vrijdag 23 oktober 2015

Zie, ik maak u bekend wat geschieden zal in het laatst van de gramschap (Dan. 8)


2 Koningen 4; 1 Timotheüs 1; Daniël 8; Psalm 116

Twee jaar na het gezicht van hoofdstuk 7 kreeg Daniël zijn visioen van de ram en de geitebok (Dan. 8). De tekst van 2:4 tot het eind van 7 werd in het Aramees geschreven (verwant aan het Hebreeuws, veelgebruikt in het toenmalige Babylonische en Perzische rijk).

Zowel hoofdstuk 2 als hoofdstuk 7 biedt een gezicht dat reikt van de Babylonische periode tot het aanbreken van het koninkrijk van God; de beide hoofdstukken helpen ook een beetje om de vermelde figuren uit hun respectievelijke gezichten te identificeren.

Geen van de resterende hoofdstukken in het boek Daniël heeft dezelfde brede strekking, inclusief het hoofdstuk dat we voor ons hebben. Hier ligt de focus op slechts twee dieren/koninkrijken, die blijken de middelste te zijn van de vier die in de hoofdstukken 2 en 7 worden aangeduid.

Een paar opmerkingen:

(1) De ram heeft twee horens, de ene prominenter dan de andere. De ram staat voor het Medo-Perzische rijk (8:20); de meer prominente horen is natuurlijk Perzië.
Je zult je herinneren dat dit zijn gevolg heeft voor hoe hoofdstuk 2 uitgelegd wordt (zie de overdenking voor 17 oktober).

De harige geitebok is Griekenland. Philippus van Macedonië verenigde de Griekse stadsstaten, en zijn zoon Alexander de Grote (naar wie wordt verwezen als ‘de eerste koning’ van Griekenland, 8:21) vestigde het Griekse rijk, waarbij hij haar grenzen wist uit te breiden tot de rand van Indië. Onderweg zegevierde hij tegen Perzië.

Na zijn vroegtijdige dood werd het rijk verdeeld onder zijn vier machtigste generaals (8:8, 22). Slechts twee van hen hebben invloed op de bijbelse geschiedenis, de twee die de koningshuizen vestigden waartussen het kleine Israël, het ‘Sieraad’ (8:9, NBG) of ‘het Sieraadland’ (NBV), geperst zat: de Ptolemaeën in Egypte naar het zuiden en de Seleuciden, gevestigd in Syrië naar het noorden.

In de tweede eeuw voor Christus overwonnen de Seleuciden. Eén bepaalde Seleucidische koning, Antiochus IV Epifanes, werd buitengewoon gewelddadig en onderdrukkend. Hij maakte de naleving van de Joodse godsdienst een halsmisdaad, verontreinigde de herbouwde tempel en zaaide gedurende drieënhalf jaar (ruwweg 1150 dagen, wat 2300 morgen- en avondoffers omvat, 8:14), van 167 tot 164 v.C., dood en verderf in het land, tot de guerrillaoorlog van de Maccabeeën hem uit Israël terug naar Syrië verdreef.

(2) Het gezicht zelf presenteert zichzelf als slaand op een ‘verre toekomst’ (8:26), d.w.z. bijna vier eeuwen na Daniëls tijd. Het doelt op ‘de tijd van het einde’ (8:17). De uitdrukking heeft verschillende betekenissen in verschillende contexten.

Het ‘einde’ kan verwijzen naar het einde van het geduld van de Heer in een specifieke tijd in de geschiedenis (bijv. Ezech. 7:2-3); hier heeft het ‘einde’ waarschijnlijk betrekking op de vraag die wordt gesteld in vers 13.

(3) Het laatste vers van hoofdstuk 8 getuigt van het feit dat een intense omgang met God en het krijgen van zuivere openbaring ook een fysieke tol kan eisen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 22 oktober 2015

Met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon (Dan. 7)


2 Koningen 3; 2 Thessalonicenzen 3; Daniël 7; Psalmen 114-115

Daniël legde niet alleen de dromen van anderen uit, nu en dan had hij zelf dromen die uitleg behoefden. De gebeurtenis die hier wordt beschreven (Dan. 7) vond plaats in het eerste jaar van Belsassar (7:1), d.w.z. meer dan vijftig jaar nadat Daniël naar Babylon gevoerd was.

We krijgen niet meteen de volledige openbaring. Vanaf hier tot het einde van het boek schrijft Daniël in de eerste persoon (met uitzondering van de opmerking in 10:1).

(1) Hoewel de vier dieren, die vier koninkrijken of rijken voorstellen, in een bepaalde mate opeenvolgend zijn (en in dat opzicht waarschijnlijk moeten geïdentificeerd worden als specifieke historische koninkrijken – zie onder), kan de initiële waarneming dat deze vier dieren uit de zee kwamen (spreekwoordelijk voor chaos en boosheid), naar boven gewoeld door de vier winden (d.w.z. vanuit de vier richtingen van het kompas, of van overal) een hint zijn dat ze ook allemaal koninkrijken vertegenwoordigen die zich tegen God verzetten.

(2) De evocatieve aard van deze dieren mogen we niet over het hoofd zien. De leeuw gecombineerd met de adelaar suggereert heerschappij, snelheid en kracht. De bruine Syrische beer kan tot 270 kilo wegen en heeft een geweldige honger. Het luipaard staat bekend voor zijn buitengewoon plotse en snelle aanvallen; de vier koppen tonen dat het in alle richtingen roofziek is en overal heerschappij wil. Het laatste dier is ‘vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk … het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten’ (7:7).

Horens stellen koningen of koninkrijken of heerschappij voor; dit dier heeft er tien, vijf keer meer dan de natuurlijke twee horens. De beste identificatie is dat de vier dieren respectievelijk het Babylonische, Medo-Perzische, Griekse en Romeinse Rijk voorstellen.

(3) De uitdrukking ‘mensenzoon’ is een Semitische manier van spreken over ‘mens’. De andere koninkrijken zijn beestachtig en onmenselijk; hier blijven de teugels van de macht in handen van een mens die een mens is zoals God bedoeld had.

Omwille van de parallellen tussen vers 14 en 18 en 27 hebben sommigen geargumenteerd dat ‘mensenzoon’ puur een symbool is voor ‘de heiligen des Allerhoogsten’ (7:18). Maar de kwestie is niet zo eenvoudig. Indien ‘mensenzoon’ in de verzen 13 en 14 louter een symbool is voor het volk van God, waarom zou het gezag dan gegeven worden aan iemand die is gelijk ‘een mensenzoon’?

De figuur in vers 12 is een individuele figuur, maar hij heeft een representatieve rol (zoals de Oudtestamentische priester, vgl. Ex. 19:6). Hij komt ‘met de wolken des hemels’, een gebruikelijke associatie met de heerlijkheid van de goddelijkheid. En door ‘mensenzoon’ te gebruiken, wijst het gezicht tegelijk op een koningschap dat Israël overstijgt tot het hele mensengeslacht en het pad effent voor de incarnatie. Zie Mt. 19:28; Mk. 13:26; 14:62 en Opb. 1:13-16.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 21 oktober 2015

Uw God, die gij zo volhardend dient, die bevrijde u! (Dan. 6)


2 Koningen 2; 2 Thessalonicenzen 2; Daniël 6; Psalmen 112-113

In het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil (Dan. 6) zien we een man van rond de tachtig even getrouw aan het einde van zijn leven als hij dat was aan het begin.

Een paar opmerkingen:

(1) Ondanks zijn gevorderde leeftijd maken Daniëls bestuurlijke talenten en zijn passie voor integriteit hem uiterst waardevol voor een relatief verlicht heerser als Darius. Dezelfde deugden maken hem tot doelwit van jaloezie onder mindere mannen, die al te blij zijn te kunnen deelnemen aan een vuile listen-campagne om hem neer te halen. Vuile listen werden niet uitgevonden door Nixon; ze gaan al terug tot de zondeval.

Gezegend is de christen wiens leven zo transparant is, dat geschreven kan worden dat ‘hij getrouw was en er geen verzuim of iets verkeerds bij hem gevonden werd’ (6:5), zodat de enige manier om hem of haar te treffen eruit bestaat een misdaad te maken van de christen wandel en overtuiging.

(2) Daniël dient als een voorbeeld van hoe een christen kan dienen in een regering die op zichzelf op geen enkele manier christelijk is. Hij biedt geen steun voor wie zich niet alleen aan zonde onttrekt maar ook aan verantwoordelijkheid en godvrezende invloed.

(3) De uitdrukking ‘wet der Meden en Perzen, die niet kan worden herroepen’ (6:9) was waarschijnlijk een pronkstuk van het rijk. Waarschijnlijk was dit beleid ontworpen om favoritisme, corrupte uitzonderingen en pragmatische verschuivingen te ontmoedigen.

Maar er is geen wettelijk systeem dat consistente rechtspraak kan verzekeren. Corrupte mensen zullen altijd manieren vinden om het systeem uit te buiten om anderen te onderdrukken en zichzelf te bevoordelen. Achter de slogan zit de diepere kwestie verborgen.

Historisch gezien was er lang spanning tussen positieve wetstheorie, waarin de enige wet die moet gehoorzaamd worden de wet is die wordt uitgevaardigd door de regering, en de natuurlijke wetstheorie, waarbij geleerd wordt dat bepaalde grondslagen ontdekt worden door mensen.

In de naam van gelijkheid en rechtvaardigheid schoven de Britse hoven nog niet zo lang geleden soms de positieve wet terzijde ten gunste van de natuurlijke wet waar het anders nogal duidelijk was dat onrecht werd gedaan. Zowel in Groot-Brittannië als de Verenigde Staten zijn dergelijke overwegingen vandaag zeldzaam.

In Groot-Brittannië moet je gehoorzaam zijn aan wat het parlement zegt; in de Verenigde Staten moet gedaan worden wat het Hooggerechtshof zegt. In beide gevallen krijgt de positieve wet grotendeels de overhand, zoals in het oude Perzië.

De kwestie is hier steeds moeilijker geworden, aangezien Westerse staten zijn gaan denken dat ze een therapeutische rol hebben in de maatschappij, waarbij ze de ‘ziekten’ moesten bepalen die moeten aangepakt worden en de therapieën die nodig zijn als ze voortduren. De kans op ongerechtigheid en ongelijkheid vermenigvuldigt.

(4) In de crisis die wordt veroorzaakt door deze onrechtvaardige wet, blijft Daniël consequent, en hij pronkt niet met zijn onafhankelijkheid en verbergt ook zijn overtuigingen en gewoontes niet. De uitkomst laat hij aan God over – wat heel erg doet denken aan Jezus’ gebed (‘uw wil geschiede’) en voorbeeld (Mt. 6:10; 26:39). Dergelijke maturiteit vormt daarom een kostbaar model voor ons.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 20 oktober 2015

De God, in wiens hand uw adem is en die al uw paden beschikt, Hem hebt gij niet verheerlijkt (Dan. 5)


2 Koningen 1; 2 Thessalonicenzen 1; Daniël 5; Psalmen 110-111

Na de dood van Nebukadnessar ging het snel bergaf met het Babylonische rijk. Via gewelddadige coups volgden diverse leden van het koningshuis elkaar snel op. Nabonidus bracht uiteindelijk enige stabiliteit, hoewel verschillende vazalstaten afscheurden.

Nabonidus zelf werd een religieuze dilettant. Hij verliet de aanbidding van Mardoek (oppergod in het Babylonische pantheon) en ging zover dat hij blijkbaar begraven heiligdommen liet opgraven en oude religieuze rituelen herinvoerde en de dienst aan de maangod Sin bevorderde.

Waarschijnlijk was hij op een van die vreemde religieuze zoektochten ten tijde van Daniël 5. Als resultaat daarvan had hij de zorg voor Babylon zelf in handen gegeven van zijn zoon Belsassar. (De NIV voetnoot bij 5:2, 11, 13 en 18, merkt terecht op dat Nebukadnessar alleen Belsassars ‘vader’ was in de zin dat hij zijn ‘voorouder’ was, of mogelijk zijn ‘voorganger’ – een gewoon gebruik van het Semitische woord, een beetje zoals in 2 Koningen 2:12.)

Het verslag maakt duidelijk dat het Perzische leger zich buiten de muren van de stad bevond, maar Belsassar dacht klaarblijkelijk dat de stad bestand was tegen aanvallen. De bacchanalen die hij in het leven riep waren erger dan een orgie van genotzucht. Het gouden gerei erbij halen dat was meegenomen uit de tempel van Jeruzalem, was meer dan een bevlieging.

In het verloop van de twee hoofdstukken, Daniël 4 en 5, kun je er moeilijk naast kijken dat dit een verwerpen was van wat Belsassars ‘vader’ Nebukadnessar had geleerd over de levende God. Misschien dacht Belsassar dat Babylons kansen verminderd waren door de relatieve verwaarlozing van de heidense goden.

Nebukadnessar had geleerd om de God van Israël te vereren; Belsassar was blij Hem in het gezicht te kunnen spuwen. Dus dronken ze uit de bekers en ‘zij dronken wijn en roemden de goden van goud en zilver, koper, ijzer, hout en steen’ (5:4).

Daniël ziet het verband tussen de twee heersers en dit is een onderdeel van zijn priemende terechtwijzing: Belsassar wist wat ‘God, de Allerhoogste’ aan Nebukadnessar gedaan had, en hoe Nebukadnessar terug bij zinnen gekomen was en erkend had dat ‘God, de Allerhoogste, macht heeft over het koningschap der mensen en daarin aanstelt wie Hij wil’ – en toch zette hij zichzelf af ‘tegen de Heer des hemels’ en weigerde ‘de God, in wiens hand uw adem is en die al uw paden beschikt’ te verheerlijken (5:18-24).

Ergens dacht Belsassar dat hij de God kon negeren of tarten die de veel grotere Nebukadnessar had vernederd.

Dus wat hebben we geleerd? Hebben we de les van de geschiedenis geleerd – dat God uiteindelijk niet kan bespot of veracht worden? Dat we uiteindelijk volkomen afhankelijke schepselen zijn, en dat als we die eenvoudige waarheid niet willen erkennen onze zonden daarmee nog groter worden? Dat God de minst waarschijnlijke, zoals Nebukadnessar, kan vernederen en tot bekering brengen, en hen kan verderven die Hem verachten, zoals Belsassar?


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 19 oktober 2015

U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar: het koningschap is van u geweken (Dan. 4)


1 Koningen 22; 1 Thessalonicenzen 5; Daniël 4; Psalmen 108-109

Een van de redenen waarom de verhalen van Daniël 4 en 5 bij elkaar gezet werden, zelfs ondanks het feit dat ze duidelijk uit twee verschillende periodes uit Daniëls leven komen, is dat elk ervan dient als de tegenhanger van de andere.

Beide zijn verslagen van rijke, machtige, hoogmoedige mannen. De eerste wordt, gelukkig, vernederd en daarom gespaard en getransformeerd; de tweede wordt gewoon uitgeschakeld.

Veel critici betwijfelen of het verslag van Daniël 4 iets meer is dan godsdienstige fictie om de Joden te bemoedigen. Ze merken op dat er geen melding gemaakt wordt van Nebukadnessars waanzin in de overblijvende Babylonische verslagen, en ze betwijfelen of het rijk kon zijn bijeengebleven indien de heerser zelf gedurende een bepaalde periode gek geworden was.

Geen van beide argumenten weegt zwaar. Officiële verslagen zouden niet veel gesproken hebben over Nebukadnessars periode van waanzin, en in elk geval zijn tot nog toe geen verslagen van het latere deel van zijn leven aan het licht gekomen.

Bovendien weten we niet precies hoelang Nebukadnessars waanzin duurde: het is niet zeker wat ‘zeven tijden’ (4:16) betekent. Het Romeinse Rijk overleefde in elk geval onder Caligula, wiens waanzin niemand betwijfelt.

In onze beperkte ruimte kunnen we het volgende opmerken:

(1) Nebukadnessars droom weerspiegelt zijn megalomanie. Hij heeft een narcistische persoonlijkheid:hij is aangetast door zijn eigen grootheid maar is zo onzeker dat zijn grootse fantasieën moeten gevoed worden door onophoudelijke bewondering van zichzelf.
In tegenstelling tot de egoïst die zo uiterst zelfverzekerd is dat het hem geen moer kan schelen wat iemand van hem of haar denkt, is de narcist vaak overgevoelig en emotioneel kwetsbaar. Los van alle psychologische speculaties is ‘s mans hoogmoed voor God grenzeloos (ondanks de ervaring van de hoofdstukken 2 en 3), en God is vastbesloten hem te vernederen.

(2) Daniëls aanpak van Nebukadnessar, eens hij de droom gehoord heeft, zou door elke christen prediker en counselor moeten bestudeerd worden. Aan de ene kant is hij diep geraakt te zien wat Nebukadnessar doormaakt of zal moeten doormaken (4:19). Aan de andere kant geeft hij, eens overtuigd de uitleg van de droom te moeten geven, die met bewonderenswaardige helderheid en overtuiging. Hij bewaart geen professionele afstand en neemt ook zijn toevlucht niet tot stroperige omwegen.

De psychotische instorting is waarschijnlijk een vorm van lycantropie (die vandaag onderdrukt wordt door antipsychotica). Maar eens terug bij zijn verstand (4:36), verwoordt Nebukadnessar de les die hij heeft geleerd: God is soeverein, Hij verheft en vernedert wie Hij wil, niemand kan Hem weerstaan, en elke deugd of sterkte die we bezitten komt van Hem. Er anders over denken is om terechtwijzing vragen, want Hij vermag te vernederen ‘hen die in hoogmoed wandelen’ (4:37).


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 18 oktober 2015

Het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden (Dan. 3)


1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107

Het beeld dat Nebukadnessar oprichtte (Dan. 3) was ongetwijfeld ontworpen om het rijk te verenigen. Dit is waarom hij het bevel gaf aan alle ‘volken, natiën en talen’ dat ze zich moesten ‘ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden’ (3:4-5).

Nebukadnessar leefde in een pluralistische cultuur waarin mensen straffeloos goden aan hun persoonlijke pantheon konden toevoegen, en hij zag dan ook geen reden waarom iemand zou weigeren het beeld te aanbidden, behalve vanwege opstand of onbuigzame weerstand.

Het dreigement van de oven garandeerde vanuit zijn oogpunt conformiteit, en de potentiële politieke winst viel niet te berekenen. Ovens dienden in Babylon in de eerste plaats voor het bakken van stenen (vgl. Gen. 11:3), en waren wijdverbreid omdat geschikte bouwstenen zo schaars waren. Bepaalde grote bouwsteenovens zijn opgegraven buiten de ruïnes van het oude Babylon. Nebukadnessar zou zeker geen scrupules hebben om mensen levend te verbranden (Jer. 29:22).

Het treffende gesprek in dit hoofdstuk gaat tussen Nebukadnessar en de drie jonge mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, na hun eerste weigering voor het beeld te buigen (3:13-18). De finale sneer van de heerser daagt bijna elke god uit om naar voor te stappen: ‘wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?’ (3:15).

Natuurlijk leefde hij als heiden in een wereld van krachtige maar uiteindelijk eindige goden, en bij bepaalde gelegenheden voelde hij zeker dat hij hun gelijke was of zelfs hun superieur. Vanuit het perspectief van het bijbels theïsme, is dit een afschuwelijke arrogantie.

Maar het is het antwoord van de drie mannen dat onze herinnering en overdenking waard is: ‘Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven. Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden. Maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (3:16-18).

Merk op:

(a) Hun basisbeleefdheid en respect zijn onverminderd, hoe gedurfd ook hun woorden.

(b) Ze willen zich helemaal niet verontschuldigen voor hun standpunt. De wijze gelovige verontschuldigt zich nooit voor God of voor een van zijn karaktertrekken.

(c) Ze twijfelen niet of God in staat is om hen te redden, en dat zeggen ze ook: God is niet een gegijzelde van andere goden, andere mensen, heersers of anderen.

(d) Maar of God hen nu wel of niet zal redden, kunnen ze niet weten – en het punt speelt ook helemaal geen rol in hun vastberadenheid. Trouw hangt niet af van een vluchtweg. Ze kiezen trouw te blijven omdat dit het juiste is om te doen, zelfs al kost het hen hun leven.

De moed die we in dit anti-christelijke tijdperk nodig hebben is welgemanierd en vasthoudend. Hij verontschuldigt zich nooit voor God. Die moed gelooft ook met vreugde dat God alles kan doen, maar is bereid te lijden in plaats van de krachtige gehoorzaamheid te compromitteren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 17 oktober 2015

Gij, o koning, hadt een gezicht, en zie, er was een groot beeld (Dan. 2)


1 Koningen 20; 1 Thessalonicenzen 3; Daniël 2; Psalm 106

Nebukadnessars droom (Dan. 2) zou ons vele bladzijden lang nuttig kunnen bezighouden. Hij biedt ons niet alleen inzicht in Daniël en zijn tijd, maar ook in onze tijd.

(1) Het heidense Babylonische rijk heeft zijn deel astrologen en andere voorspellers. Net als bedachtzame mensen in elke generatie koestert Nebukadnessar achterdocht over hun bekwaamheid, en hij onderwerpt ze aan deze nogal brute test. Anekdotische verslagen van ‘magische’ inzichten zijn niet bestand tegen dit analyseniveau.

(2) Daniëls gedurfde benadering van de koning maakt geen aanspraken voor zichzelf en schrijft alles toe aan God, die onze gedachten en onze dromen kent. Dit vereist moed. Hier zie je de volgende stap in de ontwikkeling van Daniëls karakter. De moedige en standvastige oude man die Daniël werd (Dan. 6) kreeg gestalte door een jongeman die God zelfs gehoorzaamde in wat hij at, en die zo eerlijk was dat hij geen enkele verdienste opeiste waar er ook geen was. Hij was toegewijd aan trouw, nederigheid, moed en integriteit. Hij heeft weinig opvolgers in hoge posities.

(3) Ongetwijfeld zouden hedendaagse psychiaters erover speculeren dat de reus in Nebukadnessars droom een diepere persoonlijke onzekerheid verraadt. Megalomane ambitie om de wereld te regeren kan een aanduiding zijn voor verborgen twijfel of iemand nu wel of niet op lemen voeten staat. Wat ook de middelen, God gebruikt het gezicht om iets diepers te openbaren – de toekomst van daaropvolgende rijken.

De meeste liberalen hebben gesteld dat de vier metalen – goud, zilver, brons en ijzer – respectievelijk staan voor Babylon, Medië, Perzië en Griekenland. Na de dood van Alexander de Grote, viel het Griekse Rijk uiteen in vier gebieden die onder elkaar ruzieden – vandaar de voeten van leem.

De latere hoofdstukken van deze profetie schenken zeker heel wat aandacht aan die periode, en ze stellen de opkomst voor van het opkomende Messiaanse rijk dat er op volgt. Niettemin is die visie gelinkt aan de theorie dat de latere hoofdstukken van Daniël op zijn minst in de tweede eeuw voor Christus geschreven werden onder een pseudoniem.

De meeste evangelicalen zien weinig bewijs om dat standpunt te ondersteunen. Bovendien wijzen ze erop dat er nooit echt een Medisch Rijk was. Het is beter te spreken van het Medisch-Perzische Rijk; het Medische element was niet veel meer dan een overgangsteam.

In die visie zijn de vier rijken dan Babylon, Medië-Perzië, Griekenland en Rome – en gedurende dit laatste rijk dient het Messiaanse koninkrijk een zware klap toe die uiteindelijk de kolos velt. Dit lijkt ook wat Jezus er over zegt (Mt. 24:15).

(4) Deze visie herinnert er ons aan dat in deze gebroken en tweeslachtige wereld het volk van God een hoop koestert voor wat God zal doen op het einde. Zonder een dergelijke hoop is er maar weinig steekhoudend aan de christelijke weg; in onze cultuur is er maar weinig dat veel steek houdt zonder een gezamenlijke na te streven visie, een visie die persoonlijke vervulling en zelfverering overstijgt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 16 oktober 2015

Daniël nu nam zich voor, zich niet te verontreinigen met de koninklijke spijze (Dan. 1)


1 Koningen 19; 1 Thessalonicenzen 2; Daniël 1; Psalm 105

‘Het derde jaar der regering van Jojakim, de koning van Juda’ (Dan. 1:1) wordt gerekend volgens de Babylonische tijdschaal; met de overeenkomstige berekening in Juda zou dit zijn vierde jaar zijn, d.w.z. 605 v.C.

De eerste reeks deportaties vond dan plaats in 605, en voerde ook Daniël mee; de tweede, met inbegrip van Ezechiël, Jojachin, de koningin moeder, de adel en bedreven ambachtslieden, vond plaats in 597. De uiteindelijke verpletterende verwoesting van Jeruzalem was in 587.

Bijna twintig jaar voor dit plaatsvond, was een aantal edele jonge Joodse mannen weggevoerd naar Babylon. Volgens Daniël 1 werden ze goed behandeld. De veroveringspolitiek was niet alleen genereus, maar ook slim. Het rijk zou deze begaafde en welopgevoede jonge mannen binnenhalen en hen de beste opleiding en sociale vorming ter wereld geven, met een rij aan extra verdiensten om het vooruitzicht nog aanlokkelijker te maken.

Na verloop van tijd zouden ze in overheidsdienst treden, ontzettend loyaal aan hun weldoeners, terwijl ze hun jeugd, vaardigheden en kennis van de rijksgrenzen zouden inbrengen. De vier Hebreeuwse mannen die hier worden vermeld, zouden uiteindelijk zodanig Babylonisch worden in hun opvattingen dat ze zelfs hun geboortenamen zouden vergeten: Daniël zou Beltesassar worden, Chananja Sadrak, enzovoort.

Maar Daniël trok een duidelijke grens. Het kon hem zijn leven gekost hebben. Hij verzette zich niet tegen de verandering in zijn naam en ook niet tegen Koninklijke dienst ten behoeve van het Babylonische rijk.

Maar hij zou zich niet ‘verontreinigen’ (1:8) door voedsel te eten dat in de Koninklijke keukens bereid werd. Hij wist dat als hij daarvan at, hij bijna zeker af en toe dingen zou eten die de Wet Gods streng verbood. Voor hem was het een kwestie van gehoorzaamheid, een zaak van het geweten.

In Gods voorzienigheid was de overste aan wie hij verantwoording moest afleggen, Aspenaz, van de begripvolle soort, en het resultaat wordt verhaald in dit hoofdstuk.

Voor velen onder ons vandaag, is Daniëls standpunt nogal onrealistisch, maar zeker niet iets om over te nemen. Waarom sterven voor sauzen? Als je erover nadenkt, is er dan wel iets waard om voor te sterven? Waarschijnlijk niet – als we in onze korte aardse tijdspanne alles vinden wat het leven omvat , en als alles wat van belang is, hetgeen is dat me overkomt.

Maar Daniëls doel was om God te behagen en het verbond te gehoorzamen. Zijn waarden konden door Babylon niet weggewerkt worden, op dit punt was Hij bereid te sterven. Het probleem is dat wanneer een cultuur geen dingen meer over heeft om voor te sterven, ook de dingen opraken om voor te leven.

Een collega in de bediening (Dr. Roy Clements) heeft vaak gezegd, ‘We zijn ofwel potentiële martelaren ofwel potentiële zelfmoordenaars; ik zie hier geen tussenweg. En de Bijbel benadrukt dat elke gelovige in de ware God een potentiële martelaar moet zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 15 oktober 2015

Hoe talrijk zijn uw werken, o HERE, Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt (Ps. 104)


1 Koningen 18; 1 Thessalonicenzen 1; Ezechiël 48; Psalm 104

‘HERE, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt U met majesteit en luister bekleed’, lezen we in het openingsvers van Psalm 104. In deze Psalm is het bewijs van de grootheid van God verbonden met de scheppingsorde.

Enkele overwegingen:

(1) In de openingsverzen (104:1-4) is de rij figuurlijke accenten revelerend. God hult zichzelf in licht; Hij spant de hemel uit als een tent; Hij maakt de wolken tot zijn wagen; Hij wandelt op de vleugelen van de wind; Hij maakt de winden tot zijn boden.

Pantheïsme vermengt God met het universum; krachtig christelijk theïsme maakt niet alleen God onderscheiden van het universum zoals de Schepper onderscheiden is van de schepping, maar suggereert in deze beeldspraken ook dat God zich verheugt in wat Hij gemaakt heeft.

De stemming is niet alleen verheven, maar ook bijna speels. Waar het pantheïsme uitgesloten is, is er evenmin ruimte voor deïsme. De geschapen orde is vol van Gods tegenwoordigheid, terwijl Hij zich verheugt in wat zijn handen hebben gemaakt.

(2) In deze psalm ligt er een sterke nadruk op de manier waarop al wat leeft afhankelijk is van de onderhoudende voorzienigheid van de Almachtige. God doet bronnen water naar valleien voeren, en zo drenken zij de dieren van het veld, groeien de bomen en nest het gevogelte des hemels in de takken (104:10-12).

God is degene die het gras doet groeien voor het vee, en andere planten maakt voor menselijke consumptie (104:14). De leeuwen brullen en begeren hun voedsel van God (104:21).

Wat de zee betreft, met zijn krioelende miljoenen levensvormen, ‘Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd’ (104:27). De loutere overvloed en diversiteit aan levensvormen getuigt van Gods verbeelding, kracht, wijsheid en niet te schatten rijkdom.

Het leven zelf wordt onderhouden door Gods bekrachtiging. Neemt Hij hun adem weg, dan sterven ze (104:29-30). Het uitgangspunt is niet het animisme van de heidense wereld. Er is een orde in het geheel (merk het ritme op van licht en duisternis, 104:19-24) die wetenschap mogelijk maakt.

Maar God trekt zich nooit terug van actieve, voorzienige heerschappij over elk afzonderlijk element van de werking van het universum, met als gevolg dat het niet alleen gepast is maar ook essentieel te belijden dat alle leven elke dag afhankelijk is van God voor zijn dagelijkse voedselvoorziening.

(3) De hele scheppingsorde ontlokt aan de naamloze psalmist vreugdevolle en vertrouwende lofzang (104:33). Er is maar een hint dat we tegen deze achtergrond aan God zouden moeten denken; we willen dat onze overdenking Hem behaagt (104:34).

En voor de slotzinnen van lofprijzing is er een stille herinnering dat ondanks de heerlijkheid en schoonheid van de scheppingsorde, de zonde dit meer tot oorlogsgebied gemaakt heeft dan tot een museum of een koor (104:35).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 14 oktober 2015

Hij doet ons niet naar onze zonden (Ps. 103)


1 Koningen 17; Kolossenzen 4; Ezechiël 47; Psalm 103

Een van de mooiste psalmen is Psalm 103. Ik stond er bij stil in volume 1 (overdenking van 11 juni). Hier wil ik terugkomen op verschillende van zijn thema’s:

(1) ‘Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid’ (103:8). Die waarheid wordt vaak verwoord in het Oude Testament. Bijvoorbeeld wanneer de Heer voorbijgaat aan Mozes terwijl die schuilt in een rotsspleet, klinkt het ‘HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw…’ (Ex. 34:6).

Toch is dit niet de indruk die veel lezers van het Oude Testament hebben van God. Ergens denken ze dat Hij een kort lontje heeft, en nooit ver af is van een uitbarsting die een volk of twee kan wegvegen. Waarom hebben ze die indruk?

Waarschijnlijk deels omdat ze het Oude Testament niet zeer nauwgezet lezen. Of misschien lezen ze het Oude Testament op een impressionistische manier: er zijn al die passages in de profeten waar de Heer dreigt met oordeel, en die kunnen een bittere nasmaak laten en een geur van sulfer.

Maar moeten we er niet de genade van de Heer in zien? Hij stelt het oordeel uit, en het kan met jaren of zelfs decennia lang vooruitgeschoven worden. Bij de eerste tekenen van oprecht berouw, keert Hij af van toorn, want de Heer ‘is lankmoedig en groot van goedertierenheid’.

Strikte gerechtigheid zou onmiddellijk zijn – eenvoudig voor een Alwetende! De waarheid is dat God ons niet doet ‘naar onze zonden’ en Hij ‘vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden’ (103:10).

(2) ‘Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig, dat wij stof zijn’ (103:13-14). Het is bijna alsof God redenen zoekt om zo lankmoedig mogelijk te kunnen zijn. Maar het is ook waar dat een menselijke vader geneigd is om veel mededogender en lankmoediger te zijn voor een zoon of dochter die Hem ‘vreest’ en Hem in wezen respecteert.

Dan is het waarschijnlijk dat elke verwarring of mislukking of fout zal behandeld worden met meer lankmoedigheid dan het gedrag van de zoon of dochter die fundamenteel anarchistisch is.
In elk geval kent deze hemelse Vader ons beter dan we onszelf kennen. Wie kan ons beter dan Hij vertellen waaruit we gemaakt zijn?

(3) In onze schuld voor een heilig God hebben we nog meest van al nodig, dat al onze zonden vergeven worden (103:3), dat Hij ze ver van ons weg doet: ‘Zover het oosten is van het westen [een afstond zonder limiet, in tegenstelling tot van noord tot zuid], zover doet Hij onze overtredingen van ons’ (103:12).

Met die verzekering zullen alle andere zegeningen van enigerlei waarde op een dag ook de onze zijn; zonder de vergeving van zonden, is elke andere zegening die we ontvangen hebben erger dan waardeloos: het kan misleidend zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 13 oktober 2015

Ik verdor als gras, maar Gij, o HERE, troont voor eeuwig (Ps. 102)


1 Koningen 16; Kolossenzen 3; Ezechiël 46; Psalm 102

Psalm 102 krijgt soms onterecht het etiket boetepsalm opgekleefd. Het klinkt veel meer als de schreeuw van een mens wiens lijden onverklaarbaar is (zoals bij Job).

Aanvankelijk is het leed privaat en persoonlijk; later wordt het overschaduwd door een groeiende zorg voor Sion. De voortgang naar Sions heerlijkheid lijkt langzaam te verlopen. Dit doet een contrast ontstaan tussen de ‘dagen’ van de psalmist die eindig en vluchtig zijn (102:4) en de ‘jaren’ van de Almachtige die eeuwig duren (102:28).

Maar hier zal ik de aandacht vestigen op de laatste verzen van de psalm. Wie regelmatig de Bijbel lezen zullen merken dat de verzen 26-28 geciteerd worden in Hebreeën 1:10-12, waar God de Messias aanspreekt, en Hem eigenlijk goddelijke status geeft. Je zou je wel kunnen afvragen hoe de auteur van de Hebreeënbrief de Oudtestamentische tekst op die manier verklaarde.

Het antwoord draait gedeeltelijk om het feit dat het oorspronkelijke Hebreeuws van het Oude Testament bestond uit wat we vandaag medeklinkers noemen. Klinkers waren er niet bij. Ze werden veel later toegevoegd – het meest gebruikte klinkersysteem werd zelfs ongeveer duizend jaar later in het christelijke tijdperk bij de Hebreeuwse tekst gevoegd.

Gewoonlijk zorgt dit niet voor problemen. Af en toe echter is het mogelijk om de Oudtestamentische medeklinkertekst te lezen met een ietwat verschillende klinkerkeuze, waardoor een verschillende betekenis ontstaat.

In dit geval bestaat er helemaal geen twijfel over de medeklinkers. Maar de oude Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, toont hoe deze vertalers het Hebreeuws verstonden – en in deze passage verstonden ze die precies zoals de Brief aan de Hebreeën die weergeeft.

De traditionele klinkerplaatsing, bewaard gebleven in onze Nederlandstalige versies, verstaat de verzen 24-25 zoals de NBG-vertaling. De gedachte is parallel aan de verzen 12-13. Maar de LLX en Hebreeën lezen het als volgt: “Hij antwoordde hem in de weg van zijn kracht, ‘Verklaar mij de geringheid van mijn dagen.

Breng mij niet op [d.w.z., zet mij niet tot actie aan] in de helft van mijn dagen; uw jaren zijn door alle geslachten heen. Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest…’’

De implicatie van deze weergave is dat God de psalmist aanspreekt , die God aanspreekt als Heer en Schepper. Dit is hoe Hebreeën het verstaat. In deze visie is de volledige Psalm Messiaans, een visionaire psalm zoals Psalm 110 (zie vol. 1, de overdenking van 17 juni).

Probeer Psalm 102 op die manier te herlezen, het houdt steek. Vergelijk het gebruik van Psalm 45 in Hebreeën 1 (zie de overdenking van 4 september): de Davidische koning wordt aangesproken als God, en dit wordt ook in Hebreeën 1 geciteerd.

Maar zelfs indien de traditionele klinkerkeuzes correct zijn, zijn de conclusies die door Hebreeën 1 getrokken worden niet ver weg, hoewel ze op basis van heel verschillende gronden moeten getrokken worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 12 oktober 2015

Heilig is Hij (Ps. 99)


1 Koningen 15; Kolossenzen 2; Ezechiël 45; Psalmen 99-101

Bepaalde van de Psalmen zijn gegroepeerd in verzamelingen. De psalmen 93-100 vieren het koningschap en de komst van de Heer. Thematisch variëren ze echter van de uitbundige jubelzang van Psalm 98 (overdenking van gisteren) tot een meer ingehouden maar uiterst onderdanig ontzag. Na de ongebreidelde vreugde van Psalm 98, volgt er in Psalm 99 een diepe eerbied. We zijn overgegaan van een praisefestival naar een kathedraal.

De psalm valt uiteen in twee delen. Het thema van het eerste deel wordt aangeduid door de herhaalde zin ‘heilig is Hij’ (99:3, 5). De betekenis daarvan beperkt zich niet tot de bewering dat God goed is of moreel (hoewel het dergelijke betekenissen niet uitsluit). De nadruk ligt op het louter ‘God-zijn’ van God – wat Hem onderscheidt van mensen, wat Hem uniek maakt als God.

De twee keer dat het zinsdeel ‘heilig is Hij’voorkomt, zijn bedoeld als stellingen die in beide gevallen de voorgaande zinnen samenvatten.

(a) De Heer regeert; Hij is verheven boven de machtige cherubim (99:1). Hoewel Hij zichzelf vertoont in Sion, is Hij geen tribale godheid: ‘Hij is verheven boven alle volken’ (99:2). ‘Dat zij uw grote en geduchte naam loven’ (99:3) – en dan het samenvattende refrein, ‘heilig is Hij’.

(b) Als Hij over alles regeert, is Hij, bovenal, de Koning (99:4). Niet alleen is Hij machtig, Hij heeft ook recht en rechtmatigheid lief. Dit maakt Hij bij uitstek duidelijk in zijn eigen verbondsgemeenschap: ‘recht en gerechtigheid hebt Gij in Jakob gedaan’. Er past ons maar één reactie tegenover een dergelijke God: ‘Verhoogt de HERE, onze God, buigt u neder voor de voetbank zijner voeten’ (99:5) – en opnieuw het samenvattende refrein, ‘heilig is Hij’.

Het tweede deel van de psalm overdenkt de waarheid dat, hoe verheven en heilig God ook is, Hij er toch voor koos zichzelf te openbaren aan mensen. We kunnen in de verleiding komen Mozes en Aäron en Samuël te zien als bijna bovenmenselijk. Maar de psalmist rangschikt hen zorgvuldig onder de priesters en onder hen die zijn naam aanriepen: ze waren niet fundamenteel anders dan anderen. Bovendien waren ze zwak en onvolkomen, zoals de rest van ons.

Volgens vers 8 was God ‘hun [niet: ‘voor Israël’, de voetnoot van de NIV-vertaling is hier correct] een vergevend God geweest’, hoewel ‘wraak oefenend over hun daden’ (volg hier de NIV-tekst, niet de voetnoot).

Het thema van Gods heiligheid eindigt dus niet in loutere transcendentie, maar in een onvoorstelbaar grote God die zich genadig openbaart aan mensen – zelfs al zijn ze opstandig tegen Hem.

We bevinden ons in hun gezelschap. Als zijn heiligheid zich zowel openbaart in genade als in toorn, dan mag die heiligheid ons niet tot wanhoop drijven maar mogen we er ook niet zomaar aanspraak op maken. ‘Verhoogt de HERE, onze God, buigt u neder voor zijn heilige berg, want: Heilig is de HERE, onze God’ (99:9).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 11 oktober 2015

Juicht de HERE, gij ganse aarde, breekt uit in gejubel en psalmzingt (Ps. 98)


1 Koningen 14; Kolossenzen 1; Ezechiël 44; Psalmen 97-98

In het anglicaanse ‘Boek of common prayer’ staat Psalm 98 bekend als de Cantate Domino (‘Zing voor de Heer’) en is hij geplaatst tussen de avondlezing van het Oude Testament en zijn Nieuwtestamentische tegenhanger. De psalm vloeit over van uitbundige lofprijzing en vreugde.

De psalm bestaat uit drie strofes. De eerste (98:1-3) bejubelt de ‘zege’ van God (die we in elk vers vinden). Het woord behelst misschien meer dan hoe wij het vandaag gebruiken. Het behelst ook overwinning over vijanden: deze ‘zege’ of overwinning werd bewerkt door de Here ‘zijn rechterhand en zijn heilige arm’ (98:1).

Maar het omvat ook hetgeen wij uitdrukken met de term redding: God verzoent mensen met zichzelf en transformeert hen door zijn genade. Aangezien God gedacht heeft ‘aan zijn goedertierenheid en aan zijn trouw jegens het huis Israëls’ (98:3), is er de glorieuze waarheid dat de HERE zijn heil bekendgemaakt heeft en zijn gerechtigheid geopenbaard’ heeft ‘voor de ogen der volken’ (98:2); en alle einden der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd (98:3).

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat we de Here ‘een nieuw lied’ moeten zingen (98:1). De uitdrukking staat niet zozeer voor een nieuwe compositie, misschien voor de gelegenheid geschreven, als wel voor een vernieuwde respons op nieuwe barmhartigheden die over ons worden uitgestort.

De tweede strofe (98:4-6) is een antwoord op de eerste. De eerste bejubelt Gods komst in kracht en redding, de tweede antwoordt op elke daad van God in uitbundige lofprijzing.

Omdat de beknopt beschreven volle verlossing nog op haar eindvervulling wacht, zijn zelfs al onze daden van lofprijs een anticipatie van het einde. We juichen ‘voor de Koning, de HERE’ (98:6) als een prelude en aankondiging van de aanvang van zijn regering.

De instrumenten die hier worden opgesomd werden regelmatig gebruikt als onderdeel van de tempeldienst (zie 1 Kron. 16:5-6) of bij vreugdevolle gelegenheden zoals de troonsbestijging van een nieuwe koning (bijv. 1 Kon. 1:39).

Waar de lofprijs van de tweede strofe zorgvuldig is samengesteld in georkestreerde zang, is de lofprijs van de derde strofe (98:7-9) onuitgesproken. Maar hij is niet minder krachtig omdat hij niet kunstig zou zijn. Zelfs nu getuigt het hele universum van de heerlijkheid van God.

Maar indien diverse Oudtestamentische passages uitkijken naar een gigantische vernieuwing van de scheppingsorde (Ps. 96:11-13; Jes. 2; 11; 55:11-12), dan kijkt Paulus niet alleen uit naar hetzelfde, maar erkent hij ook dat de vervulling afhangt van de transformatie van mensen op het einde: ‘Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.’


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 10 oktober 2015

(Dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid (Ez. 43)

1 Koningen 13; Filippenzen 4; Ezechiël 43; Psalmen 95-96

Bijna twintig jaar zijn voorbijgegaan sinds de visioenservaring waarin Ezechiël zag hoe de heerlijkheid des Heren de tempel verliet (Ez. 10:18-22; 11:22-24). Hier in Ezechiël 43:1-12 is hij getuige van de terugkeer van de Heer.

Talrijke zinnen en zinsdelen herinneren ons eraan dat de heerlijkheid die Ezechiël nu ziet moet geïdentificeerd worden als de heerlijkheid die hij eerst zag in het gezicht van de mobiele troon in Ezechiël 1-3, en als de heerlijkheid die de tempel en de stad verliet in het gezicht uit de hoofdstukken 8-11.

Ezechiël maakt het punt expliciet: ‘Het gezicht dat ik zag, was als het gezicht dat ik gezien had, toen Hij kwam om de stad te vernielen, en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had bij de rivier de Kebar. Ik viel op mijn aangezicht’ (43:3).

Binnen de symboolstructuur van het gezicht betekent dit dat God zichzelf nog maar eens manifesteert onder zijn volk. Zij moeten reageren door zich te schamen over hun zonden (43:10-11) en door zich nauwgezet te houden aan wat Hij voorschrijft (43:11).

Het hoogtepunt van het gezicht binnen het boek Ezechiël wordt gevonden in het laatste vers van het boek: ‘En de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar’ (48:35). Dit is prachtig. Overal waar de Heer is, is heilig.

‘Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus. Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig’ (1 Pet. 1:13-16).

Johannes zag een gezicht van ‘de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God’ (Opb. 21:2). De stem riep, ‘Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn’ (Opb. 21:3).

We moeten enkele punten altijd in gedachten houden:

Het evangelie wordt in de Schrift niet in de eerste plaats bewonderd om de sociale transformatie die het teweegbrengt, maar omdat het mannen en vrouwen verzoent met een heilige God.

Zijn doel is niet dat wij ons vervuld zouden voelen, maar dat we verzoend zouden worden met de levende en heilige God.

De eindvervulling is heerlijk voor het getransformeerde volk van God, niet gewoon maar omdat de omgeving van de nieuwe hemel en nieuwe aarde aangenaam is, maar omdat we voor eeuwig leven en werken en aanbidden in de stralende glans van de tegenwoordigheid van onze heilige Schepper en Verlosser.

Dit vooruitzicht moet het leven en de dienst van de kerk vormgeven, en de hartslag vormen van zijn dienstwerk. Het enige alternatief is welluidende maar zelfzuchtige afgoderij.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 oktober 2015

Hoe moeten we Ezechiëls tempel verstaan? (Ez. 42)


1 Koningen 12; Filippenzen 3; Ezechiël 42; Psalm 94

De beschrijving van de tempel (Ez. 41) wordt gevolgd door een beschrijving van de kamers die voorbehouden waren aan de priesters (Ez. 42). Maar ik zal de discussie van gisteren nog wat verderzetten en kort nog twee bijkomende manieren bespreken hoe deze hoofdstukken uitgelegd worden.

(3) Veel oudere commentatoren betogen dat de hoofdstukken 40-48 duidelijke symbolen zijn van wat vervuld is in de christelijke kerk. Er zit een bepaalde waarheid in deze visie. Ze wordt nog verder versterkt wanneer je ziet dat bijvoorbeeld Johannes’ gezicht van de heilige stad in Openbaring in grote mate afgeleid is van de taal van Ezechiël. Maar de zelfde passages in Openbaring betekenen ook de zwakte van deze uitleg.

Wanneer Johannes de taal van Ezechië gebruikt (of van Daniël of een andere Oudtestamentische auteur), dan zet hij die regelmatig om, of neemt er de woorden en zinnen van over zonder die precies op dezelfde manier te gebruiken.

Hoewel Johannes’ beschrijving van de heilige stad in grote mate gebaseerd is op Ezechiël, heeft de stad van Johannes geen tempel, want de Here God en het Lam zijn haar tempel (Opb. 21:1-22:5). In die zin is Openbaring geen directe en onmiddellijke vervulling van een reeks symbolen.

(4) Het is beter, maar ook complexer, om deze hoofdstukken te zien als behorend bij de grensgevallen van apocalyptische literatuur en typologie. Het symbolisme bevat numerieke kenmerken; haar toekomstgerichtheid komt niet louter voort uit verbale voorzegging of simplistisch symbolisme, maar uit structuren of patronen en gebeurtenissen die vooruitwijzen.

We hebben al glimpen opgevangen van dit soort dingen in de hoofdstukken 38-39, waar de eindstrijd afgebeeld wordt, wanneer God soeverein in beweging komt om al zijn vijanden te vernietigen.

Lezen we de hoofdstukken 40-48 op die manier, dan hebben ze betrekking op de messiaanse toekomst, maar in de symbolische bewoordingen van Ezechiëls tegenwoordige tijd.

De tempel is een soort uitvoering of incarnatie van de tegenwoordigheid en zegen van God in de tijd waarnaar vrome Israëlieten verlangden. Volgens deze visie zijn onder andere dit de theologische thema’s en pastorale vertroostingen van deze hoofdstukken:

(a) Gods tegenwoordigheid blijft permanent als de bron van alle zegening.
(b) Gods volk wordt volkomen hersteld, de volmaaktheid van zijn plan en van hun ervaring is terug te vinden in de volmaaktheid in de symmetrie van het gebouw.
(c) Omdat God volmaakt aanwezig is, vloeit volheid van leven en vruchtbaarheid voort vanuit Gods tegenwoordigheid naar alle dorre plaatsen op aarde. Dit is een getransformeerd universum.
(d) De aanbidding van God staat centraal, en wordt precies uitgevoerd zoals God het vereist.
(e) Recht en gerechtigheid zijn aan de orde van de dag, wat wordt gezien in de volmaakte verdeling van land en verantwoordelijkheden.

Indien dit grotendeels correct is, ligt de ultieme hoop aan het einde van de geschiedenis – maar dit einde is al de geschiedenis zelf binnengekomen, in deze laatste dagen. De eindvervulling is er nog niet, maar het koninkrijk gloort al.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 8 oktober 2015

Moeten we Ezechiël 41 - en de daaropvolgende hoofdstukken - letterlijk verstaan?


1 Koningen 11; Filippenzen 2; Ezechiël 41; Psalmen 92-93

Alhoewel Ezechiël 41 (of preciezer nog, 40:48-41:26) gewijd is aan de beschrijving van de tempel binnen het grote gezicht van hoofdstuk 41-48, wil ik de aandacht hier vestigen op hoe dit hoofdstuk, en meteen alle negen deze hoofdstukken, moeten begrepen worden.

Ik zal hier twee van de meer belangrijke opties onderzoeken, en morgen nog twee.

(1) Sommigen zijn van mening dat dit Ezechiëls visie is van wat in feite zou moeten gebouwd worden eens de ballingschap ten einde is en sommigen uit het volk naar het land terugkeren. In dit geval biedt hoofdstuk 41 specificaties voor de bouw. De sterkte van deze visie is dat het een vervolg is op de vele passages in dit boek die vertellen dat de ballingschap zal eindigen.

Niettemin moet je zeggen dat, als je het leest als bouwspecificaties, dit hoofdstuk nogal dunnetjes uitvalt (veel minder gedetailleerd dan, bijvoorbeeld, de specificaties voor ofwel de tabernakel ofwel de tempel van Salomo).

Bovendien moet hoofdstuk 41 gelezen worden binnen het kader van de hoofdstukken 40-48, en zoals we zullen zien, zijn er talrijke eigenschappen die niet letterlijk kunnen genomen worden. Er is zeker weinig bewijs voor dat zij die de tweede tempel bouwden geloofden dat ze Ezechiëls richtlijnen dienden te volgen.

(2) De mid-twintigste-eeuwse vorm van het dispensationalisme pleitte voor een gelijkaardig literalisme, maar hield het daarop dat de bouw van de tempel en de terugkeer van bloederige offers en Levitisch en Zadokitisch priesterschap zal plaatsvinden in het duizendjarig vrederijk.

De offers zouden dan op dezelfde manier terugkijken op het offer van Christus als de oudtestamentische offers vooruitkeken. Maar het is heel moeilijk om deze visie te plaatsen binnen de theologie van Hebreeën.

Bovendien zijn er veel aanwijzingen dat deze hoofdstukken niet letterlijk moeten genomen worden. De verdeling van het land (hfdst. 47-48) is vrijwel onmogelijk voor iedereen die het terrein gezien heeft.

De onmogelijke bron en de loop van de rivier (47:1-12) stelt het voorstellingsvermogen op de proef – en in elk geval krijgen zowel de tempel als de levensrivier nogal verschillende verklaringen in Openbaring, het laatste boek van de Bijbel.

Met de beste wil van de wereld valt moeilijk te zien hoe de voorgeschreven stammenreinheid van Levitische en Zadokitische geslachtslijnen hersteld kan worden.
Tussentijdse verslagen zijn verloren gegaan, zodat niemand zijn afstamming van Aäron zou kunnen bewijzen. Wellicht zou een dispensationalist kunnen redeneren dat God de noodzakelijke informatie zou kunnen openbaren.

Maar het punt is dat de stammen doorheen de eeuwen dermate vermengd zijn dat ze niet terug uit elkaar gehaald kunnen worden. Het probleem is er niet een van informatie, maar van vermengde geslachtslijnen.

Dus is deze uitlegging, precies omdat ze te maken heeft met iets aan het einde der tijden, wanneer de stammenlijnen niet langer te onderscheiden zijn, nog minder aannemelijk dan de vorige.

Hoe moeten we dan deze hoofdstukken uitleggen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 7 oktober 2015

In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg (Ez. 40)


1 Koningen 10; Filippenzen 1; Ezechiël 40; Psalm 91

Op Ezechiël 29:17-21 na, vinden de negen hoofdstukken voor ons, Ezechiël 40-48, later plaats dan de andere gezichten en godsspraken waaruit het boek bestaat. Zoals het boek begint met een gezicht, zo eindigt het er ook met een.

Hoewel dit gezicht dermate los staat van de rest van het boek dat sommigen het beschouwen als een appendix, zijn er niettemin een aantal dramatische verbanden.

In het gezicht van 8:1-11:25 zag Ezechiël de heerlijkheid van God de tempel verlaten; nu is hij getuige van de heerlijkheid die terugkeert en de nieuwe tempel vult (43:5). In de jaren die volgden op de catastrofale val van Jeruzalem heeft Ezechiël het volk vertroost met de belofte van een terugkeer naar het land en tot God; in bepaalde opzichten moet dit visioen van een tempel bemoediging en hoop gegeven hebben.

Maar dit maakt nog niet dat dit gezicht eenvoudig kan begrepen worden. Vandaag zal ik eerder in grote lijnen de gedachtestroom uitleggen, niet alleen van Ezechiël 40 maar van deze negen hoofdstukken. Morgen zal ik vier belangrijke uitleggingen uiteenzetten en deze aanduiden waarvan ik denk dat ze het dichtst staat bij wat de Schrift zegt.

In het vijfentwintigste jaar van zijn ballingschap (rond die tijd was hij ongeveer vijftig), wordt Ezechiël in een gezichtservaring meegevoerd naar ‘een zeer hoge berg’ (40:2), dicht bij wat de heilige stad blijkt te zijn. Waarschijnlijk wordt de berg Sion bedoeld.

Een engelenfiguur geeft hem een rondleiding rond het tempelgebied, terwijl hij onderweg alles opmeet. Hij begint met een gedetailleerde studie van de oostpoort tot de buitenste voorhof (40:6-16). Dit wordt snel gevolgd door de voorhof zelf, twee andere poorten tot de voorhof (noorden en zuiden), en dan poorten tot de binnenste voorhof (40:17-37).

Er zijn geen poorten aan de westzijde, omdat de tempel zelf hier gesitueerd is. Na een korte ronde langs het offergereedschap en de kamers die voorbehouden zijn aan de offerende priesters (40:38-47), krijgt Ezechiël een nogal gedetailleerde beschrijving van de tempel (40:48—41:26), gevolgd door een overzicht van het tempelgebied met bijzondere aandacht voor de kamers van de priesters (42:1-20).

De heerlijkheid van God komt de tempel binnen, en Ezechiël krijgt te horen wat hij moet doen met deze informatie (43:1-12). De rest van hoofdstuk 43 gaat over het offeraltaar en hoe het moet gebruikt worden (43:13-27).

De hoofdstukken 44 en 45 geven de bepalingen voor het organiseren van de tempel (vooral met betrekking tot de Levieten en Zadokieten), en dan voor de verdeling van het land rond de tempel.

Meer rituele bepalingen volgen (45:18—46:24). Ezechiël 47:1-12 beschrijft een waterstroom vanuit het heiligdom die leven brengt in de kale Dode Zee-vallei. De rest van het gezicht verdeelt het land over de twaalf stammen en duidt de poorten van de stad aan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 6 oktober 2015

Ik zal Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen (Ez. 39)

1 Koningen 9; Efeziërs 6; Ezechiël 39; Psalm 90

Ezechiël 38 zet de Godsspraak tegen Gog in; Ezechiël 39 zet die voort. Hier wordt Gogs val opnieuw verhaald, maar in andere bewoordingen. Dit is typisch voor Hebreeuwse semi-poëzie. We hebben niet te maken met een afzonderlijk verslag van hetzelfde, iets dat op een of andere manier is achterwege gebleven bij het eerste verslag. De Hebreeuwse retoriek houdt ervan rond te cirkelen en uit te weiden over vroegere beweringen, zelfs als dit conflicteert met onze westerse zin voor volgorde.

Twee opmerkingen:

(1) Er zijn tal van aanwijzingen dat deze twee hoofdstukken zijn overgegaan van een letterlijke of grotendeels prozaïsche beschrijving van de strijd naar de apocalyptische beschrijving van de ultieme strijd. Dit betekent niet dat die ultieme strijd niet reëel is. Het betekent dat zijn vorm en details niet komen bovendrijven bij de tekst.

De oorlogstuigen zijn de wapens van Ezechiëls tijd (‘schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren’, 39:9) – maar deze strijd vond zeker niet in enige letterlijke betekenis plaats in Ezechiëls tijd, en indien hij aan het einde van de geschiedenis zou plaatsvinden, zouden dit niet de oorlogswapens zijn.

Typisch voor apocalyptische literatuur hebben we nu netjes afgeronde tijdspannes: zeven jaar (39:9), zeven maanden (39:12, 14).

De triomferende Israëlieten zijn er getuige van hoe de vogels en wilde dieren het vlees eten en het bloed drinken van machtige mannen en vorsten van de aarde, die geofferd zijn als rammen, lammeren, bokken en stieren (39:17-19).

Beweren dat dit alleen maar beeldspraak is om te zeggen dat alle vijanden zullen verslagen worden is instemmen met mijn punt: de taal is dieperliggend en symbolisch-geladen, en je moet zorgvuldig lezen.

(2) Het is God zelf die Gog en zijn leger uit het ‘verre noorden’ brengt (39:2) om ze te vernietigen. Dit is zowel vergelijkbaar als ook niet met een belangrijk thema in de grote profeten dat we al eerder opmerkten. De profeten blijven zeggen dat de grootmachten (Assyrië, Babylon) die Israël en Juda tuchtigen, dit doen onder Gods krachtige beweging, hoewel ze zelf verantwoordelijk geacht worden voor hun gewelddaden (bijv. Jes. 10:5 e.v.).

Het beeld hier bevestigt Gods soevereiniteit over deze heidense volkeren, maar nu gebruikt Hij hen niet om de verbondsgemeenschap te tuchtigen, maar om ze naar hun eigen ondergang te leiden. Het Bijbelboek waarin dit thema het duidelijkst wordt uitgewerkt, is Openbaring.

Gelovigen moeten bemoediging vinden in het feit dat zelfs in deze wereld van vreselijke wreedheid en ongerechtigheid, God uiteindelijk de overtreders naar het laatste oordeel zal leiden.

Gerechtigheid zal niet alleen geschieden, maar er zal worden op toegezien dat ze geschiedt. Dus laten we de moed niet zakken. We koesteren en voeden het apocalyptische gezicht, niet omdat het een prozaïsche routekaart is van de geschiedenis die voor de deur staat, maar omdat het een voorbode is van de finale overwinning van God.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 5 oktober 2015

Zo zegt de Here HERE: zie, ik zàl u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! (Ez. 38)


1 Koningen 8; Efeziërs 5; Ezechiël 38; Psalm 89

De hoofdstukken 38-39 van Ezechiël zijn van de moeilijkste hoofdstukken uit het hele boek. In verschillende opzichten onderscheiden ze zich van wat er aan voorafgaat en wat er op volgt. Misschien is het volgende de eenvoudigste verklaring.

De hoofdstukken 40-48 spelen zich zoveel later af dan het grootste deel van het boek (het vijfentwintigste jaar van de ballingschap, 40:1) dat ze bijna als een appendix zijn voor de rest van de visioenen en orakels. In dat geval moeten de hoofdstukken 38-39 gezien worden als een besluit van de voorafgaande zevenendertig hoofdstukken, maar niet noodzakelijk als een brug naar de hoofdstukken 40-48.

Hoe deze profetie tegen Gog dan precies dient als een conclusie voor alles wat daaraan voorafgaat in Ezechiël, hangt heel erg af van hoe je deze twee hoofdstukken interpreteert. Zelfs nog maar de mogelijkheden oplijsten zou van deze korte overdenking een commentaar maken, dus moet ik me grotendeels beperken tot enkele aarzelende conclusies.

Het kan niet aan de aandacht ontsnapt zijn dat ik er in diverse voorgaande hoofdstukken voor koos om bepaalde gedeeltes niet te becommentariëren. Dit was deels niets meer dan selectiviteit omwille van mijn beperkte ruimte. Maar deze passages zijn deels vergelijkbaar en we kunnen ze op een nuttige manier gezamenlijk overdenken.

Bijvoorbeeld grijpt 37:25-28 vooruit naar de tijd waarin Israël, onder Gods knecht David, ‘tot in eeuwigheid’ in het land zal wonen, en ‘mijn knecht David (…) hun voor eeuwig tot vorst’ zal zijn. Gods heiligdom staat ‘voor eeuwig’ te midden van hen. Dergelijke taal moet je ofwel helemaal zo laten staan – een tempel in Jeruzalem, met een Davidische koning, en de troon en tempel die voor altijd blijven – of ze wijst naar iets dat dit overstijgt.

Om redenen die duidelijker zullen worden, ben ik geneigd te denken dat deze en vergelijkbare profetieën vooruitblikken naar de heerlijke messiaanse toekomst, maar grotendeels in de bekende bewoordingen van het oude verbond gegoten zijn. Diezelfde bewoordingen, zo benadrukken de Nieuwtestamentische schrijvers, hebben een voorzeggende functie die wordt vervuld in Jezus de zoon van David en in alles wat Hij brengt.

In dezelfde trant begint Ezechiël 38 met het aanklagen van ‘Gog, grootvorst van Mesek en Tubal’ (38:3). De suggestie dat deze namen verwijzen naar Moskou en Tobolsk is zonder linguïstische waarde. Dit paar namen verschijnt ook elders (Gen. 10:2; 1 Kron. 1:5; Ezech. 27:13; 32:26) en verwijst naar de bekende stammen van Moschoi and Tibarenoi. Gog kan misschien geïdentificeerd worden als Gyges, koning van Lydia (in bepaalde oude verslagen Gûgu genoemd).

Wat belangrijker is, deze verwachte benden met vijanden voor Gods volk komen van ‘ver in het noorden’ (38:6) – wat de richting is van waaruit Israëls ergste vijanden altijd kwamen.

Het hoofdstuk eindigt in apocalyptische beeldtaal (38:18-23) – wat de scene doet aanvoelen als een geïdealiseerde en finale uitval tegen het volk van God, waarin God zijn naam en zijn doel rechtvaardigt. Zo zien alle voorgaande aanvallen vooruit naar en komen ze tot hun einde in deze finale apocalyptische slag.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 4 oktober 2015

Eén herder zal er voor hen allen zijn (Ez. 37)


1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87—88

Sinds de aankondiging van de val van Jeruzalem heeft Ezechiël nieuw leiderschap beloofd, een terugkeer tot het land, en een morele en geestelijke transformatie. Maar net als zijn eerdere aankondiging van de val van Jeruzalem op aanzienlijk scepticisme stootte, zo wordt nu zijn aankondiging van de zegeningen op hetzelfde onthaald.

Het volk is verstrooid, hun steden verwoest, en veel volksgenoten zijn over het buitenland verspreid, terwijl ze als ballingen in vreemde landen leven. Het is moeilijk zelfs maar een glimp van hoop te ontwaren. Daarom schreeuwen ze ‘Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan’ (37:11).

In Ezechiël 37 biedt God een gezicht en een objectles om die hoop te wekken en te voeden.

Eerst krijg je het gezicht van de vallei met de dorre doodsbeenderen (37:1-14). Ezechiël krijgt deze ‘zeer dorre’ beenderen te zien en krijgt de vraag ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?’ (37:3).

De beenderen vertegenwoordigen de Israëlieten in ballingschap. De noordelijke stammen zijn al anderhalve eeuw in ballingschap. De ballingengemeenschap in Babylon, waar Ezechiël leeft, is daar een decennium. De beenderen zijn zelfs zeer dor.

Ten eerste wordt Ezechiël bevolen tegen de beenderen te profeteren. Wonderlijk genoeg komen de beenderen bij elkaar en worden ze bedekt met vlees en huid – maar we zijn slechts van skeletten naar lichamen gegaan.

Dan krijgt Ezechiël de opdracht te profeteren tot de ‘adem’ (ruach, wat tegelijk ‘geest’ en ‘wind’ betekent). Nu komen de lichamen tot leven en gaan ze op hun voeten staan – ‘een geweldig groot leger’ (37:10).

Met andere woorden: hoewel prediking op zich bepaalde veranderingen bewerkt, is hetgeen vereist is de ingrijpende kracht van de Geest van God.
Binnen de metaforische wereld is dit niets minder dan opstanding uit de dood (37:12). De betekenis van het gezicht is echter dat God zijn Geest zal uitstorten, en de ballingschap zal eindigen (37:14).

Het tweede deel van het hoofdstuk is gewijd aan de objectles van de twee stukken hout (37:15-28).

Het eerste stuk hout vertegenwoordigt Juda; het tweede vertegenwoordigt de noordelijke stammen van Israël. Ezechiël staat voor God. Bij het aaneenzetten van de twee stukken hout, verklaart God dat er bij de beloofde terugkeer niet langer twee koninkrijken zullen zijn, maar één. ‘En één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken’ (37:22).

Nog maar eens komt de belofte van innerlijke transformatie naar voren: ‘Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn’ (37:23).

Wat nog het belangrijkste is, de beloofde Messias zal hen leiden: ‘En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden’ (37:24).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 3 oktober 2015

Maar gij, bergen van Israël, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israël (Ez. 36)


1 Koningen 6; Efeziërs 3; Ezechiël 36; Psalm 86

Net zoals God in hoofdstuk 35 via Ezechiël de berg Seïr aanspreekt (de regio van de Edomieten), zo richt Hij zich in Ezechiël 36 tot de bergen van Israël (36:1-15). Deze retorische techniek heeft als effect dat hij de hoofdstukken 35 en 36 verbindt, vooral aangezien Edom opnieuw specifiek bij naam wordt genoemd (36:5; zie de overdenking van gisteren).

Het eerste deel van de rede tot de bergen van Israël veroordeelt de vijanden die hen verwoest en geplunderd hebben, vooral Edom (36:1-7); het tweede deel (36:8-15) voorziet een tijd waarin de bergen opnieuw voorspoedig zullen zijn.

De belofte dat de bergen opnieuw vruchtbaar en dichtbevolkt zullen zijn is precies het tegenovergestelde van de vloek die tegen Edom uitgesproken wordt (35:3, 7, 15). Alsof een dergelijke aanspreking van de bergen van Israël het gevaar met zich meebrengt dat de Israëlieten zichzelf zullen beginnen zien als louter slachtoffers en niet als zondaars die rampspoed over zich oproepen, biedt God een korte historische terugblik (36:16-21). Het doel ervan is te herhalen dat God zijn toorn over het land deed komen omdat het verbondsvolk zelf zo zondig was. Het heeft zelf het land ‘verontreinigd door zijn handel en wandel’ (36:17).

Maar voor de toekijkende heidense wereld leek het alsof de God van Israël niet in staat was zijn eigen volk te beschermen. Dus omdat God zijn heiligheid wil tonen onder de volkeren van de wereld, voor wiens ogen het verbondsvolk het vertreden hebben, zal God actie ondernemen. Hij zal dit niet doen omwille van het huis van Israël (36:22) – d.w.z. alsof ze het verdienden – maar ter wille van zijn eigen naam (36:22-23).

En welke actie zal Hij ondernemen om zijn heerlijkheid te bewaren? Ten eerste zal Hij de ballingen fysiek laten terugkeren tot hun thuisland (36:24). Ten tweede zal Hij daarop krachtige morele en geestelijke veranderingen laten volgen. Het besprenkelen met rein water (36:25) betekent meer dat vergeving van zonden. De taal is afgeleid van rituele wassingen (Ex. 30:17-21; Lev. 14:52; Num. 19:17-19), maar hier is het verbonden met het reinigen van het volk van de vuiligheid van de afgoderij.

Het geschenk van een ‘nieuw hart’ en een ‘nieuwe geest’ suggereert niet louter aspecten van menselijke persoonlijkheid, maar de transformatie van het gehele menselijke karakter. Dit is het equivalent van Jeremia’s belofte van een nieuw verbond (Jer. 31:31 e.v.); zijn taal wordt terug opgenomen door de Heer Jezus in zijn beschrijving van de nieuwe geboorte (Joh. 3); de transformatie wordt beschreven door Paulus (bijv. Rom. 8). Dit is wat oprechte bekering bewerkt (Ez. 36:31-31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 2 oktober 2015

Zoals gij u verheugt omdat het erfdeel van het huis Israëls verwoest is, zó zal Ik aan u doen (Ez. 35)

1 Koningen 4-5; Efeziërs 2; Ezechiël 35; Psalm 85

Je zou je best kunnen afvragen waarom Edom speciaal moet aangeklaagd worden in Ezechiël 35. Hoort dit materiaal niet thuis bij de hoofdstukken 25-32? Zou deze passage niet moeten verbonden worden met de korte aanklacht tegen Edom in 25:12-14?

De eenvoudigste oplossing is natuurlijk te veronderstellen dat dit een latere invoeging is (hetgeen door sommige critici beweerd wordt). Maar dit werpt terug de vraag op: waarom was degene die invoegt zo dwaas? Als we bovendien geen redenen kunnen vinden waarom de plaats van dit hoofdstuk zinvol is, dan maakt het natuurlijk wel uit als het hier geplaatst wordt in de originele tekst.

Formeel gezien behoudt Ezechiël 35 iets van de structuur van de aanklachten in hoofdstuk 34: ‘omdat … daarom’ (bijv. 35:5-6, 10-11). Wat belangrijker is, van alle omringende landen was Edom in een bepaald opzicht een speciaal geval. Het volk van Edom stamde af van Ezau, en de oude rivaliteit tussen Jakob en Esau was overgegaan in de rivaliteit tussen Israël en Edom, twee volkeren van verwanten die verdeeld waren door een gedeelde vijandigheid.

Edom wordt natuurlijk niet specifiek vermeld in dit hoofdstuk; de verwijzing is in de plaats naar de berg Seïr (35:2) – d.w.z. de bergstreek oostelijk van de Arabah, de vallei die zuidelijk loopt van de Dode Zee. Daar koesterden ze hun ‘oude vijandigheid’ (35:5).

Maar de vier verwijzingen naar ‘bloed’ in dit hoofdstuk (Hebreeuws ‘dam’) kan een bewuste woordspeling zijn met het onvermelde woord Edom, als een manier om aan te duiden dat Edoms gevoelloze bedrog des te weerzinwekkender was omwille van de graad van verwantschap die ze hadden met Israël. Toen Jeruzalem op het punt stond in te storten, hoopte Edom te kunnen profiteren van de vernietiging van de ‘beide volken’ (35:10, Israël en Juda) voor territoriale uitbreiding.

Waarschijnlijk probeerden ze steun aan Nebukadnessar als pasmunt te gebruiken voor de belofte van territoriale winst. Bovenal is hun leedvermaak met hun gevallen rivalen (35:12-15) in Gods ogen niets minder dan de Heer zelf verachten: de Here was daar (35:10), verklaart God; ‘gij hebt een hoge toon tegen Mij aangeslagen en grote woorden tegen Mij opeengestapeld – Ik heb het wel gehoord’ (35:13), waarschuwt God.

In feite zal een deel van het herstel van de Israëlitische ballingen tot het land inhouden dat het veilig voor hen wordt gemaakt: het land moet bevrijd worden van het ‘wild gedierte’ (34:25) die het geteisterd hebben. Indien dit subtiel alludeert aan de omringende stammen die probeerden binnen te trekken, dan is deze profetie van de verwoesting van Edom heel passend hier geplaatst (zie ook de overdenking van morgen).

Dus behoorlijk los van impliciete waarschuwingen tegen gekoesterde bitterheid en op vetes lijkende vendetta’s, verzekert dit hoofdstuk ook het verbondsvolk impliciet opnieuw van Gods voortgaande toewijding aan hun welzijn – inclusief de vernietiging van hun vijanden.

Welke Nieuwtestamentische gedeeltes laten dezelfde toon horen, omgezet naar de sleutel van het nieuwe verbond?


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 1 oktober 2015

Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien (Ez. 34)

1 Koningen 3; Efeziërs 1; Ezechiël 34; Psalmen 83-84

‘Herder’ was een gebruikelijke metafoor voor ‘koning’ in het oude Nabije Oosten, meest nog in het Oude Testament (vgl. Jes. 44:28; Jer. 10:21; 23:1-6; Mic. 5:4, 5; Zach. 11:4-17). De herder bood niet alleen zorg en voedsel voor het schaap, maar ook leiding, medische zorg, en bescherming tegen vijanden.
Dit was ongetwijfeld een uitstekende metafoor om te gebruiken voor afvallige heersers die in de verleiding kwamen hun roeping te zien in termen van macht en voorrechten maar niet in termen van verantwoordelijkheid.

Wanneer David daarentegen de Heer belijdt als zijn herder (Ps. 23:1), bevat de metafoor de idee dat God koning is. De schapen passeren onder de staf (Ps. 23:4 – hetzelfde woord dat ook wordt gebruikt voor de Koninklijke scepter).

Het hoofdstuk (Ez. 34) begint met een vernietigende veroordeling van de herders die Israël geleid hebben (34:1-10). Er zijn in de kern twee aanklachten.

(a) Op een gulzige manier hebben ze de schapen kaalgeplukt, terwijl ze de kudde uitbuiten voor eigen comfort en rijkdom, maar ze hebben de schapen die aan hen toevertrouwd waren niet gevoed en verzorgd (34:2-4).

(b) In plaats van de schapen te beschermen door ze in één kudde te houden, heeft het gedrag van de herders ertoe geleid dat de schapen ‘verstrooid’ raken (34:5-6) – een woord dat de ballingschap aanduidt. Dus wat God zal doen is ervoor zorgen dat deze valse en gevaarlijke herders nooit meer over de schapen gesteld zullen worden (34:7-10).

Het kost moeite om in deze zinnen niet de verwerping te zien van het Davidisch koningshuis zoals het toen werd begrepen, samen met het Levietische priesterdom.

Wat God in hun plaats zal stellen is – Hemzelf. Hij zal zelf komen om zijn schapen te weiden. Lees de ontroerende zinnen vanaf vers 16 , en tel het aantal keren dat God zegt ‘Ik zal…’ of ‘Ik, de Heer, zal …’

Niet alleen zal Hij de kudde beschermen (34:10-16), Hij zal ook rechtspreken binnen de kudde (34:17-22), want onvermijdelijk zijn er een aantal schapen corrupt of tiranniek. De kudde zal niet alleen gezuiverd worden van zijn hebzuchtige leiderschap maar ook van zijn zondige leden, zeker van de ‘vette’ schapen die de anderen wegstoten van de overvloed.

Plots verandert de taal. De hele tijd heeft God verklaard dat Hijzelf de kudde zal weiden. Nu zegt Hij, ‘Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de HERE, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de HERE, heb het gesproken’ (34:23-24).

De beloofde hervorming zal zelfs een transformerend Nieuw verbond brengen (34:25-31). Dit verbond zal effectief zijn (dit is wat ‘verbond des vredes’ suggereert).

Een transformerende herder die zowel Jahweh is als iemand uit de lijn van David? Denk na over Johannes 10.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.