en ingetogen ontzag.

Hoeveel te meer zou dit ook onze reactie moeten zijn als we stilstaan bij de vervulling van deze beloften en iets ontwaren van de verreikende horizon van hetgeen het evangelie heeft bewerkt en wat er nog meer uit volgt!


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 14 december 2015

Bekeert u tot Mij … dan zal Ik tot u wederkeren (Zach. 1)


2 Kronieken 16; Openbaring 5; Zacharia 1; Johannes 4

Net als zijn tijdgenoot Haggai is Zacharia een profeet van na de ballingschap. Daar waar Haggai grotendeels verantwoordelijk is, onder God, voor het aanmoedigen van het volk om door te gaan en de tweede tempel te bouwen, valt Zacharia’s bijdrage, hoewel in bepaalde opzichten significanter, moeilijker te duiden.

Hier vind je striemende apocalyptiek, enigmatische gezichten, uitgesproken moeilijke gedeeltes en meeslepend perspectief. Hoe moeilijk ze ook mogen zijn, de hoofdstukken 9-14 vormen wel het Oudtestamentisch gedeelte dat het meest geciteerd wordt in de lijdensverhalen van de canonieke evangeliën, en de op een na belangrijkste bron (na Ezechiël) voor de talloze allusies in het boek Openbaring.

Weinig Oudtestamentische profetische boeken waren de aanzet tot een bredere diversiteit van ‘scheidings of partitietheorieën’ – theorieën die de hoofdstukken 9-14 toewijzen, of verschillende delen ervan, aan een bepaalde andere auteur dan de historische Zacharia.

Dit is natuurlijk niet de plaats om al deze debatten te bespreken. We zullen ons inspannen om delen van de tekst op te pakken zoals ze er staan. Op dit moment focussen we op Zacharia 1:1-17.

De zes openingsverzen vormen een introductie tot de hoofdstukken 1-8. Het woord van de Heer komt tot Zacharia in oktober of november 520 v.C. Het doel van deze inleiding is terug te blikken op het catastrofale oordeel van 587, toen Jeruzalem en de tempel vielen, en wat hiertoe leidde en hieruit voortvloeide.

‘Bekeert u tot Mij … dan zal Ik tot u wederkeren’ (1:3) is de les die we moeten leren. Aanvankelijk wilde het volk niet luisteren. Maar uiteindelijk werd het meegevoerd in ballingschap en begon het ernstiger na te denken over alle boodschappen die het te horen had gekregen.

In ballingschap kwamen ze bij zinnen: ‘Zoals de HERE der heerscharen Zich voorgenomen had ons te doen naar onze handel en wandel, zo heeft Hij met ons gedaan’ (1:6). De implicatie is voor de hand liggend: de zegeningen en oordelen van het verbond blijven staan, en het volk van God moet tot Hem naderen met ontzag en goddelijke vrees, opdat ze niet in de hardnekkigheid van hun voorouders vallen en oordeel over zichzelf uitroepen.

Er volgen acht visioenen (1:7-6:15). Er wordt soms gezamenlijk naar ze verwezen als naar ‘het boek van de visioenen’. Deze acht visioenen hebben min of meer een standaardvorm. Na een inleidende uitdrukking wordt ons verteld wat de profeet ziet. Hij vraagt de engel wat deze dingen zijn of betekenen, en de engel biedt een verklaring.

Bij vier van de visioenen is er een begeleidende godsspraak (1:14-17; 2:6-13; 4:6-10a; 6:9-15), gewoonlijk maar niet altijd aan het einde. De acht visioenen zijn thematisch chiastisch: het eerste en achtste zijn gelijk, het tweede en zevende, enzovoort. Allemaal zeggen ze iets over de toekomst van Jeruzalem en Juda.
Welke bijdrage wordt geleverd door het eerste?


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Beluister de lezing 'De goedheid van God' (door Maarten Hertoghs)



Zaterdag 12 december vond er in CC De Steiger in Menen weer een lezing plaats in de reeks 'God leren kennen'. Dit keer was Maarten Hertoghs de gastspreker. Zijn titel was 'De goedheid van God'.
Beluister of download de lezing 'God leren kennen' door Maarten Hertoghs
De eerstvolgende lezing vindt plaats op zaterdag 30 januari (om 19.30 u.). Dan spreekt Gerard Hoddenbagh over 'De trouw van God'.


zondag 13 december 2015

Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HERE der heerscharen (Hag. 2)


2 Kronieken 14-15; Openbaring 4; Haggai 2; Johannes 3

Zoals we in de overdenking van gisteren zagen, speelt Haggai 1 zich af in augustus van 520 v.C. Haggai 2 wordt in hetzelfde jaar gedateerd, maar wordt opgedeeld in twee delen. De eerste Godsspraak komt tot Haggai in oktober (2:1-9); de tweede in december (2:10-23). De eerste is afgemeten bemoediging voor het overblijfsel dat de taak aanvat van de herbouw van de tempel; de tweede belooft zegen (2:10-19) en een ultieme ‘Zerubbabel’ (2:20-23).

Het eerste deel belooft dat de nieuwe tempel, ‘dit huis’, gevuld zal zijn met meer heerlijkheid dan de eerste. Als deze ‘heerlijkheid’ wordt afgemeten in termen van rijkdom of politieke invloed, dan vond dit simpelweg niet plaats voor de verwoesting van de tempel in 70 A.D.

Maar als in de plaats daarvan de heerlijkheid van ‘dit huis’ verbonden is met de komst van de Messias die zijn structuren versierde en die zelf de ultieme ‘tempel’ was waarnaar die verwees, is de aanspraak niet buitensporig.

De uitdrukking ‘the desired of all nations’ (2:7) [deze uitdrukking wordt in de NBG-vertaling teruggevonden in 2:8 als ‘de kostbaarheden van alle volken’ en wordt bijvoorbeeld in de NBV vertaald als ‘alle volken … hun schatten’. De Nederlandse vertaling die het dichtst bij het Engels aanleunt is hier HSV: ‘het verlangen van alle heidenvolken’. In het Engels luidt het in KJV bijvoorbeeld ‘And I will shake all nations, and the desire of all nations shall come: and I will fill this house with glory, saith the LORD of hosts’, JL], in het enkelvoud genomen, werd vaak uitgelegd als verwijzend naar de Messias. Het Hebreeuws is echter meervoud (‘the desired things’, d.w.z. ‘de schatten’ [zie dus NBV, of vers 8 van de NBG: ‘de kostbaarheden van alle volken’, JL]), wat een tijd suggereert waarin alle volkeren eer zullen bewijzen aan de God van Israël. Uiteindelijk, zoals vers 8 ons herinnert, zijn alle zilver en goud toch van God.

De woorden ‘let op wat er gebeuren gaat’ duiken nu opnieuw op (2:15, 18 NBV; NBG vermeldt ‘bedenkt toch’ in vers 16 en 19), en ze herinneren de lezer aan hoe Haggai deze uitdrukking al heeft gebruikt in hoofdstuk 1 om Israël op te roepen na te denken over de twee decennia die sinds hun terugkeer zijn verlopen. Gods zegen over hen werd ingehouden en bijna armtierig. ‘Van deze dag aan’ (2:20) zal God het volk echter zegenen.

Maar de grootste zegening moet nog komen. God voorspelt dat Hij in de vage toekomst, het profetische ‘te dien dage’ (2:24), koningen en koninkrijken zal omverwerpen en Zerubbabel als zijn ‘zegelring’ zal maken (2:24). Waarom? ‘Want u heb Ik uitverkoren’, zo verklaart de almachtige Heer.

Dit kan niet een eenvoudige verwijzing zijn naar de historische Zerubbabel. Teveel indicaties wijzen verder dan hem. God verwijst naar ‘die dag’. Zerubbabel is niet alleen de landvoogd (2:22), maar ook ‘mijn knecht’ (2:24) – een titel die gebruikt wordt voor David (Ez. 34:23; 37:24), zowel als voor de ‘lijdende knecht’ van Jesaja. ‘Knecht’ en ‘uitverkoren’ worden gezamenlijk gebruikt in Jes. 41:8, 42:1; 44:1.

David, Juda en de berg Sion zijn op vergelijkbare manier ‘uitverkoren’ (Ps. 78:68-70). Herinner je ook (de overdenking van gisteren), dat Zerubbabels grootvader koning Jojakin was, zodat Zerubbabel in de Davidische lijn ligt, de Messiaanse lijn.

Zo zet Zerubbabel een patroon in (zijn naam verschijnt nog altijd met eer in hedendaagse Joodse liturgieën voor Chanoeka), onderdeel van een groter Davidisch patroon, dat heenwijst naar de ultieme Zerubbabel, de ultieme David – koning Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 12 december 2015

De tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEREN huis herbouwd worde (Hag. 1)


2 Kronieken 13; Openbaring 3; Haggai 1; Johannes 2

De profeet Haggai is een van de diverse ‘post-ballingschap profeten’, d.w.z. profeten die het verbondsvolk van God aanspraken dat terugkeerde naar het beloofde land na de ballingschap.

Haggai 1
kan worden gedateerd rond augustus 520 v.C., bijna twintig jaar nadat de eerste groepen Joden naar huis terugkeerden. Alhoewel initieel gericht tot Zerubbabel en Jozua (1:1), is het bijna onmiddellijk duidelijk dat de boodschap voor iedereen is bedoeld (1:3-4), voor ‘al het overblijfsel des volks’ (1:14).

Zerubbabel was een kleinzoon van koning Jojachin, die in ballingschap werd gevoerd in 597. Hij was dus blijkbaar de erfgenaam voor de troon van David.
Zerubbabel was de zoon van Pedaja, Jojachins derde zoon (1 Kron. 3:19); blijkbaar was de eerste zoon, Sealtiël, kinderloos. Misschien adopteerde Sealtiël zijn oudste neef, die daarna zijn naam zou krijgen (zoals in 1:1).

In elk geval was Zerubbabel ‘landvoogd van Juda’ (of: gouverneur, NBV). Dit zou hem heel weinig vrijheid laten, aangezien de relatie van zijn gezag tegenover dat van de gouverneur van Samaria, het provinciale centrum, en de grenzen van hun respectievelijke territoria, slecht waren gedefinieerd.

Jozua was zoon van Josadak de priester, die werd gevangen genomen in 587 (1 Kron. 6:15). Hij was verantwoordelijk voor de religieuze zaken van de gemeenschap.

De last van dit eerste hoofdstuk, uiteengezet in de uitdaging van de boodschap van de profeet (1:1-11) en het antwoord van Zerubbabel en het volk (1:12-15), is dat ze veel te veel vertraging hebben in het bouwen van de nieuwe tempel. Ze hebben genoeg tijd en energie gehad om hun eigen weldoortimmerde huizen te bouwen (1:4), maar niet genoeg om verder te werken aan de tempel.

Dit is de reden, zegt God, waarom de voorgaande twintig jaren zo hard waren als nu het geval was. Hij weigert grote zegeningen op hen te laten neerdalen wanneer ze zo kortzichtig waren met betrekking tot hetgeen echt centraal had moeten staan in hun onderneming: de vreugdevolle en toegewijde aanbidding van de almachtige God.

‘Bedenkt wat u wedervaren is’, zo herhaalt de profeet (1:5,7), en ze zullen hun beoordeling van het recente verleden volkomen realistisch vinden. ‘Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? (…) Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis’ (1:9).

De fundamentele kwestie is er geen van gebouwen, maar van prioriteiten. Onze generatie staat voor dezelfde uitdaging, net als elke andere generatie. Waarom zouden we moeite doen om God te vragen ons te zegenen, tenzij onze prioriteiten nauwgezet op één lijn werden gebracht met de zijne? Dit zal gevolgen hebben voor onze wandel en ons spreken, onze pocketboeken en onze verbeeldingen, onze roeping en ons pensioen (VUT), waar we leven en wat we doen en hoe.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 11 december 2015

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God (Joh. 1)


2 Kronieken 11-12; Openbaring 2; Zefanja 3; Johannes 1

Johannes’ proloog (Joh. 1:1-18) is een van de rijkste mijnen in de Bijbel om er te delven naar de prachtige waarheden over Christus. Hier is er slechts ruimte voor de meest inleidende bespiegelingen.

(1) In het eerste vers wordt degene van wie uiteindelijk gezegd wordt dat Hij vlees werd, de Heer Jezus zelf, het ‘Woord’ genoemd. Deze benaming is niet alleen intrinsiek eigenaardig, maar op het eerste gezicht is ze ook bijzonder vreemd omdat ze niet terug opgepikt wordt in de rest van het evangelie van Johannes.

Maar dit is misschien het eerste inzicht. Had Johannes in dit eerste vers een van de titels gebruikt die doorheen het boek aan Christus worden toegeschreven (Zoon van God, Zoon des Mensen, Koning van Israël, Messias, enzovoort), dan zou deze titel verheven zijn tot de belangrijkste van allemaal. In plaats daarvan gebruikt Johannes een uitdrukking die ze allemaal omvat.

Hij herinnert eraan dat Gods ‘woord’ in het Oude Testament regelmatig het middel is waardoor Hij zichzelf onthult in de schepping, in verlossing en in openbaring. ‘Het woord des Heren’ komt tot de profeten; door het woord van de Heer werden de hemelen gemaakt; God stuurt zijn woord en geneest het volk.

Johannes vindt het buitengewoon passend: in het eeuwige ‘Woord’ dat vlees werd, onthult God zichzelf in schepping, openbaring en verlossing. Zelfs het woord ‘Woord’ is evocatief. We zouden kunnen parafraseren, ‘In het begin onthulde God zichzelf, en die zelfonthulling was met God en die zelfonthulling was God’.

(2) Wanneer Gods ‘Woord’ zelfs in het allereerste begin bij God was, was dat Woord Gods eigen metgezel, en van Hem onderscheiden. Wanneer Gods ‘Woord’ zelfs in het allereerste begin God was, was dat Woord Gods eigen zelf, en geïdentificeerd met Hem.

Hier vind je ruwe fragmenten van wat op termijn de leer van de Drieëenheid wordt genoemd. Vanaf het begin is God altijd een complexe eenheid geweest.

(3) Vers 2 pikt het middelste zinsdeel van vers 1 op, in voorbereiding van vers 3. Met andere woorden, het feit dat het Woord in het begin bij God was, maakt het voor Hem mogelijk om Gods vertegenwoordiger te zijn in de schepping van alles.

Bovendien worden we, door de nadruk dat God absoluut alles schiep door middel van de vertegenwoordiging van het Woord, tot het besluit gedreven dat noch God, noch het Woord deel uitmaakt van de schepping; pantheïsme wordt uitgesloten, net als elke suggestie dat het Woord een geschapen wezen is, een inferieure God.

(4) In vers 14 verklaart Johannes dat het Woord vlees werd (d.w.z. een mens) en (letterlijk) onder ons ‘tabernakelde’. Lezers van het Oude Testament zien meteen dat dit betekent dat Jezus voor Johannes in zekere zin een nieuwe tabernakel is, een nieuwe tempel (vgl. Joh. 2:13-25).

Er staat zelfs een half dozijn toespelingen op Exodus 32-34 in Joh. 1:14-18. Vind ze. Wat betekenen ze?


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 10 december 2015

Hij legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had (Lk. 24)


2 Kronieken 10; Openbaring 1; Zefanja 2; Lukas 24

De opgestane Jezus verscheen aan zijn discipelen bij diverse gelegenheden. Hier denken we na over Lukas 24:36-49.

Ongeacht wat de Bijbel zegt over de getransformeerde aard van het opstandingslichaam (in het bijzonder 1 Kor. 15), wijkt Jezus in dit gedeelte van zijn weg af om aan te tonen dat Hij niet een gedematerialiseerd lichaam is of een geest zonder lichaam.

Hij kan worden aangeraakt; de wonden van de nagels kunnen worden gezien (dit is de betekenis van zijn woorden, ‘Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben’ [24:39]); Hij spreekt over zichzelf als iemand die ‘vlees en beenderen’ heeft; terwijl Hij wat voedsel eet in het bijzijn van zijn discipelen (24:42-43).

Dit is volkomen consistent met andere stemmen in het Nieuwtestamentisch getuigenis. Het is onvoorstelbaar heerlijk: de dood is verslagen, en de langverwachte koning, eens gekruisigd, is nu in leven.

Maar Jezus benadrukt dat zijn discipelen niet verwonderd mochten zijn. Hij had al een tijd voorzegd dat Hij zou sterven en weer opstaan, maar ze hadden geen begrippen om zijn woorden in hun volle kracht te kunnen aanvaarden.

Nu gaat Hij verder: wat met Hem is gebeurd, is een vervulling van wat over Hem staat geschreven ‘in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen’ (24:44 – d.w.z. in alle drie de delen van de Hebreeuwse canon, waarnaar vaak op precies dezelfde manier wordt verwezen).

Dat Jezus dit aan hen moet uitleggen, behelst natuurlijk dat zij de Schriften op het vlak van zijn persoon echt niet goed hebben begrepen. Dus nu opent Hij hun verstand om dit euvel te verhelpen (24:45).

Hij doet dit door samen te vatten wat de Schriften zeggen – net zoals Hij op weg naar Emmaüs aan de twee discipelen precies hetzelfde uitlegde. Bij die gelegenheid begon Hij met Mozes en al de profeten ‘en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had’ (24:27).

Jezus las het Oude Testament duidelijk op een geïntegreerde manier, met Hemzelf in het centrum ervan. Vanuit de Nieuwtestamentische verslagen die door Jezus’ rechtstreekse discipelen en erfgenamen zijn opgeschreven, kunnen we een behoorlijk volledig beeld krijgen van hoe Hij zichzelf op dit vlak zag.

Hij zag zich niet alleen als de rechtmatige messiaanse koning in de lijn van David, maar ook als de lijdende knecht die verwond zou worden voor onze overtredingen. Hij wist dat Hij niet alleen het zoenoffer was, maar ook de priester die het offer bracht.

Hij was niet alleen de gehoorzame Zoon die de taak vervulde die zijn Vader Hem had gegeven, maar ook het eeuwige vleesgeworden Woord dat de Vader volmaakt kon openbaren tegenover een generatie van opstandige beelddragers. En zoveel meer. En al deze dingen moeten wij ook zien, en neerbuigen in eerbiedige, vreugdevolle aanbidding.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 9 december 2015

De HERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad (Zef. 1)


2 Kronieken 9; Judas; Zefanja 1; Lukas 23

Ik wil een beetje zijdelings bij Zefanja 1:12-13 aanbelanden.

Er is meer dan één manier om God naar de zijlijn van de geschiedenis te verbannen. Sommigen doen dit door te beweren dat God slechts met tussenpozen handelt.
Wanneer goede dingen gebeuren, is dat God; wanneer slechte dingen gebeuren, is dat de duivel – en er is niet een bepaalde zin waarin God soeverein blijft over de duivel.

Anderen beweren dat Gods voorzienigheid boven alles torent, maar steeds in lijn met wat plaatsvindt volgens de natuurlijke orde. Zo beweerden theïstische evolutionisten bijvoorbeeld in het verleden dat God tussenkwam bij dramatische momenten in het evolutieproces.

Nu is er een groeiend aantal theïstische evolutionisten dat beweert dat, op het vlak van de eigenlijke fysieke processen, hun positie niet verschilt van die van de atheïst, die hetgeen plaatsvindt exclusief verklaart in termen van natuurlijke processen.

De theïstische evolutionist beweert natuurlijk dat Gods voorzienigheid aan het werk was doorheen het proces. Maar zij zeggen dat indien God werkelijk had ingegrepen, we zouden terugkeren naar een soort ‘God-of-the-gaps’-scenario [een God die goed is om de blinde vlekken in te vullen, JL].

Ze kunnen in schril contrast worden geplaatst met degenen die het toenemende bewijs citeren voor ontwerp in de geschapen orde, want die eenvoudige notie zou naturalistische veronderstellingen radicaal transformeren en de mechanismen veranderen die naturalistische wetenschappers gedwongen omarmen.

Maar weten ze wel zeker dat ze deze weg willen inslaan? Zouden ze dezelfde redenering toepassen als het gaat om de opstanding van Jezus? Zouden ze willen voorstellen dat alle krachten die Jezus uit de dood terugbrachten met een opstandingslichaam, in zuiver ‘natuurlijke’ termen kan worden uitgelegd?

Of zouden ze in dit geval zeggen dat God op dramatische wijze tussenkwam, en de structuren van de normale fysieke krachten opzijschoof om een verbijsterend wonder te verwezenlijken? En indien God dat in dit geval deed, waarom zou het dan zo moeilijk zijn om je voor te stellen dat Hij dit ook deed in het geval van de schepping – in het bijzonder wanneer het bewijs voor ontwerp, bewijs uit de fysieke orde, blijft toenemen?

Er zijn duidelijk veel manieren om God naar de periferie te verbannen. Maar misschien is de ergste eenvoudiger en veel schadelijker dan de beide wegen die ik tot nog toe vermeldde. De twee die ik heb beschreven vereisen een weldoordacht schema, een wereldbeeld.

Maar de ergste is zelden systematisch of doelbewust. DIe negeert God gewoon. Ze kan voorzienigheid in formele zin omarmen, maar in de praktijk denkt ze over geen van de implicaties van het dienen en gehoorzamen van een God die alles onherroepelijk bestuurt dieper door.

Ze kan blijmoedig de opstanding van Jezus belijden, maar verwacht geen andere tussenkomsten van God. Ze leest de geschiedenis, maar leert er niets uit dat strookt met de heilige Schrift.

Denk nu verder na over Zefanja 1:12-13.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 8 december 2015

De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden (Hab. 3)


2 Kronieken 8; 3 Johannes; Habakuk 3; Lukas 22

Habakuks laatste gebed (Hab. 3) is in grote lijnen een reactie op het perspectief van de Heer in hoofdstuk 2. Het is een heel mooi voorbeeld van hoe te reageren op openbaringen van God wanneer die iets zeggen dat we misschien niet zo fijn vinden.

Dit zijn de dominerende thema’s:

(1) Habakuk blijft bidden voor opwekking. Wie weet of dit niet een van die gelegenheden is waarin God hartstochtelijke voorbede verhoort? In het voorgaande hoofdstuk sluit God de mogelijkheid van een dergelijke bezoeking niet volledig uit.

Dus bidt Habakuk: ‘HERE, ik heb de tijding aangaande U vernomen, ik ben, HERE, met vreze voor uw werk vervuld; roep het in het leven in de loop der jaren, maak het openbaar in de loop der jaren; gedenk in de toorn aan ontfermen!’ (3:2).

(2) In uiterst poëtische taal roept Habakuk dan herinneringen op aan een aantal gelegenheden uit het verleden waarin God in feite zijn verbondsvolk redde door hun tegenstanders te slaan. ‘In gramschap doorschrijdt Gij de aarde, in toorn dorst Gij de volkeren’, herinnert Habakuk (3:12), duidelijk suggererend ‘waarom nu niet opnieuw?’.

Uiteindelijk, zo voegt hij toe, trok U bij die gelegenheden ‘uit tot redding van uw volk, tot redding van uw gezalfde’ (3:13 – merk op hoe ‘gezalfde’ hier blijkbaar verwijst naar het hele volk van God, niet slechts naar de Davidische koning).

(3) Maar Habakuk heeft gehoord wat God gezegd heeft over deze gelegenheid. Hoezeer het ook zijn hart doet beven en zijn knieën doet knikken (3:16), hij is vastbesloten om de enige wijze koers te volgen: ‘toch zal ik rustig afwachten de dag der benauwdheid, wanneer die aanbreken zal voor het volk dat met benden ons aanvalt’ (3:16).

Met andere woorden, hij zal wachten op wat God heeft beloofd – het rechtvaardige oordeel van God over de onderdrukkers, zelfs als het volk van God eerst zelf oordeel moet ondergaan.

(4) Maar het mooiste en meest inzichtrijke deel van Habakuks gebed is voorbehouden voor het einde. Zijn ultieme vertrouwen rust niet op het vooruitzicht van oordeel over Babylon. Aan de ene kant staat zijn uiteindelijke vertrouwen volkomen los van politieke omstandigheden en van het materiële welzijn van zijn volk. ‘Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn’, zo schrijft hij, en ‘de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil’ (3:17-18).

Een dergelijk geloof kan leven zonder te weten; het kan overwinnen wanneer er geen opwekking is; het kan zich in God verblijden, zelfs al is de cultuur in verval. ‘De HERE Here is mijn kracht: Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten’ (3:19).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 7 december 2015

Wee hem die de stad met bloed bouwt, en de veste op onrecht grondvest! (Hab. 2)


2 Kronieken 7; 2 Johannes; Habakuk 2; Lukas 21

Gods antwoord (Hab. 2) op Habakuks tweede klacht (zie de overdenking van gisteren) beantwoordt én vermijdt die gedeeltelijk. Om preciezer te zijn, het antwoord verwerpt impliciet het ene deel van Habakuks vraag door alle gewicht te leggen op het andere deel.

God beschouwt zijn antwoordt duidelijk als dermate belangrijk dat Hij wil dat het verspreid wordt (2:2), dus wat begint als een privécommunicatie zet nu de eerste stap om te worden opgenomen in de canon.

God beschrijft de ‘typische’ Babyloniër (2:4-5): opgeblazen, vol zondige begeerten, vaak dronken, arrogant, rusteloos, hebzuchtig, gewelddadig en onderdrukkend. Hij is precies het tegenovergestelde van wat God wil dat een mens, een beelddrager van God, is: ‘de rechtvaardige zal door zijn geloof leven’ (2:4).

Er woedt een lange strijd of het woord voor ‘geloof’ beter kan worden weergegeven met ‘trouw’, vooral omdat deze zin geciteerd wordt in het Nieuwe Testament (Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:37-38). Alhoewel er sterke stemmen zijn aan beide kanten, kan een stevig pleidooi worden gevoerd om de onduidelijkheid te laten staan.

Tegenover de persoon van wie God de zondige wandel opsomt in de omringende zinnen, wil God zeker dat mensen ‘trouw’ zijn. Aan de andere kant beschrijven de voorafgaande twee zinnen de zondaars als ‘opgeblazen’ en met begeerten die ‘niet recht’ zijn – precies het tegenovergestelde van een persoon met waarachtig ‘geloof’, dat in de Bijbel van God afhangt en daarom niet opgeblazen kan zijn (hetgeen onafhankelijkheid van God veronderstelt), noch verdorven.

Wat ook de te verkiezen manier om die zin te verstaan, de Babyloniërs zelf zijn zo slecht, zegt God, dat al hun gewezen slachtoffers op een dag zullen opstaan en de onderdrukkers zullen beschimpen met een lange lijst van ‘weeën’ (2:6, 9, 12, 15, 19) – dramatische vervloekingen die over hen worden uitgesproken omwille van hun vreselijke zonden.

Deze weeën moeten overdacht worden door elk volk met een verlangen om rechtvaardig te handelen. Het laatste wee is verbonden met afgoderij: ‘Wee hem die tot een stuk hout zegt: Ontwaak, en tot een stomme steen: Word wakker. Zou die onderrichten? Zie, hij is gevat in goud en zilver, doch er is volstrekt geen geest in hem. Maar de HERE is in zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem, gij ganse aarde!’ (2:19-20).

Het is alsof de zondigheid van de Babyloniërs terug te voeren is naar hun afgoderij. De woorden zijn krachtige herinneringen dat God regeert over alle volkeren en dat hij de afgoderij verfoeit die mensen ertoe drijft meer te hunkeren naar geschapen dingen dan naar de Schepper die ze maakte en aan wie ze alles verschuldigd zijn (vgl. Rom. 1:18 e.v.).

Zo heeft God niet uitgelegd hoe Hij een zondiger volk kan gebruiken om een minder zondig volk te tuchtigen. Veeleer heeft Hij gezegd dat Hij meer weet over de zondigheid van de Babyloniërs dan Habakuk, dat Hij de boeken goed bijhoudt, en dat op een dag recht zal geschieden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 6 december 2015

Waarom zwijgt Gij, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij? (Hab. 1)


2 Kronieken 6:12-42; 1 Johannes 5; Habakuk 1; Lukas 20

De profetie van Habakuk – of, meer precies, ‘de godsspraak, die de profeet Habakuk geschouwd heeft’ – wordt niet neergezet als iets dat hij aan anderen moest overbrengen, maar als een antwoord op zijn eigen klacht tegenover de Heer.

Het feit dat die werd opgeschreven en bewaard in de canon betekent dat, in Gods voorzienigheid, ofwel Habakuk ofwel iemand anders dit dermate belangrijk vond dat anderen het moesten kunnen lezen. Het mag geen privécommunicatie blijven (zoals de vertrouwelijke openbaringen die Paulus soms ontving, zie 2 Kor. 12:1-10).

De aard van Habakuks protest wordt uiteengezet in Habakuk 1. Het kader is blijkbaar de tijd van de finale Babylonische aanval (1:6). Initieel gaat Habakuks klacht over zijn eigen volk en cultuur (1:2-5). Hij heeft tot de Heer om hulp geroepen, en verwacht een door God gezonden opwekking.

‘Hoelang, HERE, roep ik om hulp, en Gij hoort niet?’ (1:2). De rest van zijn klacht somt de symptomen op van een cultuur in neergang: geweld, ongerechtigheid, onrecht, strijd, conflict, en de wet van God die krachteloos wordt gemaakt.

Maar God antwoordt met woorden die Habakuk niet wil horen. Habakuk wil een opwekking; God belooft oordeel (1:6-11). Indien Habakuk zo bekommerd is om de ongerechtigheid, zou hij moeten weten dat God er iets zal aan doen: Hij zal ze bestraffen.

God zal iets verbazingwekkends doen: Hij zal de Babyloniërs doen opstaan, ‘dat grimmige en onstuimige volk, dat de breedten der aarde doortrekt om woonsteden in bezit te nemen, die de zijne niet zijn’ (1:6).

Ze zullen komen ‘om geweld te bedrijven’ en ‘het verzamelt gevangenen als zand’ (1:9). God doet niet alsof de Babyloniërs een aangenaam volk zijn. Na de enorme kracht van hun gewapende troepen te hebben beschreven, noemt hij hen ronduit een schuldig volk, ‘wiens kracht zijn god is’ (1:11).

Deze schuldige mensen, dronken van de barbaarsheid van hun eigen geweld, vormen het volk dat God zal ontplooien om zijn eigen verbondsvolk te tuchtigen – in antwoord op Habakuks gebed dat God iets zou doen aan de ongerechtigheid in het land.

Gods antwoord bevredigt Habakuk niet. De tweede klacht (1:12—2:1) gaat naar de kern van de kwestie. Gegeven dat God eeuwig en trouw is aan zijn verbondsvolk; ook gegeven dat Hij ‘te rein van ogen’ is ‘om het kwaad te zien’ (1:13) en daarom zijn eigen verbondsvolk moet straffen, blijft de brandende vraag: ‘waarom aanschouwt Gij de trouwelozen en zwijgt Gij, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij’ (1:13, cursief toegevoegd).

Want hoe zondig de Judeeërs ook zijn, de Babyloniërs zijn nog slechter. Hoe kan God nog zondiger mensen gebruiken om anderen te straffen die minder zondig zijn?

Welke andere voorbeelden hiervan vind je in de geschiedenis, zowel de gewijde als de profane?


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 5 december 2015

Heer, hier is uw pond, dat ik in een doek weggeborgen en bewaard heb (Lk. 19)


2 Kronieken 5:1-6:11; 1 Johannes 4; Nahum 3; Lukas 19

Op zich kunnen we de gelijkenis van de tien ponden (Lukas 19:11-27) makkelijk begrijpen. Wat een grotere uitdaging vormt is de manier waarop ze wordt omsloten – dit wil zeggen, hoe ze wordt ingeleid en hoe ze eindigt.

(1) Het verhaal zelf beschrijft een edelman die naar een ver land reist om er tot koning te worden gezalfd. Het beeld zal niet vreemd zijn geweest: de Herodessen reisden bij gelegenheid naar Rome om bij Caesar hun status te bekomen of te verzekeren.

Voor zijn vertrek vertrouwt de edelman tien ponden, een aanzienlijke som geld, toe aan zijn dienstknechten, mogelijk een pond voor elk van hen. Bij zijn terugkeer (nu als koning), ontdekt hij dat zijn dienstknechten met wisselend succes zijn omgegaan met zijn geld. De gelijkenis vertelt ons niet voor elke dienstknecht wat de opbrengst is, maar rapporteert over representatieve gevallen.

Een van hen heeft tien ponden verdiend, een groei van 1000 procent; een andere vijf ponden, een groei van 500 procent. Elk wordt overvloedig beloond, maar in verhouding met de groei. Eén dienstknecht geeft slechts het pond terug dat hem was gegeven.
Zijn excuus is dat hij bang is voor zijn meester, want hij kent hem als een streng mens. De rest van het verhaal wikkelt zich dan verder af.

Mogelijk moeten wij er als hedendaagse lezers aan herinnerd worden dat de dienstknechten geen werknemers waren die konden vertrekken wanneer ze wilden of hun diensten konden staken onder vakbondsregelingen. Ze waren slaven die hun meesters hun best mogelijke inspanningen verschuldigd waren. Vandaar de straf voor de onverantwoordelijke slaaf.

(2) Maar het verhaal eindigt met een lang gezegde: ‘Ik zeg u, aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden, en hem, die niet heeft, zal ontnomen worden ook wat hij heeft. Doch die vijanden van mij, die niet wilden, dat ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen’ (19:26-27).

De laatste dienstknecht heeft niets qua groei; alles wat hij ‘heeft’ is de gift die hem was toevertrouwd voor het welzijn van een ander. De dienstknechten van de koning zijn verantwoordelijk om te werken voor de winst van hun meester. Doen ze dit niet, dan betonen ze zich opstandige dienstknechten, helemaal geen betrouwbare dienstknechten. Dan zijn ze nauwelijks beter dan de vijanden die het koningschap van hun meester uiteindelijk weerstaan.

(3) Dit moet allemaal vervat worden in het verwachtingspatroon dat wordt gecreëerd door het openingsvers (19:11). Jezus vertelt deze gelijkenis als een antwoord aan degenen die ‘meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden’.

Maar dit is niet zo, benadrukt de gelijkenis: de meester gaat weg om een koninkrijk in ontvangst te nemen; sommige mensen haten de idee; zelfs zijn dienstknechten verschillen in hun trouw en vrucht, en sommigen blijken valse dienstknechten.

Zij die werkelijk toegewijde slaven zijn van Koning Jezus zullen werken en proberen de bezittingen van hun meester te verbeteren, terwijl ze verlangend uitzien naar zijn terugkeer.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 4 december 2015

Zoon van David, heb medelijden met mij! (Lk. 18)


2 Kronieken 3-4; 1 Johannes 3; Nahum 2; Lukas 18

Vandaag zal ik stilstaan bij Lukas 18:31-43. Deze verzen kun je in twee gedeeltes opdelen.

Het eerste deel (18:31-34) vormt een voorzegging van Christus’ lijden. Het brengt verslag over een van de vele keren waarin Jezus zijn discipelen probeerde te waarschuwen wat er zou gebeuren wanneer Hij voor het laatst zou opgaan naar Jeruzalem. Ondanks het expliciete van Jezus’ taal, begrepen de discipelen ‘niets van deze dingen en dit woord bleef hun duister en zij wisten niet, waarvan gesproken werd’ (18:34).

Vanuit ons perspectief, aan deze zijde van het kruis, kunnen we ons afvragen hoe ze zo traag van begrip konden zijn. Waar ze aan leden was aan een te bekrompen gezichtsveld, dat je kunt vergelijken met het dragen van oogkleppen. Hun begrip van Messias was dat Hij zou triomferen.

Jezus had zeker de macht. Iemand die mensen kon genezen, doden kon opwekken, stormen kon stillen en op water kon lopen, kon zeker een paar Romeinse legioenen aan; Hij kon corrupte ambtsdragers er zeker uit gooien en gerechtigheid brengen in het land.

Bovendien, konden niet al Jezus’ uitdrukkingen op een bepaalde andere manier worden uitgelegd dan de christenen ze vandaag verstaan? In het Oude Testament (zo kunnen de discipelen zich hebben herinnerd) is de titel ‘Zoon des Mensen’ maar zelden messiaans: over wie heeft Jezus het dan?

Misschien dat het overleveren van deze ‘Zoon des Mensen’ aan de heidenen iets tijdelijks is, voorafgaand aan zijn dramatische redding in het finale gevecht – dat is, wanneer Hij zal ‘opstaan’ (18:33).

In ruimere theologische zin waren de discipelen nog niet klaar voor het feit dat de beloofde koning uit de lijn van David ook een lijdende dienstknecht zou zijn. Hun verwachtingen waren krom; ze konden slechts zien wat ze verwachtten te zien.

In de meest brede zin, is dit een van de gevolgen van de invretende, verblindende macht van zonde: ze vertroebelt onze visie en verwart ons perspectief zodat het zich afsluit voor cruciale delen van de bewijzen, met als gevolg dat we de waarheid niet kunnen zien, net zomin als de grootheid en de heerlijkheid van Gods openbaring.

Het tweede deel gaat over de genezing van de blinde man die langs de kant van de weg naar Jericho zit (18:35-43). In tegenstelling tot de discipelen in het voorgaande vers, die ongetwijfeld dachten dat ze iets verstonden van wat werd gezegd, alhoewel dit niet zo was, weet deze man dat hij blind is.

Anderen proberen hem te laten zwijgen; hij wil niet zwijgen maar schreeuwt des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ (18:39).
Jezus geneest hem; de man ziet. En dat is altijd wat nodig is: dat mannen en vrouwen hun blindheid toegeven en tot Hem roepen die als enige het zicht kan teruggeven. Anders zal de betekenis van de woorden die worden gesproken verborgen blijven, hoe talrijk ze ook mogen zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 3 december 2015

Denkt aan de vrouw van Lot (Lk. 17)


2 Kronieken 2; 1 Johannes 2; Nahum 1; Lukas 17

Vanuit de twee aangeduide passages (Nahum 1 en Lukas 17) zal ik stilstaan bij twee gezichten van oordeel. Vanuit Nahum 1 leren we dat Gods belofte van oordeel over degenen die triomfantelijk boosheden begaan soms een bemoediging kan zijn.

Dit is een samenvatting van het thema van dit boek. Nahum is geroepen om oordeel uit te spreken over Assur en zijn hoofdstad Nineve, maar in tegenstelling tot Jona is hij niet geroepen om die boodschap ook te verkondigen aan de Assyriërs, maar aan het verbondsvolk van God.

Dit wordt bijvoorbeeld gezien in de manier waarop Nahum aanvankelijk spreekt over Nineve in de derde persoon (1:8). Wanneer Nineve rechtstreeks wordt aangesproken (bijv. in 1:11), dan maakt dit gewoon deel uit van de retoriek van de Godsspraak.

Naar onze inschatting bracht Nahum deze woorden van de Heer over ergens na 722 v.C., toen Assur Samaria versloeg, de hoofdstad van Israël, en veel van zijn leidende burgers wegvoerde. De tien noordelijke stammen hielden feitelijk op te bestaan als een natie.

Maar de trouwe gelovigen onder degenen die werden achtergelaten en onder hen die werden in ballingschap gevoerd, om nog niet te spreken over de toekijkende Israëlieten in het zuidelijke koninkrijk van Juda, moesten weten dat God niet opgehouden was met regeren, of met mensen ter verantwoording te roepen, gewoon omdat Hij hen gebruikt om zijn volk te tuchtigen (vgl. Jes. 10:5 e.v.).

‘Een wreker is de HERE voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden’ (1:2). ‘De HERE is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen. Maar met een overstromende vloed maakt Hij haar plaats geheel teniet, en zijn vijanden vervolgt Hij, de duisternis in’ (1:7-8).

Vele, vele malen wanneer gelovigen werden verdrukt onder boosaardige regimes, of wanneer onschuldige landen door gewelddadige en krachtige landen onder de voet werden gelopen , hebben woorden als deze de getrouwen ondersteund: God is rechtvaardig en Hij zal de gewelddadige onderdrukkers ter verantwoording roepen, ongeacht hun politieke standpunt, religieuze banden, ras, economie of publiek imago.

Uit Lukas 17 komt de memorabele zin ‘Denkt aan de vrouw van Lot!’ (17:32; vgl. Gen. 19:26). Het beeld beschrijft ‘de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt’ (17:30). Het oordeel zal zo plots zijn dat de persoon op het dak – waar mensen in de avond een verfrissende of verkoelende bries konden vinden – er niet moesten aan denken nog de trappen af te gaan om iets mee te nemen. Ze moesten van dakterras naar dakterras rennen om weg te komen vooraleer het oordeel neerkwam.

Het beeld is natuurlijk gebaseerd op de architectuur van het Jeruzalem uit de eerste eeuw. Maar de woorden ‘Denkt aan de vrouw van Lot’, en de verzen die daarop volgen, tonen samen aan dat de werkelijke vraag is waar iemands hart thuishoort.

Zij die verlangend terugkijken naar de stad der verwoesting (zie Jes. 19:18, JL) en proberen zich vast te klampen aan zijn speeltjes, gaan er samen mee ten onder.

Hou dus vol, investeer in de hemelse schatten (Mt. 6:19-21); vestig je blik op het Nieuwe Jeruzalem.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 december 2015

Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus (Lk. 16)


2 Kronieken 1; 1 Johannes 1; Micha 7; Lukas 16

Het verslag van de rijke man en Lazarus (Lukas 16:19-31) prikkelt de verbeelding door zijn geweldige ommekeer. De rijke en machtige man eindigt in de hel; de arme man bij diens poort eindigt aan de zijde van Abraham.

Enkele opmerkingen:

(1) Het verhaal maakt de reden waarom de bedelaar Lazarus in de tegenwoordigheid van Abraham werd ontvangen niet expliciet, en ook niet waarom de rijke man werd uitgesloten van die zegen en naar de hel werd gestuurd.

Maar er zijn aanwijzingen. Alhoewel de Bijbel het helemaal niet voorstelt alsof elke arme mens automatisch is gerechtvaardigd (lees Spreuken) en elke rijke mens automatisch is veroordeeld (denk maar aan Salomo, Zacheüs en Filemon), is er niettemin een bepaalde parallel.

Elders benadrukt Jezus dat het onmogelijk is om zowel God als geld te dienen (Mt. 6:24). Het verhaal dat we voor ons hebben zegt dat Lazarus ziek en hongerig aan de poort van de rijke man lag, en letterlijk hongerde naar voedselresten. De rijke man gaf niets. Hij was daarom zonder medelijden; hij ging in tegen de meest elementaire sociale verwachtingen van beleefdheid en gastvrijheid; hij wilde zelfs geen aalmoezen geven.

Wat Lazarus betreft, hij behoort tot een lange traditie in Israël die teruggaat tot de Wijsheidsliteratuur die vaak de arme en verachte associeert met de berouwvolle en rechtvaardige. Dit wordt hier gewoon verondersteld. De ommekeer volgt. Een schokkend feit voor degenen onder Jezus’ toehoorders die de almachtige sikkel najoegen.

(2) Minsten een gedeelte van de beschrijving van de toestand na de dood moet symbolisch zijn (Is er een echte kloof tussen Lazarus en de rijke man? Kunnen bewoners van de twee domeinen over en weer converseren wanneer ze dit willen?). Niettemin moeten bepaalde elementen van deze beschrijving worden aangenomen zoals ze er staan, of het gehele verslag rafelt uiteen.

De rijke man is in voortdurende pijn (volledig in lijn met andere passages uit de Schrift). Lazarus bevindt zich (letterlijk) bij Abraham ‘in zijn schoot’ – d.w.z. hij is bij Abraham, en waar Abraham is, daar moet vrede en zegen zijn.

De vaste kloof bevestigt dat niemand van de ene verblijfplaats naar de andere kon overgaan – wat eerder de visie ondergraaft dat sommige mensen zich na hun dood nog kunnen bekeren.

(3) Abrahams antwoord op de bezorgdheid van de rijke man omtrent zijn overlevende broers maakt twee punten duidelijk.

Ten eerste
zijn ze niet te verontschuldigen omdat ze de Schriften hebben (‘Mozes en de profeten’, 16:29). We mogen niet denken dat zij die niet willen luisteren naar wat de Schrift zegt zullen luisteren naar iets anders – dus waarom naar foefjes teruggrijpen? De aanname is dat de Schrift het eerste middel is.

Ten tweede, zelfs het spectaculaire wonderlijke is niet overtuigender dan de Schrift (16:31). Zij die zich niet laten overtuigen door de Schrift, zullen ‘ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen’ (16:31). En er is iemand uit de doden opgestaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 1 december 2015

Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt (Micha 6)


1 Kronieken 29; 2 Petrus 3; Micha 6; Lukas 15

Er is een belangrijke gemeenschappelijke basis in Micha 6 en Lukas 15. Toch zal ik die maar terloops belichten.

Een van de slogans van de Reformatie was ‘simul justus et peccator’, een Latijnse uitspraak die iets betekent als ‘tegelijk (ge)recht(vaardigd) en een zondaar’. Het was een manier om het wettelijke karakter van rechtvaardiging te benaderen zoals Paulus die uitlegde.

Op basis van Christus’ dood verklaart God schuldige zondaars rechtvaardig – niet omdat ze, vanuit het feit van de rechtvaardiging zelf, in hun daden en gedachten werkelijk recht of rechtvaardig zijn, maar omdat het hen geschonken is bij de rechterstoel van Gods recht. Omdat Christus hun straf betaald heeft, zijn ze rechtvaardig in Gods ogen, zelfs al zijn ze dan, op het vlak van hun werkelijke bestaan, nog altijd zondaars.

Niettemin hebben de Hervormers nooit gedacht dat rechtvaardiging op zichzelf staat. Rechtvaardiging is een onderdeel van de redding, maar het is er niet het enige aspect van. De Heilige Geest brengt overtuiging van zonde en wedergeboorte; de ultieme stap is de finale transformatie van Gods volk naar lichaam en geest op de laatste dag. Deze elementen en andere horen samen, en al wie werkelijk gered zijn ervaren dit uiteindelijk allemaal.

Dus terwijl rechtvaardiging in en op zichzelf een mens nog altijd een zondaar laat, staat die rechtvaardiging nooit helemaal op zich. Ware redding vergeeft ons niet alleen, ze transformeert ons ook.

Micha begrijpt dit. Hij behandelt niet zozeer de basis van Israëls aanvaarding voor God (die uiteindelijk verbonden is met Gods genade, Deut. 9) maar benadrukt veeleer dat, indien de verbondsrelatie met God echt is, ze niet zal doordrenkt zijn van afgoderij, syncretisme en ongerechtigheid.

Dus hoe zal ik voor de Heer verschijnen? Zal ik de voorgeschreven jaarling offeren (6:6)? Of wat met het offeren van mijn eigen zoon: zal dit volstaan als betaling ‘voor de zonde mijner ziel’ (6:7)? Wat de Heer eist is dit: ‘niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God’ (6:8).

Micha staat natuurlijk niet alleen op dit punt. Jezus predikte iets gelijkaardigs, terwijl Hij Hosea citeerde (Mt. 9:13). Paulus benadrukte dat de zondaar het koninkrijk van God niet zal beërven (1 Kor. 6:9-11). Hij bedoelt niet dat alleen wie continu bijzonder braaf zijn er zullen geraken, want hij vervolgt met te zeggen dat sommige van zijn lezers ooit bijzonder zondige zaken bedreven. Maar als ze werkelijk gered zijn, moet er zich een transformatie voordoen.

Dit is evenzeer waar in de gelijkenis van de verloren zoon (Lk. 15:11- 27). Hij wordt aangenomen door de genade van de vader. Maar in de complexiteit van de terugkeer, laat de zoon zijn zonde achter zich wanneer hij zichzelf toevertrouwt aan de genade van zijn vader.

Hoe uiterst belangrijk ‘simul justus et peccator’ ook is, het mag nooit, maar dan ook nooit gebruikt worden om de zondige praktijk goed te praten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 30 november 2015

Uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds (Micha 5)


1 Kronieken 28; 2 Petrus 2; Micha 5; Lukas 14

Bevat het vooruitkijkende visioen van Micha 4 geen beschrijvingen van een komende Messias, dan zetten de openingsverzen van Micha 5 dit terug recht.

Het vorige hoofdstuk eindigt met een droevige beschrijving van Jeruzalem en haar koning (4:14). Waarschijnlijk wordt historisch gealludeerd op de invasie van de Assyriërs onder Sanherib in 701 v.C. Alhoewel Jeruzalem in Gods voorzienigheid standhield, werden de andere ommuurde steden van Juda veroverd, en koning Hizkia werd vernederd en bijna overwonnen.

Idealiter moest de koning uit Davids geslachtslijn rebellie en anarchie neerslaan ‘met een ijzeren knots’ (Ps. 2); Hij moest gerechtigheid brengen door te slaan met de roede zijns monds (Jes. 11:4). Hier echter wordt de ‘richter Israëls’ met de roede op ‘op het kinnebakken’ geslagen (4:14).

Maar het koningshuis overleeft. Zonder de tussenliggende stappen in te vullen ziet de profeet Micha vooruit naar een andere koning uit de lijn van David (5:1-3). Hij komt voort uit Betlehem Efrata, ouderlijke thuis van David, de geboorteplaats van zijn koningshuis.

Vanuit dit plaatsje, zo zegt God, ‘zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (5:1). Deze verwoording bevestigt niet het van eeuwigheid bestaan van deze Messiaanse figuur (hoewel de manier van verwoorden dit natuurlijk ook niet ontkent). Veeleer is het heerlijke vooruitzicht gegrond in het verleden, in het oude Davidische koningshuis.

Wanneer deze koning de scepter opneemt, zal Hij ‘hen weiden’, niet in de onzekere kracht van Hizkia of van een andere koning die Hem voorgaat in deze geslachtslijn, maar ‘in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods’ (5:3).

En na verloop van tijd ‘zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde’, en de verzekerde vrede die in het voorgaande hoofdstuk werd geschilderd zal worden ingeluid (5:3-4).

Dus in de volheid van de tijd organiseerde God de internationale zaken op een zodanige manier dat werd gegarandeerd dat Jezus niet geboren werd in Nazareth, de woonplaats van Maria en Jozef, maar in Betlehem, hun voorouderlijke woonplaats (Lukas 2).

Het was bijna alsof de almachtige God de tweede mijl ging: niet alleen zou er over Jezus worden gesproken als ‘gesproten uit het geslacht van David naar het vlees’ (Rom. 1:3) en dus als een scheut van Betlehem, maar ook als feitelijk daar geboren.

Toen de wijzen in het paleis van Herodes aankwamen om na te vragen waar de beloofde Koning was geboren, citeerden de overpriesters en wetgeleerden dit gedeelte uit Micha 5 om de zaak te beslechten: Hij zou geboren worden in Betlehem in Juda (Mt. 2:5-6).

Alhoewel het dorpje Betlehem volkomen onaantrekkelijk was (‘klein onder de geslachten van Juda’, 5:1), zou het met een dergelijke Zoon ‘geenszins’ kunnen betekenen dat je het kon beschouwen als ‘minste onder de leiders van Juda’ (Mt. 2:6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 29 november 2015

Dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen (Micha 4)


1 Kronieken 26-27; 2 Petrus 1; Micha 4; Lukas 13

Micha gaat diverse malen over van een lang gedeelte met aanklacht en waarschuwing, naar een relatief kort en positief gezicht van de toekomst. Micha 4 bevat één dergelijk gezicht (4:1-5), onmiddellijk gevolgd door een beschrijving van hoe de dochter Sions van hier naar daar geraakt (4:6-13): ze gaat door ernstige beproeving en tuchtiging, en verschijnt aan de andere kant in het licht van Gods zegen.

De openingsverzen schilderen een tijd waarin ‘de berg van het huis des HEREN [zal] vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen’ (4:1).

Veel bergen in het oude nabije Oosten waren sites voor de aanbidding van een of andere god. Stellen dat ‘de berg van het huis des Heren’ – d.i. Sion – zal vaststaan als ‘hoogste’ van deze bergen, en ‘zal verheven zijn’ boven de anderen, staat gelijk met zeggen dat de God van Israël nu alle andere goden overschaduwt.

Het gevolg is dat niet alleen Israël terug samenstroomt naar de site, maar dat ‘volkeren’ dit ook doen. ‘Vele natiën’ moedigen elkaar aan en zeggen: ‘Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen’ (4:2).

Dan slingert de beweging van het visioen van het centripetale naar het centrifugale. ‘Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem’ (4:2b). Het resultaat is dat gerechtigheid onder vele volkeren zegeviert en dat oorlog verdwijnt, overspoeld door vrede nu volkeren getransformeerd door het woord van God ‘hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen’ (4:3).

Het gezicht eindigt met het enige dat de vervulling ervan kan verzekeren: ‘de mond van de HERE der heerscharen heeft het gesproken’ (4:4).
Dus nu, in zijn eigen tijd, vermaant Micha oprechte gelovigen zich niet te laten verleiden door andere goden, die onmogelijk deze transformatie kunnen bewerken.
Dit is de tijd om trouw te zijn aan de enige ware God van het verbond. ‘Want alle volkeren wandelen elk in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de HERE, onze God, voor altoos en immer’ (4:5).

Het symbolisch zeer geladen gezicht wordt in de bewoordingen van Micha’s tijd gegoten: de oorlogswapenen, bijvoorbeeld, worden ploegscharen en snoeimessen, geen tractoren en maaidorsers. Hoewel verwoord in termen van de suprematie van de berg Sion, wordt geen melding gemaakt van Israëlitische hegemonie over de natiën, noch van de Messias of het offer dat Hij zou brengen.

Zelfs de geografie van het gezicht ziet er iets anders uit vanuit het perspectief van Joh. 4:21-24. Maar in het licht van het evangelie is de triomf van het nieuwe Jeruzalem, die een einde doet komen aan dood en oorlog en alle zonde (Opb. 21:1-4), hetgeen waar alle christenen voor bidden, de vervulling van Micha’s gezicht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 28 november 2015

Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem! (Lk. 12)


1 Kronieken 24-25; 1 Petrus 5; Micha 3; Lukas 12

Jezus draagt zijn ‘vrienden’ op niet te vrezen voor hen ‘die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!”’ (Lukas 12:4-5).

Het evangelie vereist dat we niet alleen onze liefdes onderzoeken, maar ook onze angsten. We moeten God boven alles liefhebben; zo moeten we Hem ook boven alles vrezen. De reden is in beide gevallen dezelfde: Hij is God. Hij verdient onze hartstochtelijke bewondering; je kunt niet met Hem sollen.

Zijn oneindige heiligheid wekt ontzag; maar ze boezemt ook vrees in. We moeten Hem nu liefhebben, en we zullen Hem ongehinderd liefhebben in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde; we moeten Hem vrezen, want Hij heeft zowel de macht als het recht om ons van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde uit te sluiten.

Zonder na te denken zeggen mensen soms dat het een grote zegen is dat de een of andere persoon gestorven is, want hij of zij kreeg zoveel pijn te verduren in de laatste dagen of weken van zijn of haar leven op aarde. Maar stel dat deze persoon een onboetvaardige zondaar is: is hij of zij dan nu beter af? Niet volgens dit gedeelte.

Opnieuw, hoeveel van onze beslissingen in het leven worden deels genomen omwille van wat mensen denken of, meer precies, omwille van wat we vrezen dat ze zullen denken? Kortom, we zijn vaak bevreesd voor mensen – indien niet bevreesd voor bruut geweld, dan toch bevreesd voor minachting, bevreesd voor verwerping, bevreesd te worden gemarginaliseerd, bevreesd te worden uitgelachen.

Er is maar weinig kans dat we dergelijke vrees zullen overwinnen door gewoon maar te proberen ophouden met vrezen. We moeten iets anders meer gaan vrezen, iets dat niet alleen toont dat mensenvrees verkeerd is, maar ook dwaas.

Nemen we de woorden van deze twee verzen goed in ons op en vrezen we God boven alles, dan zal het probleem grotendeels zijn opgelost. Dit is een van de redenen waarom het zo belangrijk is deze God te kennen en Hem heel hoog te achten: je zult God nooit vrezen als je maar af en toe eens aan Hem denkt.

Voordat iemand ook maar een ogenblik zou denken dat de band van de christen met de almachtige God alleen maar wordt gekenmerkt door vrees, moeten we opmerken dat Jezus zelfs in dit hoofdstuk zijn volgelingen opdraagt ‘Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke!’ – niet voor mensen, of omstandigheden, of de toekomst – ‘Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven’ (12:32).

Alhoewel God te vrezen is, is de reden daarvoor niet dat Hij de gemeenste kerel van allemaal is. Verre van: zijn liefde en genade en heiligheid – al zijn volmaaktheden – verenigen zich om voor de zijnen te voorzien in de meest heerlijke toekomst die je je maar kunt indenken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 27 november 2015

'Houd op', zeggen zij, 'houd op met dat geprofeteer!' (Micha 2)


1 Kronieken 23; 1 Petrus 4; Micha 2; Lukas 11

Wanneer zaken radicaal verkeerd gaan in een maatschappij, raken de problemen vaak in elkaar verstrengeld. Twee van deze lijnen komen samen in Micha 2:6-11.

Het gedeelte begint en eindigt met een waarschuwing tegen valse profeten, maar in het midden van het visioen vind je Amos’ voortgaande openlijke veroordeling van de machtige mensen die de machtelozen helemaal kaal plukken (2:8-9).

Begin met het laatste. Ze zijn zodanig verdorven, verkondigt Micha, dat ze niet handelen als het verbondsvolk, maar als hun vijanden (2:8a). Vrouwen en kinderen worden door deze bruten beroofd (2:9). Kinderen verliezen op een wrede manier hun erfenis terwijl deze machtige mensen rijker worden – alhoewel er geschreven staat, ‘Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken. Indien gij dezen toch verdrukt, voorzeker zal Ik, indien zij luide tot Mij roepen, hun geroep horen, en mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden, zodat uw vrouwen weduwen worden en uw kinderen wezen’ (Ex. 22:22-24).

Tegen deze achtergrond van Gods openbaring had je kunnen verwachten dat de profeten van het land de machtigen ter verantwoording zouden roepen. In plaats daarvan blijken de machtige en verdorven mensen de broodheren van de profeten.

Deze profeten prediken nog altijd, maar wat ze prediken is dat Micha niet mag profeteren. Micha’s antwoord is verschroeiend: ‘Als er maar iemand wind naliep en leugen voorspiegelde: Ik profeteer u van wijn en bedwelmende drank – dan zou hij de profeet van dit volk zijn’ (2:11).

We moeten zien hoe dit gebeurt. Het is verschrikkelijk gemakkelijk voor de prediker om zijn boodschap aan de heersende tijdgeest aan te passen. Wat begint als een bekommernis om relevant en eigentijds te zijn – allebei bewonderenswaardige doelstellingen – eindigt met verleiding en gewelddadige onderwerping.

Dit is des te waarschijnlijker wanneer de rijken en machtigen onze facturen betalen. Op elk vlak is het makkelijk jezelf voor de gek te houden en te denken dat lafheid eigenlijk voorzichtigheid is. Dat zwijgen over de morele kwesties van de dag een kleine prijs is die je betaalt om maar invloed te kunnen uitoefenen in de wandelgangen van de macht.

Krijg een uitnodiging voor het Witte Huis (of zelfs de hoofdkwartieren van de denominaties!) en je zult nooit krachtig protesteren tegen zijn zonden. Geef een lezing aan een prestigieus academisch orgaan, en wees maar zeker dat je tegen zo weinig mogelijk haren zult in strijken. Wordt een bisschop en in plaats van de volgende J.C. Ryle te worden, verkoop je je stilzwijgen.

Natuurlijk moet het niet zo verlopen. God zal altijd zijn Micha en Amos hebben. Maar het gebeurt vaak genoeg dat we moeten terugkeren naar Gods openbaring, om zeker te zijn dat onze boodschap vorm krijgt door wat Hij heeft gezegd, en nooit de vrucht is van vlotgebekte arglistigheid noch de gladde ‘gepastheid’ van hen die slim alleen maar zeggen wat mensen willen horen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 26 november 2015

Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls (Micha 1)


1 Kronieken 22; 1 Petrus 3; Micha 1; Lukas 10

De openingszinnen van Micha 1 tonen ons dat deze profeet diende in de tweede helft van de achtste eeuw v.C. Initieel was het machtige Assur nog een slapende reus, en de tweeling-koninkrijken Israël en Juda floreerden. Israël breidde zijn grondgebied uit onder Jerobeam II.

Dit boek brengt ons verslag van het visioen dat Micha kreeg, ‘hetwelk hij geschouwd heeft over Samaria en Jeruzalem’ (de twee hoofdsteden, 1:1). Het eerste gezicht werd duidelijk uitgesproken voor elk van de hoofdsteden was gevallen. Later in het boek is Samaria gevallen (722 v.C.) en Jeruzalem zelf komt onder druk te staan, in de tijd van koning Hizkia.

Alhoewel Juda in 701 onder de voet werd gelopen door de Assyriërs, werd Jeruzalem zelf wonderbaarlijk gespaard. Micha, uit Moreset Gad (een boerendorp ten zuidwesten van Jeruzalem), wordt geroepen om te profeteren in Juda, net zoals Amos geroepen was om te profeteren in Israël.

Tijdens een groot deel van Micha’s bediening kent Juda voorspoed. Het geld werd geïnvesteerd in land, met als resultaat dat een paar rijke en machtige ondernemers grote percelen opkochten, waardoor ze het systeem van kleine landbouwbedrijven dat door het verbond was bevolen te gronde richtten (2:2; Jes. 5:8 is een aanklacht tegen dezelfde corruptie).

Maar kwesties van gerechtigheid en sociale verantwoordelijkheid stonden bij niemand hoog op de agenda. Micha, die dus van de vruchtbare vlaktes afkomstig was, zag ongetwijfeld met eigen ogen hoe gewone mensen verdrukt werden; hij was voorzienig voorbereid om het profetische woord van Gods eigen verontwaardiging te brengen.

Hij valt het toenemende eigenbelang aan en het wijdverbreide loslaten van de maatstaven van Gods wet, terwijl hij Juda afschildert als aan de rand van een catastrofaal oordeel.

Jeremia, die ongeveer een eeuw later schrijft, tekent een fascinerend verslag op van Micha’s bediening (Jer. 26:18-19); het is waarschijnlijk niet te vergezocht om te concluderen dat Hizkia’s initiële en krachtige hervorming schatplichtig was aan Micha’s prediking.

Micha is bovenal geschokt door de verwording van de ware godsdienst (1:6-9). Israëls uitverkiezing wordt nu gelijkgesteld met een triomfalistische theologie (3:11); God zelf is herleid tot een soort opa die optreedt als beschermer van een verwend volk.

Micha waarschuwt daarom het volk voor de gevolgen van ontrouw aan het verbond (6:14-15). Al in hoofdstuk 1 maakt hij duidelijk dat God zijn volk moet straffen als ze voortgaan in hun zonde: ‘Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls’ (1:5).

Waar ligt het zwaartepunt van dergelijke zonde? In de hoofdsteden zelf (1:5b). De verfoeilijke verwording en ontrouw hebben zich een weg gebaand van de top naar beneden.

Deze hoofdthema’s hebben voor ons twee belangrijke gevolgen. Ten eerste vereisen ze dat we ons met ons hele hart inzetten voor gerechtigheid en verbondstrouw in onze tijd. Ten tweede bereiden ze ons voor op Micha’s visioen van een beloofde verlosser (bijv. 5:2).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 25 november 2015

Ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt (Jona 4)


1 Kronieken 21; 1 Petrus 2; Jona 4; Lukas 9

Jona is bijzonder ontstemd (Jona 4) omdat de oordelen die hij tegen Nineve heeft uitgesproken niet hebben plaatsgevonden. De mensen hebben berouw getoond, van koning tot pauper, en God heeft van het oordeel afgezien en de grote stad genade betoond. ‘Ach, HERE, heb ik dat niet gezegd, toen ik nog in mijn land was?’ (4:2). Dit is sterker dan een idiomatisch en bijtend ‘Ik had het nog zo gezegd’.

Voor de uitdrukking ‘heb ik … gezegd’ staat er letterlijk ‘mijn woord’: Jona zet zijn eigen woord tegenover ‘Het woord des HEREN’ (1:1), waarvoor hij een roeping kreeg om het over te brengen. Hij zegt tegen God, ‘Zie je, ik heb het toch gezegd? Mijn woord was juist, en jouw woord was op zijn best slecht uitgedacht’.

Hij barst uit: ‘Ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad’ (4:2). Deze basisgeloofsbelijdenis wordt gevonden in Exodus 34:6-7; Jona citeert het in dezelfde vorm waarin het wordt gevonden in Joël 2:13 (wat betekenisvol kan zijn: Joël 2:14 wordt geciteerd in Jona 3:9).

Wanneer de profeten genade en barmhartigheid willen voor zichzelf, doen ze een beroep op Gods karakter; wanneer Jona geen genade en barmhartigheid wil voor anderen, schildert hij dezelfde wezenskenmerken van God af als gevaarlijke zwakke plekken.

Hij is 2:1-9 vergeten, waar hij erkende dat alleen Gods barmhartigheid hem van de grote vis kon verlossen. De ironieën roepen herinneringen op aan een van Jezus’ gelijkenissen waarin genade dankbaar wordt aangenomen maar aan een ander wordt ontzegd (Matt. 18:23-25).

In 4:3 stelt hij zich hoogmoedig op: zijn woorden ‘neem toch mijn leven van mij’ zijn ontleend aan Elia (1 Koningen 19:4) – maar in plaats van verder te gaan met ‘want ik ben niet beter dan mijn vaderen’ (een belijdenis van persoonlijke zwakheid en falen), zegt Jona ‘want het is mij beter te sterven dan te leven’ – wat niets meer is dan zeurderig zelfbeklag.

Er volgt nog het geval met de ‘wonderboom’, waarschijnlijk een ricinusplant, waarvan de brede bladeren enige beschutting bieden. Wanneer die verwelkt, herhaalt Jona zijn zeurende verlangen om te sterven (4:8), en God herhaalt de vraag die Hij eerder stelde: ‘Zijt gij terecht vertoornd?’ (4:4, 9).

In niet mis te verstane bewoordingen benadrukt Jona dat hij alle recht heeft om toornig te zijn. Wat heeft het voor zin te leven in een wereld die een ricinus laat opschieten en die dan weer neerhaalt, bijna verdord nog voor hij begon te leven?

Dus doorprikt God Jona’s denkwijze. Jona vertoont meer bekommernis over de dood van een plant dan over de dood van een stad. Maar zelfs hier gaat zijn zorg voor de wonderboom niet diep, maar komt die voort uit eigenbelang.

Hij bekijkt de Ninevieten op dezelfde manier – zonder te denken aan wat goed voor hen is, maar uit eigenbelang. Het is God, de genadige en barmhartige God, wiens mededogen zich uitstrekt naar ‘de grote stad’ (4:11).

Denk na over Mattheüs 23:37-39; 28:18-19.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.