zondag 22 maart 2015

De vreze des HEREN is het begin der wijsheid en het kennen van de Hoogheilige is verstand (Spr. 9)


Exodus 33; Johannes 12; Spreuken 9; Efeziërs 2

In het echte leven zijn de meesten van ons een mix van wijs en dwaas, voorzichtig en ondoordacht, voorzichtig en impulsief. Niettemin helpt het ons te zien wat er op het spel staat door de alternatieven uiteen te zetten als een eenvoudige keuze. Dit is wat Spreuken 9 voor ons doet.

Het toont twee vrouwen, Wijsheid en Dwaasheid, die roepen naar mensen. In zekere zin is deze drive naar een eenvoudige keuze – wijsheid of dwaasheid, goed of slecht, de Heer of opstand – typerend voor wijsheidsliteratuur. Het is een krachtige, evocatieve manier om over te brengen wat de fundamentele kwesties zijn in de keuzes die we maken.

Laten we beginnen met Dwaasheid (9:13-18). De manier waarop dwaasheid in de deuropening van haar huis zit doet de lezer denken aan een prostituee. Ze roept naar degenen die voorbijkomen, naar degenen die anders ‘hun paden recht maken’ (9:15 in NBG; NBV vermeldt: ‘naar hen die rechtdoor willen gaan’). Ze is ‘enkel onverstand, en zij weet niets’ (9:13). Wat ze biedt is nooit fris: het is opgewarmd, gestolen materiaal, gestoffeerd met beloften van esoterisch genot – zoals de belofte van heimelijke seks (9:17). Zij die door haar aangetrokken worden denken er niet aan dat haar verleidingen tot de dood leiden (9:17).

Ook Wijsheid bouwt een huis en roept mensen naar binnen (9:1-6). Maar haar huis is stabiel en goed gebouwd (9:1). Net als Dwaasheid roept Wijsheid van ‘boven op de hoogten der stad’, waar ze gehoord kan worden (9:3, 14); maar in tegenstelling tot Dwaasheid, heeft Wijsheid een heerlijke en voedzame maaltijd klaargemaakt (9:2, 5). De ‘onverstandigen’ (of ‘onnozelen’, JL), d.w.z. zij die nog geen wijsheid bezitten maar ze graag willen verwerven, mogen komen en feesten, en leren ‘de weg van het verstand’ te betreden (9:6).

Natuurlijk dat spreken over het informeren of corrigeren van de onverstandigen meteen de aandacht vestigt op hoe de raad van Wijsheid zal onthaald worden. In zekere zin toont iemand die wijsheid accepteert daarmee al aan dat hij wijs is; de persoon die wijsheid verwerpt is een spotter of slechterik.

Vandaar het krachtige contrast uit de volgende verzen (9:7-9): ‘Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate, bestraf de wijze, dan zal hij u liefhebben (9:8) – met de twee alternatieven die aan elke zijde van dit vers uitgewerkt worden (9:7, 9).

Het hoogtepunt in het hoofdstuk komt bij 9:10-12: ‘De vreze des HEREN is het begin der wijsheid en het kennen van de Hoogheilige is verstand’ (9:10). Normaal gezien zijn er zelfs in dit leven zegeningen weggelegd voor zij die dergelijke prioriteiten en toewijding aan de dag leggen (9:11-12).

Bovenal toont deze definitie van ‘het begin der wijsheid’ krachtig dat de wijsheid die in Spreuken wordt gepresenteerd noch esoterisch inzicht is, noch seculiere intellectuele bekwaamheid; het is veeleer toewijding aan God en alles wat uit dergelijke toewijding voortvloeit in gedachten en leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 21 maart 2015

In Christus uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1)

Exodus 32; Johannes 11; Spreuken 8; Efeziërs 1

In het Grieks is Efeziërs 1:3-14 één lange zin. Misschien is dit een van de redenen waarom zelfs de beste Engelse (en Nederlandse, JL) vertalingen een beetje gecondenseerd zijn en niet eenvoudig uiteen te zetten. Hier zal ik me toeleggen op het eerste deel, Efeziërs 1:3-10, en nadenken over de manier waarop drie thema’s bijeenkomen: Gods voorbestemmende soevereiniteit, Gods onvoorwaardelijke genade, en Gods heerlijke doel.

De passage is een doxologie, een woord van lof, aan ‘God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus’ – en de volgende zinnen geven ons de redenen waarom we deze God zouden moeten prijzen en waarom zijn Zoon Jezus Christus deel uitmaakt van zijn prijzenswaardige daden.

Deze God, zo zegt Paulus onmiddellijk, is Degene ‘die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus’ (1:3). De ‘ons’ verwijst naar christenen; de zegeningen die we ontvingen waren ‘in Christus’; en de sfeer van deze geestelijke zegeningen zijn ‘de hemelse gewesten’.

In Efeziërs verwijzen ‘de hemelse gewesten’ of ‘de hemelen’ naar de hemelse dimensie van ons uiteindelijke bestaan, die we nu al in zekere mate ervaren. Op die manier worden we al ingeleid in het derde thema, Gods heerlijke doel.

Indien de beschrijving van God in 1:3 de lezer al minstens een aantal redenen onthult waarom God geprezen moet worden, dan introduceert de ‘immers’ aan het begin van vers 4 de formele reden: zelfs nog voor de wereld geschapen werd, heeft God ons in Christus uitverkoren (Gods voorbestemmende soevereiniteit) om ‘heilig en onberispelijk’ te zijn ‘voor zijn aangezicht’ (Gods heerlijke doel).

Ja, ‘in liefde heeft hij ons ertoe bestemd’ (Gods onvoorwaardelijke genade en zijn voorbestemmende soevereiniteit), ‘naar het welbehagen van zijn wil’ (Gods voorbestemmende soevereiniteit) – dit allemaal ‘tot lof van de heerlijkheid zijner genade’ (zowel Gods heerlijke doel als zijn onvoorwaardelijke genade), ‘waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde’ (Gods onvoorwaardelijke genade). ‘In Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen’ (Gods heerlijke doel), ‘naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand’ (Gods onvoorwaardelijke genade) (1:4-8).

Lees doorheen de rest van deze passage en werk voor jezelf deze thema’s uit (en er zijn nog andere).

De thema’s zijn in belangrijke mate met elkaar verbonden. Hoe duidelijker je ziet hoe soeverein Gods uitverkiezing is, des te duidelijker schittert zijn onverdiende genade. Maar soevereine ‘voorbestemming’ is irrationeel zonder ‘bestemming’: Gods doelen in zijn soevereine handelen zijn dus onvermijdelijk verbonden met zijn soevereiniteit en zijn genade.

Hoe meer we zicht krijgen op Gods wonderlijke goede plannen, des te dankbaarder zullen we zijn voor zijn soevereine handelen wanneer hij ze tot stand brengt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 20 maart 2015

Elkaars lasten dragen, terwijl iedereen zijn eigen last draagt? (Gal. 6)


Exodus 31; Johannes 10; Spreuken 7; Galaten 6

In een eerdere overdenking (vol. 1, 30 september) stond ik stil bij de gedachtegang in Galaten 6. Hier wil ik focussen op elementen van Galaten 6:1-5. Op het eerste gezicht ligt er een nadrukkelijke tegenstelling tussen 6:2 (HSV), ‘Draag elkaars lasten’ (NBG: ‘Verdraagt elkanders moeilijkheden’), en 6:5, ‘Want ieder zal zijn eigen last dragen’.

Je zou een pastorale oplossing kunnen veronderstellen. Christenen zouden de bekommernis moeten dragen anderen te helpen; tegelijk zouden ze deze zorg niet mogen omkeren en zodanig afhankelijk worden van de hulp van anderen dat ze niets méér worden dan profiteurs.

6:2 is met andere woorden zeker zinvol wanneer we eronder verstaan dat het isolationisme verbiedt en mededogen gebiedt; 6:5 is zeer zinvol wanneer we eronder verstaan dat het parasieterij verbiedt en persoonlijke verantwoordelijkheid gelast.

Maar de context van de paragraaf waarin de beide uitspraken besloten liggen stellen ons in staat om nog wat verder te gaan. Het gedeelte begint met de vermaning aan christenen om een broeder of zuster terecht te helpen die op zonde betrapt wordt (6:1).

Meer specifiek zegt Paulus dat ‘gij, die geestelijk zijt’ die taak op zich zouden moeten nemen. In het licht van de voorafgaande verzen (zie de overdenking van gisteren), zijn degenen die ‘geestelijk’ zijn, christenen, die duidelijk ‘door de Geest het spoor houden’ (5:25) en zo de vrucht van de Geest voortbrengen.
Deze verantwoordelijkheid wordt op alle christenen gelegd, maar sommige christenen staan duidelijk wat verder in hun vruchtdragen dan anderen. Zo zouden christenen die de vrucht van de Geest voortbrengen, zoals opgelegd aan alle christenen, in de eerste plaats verantwoordelijkheid moeten nemen voor het zachtmoedig terechtbrengen van een gelovige die op een zonde betrapt werd.

Dit zou een zachtmoedig terecht helpen moeten zijn, vooral omdat bedachtzame christenen zullen erkennen hoe ook zij zelf in verzoeking kunnen komen voor deze of gene zonde (6:1b). Door elkaar op die manier te helpen – met bemoediging, gebed, morele steun, kameraadschap, door aan elkaar rekenschap af te leggen, of wat dan ook – dragen we elkaars lasten (6:2).

Dit staat natuurlijk gelijk met het vervullen van de wet van Christus, die niet alleen leerde dat de grootste geboden bestaan uit het liefhebben van God en onze naaste als onszelf, maar ook zijn ‘nieuw gebod’ gaf - elkaar lief te hebben zoals Jezus hen liefhad (Joh. 13:34-35).

In een dergelijk klimaat is eigenbelang lelijk, nutteloos en een kwestie van zelfbedrog (6:3). Hoogmoed komt voor de val. Het brengt schade toe aan het rustige zelfonderzoek dat onwrikbaar is en geduldig eerlijk (6:4).

De hoogmoed die de gemeenschap verwoest en de ziel misleidt wordt aan de dag gelegd wanneer christenen hun dienststaat met elkaar vergelijken om toch maar de andere persoon te kunnen neerhalen. Eerlijk zelfonderzoek bewerkt een godvruchtige dankbaarheid en een geoorloofde trots die nooit een ander neerhaalt, ‘want ieder zal zijn eigen last dragen’.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 19 maart 2015

Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid (Gal. 5)


Exodus 30; Johannes 9; Spreuken 6; Galaten 5

Het begin en het slot van Galaten 5 vertellen ons - als we ze samen beschouwen - heel wat over het evangelie dat Paulus predikt.

In het eerste deel probeert Paulus nog altijd om de heidense christen lezers in Galatië te overtuigen dat het toevoegen van Joods erfgoed en Joodse rituelen aan hun christelijk geloof niets kan toevoegen, maar er wel iets van af doet. Als ze zich, in het bijzonder, overgeven aan besnijdenis, dan zal Christus hen ‘van geen nut’ zijn (5:2). Waarom niet? Welk kwaad kon het je te laten besnijden? Paulus legt uit dat de heiden die zichzelf laat besnijden ‘verplicht is de gehele wet na te komen’ (5:3).

Dit was de symbolische betekenis van besnijdenis: het was het teken van onderwerping aan het Wetsverbond. Maar die stap zetten verraadt een enorm gebrek aan inzicht in de ware relatie tussen het Wetsverbond en het Nieuwe Verbond dat de Heer Jezus Christus introduceerde.

Het eerste bereidt voor op het tweede, kondigt het aan, en grijpt ernaar vooruit. Maar je toewijden aan het gehoorzamen van de voorschriften van het Wetsverbond staat eigenlijk gelijk met verklaren dat het Nieuwe Verbond dat Jezus door zijn dood verzekerde in zekere zin ontoereikend is.

Deze Galaten, die in het verleden duidelijk verstaan hebben dat mannen en vrouwen die gerechtvaardigd zijn door genade doorheen geloof, nu ‘door de wet gerechtigheid verwachten’, en daarmee meteen ‘los van Christus’ zijn; het betekent niets minder dan afvallen van genade (5:4).

De uiteindelijke gerechtigheid zal op het einde de onze zijn, wanneer Jezus terugkomt. Ondertussen geldt: ‘Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen’ (5:5). De cruciale betekenis van Christus op die manier begrijpen, betekent dat zij die in Christus Jezus geloven – in wat Hij voor ons heeft bewerkt in zijn centrale plaats in de heilsgeschiedenis – heel goed weten dat de besnijdenis zelf volkomen irrelevant is (5:6).

Maar besnijdenis trekt eigenlijk van Christus af als je ze ondergaat vanuit een verlangen om je te onderwerpen aan een verbond dat Christus in bepaalde opzichten voorbijgestreefd heeft gemaakt.

Terwijl Paulus in het eerste deel van het hoofdstuk spreekt over het werk van Christus, schuift hij er een korte vermelding van de Geest in: ‘Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen’ (5:5, cursief toegevoegd).

De Geest is al aan gelovigen gegeven, als gevolg van Christus’ werk. Christenen zijn dan zij die ‘door de Geest het spoor houden’ (5:25, of ‘door de Geest wandelen’, HSV), die de liefelijke vrucht van de Geest vertonen: ‘liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (5:22-23).

Streeft naar deze dingen; er is geen wet tegen ze, en ze staan tegenover de rotte daden van onze zondige natuur (5:19-21; vgl. Spr. 6:16-19) waartegen de Wet zich wel uitsprak maar die ze zelf niet kon overwinnen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 18 maart 2015

Nader niet tot de vreemde vrouw (Spr. 5)


Exodus 29; Johannes 8; Spreuken 5; Galaten 4

Alles in Spreuken 5 is een waarschuwing, in wijsheidscategorieën, tegen het zwichten voor een overspelige – een waarschuwing die blijft terugkeren in de openingshoofdstukken van dit boek (bijv. 6:20-35; 7:1-27). Soms lijkt het erop dat gedacht wordt aan een hoer; soms gaat het algemeen om overspeligheid.

In een tijd met verhoogde gevoeligheid rond stereotypen, hebben sommigen het kwalijk genomen dat de persoon die verleidt telkens een overspelige vrouw is. Is het in de echte wereld niet zo dat de verleider minstens net zo vaak mannelijk is, dus een overspelige man?
We zouden er veel over kunnen zeggen, maar vier korte bemerkingen zullen volstaan.

(a) Voor een deel betreft de waarschuwing een overspelige vrouw, omdat die gericht is tot ‘mijn zoon’ (5:1), wat volgt uit de fundamentele structuur van het genre (1:8; zie de overdenking voor 15 maart).

(b) Maar zelfs dan is de ‘zoon’ die valt voor de overspelige zeker niet gevrijwaard van schuld. De dwalende zoon in dit hoofdstuk wordt neergezet als meer dan een slachtoffer. Dit is de zoon die ‘tucht haat’ en wiens hart ‘de vermaning versmaadt’ (5:12). Er wordt van hem gezegd ‘Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast’ (5:22). Hij is schuldig aan ‘grote dwaasheid’ (5:23).

(c) In dit boek zullen zowel wijsheid als dwaasheid later verpersoonlijkt worden als vrouwen (Spr. 9; zie de overdenking voor 22 maart). Met andere woorden, er is geen eenduidige verbinding tussen vrouwen en het kwaad. Mannen zijn vaak zondig, en dit geldt ook voor vrouwen. Beide worden opgeroepen om ‘Vrouwe Wijsheid’ na te volgen.

(d) In elk geval zijn er in de bredere canon veel plaatsen waar de voornaamste schuld voor seksueel wangedrag duidelijk bij de man op de stoep wordt gelegd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de affaire van Juda met Tamar, voor de verkrachting door Amnon van zijn halfzuster, voor David die Batseba verleidt. Overspel zelf is verkeerd, of zondig, of kortzichtig, of ongedisciplineerd – welke omschrijving Spreuken ook gebruikt – en niet slechts de overspelige vrouw.
Het hoofdstuk komt niet alleen met waarschuwingen, maar biedt ook een alternatief: een huwelijk dat wordt gekoesterd, ontwikkeld, gevoed en vooral op het seksuele terrein (5:18-19).

Maar boven alle onmiddellijke en culturele redenen voor seksuele trouw in het huwelijk is er een van doorslaggevend belang: ‘Want voor de ogen des HEREN liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen’ (5:21). Er zijn natuurlijk diverse vergelijkbare verzen in de Schrift – bijv. ‘geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen’ (Heb. 4:13). Maar in de context van de Wijsheidsliteratuur, is er een bijkomende ondertoon. Niet alleen ziet God alle dingen, inclusief elk seksueel wangedrag, maar het maakt deel uit van wijsheid, de wijsheid om je leven in Gods universum op Gods manier uit te leven, om onze Schepper te behagen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 17 maart 2015

Behoed uw hart boven al wat te bewaren is (Spr. 4)


Exodus 28; Johannes 7; Spreuken 4; Galaten 3

‘Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens’ (Spreuken 4:23).

(1) In de symboliek van het hedendaagse Westen is het hart de zetel van de emoties: bijv. ‘Ik heb je lief met mijn hele hart’. Maar in de symbolenwereld van de Schrift is het hart de zetel van de hele persoon. Het ligt dichter bij wat we bedoelen met ‘verstand’, hoewel dit zowel in het Engels als het Nederlands misschien een beetje te strikt cerebraal is.

(2) Zo betekent ‘behoed uw hart’ meer dan ‘wees voorzichtig met wat of wie je liefhebt’ – hoewel het niet gauw minder dan dit kan betekenen. Het betekent iets als ‘Wees voorzichtig met wat je koestert; wees voorzichtig waar je je genegenheid aan schenkt en je gedachten op zet’.

(3) Want uit het ‘hart’, gebruikt in die betekenis, ‘zijn de oorsprongen van je leven’. Het stuurt de rest van het leven. Waar je je verstand en emoties op richt bepaalt waar je gaat en wat je doet. Het kan gemakkelijk je hele leven vervuilen.

Het beeld is misschien des te duidelijker in dit deel van Spreuken omdat de volgende verzen andere lichaamsdelen vermelden: ‘Doe weg van u de valsheid van mond en houd ver van u de verkeerdheid der lippen. Laten uw ogen voorwaarts blikken … Laat uw voet een effen pad inslaan’ (4:24-26, cursief toegevoegd). Maar boven alles, behoed je hart, ‘want daaruit zijn de oorsprongen des levens’. Het is de bron van alles op een manier die niet kan opgaan voor, bijvoorbeeld, de voeten.

Jezus pikt vrijwel dezelfde beelden op. ‘Adderengebroed’, zegt hij tegen een groep, ‘hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen’ (Mat. 12:34-35, cursief toegevoegd). Dus behoed je hart.

(4) Maak deze taak prioritair: ‘behoed uw hart, boven al wat te bewaren is’. Je kunt verstaan waarom. Indien het hart niets anders is dan het centrum van je volledige persoonlijkheid, dan is dat wat bewaard moet worden.

Indien je geloof louter uiterlijk is, terwijl je ‘hart’ een kolkende massa van eigenbelang is, wat heb je dan aan het geloof? Indien je hart vurig streeft naar randzaken (niet noodzakelijk wellustige dingen), dan zul je je vanuit een christelijk gezichtspunt snel in beslag laten nemen door het louter onbelangrijke.

Als je ervan droomt een bepaald iets te bezitten, als je ernaar snakt een bepaald salaris of een bepaalde reputatie te hebben, dan vormt dat je leven. Maar als je het, boven al het andere, als je plicht ziet om je hart te bewaren, dan zal die vastberadenheid zich weer vertalen in keuzes van wat je leest, hoe je bidt, waarover je nadenkt. Het zal je aanzetten tot zelfonderzoek en belijdenis, berouw, en geloof, en zal de rest van je leven veranderen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 16 maart 2015

Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet (Spr. 3)


Exodus 27; Johannes 6; Spreuken 3; Galaten 2

Spreuken 3 bevat diverse bekende passages.

Veel christenen hebben al gehoord dat ze niet wijs mogen zijn in eigen ogen (3:7).

Het gedeelte dat de tuchtiging van gelovigen door de Heer vergelijkt met de tucht van een vader tegenover zijn zoon in wie hij zich verheugt (3:11-12) duikt later weer op in het Nieuwe Testament (Heb. 12:5-6).

Opgroeiend in een christelijk gezin is mij vaak gezegd ‘Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt … Zij (de wijsheid, noot van de auteur) is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren (3:13, 15). Wijsheid is ofwel Gods plan of het gepersonaliseerde middel om de volledige geschapen orde vast te stellen (3:19-20).

Maar de eerste plaats zou moeten gaan naar 3:5-6, een passage die ingekaderd aan veel muren hangt en door vele generaties zondagschoolstudenten uit het hoofd geleerd werd: ‘Vertrouw op de HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’.

Merk op:

(1) Het eerste deel van deze vertrouwde tekst valt de onafhankelijkheid aan bij de wortel van alle zonde. Ons eigen inzicht is onvoldoende en vaak vervormd. Het enige rechte pad is dat je de Here vertrouwt. Dergelijk vertrouwen in de Heer is niet een etherisch subjectivisme; het is een soort levenslange toewijding (‘met uw ganse hart’ zegt Salomo) die zelfzuchtige gezichtspunten achterwege laat en ze inruilt voor de gezichtspunten van de Heer.

In de context van Bijbels geloof betekent dit dat je leert en weet wat de wil van de Heer is, en die wil gehoorzaamt, ongeacht of het nu ‘populair’ is om dit te doen of niet. Verre van een oproep te zijn voor subjectieve leiding, brengt dit vertrouwen van de Heer met je hele hart, met zich mee dat je nadenkt over Gods woord, dit woord in je hart bergt, en leert te denken zoals God denkt – precies zo dat je niet op je eigen inzicht vertrouwt.

Jozua heeft deze les moeten leren aan het begin van zijn leiderschap (Joz. 1:6-9). Van de koningen van Israël werd verwacht dat ze dit zouden leren (Deut. 17:18-20), maar het gebeurde zelden.

(2) De tweede strofe, ‘Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken’ vereist meer dan dat we erkennen dat God bestaat en dat Hij voorzienig regeert, of iets dergelijks. Het betekent dat we Hem zodanig erkennen dat zijn wegen en wetten en karakter onze keuzes vormgeven en onze levens besturen. Dan kennen we Hem in al onze wegen – niet uitsluitend in een bepaalde nauwe religieuze sfeer, maar in alle dimensies van ons leven. Het alternatief is Hem verwerpen.

Zo loopt de tweede strofe grotendeels parallel met de eerste. Het resultaat is een rechte koers, bestuurd door God zelf.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 15 maart 2015

'De HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid' (Spr. 2)


Exodus 26; Johannes 5; Spreuken 2; Galaten 1

Misschien is het nergens duidelijker dan in Spreuken 2 dat het tegenovergestelde voor Oudtestamentische wijsheid zonde is.

Salomo spreekt tot zijn ‘zoon’ – mogelijk zijn onmiddellijke zoon en erfgenaam voor de troon, of eventueel een meer algemene verwijzing. Salomo wil dat deze zoon zijn vaders geboden ‘bewaart’ (of ‘opbergt’, HSV), dat hij met zijn oor de wijsheid opmerkt en zijn hart neigt tot verstandigheid (2:1-2). Als dit zijn passie is, (zo zegt Salomo hem), dan ‘zult gij de vreze des HEREN verstaan en de kennis Gods vinden. Want de HERE geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid’ (2:5-6).

Dergelijk nastreven van wijsheid zal een persoon niet sluw of slim maken in de zin van gewiekst. Verre van: ‘Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, ook rechtschapenheid, elke goede weg. Want de wijsheid zal in uw hart komen en de kennis zal voor uw ziel liefelijk zijn; bedachtzaamheid zal over u waken, verstandigheid zal u behoeden, om u te redden van de boze weg, van de man die verkeerde dingen spreekt’ (2:9-12).

We moeten eens nadenken over een dergelijk begrip van wijsheid. De cynicus zou neerbuigend kunnen zeggen dat deze visie op wijsheid te klein is. Het is niets dan de kleingeestige vooruitgang van religieuze mensen. Ware wijsheid in onze wereld wordt vaak verbonden met het soort ‘sofisticering’ dat makkelijk en met even weinig toewijding meekomt met secularisten, christenen, boeddhisten, moslims en heidenen – waarbij het van allemaal een beetje neemt, andere dingen verwerpt, allemaal in de naam van een kosmopolitische wijsheid.

Aan de andere kant kan wijsheid gelinkt worden aan die bepaalde ‘mensenkennis’ die je in staat stelt om een grote onderneming te runnen en het te maken in de zakenwereld of de kunstwereld. Het heeft zeker niet noodzakelijk iets te maken met religie.

Niet dat we ook maar een ogenblik gaven als ‘mensenkennis’ verachten. Maar op zichzelf zou dergelijke ‘wijsheid’ op de manier zoals de Bijbel het ziet, beoordeeld worden als zuivere dwaasheid. Welk voordeel ligt er, vanuit Gods gezichtspunt, in het krijgen van complimenten van een cultuur die God veracht? Vraagt Jezus niet ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden? Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?’ (Markus 8:36-37).

Indien dit Gods universum is, als Hij onze Schepper en Rechter is, waarom ook ter wereld (of daarboven in dit geval!) zou ook maar iets als ‘wijs’ bestempeld worden dat Hem negeert? Hoeveel te minder mag het ‘wijs’ genoemd worden als het zich overgeeft aan daden of gedragingen die door Hem verboden worden?

Verre van dat de Oudtestamentische wijsheid te beperkt zou zijn of te religieus, voor de christen die de levende God kent, want voor hem is het de enige zinvolle visie op wijsheid. Elk ander standpunt is noodzakelijkerwijs eerder bedroevend en vaak ook louter eigenbelang.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 14 maart 2015

De wijze hore en vermeerdere inzicht (Spr. 1)


Exodus 25; Johannes 4; Spreuken 1; 2 Korinthiërs 13

Voor we aanvangen met Spreuken 1, moet ik iets zeggen over ‘wijsheid’ in het Oude Testament. Voor ons betekent wijsheid iets als scherpzinnigheid. De wijze persoon is inzichtrijk, scherpzinnig, zelfs schrander, en in staat om kennis toe te passen voor verschillende mensen en omstandigheden.

Je kan begrijpen waarom T. S. Eliot zich, in een van zijn meer scherpzinnige vooruitblikken op het digitale tijdperk, afvroeg waar wijsheid naartoe is nu ze verloren ging in kennis, en waar kennis naartoe is nu die verloren ging in informatie.

Maar wijsheid heeft in het Oude Testament een heel eigen karakter, hoewel haar betekenis soms overlapt met het moderne Engelstalige (en Nederlandstalige) gebruik.

Aan de ene kant is het een breed concept dat de structuur van alles in Gods heelal behelst, zowel inhoud als relaties, zelfs nog voor er ook maar iets bestaat (vgl. 8:22). De heerlijkheid van God wordt in dergelijke wijsheid gemanifesteerd; het kan zelfs gemanifesteerd worden in zijn vastbeslotenheid dergelijke wijsheid te verbergen (25:2).

Maar aan de andere kant is wijsheid in het Oude Testament gewoon een of andere bekwaamheid.

(1) Het kan de vaardigheid zijn te overleven, hetgeen verklaart waarom van mieren en hagedissen gezegd wordt dat ze extreem wijs zijn (30:24-28).

(2) Het is de vaardigheid te kunnen omgaan met mensen, wat wij ‘sociale vaardigheid’ noemen – hoe je omgaat met vrienden, werknemers, heersers, echtgenoten, en bovenal met God.
Intuïtief voel je aan hoe die praktische ‘wijsheid’ of vaardigheid verbonden is met de fundamentele wijsheid, d.w.z. hoe deze dingen werkelijk zijn in Gods universum. Dit gebruik van ‘wijsheid’ is opvallend gebruikelijk in Spreuken.

(3) Wijsheid kan verwijzen naar een bepaalde technische vaardigheid of zo (bijv. Ex 28:3). In de indelingen van vandaag zou je de ‘wijsheid’ kunnen hebben om een draaibank te bedienen of met een programma of computer te kunnen werken of een fijn kleed te kunnen naaien. Een van deze praktische vaardigheden, een die overlapt met de tweede beschrijving, is administratieve vaardigheid, administratieve wijsheid. Dit omvat ook inzicht in rechtspraak. Het behelst niet alleen de mechaniek van administratie, maar ook dat je in staat bent aandachtig te luisteren en tot het hart van een kwestie door te dringen (bijv. Deut. 1:15). Dit was natuurlijk de ‘wijsheid’ waar Salomo om bad (1 Kon. 3); het is de wijsheid die de Messias karakteriseert (Jes. 11:2).

De spreuken uit dit boek zijn dan vermeld ‘om wijsheid en tucht te verkrijgen, om verstandige woorden te verstaan, om de tucht aan te nemen, die verstandig maakt, gerechtigheid en recht en rechtschapenheid’ (1:2-3).

Het tegengestelde van wijsheid is daarom niet alleen ‘dwaasheid’ in een bepaalde intellectuele zin, maar ‘dwaasheid’ die we verstaan als maar weinig minder dan zonde. Zo wordt de ‘zoon’ in dit hoofdstuk vermaand om de richtlijnen van mama en papa te volgen (1:8), of meer in het algemeen, wijsheid na te streven (1:20 e.v.); het alternatief is verleid worden door zondaren tot een eventueel ander pad (1:10 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 13 maart 2015

'Daarom herroep ik en doe boete in stof en as' (Job 42)


Exodus 24; Johannes 3; Job 42; 2 Korinthiërs 12

Drie gedachten over Job 42:

(a) Jobs antwoord aan de Heer (42:1-6) is niet ‘Nu begrijp ik het. Nu heb ik het verstaan’, maar een diep berouw. Hij vat Gods argument tegenover hem zelfs terug samen: ‘Wie is het toch’, zegt U ‘die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?’ (42:3). Zonder een spoor van zelfrechtvaardiging, antwoordt Job ‘Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep’ (42:3). Job is nu zeker dat in de finale balans geen van Gods plannen verijdeld kunnen worden (42:2).

In feite heeft God nu met woorden zoveel van zichzelf geopenbaard dat Job zijn huidige visie op God contrasteert met wat hij slechts over Hem had vernomen in het verleden – wat ons er natuurlijk aan herinnert hoe God ons vaak in de Schrift vergunt om Hem ‘geopenbaard’ te zien met woorden.

‘Daarom herroep ik en doe boete in stof en as’ (42:6). Dit is niet zeggen dat de drie vrienden het uiteindelijk juist hadden. Job geeft hier niet toe dat zijn lijden duidelijk voortkomt uit aanzienlijke verborgen schuld, maar hij geeft wel toe schuldig te zijn aan het feit dat hij van God een grondige uitleg eiste.

(b) De drie vrienden krijgen alleen vergeving voor alle verkeerde dingen die ze over God gezegd hebben dankzij Jobs voorbede (42:7-9). Dit past uitermate goed bij de overtreding: ze hebben Job veroordeeld, maar alleen Jobs gebeden zullen voldoen voor hun eigen vergeving. Wat ze over God verkeerd gezegd hebben (42:7, 8) kan enkel gaan over hun simplistische verdienstetheologie, van met gelijke munt betaald zetten. Zij hebben geen mysterie en grootsheid toegelaten; impliciet hebben ze ook geen genade toegelaten.

(c) Het drama eindigt met een grondige rechtvaardiging van Job. Zijn rijkdom wordt hem teruggeschonken (en verdubbeld), hij krijgt een nieuw gezin, en alle eer die hij vroeger bezat wordt hem teruggegeven en nog vergroot.

Heel wat hedendaagse critici vinden dit kletspraat, of zelfs een tweede einde dat op een of andere manier werd toegevoegd door een dwaze redacteur aan een meer genuanceerd boek. Dergelijk scepticisme is uiterst verkeerd. Een van de punten van het boek is dat het volk van God op het einde wordt vrijgesproken. God is rechtvaardig.

Op vergelijkbare manier wordt van christenen niet verwacht dat ze lijden zullen aanvaarden zonder vrijspraak, of dood en zelfverloochening zonder de belofte van de hemel. Het kwade kan nu misschien mysterieus zijn, maar het zal niet overwinnen.

We zijn geen geestelijke masochisten die alleen vervulling kunnen vinden bij lijden. Als er een betekenis is waarin we ons verblijden in lijden, dan is het dat we verblijd zijn om de Heer Jezus te volgen die leed. Zelfs Hij verheugde zich niet in lijden. De leidsman en voleinder van ons geloof was degene ‘die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods’ (Heb. 12:2, eigen cursief). ‘Daarom dan, laten ook wij (…) met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt’ (Heb. 12:1).


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 12 maart 2015

'Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten?' (Job 41)

Exodus 23; Johannes 2; Job 41; 2 Korinthiërs 11

Net als in de voorgaande drie hoofdstukken is veel van Job 41 bedoeld om Jobs ogen te openen voor zijn beperkingen. Als Job toegeeft wat hij niet weet en niet kan doen – allemaal dingen die God weet en kan doen – dan zal hij waarschijnlijk minder snel zijn om God te beschuldigen.

Eén vers, Job 41:2 (merk op: in de Engelse versie van D.A. Carson gaat het door een andere versindeling om vers 11; ook NBV deelt anders in) vereist dat we er langer over nadenken. God spreekt: ‘Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten? Wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe’.

Is Gods ongenaakbaarheid voor aanklachten op niets meer gebouwd dan op rauwe macht? We stellen ons de laagste burger voor in Nazi-Duitsland die probeert Hitler te vervolgen, en Hitlers meedogenloze respons: ‘Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten? Wat in het Derde Rijk is, dat behoort Mij toe’. Afkomstig van Hitler zou dit een uitgesproken immorele verklaring zijn. Dus waarom zou God zich bedienen van zijn kosmische equivalent?

Ten eerste, als dit Gods enige verklaring over zichzelf ware, zou het geen heel goede zijn. Maar deze verklaring komt tot ons binnen de context van het boek Job, en binnen de grote context van de canon van de Schrift.

Binnen het boek Job is er gemeenschappelijke grond tussen Job en God: beiden erkennen dat God in de finale beoordeling rechtvaardig is. Job is geen modern skepticus die redenen zoekt om God aan de kant te schuiven; God is geen Hitler. Maar als God en Job het eens zijn dat God rechtvaardig is, moet Job ook op een bepaald punt gaan zien dat God niet een gelijke is die je voor de rechtbank sleept. Vertrouwen in God is belangrijker dan proberen jezelf te rechtvaardigen voor God – hoe rechtvaardig je ook mag geweest zijn.

Ten tweede, binnen de context van de volledige canon, heeft God herhaaldelijk zijn geduld en lankmoedigheid getoond tegenover het ras van zijn beelddragers, die Hem voortdurend uitdagen en tegen Hem in opstand komen. Hij is de God die ons allemaal in volmaakte heiligheid had kunnen uitroeien; Hij is de God die bij gelegenheid het angstaanjagende potentieel voor oordeel heeft gedemonstreerd (de zondvloed, Sodom en Gomorra, de ballingschap van zijn eigen verbondsvolk).

Bovenal, ondanks de herhaaldelijke nadruk van de Bijbel dat God iedereen rechtvaardig kon veroordelen, is Hij de God die zijn eigen Zoon stuurt om te sterven in plaats van een verloste nieuwe mensheid.

Ten derde is Job 41:2 binnen dergelijke kaders een nuttige herinnering dat we niet onafhankelijk zijn. Zelfs indien God niet de buitengewoon goede God ware die Hij is, dan zouden we nog geen verhaal hebben. Hij bezit ons; Hij bezit het heelal; alle gezag behoort Hem toe, alle uitlopers van de goddelijke regering zijn van Hem, de ultieme rechterlijke macht behoort Hem toe.

Er is geen plaats ‘buiten’ vanwaar je Hem zou kunnen beoordelen. Het anders beweren is nutteloos; erger nog, het is een onderdeel van de opstand van ons ras tegen God – ons verbeelden dat Hij ons iets verschuldigd is, ons inbeelden dat we goed geplaatst zijn om Hem een uitbrander te geven. Dergelijke wilde fantasie is noch gevoelig, noch goed.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 11 maart 2015

'Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!' (Job 40)


Exodus 22; Johannes 1; Job 39:34-40:28; 2 Korinthiërs 10

Halfweg zijn lange rede tot Job geeft God hem een gelegenheid om te antwoorden. Volgend op een retorische vraag (‘Wil de bediller twisten met de Almachtige?’), zegt God, ‘De aanklager van God antwoorde daarop!’ (39:35 – Merk op: NBG hanteert hier een andere vers- en hoofdstukkenindeling dan de vertaling waarvan D.A. Carson in het Engels gebruikmaakt, in zijn geval gaat het om 40:2, indeling die je ook bij NBV terugvindt, JL).

Het is van belang om dit boek goed te kunnen verstaan dat we deze uitdaging niet verkeerd verstaan. God trekt zijn aanvankelijke inschatting van Job niet in (1:1, 8). Zelfs onder de meest vreselijke stortvloed van Satan en van de drie ‘ellendige vertroosters’, heeft Job zijn fundamentele integriteit niet afgezwakt en is hij zijn basistrouw aan de Almachtige niet kwijtgespeeld.

Hij heeft het advies van zijn lijdende vrouw om God te vervloeken en te sterven niet opgevolgd; hij heeft het advies van zijn vrienden niet opgevolgd en heeft niet eenvoudig verondersteld dat hij leed omwille van zonden die hij tot op dat moment niet onderkend had en dat hij daarom berouw moest tonen. Maar het scheelt geen haar of hij beschuldigt God van zijn lijden; of, beter gezegd, hij heeft zeker benadrukt dat hij zijn dag wil krijgen in de rechtszaal, dat hij zich voor God wil rechtvaardigen.

Impliciet, en soms expliciet, heeft Job God ervan beschuldigd onrechtvaardig te zijn, of zo veraf te staan dat de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen hetzelfde einde lijken te krijgen. In zijn betere ogenblikken neemt Job gas terug van de minst ingehouden gedeeltes van zijn retoriek, maar hij vindt toch wel dat God hem minstens uitleg verschuldigd is.

Maar nu zegt God eigenlijk dat de persoon die wil ‘twisten’ met God – om een probleem uit te klaren – niet moet beginnen met de veronderstelling dat God verkeerd is of met de Almachtige ervan te beschuldigen de dingen niet goed aan te pakken. Dit was de strekking van de retorische vragen (hoofdstukken 38-39): Job heeft noch de kennis, noch de kracht dat hij in staat zou zijn God te veroordelen.

Op dit punt heeft Job blijkbaar de les begrepen: ‘Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven? Ik leg de hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer; ja tweemaal, maar ik ga er niet mee voort’ (39:37-38). Maar de vraag rijst of Job er werkelijk van overtuigd is dat hij te ver ging. Gelooft Job nu ook echt dat, hoe rechtvaardig hij misschien ook was, hij werkelijk niet het recht heeft om op die manier tegen God te spreken? Of, godvruchtig als hij is, is hij misschien gewoon tot zwijgen gedwongen?

God neemt geen risico’s: Hij geeft Job nog twee hoofdstukken meer (40-41) vol niet te beantwoorden retorische vragen. Nog maar eens wordt Job opgedragen zich de lendenen te omgorden als een man – en dan begint God: ‘Wilt gij zelfs mijn recht teniet doen, Mij in het ongelijk stellen om zelf gelijk te hebben?’ (40:3). Het is alsof God iets meer wil van Job, iets dat Job pas herkent in het laatste hoofdstuk van het drama.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 10 maart 2015

Het evangelie moet de basis vormen voor ons gedrag (2 Kor. 9)


Exodus 21; Lukas 24; Job 39; 2 Korinthiërs 9

De overdenking voor 20 september in volume 1 werkte zich een weg doorheen 2 Korinthiërs 9. Niettemin wil ik op die passage terugkomen. Op de vermaning die Paulus zorgvuldig formuleerde tegenover de christenen in Korinthe – om het geld voor hem klaar te hebben dat ze beloofden te sturen aan de armen in Jeruzalem (hoofdstukken 8 en 9) – hoeven we niet meer terug te komen.

Voor de overdenking van vandaag zal ik focussen op hoe Paulus’ vermaning over geven en geld verbonden is met het evangelie.

In hoofdstuk 8 roept Paulus het voorbeeld op van Christus die zichzelf geeft: ‘Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden’ (8:9). Hier in hoofdstuk 9 zegt Paulus dat, als de Korinthiërs hun beloofde gift voltooid hebben, mensen God zullen prijzen ‘om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van Christus en om uw onbekrompen delen met hen en met allen’(9:13, cursief toegevoegd).

In elk geval laat Paulus christenen nooit vergeten dat al ons geven slechts een zwakke afspiegeling is van Gods ‘onuitsprekelijke gave’ (9:15), die natuurlijk de kern vormt van het evangelie.

Zo veel van de christelijke basisethiek is op een of andere manier verbonden met het evangelie. Wanneer echtgenoten instructie nodig hebben over hoe ze hun vrouwen moeten behandelen, introduceert Paulus niet een speciale huwelijkstherapie of doet hij ook geen beroep op een of andere mystieke ervaring.

Hij grondt daarentegen gedrag in het evangelie: ‘Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft’ (Ef. 5:25). Als je volwassenheid nastreeft, kijk dan uit voor een of andere ‘dieper leven’-aanpak die het evangelie aan de kant schuift, want Paulus schrijft: ‘Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging’ (Kol. 2:6-7).

Natuurlijk is er ‘dieper leven’ in de zin dat christenen worden vermaand om door te zetten naar grotere gelijkvormigheid aan Christus Jezus en niet tevreden mogen zijn met hun huidige niveau van gehoorzaamheid (bijv. Fp. 3). Maar je kunt niets van dit alles beschouwen als een oproep tot iets wat het evangelie achter zich laat of iets aan het evangelie toevoegt.

We moeten de visie vermijden dat, terwijl het evangelie een soort van ontsnappingsticket biedt uit oordeel en hel, alle ware levensveranderende kracht van iets anders komt – een esoterische leerstelling, een mystieke ervaring, een therapeutische techniek, een discipelschapscursus. Dit is een te beperkende visie op het evangelie. Erger nog, het eindigt ermee dat je het evangelie relativeert en marginaliseert, en het van zijn kracht ontrooft, terwijl je de aandacht van mensen wegtrekt van het evangelie en verlegt naar iets dat minder nuttig is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 9 maart 2015

Gord nu als een man uw lendenen, dan wil Ik u ondervragen (Job 38)


Exodus 20; Lukas 23; Job 38; 2 Korinthiërs 8

Nu we het einde van het drama naderen, spreekt God voor het eerst rechtstreeks tot Job (Job 38); hij zal Job blijven aanspreken tot in hoofdstuk 41. Elders spreekt God tot Elia in een stille, zachte stem (1 Kon. 19); hier spreekt God tot Job uit een storm (38:1), want hij wil dat zelfs de vorm van zijn communicatie, of zijn locatie, de hoofdpunten staven die hij wil maken.

Gods eerste woorden zijn angstwekkend: ‘Wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand? Gord nu als een man uw lendenen, dan wil Ik u ondervragen, opdat gij Mij onderricht’ (38:2-3).

Dit openingssalvo zou ertoe kunnen leiden dat de onoplettende lezer denkt dat Job degene is over wie God in de eerste plaats verbolgen is, en dat de drie ellendige vertroosters er eerder licht vanaf komen. Maar als een drama dat heen en weer balanceert tussen het ene en het andere perspectief, is dit boek nog niet ten einde.

Uiteindelijk vermeldt het openingshoofdstuk Gods waardering voor Job, en niets in deze hoofdstukken keert die waardering om.

Verder heb ik al de aandacht gevestigd op 42:7, waarin God zegt dat hij boos is op de drie vrienden (iets wat Hij nooit zegt over Job), omdat ze niet recht sprake over God (zoals Gods dienstknecht Job wel deed).

Gods schrikwekkende uitdaging aan Job in deze vier hoofdstukken moet gezien worden in het bredere kader van het boek, willen we de zin van het geheel kunnen ontdekken.

Job heeft herhaaldelijk gezegd dat hij God wil ondervragen. Nu zegt God dat Hij Job zal ondervragen (38:3). Maar de aard van de vloed aan retorische vragen die God in deze hoofdstukken opwerpt is absoluut niet het soort vragen dat Job wil beantwoorden. Job wil spreken over zijn eigen lijden, over de rechtvaardigheid ervan, over Gods rol in het gebieden van dergelijk lijden, en dergelijke meer.

Hij wil dit heel zeker doen omdat hij zijn terechte reputatie van integriteit en gerechtigheid wil behouden. Maar Gods vragen focussen op een veel groter plaatje. God vraagt eigenlijk: ‘Job, was jij aanwezig aan het begin van de schepping? Heb jij precieze kennis van de volledige wereld, dan nog niet gesproken over de hemelen? Bepaal jij de koers van de hemellichamen – Pleiades en Orion, bijvoorbeeld?

Was jij degene die het menselijk verstand ontwierp, zodat je kunt uitleggen hoe het werkt? Bewerkt jouw woord het soort voorzienige uitgestrektheid dat ervoor zorgt dat de hongerige raven en de jagende leeuwin te eten hebben?’

Aan de ene kant vormt deze repliek natuurlijk helemaal geen antwoord op de soort vragen die Job opwierp. Maar aan de andere kant doet hij dit wel. Hij waarschuwt Job dat zijn vermogen om te verstaan beperkter is dan hij denkt. Dit bereidt ons voor op de conclusie dat God van ons iets meer verlangt dan gewoon maar verstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 8 maart 2015

Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil (2 Kor. 7)


Exodus 19; Lukas 22; Job 37; 2 Korinthiërs 7

Mensen stellen Paulus vaak voor alsof hij een koude intellectueel was. Waarom ‘koud’ moet verbonden worden met ‘intellectueel’ is me niet helemaal duidelijk. In elk geval past de beschrijving niet voor Paulus. God schonk Paulus duidelijk een eersteklas verstand. Maar hij was ook een man met een gloedvolle passie.

In 2 Korinthiërs 7 getuigt Paulus dat aan de ene kant zijn blijdschap geen grenzen kent (7:4); aan de andere kant is die blijdschap het resultaat van een beetje nieuws dat Paulus over de Korinthiërs ontving toen hij naar Macedonië ging.

Want bij zijn eerste aankomst in Macedonië had Paulus geen rust ervaren, maar, zo zegt hij ‘wij waren van alle kanten in de druk: van buiten strijd, van binnen vrees’ (7:5). Maar toen veranderden zijn vrees en strijd in blijdschap toen hij het goede nieuws kreeg over de Korinthiërs.

Wat lag aan de basis van die verregaande verandering in de blik van de apostel?

(1) Wat ook de mechanieken zijn, Paulus erkent dat de transformatie door God bewerkt was, ‘die de nederigen troost’ (7:6). In dit geval schonk God Paulus rust door hem Titus terug te geven, die ook wat nieuws van de Korinthiërs meebracht.

(2) Het nieuws dat Titus bracht was dat de Korinthiërs, hoezeer ze ook gekwetst geweest waren door Paulus’ vorige bezoek en de pijnlijke brief die hij had gezonden, hun evenwicht hadden teruggevonden. Ze verlangden nu Paulus te zien en drukten hun vurige zorg voor hem uit (7:7).

Titus bracht het nieuws dat de droefheid die door de brief van Paulus was veroorzaakt een ‘droefheid naar Gods wil’ is geworden, in die zin dat hij geleid heeft tot inkeer (7:8-10). Droefheid die inkeer bewerkt, die ‘brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood’ (7:10). Al dit nieuws over de reacties van de Korinthiërs heeft Paulus met blijdschap en bemoediging vervuld.

Dit duidt er natuurlijk op dat Paulus intiem betrokken is bij de levens van de mensen aan wie hij een dienstwerk verricht. Zijn eigen emoties kunnen op en neer gaan als een gevolg van hoe zij zich tot hem verhouden.

Maar wat treffend is, is dat Paulus twee veel voorkomende valstrikken ontwijkt.

(a) Hij vermijdt duidelijk het soort professionele afstand dat door bepaalde verkondigers wordt aangehouden als een soort beschermend schild.

(b) Hoewel zijn eigen vreugden en verdriet duidelijk verbonden zijn met wat de Korinthische christenen over hem denken, is die link niet in de eerste plaats een persoonlijke link.

Wanneer dit het geval is, verliest de verkondiger zijn profetische stem en zal hij alleen hetgeen zeggen en doen waarvan hij denkt dat het de genegenheid van de kudde in stand zal houden.

Paulus voelde het als zijn taak om de Korinthiërs te vermanen, zowel persoonlijk als via zijn schrijven; voor die verantwoordelijkheid is hij niet teruggedeinsd. Zijn blijdschap dat ze nu tot hem zijn teruggekeerd valt dus niet te scheiden van zijn blijdschap dat ze zijn teruggekeerd tot trouwe gehoorzaamheid aan het Evangelie – de kern van zijn grenzeloze vreugde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 7 maart 2015

Christelijk leiderschap, iemand? (2 Kor. 6)


Exodus 18; Lukas 21; Job 36; 2 Korinthiërs 6
Een van de meest treffende visies op apostolisch dienstwerk wordt gevonden in 2 Korinthiërs 6:3-10. Je hebt er maar weinig kennis van zijn brieven voor nodig om te merken dat Paulus niet bereid is om compromissen te sluiten over het evangelie. Hij is meer dan bereid om de schande van het kruis te dragen.

Maar even duidelijk is zijn bereidheid om gelijk welk persoonlijk ongemak of lijden te verdragen om maar de boodschap te kunnen overbrengen. ‘Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot’, zo schrijft hij, ‘opdat onze bediening niet gesmaad worde’ (6:3).

Door wat hij ‘onze bediening’ noemt te handhaven, is Paulus niet bekommerd om zijn persoonlijke reputatie te vrijwaren, maar zijn geloofwaardigheid als een ambassadeur van Jezus Christus, als een dienstknecht van God. Dus gaat hij verder ‘maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods’ (6:4).

Je zou je kunnen laten misleiden door die laatste zin, zowel in de tijd van Paulus als in die van ons. Want een dienaar van het evangelie die zich vandaag ‘in alles laat kennen’ of ‘bekendmaakt’, dat klinkt nogal als een lelijk stukje profileringsdrang.

Je verbeelding gaat aan de haal: de boekenstand van de gemeente die T-shirts verkoopt met ‘Ik hou van mijn voorganger Jan’ prominent op de borst, een opgewekte fanfare telkens hij de preekstoel beklimt, enzovoort.

De wereld van het oude Korinthe zou Paulus’ woorden eveneens verkeerd interpreteren. Zoveel rondtrekkende leraars poogden zich in hoge mate te profileren. Dat was hoe ze leerlingen wonnen – door zichzelf aan te bevelen, expliciet en impliciet, als de beste in wat ze deden.

Maar het eigen aanbevelen van Paulus neemt plots een wending die noch de zelfprofilerende types uit het oude Korinthe, noch hun zachte echo’s in de moderne Westerse kerk zouden willen volgen. Het kader waarin Paulus zichzelf aanbeveelt als een dienstknecht van God, is niet dat van ordinaire eigendunk, oud of modern.

Paulus en andere dienstknechten van God bevelen zichzelf aan ‘in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten’ (6:4b-5).

In moeiten of hard werk? De leraars van toen werden verondersteld te denken en te onderwijzen, niet om hard te werken met hun handen. In ‘oproeren’? Er wordt van christen apostelen verondersteld dat ze zichzelf aanbevelen als dienstknechten van God door de manier waarop ze zichzelf gedragen in oproeren!

Paulus gaat door: ze moeten zich aanbevelen ‘in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand’ (6:6-7).

Dan zijn er de verschillende verwachtingen die mensen van je hebben: dienstknechten van God moeten zichzelf aanbevelen ‘onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht’ (6:8). De dienstknechten zijn ongetwijfeld oprecht, maar velen zullen hen zien als bedriegers. Paulus rondt zijn lijst af met een litanie van verbazingwekkende paradoxen (6:9-10).
Christelijk leiderschap, iemand?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 6 maart 2015

We krijgen een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel (2 Kor. 5)


Exodus 17; Lukas 20; Job 35; 2 Korinthiërs 5

Dingen zijn nooit zo goed als ze zouden kunnen zijn. En als ze dan al voor een kort moment zo goed zijn als je je kunt inbeelden, als je dan voor even lijkt de nectar van het leven zelf in te zuigen met elke ademtocht die je in je hebt, dan weet jij net zo goed als ik dat dergelijke hoogtes niet kunnen blijven duren.

Morgen ga je terug naar je werk. Je kunt je job graag doen, maar hij brengt druk met zich mee. Jouw huwelijk mag misschien dicht bij het idyllische aanleunen, maar in een donkere bui vraag je je misschien af hoeveel je niet wilt en kunt delen met je echtgenoot. De warme westenwind die je haar streelt verandert in een tornado die je huis vernielt. Een van je ouders wordt getroffen door de ziekte van Alzheimer; een van je kinderen sterft.

Er valt zoveel te genieten rond je, maar als je begint de kauwen op de filet mignon die je kinderen voor je verjaardag gekocht hebben, denk je aan de miljoenen die elke dag sterven van de honger. Er valt niet te ontkomen aan de harde realiteit dat, hoe wondermooi je ervaringen in deze gebroken wereld ook zijn, anderen lijden onder ervaringen die veel schadelijker zijn, en jij zelf kunt ook nooit geloven dat wat je meemaakt volkomen ideaal is.

Die rusteloosheid is voor ons welzijn. Het is een ontwerpkenmerk dat hoort bij onze samenstelling, bij onze aard als schepselen die gemaakt zijn naar het beeld van God. We zijn gemaakt om de eeuwigheid te bewonen; door constitutie weten we dat we behoren bij iets beters dan een wereld (hoe mooi ook bij momenten) die overspoeld wordt door zonde.

Paulus begrijpt dit punt volkomen (2 Korinthiërs 5:1-5). Hij kijkt vooruit naar de tijd waarin ‘de aardse tent’ (ons huidige lichaam) zal worden afgebroken, en weet dat ‘wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’ (5:1) – ons opstandingslichaam. ‘Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden’ (5:2). Niet dat we wensen dit sterfelijke kleed uit te trekken en willen bestaan in een naakte onsterfelijkheid: dat is niet onze ultieme hoop, ‘omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden’ (5:4).

Dan voegt Paulus eraan toe: ‘God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft’ (5:5). God heeft ons voor zijn doel gemaakt, d.w.z. voor het doel van opstandingsleven, voor ons verzekerd door de dood van zijn Zoon.

Bovendien heeft God ons, in afwachting van de heerlijke vervulling van leven, al zijn Geest gegeven als een onderpand, een soort voorafbetaling van de ultieme erfenis.

Geen wonder dan dat we zuchten in afwachting en ontdekken dat onze zielen rusteloos zijn in deze tijdelijke verblijfplaats die de doodstraf over zich draagt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 maart 2015

Beluister de lezing 'De lankmoedigheid van God' (Geert Soete)

Zaterdag jl. verzorgde Geert Soete de laatste lezing van dit seizoen in de reeks 'God leren kennen': 'De lankmoedigheid van God'.

Beluister ook de audiofile (mp3): lezing 'De lankmoedigheid van God' - Geert Soete

Ook van de lezingen die voorafgingen in de reeks, kun je de audiofiles nog (her)beluisteren. Gebruik daarvoor het label 'God leren kennen' (rechtsbeneden).



Als Hij Zich stilhoudt, wie zal dan veroordelen? (Job 34)


Exodus 16; Lukas 19; Job 34; 2 Korinthiërs 4

In Job 34 lijkt Elihu op het eerste gezicht de argumenten te herhalen van de drie ‘vertroosters’. Hij vat Jobs rede samen (34:5-9): Job zegt dat hij onschuldig is, niets verkeerd heeft gedaan, en dat God hem geen recht doet. De implicatie is dat er geen voordeel, geen ‘baat’ valt te behalen als je God poogt te behagen (34:9).

Op dit punt staat Elihu aan de kant van de drie gesprekspartners. ‘God is verre van goddeloosheid, de Almachtige van onrecht’ (34:10), benadrukt Elihu; en opnieuw: ‘ja waarlijk, God handelt niet onrechtvaardig, de Almachtige buigt het recht niet’ (34:12).

De volgende verzen stapelen nog meer argumenten in dezelfde trant op, en voor een tijd lijkt het erop dat Elihu in dezelfde val zal trappen als hen die hij vermaant: die van reductionistische verdienstetheologie.

Maar dan voegt hij een element toe dat nog maar eens zijn toespraak in een iets ander kader plaatst dan die van hen. Elihu laat ruimte voor het mysterie. Terwijl hij benadrukt dat God volkomen rechtvaardig is, besluit hij niet zoals de drie ‘vertroosters’, dat dit betekent dat elk geval van lijden het directe resultaat moet zijn van Gods rechtvaardige straf.

Elihu kan vragen, ‘Als Hij Zich stilhoudt, wie zal dan veroordelen? Als Hij zijn gelaat voor iemand verbergt, wie zal dan naar hem omzien?’ (NBV: ‘wie kan hem dan aanschouwen?’) (34:29).

Terwijl Job flirt met de idee dat Gods zwijgen Hem schuldig maakt aan oneerlijkheid, veronderstelt Elihu Gods gerechtigheid, zelfs als hij (Elihu) daaruit niet de conclusies trekt waarvan de drie ellendige vertroosters aanhangers blijken. Elihu laat ruimte voor mysterie, voor goddelijke stilte die niettemin gewoon stilte is.

Gedeeltes van Elihu’s rede zijn moeilijk te verstaan. Maar in het kader van het boek Job, springen twee zaken in het oog.

Ten eerste, wanneer God uiteindelijk antwoordt, wordt Job gecorrigeerd (zoals we zullen zien), en de drie ‘ellendige vertroosters’ worden ronduit terechtgewezen, want, zegt God, ze hebben ‘niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job’ (42:7) – maar er wordt helemaal geen beschuldiging geuit tegen Elihu. Dit kan een weerspiegeling zijn van het feit dat hij slechts een figurant is; maar het weerspiegelt ook het feit dat zijn basisstandpunt correct is, zelfs al is de toon ietwat zelfingenomen.

Ten tweede, in zijn zinspelende suggesties dat er in God mysterieuze werkelijkheden en verborgen motieven kunnen zijn waartoe wij geen toegang hebben, grijpt Elihu vooruit naar een aantal van Gods eigen argumenten wanneer Hij spreekt uit de storm in de slothoofdstukken van het boek (hoofdstukken 38-41).

Bijbelse openbaring biedt ons inzicht in veel dingen, sommige daarvan vereisen dat we een heel leven leren. Maar het herinnert ons er ook aan dat God niet alles geopenbaard heeft (Deut. 29:29). Op sommige punten verlangt God van ons dat we vertrouwen en gehoorzamen, niet dat we slechts beoordelen en verstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 4 maart 2015

Elihu: lijden wil niet altijd straffen (Job 33)


Exodus 15; Lukas 18; Job 33; 2 Korinthiërs 3

Eens de discussies tussen Job en de ‘ellendige vertroosters’ zijn stilgevallen, verschijnt een nieuwe figuur op het toneel. De rede van Elihu beslaat de hoofdstukken 32-37. Hij is een jonge man die tot nu toe niet heeft gesproken omdat de etiquette van die tijd vereist dat de oudere mannen eerst het woord nemen.

Elihu komt over als een eerder aanmatigend individu dat zich tot op dat ogenblik maar nauwelijks heeft kunnen inhouden om te spreken. Maar nu stort hij de woorden uit als een stroom (zoals hij zelf erkent, 32:18-21) en hij belooft plechtig dat hij niemand zal behandelen met schadelijke vleierij (32:22).

De essentie van Elihu’s rede neemt voor het eerst vorm aan in Job 33. Eens je echter rekening houdt met zijn nogal afwerende grootspraak, heeft Elihu niettemin een aantal belangrijke dingen te zeggen. Op diverse vlakken komt hij heel dicht bij wat de anderen gezegd hebben, maar hij blijft weg van hun meest flagrante fouten, zodat de totale configuratie van zijn uiting heel anders is.

In dit hoofdstuk spreekt hij Job aan; later zal hij zich tot de ‘vertroosters’ richten. Tegen Job wil hij de nadruk leggen op twee hoofdpunten.

Ten eerste betoogt Elihu dat hoewel Job Gods grootheid erkend heeft – Job heeft zelfs Gods grootheid beklemtoond – hij toch een grens overschreden heeft, want door zo de klemtoon te leggen op zijn eigen gerechtigheid heeft hij van God een soort monster gemaakt. ‘Zie, daarin hebt gij ongelijk’ (33:12).
Wijselijk stopt Elihu hier. Hij gaat niet zover als de drie ‘vertroosters’, om te beweren dat Job moet toegeven dat hem ernstige schuld treft. Jobs enige schuld, voor zover het Elihu betreft, is dat hij schuld op God laadt.

Ten tweede betoogt Elihu dat God niet zo afstandelijk en onbereikbaar is als Job het laat uitschijnen (33:14 e.v.). God komt soms tot iemand in een vreemde nachtelijke droom die hem of haar waarschuwt een of andere boze weg te verlaten (33:15-18). Of – meer ter zake – God kan werkelijk spreken in de taal van pijn, om te bewaren voor hoogmoed en onafhankelijkheid (33:19-28). Hij kan dit meer dan een keer doen bij iemand, en daardoor diens ziel redden van de groeve (33:29-30). Elihu heeft dus vragen aan de orde gesteld over het doel van lijden, die noch door Job, noch door diens antagonisten aan bod kwamen.

Hij zegt zeker niet dat Job alle lijden verdient waarmee hij te kampen heeft; Elihu zegt zelfs dat hij Job wil vrijgepleit zien (33:32).

Los van het belang van de kwestie zelf – dat lijden iets anders als doel kan hebben dan verdiende straf – herinnert de volledige discussie ons aan een belangrijke pastorale les. Natuurlijk is het niet altijd zo; maar wanneer twee opponenten zich soms loodrecht tegenover elkaar opstellen en geen van beiden bereid is ook maar iets toe te geven, dan kan het ook wel zijn dat geen van beiden goed heeft nagedacht over de volledige reikwijdte van het onderwerp.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 maart 2015

Nieuwe bekeerlingen brengen nieuwe problemen en … leven (2 Kor. 2)

Exodus 14; Lukas 17; Job 32; 2 Korinthiërs 2

Ondanks zijn voornemen kon Paulus de Korinthiërs niet bezoeken zoals hij verhoopt had. Hij heeft hen mogelijk bezocht op zijn weg naar Macedonië; hij deed het zeker niet, in tegenstelling tot wat hij had verwacht, nadat hij uit Macedonië was vertrokken (2 Kor. 1:16, zie de overdenking van 1 maart).

Blijkbaar namen sommige van de christenen in Korinthe hem dat kwalijk; zij beschuldigden hem dat hij wispelturig was. Paulus antwoordt daarop dat hij niet het soort persoon is dat ‘ja’ zegt wanneer hij ‘nee’ bedoelt, of omgekeerd (1:17). De reden dat hij niet naar Korinthe ging, zoals hij zich had voorgenomen, was om hen te sparen (1:23). Hoezo?

Het antwoord op die vraag wordt gevonden aan het begin van 2 Korinthiërs 2, dat ons een dramatische inkijk biedt in de relaties tussen de apostel en een van de meer vooraanstaande kerken die hij heeft gesticht.

De reden dat Paulus zijn voornemen om Korinthe te bezoeken niet ten uitvoer bracht, is dat hij ervan overtuigd raakte dat het weer ‘zo’n verdrietig bezoek’
(2:1, NBV) zou worden. Een eerder bezoek, mogelijk op zijn weg naar Macedonië, bleek rampzalig. Ofwel voor of na het bezoek (het verloop is niet helemaal duidelijk) zond Paulus ook een brief: ‘in zware druk en beklemdheid des harten heb ik onder vele tranen u geschreven’ (2:4).

Het doel van die brief was niet hen te bedroeven, maar hen te verzekeren van de diepte van zijn liefde voor hen (2:4). Het lijkt erop dat de inhoud van die brief een strenge vermaning was om tuchtmaatregelen te treffen tegen iemand binnen de gemeente die ernstige zonden beging.

Er is vaak gezegd dat die tranenrijke brief 1 Korinthiërs is, en dat de man waarvan Paulus wil dat hij onder tucht komt, dan de man is die slaapt met zijn stiefmoeder (1 Kor. 5). Dit is zeker een mogelijke verklaring.

In zijn geheel echter klinkt 1 Korinthiërs niet als de brief die Paulus in het kort beschrijft in 2 Korinthiërs 2:4. Meer waarschijnlijk verwijst hij naar een andere brief, waarover we niets meer weten, een brief die erop aandrong dat de kerk in Korinthe in actie zou komen.

Minstens sommigen in Korinthe hebben Paulus een zeer moeilijke tijd bezorgd over de kwestie. Nu echter heeft het gezond verstand het gehaald, samen met de gehoorzaamheid aan de apostel (2:9). De gemeente heeft de recalcitrante zondaar die nauwelijks berouw toonde gestraft, en nu moedigt Paulus de gelovigen aan om de tuchtmaatregelen te beëindigen en de man te vergeven (2:5-10).

Een te streng oordeel kan de gemeente zelf tot hardvochtigheid verleiden, en hiermee de gemeente in een andere van de vele listen van satan doen vallen om de gelovigen te slim af te zijn en kapot te maken.

Het is enorm bemoedigend om in deze interacties de krachtige vitaliteit te herkennen van de vroege christelijke relaties. De rustige instandhouding van het status quo kan mogelijk geen teken van leven zijn; het kan zelfs een teken van doodsheid zijn. Waar er veel nieuwe bekeerlingen zijn, zullen er problemen zijn – en leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 maart 2015

'Troosten met de vertroosting waarmee wij zelf door God getroost worden' (Job 31 en 2 Kor. 1)


Exodus 13; Lukas 16; Job 31; 2 Korinthiërs 1

Nog maar eens blijkt het nuttig na te denken over twee van de in het leesrooster voorziene teksten voor vandaag.

Job 31
is het finale hoofdstuk van Jobs laatste antwoord aan de drie vertroosters. De afsluitende drie hoofdstukken van die rede (hoofdstukken 29-31) worden overheerst door twee thema’s.

Ten eerste klaagt Job nu niet zozeer over zijn fysieke lijden, maar eerder over zijn gezichts- en prestigeverlies in de gemeenschap. Hij was voorheen een man van aanzien en eer; nu wordt hij behandeld met minachting, zelfs door jonge mannen uit onachtbare families (bijv. 30:1).

Ten tweede, onthult Job nu, hoewel hij al de hele tijd protesteert dat hij onschuldig lijdt, de gewoontes uit zijn leven die verklaren waarom het openingshoofdstuk hem beschrijft als ‘vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’ (1:1).

Een van de redenen waarom Job zo geëerd was in de gemeenschap was dat zijn gerechtigheid en vrijgevigheid welbekend waren: hij redde de armen en de wezen, stond de stervenden bij, en hielp de weduwen (29:12). Ook zo in het huidige hoofdstuk: de wanhoop nabij omwille van de beschuldigingen die tegen hem geuit worden, zet Job de bewijzen voor zijn onschuld uiteen.

Hij sloot een verbond met zijn ogen ‘nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken’ (31:1, NBV). Hij gedacht voortdurend Gods alziende oog (31:4), en daarom sprak hij de waarheid en was hij eerlijk in zaken (31:5-8).

Hij vermeed overspel; hij handelde eerlijk met grieven van zijn slaven en slavinnen, wetende dat hij op een dag ook Gods oordeel zou moeten trotseren, en dat zij hoe dan ook al even menselijk zijn als hij (31:13-15). Uit vrees voor God was hij bijzonder vrijgevig voor de armen (31:16-23). Ondanks zijn grote weelde, stelde hij daarop nooit zijn vertrouwen (31:24-28), en ook liet hij zichzelf nooit toe zich te verheugen over het ongeluk van anderen (31:29-30). Zo eindigt het hoofdstuk met Job die zijn reputatie van integriteit weet te bewaren, en geen rust vindt.

Paulus lijdt ook – niet alleen het verlies van bezittingen, familie en bezit, maar ook door de bijzondere druk van frontlinie dienst, en erger nog, door openlijke vervolging (2 Korinthiërs 1:1-11).

Natuurlijk zijn de omstandigheden radicaal anders. Paulus weet, in tegenstelling tot Job, dat hij geroepen was om te lijden (bijv., Hand. 9:16). Bovendien leeft en dient Paulus aan deze zijde van het kruis: zelfbewust volgt hij Iemand die onrechtvaardig leed ten behoeve van anderen.

En wat misschien het belangrijkste is, Paulus weet dat hij de bemoediging die hij ontving van ‘de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting’ (1:3) ook kan doorgeven aan anderen. Hij weet dat God ‘ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wijzelf door God vertroost worden’ (1:4).

Ze zijn te beklagen, die nog nooit vertroost werden; want zij geven ook zelf nooit vertroosting.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 1 maart 2015

'Als de Here het toestaat' (1 Kor. 16)


Exodus 12:21-51; Lukas 15; Job 30; 1 Korinthiërs 16

In de dramatische momenten van zijn leven wordt Paulus geleid door tussenkomst van een bepaalde openbaring. Waar we soms overheen kijken is hoeveel van zijn dienstwerk het resultaat is van planning, instructie, pastorale inschattingen, zelfs onzekerheden – veel zoals bij onze bediening het geval is.

In 1 Korinthiërs 16 vertelt Paulus de Korinthiërs over zijn reisplannen (16:5-9). Hij wil hen niet meteen ontmoeten, op zijn weg naar Macedonië, en slechts een tussenstop maken. Het ligt veeleer in zijn bedoeling om eerst naar Macedonië te trekken, en dan zal hij ‘misschien’ voor een tijd bij de Korinthiërs verblijven, of er zelfs de winter doorbrengen (wanneer het onveilig was om op de Middellandse Zee te varen). ‘Ik hoop enige tijd bij u te blijven’, schrijft Paulus, ‘als de Here het toestaat’ (16:7).

Vooraleer echter scheep te gaan voor een deel van deze reis, is de apostel van plan om nog wat langer in Efeze te blijven, ‘want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders’ (16:9). Met andere woorden, hij heeft nog altijd heel wat dienstwerk op de plank in deze grote stad.

Er is duidelijk onzekerheid in Paulus’ plannen, maar hij probeert de volgende paar maanden van zijn dienst vorm te geven op manieren die het best zullen bijdragen tot de verspreiding van het evangelie en tot het welzijn van Gods volk.

De volgende twee korte paragrafen (16:10-12) suggereren dat de bewegingen van Timotheüs en Apollos al evenmin volkomen voorspelbaar waren, hoewel in beide gevallen Paulus de Korinthiërs van informatie voorziet die bepaalde eventualiteiten omvat.

Bovendien ontdek je hoe Paulus de Korinthiërs in de eerste paragraaf (16:1-4) instrueert om vooruit te plannen in hun geven. De ‘inzameling’ die Paulus vermeldt is een project om de arme christenen in Judea te helpen. Hij weet dat als de Korinthische gelovigen pas zullen beginnen geld inzamelen wanneer hij opduikt, zij weinig zullen geven.

Trouw, regelmatig geven, weggelegd ‘elke eerste dag der week’ (wanneer christenen samenkwamen voor gemeenschappelijke aanbidding, bemoediging en onderwijs), zou verzekeren dat een aanzienlijke som kon bijeengebracht worden.

Natuurlijk kon geld in die tijd nog niet elektronisch overgemaakt worden; iemand zou het persoonlijk moeten overbrengen. Paulus wil dat de Korinthiërs daarvoor mannen kiezen waar ze zelf achter staan, en hij zal voor hen introductiebrieven voorzien voor de leiders in Jeruzalem. Hij zou zelfs met hen kunnen meegaan.

Dit soort regelingen kon elke hint naar financiële onbetamelijkheid van de kant van de apostel voorkomen. Ook in dit geval is er duidelijk sprake van zorgvuldige, godvrezende, wijze planning en een aanmoediging voor de Korinthiërs om hetzelfde te doen.

Vandaag bestaat er een vorm van zweverige ‘spiritualiteit’ die wil wachten voor expliciete leiding voor elke beslissing, die een zin als ‘als de Here het toestaat’ gebruikt als een schijnheilige smoes . Dit was niet de visie van Paulus, en het zou ook niet de onze mogen zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.