dinsdag 22 april 2014

Let op voor de dodelijke tweeling: ongeloof en ongehoorzaamheid (Lev. 26)

Leviticus 26; Psalm 33; Prediker 9; Titus 1
Een van de gemeenschappelijke kenmerken binnen de vroegere verdragen rond opperheerschappij [suzereiniteit] – verdragen tussen een regionale supermacht en een vazallenstaat (zie 13 maart) – werd gevormd door een bepaald gedeelte dicht bij het slot dat de voordelen preciseerde van naleving en de gevaren van niet-naleving. Vanzelfsprekend werden deze zegeningen en vloeken in de eerste plaats beloofd aan de vazalstaten.

In veel opzichten weerspiegelt Leviticus 26 dit oude patroon, met de belofte van zegeningen voor gehoorzaamheid (d.w.z. voor naleving van het verbond) en straf voor ongehoorzaamheid (d.w.z. voor niet-naleving van het verbond). Het patroon wordt herhaald, iets aangepast, voor de hernieuwing van het verbond in Deuteronomium (zie vooral Deut. 27-30).

We moeten de alternatieven die in dit hoofdstuk worden geboden niet beschouwen als beloften die louter werden gedaan aan individuele personen, en nog minder als een eenvoudig schema om eeuwig leven te verwerven. Dat de beloften niet individueel zijn bedoeld wordt nog eens aangetoond door de aard van veel van deze zegeningen en vloeken.

Wanneer God het bijvoorbeeld laat regenen, doet Hij dat niet boven louter individuele personen, maar boven regio’s, in dit geval de natie, de verbondsgemeenschap; en net zo wanneer God plagen zendt of zijn volk in ballingschap stuurt.

Het zelfde bewijs toont dat hetgeen op het spel staat niet in de eerste plaats het verkrijgen van eeuwig leven is, maar het welzijn van de verbondsgemeenschap in termen van de zegeningen die hen worden beloofd.

Niettemin kunnen we nadenken over twee van de vele parallellen tussen deze instellingen uit het oude verbond en wat nog altijd behoort tot het nieuwe verbond.

Ten eerste wordt gehoorzaamheid nog altijd vereist onder het nieuwe verbond, zelfs al zijn sommige van de bepalingen die moeten worden gehoorzaamd dan veranderd. Het hoeft daarom niet te verrassen dat Johannes 3:36 de persoon contrasteert die gelooft in de Zoon met degene die Hem ongehoorzaam is [sommige andere vertalingen gebruiken ‘verwerpt’, JL].

Van hen die volharden in grove zonde wordt specifiek gezegd dat ze uitgesloten worden van het koninkrijk (1 Kor. 6:9-11). Het boek Openbaring contrasteert herhaaldelijk hen die ‘overwinnen’ (d.i. in trouw aan Jezus Christus) met wie lafhartig, ongelovig of verfoeilijk is (bijv. Opb. 21:7-8).

De onderliggende reden hiervoor is dat het nieuwe verbond ook een nieuwe natuur brengt. Hoewel we de volmaaktheid niet eerder bereiken dan bij de voleinding, is een volkomen afwezigheid van verandering onder de bepalingen van een dergelijk verbond ondenkbaar.

Het resultaat is dat oordeel wordt voorgehouden voor zowel ongeloof als ongehoorzaamheid; de twee hangen samen.

Ten tweede is een van de treffende kenmerken van de straffen die in Leviticus 26 staan opgelijst, hoe God de teugels langzaam verder aanhaalt, wat uiteindelijk uitmondt in ballingschap. Ziekte, droogte, militaire terugtrekking, plagen, de vreselijke hongersnood onder omstandigheden van belegering (26:29) en zelfs een soeverein bewerkte angst (26:36) eisen allemaal hun tol.

Het geduld van de Heer met verbondsbrekers, over generaties van uitgesteld oordeel heen, is enorm. Maar de enige ware oplossing is belijdenis van zonde en hernieuwing van het verbond (26:40-42).


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 21 april 2014

'Ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden' (Ps. 32)


Leviticus 25; Psalm 32; Prediker 8; 2 Timotheüs 4
'Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welzalig de mens, wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is’ (Ps. 32:1-2). In een theïstisch universum waar God de boekhouding verricht, is het moeilijk om je een nog grotere zegen voor te stellen.

De droevige tragedie is dat wanneer veel mensen nadenken over dit naakte feit – dat we verantwoording moeten afleggen aan Hem en dat er geen ontkomen is aan zijn gerechtigheid – ze dan bijna instinctief het verkeerde doen. Ze nemen zich voor om het pad te nemen van de zelfverbetering, ze beginnen met een nieuwe lei, ze verbergen of ontkennen zelfs de zonden van een lichtzinnige jeugd. Zo voegen ze bij hun schuld nog iets toe – de zonde van bedrog.

We durven niet om gerechtigheid vragen – we zouden verpletterd worden. Maar hoe kunnen we ons verbergen voor de God die alles ziet? Dat is zelfbedrog. Er is maar één weg vooruit die ons niet vernietigt: we moeten vergeven worden. ‘Welzalig hij, wiens overtreding vergeven is’. En wat gaat er gepaard met dergelijke vergeving? Om mee te beginnen zal een dergelijke persoon niet pretenderen dat er geen zonden moeten worden vergeven: gezegend is de man ‘in wiens geest geen bedrog is’.

Dit is waarom de volgende verzen zo openlijk over belijdenis spreken (32:3-5). Het was toen David ‘zweeg’ (d.w.z. over zijn zonden) dat zijn ‘gebeente wegkwijnde’; zijn angst was zo overweldigend dat hij ellendige fysieke pijn met zich mee bracht.

David worstelde onder het gevoel dat God zelf tegen hem was: ‘want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte’ (32:4).
De heerlijke oplossing? ‘Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden’ (32:5).

De Nieuwtestamentische schrijver die deze boodschap het dichtst benadert is Johannes in zijn eerste brief (1 Joh. 1:8-9). Terwijl hij naar gelovigen schrijft zegt Johannes: ‘Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet’. Daar is het opnieuw: het zelfbedrog verbonden met het ontkennen van onze zondigheid.

‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid’. Daar is het ook weer: de enige remedie voor de menselijke schuld. Deze God vergeeft ons, niet omdat Hij toegeeflijk is of te lui is om strikt te zijn, maar omdat we onze zonde belijden, en bovenal omdat Hij ‘getrouw en rechtvaardig’ is: ‘getrouw’ aan het verbond dat Hij heeft ingesteld, ‘rechtvaardig’ in die zin dat Hij ons niet veroordeelt wanneer Jezus zelf de verzoening is voor onze zonden (2:2).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 20 april 2014

'Terwijl ik in mijn angst dacht: ik ben verbannen uit uw oog' (Ps. 31)

Leviticus 24; Psalm 31; Prediker 7; 2 Timotheüs 3
David verkeerde in diepe nood. De exacte omstandigheden kunnen voor ons onduidelijk zijn, aangezien het nu drieduizend jaar later gissen is naar de details. Maar we weten wel dat David opgesloten zat in een belegerde stad (Ps. 31:22; NBV: ‘hij ontzette mij als een belegerde stad’) en zich gevangen voelde. Hij voelde zich zodanig bedreigd dat hij flirtte met wanhoop. En dat is wanneer hij zich verlaten voelde door God zelf: ‘Terwijl ik in mijn angst dacht: ik ben verbannen uit uw oog’ (31:23).

Dit is de allerdiepste wanhoop – het gevoel dat God je verlaten heeft. Het was een deel van Jobs lijden. Job vond dat hij een rechtszaak kon starten voor zijn eigen verdediging, als hij God maar lang genoeg kon vinden om met Hem in discussie te gaan. Maar de hemelen bleven stil en de stilte voegde nog toe aan zijn wanhoop.

We hebben al eerder nagedacht over het feit dat het de vrees voor de Godverlatenheid was die Jakob deed worstelen met de onbekende man in de duisternis (Gen. 32:22-32) en die Mozes bij God blijvend deed aandringen zijn dreigement te laten vallen om uit het kamp van de rebellerende Israëlieten weg te blijven (Ex. 32-34).

In een theïstisch universum kan er niets erger zijn dan werkelijk door God zelf te worden verlaten. De ergste van de pijnen van de hel is dat mannen en vrouwen werkelijk door God verlaten zijn. ‘Laat alle hoop varen, allen die hier binnenkomen’.

Maar de trieste werkelijkheid is dat wij, die Gods beeld dragen, slingeren tussen de vrees voor de Godverlatenheid en de wil om aan zijn aanwezigheid te ontkomen. Dezelfde David die deze Psalm schreef was niet al te happig om zich te verheugen in de tegenwoordigheid van God toen hij Batseba begeerde en een moord beraamde op haar echtgenoot.

Al te vaak zouden we wel willen dat God de andere kant opkeek wanneer we verlangen om onze neus voor Hem op te halen en onze eigen wegen proberen door te drukken. En we zouden willen dat God ons zijn tegenwoordigheid en heerlijkheid vertoont en zeker dat Hij ons uit de problemen haalt wanneer we ons in hopeloze situaties bevinden.

Wat een onschatbare zegen dat God beter is dan onze angsten. Hij is ons geen hulp, verlichting of redding verschuldigd. Zelfs onze noodkreten – ‘ik ben verbannen uit uw oog’ – hebben mogelijk meer te maken met ons wanhopige ongeloof dan met openhartige smeekbeden om hulp. Maar Davids ervaring kan een bemoediging voor ons blijken, want hij pent nog twee zinnen meer neer: ‘maar u hebt mijn smeekbede gehoord toen ik u om hulp riep (31:23).

‘Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten; de HERE bewaart de getrouwen, maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen. Weest sterk en uw hart zij onversaagd, gij allen, die op de HERE hoopt’ (Ps. 31:24-25).


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 19 april 2014

Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren (Lev. 23)


Leviticus 23; Psalm 30; Prediker 6; 2 Timotheüs 2
Leviticus 23 biedt een beschrijving van de belangrijkste ‘hoogtijdagen’ [of ‘feesttijden des Heren’] (23:2). Die omvatten de Sabbat, die natuurlijk niet kon worden in acht genomen door een bedevaart naar Jeruzalem. De overblijvende vermelde feesttijden zijn echter verbonden met de tempel in Jeruzalem.

Er zijn drie dergelijke feesttijden, samen met de gerelateerde vieringen voor de belangrijkste drie. (In latere tijden voegden de Joden een vierde feest toe.)

Buiten de Sabbat zelf, was de eerste ‘hoogtijdag’ (of koppel van feesttijden) het Pascha, gekoppeld aan het Feest van de Ongezuurde Broden. Het ‘Pascha des Heren’ begon bij de avondschemering op de veertiende dag van de eerste Joodse maand (Nisan), wanneer het Pesach of Paasmaal effectief werd gegeten, en het volk samenkwam om te gedenken hoe de Heer hen op een wonderbaarlijke manier uit Egypte had verlost.

De volgende dag begon het Feest der Ongezuurde broden dat een week duurde: niet alleen een herinnering aan de snelle vlucht uit Egypte, maar ook aan het bevel des Heren om alle zuurdeeg gedurende die periode weg te doen – een symbool van het wegdoen van alle zonde. De eerste en zevende dag moesten vrij zijn van arbeid en bekrachtigd door heilige samenkomsten.

Het Eerstelingenfeest (23:9-14), gevolgd door het Wekenfeest (23:15-22) – de zeven weken meteen na het Eerstelingenfeest, met als hoogtepunt een heilige samenkomst op de vijftigste dag – was een krachtige manier, in het bijzonder in een zeer agrarische maatschappij, om te gedenken dat alleen God ons voorziet van alles wat we nodig hebben om te leven.

Het was een manier om publiek getuigenis af te leggen van onze afhankelijkheid van God, om onze individuele en gemeenschappelijke dankzegging uit te drukken tegenover onze Schepper en Onderhouder.

In landen als Engeland en Canada vind je lichte overeenkomsten in de feesten van ‘Harvest Sunday’ (Oogstzondag) en het Canadese Thanksgiving. (Het Amerikaanse Thanksgiving is gedeeltelijk een oogstfeest, maar is ook beladen met aanzienlijk symbolisme dat te maken heeft met het vinden van vrijheid in een nieuw land). Maar er is geen dankfeest dat waardevoller kan zijn dan de kwaliteit en omvang van de dankbaarheid van de mensen die eraan deelnemen.

Op de eerste dag van de zevende Joodse maand, was er een andere gewijde samenkomst, het Bazuinfeest (of Feest der Geschal), herdacht met bazuinstoten (23:23-25), die voorafging aan Yom Kippur – de Grote Verzoendag (23:26-33) - die viel op de tiende dag van de zevende maand.

Dit was de dag waarop de hogepriester binnenging in het Heilige der Heiligen, met het voorgeschreven bloed, om zowel zijn eigen zonden als de zonden van het volk te bedekken (zie de commentaar op 12 april). De vijftiende dag van die maand begon het acht dagen durende Loofhuttenfeest (23:33-36), wanneer het volk moest leven in ‘loofhutten’ of ‘tabernakels’, hutten en tenten, om zichzelf te herinneren aan de pelgrimsjaren van voor ze het Beloofde Land binnentrokken.

Hoe zou het volk van het nieuwe verbond de voorzieningen van onze grote Verbondsgod moeten herinneren en gedenken?


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 18 april 2014

De stem des HEREN breekt ceders (Ps. 29)


Leviticus 22; Psalmen 28-29; Prediker 5; 2 Timotheüs 1
De aanvangsverzen van Psalm 29 suggereren dat een groot deel van wat het betekent de Here te aanbidden ‘in de heerlijkheid van het heiligdom’ (Statenvertaling) eruit bestaat dat je Hem de eer toeschrijft die Hem toekomt: geef Hem de heerlijkheid en sterkte, ‘de heerlijkheid van zijn naam’ (29:1-2).

In dit licht is het middengedeelte van de psalm (29:3-9) opvallend, want het focust slechts op één element in Gods activiteit, nl. de stem van de Here. ‘De stem des HEREN is over de wateren’ – mogelijk een zinspeling op zowel de oorspronkelijke schepping, toen God gewoon ‘sprak’ en het heelal ontstond en kreeg vorm, als op de spectaculaire verlossing toen God de Rode Zee spleet, maar ook op elke alles wegvegende stormvloed; ‘de God der heerlijkheid doet de donder weerklinken, de HERE over de geweldige wateren’.

De stem van de Here is zowel krachtig als majestueus. Ze ‘verbreekt de ceders van de Libanon’, bekend voor hun grootte en kracht – een allusie op de ontketende stormen die Gods stem oproepen. Ja, dit is als niets voor Hem, want zowel volkeren als bergen doen wat Hij gebiedt, en ze horen allen de donder van zijn stem in de storm die weerklinkt van de Libanon in het noorden tot Kades in het zuiden.

De secularist kijkt naar een storm en denkt uitsluitend aan de fysische eigenschappen die hem hebben voortgebracht. De gelovige begrijpt dat deze eigenschappen in de materiële wereld werden ingebouwd door zijn Schepper, en dat God zelf spreekt in donder en bliksem. Het enige gepaste antwoord is om in zijn tempel bijeen te komen en in een geest van ontzag vermengd met nederigheid te roepen ‘Ere!’ (29:9).

Geen wonder dat de Psalm eindigt (29:10-11) met de focus op de universele heerschappij van God: ‘ja, de HERE troont als koning in eeuwigheid’, of het nu ten tijde van de zondvloed is (het Hebreeuwse woord voor ‘zondvloed’ in dit gedeelte wordt slechts hier gevonden en in Gen. 6-11) – precies die zondvloed die op een uitermate krachtige wijze Gods kracht demonstreerde om de machten van de ‘natuur’ te ontplooien zoals Hij gepast vindt – of in de voortgaande zegeningen en kracht die God verleent aan zijn volk.

Jesaja voorziet de dag dat de ‘wortel van Isaï (…) zal staan als een banier der natiën’, wanneer de volkeren tot Hem zullen ijlen en zijn rustplaats letterlijk ‘heerlijk’ zal zijn (Jes. 11:10 [Eng.: letterlijk ‘the glory’]).

Wanneer Stefanus, de eerste christelijke martelaar, op het punt stond om de eeuwigheid ingestuurd te worden door een uitzinnige menigte, werden zijn ogen geopend, en hij sloeg zijn ogen op naar de hemel en zag ‘de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods’ (Hd. 7:55).

Van Hem is de uiteindelijke stem van God; Hij is het Woord van God. ‘Geeft de HERE heerlijkheid en sterkte’ (29:1). Laat allen uitroepen ‘Ere!’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 17 april 2014

'Dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN' (Ps. 27)


Leviticus 21; Psalm 26-27; Prediker 4; 1 Timotheüs 6
'Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel' (Ps. 27:4). We komen elders parallellen tegen van deze heerlijke houding.

Zo verklaart de psalmist in Psalm 84:11-12: ‘Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend (elders); ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloosheid. Want de HERE God is een zon en schild, de HERE geeft genade en ere; het goede onthoudt Hij niet aan hen die onberispelijk wandelen’.

Dit is niet helemaal hetzelfde als zeggen dat de psalmist al zijn tijd in de kerk wil doorbrengen. De tempel was meer dan een kerkgebouw, en synagogen waren nog niet uitgevonden. Dit was een manier om te zeggen dat de psalmist al zijn tijd wilde doorbrengen in de tegenwoordigheid en zegen van de levende God van het verbond, de God die zich zo buitengewoon geopenbaard had in de stad die Hij had aangewezen en de tempel waarvan Hij het basisontwerp had gestipuleerd.

Dit omvatte noodzakelijkerwijs alle tempelliturgie en -gebruiken, maar het was niet een fijn gevoel voor religieuze esthetiek dat de psalmist dreef. Het is niets minder dan een overweldigend besef van de bijzondere schoonheid van de Heer.

Maar let nog op twee verdere verbanden:

(1) Het verlangen van de psalmist wordt uitgedrukt in bewoordingen van welbewuste keuze: ‘dit zoek ik’ (27:4, cursief toegevoegd); ’ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloosheid’ (84:10, cursief toegevoegd). De psalmist drukt zijn verlangen en zijn voorkeur uit, en in beide gevallen ligt zijn focus op God zelf. We zullen hem nooit helemaal begrijpen tenzij we, in Gods genade, die focus met hem delen.

(2) De psalmist erkent dat er voor hem in die houding overvloedige veiligheid ligt. Terwijl het goed is om God te aanbidden en je te verheugen in zijn tegenwoordigheid, gewoon omdat God God is en Hij goed en heerlijk is, is het tegelijk toch goed om te erkennen dat onze eigen veiligheid verbonden is met het rusten in deze God.

Het is Davids wens ‘om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel’ [vergelijk NBV: ‘hem te ontmoeten in zijn tempel’, wat meer aanleunt bij het Engelse ‘to seek him in his temple’, JL], ‘want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots’ (27:5, cursief toegevoegd).

'Ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods dan verblijven in de tenten der goddeloosheid', lezen we, want 'de HERE God is een zon en schild' (84:10-11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 16 april 2014

Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld (Ps. 25)


Leviticus 20; Psalm 25; Prediker 3; 1 Timotheüs 5
Een van de verrassende kenmerken van Psalm 25 is de verscheidenheid aan noden die David bij de Heer brengt om ze te lenigen.

David verkeert in gevaar om door vijanden te worden overmeesterd en daarbij te schande te worden gemaakt (Ps. 25:2). Hij wil Gods wegen en paden kennen en Gods waarheid leren (25:4-5).
Hij smeekt God dat Hij de zonden van Davids opstandige jeugd niet zou gedenken (25:7); bovendien erkent hij dat er tijden zijn waarin zijn ongerechtigheid groot is en hij vergeving nodig heeft (25:11). David belijdt dat hij eenzaam is en ellendig, heel angstig (25:16-17).
Hij spreekt opnieuw over zijn ellende en moeite, alludeert nogmaals aan zijn zonden, en voelt zich bedreigd door het toenemend aantal vijanden dat hem haat (25:18-19).

Bovendien is het – te oordelen naar het laatste vers (25:22) – goed mogelijk dat David erkende dat zijn eigen dieptepunten en falen een weerslag hadden op het welzijn van het volk dat hij als koning diende; dus strekt zijn gebed zich ook uit naar hen.

Het is natuurlijk belangrijk om na te denken over hoe de Heer zijn verbondsvolk genadig helpt op zulke buitengewoon diverse manieren. Maar hier wil ik toch op iets wijzen dat een beetje anders is, namelijk hoe zoveel van de euvels en crisissen die ons teisteren met elkaar verbonden zijn.

De verschillende zaken die David vermeldt zijn geen losse items op een lijst. Ze staan op verschillende manieren met elkaar in verband.

Wanneer David bijvoorbeeld bidt dat zijn vijanden hem niet beschaamd zullen maken, erkent hij dat alleen God de uiteindelijke rechter is, zodat op het eind allen beschaamd zullen worden die ‘trouweloos handelen zonder oorzaak’ (25:3).

Maar dit betekent dat David zelf Gods wegen en Gods waarheid moet leren; ook zijn eigen zonden moeten worden vergeven. Hij moet zich nederig aan het verbond houden (25:9-10), terwijl hij de Here op gepaste wijze vreest (25:12, 14).

Omwille van de problemen waaronder hij leidt, is hij niet slechts verdrukt maar ook eenzaam (25:16) – angst op een bepaald terrein geeft zo vaak voeding aan een gevoel van wanhopige eenzaamheid, zelfs vervreemding.

Maar de uiteindelijke smeekbeden van de psalm verworden niet tot een wentelen in zelfmedelijden, maar sommen de verbanden op die al werden gelegd: David heeft bevrijding nodig van zijn vijanden, vergeving van zijn zonden, verlossing uit zijn verdrukking, en persoonlijke integriteit en oprechtheid, allemaal verbonden met de bescherming door de Here God zelf.

Hier vind je een gezond zelfbewustzijn. Soms zijn onze gebeden voor verlossing zo gedrenkt in eigenliefde; soms ontbreekt het bij onze verzoeken om gerechtigheid aan besef hoe endemisch [of ziekelijk, JL] zonde werkelijk is, zodat we onbezorgd blijven over onze eigen ongerechtigheid. Maar hier komen we een man tegen die niet slechts God kende en wist hoe te bidden, maar ook zichzelf kende.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 15 april 2014

'Ik ben de HERE' (Lev. 19)


Leviticus 19; Psalmen 23-24; Prediker 2; 1 Timotheüs 4
Mogelijk is het meest opvallende kenmerk van Leviticus 19 het terugkerende zinsdeel ‘Ik ben de HERE’. Iedere keer biedt het de reden waarom de Israëlieten het specifieke gebod moeten gehoorzamen.

Iedereen moet ontzag hebben voor zijn vader en zijn moeder en Gods sabbatten houden: ‘Ik ben de HERE’ (19:3). Ze mogen zich niet overgeven aan de afgoden: ‘Ik ben de HERE’ (19:4). Wanneer ze oogsten moeten ze genoeg van de opbrengst laten liggen zodat de armen iets te eten kunnen vinden: ‘Ik ben de HERE’ (19:10).

Ze mogen niet valselijk zweren terwijl ze Gods naam gebruiken: ‘Ik ben de HERE‘ (19:12). Ze mogen geen smerige grappen uithalen met de gehandicapten, zoals de doven vervloeken of een struikelblok neerleggen voor de blinden: ‘Ik ben de HERE’ (19:14). Ze mogen geen daden stellen die het leven van de naaste in gevaar kunnen brengen: ‘Ik ben de HERE’ (19:16).

Ze mogen zich niet proberen te wreken op een naaste of haatdragend zijn, maar elk moet zijn naaste liefhebben als zichzelf: ‘Ik ben de HERE’ (19:18). Wanneer ze het Beloofde Land zullen binnentrekken en er vruchtbomen zullen planten, dan mogen ze drie jaar lang niet van de vruchten ervan eten, en daarna moeten ze in het vierde jaar alle vruchten aan de Heer geven, voor ze vanaf het vijfde jaar van de vruchten zullen eten: ‘Ik ben de HERE’ (19:23-25).

Ze mogen hun lichamen niet verminken of tatoeëren: ‘Ik ben de HERE’ (19:28). Ze moeten zich aan Gods sabbatten houden en eerbied hebben voor zijn heiligdom: ‘Ik ben de HERE’ (19:30). Ze mogen zich niet wenden tot mediums of waarzeggende geesten: ‘Ik ben de HERE’ (19:31). In de tegenwoordigheid van ouderen moeten ze opstaan, ze moeten respect betonen voor de ouderen en voor God vrezen: ‘Ik ben de HERE’ (19:32).

Vreemdelingen in het land moeten behandeld worden als waren ze er geboren: ‘Ik ben de HERE’ (19:33-34). Hun manier van zakendoen moet eerlijk zijn: ‘Ik ben de HERE’ (19:35-36).

Hoewel sommige van de geboden en verboden in dit hoofdstuk niet eindigen met deze formule, zijn ze niettemin toch gezegend met hetzelfde motief, want het slotvers vat het hoofdstuk nog eens samen: ‘Zo zult gij al mijn inzettingen en al mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen: Ik ben de HERE’ (19:37).

Bovendien, te oordelen naar de openingsverzen van het hoofdstuk, is de formule ‘Ik ben de HERE’ in feite een herinnering aan een langere zin: ‘Spreek tot de ganse vergadering der Israëlieten en zeg tot hen: Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig’ (19:2).

We stonden al eerder kort stil bij de betekenis van ‘heilig’ (zie 8 april). Wat hier het meest opvalt is dat veel van deze geboden sociaal zijn in hun effect (eerlijkheid, vrijgevigheid, integriteit, enz.); maar de heiligheid van de Heer is er de achterliggende garantie of borg van. Voor Gods verbondsvolk zijn de hoogste motieven nauw verbonden met het behagen van God en de vrees voor zijn straffen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 14 april 2014

'‘Verontreinigt u niet door dit alles' (Lev. 18)


Leviticus 18; Psalm 22; Prediker 1; 1 Timotheüs 3
Het begin van de zogenaamde ‘heiligheidswetten’ (Lev. 18) is bijzonder interessant. We moeten op minstens vier dingen letten:

(1) Alleen maar omdat dit de eerste keer is dat sommige verboden in de Bijbel worden vermeld betekent daarom nog niet noodzakelijk dat het ook de eerste keer is dat iemand eraan dacht, of de praktijk in kwestie verbood. Voor moord werkelijk als dusdanig wordt verboden, begaat Kaïn een moord en wordt hij ervoor veroordeeld en gestraft.

Hetzelfde geldt voor veel daden die in de Wet van Mozes worden behandeld. Veel van Gods Wet staat geschreven op het menselijk geweten, zodat samenlevingen zonder de Schrift toch morele structuren oprichten, die - hoezeer ze ook mogen verschillen van de waarden van de Schrift – toch ook op belangrijke en onthullende manieren met de Schrift overlappen.

Over veel van wat hier wordt opgesomd aan verboden op het vlak van seksueel gedrag fronste men toen ongetwijfeld ook al de wenkbrauwen; maar nu wordt het verbod ervan in wetten gegoten.

(2) Zoals gebruikelijk zijn de geboden in dit hoofdstuk verbonden met de persoon en het karakter van God (18:2-4, 21, 30), de uittocht (18:3) en de sancties van het verbond (18:29).

(3) Veel van de verboden in dit hoofdstuk stellen grenzen in seksuele relaties: een man mag geen seksuele betrekkingen hebben met zijn moeder of stiefmoeder, zuster of halfzuster, kleindochter, tante, schoondochter, schoonzus enz. Homoseksualiteit is ‘een gruwel’ (18:22); bestialiteit ‘schandelijke ontucht’ (18:23).

Verbonden met deze lijst is het verbod om een van je kinderen te offeren aan de vreselijke God Moloch, die eiste dat enkelen verbrand werden als offer (18:21); misschien is het gemeenschappelijke punt de integriteit [of veiligheid] van de familie.

Een ander treffend element in dit hoofdstuk is het feit dat de perversiteiten verboden worden in Israël zodat deze jonge natie niet even ontuchtig wordt als de naties van wie ze in de plaats komt – opdat ze niet in dezelfde richting evolueert en wordt uitgespuwd door het land (18:24-30). De schaduw van de ballingschap is al aan de horizon zichtbaar, zelfs nog voor het volk het land is binnengetrokken.

(4) Intrigerend genoeg wordt Leviticus 18:5 geciteerd in Romeinen 10:5 en Galaten 3:10. Het algemene punt in de twee gedeeltes is hetzelfde. De ‘Wet’, d.i. het verbond van de wet, is gegrond in eisen: houd je aan Gods geboden en wetten en leef. Dit betekent niet dat geloof niet is vereist, en nog minder dat het verbond van het Oude Testament niet gekenmerkt wordt door genade (meest nog in het offersysteem, zodat zij die het verbond overtraden toch uitzicht hadden op een weg terug).

Maar de kern ervan is eisend. In tegenstelling daarmee wordt de kern van het Nieuwe Verbond, zoals het verbond met Abraham, vooral gekarakteriseerd door geloof (wat ook de eisen ervan zijn). Hoezeer er ook overlappingen mogen zijn, de onderscheidende kern van de twee verbonden mag niet worden verward.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 13 april 2014

Geen offers te velde en geen bloed eten (Lev. 17)

Leviticus 17; Psalm 20-21; Spreuken 31; 1 Timotheüs 2
Twee bepalingen uit Leviticus 17 beperkten de oude Israëliet die trouw wilde blijven aan het verbond.

De eerste (17:1-9) limiteerde offerandes tot wat het Mozaïsch verbond gebood en verbood. Blijkbaar brachten sommige Israëlieten offerandes in de open velden, waar ze zich ook maar bevonden (17:5). Ongetwijfeld waren sommige daarvan oprecht aan de Heer geofferd; andere verwerden snel tot afgodische offeranden gewijd aan de plaatselijke heidense godheden (17:7).

De offerpraktijken uitdrukkelijk met de tabernakel (en later de tempel) te verbinden,was tegelijk bedoeld om de afgoderij uit te sluiten als om het volk te oefenen in de theologische structuren inherent aan het Mozaïsch Verbond.

Daarbuiten te velde was het al te gemakkelijk te veronderstellen dat deze religieuze plichtplegingen de gunst van God (of de goden!) zouden bewerken, en dat daarmee goede oogsten en lieve kinderen gegarandeerd konden worden.

Het tabernakel/tempelsysteem bracht in het ideale geval het volk onder voogdij van de Levieten, terwijl het volk een betere weg werd onderwezen. God zelf had dit systeem bevolen.

Slechts voorgeschreven middelaars en offers waren toegelaten. De volledige structuur was ontworpen om het transcendente [of bovenaardse, JL] karakter van God te benadrukken, om de loutere lelijkheid en boosheid van de zonde vast te stellen en te verduidelijken, om aan te tonen dat iemand slechts door God kon worden aangenomen als voor die zonde betaald was.

Bovendien had het systeem twee bijkomende voordelen. Het bracht het volk drie keer per jaar samen voor de feesten in Jeruzalem, waardoor het de samenhang van het verbondsvolk verzekerde; en het effende het pad voor de hoogste offerande in de jaarlijkse offers die generaties gelovigen oefende in de het feit dat er voor zonde moest worden betaald op de manier die God zelf voorschrijft, of dat er anders geen hoop overblijft voor wie dan ook.

De tweede beperking die dit hoofdstuk oplegt (17:10-16) is het verbod om bloed te eten. De reden die wordt gegeven is specifiek: ‘Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel’ (17:11).

Het gedeelte schrijft geen magische krachten toe aan bloed. Uiteindelijk is de ziel niet in het bloed los gezien van de rest van het lichaam, en het strenge verbod tegen het eten van bloed kon nooit op een volmaakte manier worden nagevolgd (want hoe zorgvuldig je ook het bloed uit een dier weet te onttrekken, er blijft altijd een klein beetje achter).

De kwestie is hier dat er geen leven in het lichaam is waarin geen bloed zit; het is het voor de hand liggende fysieke element om het leven zelf te symboliseren. Wil je het volk leren hoe alleen het offer van leven kon betalen voor de zonde – aangezien de straf voor de zonde bestaat uit de dood – dan is het moeilijk je een passender verbod voor te stellen.

We herdenken het belang ervan elke keer we deelnemen aan de broodbreking [= de tafel des Heren, JL].


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 12 april 2014

God openbaart zich (Ps. 19)


Leviticus 16; Psalm 19; Spreuken 30; 1 Timotheüs 1

God is zo wonderbaarlijk genereus in het bekendmaken van Zichzelf. Hij heeft zich niet op een terughoudende manier geopenbaard aan dit opstandige geslacht, maar in de natuur, door zijn Geest, in zijn Woord, in grote gebeurtenissen in de heilsgeschiedenis, in instellingen die Hij gelastte om zijn plannen en aard te ontsluieren, zelfs in ons loutere bestaan. (We dragen het beeld van God, het imago Dei).

Psalm 19 schetst twee van deze wegen tot goddelijke zelfopenbaring.

De eerste is de natuur, of meer bepaald een deel van de natuur, de hemelse heerscharen die door ons allen worden aanschouwd en genoten. ‘De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht’ (19:2-3).

Maar net zoals de oude volkeren, die ingewikkelde mythes bedachten om de zon, de maan en de sterren te verklaren, is de schande van onze cultuur dat wij op onze beurt ingewikkelde ‘wetenschappelijke’ mythes bedenken om ze te verklaren. Natuurlijk is onze kennis van hoe de dingen werkelijk zijn geavanceerder en nauwkeuriger dan die van hen.

Maar onze diepgewortelde filosofische toewijding aan de notie van willekeurig, doelloos, zinloos , toevallig en ‘in stationaire toestand’ ontstaan van alle dingen is vreselijk pervers – alles om de veel meer voor de hand liggende conclusie te vermijden van een hoogverheven intelligente God die tot bijzonder wonderbaarlijk ontwerp in staat is. Het bewijs is er; de hemelse heerscharen doen dagelijks ‘sprake toestromen’ en predikt nacht na nacht kennis.

De tweede manier is de ‘wet des Heren’: volmaakt, betrouwbaar, juist, zuiver, rechtvaardig, stralend, de ziel verkwikkend, de onverstandigen wijs makend, vreugde brengend aan het hart, eeuwigdurend, kostbaarder dan goud, zoeter dan honing, vermanend, rijke beloning belovend (19:8-12)

Ook hier slagen we er in om neer te halen en te doen verstommen wat God heeft geopenbaard. Grote geleerden investeren verspilde levens in het ondermijnen van zijn geloofwaardigheid.

Veel mensen kiezen fragmenten en thema’s die snel een patroon uittekenen om ook de rest te elimineren. De culturele stroom brengt nieuwe epistemologieën [of kennistheorieën, JL] voort die Gods woorden zodanig relativeren dat ze in niets nog onthullender zijn dan de brondocumenten van gelijk welke andere religie.

Het ergste is nog dat christenen zodanig weinig tijd en energie spenderen aan het bestuderen van dat waarvan ze zelf claimen dat het het Woord van God is, dat het standaard wel moet wegvallen. Maar het blijft een onvoorstelbaar heerlijke openbaring.

Leviticus 16 schetst nog een andere manier van openbaring. God stelde genadig een jaarlijks ritueel in onder het oude verbond dat fundamentele principes schetst van hoe Hij is en wat aanvaardbaar is voor Hem. Schuldige zondaars mogen tot Hem naderen via een middelaar en een bloedig offer dat Hij voorschrijft: de grote Verzoendag is zowel een ritueel als profetie (vgl. Heb. 9:11-10:18).

Beantwoord samen met de Psalmist: ‘Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o HERE, mijn rots en mijn verlosser’ (19:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 11 april 2014

'De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots' (Ps. 18)



Leviticus 15, Psalm 18, Spreuken 29, 2 Thessalonicenzen 3

David schreef Psalm 18 nadat de Heer hem had verlost uit de hand van Saul en al zijn vijanden. Het is een blijde, dankbare psalm. Enkele van de thema’s die we al vonden in Psalm 16 en 17 worden hier herhaald. Maar bij de nieuwe elementen in deze psalm horen de volgende.

Ten eerste loopt de taal van deze psalm over van kleurrijke beeldspraak ontleend aan de natuur (in het bijzonder in vv. 7-15) – een vaak voorkomende eigenschap van de Hebreeuwse poëzie.

Toen God antwoordde, ‘toen dreunde en beefde de aarde’; ‘de grondvesten der bergen sidderden en daverden’; ‘Rook steeg op uit zijn neus’ en vuur uit zijn mond. ‘Hij neigde de hemel en daalde neder, donkerheid was onder zijn voeten (18:8-10). Anderzijds: ‘Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind’ (18:11). ‘De HERE deed de donder in de hemel weerklinken, de Allerhoogste verhief zijn stem – [hagel en vurige kolen]’. ‘De beddingen der wateren’ werden ‘zichtbaar en de grondvesten der wereld kwamen bloot’ vanwege het blazen van de adem uit de neus van de Heer (18:14-15).

Dit is geweldig. Dat dit beeldspraak is die we vandaag niet snel meer gebruiken, betekent nog niet dat we die niet meer kunnen waarderen, of verstaan wat de psalmist ons vertelt. Gods kracht is onuitsprekelijk; Hij heeft zelfs de natuur zelf onder controle, want die doet slechts wat hij geboden wordt; de meest vreeswekkende vertoningen van macht in de natuur zijn niets meer dan de uitwerkingen van wat Hij opdraagt.

De beeldrijke taal kan worden uitgebreid naar hoe de Heer David uitredde: ‘Hij (…) trok mij op uit grote wateren (18:17) – alhoewel David natuurlijk niet het gevaar liep om letterlijk te verdrinken. Maar het moet meer dan een keer zo hebben aangevoeld, toen Saul en het leger hem dicht op de hielen zaten.

Ten tweede, terwijl veel zinnen in deze psalm in wonderlijke, soms metaforische taal beschrijven hoe God David heeft geholpen, schetsen andere een beeld van God die David versterkt om hem in staat te stellen dat te doen wat hij behoorde te doen. ‘Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur (18:30).

Het is ‘God, die mij met kracht omgordt en mijn weg effen maakt; die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen. Ook gaaft Gij mij het schild uws heils, en uw rechterhand ondersteunde mij, uw nederbuigende goedheid maakte mij groot (18:33-36).

Misschien dat God ons niet sterkt om oorlog te voeren. Maar in een theïstisch universum belijden we dat God ons kracht geeft om computerprogramma’s te schrijven, administratieve problemen op te lossen, nog maar eens een luier te verversen, om de Griekse tekst van het Nieuwe Testament te bestuderen of om beledigingen te kunnen verdragen.

‘De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God mijns heils’! (18:47).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 10 april 2014

'Heere, luister naar mijn rechtvaardige zaak' (Ps. 17)


Leviticus 14; Psalm 17; Spreuken 28; 2 Thessalonicenzen 2
Psalm 17 is een gebed om rechtvaardiging. David weet anders wel goed dat hij niet altijd rechtvaardig is (zie Ps. 51!). Maar in specifieke omstandigheden kan de gelovige man of vrouw wel zeker weten dat hij of zij heeft gehandeld met volkomen integriteit, met transparante gerechtigheid. Dit is het geval met David hier.

Als tegenstanders in zulke gevallen over je liegen of een roddelcampagne opstarten, als ze je achterna jagen als leeuwen hun prooi (17:10-12), wat moeten de rechtvaardigen dan doen?

De eerste vereiste is dan nederig op zoek te gaan naar de God die rechtvaardigt. David hoopt zelfs niet alleen op ultieme rechtvaardiging, maar op iets meer onmiddellijks: ‘Sta op, HERE, treed hem tegemoet, doe hem bukken, red met uw zwaard mijn leven van de goddeloze’ (17:13).

Maar net zo goed erkent hij dat vragen om rechtvaardiging van een God als dit, hem op een lijn plaatst met hen die niet gewoon tot deze wereld behoren: red ‘met uw hand, HERE, van de mannen, van de wereldse mannen, wier deel in dit leven is (17:14, cursief toegevoegd). [Noot: de Herziene Statenvertaling leunt hier dichter aan bij het Engelse ‘men of this world’, want zegt: ‘van de mannen van de wereld’].

Aangezien God soeverein blijft, kan rechtvaardiging finaal slechts van God komen: ‘Laat het oordeel over mij van uw aangezicht uitgaan: uw ogen schouwen wat recht is’ (17:2). En David doet zelfs beroep op Gods trouwe liefde voor de zijnen: ‘Maak uw gunstbewijzen wonderbaar, Verlosser van hen die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand’ (17:7).

Dit zijn allemaal belangrijke lessen die in de Bijbel vaak worden herhaald, hetzij in hun geheel of gedeeltelijk. Zo lezen we dat de apostel Paulus de gelovigen in Rome opdraagt: ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden [Deut. 32:35], spreekt de Here (Rom. 12:17-19, cursief toegevoegd).

Dit is een les die gelovigen voortdurend opnieuw moeten leren en altijd weer op zichzelf moeten toepassen. Het is best gemakkelijk te vatten wanneer de dingen goed gaan. Maar wanneer gemeenteleden op unfaire manier je dienstwerk aanvallen, wanneer roddelaars je positie in het bedrijf ondermijnen om er zelf voordeel uit te halen, wanneer collega’s in het universiteitsdepartement voortdurend de meest lelijke motieven verbinden aan alles wat je zegt en doet – dat is de test of je dingen in de handen van God kunt leggen, wiens zorg uitgaat naar de zijnen en wiens passie voor gerechtigheid uiteindelijke rechtvaardiging verzekert.

En een dergelijk geloof bevrijdt ons van druk, van stress: ‘Maar ik zal in gerechtigheid uw aangezicht aanschouwen, en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld’ (17:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 9 april 2014

'Ik heb geen goed buiten U' (Ps. 16)


Leviticus 13; Psalmen 15-16; Spreuken 27; 2 Thessalonicenzen 1
Let op het patroon van hoofdletters: ‘Ik heb tot de HERE gezegd: Gij zijt mijn Here, ik heb geen goed buiten U’ (Ps. 16:2). Met andere woorden, wanneer David Jahweh (‘HERE’) aanspreekt, belijdt hij Hem als ‘Here’, zijn Meester; dan voegt hij eraan toe: ‘ik heb geen goed buiten U’.

(1) Aan de ene kant bakenen deze woorden af wat goed is, en daardoor definiëren ze bijna het goede. Niets is uiteindelijk goed als het losstaat van God. Het kan natuurlijk wel in relatieve zin goed zijn. De Heer maakte de zon en verklaarde dit goed, en goed is het: ze voorziet alle energie van deze wereld.

Maar werd ze losgemaakt van de kennis van God, dan werd ze een voorwerp van aanbidding onder vele volkeren uit de oudheid (Ra genoemd in Egypte – en ook het verbondsvolk zelf raakte verstrikt in syncretistische zonneaanbidding, Ez. 8:16).

Vandaag trekt ze een heel ander soort zonneaanbidder aan. We kunnen een behoorlijk goede gezondheid genieten; ja dat is zeker iets goeds. Maar stel je voor dat we onze energie gebruiken om te doen wat zelfzuchtig of zondig is, of de zegeningen die de Heer ons schonk benutten om gewoon onze levens zo autonoom mogelijk te kunnen leiden? Buiten de Heer hebben we ‘geen goed’.

(2) Aan de andere kant is de tekst ook letterlijk waar. Aangezien God de Schepper is van alle dingen, kan niets van de goede dingen die we genieten tot ons zijn gekomen buiten de Heer om. Jakobus schrijft (1:17): ‘Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder’. Paulus vraagt: ‘wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?’ (1 Kor. 4:7). Dus zou onze eerste prioriteit dankbaarheid moeten zijn. Buiten de Heer hebben we ‘geen goed’.

(3) Maar de tekst gaat beslist verder dan dat. Zijn toon is dichter bij de woorden van Asaf: ‘Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig’ (Ps. 73:25-26).

Vergeleken met de kennis van onze Schepper en Verlosser, is er niets van zeer veel waarde, noch in dit leven en noch in het leven dat nog komt. Buiten de Heer hebben we ‘geen goed’.

(4) De tekst zal bij bepaalde mensen gedachten oproepen aan andere ‘buiten mij’- of ‘zonder mij’-passages. Misschien vinden we het meest bekende voorbeeld in Johannes 15:5, waar Jezus zegt: ‘Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen’ (cursief toegevoegd). Los van de wijnstok kunnen wij, de ranken, geen vrucht voortbrengen; en buiten Hem hebben we ‘geen goed’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 8 april 2014

'Weest heilig, want Ik ben heilig' (Lev. 11)


Leviticus 11-12; Psalm 13-14; Spreuken 26; 1 Thessalonicenzen 5
In deze overdenking wil ik twee gedeeltes samenbrengen: ‘Want Ik ben de HERE, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt. Want Ik ben de HERE, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11:44-45); ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God’ (Ps. 14:1).

Wat betekent heilig? Wanneer de engelen uitroepen ‘Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen’ (Jes. 6:3; vgl. Opb. 4:8), bedoelen ze dan ‘Moreel, moreel, moreel is de Here der heerscharen’? Of ‘Afgezonderd, afgezonderd, afgezonderd is de HERE der heerscharen’? We hoeven slechts dergelijke vragen te stellen om aan te tonen hoe ontoereikend dergelijke veelvoorkomende definities van heiligheid in werkelijkheid zijn.

In de kern is heilig bijna een adjectief dat overeenkomt met het naamwoord God. God is God; God is heilig. Hij is uniek; er is geen ander. Dan wordt, daarvan afgeleid, hetgeen Hem exclusief toebehoort als heilig bestempeld. Dit kunnen net zo goed dingen zijn als mensen: bepaalde vuurpannen zijn heilig, bepaalde priesterkleren zijn heilig, bepaalde uitrustingstukken zijn heilig. Niet omdat ze moreel zijn, en zeker niet omdat ze zelf goddelijk zijn, maar omdat ze in deze afgeleide betekenis in hun gebruik tot God en zijn plannen worden beperkt, en zodoende uitgesloten zijn voor ander gebruik.

Wanneer mensen heilig zijn, zijn ze om dezelfde reden heilig: ze behoren God toe, dienen Hem en functioneren in het licht van zijn plannen. (Occasioneel is er in het Oude Testament een verdere uitbreiding van de term die verwijst naar de gewijde sfeer, zodat zelfs heidense priesters in die zin heilig kunnen worden genoemd. Maar die verdere uitbreiding vormt hier niet ons aandachtspunt.)

Wanneer mensen zich op een bepaalde manier gedragen omdat ze God toebehoren, dan kunnen we zeggen dat hun gedrag moreel is. Wanneer Petrus deze woorden citeert, ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1 Peter 1:16), dan leiden we er in zijn context uit af, dat het gaat om een zich afwenden van ‘begeerten uwer onwetendheid’ of kwade begeerten (1:14) en ook om het leven en wandelen ‘in vreze’ (1:17).

Maar het is geen toeval dat deze woorden in Leviticus 11 niet gevonden worden in een context van morele geboden en verboden maar van ceremoniële restricties met betrekking tot rein en onrein voedsel. Want aan God toebehoren, leven naar zijn wil, onszelf slechts aan Hem wijden, ons in Hem verheugen, Hem gehoorzamen, Hem eren – dit zijn meer fundamentele dingen dan de bijzonderheden van gehoorzaamheid die we als moreel of ceremonieel betitelen.

Dit standpunt is zelfs zo fundamenteel in Gods heelal, dat alleen de dwaas zegt ‘Er is geen God’ (Ps. 14:1). Dit is precies het tegenovergestelde van heiligheid, het meest in het oog springende en fundamentele bewijs van wat Psalm 14:1 stelt (NBV): ‘Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 7 april 2014

'Toen ging er vuur uit van de HERE' (Lev. 10)


Leviticus 10; Psalmen 11-12; Spreuken 25; 1 Thessalonicenzen 4
In Leviticus 8 worden Aäron en zijn zonen via een door God voorgeschreven ritueel tot priesters gewijd. In Leviticus 9 beginnen ze hun dienst. Hier, in Leviticus 10, nog altijd binnen de zeven dagen van hun wijdingsrituelen, stoppen twee zonen van Aäron, nl. Nadab en Abihu, kolen in hun vuurpannen en voegen er reukwerk bij, schijnbaar in de overtuiging dat ze iets zullen toevoegen aan de ceremonies en rituelen die God instelde.

Maar ‘Toen ging er vuur uit van de HERE en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN’ (10:2). Voor Aäron zich kan verzetten komt Mozes met een woord van God: ‘Dit is het, wat de HERE gesproken heeft: aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Aäron zweeg’ (10:3).

Dit is niet alles. Mozes benadrukt dat Aäron en zijn overblijvende zonen, Eleazar en Ithamar, de heilige wijdingscyclus niet mogen onderbreken om deel te nemen aan de publieke rouw om Nadab en Abihu. Ze mogen de tabernakel niet verlaten, want ‘de zalfolie des HEREN is op u’ (10:7). Neven zullen zich over de stoffelijke overschotten ontfermen en de familieverplichtingen op zich nemen (10:4-5).

Wat moeten we ervan denken? Een cynicus zou zeggen dat dit rituelen boven mensen stelt. Is God niet een beetje ongevoelig wanneer Hij twee fijne zonen neerslaat die slechts poogden om de aanbiddingsdienst wat op te leuken?

Ik beweer allerminst alle antwoorden te hebben. Maar denk na over volgende punten:

(1) God heeft meermaals gezegd dat al wat verbonden is met de dienst van de tabernakel precies moet gebeuren volgens het op de berg aangeleverde patroon. Hij heeft zich al een God betoond die geen rivalen duldt en die verwacht te worden gehoorzaamd. Wat er op het spel staat is of God wel God is.

(2) Doorheen de Bijbel merk je dat, hoe dichter het volk bij tijden en omstandigheden van openbaring of opwekking staat, hoe directer de Goddelijke straf is tegen wie Hem vertreden. Uzza steekt zijn hand uit om de ark niet te laten vallen en wordt gedood; Ananias en Saffira worden gedood omwille van hun leugens. In koudere, meer rebelse tijden, lijkt het of God het volk buitengewoon ver laat gaan in het kwade voor Hij de teugels aanhaalt. Maar de eerstgenoemde periodes brengen grotere zegen: meer van de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, meer toegewijde ijver onder het volk.

(3) In de context bekeken hadden Nadab en Abihu haast zeker provocerende en weerspannige motieven. Want wanneer Aäron een andere aanpassing doorvoert in het ritueel, met de beste motieven, ontmoet hij verrassende flexibiliteit (10:16-20).

(4) Deze stevige les bereidde de priesters voor op dat andere belangrijke onderdeel in hun dienst: ‘opdat gij scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein, en opdat gij de Israëlieten kunt onderwijzen in al de inzettingen die de HERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft (10:10-11, cursief toegevoegd).


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 6 april 2014

'Sta op, HERE! o God … vergeet de ellendigen niet' (Ps. 10)


Leviticus 9, Psalm 10, Spreuken 24, 1 Thessalonicenzen 3
Psalm 10 zet het thema van de gerechtigheid en het oordeel van God verder, nu afwijkend van de meer onmiddellijke en persoonlijke kwestie van gerechtigheid voor David, wanneer hij zich door zijn vijanden verraden voelt, en meer naar een algemene behandeling. Waar is God wanneer slechte mensen triomferen? ‘Waarom, HERE, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood?’(10:1).

In Psalm 10:2-11 wordt de zondige mens beschreven in een samengesteld beeld. Hoogmoedig heeft hij het op zwakkere mensen gemunt (10:2). Verre van enige zelfbeheersing te tonen, beroemt hij zich op zijn verlangens en ‘versmaadt de HERE’ (10:3). Het trieste feit is dat ‘al zijn gedachten zijn: Er is geen God.’ (10:4). Toch is het niet moeilijk om boosaardige mensen te vinden die buitengewoon voorspoedig zijn, zelfs wanneer ze al de wetten van God tarten (10:5).

De explosieve arrogantie van de zondige mens lijkt hem boven minderwaardige stervelingen te stellen, en hij wordt in de boeken vermeld als degene die vrolijk bij zichzelf zegt: ‘Ik zal niet wankelen, ik, die van geslacht tot geslacht niet in rampspoed zal raken’ (10:6).

Niettemin vervloekt hij zijn tegenstanders en verspreidt leugens en onheil met zijn tong (10:7). In de slechtste gevallen gaat hij over tot moord, hetzij direct als in bendeoorlogen of –geweld of in terroristische aanslagen, of indirect door meedogenloze plannen die de hulpeloze verdrukken (10:8-10).

En wat denkt hij over God? ‘God vergeet het, Hij verbergt zijn aangezicht, Hij ziet het in eeuwigheid niet’ (10:11). De Psalmist wendt zich nu rechtstreeks tot God (10:12-15): ‘Sta op, HERE! o God, hef uw hand op, vergeet de ellendigen niet’ (10:12).

Hij herinnert er zichzelf aan dat God wel degelijk alle ellende en verdriet ziet die zijn gebroken volk overkomt; Hij aanschouwt het wel; op zijn tijd neemt Hij het wel degelijk in handen (10:14).

Dit is waarom het slachtoffer en de wees er wijs aan doen zichzelf ‘op U’ te verlaten (10:14). Zoveel kwaad wordt gepleegd in het geheim en zal niet aan het licht komen via het gewone judiciële proces. De psalmist roept daarom tot God om gerechtigheid: ‘Verbreek de arm van de goddeloze en boze, straf zijn goddeloosheid, totdat Gij ze niet meer vindt’ (in het Engels staat er op het eind in plaats van ‘totdat Gij ze niet meer vindt’ ‘that would not be found out’, d.w.z.: ‘dat niet aan het licht zou komen’) (10:15).

De slotverzen (10:16-18) tonen ons de psalmist die zichzelf eraan herinnert dat Gods tijdsschaal minder dringt dan de onze: ‘De HEER is koning voor eeuwig en altijd: vijandige volken verdwijnen uit zijn land’ (10:16 [NBV-vertaling]).

De tijdrekening die vooruitziet naar het verdwijnen van de volken is niet bedoeld om het vertrouwen te doen afnemen dat God zich ook bekommert om het kleinschalige individuele onheil. Het is eerder een andere manier om iets anders duidelijk te maken: ‘de raderen van Gods gerechtigheid malen zeer traag, maar ze malen wel zeer fijn’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 5 april 2014

We hebben een nieuwe toren van Babel (Ps. 9)


Leviticus 8; Psalm 9; Spreuken 23; 1 Thessalonicenzen 2
Bij aanvang van het Amerikaanse experiment in democratie, namen de grondleggers (de zgn. Founding Fathers) diverse standpunten in, die vandaag nog door weinigen worden aangenomen, maar wel veel verschuldigd waren aan het Judeo-christelijke erfgoed. Daarmee willen we niet beweren dat alle Founding Fathers ook christen waren. Velen waren het niet; ze waren onuitgesproken deïsten. Een van die Bijbelse uitgangspunten was het geloof dat mensen niet van nature goed zijn en potentieel in staat zijn tot verschrikkelijk kwaad.

Toen ze hun politieke systeem opbouwden deden deze grondleggers om die reden nooit een beroep op ‘de wijsheid van het Amerikaanse volk’ of op vergelijkbare gebruikelijke slogans van vandaag. Eerlijk gezegd waren ze lichtelijk nerveus over het geven van te veel macht aan het volk. Dit was waarom de president niet rechtstreeks werd verkozen: er was een tussenkomend ‘college’.

Slechts (blanke) mannen met een aandeel in het land konden stemmen. Zelfs dan moesten de diverse machten aan banden worden gelegd door een systeem van controles en waarborgen [de zgn. checks and balances, JL]. Want voor de grondleggers was populistische demagogie al even schrikwekkend als absolute monarchie (zoals we in een ander verband al zagen op 20 januari).

Een van de grote voordelen van bijna elk systeem van zuivere democratie (zuiver veronderstelt in dit verband een levende oppositie, persvrijheid en grotendeels eerlijke verkiezingen) is dat het het volk de macht schenkt om leiders die ons teleurstellen weg te stemmen.

In die zin werkt democratie nog altijd: een regering moet bestaan met de goedkeuring van hen die worden geregeerd. Maar de oorspronkelijke erfenis is vandaag zodanig vervlogen dat politici van alle strekkingen een beroep doen op de wijsheid van het volk. Gemanipuleerd door de media, stemmend omwille van financieel voordeel, steun biedend aan deelbelangen of eenzijdige zaken, tonen kiezers in Amerika en in andere westerse democratieën geen grote tekenen van transcendente wijsheid.

Erger nog, we leven onder de waan (ja, we koesteren die zelfs) dat sommige dingen zullen in orde komen mits maar veel mensen hun stem uitbrengen. Ons regeringssysteem is onze nieuwe toren van Babel: er wordt van verondersteld dat het ons onaantastbaar maakt. Het Sovjetrijk wankelt; andere landen kruipen in het stof, gebalkaniseerd, kapotgemaakt door burgeroorlogen of stammengenocide, nijpende armoede, hoogtij vierende corruptie, Marxisme of andere ideologieën. Wij niet. Wij behoren tot een democratie, ‘regering door het volk’.

Niet dat we ook maar een ogenblik het relatieve goed moeten onderwaarderen van te leven in een land met een relatief hoge levensstandaard, een stabiele regering en een bepaalde vorm van controleerbaarheid. Maar dergelijke zegeningen garanderen geen gerechtigheid.

'Maar de HERE zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet; ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid' (Ps. 9:8-9).

Luister naar de stem van de Schrift: 'Sta op, HERE, laat de sterveling niet zegepralen, laat de volken voor uw aanschijn gericht worden. Jaag hun schrik aan, HERE, zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn.' (Ps. 9:20-21)


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 4 april 2014





'Creed' on the World - door Steve Turner

We believe in Marxfreudanddarwin
We believe everything is OK
as long as you don’t hurt anyone
to the best of your definition of hurt,
and to the best of your knowledge.
We believe in sex before, during, and after marriage.
We believe in the therapy of sin.
We believe that adultery is fun.
We believe that sodomy’s OK.
We believe that taboos are taboo.
We believe that everything’s getting better
despite evidence to the contrary.
The evidence must be investigated
And you can prove anything with evidence.
We believe there’s something in horoscopes
UFO’s and bent spoons.
Jesus was a good man just like Buddha, Mohammed, and ourselves.
He was a good moral teacher though we think
His good morals were bad.
We believe that all religions are basically the same-
at least the one that we read was.
They all believe in love and goodness.
They only differ on matters of creation,
sin, heaven, hell, God, and salvation.
We believe that after death comes the Nothing
Because when you ask the dead what happens
they say nothing.
If death is not the end, if the dead have lied, then its
compulsory heaven for all
excepting perhaps
Hitler, Stalin, and Genghis Kahn
We believe in Masters and Johnson
What’s selected is average.
What’s average is normal.
What’s normal is good.
We believe in total disarmament.
We believe there are direct links between warfare and
bloodshed.
Americans should beat their guns into tractors .
And the Russians would be sure to follow.
We believe that man is essentially good.
It’s only his behavior that lets him down.
This is the fault of society.
Society is the fault of conditions.
Conditions are the fault of society.
We believe that each man must find the truth that
is right for him.
Reality will adapt accordingly.
The universe will readjust.
History will alter.
We believe that there is no absolute truth
excepting the truth
that there is no absolute truth.
We believe in the rejection of creeds,
And the flowering of individual thought.
If chance be
the Father of all flesh,
disaster is his rainbow in the sky
and when you hear
State of Emergency!
Sniper Kills Ten!
Troops on Rampage!
Whites go Looting!
Bomb Blasts School!
It is but the sound of man
worshipping his maker.

Fragment uit Ravi Zacharias’ boek 'Can Man Live Without God?', pag. 42-44, ('Kan de mens leven zonder God?'). Steve Turner antwoordt met 'Nee!' ... Maar we proberen het voortdurend.
Steve Turner is een Engels journalist), 'Creed' is zijn satirisch gedicht over de moderne geest.

Het recht zal zegevieren - want God is rechtvaardig (Ps. 7)


Leviticus 7; Psalm 7-8; Spreuken 22; 1 Thessalonicenzen 1
Psalm 7 is de tweede van veertien Psalmen die in de titel worden gelinkt aan een bepaalde historische gebeurtenis (de eerste is Ps. 3). We kunnen de details niet kennen, maar David voelde zich duidelijk vreselijk verraden toen hij valselijk beschuldigd werd door iemand uit zijn naaste omgeving die beter had moeten weten. We zullen ons toespitsen op de laatste vier verzen (7:15-17):
Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd,
is zwanger van onheil en baart leugen.
Hij delft een kuil en graaft die uit,
maar valt zelf in de groeve die hij maakte.
Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd,
en zijn geweld komt neder op zijn schedel.

Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid,
en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

De kleurrijke taal maakt de les veelzeggend. Hier zie je iemand terwijl hij zorgvuldig een put graaft die als een val moet dienen voor iemand anders – maar de graver valt er zelf in. De eerste zin schetst iemand die ‘met ongerechtigheid bevrucht werd’ en ‘zwanger is van onheil’, maar wat eruit voortkomt zijn niet de verhoopte problemen, maar (de eigen) teleurstelling.

De psalmist drukt dan in vers 17 zijn overtuiging uit op een meer uitgesproken manier: ‘Het onheil dat hij stichtte, keert weder op zijn hoofd, en zijn geweld komt neder op zijn schedel’.

Davids overtuiging is noch gegrond in een bepaalde onpersoonlijke kracht (‘uiteindelijk overwint finaal altijd het recht’), noch in een bepaald Pollyanna-achtig optimisme (‘Ik weet zeker dat het allemaal goed zal aflopen’), maar in de gerechtigheid van God: ‘Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen’ (7:18). David is niet blind voor de ongerechtigheden van de wereld, maar hij leeft in een theïstisch universum waar het recht uiteindelijk zal zegevieren omdat God rechtvaardig is.

Wanneer we onze gedachten meer algemeen over de bladzijden van de Schrift laten dwalen (onze eigen ervaring nog buiten beschouwing gelaten), dan is het eenvoudig om aan gelegenheden te denken waarin de trucs en valstrikken van zondige mensen op henzelf neerdaalden nog voor ze enige echte schade konden aanrichten. Haman hangt aan de galg die hij klaarmaakte voor Mordekai.

Maar in veel gevallen komt het oordeel in dit leven pas op de dader neer nadat hij of zij erin slaagde enorme schade aan te richten. David moest dit wel weten: hij verkeerde zelf in dit geval. Hij slaagde er in met Batseba te slapen en haar echtgenoot Uria te vermoorden nog voor hij ontmaskerd werd, en zelf met het oordeel te maken kreeg.

Het leven van Judas Iskariot eindigde vreselijk, maar niet vooraleer hij zijn Meester had verraden. Achab moest het profetisch oordeel ondergaan, maar slechts nadat zijn zondige koningin Izebel erin was geslaagd om Nabot te belasteren en te laten ombrengen om zijn wijngaard te kunnen stelen.

Maar de ultieme sanctie komt bij het laatste oordeel. Zonder dat is er geen finale gerechtigheid in dit universum.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 3 april 2014

Opzettelijk en onopzettelijk zondigen (Lev. 6)


Leviticus 6; Psalm 5-6; Spreuken 21; Kolossenzen 4
Aan het begin van Leviticus 6 zet de Heer via Mozes uiteen wat er moet gebeuren wanneer iemand uit de verbondsgemeenschap tegen een naaste loog over iets wat aan hem was toevertrouwd, hem bedroog, loog over teruggekregen eigendom zodat hij het kan houden, of meineed beging of een resem andere zonden. Twee opmerkingen zullen verhelderen wat deze verzen (6:1-7) bijdragen tot de wettelijke en morele structuur die zich ontvouwt.

(1) Lezers van Leviticus, zeker in bepaalde vertalingen, zijn ondertussen gewoon geworden aan het verschil tussen onopzettelijke zonden (bijv. veel van Lev. 4) en opzettelijke zonden. Sommige uitleggers hebben beweerd dat er geen offerandes zijn om voor opzettelijke zonden te betalen. Wie opzettelijk zondigen moeten van de gemeenschap worden uitgesloten.

Deel van het probleem komt voort uit ons weergeven van opzettelijk en onopzettelijk. ‘Opzettelijk’ weerspiegelt gewoonlijk een Hebreeuwse uitdrukking die betekent ‘met een hoge hand’ [of 'met opgeheven hand']; ‘onopzettelijk’ staat voor ‘niet met een hoge hand’. Die achtergrond is belangrijk wanneer we Leviticus 6:1-7 overdenken.

De hier beschreven zonden zijn alle opzettelijk in de moderne betekenis: je kunt niet liegen, bedriegen of meineed begaan zonder dit zo te bedoelen.
God heeft stappen voorzien die moeten worden gevolgd: terugbetaling waar mogelijk (volgens de principes uiteengezet in Ex. 22), en de voorgeschreven belijdenis en offers.

Natuurlijk ontstaat er een bepaalde onopzettelijke schuld wanneer iemand er zich niet van bewust is dat hij een overtreding begaat (zoals in 5:3); er is nog altijd schuld, want de daad is verboden, zelfs al zou de overtreder er zich misschien niet persoonlijk van bewust zijn dat hij een overtreding beging.

Andere onopzettelijke schuld verwijst niet naar schuld die onwetend op zich werd geladen, maar naar schuld die bewust verzameld werd hoewel de overtreding niet werd begaan ‘met een hoge hand’. De zonde wordt vaak begaan omdat je er op dat moment toe aangetrokken wordt, of omdat je je verzet hebt gekoesterd, of omdat het minder risicovol lijkt te liegen dan om de waarheid te vertellen.

Dit is nog altijd niet de meer verschrikkelijke zonde ‘met een hoge hand’, waar de zondaar rechtstreeks naar de zonde kijkt, bewust bij zichzelf overweegt dat dit God tart, en openlijk en schaamteloos opteert voor de zonde met het doel om God te tarten.
Voor zover ik kan zien schrijft het oude verbond geen verzoening voor dergelijke opstandigheid voor, maar oordeel.

(2) Zelfs de in dit gedeelte vermelde zonden – alle zonden tegen een bepaalde menselijke partij – worden in de eerste plaats behandeld in relatie tot God: ‘Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste … ‘ (6:2 HSV, cursief toegevoegd).

Het schuldoffer wordt naar de priester gebracht; de overtreder moet niet enkel zorgen voor vergoeding voor de beledigde mens, maar moet ook de vergeving van de Heer zoeken. Opstandigheid tegen God is wat ons verkeerd handelen tot zonde maakt, wat zonde zo weerzinwekkend maakt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 april 2014

Altijd is er hoop (Lev. 5)


Leviticus 5; Psalmen 3-4; Spreuken 20; Kolossenzen 3
Stel je een complexe maar goed geordende maatschappij voor, waarin je op elk levensterrein daden vindt die een persoon onrein maken en verder voorgeschreven daden die deze persoon weer rein maken. Wanneer je ’s morgens opstaat, draag je kleding die is vervaardigd uit een bepaalde soort stof, maar geen andere.

Er is rein voedsel en onrein voedsel. Als een schimmelvlek op de muur van je huis verschijnt, dan zijn er procedures om die te behandelen. Mannen moeten een bepaald schema volgen na een natte droom, vrouwen in verband met hun periodes. Sommige onreine dingen mogen zelfs niet worden aangeraakt.

Daarenboven is er een ingewikkeld religieus en offersysteem waarvan wordt verondersteld dat iedereen het volgt, en faal je op eender welk punt in de navolging ervan, dan veroorzaakt dit weer zijn eigen onreinheid. En dit past allemaal in een nog groter pakket verboden met daarbij inbegrepen wat we normaal gezien ‘morele categorieën’ noemen: hoe we spreken, over het spreken van de waarheid, hoe we anderen behandelen, vragen rond eigendom, seksuele integriteit, daden in verband met buren, juridische onpartijdigheid, enzovoort.

Je moet ook begrijpen dat in deze maatschappij de regels door God zelf zijn ingesteld. Ze zijn niet het resultaat van een verkozen congres of parlement, dat makkelijk kan worden aan de kant geschoven door een wispelturig of gefrustreerd publiek dat naar iets anders verlangt. Deze regels veronachtzamen of ze met voeten treden is ook de levende God met voeten treden. Welke lessen zouden in een dergelijke maatschappij worden geleerd?

Welkom in de wereld van Leviticus. Ook dit maakt deel uit van de erfenis van de Berg Sinaï, van het Mozaïsche verbond. Hier moet Gods volk leren dat God voorschrijft wat goed en slecht is, en dat Hij daartoe het recht heeft; dat heiligheid alles van het leven omvat; dat er een verschil is tussen het gedrag van het volk van God en het gedrag van de omringende heidenen, meer dan gewoon een verschil in abstracte geloofsovertuigingen.

Hier schrijft de Heer zelf voor welke offerandes nodig zijn, samen met de belijdenis van zonde (Lev. 5:5), wanneer iemand verontreinigd raakt; en zelfs dat het systeem zelf geen finaal antwoord vormt, aangezien iemand voortdurend onder een ander taboe valt en moet terugkeren om offers te brengen die voorheen ook al werden gebracht.

Je begint je af te vragen of er ooit een finaal offer voor zonden zou komen. Maar dat ligt nog een eind verder weg. Hier in Leviticus 5 verblijden christen lezers zich als ze merken dat, terwijl God zijn verbondsvolk opvoedt in het elementaire religieuze denken, Hij middelen voorziet opdat zelfs de armste in de maatschappij zijn reinheid zou kunnen terugkrijgen.

De persoon die zich geen offerlam kan veroorloven mag een koppel duiven brengen; de persoon die zich ook deze niet kan veroorloven mag een kleine hoeveelheid meel brengen.

De lessen gaan verder; altijd is er hoop en een weg om te ontkomen aan de straf die rebellie oproept.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 1 april 2014

Gelukkig de mens die vreugde vindt in de wet van de HEER (Ps. 1)

Leviticus 4; Psalm 1-2; Spreuken 19; Kolossenzen 2
De eerste Psalm wordt soms aangeduid als wijsheidspsalm. Deze beschrijving komt grotendeels voort uit het feit dat de Psalm twee wegen aanbiedt, en slechts twee wegen: de weg van de rechtvaardige (Ps. 1:1-3) en de weg van de goddeloze (1:4-5), met een finaal samenvattend contrast (1:6).

De eerst drie verzen, die de rechtvaardige beschrijven, vallen op een natuurlijke manier in drie stappen uiteen. In vers 1 wordt de rechtvaardige negatief beschreven, in vers 2 positief en in vers 3 in een metafoor.

De negatieve beschrijving in vers 1 stelt wat een ‘welzalig’ man niet is. Hij wandelt niet ‘in de raad van de goddeloze’; hij ‘staat niet op de weg der zondaars’; hij zit niet ‘in de kring der spotters’.

De zondaar echter, komt tot stilstand (wandelen/staan/zitten). Hij begint met wandelen in de raad van de goddeloze: hij pikt het advies op, de perspectieven, de waarden en het wereldbeeld van de goddeloze. Als hij dit lang genoeg doet verzinkt hij naar het volgende niveau: hij ‘staat op de weg van de zondaars’.

Laat er door de vertaling geen verkeerde indruk ontstaan. Het gaat niet over ‘in iemands weg staan’, wat in het Nederlands betekent dat je hen hindert. Je denkt dan aan Robin Hood en Sterke Jan op de brug: elk staan ze de ander in de weg en een van hen belandt in de stroom. Maar de uitdrukking hier komt uit de Hebreeuwse betekenis van ‘op iemands weg staan’, iets als ‘in zijn schoenen staan’: doen wat hij doet en zijn levensstijl overnemen, zijn gewoontes, zijn gedragspatronen.

Als hij deze koers lang genoeg aanhoudt is het waarschijnlijk dat hij in het dodenrijk afdaalt en ‘zit in de kring der spotters’. Niet alleen neemt hij deel aan veel dat goddeloos is, maar hij sneert ook naar hen die dit niet doen. Op dit punt, zei iemand ooit, haalt iemand zijn masterdiploma in waardeloosheid en zijn doctoraat in verdoemenis.

De Psalmist benadrukt, Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters (cursief toegevoegd).

De rechtvaardige wordt negatief beschreven. Je had kunnen verwachten dat het tweede vers met contrasterend parallellisme zou beantwoorden: ‘Welzalig echter, is de man die wandelt in de raad van de godvrezende, die staat in de weg van de gehoorzame, die zit in de raad van de dankbaren’ – of iets in die aard. Maar in de plaats daarvan is er één positief criterium en dat is genoeg: ‘maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht’ (1:2).

Waar iemand zijn vreugde vindt in het Woord van God, terwijl je er voortdurend over nadenkt, daar leer je goede raad, daar wordt je wandel gevormd door openbaring, daar smaak je de genade van dankbaarheid en lofzegging. Dat is voldoende als criterium.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.