vrijdag 6 februari 2015

Verkeerde toepassing van zuivere waarheid kan harteloos zijn (Job 5)


Genesis 39; Markus 9; Job 5; Romeinen 9

In het tweede deel van zijn rede (Job 5) gaat Elifaz uit van het standpunt dat hij aannam in het eerste deel (zie de overdenking van gisteren), maar hij voegt diverse nieuwe wendingen toe aan zijn bevlogen presentatie.

Ten eerste zegt hij dat Jobs benadering van God in deze crisis fundamenteel verkeerd is. Goed moet natuurlijk hoe dan ook aanroepen worden (5:1) – maar waarom je verbeelden dat iemand die zo verheven is als God zou antwoorden? Ondertussen is het Jobs houding die hem de das omdoet: ‘Voorwaar, de wrevel brengt de dwaas de dood, en de naijver doodt de onverstandige’ (5:2).

Elifaz spreekt vanuit zijn eigen waarneming: hij heeft gezien hoe dergelijke dwazen in het verleden bloei kenden, maar plots werden ontworteld. De implicatie is dat Jobs vroegere rijkdom de rijkdom was van een ‘dwaas’, en zijn huidige verlies is alleen aan hemzelf te wijten.

Een beetje inconsequent voegt Elifaz er nog aan toe dat menselijk lijden een functie is van de toestand van de mens: ‘Maar de mens wordt tot moeite geboren, gelijk de vonken omhoog vliegen’ (5:7).

Ten tweede vertelt Elifaz nogal eigengerechtigd aan Job wat hij zou doen als hij zich in eenzelfde situatie bevond (5:8-16). Hij zou een beroep doen op God en zijn zaak aan Hem voorleggen – niet met Jobs houding, die Elifaz onduldbaar vindt, maar met nederigheid en berouw. Uiteindelijk regeert God voorzienig en wijdt Hij zich aan het vernederen van de hoogmoedige en de sluwe en het verhogen van de arme en behoeftige. Dus zou Elifaz God benaderen als een smekeling.

Ten derde benadrukt Elifaz dat minstens een van Gods doeleinden met verlies en rampspoed bestaat uit het uitoefenen van tucht: ‘Zie, welzalig de mens, die God kastijdt; versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet. Want Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen’ (5:17-18). Zij die dit punt erkennen ontdekken dat God hun leven en rijkdom snel herstelt. Ze ontdekken in elke beproeving hoe beveiligd ze zijn.

Job kan niet naast de implicatie kijken: als hij denkt dat hij onrechtvaardig geleden heeft, dan is hij niet alleen onvoldoende nederig, maar schiet hij ook tekort in het erkennen van de genadige, tuchtigende hand van de almachtige God, en daarom blijft hij onder Gods roede in plaats van genade te vinden. ‘Zie, dit hebben wij nagespeurd’, zegt hij nogal opgeblazen, en ‘zó is het; hoor het toch en neem gij het ter harte’ (5:27).

Er schuilt wel een bepaalde mate van waarheid in wat Elifaz zegt. God tuchtigt inderdaad zijn kinderen (Spr. 3:11-12; Heb. 12:5-6). Maar dit veronderstelt dat ze die tucht nodig hebben; God tuchtigt zijn kinderen zeker niet wanneer ze het niet nodig hebben. Elifaz veronderstelt op die manier dat Job Gods tucht verdient; lezers van hoofdstuk 1 weten dat hij het verkeerd heeft.

Het is waar, God redt de nederige en vernedert mensen met hovaardige ogen (Ps. 18:28); maar Elifaz neemt ten onrechte aan dat Job wel hoogmoedig moet zijn, of hij zou zich nooit in dit lijden bevinden.

Dus hier is een les: foutieve of ongepaste toepassing van zuivere waarheid kan harteloos en wreed zijn – en zoals hier kan het ook verkeerde zaken beweren over God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 februari 2015

'Kun je verdragen dat iemand het woord tot je richt?' (Job 4)


Genesis 38; Markus 8; Job 4; Romeinen 8

De eerste rede van Elifaz beslaat twee hoofdstukken. In het eerste deel (Job 4) geeft Elifaz vorm aan zijn pleidooi:

(1) De openingszinnen zijn verleidelijk (4:2-4). Je zou bijna denken dat Elifaz respectvol toelating vraagt om Job behulpzaam te zijn met raad, op dezelfde manier als Job anderen in het verleden geholpen heeft met raad. Maar het is dit helemaal niet. Elifaz vraagt geen toelating; hij verwijt Job dat hij ontmoedigd is. Het blijkt, volgens Elifaz, dat de grote Job, die anderen geholpen heeft, het zelf niet aankan als hij wat moeilijkheden te verduren krijgt (4:5).

(2) Het volgende vers brengt ons naar de kern van de rede van Elifaz: ‘Is dan niet uw godsvrucht uw toevlucht, uw onberispelijke wandel uw hoop?’ (4:6). Met andere woorden, als Job zo vroom en onschuldig was als velen geloofden, zou hij ofwel niet in deze impasse zitten, of hij zou minstens in staat moeten zijn om boven de ontmoediging te leven. De rampen die Job zijn overkomen en de reacties van Job daarop, bewijzen dat Job schaamte of schuld verbergt die aan de kaak gesteld moet worden.

(3) Kortom, Elifaz is van mening dat je in Gods universum krijgt wat je verdient (4:7). God heeft de leiding en God is goed, dus je oogst wat je zaait (4:8).

(4) Elifaz beweert zijn rede op niets anders te bouwen dan op openbaring (4:12-21). In een soort nachtelijk visioen, zegt hij, gleed een geest voorbij zijn gezicht (4:15) en die uitte woorden van het hoogste belang: ‘Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God, of een man rein tegenover zijn Maker?’ (4:17). God is zo volkomen machtig en rechtvaardig dat zelfs de engelen die hem omringen in zijn ogen waardeloos en onbetrouwbaar zijn. Dus zijn mensen, die ‘in lemen hutten wonen, welker grondslag is in het stof’ (4:19) nog minder belangrijk, minder betrouwbaar. De implicatie is dan dat een man als Job simpelweg zijn zwakheid, zijn fouten, zijn zonde moet toegeven, en ophouden met doen alsof wat hem overkomen is iets anders is dan wat hij verdient.

Door de manier waarop Job voortgaat, suggereert Elifaz, loopt hij gevaar dat hij de God bestrijdt wiens gerechtigheid menselijke inschatting en menselijk begrip ver te boven gaat.

Hier moeten we even halt houden om de argumentatie van Elifaz te evalueren. Aan de ene kant heeft Elifaz het juist: God is volkomen rechtvaardig, buitengewoon heilig. De Bijbel verklaart elders dat een man oogst wat hij zaait (bijv. Spr. 22:8; Gal. 6:7). Maar deze waarheden kunnen op zich twee factoren over het hoofd zien.

Ten eerste is het tijdskader waarbinnen de raderen van Gods gerechtigheid malen soms zeer lang. Elifaz lijkt een sneller en duidelijker voor-wat-hoort-wat beloningssysteem voor te staan.

Ten tweede heeft Elifaz geen categorie voor onschuldig lijden, dus vaart hij een koers die een onschuldige man veroordeelt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 4 februari 2015

'Laat de dag dat ik geboren ben vergaan' (Job 3)


Genesis 37; Markus 7; Job 3; Romeinen 7

Vanaf Job 3 tot het eerste deel van het laatste hoofdstuk van het boek, met een kleine uitzondering aan het begin van hoofdstuk 32, is de tekst geschreven in Hebreeuwse poëzie. Het boek is een reusachtig drama, als een stuk van Shakespeare. Rede volgt op rede, het verloop van het drama wordt voortgedreven door het aanhoudende debat tussen Job en zijn drie ‘vrienden’. Uiteindelijk wordt nog een ander personage geïntroduceerd, en finaal is het God zelf die antwoordt.

De openingsrede is voor Job. De last van zijn uitspraken is niet mis te verstaan: hij wenste dat hij nooit was geboren. Hij is niet bereid God te vervloeken, maar hij is zeker klaar om de dag te vervloeken waarop hij werd geboren (3:1, 3, 8).

Hij wenste dat hij alles in verband met die dag kon uitwissen. Als hij niet kon doodgeboren worden (3:11, 16), waarom was hij dan niet gewoon omgekomen van de honger (3:12)? Impliciet is dit natuurlijk kritiek op God, maar indirect. ‘Waarom geeft God het licht aan hem voor wie de weg verborgen blijft, wie hij de weg verspert?’ (3:23). Wat Job ervaart is wat hij vreesde gedurende zijn jaren van overvloed (3:25). Hij heeft geen vrede, geen kalmte, geen rust, maar alleen onrust (3:26).

Vier overwegingen zullen de eerste toespraak in het juiste perspectief plaatsen:

(1) Dit is de retoriek van een man in diep leed. Zo veel van de dingen waarover wij klagen zijn onbeduidend. Zelfs onze meest ernstige redenen om te klagen zijn meestal slechts een fractie van waar Job mee te maken kreeg.

(2) Vooraleer we Job veroordelen, moeten we daarom aandachtig luisteren, zelfs met vrees. Wanneer we mensen tegenkomen die goede redenen hebben om vreselijk te wanhopen, moeten we hen even wat tijd gunnen. Het zou prachtig geweest zijn als een van de ‘vrienden’ een arm rond Jobs schouder had geslagen en met hem had mee geweend, met de woorden ‘We houden van je, Job. We doen niet alsof we het begrijpen. Maar we houden van je, en we zullen alles doen wat we kunnen voor je’.

(3) Job is duidelijk eerlijk. Hij houdt geen façade op van geveinsde vroomheid zodat niemand zou denken dat hij de groep laat vallen. De man heeft zoveel pijn dat hij wenste dat hij dood was, en hij zegt het ook.

(4) Zowel hier als doorheen het boek merk je dat hoezeer Job ook bereid is om te twisten met God, hij niet bereid is om God af te schrijven. Job is niet de moderne agnost of atheïst die het probleem van het lijden behandelt alsof het intellectueel bewijs levert dat God niet bestaat. Job weet dat God bestaat en hij gelooft dat Hij machtig is en goed. Dit is één reden waarom (zoals we zullen zien) hij zozeer ontredderd is. Jobs kwellingen zijn de kwellingen van een gelovige, niet een skepticus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 februari 2015

'Zij zagen, dat zijn smart zeer groot was' (Job 2)

Genesis 35-36; Markus 6; Job 2; Romeinen 6

Het is één ding om te volharden in standvastige trouw wanneer de verliezen, hoe pijnlijk ook, allemaal uitwendig zijn; het is een heel andere zaak om te volharden wanneer je je gezondheid verliest (Job 2). Een paar overwegingen:

(1) We hebben nog altijd te maken met onschuldig lijden. God zelf verklaart over Job ‘niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. En nog volhardt hij in zijn vroomheid’ (2:3).

(2) Tot op dit punt heeft God aangetoond dat Satan het verkeerd heeft: Jobs trouw aan God wordt niet bepaald door grove, zelfzuchtige ruilhandel. Hier vind je een man die oprecht en trouw is wanneer al zijn rijkdom en zelfs al zijn kinderen van hem afgenomen worden. Dit is wat Satan de inzet nog wat doet verhogen: ‘Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan’ zegt Satan daarom – ‘of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen!’ (2:4-5). Dus wordt een andere orde van volledig onschuldig lijden geïntroduceerd, en de achtergrond is geschetst voor de rest van het boek.

(3) Op dit punt moeten gelovigen pijnlijke vragen stellen. Klinkt dit niet alsof God Job gebruikt in een soort fantastisch experiment? Waarom zou de arme kerel zijn rijkdom, zijn gezin, zijn gezondheid, en (zoals we zullen zien) zijn reputatie moeten verliezen, gewoon maar om aan te tonen dat God het bij het rechte eind heeft in een uitdaging die hij even goed had kunnen negeren? Die vraag zou kunnen aanleiding vormen voor een heel lang boek. Ik heb geen finale, complete antwoorden. Maar we moeten sommige dingen in gedachten houden.

(a) We behoren toe aan God. Hij mag met ons doen wat hij wil. Diep in ons verzetten we ons als we herinnerd worden aan die elementaire waarheid. Maar het is wel waarheid. Ja, onze opstand is op het eerste gezicht een herinnering aan het feit hoezeer we nog altijd in het centrum van het heelal willen staan, met God die ons dient. Dit is de kern van alle afgoderij.

(b) Stel dat Job had geweten van de regeling tussen God en Satan. Een man van een minder kaliber kon misschien hevig geprotesteerd hebben, maar het is minstens plausibel te denken dat Job dergelijke informatie zou gebruikt hebben om diepgaande betekenis toe te voegen aan zijn lijden, waardoor het makkelijker zou zijn om vol te houden. Misschien dat hij zijn lijden zelfs zou zien als op een bepaalde manier verbonden met een grotere kosmische strijd tussen goed en kwaad.

(c) Andere factoren die we in gedachten moeten houden blijven uit tot het slot van het boek Job – zelfs tot het slot van het Boek, de Bijbel. Maar ik zal op sommige van deze kwesties terugkomen in de overdenking van 13 maart.

(4) Zo staat Job voor een pijnlijke en vernederende fysieke instorting, emotioneel verlies van zijn vrouw, en de komst van de drie belabberde vertroosters. Onschuldig lijden is ontzettend moeilijk te verdragen; het is nog slechter wanneer elke emotionele steun een gebroken riet blijkt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 februari 2015

'In dit alles zondigde Job niet' (Job 1)


Genesis 34; Markus 5; Job 1; Romeinen 5

De Bijbel behandelt de realiteit van het kwaad op veel verschillende manieren. Soms geschiedt gerechtigheid en wordt er gezorgd dat dit gebeurt in dit leven. In het bijzonder in het Nieuwe Testament is de uiteindelijke vergelding voor het kwaad verbonden met het aanstaande oordeel. Soms moet het lijden nederig maken, aangezien het onze eindeloze hoogmoed op de proef stelt. Soms zijn oorlog, plagen en hongersnood Gods vreselijke oordeelswapenen. Deze en vele andere thema’s worden in de Bijbel uitgelegd.

Maar het boek Job kent zijn gelijke niet als het gaat ons aan te zetten tot nadenken over het vraagstuk van onschuldig lijden. Dit wordt duidelijk gemaakt in Job 1, dat in bepaalde opzichten de rest van het boek inleidt. Job was ‘vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’ (1:1). Hoewel Job gezegend was met rijkdom en een groot gezin, beschouwde hij niets daarvan als vanzelfsprekend. Hij was zelfs actief in wat we preventieve voorbede zouden kunnen noemen, ten behoeve van zijn volwassen kinderen: hij bad en bracht slachtoffers voor hen, omdat hij vreesde dat misschien een van zijn kinderen op een voor het overige onschuldige samenkomst mogelijk zou zondigen en God vervloeken (1:5).

Job weet niet wat de lezer wel weet, dat er zich een ander drama afspeelt in de troonzaal van God. Er wordt ons weinig verteld over deze ‘zonen Gods’, deze engelen, die de Almachtige benaderen; er wordt weinig gezegd over Satan, hoewel hij duidelijk slecht is en leeft naar zijn naam, ‘Aanklager’. Het gesprek tussen Satan en God bewerkt drie dingen.

Ten eerste vormt het de inleiding voor het drama dat zich in de rest van het boek ontplooit. Ten tweede stelt het impliciet dat zelfs Satan zelf beperkt is in zijn macht en niet kan handelen zonder Gods toelating. Ten derde onthult het dat Satans intentie eruit bestaat te bewijzen dat alle menselijke trouw aan God niets meer is dan ernstig eigenbelang, terwijl het Gods intentie is aan te tonen dat een man als Job loyaal en trouw is, ongeacht de zegeningen die hij wel of niet ontvangt.

Job weet natuurlijk niets van deze schikkingen. Dat kon ook niet, want het drama dat volgt zou verknald zijn als dit wel het geval was. Op korte tijd verliest Job zijn rijkdom en zijn kinderen, allemaal door ‘natuurlijke’ oorzaken waarvan Job maar al te goed weet dat ze binnen Gods macht liggen.

Wanneer het laatste beetje slecht nieuws hem bereikt, scheurt Job zijn kleed en scheert hij zijn hoofd kaal (twee tekenen van verootmoediging) en hij aanbidt met woorden die beroemd geworden zijn: ‘Naakt ben ik uit de schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd (1:21).

De verteller becommentarieert: ‘In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe’ (1:22) – wat natuurlijk betekent, in de context van dit hoofdstuk, dat Gods inschatting van de man juist was en die van satan verkeerd.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 1 februari 2015

We draaien niet gewoon maar rondjes (Rom. 4)

Genesis 33; Markus 4; Esther 9-10; Romeinen 4

De geschiedenis ziet er anders uit in verschillende culturen. Ik bedoel niet simpelweg dat verschillende culturen hetzelfde verleden anders interpreteren (hoewel dit vaak het geval is), maar dat het begrip van wat geschiedenis is kan variëren van cultuur tot cultuur. Ja, zelfs binnen een cultuur zijn er soms concurrerende noties over wat geschiedenis is. Gedurende de voorbije decennia is de kwestie zelfs nog complexer geworden, te wijten aan de opmars van het postmodernisme en zijn innovatieve ideeën met betrekking tot wat geschiedenis is. Hoe belangrijk dit debat ook is, ik wil het hier niet verder voeren. Momenteel probeer ik het grotere beeld te schetsen.

Veel oude Grieken dachten dat de geschiedenis een cirkelbeweging maakte. Dit betekent niet dat elke cyclus zichzelf precies herhaalt, maar dat er een voortdurende herhaling is van patronen, zonder einde, geen ultieme climax, geen telos. Heel wat van het hedendaagse naturalisme denkt dat onze zon uiteindelijk zal uitgebrand zijn, en het leven op aarde aan zijn eind zal komen. Sommigen denken dat het heelal zelf uiteindelijk tot een min of meer vlakke distributie van energie zal vervallen en aan zijn einde komt; anderen denken dat het op een of andere manier zichzelf weer zal verjongen door in elkaar te klappen en opnieuw te exploderen om opnieuw een cyclus te herhalen die een beetje is zoals de huidige.

In de universiteitsdepartementen geschiedenis daarentegen zijn gebeurtenissen op een dergelijke schaal irrelevant. Geschiedenis – of die nu verwijst naar wat gebeurd is of naar onze reconstructie ervan – bestrijkt de periode waarin de mens schrijft. Alles daarvoor is ‘prehistorisch’.

De Bijbel heeft zijn eigen standpunten met betrekking tot geschiedenis, en over sommige ervan is geen onderhandeling mogelijk: als we ze uit het oog verliezen of negeren, kunnen we de Bijbel niet langer verstaan volgens zijn eigen voorwaarden. De Bijbel verhaalt zeker soms ‘wat gebeurd is’ in parabolische termen (vergelijk 2 Sam. 11 en 12), of in uiterst selectieve samenvattingen (bijv. Handelingen 7), of in poëtische vorm (Ps. 78). Maar nog belangrijker: we kunnen de Bijbel niet goed verstaan tenzij we diverse sleutelelementen uit zijn volgorde vatten.

Op de grootste schaal bezien, begint de geschiedenis bij de schepping en eindigt ze bij het ultieme telos, het finale oordeel en de nieuwe hemel en nieuwe aarde. We draaien niet gewoon maar rondjes. In Galaten 3 (zie vol. 1, overdenking voor 27 september), draait de argumentatie van Paulus om het feit dat de Mozaïsche Wet na de beloften aan Abraham kwam. Dit is hier (Romeinen 4) een beetje vergelijkbaar, waar Abrahams geloof hem tot gerechtigheid wordt gerekend nog voor hij besneden was, dus kan de besnijdenis niet tot een voorwaarde voor gerechtigheid gemaakt worden.

Onder Semitische noties van zoonschap wordt Abraham de vader van allen die geloven, besneden of niet (4:1-12). Iets gelijkaardigs kan gezegd worden van Abrahams relatie tot de Wet van Mozes (4:13-17). De volgorde van de Bijbelse geschiedenis is cruciaal.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 31 januari 2015

'Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden' (Rom. 3)


Genesis 32; Markus 3; Esther 8; Romeinen 3

Over bijna alles in Romeinen 3:21-26 bestaat strijd. Hier is geen plaats om een specifieke exegese te verdedigen. Maar volgens mij zijn dit enkele van de meer belangrijke conclusies die we moeten trekken:

(1) ‘Maar nu’ (3:21, HSV): de uitdrukking is temporaal, niet louter logisch. Paulus heeft 1:18-3:20 gewijd aan het aantonen dat iedereen van het menselijk ras, zowel Joden als heidenen – d.w.z. zij die de Wet van Mozes bezitten en zij die dat niet doen – strafschuldig staat tegenover God. Maar nu, op dit punt in de heilsgeschiedenis, is er iets nieuws gebeurd. ‘Gerechtigheid van God’ is openbaar geworden.

(2) De zinsnede ‘buiten de wet om’ bepaalt wellicht ‘openbaar geworden’ – d.w.z. een ‘gerechtigheid Gods’ is ‘openbaar geworden’ ‘buiten de wet om’.

(3) ‘De wet’ betekent hier niet zuiver ‘wetticisme’, alsof Paulus zou willen zeggen dat nu een gerechtigheid openbaar is geworden die buiten het wetticisme om gaat. Paulus’ punt is eerder dat nu, met de dood en opstanding van Jezus, een gerechtigheid van God openbaar is geworden buiten het wetsverbond om, de Wet van Mozes. Dit betekent niet dat een dergelijke gerechtigheid onaangekondigd kwam. Verre van: ‘de wet en de profeten getuigen’ er al van (d.i. de heilige Schrift), hebben er getuigenis van afgelegd. Met andere woorden: ‘de gerechtigheid Gods’ die tot ons is gekomen door Jezus, kwam er onafhankelijk van het wetsverbond, maar niettemin getuigde de oude wet – zelfs de hele Hebreeuwse Bijbel - er al van en liep ze er op vooruit.

(4) Die ‘gerechtigheid Gods’ is voor allen die geloven (3:22-24). Ze kan niet voor hen zijn die goed zijn, want Paulus heeft net twee hoofdstukken gebruikt om te bewijzen dat allen slecht zijn. Ze is daarom weggelegd voor hen die geloven, en ze komt vrijelijk door de genade van God ‘door de verlossing in Christus Jezus’ (3:24).

(5) Die verlossing werd door God bewerkt door Christus Jezus naar voor te schuiven als een ‘zoenmiddel’ (3:25), of, meer precies, als een middel tot verzoening, een zoenoffer. God werkte Jezus’ dood zo uit dat Jezus, in zijn kruisiging, stierf als ‘rechtvaardige voor onrechtvaardigen’ (1 Pet. 3:18) en daardoor God gunstig stemde of ‘verzoende’ met hen die anders slechts zijn toorn konden verwachten. Op die manier is Christus’ dood niet alleen een ‘uitdelging’ (ze veegt onze zonde weg) maar ook een ‘zoenmiddel’ (hierdoor wordt God gunstig gestemd).

Aangezien het God zelf is die in het offer voorziet, is er natuurlijk een diepere zin waarbij God zichzelf verzoent – d.w.z. Hij voorziet genadig in het offer dat zijn eigen toorn bevredigt.

(6) Anders gesteld: God offert Christus niet alleen op om goddeloze zondaren zoals wij, die geloof hebben in Jezus, te rechtvaardigen, maar ook om zijn eigen rechtvaardigheid in stand te houden, om rechtvaardig te zijn in het licht van alle zonden die ooit werden begaan (3:25-26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 30 januari 2015

Tevreden? Gevaar terug! (Esth. 7)


Genesis 31; Markus 2; Esther 7; Romeinen 2

Zo wordt Haman gespiest (Esther 7). De details van hoe dit moment in het verhaal wordt bereikt getuigen tegelijk van de voorzienige hand van God en de verhalende kwaliteiten van de auteur van dit kleine boek. Esthers tweede tuinfeest laat Haman volledig ontmaskerd achter en zonder enige verdediging. Enkele minuten later struikelt hij over zichzelf op Esthers rustbank, smekend voor zijn leven, om slechts te ontdekken dat zijn daden door de woedende koning Xerxes geïnterpreteerd worden als een ernstige poging om de koningin te molesteren.

Bovendien wordt de vijftig el hoge paal die klaargezet was om Mordechai aan op te hangen – de Mordechai die Haman gedwongen eer diende te betuigen – nu de plaats waar hij zelf ter dood wordt gebracht. De man die een genocide wilde veroorzaken wordt gedood.

Terugblikkend is de operatie zo eenvoudig verlopen. Ondanks Mordechais bittere tranen, ondanks Esthers onzekerheid en haar oproep voor drie dagen van vasten en gebed, lijkt vanuit dit gezichtspunt het resultaat bijna onvermijdelijk.

Merk niettemin op:

Ten eerste kennen we in de meeste van de conflicten waar we in terechtkomen, zeker waar het gaat om conflicten rond het evangelie en het leven en de gezondheid van Gods volk, de uitkomst niet wanneer we onverschrokken ten strijde trekken. Die kennis is voorbehouden voor God alleen. Toch mag het christelijk geloof nooit verward worden met fatalisme; de tussenkomst van Mordechai en Esther vereiste zelfonderzoek, geloof, gebed en gehoorzaamheid.

Blikken we terug, dan was zelfs hun aanwezigheid aan het hof en aan de rand van het hof Gods voorbereiding, en zeker de uitkomst was een werk van God; maar nooit mag ons vertrouwen in Gods uiteindelijke overwinning zorgen voor verzwakking in onze eigen gepassioneerde betrokkenheid, onze voorbede en onze inzet bij de zaken die Gods verbondsvolk raken.

Ten tweede betekent deze ene overwinning niet dat alle problemen van de Joden nu voorbij zijn. Een snelle blik op de rest van het boek Esther toont hoeveel weg er nog moet afgelegd worden. Dit is volkomen realistisch. Soms verheugen we ons over beslissende momenten, maar zelfs die blijken gewoonlijk slechts stappen in een veel gecompliceerder onderneming.

Paulus geeft zijn afscheidsrede voor de oudsten van Efeze (Handelingen 20), maar hij is realistisch genoeg om de voortgaande gevaren te erkennen die de kerk nog wachten (Handelingen 20:29-31). We hebben net gezien hoe onder Nehemia de muur kon gebouwd worden rond Jeruzalem en hoe de voltooiing ervan als een succes mocht beschouwd worden, en hoe onder Ezra een opwekking uitbrak bij het opnieuw instellen van de oude feesten van het verbond – maar onmiddellijk wachtten er nieuwe uitdagingen en gevaren voor nieuwe compromissen, en moesten er harde beslissingen genomen worden.

Je zult het nooit anders meemaken. Satan neemt nooit vakantie. Op het moment dat we tevreden zijn in deze gevallen wereld, keren de gevaren terug – niet in het minst het gevaar van over-gelukkig zijn.

Bereid je voor op conflict, zonder twistziek te zijn; bereid je voor op de ‘goede strijd’ (2Tim.4:7), zonder strijdlustig te zijn. Het zal minstens je leven lang blijven duren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 29 januari 2015

Lezing Raymond Hausoul 'De vrede van God': mp3 en ppt



Zaterdag 24 januari ll. gaf Raymond Hausoul in de reeks 'God leren kennen' de 4e lezing: 'De vrede van God'.

Beluister de mp3 van de lezing 'De vrede van God' door Raymond Hausoul of bekijk hierboven de bijhorende ppt-voorstelling.



'In diezelfde nacht was de slaap van de koning geweken' (Esth. 6)


Genesis 30; Markus 1; Esther 6; Romeinen 1

‘In diezelfde nacht was de slaap van de koning geweken’ (Esther 6:1). Wat een geweldig dramatische zin! Moeten we dit zien als toeval?

Zowel de Bijbel als de geschiedenis tonen ons talloze ‘toevalligheden’ die tot stand komen in de voorzienigheid van God en waarvan we de betekenis pas vatten wanneer we achterom kijken.

Zelfs in dit hoofdstuk kiest Haman die specifieke morgen om zichzelf vroeg aan te bieden aan het hof – om toelating te krijgen voor Mordechais terechtstelling dan nog! – en dit maakt van hem de man aan wie de koning die fatale vraag stelt (6:4-6). In de overdenking van 25 januari merkten we op dat de specifieke timing van het bezoek van Agrippa II aan Porcius Festus betekent dat Paulus niet anders kan dan zich op de keizer te beroepen – en dit brengt hem naar Rome.

Hetzelfde geldt wanneer Caesar Augustus meer dan een halve eeuw daarvoor in Gods voorzienigheid een volkstelling beveelt voor de Romeinse wereld, en dit bevel door de lokale voorschriften Jozef en Maria net op tijd naar Betlehem brengt voor de geboorte van Jezus. Zo wordt de bijbelse profetie vervuld dat de Messias geboren zou worden in Betlehem (Micha 5:2).

Ook de geschiedenis die helemaal buiten de canon valt biedt talloze omstandigheden waarin de allerkleinste aanpassing de loop van de gebeurtenissen veranderd zou hebben. Stel dat de Britten de codes van de ‘Enigma’ codeermachines niet hadden kunnen breken. Zou de Slag om Engeland (Battle of Britain) en zelfs Wereldoorlog II dan misschien een andere wending genomen hebben? Stel dat Hitler zijn pantsers niet had ingehouden bij Duinkerke, waar hij in plaats daarvan koos voor zijn vliegtuigen. Zouden 150.000 Britse soldaten dan gevangen genomen zijn of gedood, waardoor ook weer het aangezicht van de oorlog er anders zou hebben uitgezien?

Is het niet merkwaardig dat Hitlers Jodenvervolging enkele van de beste wetenschappers uit Duitsland dreef en naar de Verenigde Staten bracht? Had hij dit niet gedaan, is het dan niet goed mogelijk dat Hitler eerder een atoombom had uitgevonden dan Amerika? Hoe zou de geschiedenis van de voorbije vijftig jaar er dan hebben uitgezien?

Veronderstel dat Chroesjtsjov niet had geaarzeld in de Cubaanse rakettencrisis en een nucleair conflict was uitgebroken? In welke toestand zou de wereld zich dan vandaag bevinden? Veronderstel dat de kogel die op Kennedy werd gericht gemist had. Veronderstel dat de kogel die op Martin Luther King gericht werd gemist had. Veronderstel dat de kogel die de aartsbisschop wegnam in Sarajevo gemist had. Christenen kunnen onmogelijk geloven dat er van die gebeurtenissen waren, en van miljoenen andere, groot of klein, die buiten Gods controle vielen.

Zo bereidt het eerste vers van Esther 6 de lezer voor op de dramatische ontwikkelingen in dit hoofdstuk, terwijl het ons meteen onderdompelt in vele nuttige overdenkingen met betrekking tot de onnavolgbare wijsheid en bijzondere voorzienigheid van God.

Dan, aan het eind van het hoofdstuk, volgt een zin die nauwelijks minder dramatisch is: ‘Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de hovelingen des konings en zij brachten Haman ijlings naar het feestmaal dat Ester had aangericht’ (6:14).

Welk voordeel zouden lezers moeten halen uit de overdenking van dit keerpunt?


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 januari 2015

'Dit betekent allemaal niets voor mij zolang ik Mordechai, die Jood, in de Koningspoort zie zitten' (Esth. 5)


Genesis 29; Matteüs 28; Esther 5; Handelingen 28

Drie opmerkingen die voortspruiten uit Esther 5:

Ten eerste vraagt het tempo van het verhaal om een opmerking in verband met de cultuur. In onze cultuur zijn er veel omstandigheden waarin onmiddellijk beslissen vereist is. Dit geldt al evenzeer op kerkelijk vlak als in de politiek. We merken iets op dat volgens ons onrechtvaardig is en onmiddellijk grijpen we naar de telefoon, vuren we e-mails af, of hokken we bijeen over een kop koffie om de situatie te bespreken.

Natuurlijk vragen bepaalde situaties om snelheid. Steeds weerkerend uitstel is geen deugd. Maar heel wat situaties, en in het bijzonder wanneer het om menselijke relaties gaat, zouden baat hebben bij extra tijd, een trager tempo, een periode om na te denken.

We zagen al dat het nieuws over Hamans complot verspreid is doorheen het rijk. Daarom ging er heel wat tijd voorbij vooraleer Mordechai Esther benaderde en haar uitdaagde om te handelen. Zelfs dan stormde ze nog niet meteen tot in de tegenwoordigheid van de koning. Ze veroorloofde zich drie dagen van voorbereiding en gebed.

Nu bevindt ze zich in de tegenwoordigheid van de koning. Haar onbevoegde intrede werd aanvaard. Maar in plaats van meteen het probleem uit te leggen, nodigt ze rustig de koning en Haman uit voor een besloten banket. Wanneer ze daar aankomen verlaagt ze het tempo zelfs nog verder, en ze bouwt verwachting op door een vervolgbanket voor te stellen, waarop ze alles zal onthullen.

Ten tweede staat Haman voor een machtswellustige man. Hij is in hogere sferen omdat alleen de koning en hijzelf uitgenodigd zijn voor Esthers banket (5:9, 12). Zijn roem bestaat uit zijn rijkdom en zijn publieke verhoging boven de andere edelen (5:11). Het is voor hem niet genoeg om rijk en machtig te zijn; hij moet rijker en machtiger zijn dan anderen.

Ongetwijfeld zullen sommige lezers veronderstellen dat dergelijke verleidingen hen niet echt kunnen treffen, omdat ze geen toegang hebben tot de mate van rijkdom en macht die hen kwetsbaar zou maken. Dit is naïef. Kijk maar hoe vaak mensen, christen mensen, in de tegenwoordigheid van wat zij grootheid achten, immoreel worden, onwijs of makkelijk te manipuleren

Een van de grote deugden van ware heiligheid, een deugd die op onberispelijke wijze weerspiegeld wordt in de Heer Jezus, is het vermogen om op dezelfde manier om te gaan met zowel rijken als armen, of zowel sterken als zwakken. Let op voor zij die in hun nopjes zijn over rijkdom en macht en opscheppen over de machtige mensen die ze kennen. Hun geestelijke mentor is Haman.

Ten derde staat Haman voor een man die zich overgeleverd heeft aan haat. Al zijn sterktes en voordelen betekenen, ook naar hijzelf toegeeft, niets voor hem wanneer hij denkt aan Mordechai, ‘die Jood’ (5:13, NBV).

Het enige dat hem zijn verrukking kan teruggeven is het vooruitzicht van Mordechais dood (5:14). Hier vind je eigenliefde terug, het hart van alle zonde, sociaal op zijn dieptepunt: in haar bandeloze vorm, zweert ze dat ze de eerste zal zijn en wil ze de dood van iedereen die de vervulling van deze eed in de weg staat.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 januari 2015

'Wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt?' (Esth. 4)

Genesis 28; Matteüs 27; Esther 4; Handelingen 27

Door zijn verhalende eenvoud en kracht spreekt het boek Esther snel tot onze verbeelding. Hoewel we hier al drie hoofdstukken ver zijn in het boek, kunnen we toch nog van zowel zijn geur iets oppikken als van zijn boodschap, door na te denken over bepaalde elementen van Esther 4.

(1) Het boek leert ons zijn diepgaande theologische lessen via de vorm van zijn beknopte verhaal. Uitleggers laten nooit na op te merken dat het boek God niet eenmaal expliciet vermeldt. Niettemin zegt het heel wat over God en zijn voorzienigheid, over zijn bescherming voor zijn verbondsvolk (zelfs wanneer ze zich ver van het land bevinden en leren overleven tijdens de ballingschap en gedurende de verstrooiing), en over hun geloof in Hem, zelfs wanneer ze vreselijk bedreigd worden.

(2) Het boek leidt ons dus geleidelijk tot het overwegen van de vreemde omstandigheden die Esther tot opvolgster maken van koningin Vasthi, als de gemalin van koning Xerxes. Als dit punt door de onachtzame lezer over het hoofd wordt gezien, dan maakt het hoofdstuk dat we hier voor ons hebben het behoorlijk duidelijk voor iedereen, of je moet al heel kortzichtig zijn. ‘En wie weet, of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt?’ (4:14), vraagt Mordechai aan Esther via Hatak.

Mordechai verwijst hier niet naar een onpersoonlijk lot; hij is een toegewijde en vrome Jood. Maar de vorm van zijn uitspraak benadrukt Gods soevereine voorzienigheid; zelfs terwijl hij impliciet erkent dat de voorzienigheid moeilijk te doorgronden valt. Gods volk moet verantwoordelijk, wijs en strategisch handelen in het licht van de omstandigheden die rond hen spelen, in de wetenschap dat God alles bestuurt.

(3) Zelfs wanneer Mordechai rouwt en luid jammert wanneer hij Hamans complot ontdekt (4:1-3), toch laat hij zich niet gaan in fatalisme en al evenmin verliest hij zijn geloof. Nu hij tijd gehad heeft om na te denken over de vreselijke bedreiging voor zijn volk, komt hij tot de volgende conclusie (zoals hij die verwoordt tegen Esther): ‘als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, maar gij en uws vaders huis zult omkomen’ (4:14).

Aangezien God trouw is aan zijn verbondsbeloften, kan Mordechai zich niet voorstellen dat Hij zou toestaan dat het volk van God wordt uitgeroeid.

(4) Trouw aan haar opvoeding door Mordechai drukt Esther tegelijkertijd vertrouwen uit in de levende God en vermijdt ze zich aan te matigen Gods plannen voor haar leven gemakkelijk te kunnen doorgronden. Ze weet dat God er is en dat Hij aanhoudend gebed hoort en verhoort. ‘Ga heen, vergader al de Joden die zich in Susan bevinden, en vast om mijnentwil: eet noch drinkt drie dagen, zo min des nachts als des daags. Ook ik en mijn dienaressen zullen op dezelfde wijze vasten (…); kom ik om, dan kom ik om’ (4:16). Terwijl ze vastbesloten is te doen wat goed is, erkent ze dat ze haar eigen toekomst niet kan zien en geeft ze zich over aan de genade van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 januari 2015

'Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt?' (Hd. 26)

Genesis 27; Matteüs 26; Esther 3; Handelingen 26

In Handelingen 26 biedt Lukas ons het derde verslag in dit boek van de bekering van Paulus (vergelijk met Handelingen 9 en 22). Elk ervan heeft natuurlijk een ander doel. Hier verdedigt Paulus zich voor de Romeinse gouverneur Porcius Festus en Herodus Agrippa II van Galilea. De belangrijke punten omvatten onder meer het volgende:

(1) Zoals in eerdere verdedigingen benadrukt Paulus de voortzetting van zijn verleden in het conservatieve Judaïsme: met onbekeerde Joden deelt hij een ‘hoop’ voor wat God beloofd heeft aan hun vaderen en een uitzien naar de uiteindelijke opstanding (bijv. 24:15; 26:6-7).

(2) Daardoor bewerkt de merkwaardige retorische vraag van Paulus in 26:8 diverse dingen tegelijk. Hij vraagt: ‘Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt?’ De Joden die zich in de rechtszaal bevinden constateren met deze vraag dat Paulus op dit punt instemt met de Farizeïsche richting in de Joodse traditie. Impliciet is het op dit punt een hint dat als ze een theorie hebben voor God die de doden op het einde opwekt, waarom zou het dan zo onmogelijk geacht worden dat God Jezus uit de dood opwekte in afwachting van dat einde?

Voor een man als koning Agrippa, goed vertrouwd met het Joodse geloof, versterkt de vraag terug de theorieën waarmee hij al vertrouwd was. Voor een man als Festus mikte de vraag op het verminderen van het skepticisme van zijn gesofistikeerde heidense achtergrond. Voor mensen met naturalistische visie vandaag blijft dezelfde vraag een uitdaging: verwerpen van de theorie van opstanding komt voort uit een eerder verwerpen van de God van de Bijbel. Gaan we uit van de God van de Bijbel, waarom is de opstandingstheorie dan zo moeilijk aan te nemen?

(3) Paulus richt zich hoofdzakelijk tot koning Agrippa (26:2, 13, 19), dit wil zeggen, tot de heerser die het meest vertrouwd is met het Joodse erfgoed en de Bijbel. Voor zijn part, erkent Festus, is hij al op zee (25:26-27); En voor wat hij begrijpt van de leer van Paulus, beschouwt hij diens beweringen als zodanig bizar dat ze alleen aantonen dat hij gek moet zijn (26:24). Had Paulus zich in meest directe wijze tot Festus gericht, dan had hij misschien gekozen voor een aanpak zoals in Handelingen 17:16-31, de toespraak voor de Areopagus.

(4) Paulus’ directe appèl aan Koning Agrippa (26:25-29) is openlijk evangeliserend en verbazingwekkend direct, terwijl het volkomen respectvol blijft. Paulus’ verdediging is helemaal niet defensief; zijn toespraak leest meer als een evangelisatieoffensief dan het pleidooi van een bange of geïntimideerde gevangene. Maar net zoals zijn ‘verdediging’ niet defensief of afwerend is, zo wordt deze ‘aanval’ nooit beledigend.

(5) Zowel Festus als Agrippa merken dat, wat ze ook over hem mogen denken, Paulus niets gedaan heeft dat de dood of gevangenschap verdient (26:31). Had dit plaatsgevonden voor de gebeurtenissen van 25:1-12, Paulus had vrijgelaten kunnen worden. Maar nu is het zo dat een beroep op Caesar niet ongedaan gemaakt kan worden, en dus wordt Paulus in Gods voorzienigheid naar Rome gebracht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 25 januari 2015

En Paulus zeide: Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, en dáár moet ik terechtstaan (Hd. 25)


Genesis 26; Matteüs 25; Esther 2; Handelingen 25

De overgang van stadhouder Felix naar Porcius Festus (Handelingen 24:27) brengt niet onmiddellijk verbetering voor de toestand van Paulus. Maar God behoudt de controle, en in dit hoofdstuk, Handelingen 25, zet Paulus onder Gods voorzienigheid een beslissende stap. Hoe verliep dit?

(1) Nieuw in de regio en nog altijd relatief onbekend met haar politieke en godsdienstige dynamiek, is Festus vastbesloten een goede start te maken. Als hij nog maar drie dagen aangekomen is in de Romeinse regionale hoofdstad van Caesarea, reist hij al meteen naar Jeruzalem om er de lokale Joodse autoriteiten te ontmoeten. Hij had hen kunnen ontbieden; hij had zijn bezoek kunnen uitstellen. Maar daar gaat hij en hij wordt meteen geïnformeerd over de vreselijke man die Paulus is. De Joodse autoriteiten zien de aanstelling van Festus als een kans om van Paulus af te geraken. Ze drukken hun verlangen uit dat hij naar Jeruzalem zou worden overgebracht voor een rechtszaak, maar in werkelijkheid bereiden ze een aanslag voor die zeker zijn dood zou worden (25:1-3). Festus antwoordt dat Paulus in Caesarea in bewaring blijft en staat erop dat zijn gesprekspartners hun zaak daar zouden pleiten.

(2) In de volgende ronde van wettelijk gemanoeuvreer bieden de aanklachten tegen Paulus en zijn antwoorden daarop (25:6-8) Festus geen duidelijker beeld van wat hij moet doen. Terwijl hij nog altijd probeert om een goede indruk te maken op de Joodse autoriteiten (en tot op dat punt nog altijd meer bereid is om naar hen te luisteren dan naar een eenzame man die al twee jaar in de gevangenis zit), vraagt Festus aan Paulus of hij bereid is om terecht te staan voor het Romeinse gerechtshof, maar dan in Jeruzalem.

(3) We hebben geen aanwijzingen dat Paulus getipt werd over de geplande aanslag. Niettemin was hij twee jaar eerder al eens gewaarschuwd voor een vergelijkbaar complot (23:16), en het zal je niet veel moeite kosten om te bedenken dat er wellicht opnieuw op een dergelijk complot gebroed werd. Indien hij instemt met de suggestie van Festus, zal hij vermoord worden; als hij die afwijst, zal hij overkomen als onwillig en arrogant.

Dus doet hij een beroep op het recht van elke Romeinse burger in de eerste eeuw: hij beroept zich op Caesar. Dit was de juridische equivalent van je beroepen op het hoogste gerechtshof. Naar de mens gesproken was dit een wanhoopszet. Keizer Nero moest niet veel weten van lichtzinnige rechtsgedingen, en hij stond al bekend als corrupt en dronken van zijn eigen macht.

(4) Toch is dit het middel, zoals de rest van het boek aantoont, waardoor Paulus eindelijk in Rome aanbelandt. Zoals Jozef naar de paleizen van Egypte gebracht werd via de weg van slavernij en gevangenis, zo wordt Paulus voor de machtigste menselijke autoriteiten gebracht om te getuigen van Koning Jezus via de weg van gevangenschap en corrupte rechtspraak.

En ja, hoe won zelfs Jezus zijn plaats aan de rechterhand van de Vader?


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 24 januari 2015

'Maar dit erken ik voor u: dat ik volgens die Weg die zij sekte noemen, op die manier de God van de vaderen dien' (Hd. 24)


Genesis 25; Matteüs 24; Esther 1; Handelingen 24

In de rechtszaak van Paulus voor Felix (Handelingen 24) komt de stadhouder over als een man in een gezagspositie zonder morele visie om doortastend te kunnen handelen. Kortom, hij is een morele slapjanus. Hij vertegenwoordigt ook de vele machtige mensen die wel verontrust worden door het evangelie, en tot op een bepaalde hoogte wel weten dat het waar is, maar toch nooit christen worden.

Merk op:

(1) Te oordelen naar zijn aanpak en retoriek, is Tertullus een redenaar die geoefend is in de Griekse traditie en zodoende goed geplaatst is om de Joodse leiders te vertegenwoordigen in deze grotendeels Hellenistische setting. De aanklacht tegen Paulus voor het ontwijden van de tempel (24:6) is ernstig en kan met de dood bestraft worden.

Wanneer Tertullus Felix aanmoedigt om Paulus ‘in verhoor te nemen’ (24:8), bedoelt hij daar meer mee dan dat Felix een aantal doordringende vragen moet stellen. Romeins ‘verhoor’ van een gevangene betekende zonder ophouden slaan tot de gevangene ‘tot bekentenissen overging’. Romeinse officieren hadden niet het recht om een Romeins staatsburger zoals Paulus te ‘verhoren’, maar een stadhouder zoals Felix kon het ongetwijfeld klaarspelen om zo nu en dan van de regels af te wijken.

(2) Paulus’ antwoord, niet minder hoffelijk dan dat van Tertullus, spreekt de aanklacht van tempelontwijding tegen (24:12-13, 17-18) en biedt een plausibele verklaring voor de oproer door die acties toe te schrijven aan ‘enige Joden uit Asia’ (24:19).

Paulus maakt ook van de gelegenheid gebruik om te bevestigen dat hij een volgeling is van ‘de Weg’ – een prachtige uitdrukking die verwijst naar het eerste-eeuwse christendom en die mogelijk diverse allusies bevat. Het christendom is meer dan een geloofssysteem; het is een manier van leven. Bovendien biedt het een weg naar God, een weg om vergeven en aangenomen te worden door de levende God – en die Weg is Jezus zelf (zoals Johannes 14:6 expliciet stelt).

(3) Paulus benadrukt dat hij gelooft in ‘al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat’ (24:14). Die uitdrukking maakt de Wet niet tot de hoogste autoriteit, maar benadrukt niettemin dat ‘alles’ wat Paulus gelooft overeenstemt met de Wet. De Wet is dus een cruciale test die wijst naar ‘alles’ wat Paulus gelooft, maar het is niet de essentie van alles wat hij gelooft. Vergelijk Matteüs 5:17-20 en Romeinen 3:21 (zie de overdenking voor 31 januari).

(4) En Felix? Dankzij zijn Joodse vrouw Drusilla (24:24) is hij een beetje vertrouwd met ‘de Weg’ (24:22). Toch vermijdt hij hier te moeten kiezen tussen gerechtigheid en zijn verlangen om Paulus’ tegenstanders tevreden te stemmen, terwijl hij zich beroept op de noodzaak om de overste Lysias te horen.

Het is niet meer dan een uitvlucht. Hij houdt ervan met Paulus te praten en hij is zelfs bang voor zijn boodschap, maar hij stuurt de apostel telkens weer weg op het kritieke moment. Twee jaar lang wordt hij heen en weer geslingerd tussen zijn verlangen zich te bekeren en zijn verlangen naar steekpenningen. Hoe zal Felix deze twee jaren inschatten in de eeuwigheid?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 23 januari 2015

We dwalen af naar compromis en noemen het tolerantie (Neh. 13)


Genesis 24; Matteüs 23; Nehemia 13; Handelingen 23

Een van de meest treffende bewijzen voor de zondigheid van de menselijke natuur ligt in de universele neiging om neerwaarts af te drijven. Met andere woorden, er is bedachtzaamheid, vastbeslotenheid, energie en inspanning voor nodig om hervorming tot stand te brengen. Door Gods genade kunnen mensen soms dergelijke deugden vertonen.

Maar waar die deugden afwezig zijn, gaat de stroming onveranderlijk naar compromis, gemak, gebrek aan discipline, voortschrijdende ongehoorzaamheid en voortgaand verval over de generaties heen, soms aan een slakkengang, soms in galop.

Mensen drijven niet af in de richting van heiligheid. Neem de door genade bewerkte inspanning weg en mensen voelen zich niet aangetrokken tot godsvrucht, gebed, gehoorzaamheid aan de Schrift, geloof en blijdschap in de Heer.

We dwalen af naar compromis en noemen het tolerantie; we drijven af naar ongehoorzaamheid en noemen het vrijheid; we drijven af naar bijgeloof en noemen het geloof.

We verheugen ons in de ongedisciplineerdheid van de verloren zelfdiscipline en noemen het relaxen; we slungelen naar gebedsloosheid en misleiden onszelf met de gedachte dat we ontsnapt zijn aan wetticisme; we glijden af naar goddeloosheid en maken onszelf wijs dat we bevrijd zijn.

Dit is het soort situatie waar Nehemia mee te maken krijgt naar het einde toe van zijn leiderschap in Jeruzalem (Neh. 13). Hij is voor een tijd weggeweest, gedwongen door zijn verplichtingen tegenover Koning Artaxerxes om naar de hoofdstad terug te keren.

Wanneer hij voor een tweede termijn als landvoogd terugkeert naar Jeruzalem, ontdekt hij dat commerciële belangen de overhand kregen op de discipline rond de sabbat, dat compromissen met de omringende heidenen de overhand kregen over verbondstrouw, dat hebzucht een gedeelte van de bijdragen voor de geestelijkheid heeft ingehouden, en daarom zijn hun aantallen en rol gereduceerd, en dat een bepaalde combinatie van ongedisicplineerdheid en louter dwaasheid mensen als Tobia en Sanballat tot de tempel en de hoogste raden heeft toegelaten. Dit terwijl zij geen enkele interesse hebben in trouw tegenover God en zijn woord.

Door een buitengewone combinatie van vermaning, bevel en daadkracht, herstelt Nehemia de verbondstucht. Ongetwijfeld hebben veel van de godvrezende mensen een zucht van opluchting geslaakt en God voor hem gedankt; met niet minder zekerheid zullen anderen gegromd hebben dat hij een bemoeial is, een spelbreker, een kortzichtige wetticist.

Onze tolerante en relativerende cultuur past makkelijker in de tweede dan in de eerste groep – maar dit zegt meer over onze cultuur dan over Nehemia.

Ware hervorming en herleving zijn nooit in de kerk voorgekomen zonder leiders voor wie toewijding aan God van buitengewoon groot belang is. Indien de kerk in het Westen de waarden van de omringende cultuur in zich opneemt, en als de westerse kerk achterdochtig wordt tegenover dergelijke leiders, of als ze reageert met impulsief cultureel conservatisme dat al even ver af staat van Bijbelse integriteit als het compromis waarvan ze de tegenstelling vormt, dan zijn we verloren. Moge God ons genadig zijn en ons profetische leiders sturen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 22 januari 2015

Zaterdag lezing in Menen: 'De vrede van God' | door Raymond Hausoul



Komende zaterdag 24 januari geeft Raymond Hausoul (Ieper) een lezing in CC De Steiger in Menen. Titel voor deze lezing is 'De vrede van God'.
De lezing kadert in de reeks 'God leren kennen'.
Aanvangsuur is 19.30 u., iedereen is welkom en de toegang is gratis.

Ontzagwekkend en prachtig gemaakt: 9 maanden in 4 minuten




Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.


(gezien bij Justin Taylor)

'En Hij zei tegen mij: Ga, want Ik zal u ver weg zenden, naar de heidenen' (Hd. 22)


Genesis 23; Matteüs 22; Nehemia 12; Handelingen 22

Lees je Paulus’ geïmproviseerde verdediging voor de menigte (Handelingen 22), dan treft je de zuinige eenvoud van het relaas. Maar twee details zetten ons aan tot verdere overdenking:

Ten eerste moeten we ons afvragen waarom het tumult in de menigte ontstaat als dit gebeurt. Wanneer Paulus het volk begint aan te spreken in hun moedertaal, Aramees, worden ze eerst ‘te meer stil’ (22:2). Zonder in woede uit te barsten luisteren ze naar het volledige verslag van zijn bekering en zijn roeping tot het dienstwerk. Maar wanneer Paulus zegt dat de Heer hem zelf zei ‘Ga heen, want Ik zal u uitzenden, ver weg, naar de heidenen’ (22:21), kan niets minder dan zijn dood de losgeslagen kwade zin van de massa nog bevredigen. Waarom?

Het kan niet anders of de antwoorden zijn complex. Een zekere druk die de Joden voelden om afgezonderd te blijven van de heidenen was ongetwijfeld sociologisch: hun identiteit was verbonden met wetten rond rein voedsel, onderhouden van de Sabbat, besnijdenis en dergelijke, en een man als Paulus, die werd gezien als iemand die deze grenzen deed vervagen, vormde een bedreiging voor die identiteit.

Maar hun brandende passie kan niet uitgelegd worden door louter horizontale analyse. Minstens twee andere factoren moeten onderkend worden.

(1) Voor toegewijde conservatieve Joden uit Jeruzalem stond de Wet van God op het spel, de exclusieve voorrang van de tempel en hun uitleg van de Schrift. Vanuit hun oogpunt was Paulus aan het vernietigen wat God zelf had opgezet. Hij was het volk aan het verstrikken in compromissen met heidenen. Niet alleen bracht hij hun identiteit in gevaar, hij lasterde de Almachtige, en zij waren zijn volk en aangewezen om zijn openbaring te gehoorzamen en te bewaren.

(2) Tegelijkertijd kun je maar moeilijk naast het element van eigendomsrecht kijken: deze mensen handelden alsof God zodanig exclusief eigendom was van historische Joden, dat heidenen geen inzage konden krijgen. Vanuit Paulus’ gezichtspunt had dit een ernstig verkeerde en zelfs verdorven lezing van het Oude Testament als gevolg, en een trieste tribale visie van tamme huisgod. Natuurlijk wordt hun fout vandaag nog dikwijls herhaald, met minder recht, door hen die hun cultuur zodanig verbinden met hun begrip van het christelijk geloof dat de Bijbel zelf aan banden gelegd en de zendingsimpuls bevroren wordt.

Ten tweede
moeten we ons afvragen waarom Paulus op zijn Romeins staatsburgerschap staat en een geseling vermijdt, terwijl hij bij andere gelegenheden simpelweg de slagen ondergaat. Minstens een van de redenen is, dat hij geneigd is zich op zijn wettelijke status te beroepen, wanneer hij daarmee de kans groter maakt dat hij een precedent zal scheppen dat christenen zal helpen beschermen. Een van Lukas’ argumenten in deze hoofdstukken is dat het christendom politiek niet gevaarlijk is; het wordt integendeel herhaaldelijk wettelijk in het gelijk gesteld. Paulus, met zijn broers en zusters in gedachten, handelt zoals gewoonlijk in hun belang.

Eigen vertaling van de overdenking bij 22 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 21 januari 2015

'Nu heeft men hun van u verteld, dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert' (Hd. 21)


Genesis 22; Matteüs 21; Nehemia 11; Handelingen 21

In Handelingen 21 lezen we hoe Paulus en de gemeente in Jeruzalem zo inschikkelijk mogelijk proberen te zijn, maar niets mag baten. Paulus wordt gearresteerd, wat ook aansluit met de profetieën dat hij gegrepen en gebonden zou worden (21:4, 11).

Merk op:

(1) Dit is een van de ‘wij’-passages in Handelingen (21:1, 17). Op het eerste gezicht reist Lukas, de auteur, op dit moment met Paulus mee en is hij getuige van de gebeurtenissen die hier worden beschreven. Dit is het vermelden waard omdat veel critici deze gebeurtenissen compleet ongeloofwaardig vinden.

(2) De gemeente en haar leiders ontvangen Paulus en zijn berichten over de vrucht van het evangelie onder de heidenen hartelijk. Dit is volledig in lijn met hun eerdere blijdschap toen Paulus verslag uitbracht van veel bekeringen onder de heidenen (bijv. in Handelingen 15). De ervaringen in Samaria (Hand. 8) en Petrus’ bezoek aan Cornelius en diens huis (Hand. 10-11) hebben de kerk met andere woorden voorbereid om zich te verblijden in de duidelijke vooruitgang van het evangelie onder de heidenen.

(3) Niettemin zijn de leiders er zich pijnlijk van bewust dat aanzienlijke aantallen conservatie Joden erop uit zijn Paulus te pakken te krijgen. Ze hebben vernomen dat hij ‘alle Joden’ in de verstrooiing leert hun kinderen niet te besnijden en dat ze ook niet moeten leven overeenkomstig de Wet van Mozes (21:21).

Dus bedenken ze een plan om hem te helpen een reputatie te herwinnen dat hij het conservatisme navolgt (21:23-24). ‘Dan zullen allen bemerken, dat van alles, wat men hun van u verteld heeft, niets waar is, maar dat gij ook zelf medegaat in de onderhouding van de wet’ (21:24). Het is deze passage die bijzonder betwist wordt, want zegt Paulus niet zelf dat hij flexibel is in dergelijke zaken (1 Cor. 9:19-23; Gal.)? Maar voor we de oudsten van Jeruzalem en Paulus zelf afschrijven omwille van absolute incoherentie, of Lukas beschuldigen verhalen te verzinnen, moeten we opmerken:

(a) De initiële beschuldiging is dat Paulus alle Joden in de verstrooiing aanspoort de besnijdenis en de Wet van Mozes los te laten. Dat doet hij niet. Hij weigert besnijdenis en inachtneming van de reinheidswetten toe te laten als een test van geestelijkheid, maar hij pleit niet voor een universele afwijzing van de Wet. Hijzelf besneed Timotheüs om de verkondiging van het evangelie vooruit te helpen.

(b) Je krijgt het vermoeden dat de grootste angst van sommige conservatieve Joden was dat Paulus de tempel zou ontwijden (21:27-29). Daarom poogden de oudsten aan te tonen, dat terwijl Paulus in Jeruzalem was, hij een keurige orthodoxe Jood was, die zelfs betaalde voor de tempel reinigingsrituelen van anderen. Uiteindelijk legden noch Paulus noch de leiders van Jeruzalem totale onderhouding van de Wet op aan alle christen gelovigen (21:25; vgl. Hand. 15; zie vol. 1, overdenking voor 28 juli).

Zo wordt Paulus in de voorzienigheid van God gearresteerd. Op die manier komt hij voor het eerst in Rome en wordt het evangelie gehoord in Caesars paleis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 januari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.