zaterdag 10 november 2012

'Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt' (Hebr. 5:5)



2 Koningen 23, Hebreeën 5, Joël 2, Psalm 142
De woorden van Psalm 2:7, ‘Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt’ (in het Engels staat er ‘You are my Son; today I have become your Father’, dus leest het tweede deel dan ‘ik ben heden uw vader geworden’) worden drie keer geciteerd in het Nieuwe Testament:
(a) in Handelingen 13:33, waar hij dient als een soort bewijstekst om de opstanding van Jezus te rechtvaardigen;
(b) in Hebreeën 1:5, waar de auteur eruit afleidt dat omdat Jezus alleen de Zoon van God is, Hij superieur is aan de engelen; en
(c) in Hebreeën 5:5, waar hij wordt geciteerd om te bewijzen dat zoals Aäron het hogepriesterschap niet zelf kon opnemen maar door God geroepen werd tot de taak, zo ook Jezus door God was aangewezen voor zijn hogepriesterschap.

Zo wordt Psalm 2:7 afwisselend gebruikt om de opstanding van Jezus te ondersteunen, om bewijs aan te dragen voor Jezus’ superioriteit over de engelen, en om aan te tonen dat toen Jezus hogepriester werd hij niet zelf de taak op zich nam, maar daartoe aangesteld werd door God.

Op het eerste gezicht is geen van deze toepassingen van Psalm 2:7 zeer voor de hand liggend. Het helpt om twee dingen in gedachten te houden.

Ten eerste is Psalm 2:7 een psalm voor de troonsbestijging. De psalm viert het aanstellen van de volgende Davidische koning voor zijn taak. Op dat punt wordt de man ‘Gods zoon’. In de oude wereld was het meestal zo dat zoons uiteindelijk ook aan de slag gingen in wat hun vaders deden. God regeert met rechtvaardigheid en onpartijdigheid; de koning, die dan optreedt als Gods ‘zoon’, moest doen wat God doet: naast andere dingen moest hij regeren met rechtvaardigheid en onpartijdigheid. En deze Davidische lijn eindigt uiteindelijk in iemand die bij uitstek de ‘Zoon’ is.

Ten tweede, met het risico de zaken te eenvoudig voor te stellen, valt de christologie van het Nieuwe Testament uiteen in twee patronen.

In het eerste begint het verslag van Christus in de voorbije eeuwigheid, om dan neer te dalen in vernedering tot deze wereld en tot de schande en schaamte van het kruis, en vervolgens gaat het opwaarts doorheen de opstanding en verheerlijking van Christus tot de triomf. We kunnen dit zien als het ‘op-neer-op’-model. Filippenzen 2:6-11 en Johannes 17:5 zijn gedenkwaardige voorbeelden.

In het tweede is er geen sprake van Jezus’ herkomst in de voorbije eeuwigheid: het is een ‘neer-op’-model. De focus ligt volledig op zijn overwinning door dood, opstanding, hemelvaart en verheerlijking. Deze grote heilsgebeurtenis is van cruciaal belang, het moment waarop Jezus aangesteld wordt als koning, het moment dat zijn priesterlijke rol een aanvang neemt, het moment waarop Hij verklaard wordt ‘Gods Zoon te zijn in kracht’ (Rom. 1:4).

Dit wil niet zeggen dat Jezus niet in bepaalde zin de Zoon is, of de koning, of dat Hij geen priesterlijke taken zou opnemen, voor het kruis en de opstanding. Maar dit model van christologie laat er geen twijfel over bestaan waar het grote keerpunt van de geschiedenis ligt.

Dit zijn de vooronderstellingen die achter de drie verschillende manieren van gebruik van Psalm 2:7 liggen. Het is een nuttige oefening om ze opnieuw te overdenken, met deze structuren in gedachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 november 2012

Alleen genade biedt bescherming tegen afvalligheid (2 Kon. 22)


2 Koningen 22, Hebreeën 4, Joël 1, Psalmen 140-141
De laatste ernstige poging tot een morele en theologische hervorming in het koninkrijk van Juda wordt weergegeven in 2 Koningen 22. Hierna volgt alleen nog het finale afglijden naar de ballingschap.

Koning Hizkia, wiens regering grotendeels een positief effect had, werd opgevolgd door zijn zoon Manasse. Hij regeerde een lange tijd, vijfenvijftig jaar, maar zijn regering was berucht, want ‘Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, naar de gruwelen der volken die de HERE voor de Israëlieten uit had verdreven’ (21:2).

Er was geen actuele vorm van afgoderij die hij niet overnam. Volgens 2 Kronieken 33 bekeerde hij zich tegen het einde van zijn leven, maar de religieuze en institutionele schade kon niet eenvoudig ongedaan gemaakt worden. Hij werd opgevolgd door zijn zondige zoon Amon, die slechts twee jaar standhield voor hij werd vermoord (21:19-26).

Toen kwam Josia, een jongen van acht toen hij op de troon belandde (22:1). Hij regeerde eenendertig jaar – wat natuurlijk betekent dat hij vroegtijdig stierf aan de leeftijd van negenendertig. Initieel zal hij onder de leiding en controle gestaan hebben van anderen. Maar in het achttiende jaar van zijn regering nam Josia, dan midden de twintig, het initiatief voor de reiniging en het herstel van de tempel – en ‘het wetboek’ werd teruggevonden. Dit verwijst wellicht naar het boek Deuteronomium. (Geleerden van sceptische signatuur uit de negentiende en twintigste eeuw beweren dat dit in feite het moment was waarop Deuteronomium en andere delen van de Pentateuch geschreven werden, zodat deze geschiedenis van ‘herontdekking’ van de wet eigenlijk werd opgezet om deze nieuwe ontwikkelingen te rechtvaardigen. Deze theorie wordt in toenemende mate verworpen; ze is op weinig meer gefundeerd dan op grove speculaties.)

De hervormingen die Josia doorvoerde waren omvangrijk. Op elk terrein, waar hij ook maar verandering kon bewerken, bracht Josia het volk in lijn met de Wet van God. Hij erkende volkomen de vreselijke dreiging van oordeel die boven het verbondsvolk hing, en hij nam zich voor te doen wat recht was, terwijl hij de uitkomst aan God overliet. Als de oordeelsdag niet finaal kon afgewend worden, kon die op zijn minst toch uitgesteld worden.

Van alle belangrijke lessen die we hier kunnen leren, zal ik me toeleggen op één. Sommige mensen vinden het moeilijk te geloven dat het volk zo snel kon afglijden naar volledige onwetendheid omtrent de bijbel. Uiteindelijk was Hizkia Josia’s overgrootvader: de hervorming die hij leidde was toch niet zo lang geleden. Inderdaad – maar wel lang genoeg. De tussenliggende driekwart eeuw waren begonnen met de lange en zondige regering van Manasse.

De geschiedenis van de twintigste eeuw getuigt daarvan hoe snel mensen onwetend kunnen worden op het vlak van de Schrift – en wij leven dan nog aan deze zijde van de gedrukte pers, om nog maar te zwijgen over het internet. De kerk is nooit meer dan één of een tweetal generaties verwijderd van afvalligheid en de vergeethoek. Alleen genade vormt een afdoende bescherming.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 8 november 2012

Jezus is meer dan Mozes (Hebr. 3)



2 Koningen 21, Hebreeën 3, Hosea 14, Psalm 139
Veel mensen hebben gesuggereerd dat het thema van Hebreeën goed kan samengevat worden als ‘Jezus is beter’.

In de hoofdstukken 1-2 is Hij beter dan de engelen; in hoofdstuk 3 is Hij beter dan Mozes. In Hebreeën 4 is de rust waarin Hij voorziet beter dan de rust die je krijgt in het beloofde land. In de hoofdstukken 5 en 7 is zijn hogepriesterschap beter dan het Levitische priesterschap; in hoofdstuk 8 is het nieuwe verbond waarvan Hij de Middelaar is beter dan het oude verbond. In de hoofdstukken 9 en 10 treedt Hij aan over een beter heiligdom dan de tabernakel, oefent Hij een betere dienst uit, en biedt Hij een beter offerande.

Kortom, ‘Jezus is beter’. De boodschap is bedoeld om de harten en het denken van Joodse christenen te sterken die, hoewel ze in het verleden bereid waren te lijden voor Christus, op dat moment in de verleiding komen terug te keren tot de Joodse rituelen en praktijken die ze erfden.

De schrijver van Hebreeën vreest dat ze hun exclusieve vertrouwen op Christus zullen loslaten, en enigszins zullen bezwijken voor de verleiding te denken dat, hoewel Jezus wel prima is, je toch nog wat meer inhoud kunt verkrijgen, of geestelijkheid of historische diepte of aanvaarding door je volksgenoten of wat ook – waardoor je afglijdt naar een impliciete ontkenning dat ‘Jezus beter is’.

Niets van dit alles betekent dat het oude verbond slecht was; het betekent eenvoudigweg dat het niet blijvend was. Zo wordt ons in de korte vergelijking tussen Mozes en Jezus in Hebreeën 3:1-6 verteld dat Mozes getrouw was ‘in geheel zijn huis’ (3:2). Hij was trouw ‘als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden’ (3:5).

Je hoort geen enkel woord van verwijt. Maar Jezus is beter. Het helpt ons om te verstaan dat zowel in het Hebreeuws als het Grieks ‘huis’ ook ‘huisgezin’ kan betekenen. Zoals Mozes, verklaart de schrijver van Hebreeën, is Jezus getrouw ‘jegens Hem, die Hem heeft aangesteld’ (3:2). Niettemin werd Jezus ‘groter eer waardig geacht dan Mozes’. Waarom? Omdat ‘de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis’ (3:3).

Dit lijkt te suggereren dat Jezus’ rol met betrekking tot Gods ‘huis’ of ‘huisgezin’ radicaal verschilt met die van Mozes. Mozes was trouw als dienaar binnen het huishouden, en zijn meest belangrijke rol was getuigen van wat nog moest komen. Jezus is ‘trouw als Zoon’ over Gods huis (3:6) – en dit huishouden is de gemeenschap van gelovigen (3:6).

Mozes verschijnt als één dienaar binnen het huisgezin, die naar de toekomst kijkt; Jezus verschijnt als Gods Zoon over het huisgezin, die dit huisgezin bouwt (3:3) en bewijst dat hij precies het wezen uitmaakt van dat waarnaar Mozes verwijst in de toekomst. Hoe belangrijk de gelijkenissen tussen de twee mannen, de verschillen zijn het meest treffend.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 7 november 2012

Soms kun je maar beter jong sterven (2 Kon. 20)



2 Koningen 20, Hebreeën 2, Hosea 13, Psalmen 137-138
2 Koningen 20 is een van de droeviger hoofdstukken van de Schrift. Het toont ons het beeld van een man die trouw was in het verleden, maar nu wegkwijnt in het genot van de zelfzucht.

Koning Hizkia regeerde over Juda, het zuidelijke koninkrijk, in de dagen dat het noordelijke koninkrijk van Israël tanende was. Eens de Assyriërs Israël verslagen hadden en zijn leidinggevende burgers meegevoerd waren, bleef er alleen een versplinterd wrakstuk van een land achter, en was er heel wat reden voor ontmoediging in het zuiden. Maar op waarlijk heldhaftige manier weerstaat Hizkia, deels geleid door de profeet Jesaja, de kapseizende belegering door koning Sanherib van Assur, gewoon omdat hij vertrouwde op de genade van de Here God.

Een door God gezonden plaag trok doorheen het Assyrische kamp en doodde bijna tweehonderdduizend mensen. Jeruzalem en Juda worden gespaard (2 Koningen 18-19; Jes. 36-37). Bovendien werd Hizkia’s toewijding aan God in de vroege jaren van zijn regering niet gekenmerkt door het typische compromis, dat een bepaalde vorm van trouw aan Jahweh inhield terwijl er niet geraakt werd aan de offerhoogten en andere plaatsen van heidense aanbidding.

Verre van: hij ruimde zaken op, en kreeg als beoordeling ‘Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had’ (18:3-4). Hij erkende zelfs dat de koperen slang die Mozes had gemaakt (Num. 21:4-9) nu een bijgelovige valstrik was, en vernietigde ze.

Toen werd hij ziek en weende bitter. Op een of andere manier bevond hij zich in een positie waarin hij vond dat zijn rechtvaardige daden betekenden dat God hem een lang en voorspoedig leven verschuldigd was (20:2-3). In zijn genade schonk God hem nog vijftien jaren langer, en gaf hem een wonderteken om de belofte te bevestigen (20:1-11).

Gedurende die periode van vijftien jaren echter, faalde Hizkia voor een belangrijke test: toen een gezantschap uit Babylon kwam, speelde Hizkia de rol van trotse potentaat, in plaats van het aangezicht des Heren te zoeken en nederig te wandelen, en hij pochte met de toenemende rijkdom van het koninkrijk.

Alles werd zorgvuldig genoteerd in de boeken van Babylon, als voorbereiding voor de dag, meer dan een eeuw later, wanneer Babylon de supermacht wordt die Jeruzalem vernietigt en zijn bevolking in ballingschap stuurt (20:12-18).

Maar dit is niet Hizkia’s meest ernstige misstap. Wanneer de profeet Jesaja hem vertelt wat er zal gebeuren, bekeert de koning zich niet van zijn hoogmoed en zoekt hij geen vergeving of gaat hij niet pleiten bij God. Het dreigende oordeel is gepland voor de toekomst: Hizkia weigert enige diepgaande verantwoordelijkheid te aanvaarden.

Vroom becommentarieert hij ‘Het woord des HEREN, dat gij gesproken hebt, is goed’ – terwijl de schrijver de commentaar toevoegt: ‘Ook dacht hij: Het zal immers gedurende mijn leven bestendig vrede zijn’ (20:19). Hizkia is een morele en strategische pygmee geworden.

Je kunt beter jong sterven na oprechte, godvruchtige verwezenlijkingen, dan oud en verbitterd terwijl je je eigen erfenis vergiftigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 6 november 2012

Nu heeft God gesproken 'in Zoon' (Hebr. 1)


2 Koningen 19, Hebreeën 1, Hosea 12, Psalmen 135-136

De tegenstellingen in de openingsverzen van Hebreeën 1 neigen allemaal in dezelfde richting. ‘Eertijds’ contrasteert met ‘nu, in het laatst der dagen’. God sprak ‘tot de vaderen’ staat tegenover het feit dat Hij in het laatst van de dagen ‘tot ons’ heeft gesproken. In het verleden sprak God ‘vele malen en op vele wijzen’ tot de vaderen. Maar nu in deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken ‘in de Zoon’ (1:1-2).

De vorm van die uitdrukking ‘in de Zoon’ (NBV zegt ‘door zijn Zoon’) suggereert in de oorspronkelijke weergave behoorlijk sterk dat de auteur van de Hebreeënbrief de Zoon niet beschouwt als weer een profeet, of zelfs niet als de hoogste profeet. De idee is niet dat, terwijl in het verleden het woord van God doorgegeven werd door de profeten, het in deze laatste dagen doorgegeven werd door de Zoon, die op die manier de laatste van de profeten wordt.

Er staat iets meer fundamenteels op het spel.

Als we de Griekse uitdrukking letterlijk vertalen geeft dit als resultaat ‘in Zoon’. De afwezigheid van het voorzetsel ‘de’ is betekenisvol. Bovendien contrasteert ‘in Zoon’ niet alleen met ‘door de profeten’ maar met ‘door de profeten … vele malen en op vele wijzen’ (merk op: NBG duidt dit verschil niet exact aan, want spreekt ook over ‘in de profeten’, in tegenstelling tot bijvoorbeeld HSV en NBV).

De les is dat God zich in deze laatste dagen veropenbaard heeft in de Zoon-openbaring. Toen God in het verleden de profeten gebruikte, gaf Hij hen soms rechtstreeks woorden (in openbaringen of visioenen), soms leidde Hij hen voorzienig doorheen ervaringen die ze opschreven, soms ‘sprak’ hij doorheen buitengewone gebeurtenissen, zoals de brandende braamstruik: er waren ‘vele malen’ en ‘vele wijzen’ (1:1).

Maar nu heeft God gesproken ‘in Zoon’ – we kunnen parafraseren als ‘in de Zoon-openbaring’. Het is niet dat Jezus eenvoudigweg de openbaring doorgeeft; Hij is de openbaring. Het is niet dat Jezus gewoon het woord brengt; Hij is zelf, als we het zo mogen uitdrukken, het Woord van God, Hij is zelfs het uiteindelijke Woord.

De idee is zeer gelijkend aan wat je leest in de proloog van het Evangelie van Johannes. De Zoon is hiertoe in staat omdat Hij ‘de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ is (1:3).

In strikte zin moeten christenen dan de Nieuwtestamentische boeken niet zien als de Oudtestamentische, die nu de volgende fase in Gods heilsplan aan ons brengen. Mormonen beweren dat dit slechts is wat ze zijn – en dan zeggen ze dat Joseph Smith een nog latere openbaring tot ons bracht, aangezien hij toch nog een volgende aangewezen profeet was. Maar de schrijver van de Hebreeënbrief beschouwt, in strikte zin, als de climax van alle Oudtestamentische openbaring, aan ons doorgegeven door de profeten en opgeschreven in boeken, niet nog meer boeken – maar Christus Jezus zelf.

De Nieuwtestamentische boeken komen samen rond Jezus en getuigen van Hem die de climax van openbaring is. Latere boeken die geen getuigenis afleggen van deze uiteindelijke climax-openbaring zijn automatisch gediskwalificeerd.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 5 november 2012

Zaterdag Henk Binnendijk in Menen



Niet vergeten: komende zaterdag (10 november 2012) staat in CC De Steiger in Menen een dag van ontmoeting gepland met Henk Binnendijk.

Thema: 'Eén ding'.

Het programma ziet er als volgt uit:
•09.30 - Ontvangst met koffie
•10.00 - Samenzang en gebed
•10.30 - Boodschap 1 door Henk Binnendijk: 'Eén ding ontbreekt u'

•12.00 - Lunch (eigen lunchpakket meenemen, je kunt terecht in de cafetaria mits je er ook iets consumeert)

•14.00 - Boodschap 2 door Henk Binnendijk: 'Eén ding is nodig'
•16.00 - Samenzang en gebed

Bij voorkeur vooraf aanmelden.
Meer info of online aanmelden? Raadpleeg de website van de organisatoren 'De Weg'.

Voor eventuele vragen kun je mailen naar 10nov@de-weg.be

Pleidooi voor Onesimus, de weggelopen slaaf (Fm)



2 Koningen 18, Filemon, Hosea 11, Psalmen 132-134
In de eerste eeuw kon een weggelopen slaaf legaal ter dood gebracht worden. Een meester kon kiezen die straf niet uit te voeren, maar op zijn minst zou de weggelopen slaaf die gevangen genomen werd een gewelddadige behandeling moeten ondergaan.

Onesimus is een slaaf die weggelopen was van Filemon. Ergens onderweg was Onesimus tot bekering gekomen. Of hij nu Paulus had opgezocht voor of na zijn bekering, nu is hij in elk geval bij hem, waarschijnlijk in Rome. De apostel zit in de gevangenis en wacht op zijn proces. Onesimus, nu een gelovige, doet boodschappen voor hem en helpt hem op andere manieren.

Maar Paulus weet dat het zo niet verder kan. De apostel zou zelf beschuldigd kunnen worden van hulp en steun aan een vluchteling. Legaal en zelfs moreel gezien moet Onesimus terug naar Filemon en dingen vereffenen. Maar waar is de moraliteit in de Romeinse slavernij zelf? Dus schrijft Paulus aan Filemon en Apfia, in de wetenschap dat ze christen zijn, waarschijnlijk bemiddeld, met een huis dat groot genoeg is om de gemeente in hun woonplaats te huisvesten.

Deze brief is een meesterwerk van stevige, godvruchtige diplomatie.

Paulus prijs Filemon voor zijn liefde en troost (vers 7). Hij vermeldt dat hij hem eenvoudig zou kunnen bevelen wat hij zou moeten doen (vers 8), maar hij verkiest op hem een beroep te doen als ‘Paulus, een oud man (…), thans bovendien een gevangene van Christus Jezus’ (vers 9) zodat Filemon zou handelen uit liefde.

Pas dan vermeldt hij Onesimus, en geeft hij aan waaruit de oproep bestaat. Paulus wil dat Filemon Onesimus terug aanneemt, die door Paulus beschreven wordt als zijn ‘kind’ (HSV: ‘zoon’), nu iemand ‘van veel nut’ of ‘bruikbaar’ (wat ook de betekenis is van de naam Onesimus), en zo geliefd door de apostel dat Paulus hem ‘mijn hart’ noemt (vv.10-12).

Paulus zou blij zijn hem te kunnen houden, maar wil niets doen zonder de ‘voorkennis’ (NBG) of het ‘goedvinden’ (HSV) van Filemon (vers 14). Natuurlijk was Onesimus weggelopen, maar afgezien van hoe afkeurenswaardig dergelijke daad was, bekijk je het grotere verhaal, dan is hij ‘misschien wel daarom een tijdlang weg geweest (of ‘van u gescheiden geweest’, een handig passief), opdat gij hem voorgoed zoudt terughebben, nu niet meer als slaaf, maar als meer dan slaaf, als een geliefde broeder’ (vv. 15-16). Natuurlijk zal hij Filemon daarom dierbaar zijn, zowel als mens ‘als in de Here’ (vers 16).

Dus moet Filemon Onesimus terug verwelkomen zoals hij de apostel zelf zou verwelkomen (vers 17), die hoopt spoedig op bezoek te kunnen gaan (vers 22). Blijkbaar had Onesimus Filemon bestolen toen hij er vertrok: Paulus zegt dat hij hem graag volledig zal vergoeden – hoewel Paulus Filemon vriendelijk herinnert aan de allerhoogste schuld die hij heeft tegenover de man die hem het evangelie bracht.

Niets kan genadeloze relaties sneller vernietigen dan het evangelie wanneer het correct wordt toegepast.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 4 november 2012

Teloorgang van een natie – Gezocht: meer radicale oplossing (2 Kon. 17)



2 Koningen 17, Titus 3, Hosea 10, Psalmen 129-131
2 Koningen 17 is een bepalend moment in de Oudtestamentische geschiedenis. Het noordelijke koninkrijk van Israël eindigt als politieke entiteit. De aanleiding voor deze laatste stap in de teloorgang van de natie is een stukje bedrog dat begaan wordt door zijn laatste koning, Hosea.

Terwijl Hosea naar buitenuit de schijn van loyaliteit aan Assur (de regionale supermacht) ophoudt, start hij onderhandelingen op met Egypte, dat nog steeds een indrukwekkende politieke en militaire macht is, in de hoop dat Israël onder haar paraplu kan schuilen tegen betere voorwaarden.

Salmanassar, de koning van Assur, kon dit enkel interpreteren als verraad en hij vernietigde Samaria, de hoofdstad van Israël (17:1-6). Hij bracht de leidende Israëlieten over naar Assur en importeert dan – zoals het einde van het hoofdstuk duidelijk maakt – heidenen van elders in het imperium, die vermengden met de arme Israëlieten die achterbleven.

Het resterende deel van het hoofdstuk biedt ons twee uitgesproken verklaringen en een meer subtiele, impliciete verklaring.

Ten eerste is de uiteindelijke reden voor de vernietiging van de natie niet politiek of militair, maar godsdienstig en theologisch (17:7-17). Het volk Israël bezweek voor afgoderij. Terwijl het oppervlakkig gezien loyaal bleef aan de levende God, bouwden ze ‘in het geheim’ heidense hoogten – alsof de alziende God bedrogen kon worden!

De gewijde palen voor de Asjera’s en de dienst aan de Baäls namen fel toe. Het volk negeerde de profeten die God hen zond. ‘Zij gingen de nietige afgoden achterna, zodat zij zelf nietig werden’ (17:15 HSV; vergelijk Jer. 2:5). Terwijl ze de tempel in Jeruzalem verwierpen, maakten ze twee afgodskalveren. Ze aanbaden de hemellichamen, rotzooiden met het occulte en verzonken uiteindelijk in de verfoeilijke praktijk van kinderoffers aan Moloch. ‘Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd’ (17:18).

Ten tweede legt dit hoofdstuk de oorsprong uit van de vermengde godsdienst van Samaria (17:24-41). De ingeweken heidenen vermengden zich met de overblijvende Joden in het land. Raciaal en theologisch kreeg je een mix. Ondanks waarschuwingen van God (in de vorm van verscheurende leeuwen – die nu niet langer voorkomen in dat deel van de wereld maar die ooit talrijk waren), is het beste dat dit gebroed kan opbrengen pathetisch: ‘Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen’ (17:33). Dit is de achtergrond voor de ‘Samaritanen’ die we tegenkomen in de tijd van Jezus.

De derde verklaring is alleen impliciet. Ze wordt pas duidelijk wanneer dit hoofdstuk wordt gelezen in de stroom van de ontwikkeling van de canon. De gevallen mensheid wordt veroordeeld bij de zondvloed; slechts enkelen overleven. De aartsvaders van de ontluikende Joodse natie eindigen in slavernij. Wanneer God hen verlost, zorgt hun ongeloof dat ze het Beloofde Land maar met uitstel kunnen binnentrekken. De periode van de Richteren eindigt in verwording, corruptie en afval. En nu loopt de periode van het koningschap met vergelijkbare schande af.

God helpe ons: we hebben meer radicale oplossingen nodig dan deze.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 3 november 2012

Gooi een stuk vlees naar een krokodil en ze wil meer (2 Kon. 16)


2 Koningen 16, Titus 2, Hosea 9, Psalmen 126-128
Hoewel de boeken 1 en 2 Koningen de lotgevallen van zowel Juda als Israël volgen (respectievelijk het zuidelijke en noordelijke koninkrijk, na de scheuring die volgde op Salomo’s dood), ligt de nadruk toch meer op Israël, de noordelijke tien stammen.

Meer ruimte wordt gewijd aan Israëls koningen dan aan die van Juda. Uiteindelijk stort natuurlijk het noordelijke koninkrijk in (zie de overdenking van morgen), en dan gaat alle aandacht naar het zuiden. In vergelijking daarmee verhalen 1 en 2 Kronieken min of meer dezelfde geschiedenis, maar richten zij de spots in de eerste plaats op het zuidelijke koninkrijk Juda.

Zelfs in 2 Koningen echter gaat soms heel wat aandacht naar een van de koningen van Juda. Zo ook in 2 Koningen 16. In het algemeen ontspoorden de noordelijke koningen sneller dan die in het zuiden. In het zuiden wordt van veel koningen geschreven dat ze de Heer volgden, maar niet zoals David gedaan had; in het noorden wordt van velen geschreven dat ze wandelen in het voetspoor van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël had doen zondigen. Maar af en toe staat een werkelijk zondige of dwaze koning op in het zuiden. Achaz is er zo een van.

Religieus en theologisch was Achaz een ramp. ‘Hij deed niet wat recht is in de ogen van de HERE, zijn God, zoals zijn vader David, maar hij wandelde in de weg der koningen van Israël. Ook deed hij zijn zoon door het vuur gaan in overeenstemming met de gruwelen der volken, die de HERE voor de Israëlieten had verdreven’ (16:2-3).

Politiek was het met hem al niet beter gesteld. Opgejaagd door Israël en Syrië (Aram in de NBG-vertaling) aan noordelijke zijde, besliste koning Achaz van Juda om de tempel van zijn rijkdom te ontdoen en die naar koning Tiglatpileser van Assur te zenden. Assur was de opkomende supermacht. Hem geld sturen als een soort van eerbetoon, met een verzoek dat hij druk zou uitoefenen op Syrië en Israël zodat de druk op Juda zou verlichten, was een beetje als een stuk vlees naar een krokodil gooien: je kon er zeker van zijn dat die krokodil meer zou willen.

Erger nog, koning Achaz raakte zodanig gecharmeerd door Assur dat hij een aantal van haar heidense gebruiken in de tempeldienst introduceerde. Angst maakte dat Achaz zich wendde tot een heidense macht, en onderdanigheid aan de koning van Assur (16:18) was de voedingsbodem voor nieuwe compromissen.

Vergelijk dat met Hizkia, twee hoofdstukken verder, die onder een veel ernstiger dreiging van Assur stond, in grote mate veroorzaakt door de dwaasheid en trouweloosheid van Achaz, maar die geen compromis duldt en ijverig het aangezicht van God zoekt.

Daar ontdekt Hizkia, in lijn met de ervaring van Mozes en de vaderen van Israël, dat God bekwaam is zijn volk te beschermen tegen weinigen of velen – voor Hem maakt het allemaal geen verschil.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 2 november 2012

Slechts twee kerkelijke ambten en waarom? (Titus 1)

2 Koningen 15, Titus 1, Hosea 8, Psalmen 123-125
In sommige denominaties wordt vastgehouden aan de idee dat de Bijbel drie ambten in de kerk voorschrijft: bisschoppen, die verantwoordelijk zijn over verschillende gemeenten; oudsten/pastors die dienen op het niveau van de plaatselijke gemeente, in het bijzonder in de dienst van het woord en in gebed (sommigen zouden ‘sacrament’ toevoegen’), en diakenen, die helpen in het beheer van de fondsen, in het bijzonder in de zorg voor de fysieke noden van de kudde (zie de overdenking van 25 oktober).

Er wordt echter breed erkend dat het Nieuwe Testament eigenlijk maar twee ambten onderscheidt: de bisschop/oudste/pastor en de diaken. Een van de meest overtuigende behandelingen van deze kwestie werd in de afgelopen eeuw geschreven door J. B. Lightfoot, zelf een anglicaan.

De indeling in drie categorieën, betoogt hij, kwam er pas nadat de documenten van het Nieuwe Testament geschreven waren. Dit betekent natuurlijk dat een van de twee ambten drie etiketten krijgt, gedeeltelijk omdat het werk ook vele facetten kent.

Het woord ‘pastor’ heeft een Latijnse stam en komt van ‘herder’ (1 Petr. 5:2). Herders voeden, beschermen, leiden en tuchtigen de kudde. De terminologie voor oudsten komt zowel uit het bestuur van oude steden als uit de synagogen: de leider moeten ervaren en gerespecteerd zijn. Omdat ‘bisschoppen’ vandaag zoveel kerkelijke ondertonen heeft, opteren heel wat Nederlandstalige vertalingen (net zoals de Engelstalige NIV) ervoor het woord weer te geven als ‘opziener’ (bijv. 1 Tim. 3:1) om de elementen van overzien, godvrezend bestuur, en geestelijke aansprakelijkheid te kunnen weergeven die met de taak verbonden zijn.

Een van de redenen waarom zovelen tot de conclusie kwamen dat bisschop, oudste en voorganger allen woorden zijn die toegepast kunnen worden op één ambt, is dat de lijst met kenmerken voor die taken zo gelijklopend is. Vergelijk zo Titus 1:6-9 met betrekking tot een oudste, met 1 Timotheüs 3:1-7 met betrekking tot een opziener (bisschop).

Een punt waar beide schijnbaar uiteenlopen in de meeste Nederlandstalige vertalingen (en in de Engelstalige NIV) zorgt voor knagende gewetens onder een aantal pastors. 1 Timotheüs 3:4 stipuleert het volgende voor de opziener: ‘een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt’. Titus 1:6 daarentegen stipuleert in verband met de oudste dat hij ‘gelovige kinderen’ moet hebben, ‘die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten’.

Dit klinkt alsof de voorwaarden rondom oudstenschap strenger zijn. Maar in feite is de weergave in onze vertalingen zowel verkeerd als onwerkbaar. Het Grieks wordt correct weergegeven als ‘wiens kinderen trouw zijn’ – in de zin dat ze niet ‘losbandig zijn en van geen tucht willen weten’.

Zolang de kinderen onder hun vaders dak wonen, moet de bisschop/oudste zijn gezin zo besturen dat hij aantoont bekwaam te zijn de gemeente te besturen. Als Titus 1:6 zou verstaan worden in de betekenis van bijvoorbeeld NBG, HSV of NBV, als stipulerend dat zijn kinderen gelovigen moeten zijn, dan zou je terecht kunnen vragen ‘Vanaf welke leeftijd?’.

Kortom: deze verkeerde vertaling is ook onwerkbaar. Wat de tekst eigenlijk wel zegt, brengt hem ook mooi op één lijn met 1 Timotheüs 3.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 1 november 2012

'The good, the bad' en de belangrijke les (2 Kon. 14)


2 Koningen 14, 2 Timotheüs 4, Hosea 7, Psalmen 120-122
Een van de aantrekkelijke en tegelijk verwarrende dingen met betrekking tot de Bijbel is zijn realisme. Simplistisch idealisme zou heel graag hebben dat de ‘goede’ mensen min of meer consequent beloond worden, vrucht dragen en gezegend worden in hun werk; net zo goed verlangt het dat de ‘slechte’ mensen mislukkingen zouden blijken. Het is ongetwijfeld waar dat op de lange termijn, voor Gods oordeelstroon, recht zal geschieden en daar zal ook op toegezien worden.

Er bestaat ook geen twijfel over dat er voldoende tijdelijke beloningen en zegeningen zijn om ons eraan te herinneren dat God de leiding heeft. Maar in het geheimenis van voorzienigheid zijn er ook genoeg ongerijmdheden om ons eraan te herinneren dat ultieme gerechtigheid niet wordt gevonden in deze wereld. En dit is natuurlijk waar wat het leven betreft, het ultieme realisme.

De les wordt goed geïllustreerd in de twee koningen uit 2 Koningen 14.

Amasja, de zoon van Joas, komt op de troon van Juda aan de leeftijd van vijfentwintig. ‘En hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, echter niet zoals zijn vader David’ (14:3). Hoewel hij niet even vasthoudend was als David, was hij in veel opzichten een goed mens. Zelfs in de zaak van de gevangenneming en het doden van de moordenaars van zijn vader, koning Joas, weerhield Amasja zich van het uitroeien van hun gezinnen – een niet ongewone praktijk in die tijd – want hij volgde de wet van God (Deut. 24:16; 2 Koningen 14:6).

En dan, nadat hij een bescheiden militair succes mocht boeken (14:7), wat hem blijkbaar naar het hoofd steeg, daagde hij de noordelijke stammen zonder goede reden uit tot een oorlog die hij smadelijk verloor.
De dwaasheid was gigantisch. Uiteindelijk werd Amasja zelf vermoord na een regering van negenentwintig jaar.

Van Jerobeam II daarentegen staat beschreven dat toen hij op de troon van het noordelijke koninkrijk terechtkwam, ‘Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (14:24). Niettemin bleek hij een bekwaam bestuurder en militair leider.

Omdat de Heer gevoelig was voor de noodkreten van zijn volk toen ze te maken kregen met de verpletterende macht van Syrië in het noorden, gebruikte Hij Jerobeam II om de grenzen van Israël te herstellen tegen Syrische invallen, en uiteindelijk voor Israël zowel Damascus als Hamat te heroveren, die tot Israël hadden behoord in de dagen van het verenigde koninkrijk. Jerobeam II regeerde eenenveertig jaar en stierf in vrede.

Merk op:
(1) Een goed koning kan slechte en dwaze dingen doen.
(2) Een slecht koning kan goede en belangrijke dingen doen.
(3) Hieruit volgt dat je nooit de moraliteit van een leider mag evalueren alleen op basis van een beperkt aantal goede dingen of slechte dingen die ze doen. Zelfs Hitler herstelde het Duitse vertrouwen en creëerde jobs. En er zijn presidenten bekend die oorlogen wonnen en de economie draaiende hielden, terwijl ze op seksueel vlak in de goot leefden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 31 oktober 2012

Leven in de laatste dagen (2 Tim. 3)



2 Koningen 13, 2 Timotheüs 3, Hosea 5-6, Psalm 119:145-176
Leven in ‘de laatste dagen’ (2 Tim. 3) klinkt niet bijzonder aantrekkelijk: ‘want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand’ (3:2-5).

Onophoudelijke zonde van wellust gaat gepaard met toenemende kennis die in die mate gelinkt is met een verdorven epistimologie (kennisleer) dat mensen de waarheid niet kunnen erkennen (3:6-7). Dit is wat het betekent te leven in ‘de laatste dagen’.
De directheid van de waarschuwing voor Paulus’ lezers is een van de vele signalen dat Paulus gelooft dat deze ‘laatste dagen’ lopen vanaf Christus’ hemelvaart tot aan zijn terugkeer.

Dus wat moeten we hieraan doen?

Ten eerste moeten we vastberaden de beste mentoren willen volgen (3:10-11). Dit zijn de mensen van wie het leven het evangelie weerspiegelt en die beproefd zijn door lijden en beschermd door God. In een wereld vol popidolen, zeker ook in het religieuze veld, moeten we doelbewust werk maken van het kiezen van de beste mentoren, of we zullen via de standaardoptie waarschijnlijk bij de verkeerden aanbelanden.

Ten tweede moeten we realistisch zijn over de wereld (3:12-13). We zouden tegenstand moeten verwachten. Als we dit doen, zullen we er niet door verrast worden. Wanneer Paulus zegt ‘Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden (3:13), zegt hij waarschijnlijk niet dat elke generatie slechter zal zijn dan de voorgaande, maar dat in elke generatie zondige mensen in een neerwaartse spiraal zullen belanden die hen voert tot hopeloos verderf. We zouden er niet mogen door verrast worden. Los van het ingrijpen van Gods genade, is dit wat zonde met mensen doet.

Ten derde moeten we vertrouwen op de Bijbel (3:14-17). Niet alleen vormt de Schrift het denken van de christen tot een wereldbeeld dat volledig verschilt van de secularist en de eindeloos zelfzuchtige persoon. En niet alleen maken de Schriften ons wijs ‘tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus’ (3:15), maar precies omdat ze door ‘God ingegeven’ zijn, zijn de Schriften ‘nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid’ (3:16).

Het gevaar in het hedendaagse evangelicalisme is niet de formele verwerping van de Schrift, maar een onrealistische veronderstelling dat we de Bijbel kennen terwijl we in feite ‘doorgaan’ (in werkelijkheid achteruit lummelen) in de richting van eindeloze conferenties over leiderschap, technieken, tools, kneepjes en strategieën. Sommige ervan hadden zelfs nuttig kunnen zijn, ware het niet dat de Bijbel zo vaak aan de kant wordt geschoven.

Ten vierde, hoewel dit ons al naar het volgende hoofdstuk voert, moeten we de Bijbel verkondigen (4:1-5). Niets anders heeft veranderende kracht. Vers 2 schrijft de inhoud voor, de vastberadenheid, de reikwijdte en de wijze van dergelijke prediking in de laatste dagen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 30 oktober 2012

Eén Lam voor de hele wereld


Ook de Pentateuch vestigt de blik op Christus. Nancy Guthrie schreef er een boek over: ‘The Lamb of God: Seeing Jesus in Exodus, Leviticus, Numbers, and Deuteronomy’ (Crossway).

Gods Wet biedt ons niet in de eerste plaats een eindeloze lijst met morele regels, nee, ze wijst ons vooruit naar Hem die zou komen en de Wet volkomen zou vervullen: het Lam dat het finale, smetteloze offer voor de zonde is.

In een interview voor The Gospel Coalition-blog geeft Guthrie ook aan hoe ze op weg gezet werd door Philip Rykens 1200-pagina’s tellende commentaar ‘Exodus: Saved for God's Glory’.
Ryken ziet een duidelijke voortgang in de Bijbel:
- één lam voor één persoon wanneer Abraham een ram offert in plaats van zijn zoon Isaak,
- één lam voor één huishouden bij het Pascha
- één lam voor een heel volk op de Grote Verzoendag
- en – uiteindelijk – één Lam voor de hele wereld (zie Joh. 1:29).

Guthrie heeft het in het interview ook over ‘redding via oordeel’. De Oudtestamentische voorbeelden van redding zijn een voorafschaduwing van onze uiteindelijke redding. Hier verwijst Guthrie naar het boek van James Hamilton ‘God's Glory in Salvation Through Judgment’.

- Adam en Eva worden in Genesis gered van de eeuwige door het oordeel van weggestuurd worden uit de tuin van Eden
- Gods volk wordt in Exodus gered door het oordeel dat over Egypte kwam in de vorm van de 10 plagen
- Je ziet het het duidelijkst bij het kruis van Christus, wanneer de redding van zondaars mogelijk wordt gemaakt door het oordeel van God dat neerdaalt op Christus
- Onze finale redding in de Nieuwe Hemel en Nieuwe Aarde zal blijken bij het grote oordeel dat voorgoed een einde zal maken aan alle kwaad van de wereld

Download een uittreksel uit het boek van Nancy Guthrie, 'The Lamb of God (A 10-week Bible Study): Seeing Jesus in Exodus, Leviticus, Numbers, and Deuteronomy' (pdf)

Lees het interview van The Gospel Coalition met Nancy Guthrie
Lees meer via de website Preaching Christ in the Old Testament

'Wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen' (2 Tim. 2)



2 Koningen 12, 2 Timotheüs 2, Hosea 3-4, Psalm 119:121-144
Een van de vele praktische beslissingen waar een actieve voorganger mee te maken krijgt is of hij al dan niet bepaalde dwalingen die de kop opsteken moet aanpakken of niet.

De factoren die tot dit soort beslissingen leiden zijn talrijk. Hoeveel mensen worden erdoor aangetast? Dreigt het de kerk te verscheuren, of valt het slechts in het blikveld van een of twee mensen? Gaat het over randzaken of gaat het recht naar het hart van het evangelie? Gaat het om iets waarover de Bijbel zich werkelijk duidelijk uitspreekt, of behelst het iets waarover de Bijbel geen zeer substantiële zaken zegt?

Bovendien moet je, zelfs wanneer de zaak duidelijk belangrijk is, nuchter afwegen hoeveel tijd en energie je erin wilt steken. Te weinig, en velen van je kudde kunnen nadelig geschaad worden; teveel en je wordt afgetrokken van wat de primaire focus van je dienst zou moeten zijn; je zult steeds meer meegesleurd worden in een dermate uitgestrekte oceaan dat je nooit nog de kust zult zien.

In de loop der jaren is mij gevraagd om elk mogelijk ‘probleem’ of elke mogelijke ‘uitlegging’ aan te pakken die langer dan een paar maanden of een paar jaren duurde. Het kan zinvol zijn om de studies te maken die nodig zijn om op een aantal van die ‘problemen’ of ‘uitleggingen’ in te gaan; alles wat meer is is tijdverlies.

Slechts een maand of zo voor de massa-zelfmoord van ‘Heaven’s Gate’, zond deze sekte mij (en ongetwijfeld vele anderen) een van hun video’s en heel wat lectuur. Ik wijdde tien minuten aan het scannen van de literatuur om te zien welke richting die uitging. Het was zodanig klinkklare onzin dat ik het klasseerde, hopend dat ik nooit zou moeten ingaan op dit specifieke soort nonsens. Een aantal weken later waren de meeste aanhangers dood.

Twee jaar geleden werd ik opgebeld door een voorganger die me verweet dat ik nog niet met een substantieel antwoord gekomen was op Michael Drosnins boek, ‘De Bijbelcode’ (The Bible Code). Uit interesse had ik een behoorlijk uitgebreid bestand verzameld, maar dat was niet genoeg voor die voorganger: hij voelde dat de mensen in zijn kerk ontzettend kwetsbaar waren en hij stond erop dat ik er een bepaalde tijd zou op werken. Ik weigerde. Twee maanden later ontdekte ik dat de persoon die in zijn kerk het meest op dit probleem geconcentreerd was, de voorganger zelf was, die het thema maar niet kon laten rusten.

Wat een welgekomen tegenstelling dan om Paulus te horen vertellen aan Timotheüs wat hij moet zeggen aan nieuwe generaties voorgangers: ‘betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen’ (2 Tim. 2:14). Of opnieuw: ‘Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen’ (2:23).

Antwoord wanneer je moet; richt je nooit op randzaken; verlies de focus niet op wat primordiaal is; word niet meegelokt in dwaze twisten. De kwesties waar het echt om gaat zijn gewoonweg te belangrijk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 29 oktober 2012

Audiofiles lezingen Dato Steenhuis over 1 Johannes (Woorden die blijven)



Op vrijdag 26 en zaterdag 27 oktober verzorgde Dato Steenhuis telkens een bijbellezing in de reeks over 1 Johannes, ‘Woorden die blijven’.

Hieronder kun je de audiofiles in mp3-formaat beluisteren (gebruik de playknop) of downloaden (klik met rechtermuisknop en kies ‘opslaan als’ of ‘save as’).

Woorden van Licht – Dato Steenhuis over 1 Joh.1:5-2:11


Woorden van Waarheid – Dato Steenhuis over 1 Joh.2:2-27

Wat laat je de volgende generatie na? (2 Kon. 10-11 en 2 Tim. 1)


2 Koningen 10-11, 2 Timotheüs 1, Hosea 2, Psalm 119:97-120
In twee van de hierboven vermelde passages die het bijbelleesrooster voorziet voor vandaag, vinden we een studie van grootmoeders. De eerste is Atalja (2 Koningen 11). Zij is de volkomen verachtelijke moeder van Achazja, de koning van Juda die gedood werd door Jehu (zoals we gisteren zagen) in de chaos die bespoedigd werd door de opstand in het noordelijke koninkrijk van Israël.

Je kunt je heel wat verschillende acties voorstellen die een koningin-moeder kan ondernemen wanneer ze de moord op haar zoon verneemt. Atalja’s reactie is dat ze haar hele familie vermoordt. Zo beveelt ze de paleiswacht dat de kinderen en kleinkinderen van haar dode zoon omgebracht worden, behalve haar zuigeling-kleinzoon Joas, die gered wordt door een tante (die zelf gevaar liep gedood te worden). Die laatste verbergt hem met zijn voedster. Op die manier verzekert Atalja zich van de macht.

Een aantal jaren later, wanneer Joas nog altijd maar een knaap van een jaar of zeven is, regelt Jojada dat het kind wordt naar buiten gebracht en tot rechtmatige koning wordt uitgeroepen, beschermd door legereenheden die trouw zijn aan Jojada en aan zijn doel de Davidische lijn in stand te houden.

Wanneer Atalja de samenzwering ontdekt, klinken haar kreten ‘Verraad, verraad!’ (11:14) een beetje hol. Omwille van de macht was deze zondige vrouw bereid om niet alleen te moorden (niet zo zeldzaam), maar zelfs haar kinderen en kleinkinderen om te brengen – een zoveel zeldzamer zaak en nog zoveel meedogenlozer – en nu beschuldigt ze hen van verraad die haar ter verantwoording roepen.

Vergelijk daarmee de moeder en grootmoeder die kort vermeld wordt in 2 Timotheüs 1:5. Timotheüs zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice zijn volgens Paulus vrouwen met een ‘ongeveinsd geloof’, en ze hebben deze erfenis doorgegeven aan hun zoon en kleinzoon Timotheüs. Hoe ze dit deden wordt niet uitgediept. Maar te oordelen naar patronen die elders in de Schrift worden uitgelegd, was het minste wat ze deden hun persoonlijk voorbeeld tonen en concreet onderricht geven.

Ze gaven zowel de leer van de Schrift door als het patroon van hun eigen ‘ongeveinsd geloof’ – niet alleen het patroon van hun wandel met God, maar de integriteit die als resultaat van dit geloof hun levens kenmerkte. Verborgen in deze passage ligt hoop voor mannen of vrouwen in gemengde huwelijken. Volgens Handelingen 16:1 was de moeder van Timotheüs, Eunice, zowel Joodse als een christen gelovige; zijn vader was een Griek, klaarblijkelijk een heiden. De christelijke invloed haalde het.

Niet alle vrouwen zijn zo zondig als Atalja; niet allen zijn zo trouw als Loïs en Eunice. Je vindt echter zowel onder mannen als vrouwen niet weinigen die veel meer interesse betonen in macht dan in iets anders, als het nu thuis, op het werk of zelfs in de kerk is.

Het mag dan zijn dat ze geen moord plegen, maar ze zullen liegen, bedriegen en lasteren om meer gezag te verwerven. Ze zullen onder Gods oordeel vallen. Maar gezegend zijn zij van wie het ongeveinsde geloof een sterke indruk nalaat bij de volgende generatie.

Eigen vertaling van de overdenking bij 29 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 28 oktober 2012

Jehu vs. David: het doel wettigt de middelen niet (2 Koningen 9)


2 Koningen 9, 1 Timotheüs 6, Hosea 1, Psalm 119:73-96

Het loont de moeite de zalving van David (1 Sam. 16) te vergelijken met de zalving van Jehu (2 Koningen 9) – of, meer precies loont het de moeite niet alleen de twee zalvingen te vergelijken, maar ook wat volgt uit de twee zalvingen.

Het verhaal van David is het bekendste van de twee (1 Sam.). Toen Samuel hem tot koning zalfde, was David nog altijd een jonge man, een jeugdige herder. De zalving veranderde niet onmiddellijk iets aan zijn situatie. Na verloop van tijd kreeg hij een heldenstatus door Goliath te verslaan en daarna wist hij uit te groeien tot een efficiënte en trouwe dienaar van Koning Saul.

Toen Saul verbitterd en krankzinnig werd en David gedwongen werd zich te verbergen in het heuvelland van Judea, leek David ver verwijderd van de troon. Voorzienigheid bood hem twee verrassende gelegenheden om Saul te doden, maar David hield zichzelf in; hij hield zelfs een aantal van zijn eigen mannen tegen die maar al te zeer bereid waren om de daad te stellen waar David niet wilde aan raken. Zijn redenering was eenvoudig. Hoewel hij wist dat hij koning zou worden, wist hij ook dat Saul op dat ogenblik koning was. Dezelfde God die David gezalfd had, had eerst Saul aangesteld.

Saul doden stond daarom gelijk met het doden van de gezalfde van de Heer. Hij was niet bereid om het erfdeel te grijpen dat de Heer zelf hem had beloofd, indien de prijs daarvoor bestond uit een immorele daad. God had hem de troon beloofd; God zou die eerst moeten vrijmaken van zijn huidige plaatsbekleder, want David zou niet buigen voor intrige en moord. Dit was een van Davids beste periodes.

Hoe anders is Jehu! Wanneer hij gezalfd is, krijgt hij de taak het zondige huis van Achab te straffen en uit te roeien. Maar hij wacht niet op een teken van God: wat hem betreft is zijn zalving voldoende aansporing om meteen tot een bloederige opstand over te gaan. Bovendien mag hij dan vroom praten over het uitroeien van de afgoderij van het zondige huis van Achab (bijv. 9:22), zijn eigen hart wordt verraden door twee boze feiten.

Ten eerste vermoordt hij niet alleen de huidige bezetter van de troon in Israël, maar wanneer hij de kans krijgt doodt hij ook Achazja, de koning van Juda (9:27-29), zonder dat de profeet dit gebood. Koesterde hij misschien denkbeelden van een hersteld en verenigd koninkrijk, bijeengebracht door moord en militaire macht?

Ten tweede, maakte Jehu weliswaar een einde aan de macht van de Baäldienst, maar hij onderhield andere vormen van afgoderij die niet minder afstotelijk waren voor God (10:28-31). Hij was geen ‘man naar Gods hart’ zoals David (vgl. 1 Sam. 13:14). Verre van: ‘hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (10:31).

De les is belangrijk. Zelfs goddelijke profetie bevrijdt een mens niet van de verplichtingen van moraliteit, integriteit en trouw en gehoorzaam geloof in God. Het doel wettigt de middelen niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 27 oktober 2012

Wie niet voor zijn familie zorgt heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige (1 Tim. 5)



2 Koningen 8, 1 Timotheüs 5, Daniël 12, Psalm 119:49-72

Hoewel ik er niets van wist, legden mijn ouders een stille gelofte af tegenover de Heer terwijl ik in mijn laatste jaar middelbaar onderwijs zat. Omwille van redenen die te ingewikkeld zijn om er hier dieper op in te gaan, beslisten ze dat - tenzij bepaalde dingen gebeurden - mijn vader zijn taak als voorganger zou neerleggen, die hij vijftien jaar lang vervuld had. Ik werkte mijn school af, verliet het huis en trok naar de universiteit.

Na zowat een maand ontving ik een brief van mijn ouders: papa had ontslag genomen als voorganger van die kerk. Mijn ouders hadden heel weinig geld. Er was geen andere Franstalige kerk waar hij eventueel aan de slag kon. Op dat kritieke punt voelde papa zich te oud om een andere gemeente op te starten in een andere plaats.

Hij weigerde voorgangersfuncties te overwegen in Engelstalig Canada: zowel zijn roeping als zijn hart waren verbonden met Quebec. Zo ontdekte ik wat mijn ouders beslist hadden: ze verhuisden naar Hull, aan de Franse kant van de rivier tegenover Ottawa, de hoofdstad van het land, waar papa voor zijn gezin zou zorgen als vertaler bij de overheid. Hij zou zoveel mogelijk tijd geven aan de Franssprekende gemeente in Hull.

Ik kon niet eerder naar ‘huis’ dan met Kerstmis. Op een gegeven moment peilde ik mijn vader in een poging zijn redenering te begrijpen. Gezien zijn overtuiging dat hij in het Franstalige deel van Canada moest blijven, rees snel de vraag hoe hij voor zijn gezin zou zorgen. ‘Want de Schrift zegt’, zo legde papa uit, ‘dat als een man niet voor zijn eigen gezin zorgt, hij slechter is dan een ongelovige. Hij gebruikte zijn oude King James-vertaling voor de woorden van 1 Timotheüs 5:8: ‘Maar als iemand de zijnen en vooral zijn huisgenoten niet verzorgt, heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige’.

Er zijn duidelijk een aantal uitzonderingen op deze tekst. Als een man te ziek is om te werken, bijvoorbeeld, is hij vrijgesteld – en te oordelen naar de toon van het hele hoofdstuk, zou de gemeente zelf moeten tussenkomen met wat voor steun ook maar nodig is, in het geval de familie niet rondkomt.

Maar wat je als lezer treft bij veel van de richtlijnen in dit hoofdstuk, is de manier waarop de voorziening van de gemeente voor de sociale noden van haar volk wordt voorgeschreven met buitengewone gevoeligheid voor de gevaren. Met het risico de zaken te simpel voor te stellen, kan het patroon dat Paulus uitlegt op deze manier samengevat worden: de gemeente zorgt voor hen die in ware nood zitten, maar wie de capaciteiten bezit om zijn weg te vinden en voor zichzelf te zorgen moet dit doen – zowel om geen last te vormen voor de kerk, als voor hun eigen goed – of ze moeten aangeklaagd worden omdat ze het geloof verlaten hebben.

Luiheid gaat niet samen met godsvrucht. Ik kan me niet veel gelegenheden herinneren waarin ik nog groter respect had voor papa’s gehoorzame geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 26 oktober 2012

'Laat niemand je minachten om je jeugdige leeftijd' (1 Tim. 4)


2 Koningen 7, 1 Timotheüs 4, Daniël 11, Psalm 119:25-48
Toen ik nog een heel jonge man was, werd ik voorganger van een nogal kleine gemeente in Canada. De mensen waren zeer vriendelijk voor me, en sprongen met veel meer geduld om met mijn fouten en vergissingen dan ik verdiende.

Er was een vrouw in die gemeente die ik soms bijzonder vervelend vond. Ze dankte me bijna elke zondagmorgen uitvoerig voor de preek, en voegde er dan aan toe, ‘Maar je bent zo jong’. Dit ging zo verschillende weken door, tot het nog weinig meer was dan een formule.

Uiteindelijk won mijn ijver het van mijn verstand. Nadat ik nog maar eens de uitbarsting met de formule ‘Maar je bent zo jong’ aangehoord had, glimlachte ik fijn en merkte op (met een citaat uit een oude vertaling van die tijd), ‘Ja, maar de Schrift zegt “Niemand verachte uw jonkheid” – niemand’. Hoe buitensporig mijn uitspraak ook, toch leek ze te zorgen voor de klik, want daarna zei ze nooit nog iets van die strekking tegen me.

Toen ik er echter over nadacht, begon ik me te realiseren dat ik het eerste deel van 1 Timotheüs 4:12 geciteerd had, maar niet het laatste deel. Het eerste deel luidt ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt’ (NBV). Ik veronderstel dat als deze zin op zichzelf stond, een van de manieren om anderen niet op je te laten neerkijken wanneer je jong bent, er dan uit zou bestaan dat je hen neerknuppelt met deze tekst.

Maar Paulus schrijft ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’. Wanneer je met andere woorden een jonge gelovige bent, zeker in geval je een jonge gelovige in een leiderschapspositie bent zoals Timotheüs, dan is dé manier om te zorgen dat anderen niet op je neerkijken, een zodanig voorbeeld stellen – ‘in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’ – dat je duidelijke godsvrucht hen de mond snoert.

Als je ijverig bent in de geschenken en gaven die God je schonk, zo voegt Paulus eraan toe, dan zal iedereen je vooruitgang opmerken (4:15). Je ijver moet volledig zijn, en de terreinen waarop anderen je vooruitgang opmerken zullen ook uitgebreid zijn: ‘Zie toe op uzelf en op de leer’ (4:16).

Het resultaat zal niet alleen zijn dat jouw volharding ook leidt tot de redding bij de eindvervulling, maar het zorgt ook voor de behoudenis van velen onder hen die je horen (4:16).

Ingebed in dit advies aan een jonge man zit een heel pakket aan christelijk moreel onderwijs. Daden spreken soms luider dan woorden. Christen leiders moet niet alleen leiden door woorden maar ook door daden die volledig aansluiten bij die woorden. Het gezag dat een christen leider ten deel valt komt niet zozeer voort uit het ambt zelf, maar veeleer wordt het in de loop van de tijd verdiend door de kwaliteit van het christelijke leven.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een groot deel van het volgende hoofdstuk gewijd is aan het specifieke onderricht hoe je broers en zusters in Christus behandelt in de verschillende levensstadia. Hoe je met mensen omgaat ligt altijd dicht bij het hart van het christelijk discipelschap.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 oktober 2012

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6, 1 Timotheüs 3, Daniël 10, Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten.

Aan de ene kant zijn er de pastors, de voorgangers (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’, Eng.: bishops).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat die bisschoppen een soort van derde categorie werden in het kerkelijk gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor een voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, behoren bij een aristocratische groep in de maatschappij of een bepaald soort bekwaamheid in het leiderschap. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en zo meer.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven behoort te zijn. In die zin liggen de eisen in het geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de typische eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 oktober 2012

God, onze redder, wil dat alle mensen worden gered (1 Tim. 2)



2 Koningen 5, 1 Timotheüs 2; Daniël 9, Psalmen 117-118
Het lijkt er vandaag op dat wanneer in discussies wordt verwezen naar 1 Timotheüs, de focus dan vooral ligt op 2:11-15. Daarom zullen we nadenken over 1 Timotheüs 2:1-7.

(1) Het is duidelijk dat Paulus aanspoort om te bidden voor al wie een gezagspositie bekleedt (2:1-2). De eerste bedoeling van dergelijk gebed is ‘opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid’ (2:2). Gods soevereiniteit strekt zich verder uit dan de kerk, tot alles wat de mens aanbelangt. Paulus weet goed dat een georganiseerde en veilige maatschappij bijdraagt tot een geregeld, gedisciplineerd leven, en daarom tot ‘godsvrucht en waardigheid’.

(2) Wanneer Paulus zegt ‘dit is goed’, is het niet meteen duidelijk of dit verwijst naar het godsvruchtig leven dat hij onder gelovigen wil zien, of naar de gebeden die ze verondersteld worden tot de Almachtige God op te zenden voor hen die gezag bekleden.

Indien het eerste, dan moet het verband met wat volgt ongeveer als volgt verlopen: als we godsvruchtige levens leiden, dan zullen precies die levens een getuigenis van het evangelie zijn voor de mensen rond ons van wie God wil dat ze ‘behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen’ (2:4).

Indien ‘dit is goed’ echter verwijst naar ons bidden, dan is het verband met wat volgt een beetje anders: Paulus zegt dat we moeten bidden voor hen die gezag uitoefenen, niet alleen opdat de maatschappij stabiel zou zijn, maar opdat ze gered mogen worden – aangezien God wil dat alle mensen tot kennis van de waarheid komen.

(3) Hoe het ook zij, het uitgangspunt is dat God levendige interesse heeft voor de bekering van mensen van overal. Dit is helemaal niet in strijd met wat de Bijbel op andere plaatsen zegt over uitverkiezing. Ongetwijfeld betoont God een speciale liefde tegenover zijn uitverkorenen. Niettemin schetst de Bijbel constant het beeld van God die eigenlijk uitroept: ‘Bekeer je! Bekeer je! Want God schept geen behagen in de dood van de goddeloze’ (vgl. Jes. 33:11, JL). Zijn standpunt tegenover deze gevallen beelddragers, hoezeer het ook gekenmerkt wordt door gerechtigheid en oordeel, omvat dit element van verlangen naar hun redding.

(4) In dit verband zegt 1 Timotheüs 2:5 eigenlijk dat de leer van het monotheïsme ook gevolgen heeft: als er maar één God is, dan moet Hij de God van allen zijn, of Hij nu als zodanig erkend wordt of niet. Als er slechts één middelaar tussen God en gevallen mensen is, dan is die ene Middelaar de enige hoop voor gelijk welk mens.

(5) Het is dan potentieel mogelijk dat Hij de losprijs voor elke man en vrouw wordt van overal (2:6). Er is geen andere Middelaar. Hij is niet de Middelaar van de Joden alleen. ‘Te juister tijd’ (2:6, of in de NSV: ‘op de door God bestemde tijd’ is deze waarheid duidelijk gemaakt – en ze vormt de kern van het apostolische evangelie dat Paulus moest prediken, heel zeker ook onder de heidenen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 23 oktober 2012

en 't is wenen, en 't is klagen ...



Hoezo, het boek Numeri niet relevant?

'Zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen' (1 Tim. 1)



2 Koningen 4, 1 Timotheüs 1, Daniël 8, Psalm 116
Een aantal jaren geleden kreeg ik een brief van iemand die me vertelde dat hij een van mijn boeken gelezen had en van streek was omdat ik vaak naar de Heer Jezus Christus verwees als ‘Jezus’. Hij citeerde verschillende passages over het belijden van Jezus als Heer (bijv. Rom. 10:9), en hoe een dergelijke belijdenis het teken is dat je de Geest bezit (1 Kor. 12:3).

Ik schreef terug en legde uit dat, wanneer ik verwijs naar de Heer Jezus Christus als Jezus, ik daarbij zijn ‘Heer-zijn’ niet ontken. Eerder is het zo dat ik het op dat moment niet weergeef.

Bovendien handelde het boek dat hij had gelezen over een van de synoptische evangeliën. In de evangeliën wordt het vaakst gewoon naar de Heer Jezus verwezen als ‘Jezus’. Dus aangezien ik een commentaar schreef over een van de evangeliën, was ik geneigd te verwijzen naar Jezus op dezelfde manier als de Schrift dit doet. Wanneer ik een passage van pakweg Paulus uitleg, ben ik geneigd overwegend de manieren te gebruiken die ook de apostel gebruikt om Jezus aan te spreken of naar Hem te verwijzen.

Ik kreeg van hem een veel bladzijden tellend document terug met daarin de meeste passages die verwijzen naar Jezus als Heer, waarbij veel redenen gegeven werden voor het belang van een dergelijke belijdenis, en nog veel meer van hetzelfde. Hij antwoordde op geen enkel punt dat in mijn brief stond: ik was louter kanonnenvoer voor zijn tirade.

Het was het antwoorden niet waard. Vanuit zijn gezichtspunt leefde hij de Schrift na. Voor mij leek hij meer dan een beetje op de mensen naar wie Paulus verwijst: ‘zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken’ (1 Tim. 1:7).

Natuurlijk heeft Paulus specifieke tegenstanders in gedachten, en hun profiel stemt niet exact overeen met dat van mijn briefschrijver. Niettemin zijn er in elke generatie mensen die in en rond de kerk frequneteren die ‘een andere leer’ brengen (1:3; NBV spreekt over een ‘afwijkende leer’, in het Engels is er sprake van ‘false doctrines’, dus eerder een valse leer, JL) en die zich wijden aan randzaken.

Een kerel die ik had onderwezen in een avondschool raakte ervan overtuigd dat hij de sleutel tot de Schrift bezat via een bepaalde omslachtige typologie van de besnijdenis. Iemand anders schreef me vanuit Australië en bood een enorme synthese die opmerkelijk onzinnig is, terwijl hij alle uitgevers veroordeelt omdat ze zo enggeestig en heterodox zijn dat ze zijn visie niet het podium bieden dat hij vindt dat die visie verdient.

Nog weer een ander schreef herhaaldelijk volumineuze brieven en drong erop aan dat ik zijn manuscript zou uitgeven omdat de hele wereld het nodig moest lezen.

Wat deze mensen gemeen hebben is valse leer, een klemtoon op randzaken (zelfs al gaat het dan niet om geslachtsregisters, 1:4) die verdraait wat centraal staat, en een arrogantie die zichzelf verraadt door eindeloos ‘ijdel gepraat’ (1:6). Wat hen ontbreekt is het doel van het evangeliegebod, en dat is liefde en ongeveinsd geloof, tot bevordering van Gods werk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 22 oktober 2012

'Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten' (2 Thess. 3)


2 Koningen 3, 2 Thessalonicenzen 3, Daniël 7, Psalmen 114-115
Het gedeelte in 2 Thessalonicenzen 3:6-13 is uniek in het Nieuwe Testament. Op geen enkele andere plaats vinden we zoveel zinnen gewijd aan de zonde van luiheid.

Het is zeker mogelijk om werk zelf of de beloningen die eruit voortkomen tot afgoden te maken. Dit is vaak waar mensen aan denken als ze neerbuigend spreken over de ‘Protestantse werkethiek’.

Maar je moet nog altijd onderstrepen dat niet rust de juiste reactie is op de zonde waarbij je van werk een afgod maakt: dit zou gewoon weer van rust en genot een afgod kunnen maken. Maar de juiste reactie is bekering, en geloof in en gehoorzaamheid aan God. Dan moet werk zijn juiste plaats krijgen in een wereld die door God en zijn Woord wordt gekaderd.

Het kan niet anders of lezers van de Bijbel merken op dat God heel wat meer zegt over werk dan over rust. De zo vaak bekritiseerde ‘Protestantse werkethiek’ begon eerder eenvoudig: toegewijde christenen dachten dat ze al hun werk aan God moesten offeren. Dit garandeerde dat ze in het algemeen toch wat harder werkten en ook heel wat eerlijker dan veel anderen. Wat te verwachten was gebeurde: velen van hen ging het voor de wind.

Twee of drie generaties verder begonnen velen natuurlijk de nadruk te leggen op het werk zelf, ofwel als het essentiële kenmerk van godsvrucht, of als een middel om rijkdom te vergaren, of allebei – en soms werd God naar de rand verdrongen.

Maar terwijl we terecht werk als afgoderij veroordelen, moeten we opletten niet naar de andere kant over te slaan, en werk te beschouwen als iets dat louter moet gedaan worden, zodat we kunnen verdergaan met wat we werkelijk belangrijk vinden: plezier hebben en onszelf dienen. Bijbels gesproken is het moeilijk om te zien in welk opzicht dit standpunt ook maar een verbetering zou kunnen zijn.

We weten niet precies wat een aantal van de gelovigen uit Thessalonika ertoe aanzette om lui te zijn. Misschien dat sommigen gewoon probeerden te profiteren van de christelijke vrijgevigheid. Er waren er zeker die minder zin hadden om aan de slag te gaan dan om zich onledig te houden met nutteloze dingen (3:11).

Maar Paulus wil er niets van weten. Dit is geen zaak van christenen die erbarming moeten tonen voor hen die werkelijk in nood zijn. Het is eerder een kwestie van christenen die degenen voor het blok moeten zetten die wel beweren christen te zijn, maar die de duidelijke richtlijnen van de apostel (3:12) niet gehoorzamen en zijn opmerkelijke persoonlijke wandel negeren (3:7-9). Hij werkte (d.w.z. voor zijn beroep) precies om dit punt te onderwijzen: ‘Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten’ (3:10).

Nu gaat Paulus nog een stap verder: betrouwbare christenen moeten uit de buurt blijven van deze bedriegers, zelfs helemaal van hen weg blijven (3:6). Op die manier kunnen ze de kerk niet verontreinigen. En nog belangrijker: zij die buiten staan zullen de wandel van dergelijke mensen niet verwarren met de wandel van christenen die de apostolische instructies blijmoedig navolgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

FYI: vrijdag en zaterdag lezing Dato Steenhuis in Menen



Nu vrijdag en zaterdag (26 en 27 okt.) staan in CC De Steiger in Menen opnieuw bijbellezingen op het programma, in de reeks 'Woorden die blijven' - over het bijbelboek 1 Johannes .

Dit keer verzorgt Dato Steenhuis (NL) de toespraken.
- Op vrijdag behandelt hij 1:5 - 2:11 en is de titel 'Woorden van Licht'.
- Op zaterdag behandelt hij 2:2-27 onder de titel 'Woorden van Waarheid'.

Meer toespraken van Dato Steenhuis in mp3-formaat vind je op www.groeieningeloof.nl

De mp3 van de eerste lezing, door Philip Nunn over 'Woorden van Leven' kun je nog steeds via deze link terugvinden.