woensdag 22 oktober 2014

'Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten' (2 Thess. 3)

2 Koningen 3; 2 Thessalonicenzen 3; Daniël 7; Psalmen 114-115

Het gedeelte in 2 Thessalonicenzen 3:6-13 is uniek in het Nieuwe Testament. Op geen enkele andere plaats vinden we zoveel zinnen gewijd aan de zonde van luiheid.

Het is zeker mogelijk om werk zelf of de beloningen die eruit voortkomen tot afgoden te maken. Dit is vaak waar mensen aan denken als ze neerbuigend spreken over de ‘Protestantse werkethiek’.

Maar je moet nog altijd stellen dat het passende antwoord op de zonde van werk een afgod te maken niet rust is: dit zou gewoon weer van rust en genot een afgod kunnen maken. Maar het passende antwoord is bekering, en geloof in en gehoorzaamheid aan God. Dan moet werk zijn juiste plaats krijgen in een wereld die door God en zijn Woord wordt gekaderd.

Het kan niet anders of lezers van de Bijbel merken op dat God heel wat meer zegt over werk dan over rust. De zo vaak bekritiseerde ‘Protestantse werkethiek’ begon eerder eenvoudig: toegewijde christenen dachten dat ze al hun werk aan God moesten offeren. Dit garandeerde dat ze in het algemeen toch wat harder werkten en ook heel wat eerlijker dan veel anderen. Het onvermijdelijke gebeurde: velen van hen ging het voor de wind.

Twee of drie generaties verder begonnen velen natuurlijk de nadruk te leggen op het werk zelf, ofwel als het essentiële kenmerk van godsvrucht, of als een middel om rijkdom te vergaren, of allebei – en soms werd God naar de rand verdrongen.

Maar terwijl we werk terecht als afgoderij willen veroordelen, moeten we opletten niet naar de andere kant over te slaan, en werk te beschouwen als iets dat louter moet gedaan worden, zodat we kunnen verdergaan met wat we werkelijk belangrijk vinden: plezier hebben en onszelf dienen. Bijbels gesproken is het moeilijk om te zien in welk opzicht dit standpunt ook maar een verbetering is.

We weten niet precies wat een aantal van de gelovigen uit Thessalonika ertoe aanzette om lui te zijn. Misschien dat sommigen gewoon probeerden te profiteren van de vrijgevigheid van christenen. Er waren er zeker die minder zin hadden om aan de slag te gaan dan om zich onledig te houden met nutteloze dingen (3:11). Maar Paulus wil er niets van weten.

Dit is geen zaak van christenen die erbarming moeten tonen voor hen die werkelijk in nood zijn. Het is veeleer een kwestie van christenen die duchtig de zweep moeten hanteren tegen hen die wel beweren christen te zijn, maar die de duidelijke richtlijnen van de apostel (3:12) niet gehoorzamen en zijn opmerkelijke persoonlijke wandel negeren (3:7-9). Hij werkte (d.w.z. voor zijn beroep) precies om dit punt te onderwijzen: ‘Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten’ (3:10).

Nu gaat Paulus nog een stap verder: betrouwbare christenen moeten uit de buurt blijven van deze bedriegers, zelfs helemaal van hen weg blijven (3:6). Op die manier kunnen ze de kerk niet verontreinigen. En nog belangrijker: zij die buiten staan zullen de wandel van dergelijke mensen niet verwarren met de wandel van christenen die blijmoedig de apostolische instructies navolgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 21 oktober 2014

Wij worden weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht (2 Thess. 2)

2 Koningen 2; 2 Thessalonicenzen 2; Daniël 6; Psalmen 112-113

Het was altijd al makkelijk om zaken verkeerd te begrijpen rond de wederkomst van Jezus. Soms komt dit voort uit onwetendheid, soms uit een verkeerd gelegde nadruk. Te oordelen naar 2 Thessalonicenzen 2:1-12 waren dergelijke gevaren al sinds de vroege kerk aanwezig.

Vandaag houden we nog veel van onze verwrongen interpretaties met betrekking tot deze zaken over. Bijvoorbeeld omdat Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:17 schrijft ‘daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht’, denken veel hedendaagse uitleggers dat Paulus dacht dat de wederkomst van de Heer zou plaatsvinden tijdens zijn leven, en natuurlijk had hij het dan in dit geval verkeerd.

In werkelijkheid bewijst 1 Thessalonicenzen 4:17 niet méér dat Paulus geloofde dat Christus zou terugkeren tijdens zijn leven, dan 1 Korinthiërs 6:14 bewijst dat hij dacht dat Christus niét tijdens zijn leven zou terugkeren. Daar schrijft Paulus: ‘God heeft niet alleen de Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht’. Alhoewel hij op beide plaatsen de eerste persoon gebruikt, vereenzelvigt Paulus zich gewoon met de christenen die deze ervaringen zullen meemaken – of het nu gaat om ontmoeten van de Heer en zo ontkomen aan de dood, of om sterven en uiteindelijk opstaan uit de dood. Toch is de hedendaagse misvatting op dit punt wijdverbreid.

De misvatting achter 2 Thessalonicenzen 2:1-12 is niet volkomen helder, maar blijkbaar hadden de Thessalonicenzen een brief ontvangen die valselijk beweerde van Paulus te komen maar waar zijn welbekende handschrift en handtekening op het einde ontbrak (de reden waarom Paulus de aandacht van zijn lezers vestigt op die kenmerken in 3:17).

Op een of andere manier overtuigde die misleidende brief sommige Thessalonicenzen dat ‘de dag des Heren’ al aangebroken was (2:1-2); ofwel waren ze op een bepaalde manier achtergelaten, of anders werd hen een soort ‘over-verwerkelijkte’ eschatologie onderwezen die probeerde al de zegeningen van het heil voor het heden te reserveren. Mogelijk is er onsterfelijkheid na de dood, maar bij deze visie is er geen behoefte aan een persoonlijke wederkomst van Jezus Christus, of een oordeelscrisis en triomfantelijke regering.

Dus geeft Paulus een aantal redenen om te staven dat de dag des Heren nog niet gekomen was. Daarin volgt hij het voorbeeld van de Heer Jezus, die ook een beetje onderricht gaf over hen die ten onrechte iemand voor de Christus zouden aanzien (Mt. 24:23-27). Er moeten bepaalde dingen plaatsvinden vooraleer de Heer Jezus terugkomt, en dan zal Hij op een definitieve en ondubbelzinnige manier de tegenstand verteren ‘met de adem van zijn mond’ en ‘door de aanblik van zijn komst’ (2:8 [NBV]).

De leugens kunnen zelfs gepaard gaan en ondersteund worden door ‘allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen’ (2:9); maar mensen komen in de kern echter om, omdat ze weigeren de waarheid lief te hebben (2:10). Vroeg of laat spreekt God oordeel uit door hen de dwaling te zenden die ze zozeer verkiezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 20 oktober 2014

Zonder Christus ware de hemel een hel (2 Th. 1)

2 Koningen 1; 2 Thessalonicenzen 1; Daniël 5; Psalmen 110-111

Ik hoorde eens een voorganger door 2 Thessalonicenzen 1 prediken met de volgende indeling:

1. Een goede gemeente gaat door een moeilijke tijd (1:3-4)

2. Een goede God wacht op de juiste tijd (1:5-10)

3. Een goed man bidt in de tussenliggende tijd (1:11-12)

Vandaag wil ik wat verder nadenken over het tweede punt.

(1) Paulus kan spreken over de Thessalonicenzen die het koninkrijk van God ‘waardig’ worden geacht, dat met verterende kracht zal komen wanneer Jezus terugkomt (1:5-11). Het verband toont ons dat Paulus niet veronderstelt dat ze op een of andere manier helemaal waardig genoeg worden om te worden aangenomen door God. De idee is eerder dat ze, nu ze christen geworden zijn, christelijk geloof en liefde aan de dag leggen (1:3-4) en dat ze op de christelijke weg volharden, ondanks lijden en beproevingen (1:4-5).

Dit aanhoudend aan de dag leggen van genade terwijl ze onder vuur liggen, deze vasthoudendheid, is een bewijs van wat er gebeurt in hun levens, en het resulteert erin dat ze het koninkrijk worden ‘waardig’ geacht. Met andere woorden: waarachtige christenen volharden door Gods genade in het evangelie, en dit toont aan dat ze geschikt zijn voor de voleinding. In die zin tonen ze zich ‘waardig’.

(2) ‘God is inderdaad rechtvaardig’ (1:6 [NBV]). Daarom zal er een tijd zijn van vergelding voor hen die zijn volk wreed verdrukten (1:7) en zijn woord veronachtzaamden (1:8). Wanneer Christus terugkomt zal Hij straf oefenen ‘over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen’ (1:8). Hier wordt verondersteld dat de volkomenheid van Gods rechtvaardigheid niet wordt gezien vooraleer Jezus terugkeert.

Een bepaalde uitwerking van gerechtigheid wordt gezien in deze gebroken wereld, maar laten we wel wezen: in deze wereld lijken veel zondige mensen met heel veel weg te komen, en veel mensen die buitengewone goedheid vertonen lijden heel wat.

Wijze ouders zeggen vaak tegen hun kinderen ‘Het leven is niet eerlijk. Verwacht dat dus ook niet’. Maar tegelijk is God ‘eerlijk’; Hij is volmaakt rechtvaardig. Maar verwacht niet dat zijn rechtvaardigheid wordt aangetoond via onmiddellijke beloning en vergelding. Zijn tijdrekening is niet de onze. Het leven is niet eerlijk op onze tijdrekening. Wanneer Jezus echter terugkomt, zal niet alleen recht geschieden, we zullen ook zien dat het geschiedt.

(3) Op dat moment is Christus zelf het centrum van alles, en niemand van ons, individuen. Omwille van de centrale rol van Christus wordt straf zowat gedefinieerd in termen van verstoten worden ‘ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte’, terwijl ze ‘boeten met een eeuwig verderf’ (1:9).

Onder ‘zijn heiligen’ daarentegen, zijn ‘heilig volk’, zal diezelfde Heer Jezus ‘verheerlijkt’ worden, ‘en met verbazing aanschouwd’ worden ‘in allen, die tot geloof gekomen zijn’ (1:10). Laat Christus niet in de hemel zijn, en de hemel zou een hel zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 19 oktober 2014

'De HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u' (1 Kon. 22)


1 Koningen 22; 1 Thessalonicenzen 5; Daniël 4; Psalmen 108-109

Veel gelovigen vinden het laatste hoofdstuk van 1 Koningen, 1 Koningen 22, verontrustend. Want hier wordt van God getoond dat Hij zelf een ‘leugengeest’ (22:22) uitstuurt die koning Achab zal verleiden en hem naar zijn ondergang zal leiden. Stemt God dan in met leugenaars?

De scene kan ons veel leren. De koninkrijken van Juda en Israël trekken voor een keer samen op tegen de koning van Aram, in plaats van elkaar naar de keel te vliegen. Josafat, de koning van Juda, komt over als een goed man die in grote lijnen verlangt om zich te houden aan het verbond en trouw te zijn aan God, maar hij is nogal een watje.

Hij behandelt de militaire verkenningsexpeditie alsof het een avontuur is, maar hij wil wel dat Achab, koning van Israël, ‘naar het woord van de HEERE’ vraagt (22:5).

Nadat de valse profeten klaar zijn, is Josafat clever genoeg om te vragen of er misschien nog een andere profeet van de Heer is, en Micha verschijnt op het toneel. Maar ondanks de waarschuwingen van Micha trekt hij er toch op uit met Achab en stemt er zelfs mee in om zijn koninklijke gewaad aan te houden terwijl Achabs identiteit gemaskeerd wordt.

Maar de kern van de zaak draait om Micha. Merk op:

(1) Impliciet blijkt dat Achab zich omringd heeft met religieuze ja-knikkers die hem zullen vertellen wat hij wil horen. De reden dat hij Micha haat, is dat hetgeen Micha over hem zegt slecht is. Zoals alle leiders die zich omringen met ja-knikkers, zorgt hij er zelf voor dat hij wordt misleid.

(2) Wanneer Micha begint met een sarcastische positieve prognose (22:15), ziet Achab meteen dat hij niet de waarheid spreekt (22:16). Dit wijst op een geweten dat meer dan een klein beetje bezwaard is. Uiteindelijk had God Achab voorheen al gezegd dat, omwille van zijn schuld in de zaak van Naboth, honden op een dag zijn bloed zouden oplikken (21:19). Hij verwachtte dus wel een bepaalde dag slecht nieuws te horen, en ten diepste kon hij nooit echt de blijde vooruitzichten van zijn onderdanige ‘profeten’ vertrouwen.

(3) Wanneer Micha hem vertelt over het aanstaande onheil, geeft hij ons ook een dramatische reden voor de samenhang en unanimiteit van de valse profeten: God zelf had een leugengeest gezonden. Achabs tijd is gekomen: hij zal uitgeschakeld worden. Gods soevereiniteit strekt zich zelfs uit tot de instrumenten om Achabs tamme profeten een ‘krachtige dwaling’ te sturen (vergelijk met 2 Thess. 2:11-12).

Maar het feit dat Achab dit allemaal te horen krijgt toont aan dat God nog steeds genadig toegang biedt tot de waarheid. Maar Achab is zo ver afgedwaald dat hij de waarheid niet kan verwerken. In een dwaze reactie gelooft hij genoeg van de waarheid om zijn eigen identiteit te verbergen in de rangen van zijn gewone soldaten, maar onvoldoende om weg te blijven uit Ramot in Gilead. Dus sterft hij: Gods soevereine oordeel wordt uitgevoerd, zeker omdat Achab de leugen verkoos, terwijl hij zowel de waarheid als de leugen te horen kreeg.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 18 oktober 2014

Leef zo dat het God behaagt (1 Thess. 4)


1 Koningen 21; 1 Thessalonicenzen 4; Daniël 3; Psalm 107

In 1 Thessalonicenzen 4 komt Paulus nog maar eens met expliciete instructies voor zijn bekeerlingen met betrekking tot hoe ze moeten leven (zie de overdenking van 4 oktober). Hoewel zijn tijd met de Thessalonicenzen kort was, kan Paulus terugkijken op die paar weken en becommentariëren met ‘Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen’ (4:1 [NBV]).

In wat volgt in dit hoofdstuk, zijn er vier terreinen voor dergelijke instructie (en nog meer in het volgende hoofdstuk, hoewel we er hier niet dieper op ingaan). De eerste drie van deze ‘hoe te leven’-paragrafen zijn doorweven met theologische terminologie en motieven; de vierde paragraaf is in de eerste plaats theologisch in zijn betoog, maar de reden om te schrijven is volledig praktisch.

(1) Paulus stelt dat Gods wil voor de Thessalonicenzen bestaat uit ‘heiliging’ (4:3). Hoewel heiliging bij Paulus vaak definiërend of positioneel is (d.w.z. hij denkt dan aan de manier waarop gelovigen geheiligd werden in Christus op het tijdstip van hun bekering, met andere woorden apart gezet zijn voor God en voor zijn gebruik; zie de overdenking van 27 augustus), hier denkt hij aan de gevolgen die bekering heeft voor de manier waarop gelovigen leven.

Hij is hier in het bijzonder bekommerd over het terrein van het seksuele. De Griekse tekst van vers 4 kan betekenen ‘je eigen lichaam leren onder controle houden’ (op seksueel vlak), of ‘leren hoe je met je eigen vrouw moet leven’ (in eerbare seksuele harmonie, niet met seksuele uitbuiting of manipulatie), of zelfs ‘leren om een vrouw te verwerven’ (op een eerbare manier, niet in een relatie die op niets meer gebaseerd is dan begeerte). ‘God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging’, en dat feit heeft onmiddellijke invloed op onze seksuele wandel.

(2) Liefde in de christelijke gemeenschap is een teken dat een kerk ‘zelf door God onderwezen’ is. Hoe uitstekend de reputatie van de Thessalonicenzen op dit vlak ook is, Paulus roept op tot verbetering (4:9-10).

(3) Christelijke ambitie moet zich richten op rustige trouw, je met je eigen zaken bemoeien en hard werken opdat je geen last vormt voor anderen. Te oordelen naar de frequentie waarmee Paulus terugkeert op dit thema, zou je denken dat er meer dan een paar ledige mensen de gemeenterangen in Thessalonika bevolkten (5:14; 2 Thess. 3:11-13).

(4) De laatste paragraaf (4:13-18) betreft ‘hen, die ontslapen’, waarvan het verband toont dat het om christenen gaat die gestorven zijn. Wat zal er met hen gebeuren? Blijkbaar had Paulus niet de tijd om gedetailleerd op dergelijke zaken in te gaan toen hij nog bij hen was. Aangezien hij niet wil dat ze onwetend zijn (4:13) schetst hij wat er gebeurt. Maar de les die we moeten in gedachten houden is dat deze leer er kwam om elk verdriet te verlichten dat nabestaande gelovigen treft: we rouwen, maar niet ‘zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben’ (4:13). Instructies over hoe je moet leven strekken zich zelfs uit tot hoe je moet rouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 17 oktober 2014

Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken (1 Thess. 3)

1 Koningen 20; 1 Thessalonicenzen 3; Daniël 2; Psalm 106

De intensiteit van de relatie tussen Paulus en zijn bekeerlingen duikt elke keer weer op. Bij Paulus merk je nooit een spoor van louter professionalisme. Waar hij bij gelegenheid bereid is om zich te beroepen op zijn apostolisch gezag, is zijn standpunt tegenover gemeenten die hij opstartte er nooit een van afstandelijke superioriteit.

Wanneer Paulus zelf niet in de gelegenheid was om de gelovigen in Thessalonika te bezoeken om te zien hoe het met hen ging – en in dit geval was hij bijzonder bezorgd aangezien zijn volledige dienst in Thessalonika ongeveer maar een maand duurde, zodat het fundament van deze gelovigen niet zo sterk was als bij de meeste bekeerlingen – besloot Paulus om Timotheüs te sturen om het uit te zoeken (1 Thess. 3:1-2).

Nu Paulus zich weer bij Paulus heeft gevoegd in Athene, met prachtige verslagen over het geloof en de liefde van de Thessalonicenzen (3:6 – twee elementen uit de Paulinische triade; zie de overdenking van 11 oktober), om nog maar te zwijgen over hun trouw aan Paulus en aan het apostolische evangelie, kent Paulus’ vreugde geen grenzen: ‘zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, vertroost over u door uw geloof, want nu leven wij, als gij staat in de Here’ (3:7-8). Zelfs dat is niet genoeg. Paulus roept uit: ‘Want welke dank kunnen wij Gode over u vergelden voor al de blijdschap, waarmede wij ons om u verblijden voor onze God?’ (3:9).

Op zijn beurt is dit een aanzet voor Paulus’ onthulling van hoe hij bidt voor de Thessalonicenzen.

(1) Paulus bidt voortdurend (‘nacht en dag’, zegt hij), ‘vurig’, dat hij op de een of andere manier in staat zal zijn om terug te keren naar Thessalonika om te ‘voltooien wat nog aan uw geloof ontbreekt’ (3:10-11). Deze jonge gemeente heeft weinig basis gekregen. Paulus voelt een enorm gewicht van verantwoordelijkheid om erin te voorzien, om de hele raad van God te schetsen, het evangelie op een begrijpelijke manier over te brengen, deze broers en zusters te leren hoe de Bijbel is opgebouwd, en hen een duidelijk zicht te bieden op het voorwerp van hun geloof zodat hun (subjectieve) geloof stevig gefundeerd zal zijn.

(2) Ondertussen bidt hij dat de liefde van de Thessalonicenzen voor elkaar mag ‘toenemen en overvloedig worden’ (3:12). Paulus weet dat een christengemeenschap die op een goede manier liefde betoont niet alleen het evangelie weerspiegelt in het leven, maar ook voorziet in een gezonde omgeving waarin bijbels onderwijs wordt meegenomen. Een kibbelende gemeenschap drijft mensen weg. Bovendien werden in deze cultuur veel relaties gevormd op basis van verplichting. Een ‘weldoener’ voorzag in iets, en de ontvanger was de weldoener een bepaalde gehoorzaamheid of dienst verschuldigd.

Paulus wil daarentegen dat christenen dergelijke culturele begrenzingen overstijgen, en op een dusdanige manier leven dat elke christen voortdurend de ‘verplichting’ kwijtscheldt om elkaar lief te hebben, waardoor hij of zij de loutere schraapzucht van ‘voor wat hoort wat’ overtreft.

(3) Paulus bidt dat God zelf de gelovigen in Thessalonika zou versterken om zo te leven dat ze klaar zullen zijn voor de wederkomst van Jezus (3:13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 16 oktober 2014

'Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven' (1 Kon. 19)

1 Koningen 19; 1 Thessalonicenzen 2; Daniël 1; Psalm 105

Ongetwijfeld verwachtte Elia, na de triomfantelijke confrontatie op de berg Karmel, dat Israël tot de levende God zou terugkeren (1 Koningen 19). Nu hij de valse profeten had geëxecuteerd, zou koningin Izebel zelf wel uitgeschakeld worden – door de gemeenschappelijke eis van een verontwaardigde bevolking, vastbesloten om trouw en loyaal te zijn aan het verbond. Misschien zou zelfs koning Achab zich bekeren en zich aansluiten.

Maar het pakt anders uit. Koning Achab rapporteert al wat er is gebeurd aan Izebel, en Izebel laat Elia weten dat hij zo goed als dood is (19:2). Het volk valt nergens te bespeuren. ‘Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden’ (19:3 [NBV]), wordt ons verteld.

In feite zegt een tekstuele variant (die mogelijk origineel is) ‘Elia zag het en vluchtte om zijn leven te redden’ [zie de voetnoot bij de NBV, JL] – d.w.z. hij zag nu de omvang van het hele probleem en vluchtte weg. Hij trekt zuidwaarts naar Berseba aan de zuidelijke grens van het koninkrijk van Juda, laat er zijn knecht achter en blijft doorgaan. Uiteindelijk komt hij aan bij de berg Horeb, de plaats waar de Wet werd gegeven.

Hij is zodanig diep terneergeslagen dat hij wil sterven (19:4). Erger nog, hij geeft zich over aan zelfmedelijden, en geen klein beetje: alle anderen hebben God verworpen, alle Israëlieten hebben het verbond verbroken, alle profeten op Elia na zijn ter dood gebracht – ‘Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het mij te benemen’ (19:10 [HSV]).

Je kunt meevoelen met Elia’s wanhoop. Het is gedeeltelijk gebaseerd op niet ingeloste verwachtingen. Hij dacht dat het hele gebeuren de aanzet zou vormen voor een enorme hernieuwing. Nu voelt hij zich niet alleen geïsoleerd, maar ook verraden. En toch:

(1) Hij heeft het gewoon bij het verkeerde eind. Hij weet dat er nog minstens honderd profeten in leven zijn, zelfs al zijn ze dan verborgen (18:13).

(2) Hij bevindt zich niet in de positie om de harten van alle Israëlieten te veroordelen. Sommigen zijn misschien nog trouw aan Jahweh, maar doodsbang voor Izebel, en houden zich daarom gedeisd. En is dit niet uiteindelijk wat ook hijzelf doet?

(3) God zelf verzekert Elia dat Hij in Israël zevenduizend mensen heeft overgelaten, voor zichzelf heeft afgezonderd, die de knieën niet hebben gebogen voor Baäl en hem nooit gekust hebben (19:18). Hier begint een belangrijk bijbels thema – de leerstelling van het overblijfsel. De verbondsgemeenschap mag dan globaal wel zijn afgeweken, de Almachtige God ‘reserveert’ voor zichzelf wel nog altijd een getrouw overblijfsel – dat in de volheid van de tijd de kern zal worden van de jonge Nieuwtestamentische gemeente.

(4) God werkt en spreekt soms in de stilte, niet in enorme confrontaties (19:11-13).

(5) Vroeg of laat hebben zelfs de sterkste leiders, vooral de sterkste leiders, een jongere leerling en helper nodig om aan hun zijde te staan, om de schouders te helpen zetten onder een deel van de last en uiteindelijk het werk over te nemen (19:19-21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 15 oktober 2014

'De God die met vuur zal antwoorden, die zal God zijn' (1 Kon. 18)


1 Koningen 18; 1 Thessalonicenzen 1; Ezechiël 48; Psalm 104

Het is verleidelijk om de commentaar op de Paulinische triade die we vinden in 1 Thessalonicenzen 1:3 verder te zetten (zie de overdenking van 11 oktober), maar de confrontatie op de berg Karmel (1 Koningen 18) vraagt onze aandacht.

Het meest schokkende aan deze confrontatie is dat ze nodig was. Dit is het verbondsvolk van God. We kunnen niet zeggen dat God zich nooit aan hen geopenbaard heeft. In hun gemeenschappelijk denken hebben de tien stammen van het noordelijke koninkrijk hun erfgoed zo goed als losgelaten. Wanneer Elia het volk uitdaagt met de woorden ‘Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de HERE God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na’ (18:21), dan zegt het volk niets.

Maar voor we ons wentelen in al te veel gedachten van eigengerechtigheid, moeten we bedenken hoe vaak de kerk al weggetrokken is van haar ankerplaatsen. De opwekking die bekendstaat als ‘the Great Awakening’ was een krachtige beweging van de Geest van God, maar een eeuw later waren veel van de kerken die toen gevuld werden met nieuwe bekeerlingen, onderbouwde theologie en godvruchtig leven, afgegleden naar het ‘unitarisme’ [stroming die de leer van de goddelijke drieëenheid verwerpt, JL].

Wie had kunnen denken dat het land van Luther en de Reformatie ons Hitler en de Holocaust zou brengen? Hoe komt het dat twintigste-eeuws evangelicalisme, dat groeide als een paddenstoel tussen pakweg 1930 en 1960, snel tal van zelfverklaarde evangelicalen voortbracht die door geen enkele evangelische leider van de eerdere periode als zodanig beschouwd zouden worden? De droevige realiteit is dat het menselijke geheugen kort, selectief en zelfzuchtig is.

Bovendien begint elke nieuwe generatie met een lichtelijk verschillend referentiekader. Aangezien al haar leden bekering nodig hebben, is de kerk nooit meer dan twee generaties van haar uitsterven verwijderd. Als we dit eenvoudige punt vergeten, wordt het al te gemakkelijk om op onze lauweren te rusten wanneer we het goed hebben, en op een bepaalde manier het zicht te verliezen op onze taak, om nog maar niet te spreken van het zicht op onze Schepper en Verlosser.

De scene op de berg Karmel was spectaculair: één profeet tegen 850, Yahweh tegen Baäl – en Baäl werd vaak gezien als de god van het vuur. Het is alsof Elia de wedstrijd heeft opgezet op het terrein van Baäl. Zijn spottende woorden zwepen de valse profeten op tot een orgie van zelfkastijding (18:28). Op Gods aanwijzing (18:36) vergroot Elia de risico’s nog door het offer te drenken dat hij bereidt.

’s Avonds dan doet zijn eigen korte gebed explosief vuur uit de hemel neerdalen, en het volk schreeuwt ‘De HERE, die is God! De HERE, die is God!’ (18:39).

En als antwoord op Elia’s voorbede daalt er opnieuw regen neer op het uitgedroogde land. Er is iets diep in het hart van veel christenen dat roept, ‘Doe het opnieuw!’ – natuurlijk niet exact hetzelfde, maar een gerichte confrontatie die leidt tot diepgaande en enorme belijdenis van de levende God.

Maar veranderde Israël zelfs door dit feit? Waarom of waarom niet?


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 14 oktober 2014

Een snapshot van team Paulus (Kol. 4)


1 Koningen 17; Kolossenzen 4; Ezechiël 47; Psalm 103

Hier en daar worden ons in het Nieuwe Testament plotseling glimpen gegund van groepen christen mensen. Romeinen 16 biedt ons een dergelijke snapshot, en Kolossenzen 4:7-18 toont ons een andere. De mannen en vrouwen die kort worden geïntroduceerd leefden volledige, complexe en onderling verbonden levens, waarover we bijna niets weten.

Maar ze zijn onze broers en zusters in Christus; ze kregen te maken met vervolgingen, overwonnen uitdagingen, kweten zich van heel diverse taken, en speelden hun rol in verschillende geledingen van de maatschappij. De glimpen die ons hier worden gegeven wakkeren onze verbeelding aan; onze vollere nieuwsgierigheid zal pas in de hemel worden bevredigd.

Een paar opmerkingen kunnen een aanwijzing zijn voor een aantal dingen die we kunnen leren van de informatie die Paulus’ brief ons biedt.

(1) Paulus had een team van mensen die met hem werkten. Een van hun taken was heen en weer reizen tussen waar Paulus ook was en de kerken waarvoor hij zich verantwoordelijk voelde. Leggen we Paulus’ brieven naast Handelingen, dan is het vaak mogelijk om iets van hun voortdurende reizen in kaart te brengen. Hier zendt Paulus Tychikus naar de Kolossenzen met uitgesproken pastorale bedoelingen (4:7-8).

(2) De ‘Markus’ van 4:10 is bijna zeker Johannes Markus, en de auteur van het tweede Evangelie. Hier wordt hij geïdentificeerd als een verwant van Barnabas. Dit kan deels een verklaring zijn voor het dispuut tussen Barnabas en Paulus, of Markus een tweede kans zou moeten krijgen nadat hij zich terugtrok uit de eerste zendingsexpeditie (Handelingen 13:5, 13; 15:37-40). Zeker tegen het einde van Paulus’ dienst was Markus hersteld in de ogen van de apostel (2 Tim. 4:11).

(3) Onder Paulus’ medewerkers bevonden zich vaak zowel Joden als heidenen (4:11). Je hebt niet veel verbeelding nodig om je de uitdagingen en spanningen voor te stellen, net als de zegeningen en rijkdommen, die deze regeling met zich bracht.

(4) Epafras verschijnt als een geweldig voorbeeld. Hij wordt de gelovigen in Kolosse voorgesteld als ‘die altijd voor u strijdt in de gebeden’. Wat hij bovenal bidt, is dat ze mogen vaststaan ‘volmaakt en volkomen’, ‘in heel de wil van God’ (4:12). Hoezeer heeft de gemeente van Christus vandaag gebedsstrijders nodig met een vergelijkbare focus!

(5) De ‘Lucas’ die vermeld wordt in 4:14 is bijna zeker de auteur van het Lucasevangelie en van Handelingen, en een heiden (aangezien hij in het heidens deel staat van deze opsomming, 4:11 e.v.). Dit maakt van hem de enige heidense schrijver van een Nieuwtestamentisch document. Demas wordt in één en dezelfde adem genoemd, maar hij is waarschijnlijk dezelfde die uiteindelijk de zending en het evangelie vaarwel zegt (2 Tim. 4:10). Een goed begin garandeert geen goed einde.

(6) Gemeentes in de eerste eeuw hadden geen eigen gebouwen. Gelovigen kwamen regelmatig bijeen in de huizen van hun rijkere leden. Nymfa uit Laodicea is een van de rijkere vrouwen uit een rijke stad, en de gemeente daar kwam bijeen in haar huis (4:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 13 oktober 2014

Beluister de mp3 van de lezing 'De openbaring van God' door Claude Van Maelsaeke



Zaterdag 11 oktober jl. ging in CC De Steiger in Menen een nieuwe lezingenreeks van start onder het thema 'God leren kennen' (a.d.h.v. de kenmerken van de vrucht van de Geest).

Claude Van Maelsaeke gaf de inleidende lezing en probeerde daarbij ook het algemene kader te schetsen.

Beluister de mp3 van de lezing 'De openbaring van God' door Claude Van Maelsaeke

Stuur een mail of post een reactie als je technische problemen ondervindt en de file niet kunt beluisteren of opslaan.

'Omri deed wat slecht is in de ogen van de HEER' (1Kon. 16)

1 Koningen 16; Kolossenzen 3; Ezechiël 46; Psalm 102

1 en 2 Koningen verhalen ons het afnemende geluk van zowel het noordelijke als het zuidelijke koninkrijk. Occasioneel is er een koning die op een of ander gebied hervormingen doorvoert. Maar globaal genomen is de richting neerwaarts. Een beetje duiding (1 Koningen 16):

(1) Hoewel 1 en 2 Koningen zowel het noordelijke als het zuidelijke koninkrijk behandelen, ligt de nadruk toch op het eerste. In tegenstelling daarmee slaat de balans bij 1 en 2 Kronieken, die in grote lijnen hetzelfde materiaal coveren, sterk door in het voordeel van het koninkrijk van Juda.

(2) In het zuiden gaat het Davidische koningshuis verder. Gedurende zijn geschiedenis spant het er naar de mens gesproken een aantal keren echt om. Niettemin houdt God de lijn in stand; zijn volledige heilsplan staat in verbinding met de voortgang van deze Davidische lijn. Het standpunt hierin wordt goed uitgedrukt in 1 Koningen 15:4. Koning Abiam van Juda, die slechts 3 jaar regeerde, was ongetwijfeld een slechte koning. ‘Maar omwille van David gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door na hem zijn zoon te doen opstaan en door Jeruzalem in stand te houden’ [HSV].

In het noorden is er echter geen koningshuis dat erg lang standhoudt. Het koningshuis van Jerobeam duurde twee generaties en werd dan uitgemoord (15:25-30) en vervangen door Basa (15:33-34). Zijn dynastie bracht eveneens twee koningen voort, en toen werden de mannen uit zijn familie uit de weg geruimd door Zimri (16:8-13), wiens regering hoop en al zeven dagen duurde (16:15-19). En zo gaat het verder. Als de Davidische lijn in het zuiden voortgaat, is het allemaal uit genade.

(3) De opvolgingen in het noorden zijn gewelddadig en bloederig. Zo krijgen de inwoners van Israël na Zimri bijvoorbeeld te maken met een korte burgeroorlog, omdat ze zodanig verdeeld zijn tussen Omri en Tibni. De volgelingen van de eerste halen het. De tekst voegt de wrange commentaar toe: ‘Toen Tibni gestorven was, werd Omri koning’ (16:22). Kortom: er is een voortdurende begeerte naar macht, weinig systemen voor een ordelijke machtsoverdracht, en geen gehoorzaamheid vanuit het hart aan de levende God.

(4) Vanuit Gods oogpunt echter wordt de ernst van de zonde niet in de allereerste plaats afgemeten in termen van bloederig geweld, maar wel in termen van afgoderij (bijvoorbeeld in 16:30-33). Omri was een sterke heerser die de natie enorm versterkte, maar daarvan wordt slechts weinig beschreven - vanuit Gods oogpunt lees je: ‘En Omri deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, ja hij maakte het erger dan allen die vóór hem geweest waren’ (16:25). Bouwprogramma’s en een stijgend BNP kunnen de afgoderij niet compenseren.

(5) Details in deze verslagen verbinden het verhaal vaak met gebeurtenissen van veel vroeger of later. Zo roept de herbouw van Jericho (16:34) herinneringen op aan de vloek over de stad toen die vele eeuwen daarvoor met de grond gelijk werd gemaakt (Joz. 6:26). Het stichten van de stad Samaria (16:24) grijpt vooruit naar talloze verhalen van wat er in die stad plaatsvond – inclusief Jezus en de vrouw aan de put (Joh. 4, zie de overdenking van 14 maart).


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 12 oktober 2014

In Christus woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk (Kol. 2)


1 Koningen 15; Kolossenzen 2; Ezechiël 45; Psalmen 99-101

Het kader was een bijbelstudie geleid door een mevrouw in de kerk waar ik diende als voorganger. Een vrouw van een van de meer populaire sekten was in deze groep geïnfiltreerd, en de dame van onze kerk ontdekte snel dat het haar petje wat te boven ging. Ik werd uitgenodigd om erbij te komen, en bevond me al snel in een publieke confrontatie met de ‘pastor’ van de indringer zijn sekte (hoewel hij zich niet zo noemde). Een van de dingen die hij in de sterkste bewoordingen wilde ontkennen was de godheid van Jezus Christus.

Terwijl we samen begonnen te kijken naar de bijbelverwijzingen die, op het eerste gezicht, iets over de godheid van Christus zeggen, kwamen we uiteindelijk bij Kolossenzen 2:9. Hij wilde het vers eerder losjes vertalen met iets in de trant van ‘in Christus leven alle eigenschappen van de Godheid in lichamelijke vorm’.

Ik vroeg hem welke van Gods eigenschappen Jezus niet heeft. Hij zag onmiddellijk het probleem. Als hij zei ‘eeuwigheid’ (wat hij geloofde), zou hij vastzitten, want zijn eigen interpretatie zou hemzelf tegenspreken. Als hij zei ‘geen’ (in strijd met zijn eigen geloof), hoe kunnen Jezus en God dan zo scherp van elkaar te onderscheiden zijn als hij het voorstelde?

In elk geval spreekt Kolossenzen 2:9 zelfs nog sterker dan zijn vertaling toeliet: ‘Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk’ [HSV-vertaling]. Merk op:

(1) In deze context worden de Kolossenzen vermaand om verder te gaan met het leven in Christus, ‘Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen’ (2:6) – wat zoals gewoonlijk een ondertoon meedraagt van Jezus’ goddelijke identiteit, aangezien ‘Heer’ gewoonlijk de manier was waarop iemand God aansprak in de Griekse versies van het Oude Testament.

(2) Zowel toen als nu zijn er mensen die je proberen mee te slepen ‘door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen’ (2:8). In vrijwel elke zaak is het doel van dergelijke misleidende filosofieën Christus kleiner te maken of te relativeren, de aandacht en loyaliteit van Hem af te leiden. Niet alleen deze verzen maar veel van de brief aan de Kolossenzen toont dat, wie deze dwaalleraars ook zijn, hun aanval tegen Christus is gericht.

Paulus wil van geen wijken weten: ‘in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk’ – en ‘u bent volmaakt geworden in Hem’ (of ‘hebt de volheid verkregen in Hem), in Hem geniet je van alle volheid die je maar kunt kennen (2:10). Je van Hem afkeren voor extra’s is rampzalig, omdat Hij alleen ‘het hoofd is van alle overheid en macht’ (2:10).

(3) Blijkbaar probeerde minstens één tak van de dwaalleraars onder de Kolossenzen de gelovigen ertoe te bewegen heel wat Joodse rituelen toe te voegen aan Christus. Paulus wijkt niet: hij begrijpt dat de rites en rituelen die het Oude Testament voorschreef ‘een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 11 oktober 2014

Geloof en liefde door hoop (Kol. 1)

1 Koningen 14; Kolossenzen 1; Ezechiël 44; Psalmen 97-98

Soms wordt naar geloof, hoop en liefde samen verwezen als naar de Paulinische triade. Ze komen in de brieven van Paulus in verschillende combinaties voor. Soms duiken er maar twee van de drie op; soms alle drie.

Het wellicht meest bekende vers met de Paulinische triade is 1 Korinthiërs 13:13: ‘Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’. Hier wordt geen relatie tussen de drie uitgedrukt. Paulus vertelt ons dat deze deugden – geloof, hoop en liefde (en die laatste noemt hij ‘een weg die dit alles nog overtreft’ (12:31b [HSV]; zie ook de overdenking van 8 september), eerder dan een ‘gave’) – alles ‘blijft’: wat hij volgens mij bedoelt is dat die alle blijven tot in eeuwigheid en daarom zelfs nu moeten worden gevoed en nagestreefd.

Maar de grootste van deze drie, benadrukt Paulus, is liefde. Waarom dit zo is, vertelt Paulus ons niet. Gebaseerd op wat het Nieuwe Testament elders zegt, mogen we redelijkerwijs aannemen dat de reden waarom liefde de grootste is, ligt in het feit dat het een eigenschap is van God.

God legt geen geloof aan de dag; Hij ‘hoopt’ ook niet in de betekenis van verlangen naar de vervulling van iets dat door bepaalde andere dingen wordt veroorzaakt. Maar Hij heeft wel lief: 1 Johannes 4:8 vertelt ons zelfs dat God liefde ís; er is geen tekst die zegt dat Hij geloof of hoop is. Dus is de grootste van de drie liefde.

Hier in Kolossenzen 1:3-6 echter is de relatie tussen de drie elementen van de Paulinische triade helemaal anders. Paulus dankt God wanneer hij voor de Kolossenzen bidt. Hij zegt: ‘daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, dat tot u gekomen is’ (1:4-6). Sommige vertalingen hebben een wat geparafraseerde weergave, maar dit kan de betekenis toch goed vatten.

Merk op:

(1) Paulus heeft de gemeente van Kolosse niet gesticht. Maar nu hij over deze gelovigen gehoord heeft, bidt hij voortdurend voor hen, met dankzegging.

(2) Wat Paulus over deze gelovigen uit Kolosse heeft gehoord heeft, is over hun geloof en liefde, allebei aantoonbare deugden. Als je geloof hebt in Jezus, en als je de gelovigen liefhebt, kan geen van de twee deugden verborgen blijven. Die deugden waren zo duidelijk aanwezig onder de Kolossers dat verhalen over hun geloof en liefde circuleerden tot bij Paulus. Is het ook zo dat verhalen over het geloof en de liefde van onze kerken wijdverbreid circuleren?

(3) Paulus zegt dat dit geloof en die liefde voortkomen uit hoop, of zoals in de NBG-vertaling ‘om de hoop’ zijn, die voor hen is weggelegd (1:5). Leven met de eeuwigheid in zicht wekt geloof en brengt liefde voort.

(4) Deze hoop die aan de basis lag van hun geloof en liefde, vindt op zijn beurt zijn oorsprong in het evangelie, het woord van de waarheid dat tot hen was gepredikt (1:5-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 10 oktober 2014

De bezorgdheid verdrijft het gebed - of het gebed verdrijft de bezorgdheid (Fp. 4)

1 Koningen 13; Filippenzen 4; Ezechiël 43; Psalmen 95-96

Wat praktisch advies voor christenen (Fp. 4:4-9):

(1) Verblijd je altijd in de Heer (4:4). Dit bevel is dermate belangrijk dat Paulus het herhaalt. Onze verantwoordelijkheid om het te gehoorzamen is onafhankelijk van onze omstandigheden, want ongeacht hoe volkomen ellendig de situatie ook is, de christen heeft nog altijd de meest gegronde redenen om zich te verblijden in Christus Jezus: zonden vergeven en het vooruitzicht van opstandingsleven in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – om nog niet te spreken van de vertroosting door de Geest die er zelfs nu al is, en veel meer. In praktische zin weet Paulus goed dat de gelovige die zich waarlijk verblijdt in de Heer onmogelijk een lasteraar, bedrieger, mopperaar of een dief kan zijn, of lui, bitter en vervuld met haat.

(2) Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend (4:5). Dat is bijna een heerlijk oxymoron [een tegenstrijdigheid]. Er is zoveel in onze cultuur dat wil bekend staan om zijn agressiviteit, of voor een bepaalde intrinsieke sterkte of superioriteit. De vriendelijke persoon denkt meestal niet in termen van bekend staan.

Maar Paulus wil dat we ons zo toeleggen op vriendelijkheid dat we uiteindelijk bekend staan voor vriendelijkheid. De reden die Paulus aanhaalt is dat de Heer ‘nabij’ is. In die context bedoelt Paulus waarschijnlijk niet dat de komst van de Heer nabij is, maar dat de Heer zelf nooit ver weg is van zijn mensen: hij is nabij en slaat ons gade, aangezien Hij de hele tijd over ons waakt. Dit wordt onze motivatie om te handelen zoals Hij wil dat we handelen.

(3) Wees in geen ding bezorgd (4:6-7). Paulus breekt geen lans voor onverantwoord escapisme, en nog minder voor een soort dwaas optimisme (zoals het hoofdpersonage Pollyanna uit de kinderboeken [van Eleanor H. Porter]). Bovendien draagt hij ons strikt gesproken niet op om op te houden met bezorgd zijn en klaar, maar vertelt hij ons eerder hóe we moeten ophouden met bezorgd zijn – door dit aanhoudende piekeren te vervangen door iets anders: ‘laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God’ (4:6).

Paulus ontkent de angst en zorgen van de menselijke ervaringen niet. Hoe zou hij dat ook kunnen? Zijn brieven tonen dat hij ook zijn deel van het ergste lijden kreeg. Maar hij kent de oplossing. Ofwel zal bezorgdheid het gebed verdrijven, of gebed zal de bezorgdheid verdrijven. Bovendien, zo benadrukt Paulus, brengt die gedisciplineerde, dankbare voorbede ‘de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat’ met zich mee (4:7).

(4) Bedenk heilige gedachten (4:8-9). Stop ergens afval in en er komt afval uit [Eng.: ‘garbage in, garbage out’]. We worden hervormd door de vernieuwing van ons denken (Rom. 12:1-2). Dus zie er op toe welk voedsel je geeft aan je gedachten; let op wat je denkt; wees vastbesloten jouw denken in de richting van goede en gezonde kanalen te sturen, niet de kanalen die worden gekenmerkt door bitterheid, wrok, begeerte, haat of jaloezie. Denk na over alle soorten dingen die Paulus opneemt in zijn gevarieerde lijst in vers 8. Bovendien dient Paulus hier ook als een belangrijk voorbeeld (4:9): hij draagt ons geen dingen op die hij niet zelf in de praktijk brengt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 9 oktober 2014

‘De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt’ (1 Kon. 12)


1 Koningen 12; Filippenzen 3; Ezechiël 42; Psalm 94
De verdeling van het eendrachtige koninkrijk in twee ongelijke delen – het koninkrijk van Israël met zijn tien stammen in het noorden en het koninkrijk van Juda met twee stammen in het zuiden (1 Koningen 12) – schetst ons nog een keer een opmerkelijke dynamiek tussen Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid.

God had al voorzegd, door de profeet Achia, dat Jerobeam de tien noordelijke stammen zou afscheuren van Salomo’s opvolger (11:26-40). Jerobeam kreeg de expliciete toezegging, dat als hij dan trouw zou blijven aan de Heer, de Heer voor hem een blijvend koningshuis zou bouwen. Maar het eerste dat Jerobeam doet eens hij de noordelijke stammen heeft beveiligd, is twee gouden kalveren oprichten in Bethel en Dan, en niet-Levitische priesters aanstellen omdat hij niet wil dat zijn volk optrekt naar de tempel in Jeruzalem (12:25-33).

Beseft hij dan niet, dat als God de macht heeft om hem de tien stammen te geven en de bekommernis hem te waarschuwen voor ontrouw, Hij zeker de macht bezit om de eenheid van het noordelijke koninkrijk te bewaren, zelfs al zou het volk dan optrekken naar Jeruzalem voor de grote feesten?

Maar Jerobeam maakt zijn politieke overwegingen, weigert God te gehoorzamen, en betoont zichzelf ondankbaar voor wat hem ten deel is gevallen. Zijn enige blijvende erfenis is dat hij doorheen de rest van het Oude Testament beschreven wordt als ‘Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen’ (bijv. 2 Kon. 14:24, HSV).

Maar nog moeilijker te vatten is Rehabeam, Salomo’s zoon. Salomo mag dan een bekwaam rechtsbewerker geweest zijn, maar tegen het einde van zijn leven matten zijn enorm dure projecten zijn volk af. Hun vertegenwoordigers verzekeren Rehabeam ervan dat ze hem trouw zullen zijn als hij hun juk maar wat lichter wil maken.

De oudsten maken Rehabeam duidelijk dat hun verzoek redelijk is: hij zou het standpunt moeten innemen dat hij ‘een knecht van dit volk’ wil zijn ‘en hen dienen’, want dan zal hij ontdekken dat ‘zij voor altijd uw knechten’ zullen zijn (12:7).

Met enorme ongevoeligheid en stuitende dwaasheid, neemt Rehabeam in plaats daarvan het belabberde advies aan van ‘jonge mannen’ die vol zijn van zichzelf en hun mening, en die geen verstand hebben van mensen in het algemeen en dit volk in het bijzonder (12:8).

Zodoende antwoordt Rehobeam met hardheid, terwijl hij niet alleen het verzoek van het volk verwerpt, maar ook nog eens meer eisen vooropstelt en toenemend geweld. En plots zit de rebellie er aan te komen.

Maar de schrijver becommentarieert: ‘Dus luisterde de koning niet naar het volk, want het was een beschikking van ’s HEREN wege, om het woord waar te maken, dat de HERE door de dienst van de Siloniet Achia, tot Jerobeam, de zoon van Nebat, gesproken had’ (12:15).

Gods soevereiniteit (zie bijvoorbeeld de overdenking van 3 juni) vormt geen excuus voor de dwaasheid van Rehabeam en de rebellie van Jerobeam en maakt ze niet minder zwaar; hun dwaasheid en zonde betekenen niet dat God de controle heeft verloren. Dergelijke mysteries van voorzienigheid maken het moeilijk om de geschiedenis te ‘lezen’; tegelijk blijken ze ontzettend vertroostend en maken ze het mogelijk voor ons om te rusten in Romeinen 8:28.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 8 oktober 2014

'De HEER werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan hem' (1 Kon. 11)


1 Koningen 11; Filippenzen 2; Ezechiël 41; Psalmen 92-93

Op weinig plaatsen heeft het word ‘echter’ [in de NBG-vertaling staat er: ‘nu’] meer brute kracht dan in 1 Koningen 11:1: ‘Koning Salomo nu had (…) vele vreemde vrouwen lief’. In die tijd werd de grootte van de harem van een koning algemeen beschouwd als een weerspiegeling van zijn rijkdom en macht. Salomo huwde prinsessen van overal, vooral, maakt de schrijver pijnlijk duidelijk, ‘behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden’ (11:2).

Dit is precies wat er gebeurde, in het bijzonder toen Salomo ouder geworden was (11:3-4). Hij nam deel aan de dienst van vreemde goden. Om zijn vrouwen te behagen, voorzag hij in heiligdommen, altaren en tempels voor hun goden. Ongetwijfeld begonnen veel Israëlieten deel te nemen aan die heidense diensten. Op zijn minst zal de verontwaardiging bij velen afgenomen zijn, vooral omdat Salomo bekend stond als een zeer wijs, vindingrijk en succesvol koning.

Uiteindelijk breidde zijn heidense afgoderij zich uit tot de afschuwelijke goden voor wie men kinderen offert. Zo deed Salomo ‘wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David’ (11:6). Natuurlijk had David zelf bij momenten gefaald. Maar hij viel terug van een leven van principiële toewijding aan de Here God, en hij had berouw en keerde terug naar de Heer; hij leefde niet in een stroom van groeiend godsdienstig compromis zoals zijn zoon en troonopvolger.

De straf wordt uitgesproken (11:9-13): na zijn dood zal Salomo’s koninkrijk worden verdeeld, met tien stammen die zich afscheuren, zodat er slechts twee overblijven voor het Davidische koningshuis – en zelfs dit schamele overblijfsel wordt alleen overgelaten ter wille van David.

Ware Salomo een man van een ander kaliber, hij had berouw getoond, de gunst van de Heer gezocht, de offerhoogten vernield en opgeroepen tot verbondstrouw.
Maar de trieste waarheid is dat Salomo zijn vrouwen en hun opinie belangrijker vond dan zijn Verbondsheer en diens opinie.

Tijdens de slotjaren van zijn regering kreeg Salomo heel wat tekenen voor het feit dat Gods bewaring en gunst hem onttrokken waren (11:14-40). Niets is droeviger dan Salomo’s vergeefse poging om Jerobeam te laten ombrengen – het roept herinneringen op aan Sauls pogingen om David te doden. Maar er is geen beweging naar God toe, geen bekering, geen honger naar God.

We kunnen er tal van lessen uit leren. Wees voorzichtig wat en wie je liefhebt. Een goede start is geen garantie voor een goede afloop. Geef gevolg aan Gods waarschuwingen wanneer je nog kunt; doe je dit niet, dan kun je uiteindelijk zo verhard geraken dat zelfs zijn meest ernstige dreigementen je niet meer zullen raken.

Op het niveau van de canon leren we dat zelfs het meest gezegende, bewaarde en gezalfde koningshuis, gekozen uit het uitverkoren volk van de Heer, zijn einde aankondigt: het zal uiteenvallen. Oh, hoezeer hebben we toch een Redder nodig, een koning uit de hemel!


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 7 oktober 2014

'Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb' (1 Kon. 10)

1 Koningen 10; Filippenzen 1; Ezechiël 40; Psalm 91

Het bezoek van de koningin van Seba (1 Koningen 10) werd in boeken en films vaak bijgekruid tot een koninklijk liefdesverhaal. In de bijbelse tekst duikt geen enkele aanwijzing op voor liefdesinteresse of voor een seksschandaal. Het verhaal van de koningin van Seba is bedoeld om met een concreet voorbeeld aan te tonen dat Salomo’s reputatie wijd en zijd was toegenomen, en dat deze reputatie gebaseerd was op reële feiten. Een paar opmerkingen over de ontmoeting:

Ten eerste
biedt dit verslag een gelegenheid om, eerder oppervlakkig, iets te zeggen over de aard van waarheid in het Oude Testament. Sommigen hebben betoogd dat het Hebreeuwse woord voor ‘waarheid’, ‘‘emet’, in werkelijkheid ‘trouw’ of ‘betrouwbaarheid’ betekent, en dat het te maken heeft met relaties en niet met proposities [stellingen]. Sommigen betogen zelfs dat de schrijvers van het Oude Testament gewoon geen bewoordingen hebben voor ware proposities.

Zoals bij de meeste fouten, hangt er ook aan deze een vleugje van waarheid (als ik dat woord mag gebruiken) vast. Zeker, ‘‘emet’ heeft een bredere betekenis dan het Engelse woord ‘truth’ [of het Nederlandse ‘waarheid’], en kan verwijzen naar trouw. Maar woorden kunnen ook trouw weergeven.

De koningin van Seba vertelt Salomo dat de roep die ze in haar eigen land gehoord had over zijn daden en wijsheid ‘emet was: het was ‘waar’ (10:6 [HSV: ‘de waarheid’]); nog letterlijker, omdat het verslag getrouw was, d.w.z. omdat de stellingen overeenkwamen met de werkelijkheid, was het verslag waarheid. Weg dus met een reductionistische analyse van wat het oude Hebreeuws wel of niet kon weten.

Ten tweede biedt een groot deel van het hoofdstuk beknopte beschrijvingen van Salomo’s rijkdom, militaire macht, succesvolle handelsmissies met schepen die zich op zee begeven, muziekinstrumenten, en meer.

Toch is er ook ruimte gereserveerd voor verschillende uitgesproken theologische thema’s. Koningen bezochten Salomo om te luisteren naar zijn wijsheid – en die wijsheid was door God zelf in zijn hart gelegd (10:24).

Salomo genoot zelfs een buitengewone reputatie voor het handhaven van recht en gerechtigheid in zijn koninkrijk, in die mate dat de koningen van Seba dacht dat zijn daden op dit vlak aantoonden dat ‘de HERE Israël voor altoos liefheeft’ (10:9).

Maar ten derde is dit alles in zekere zin een opstap naar het volgende hoofdstuk. Ondanks al de zegeningen, wijsheid, macht, rijkdom, prestige en eer die Salomo genoot, allemaal uit de hand van God ontvangen, is er het droevige feit dat zijn eigen wandel de deur openzette voor oordeel en de ondergang van het Davidische koningshuis.

Die gecompliceerde ontwikkelingen laten we liggen tot de overdenking van morgen. Hier volstaat het stil te staan bij het feit dat buitengewone zegeningen niet noodzakelijkerwijs een bewijs zijn van trouw. Omdat God traag is om te toornen (wat zeker een goede zaak is!), worden de oordelen die onze misdaden verdienen vaak lang uitgesteld. Veronderstel niet snel dat huidige zegeningen een bewijs zijn voor huidige trouw: de vreselijke vrucht van trouweloosheid kan een lange rijptijd vragen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 oktober 2014

'Bid ook voor mij … ' (Ef. 6)

1 Koningen 9; Efeziërs 6; Ezechiël 39; Psalm 90

Net voor de slotzinnen van Paulus’ brief aan de Efeziërs, nodigt hij zijn lezers uit voor hem te bidden (Ef. 6:19-20): ‘Bidt ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.’

(1) Wanneer Paulus elders modellen schetst van hoe zijn bekeerlingen zouden moeten bidden (bijv. in Ef. 3:14-21; Fp. 1:9-11), komt het thema ‘zending’ niet zo sterk uit de verf als hier. Weliswaar vraagt Paulus ook elders aan anderen om voor hem te bidden (1 Thess. 5:25), maar hier specificeert hij wat hij wil dat ze zullen vragen in gebed (vgl. Kol. 4:4; 2 Thess. 3:1). Hij wil in staat zijn om het ‘geheimenis’ van het evangelie zonder vrees te kunnen spreken.

(2) Het is zeker bemoedigend dat Paulus de nood voelt aan dergelijk gebed. Wij plaatsen de apostel soms op een dermate groot voetstuk dat we vergeten dat hij een gewone sterveling was die te maken kreeg met dezelfde verzoekingen die ook wij ontmoeten. Hij was zich zeer goed bewust van hoe makkelijk het is het evangelie te verzaken, het een klein beetje aan te passen, om rond die delen heen te fietsen waarvan we denken dat onze toehoorders ze lastig of aanstootgevend zullen vinden. Dus wist hij dat om het evangelie getrouw te kunnen prediken, hij het ook zonder vrees zou moeten prediken.

Dit weerspiegelt niet een ‘in your face’-stijl [recht voor de raap]. Het betekent eerder dat Paulus wilde kunnen spreken zonder dat hij zou vrezen voor wat zijn toehoorders konden denken of zeggen over hem, of wat ze hem konden aandoen, zodat hij mogelijk water bij de wijn zou doen bij het evangelie dat hij kwam verkondigen.

Je hebt niet veel verbeelding nodig om manieren te ontdekken waarop de predikers in de Westerse wereld van vandaag veel gebed op dit terrein nodig hebben. Beeld je eens in dat je predikt voor laatstejaarsstudenten aan een heidense universiteit, of voor een publiek van succesvolle twintigers of dertigers uit de zakenwereld van pakweg New York. Wanneer je het boek Romeinen uitlegt, hoe zul je dan precies het onderwerp homoseksualiteit in hoofdstuk 1 behandelen en uitverkiezing in hoofdstuk 9?

Hoe zul je over de hel spreken vanuit de vele gedeeltes waarin Jezus zelf uitpakt met de meest verschrikkelijke beelden? Hoezeer zou je in de verleiding kunnen komen om terug te deinzen wanneer je de zuivere exclusiviteit van het evangelie moet behandelen of wanneer je over geld spreekt tegen rijke mensen?

(3) We mogen niet naast het feit kijken dat Paulus bereid is om gebed te vragen. Sommige leiders denken dat ze nooit enige zwakheid mogen laten blijken, of een bepaalde vrees of behoefte. Ze handelen alsof ze boven de strijd staan. Paulus niet. Zijn vraag om gebed is niet pro forma: hij vraagt om gebed om het evangelie zonder vrees te kunnen prediken omdat hij lang genoeg heeft gepredikt, en zichzelf goed genoeg kent, om ook de macht en het gevaar te kennen dat je louter predikt om publieke bijval te krijgen. Door te vragen om gebed, geeft hij zijn angsten toe en verzekert hij zich van hun goddelijke hulpmiddel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 5 oktober 2014

'Zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb' (1 Kon. 8)

1 Koningen 8; Efeziërs 5; Ezechiël 38; Psalm 89

De inwijding van de tempel in Jeruzalem en Salomo’s gebed bij die gelegenheid (1 Koningen 8) lopen over van de verbanden die zowel teruggrijpen als vooruitgrijpen op de heilshistorische geschiedslijn.

(1) De structuur van de tempel is een geproportioneerde reproductie van de tabernakel. Zo gaan de rituelen die het Mozaïsche verbond voorschreef en de symbolische waarde van alles wat God voorschreef via Mozes verder: het altaar, de tafel voor de toonbroden, het heilige der heiligen, de twee cherubim boven de ark van het verbond, enzovoort.

(2) Het meest spectaculaire, nadat de ark van het verbond vervoerd werd naar zijn nieuwe verblijfplaats en de priesters zich terugtrokken, is de heerlijkheid van God die de tempel vult, aangeduid door dezelfde soort wolk die de tegenwoordigheid van de Heer kenmerkte in de tabernakel.

Niet alleen verbindt God zijn goedkeuring aan de tempel, maar een nieuwe stap is gezet in de zich ontvouwende plannen van God. Terwijl de symboliek van de tabernakel behouden blijft in de tempel, is dit bouwwerk niet langer iets mobiels.

De jaren van rondzwerven, en zelfs de onzekere jaren van de Richters, zijn voorbij. Nu wordt Gods tegenwoordigheid, gemanifesteerd in dit stevige gebouw, verbonden aan één locatie: Jeruzalem. Een nieuwe lading historische ervaringen vol symboliek voegen nieuwe rijke dimensies toe aan de groeiende rijkdom die heenwijst naar de komst van Jezus. Hier is een stabiel koninkrijk – en het koninkrijk van God; Jeruzalem, en het nieuwe Jeruzalem; de glorieuze tempel, en de stad die geen tempel nodig heeft want ‘de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam’ (Opb. 21:22). Hier zijn tienduizenden dieren geslacht – en het Lam van God, die de zonde der wereld wegneemt.

(3) Op zijn best is Salomo zich terdege bewust dat geen bouwwerk, zelfs dit niet, God kan bevatten of kan binden. ‘Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb’ (8:27).

(4) Maar dit weerhoudt er hem niet van God te vragen dat Hij zichzelf hier zou vertonen. Meer dan wie ook weet Salomo dat wat het volk het meest nodig zal hebben, vergeving is. Zo herhaalt Salomo in uitgebreide en vooruitziende beschrijvingen van ervaringen waar het volk doorheen zal moeten, een bepaalde variant van het refrein: ‘En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef’ (8:30 e.v. [HSV]). Dat is heel juist: hoor in de hemel, zelfs als de ogen van het volk op deze tempel zijn gericht, en vergeef.

(5) Salomo’s vooruitblik omvat de angstaanjagende mogelijkheid van ballingschap (8:46-51), gevolgd door redding en verlossing. Terwijl Salomo het volk opwekt tot trouw (8:56-61), herhaalt hij verder ook een belangrijk punt uit het verbond met Abraham (Gen. 12:3): Israël moet trouw zijn ‘opdat alle volken der aarde mogen weten, dat de HERE God is en niemand meer’ (8:60).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 4 oktober 2014

Wandelt niet langer zoals de heidenen (Ef. 4)


1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87-88

Een van de opvallende kenmerken van de brieven van Paulus is dat veel ruimte wordt gebruikt om mensen te onderwijzen hoe ze moeten leven. De Bijbel in zijn geheel is er inderdaad op gericht ons te onderwijzen wat we moeten geloven (omdat deze dingen waar zijn), en hij is er niet minder op gericht ons een trouwe wandel te leren. Nergens is dergelijke balans duidelijker dan in de brieven van Paulus.

De reden voor die volledigheid ligt in het wezen van God. De God van de Bijbel, de God die is [of ‘the God who is there’], zoals Francis Schaeffer ons leerde zeggen, is de God van alles. Hij is niet de God van de gedachten alleen, of alleen maar van een bepaald exclusief spiritueel of religieus gebied. Hij is God.

Als onze Maker en voorzienige Heerser, strekken zijn aandacht en gezag zich uit over elk aspect van ons wezen, onze overtuigingen, onze woorden en ons gedrag.

Dan nog blijven proberen om een soort vreselijke spanning in stand te houden tussen onze geloofssystemen en ons gedrag is niet alleen een uitnodiging tot schizofrenie, het is ook een belediging van God, een vreselijke opstandigheid die niet minder lelijk is omdat ze selectief tewerk gaat.

Dit betekent dat onze leer en prediking niet alleen waarheden moeten bevatten die moeten worden geloofd, maar ook instructies over hoe we moeten leven. Een heel duidelijk voorbeeld op dit vlak is het voorbeeld van Paulus in Efeziërs 4:17-32.

Er is niemand die ernstig durft te betwijfelen of dit hoofdstuk rijke leerstellingen bevat. Toch zien we hoe Paulus hier benadrukt ‘dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken’ (4:17).

Hij verbindt die ‘ijdelheid’ met hun onwetendheid van God aan de ene kant, en met hun vreselijke gedrag aan de andere kant. ‘Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!’ (4:20 [NBV]). U bent geschapen ‘overeenkomstig het beeld van God’, ‘in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (4:24). Dit betekent dat u ‘de oude mens aflegt’, en ‘verjongd wordt door de geest van uw denken’ en ‘de nieuwe mens aandoet’ (4:22-24).

Dit zou allemaal een beetje etherisch [of zweverig] kunnen blijven. Paulus wil een dergelijke uitweg niet openlaten. De rest van het hoofdstuk is hij rechtuit en praktisch. Het gedrag dat Paulus verwacht omvat waarheidsgetrouw spreken – ‘omdat wij leden zijn van elkander’ (4:25), en een praktische toewijding om geen dag in toorn te laten eindigen, opdat de duivel geen voet zou krijgen (4:26-27).

Bekeerde dieven mogen niet meer stelen. Ze moeten werken, iets nuttigs doen, leren vrijgevig te zijn met wat ze verdienen (4:28). Wat onze woorden betreft moeten we niet enkel wegdoen wat lasterlijk, vuil of ‘ongezond’ is, maar we moeten leren uiten wat ‘nuttig is tot opbouw, opdat het genade geeft aan hen die het horen’ (4:29 [HSV]).

Anders gezegd: ‘Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft’ (4:31-32).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 3 oktober 2014

'Mij is in een openbaring het mysterie onthuld' (Ef. 3)


1 Koningen 6; Efeziërs 3; Ezechiël 36; Psalm 86

Een geheimenis in de geschriften van Paulus is gewoonlijk niet iets ‘mysterieus’, nog minder een whodunit – een detectiveverhaal. Het is een waarheid of leerstelling die in bepaalde mate werd verborgen gehouden in de generaties daarvoor, en nu met de komst van het evangelie werd onthuld en openbaar gemaakt.

Soms wordt het evangelie zelf beschreven als een mysterie; meer gebruikelijk is dat een bepaald element van het evangelie het label van mysterie of geheimenis krijgt.

In Efeziërs 3:2-13 benadrukt Paulus dat hij, samen met andere ‘apostelen en profeten’ (3:5), diep inzicht kreeg ‘in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen’ (3:4-5). Dan vertelt hij ons de inhoud van dit mysterie: ‘dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie’ (3:6).

We moeten stilstaan bij de manieren waarop dit mysterie verborgen was. De Schriften van het Oude Testament grijpen zeker bij momenten al vooruit naar de genade van God die zich verder uitstrekt naar mannen en vrouwen uit alle volken. Het verbond met Abraham voorzag dat in Abrahams zaad alle volken op aarde gezegend zouden worden (Gen. 12:3, zie de overdenking van 11 januari). Wat is daar dan verborgen aan?

Maar het blijft een feit dat de ruimte die de Bijbel wijdt aan de Wet van Mozes, gekoppeld aan het groeiend aantal uitleggingen die de Mozaïsche wet zien als het begripskader dat de lezing van een groot deel van het Oude Testament bepaalde, maakt dat die bredere nadruk vaak uit het oog werd verloren.

Dus kan die verborgenheid aan de ene kant worden gezien als een goed uitgewerkt plan van God om de heerlijkheid van zijn ‘eeuwige voornemen’ (3:11 [NBV: ‘eeuwenoude plan’]) te verbergen, tot de tijd rijp was om het te ontvouwen; aan de andere kant heeft de verborgenheid ook iets te maken met de menselijke verdorvenheid, die de Oudtestamentische Schrift leest op een manier die de ware dimensies van de beloften uit het Oude Testament aan banden legt en minimaliseert.

Met de komst van Christus werden de manieren waarop de boeken van het Oude Testament al vooruit wezen veel duidelijker. Jezus’ Grote Opdracht zette een stempel van internationalisme op de zending van zijn discipelen, die alle parochialisme beschaamt.

Bovenal verschaft Jezus’ uitleg van het Oude Testament een aantal nieuwe inzichten. Als we de verhaallijn van het Oude Testament goed lezen in zijn lineaire, historische verloop, dan ligt er niet zoveel nadruk op de Wet van Mozes als sommigen dachten.

Het Mozaïsch verbond blijkt zelfs een mislukking in termen van in welke mate het mensen maar kon veranderen. Haar grootste succes ligt in het feit dat het ons modellen verschaft die beschrijven hoe de ultieme Redder, de ultieme Priester, de ultieme Tempel, het ultieme Offer er zouden uitzien. En Paulus is de apostel die niet alleen dit mysterie predikt, maar dit ook doet tot de heidenen, de mensen die het meest zouden worden geraakt door de inhoud van dit geheimenis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 2 oktober 2014

'U was dood door de misstappen en zonden' (Ef. 2)

1 Koningen 4-5; Efeziërs 2; Ezechiël 35; Psalm 85

Christenen wordt vaak geleerd Efeziërs 2:8-9 te memoriseren: ‘Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme’. Er worden zeker prachtige waarheden uitgedrukt in deze zinnen. Maar ik zal focussen op een aantal van de dingen die Paulus zegt in de omringende verzen.

(1) Voor onze bekering waren wij, net als de Efeziërs, dood door onze ‘overtredingen en zonden’ (2:1). Door onze verslaving aan overtredingen en zonden, door onze gewoonte de wegen van de wereld te volgen (2:2), omdat we tegelijk misleid waren door de duivel (2:2) en ons wijdden aan de bevrediging van de verlangens en gedachten van onze zondige natuur (2:3), was er voor ons gewoon geen manier om het evangelie positief te beantwoorden.

Erger nog, ons tragisch onvermogen was een moreel onvermogen: ‘wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns’ (2:3). Er was geen hoop voor ons, tenzij God zelf ingreep en leven bracht waar er slechts dood was en barmhartigheid bewees waar zijn eigen gerechtigheid toorn vereiste.

(2) Dit is wat God deed: terwijl wij nog steeds dood waren, heeft God, ‘die rijk is aan erbarming’, om zijn grote liefde voor ons, ons ‘mede levend gemaakt met Christus’ (2:4-5). Dit was louter vanuit zijn genade: we konden onszelf zeker niet helpen, omdat wij ‘dood waren’ (2:5).

(3) God maakt ons zelfs zodanig één met Christus dat we in zijn ogen al zijn opgewekt met Hem en gezeten zijn ‘in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (2:6). God heeft deze stappen genomen ‘om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus’ (2:7). Dus ligt onze ultieme hoop en verwachting nog voor ons. Geen christen kan staande blijven zonder dit toekomstperspectief te zien en naar waarde te schatten.

(4) Op dit punt benadrukt Paulus de zuivere barmhartigheid van het geschenk van de behoudenis, een geschenk dat ontvangen wordt door geloof, dat zelf het geschenk van God is, en heel apart staat van gelijk welk werk dat we kunnen verrichten. Want als we konden, dan zouden we erover roemen.

(5) Maar niets van dit alles betekent dat we ons leven voortzetten zoals we dit voorheen deden – dood in overtredingen, terwijl we onze eigen verlangens en gedachten nastreven. Verre van: wij die Gods genade hebben ontvangen, en het geloof om ons die eigen te maken, zijn 'zijn maaksel’, ‘in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (2:10). Iemand kan niet meer van reddende genade genieten zonder in goede werken te wandelen, dan iemand reddende genade kan ervaren zonder ooit de onmetelijke rijkdom te kennen die ons wacht in de komende eeuw. Die grote behoudenis is één geweldig pakket!


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 1 oktober 2014

'Zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart' (1 Kon. 3)

1 Koningen 3; Efeziërs 1; Ezechiël 34; Psalmen 83—84

Christenen vragen soms waarom Salomo, als hij dan zo wijs was, vele vrouwen huwde, zijn koningschap eerder slecht beëindigde en uiteindelijk zijn loyaliteit aan God compromitteerde.

Het antwoord ligt deels in het verschil tussen wat wij bedoelen met wijsheid en de verschillende dingen die de Bijbel bedoelt met wijsheid. Wij bedoelen er meestal iets nogal algemeen mee, zoals ‘weten hoe je goed leeft en verstandige keuzes maakt’.

Maar waar wijsheid in de Bijbel kan verwijzen naar iets in brede zin – zoals weten hoe je leeft in de vrees van God – verwijst het ook vaak naar een welbepaalde bekwaamheid. Dit kan de vaardigheid zijn te weten hoe je overleeft in een gevaarlijke wereld (Spr.30:24), of een bepaalde technische vaardigheid (Ex. 28:3 [in NBG en HSV – in de NBV gaat de betekenis op dit vlak verloren, JL]).

Maar een van de bekwaamheden waar wijsheid ook naar kan verwijzen is de bekwaamheid om te besturen, vooral in de rechtspraak. En het is duidelijk dit waar Salomo om vraagt in 1 Koningen 3.

Wanneer hij Gods vrijgevige aanbod beantwoordt om hem alles te geven waar hij om vraagt, erkent Salomo dat hij maar een klein kind is en niet weet hoe hij zijn taken moet vervullen (3:7). Wat hij daarom wil is een hart dat inzicht bezit om het het volk goed te besturen, vooral in het onderscheiden tussen goed en kwaad (3:9).

God prijst Salomo omdat hij niet heeft gevraagd naar iets voor zichzelf, zelfs niet om iets wraakzuchtigs (zoals de dood van zijn vijanden), maar om inzicht ‘om een rechtszaak te kunnen horen’ (3:11). God belooft Salomo precies te geven waar hij om gevraagd heeft, samen met rijkdom en eer (3:12-13).

Het verslag van de twee hoeren die allebei dezelfde levende baby opeisen en ontkennen dat de dode baby van hen is, en Salomo’s oplossing voor hun zaak (3:16-27), bewijst dat God het verzoek van de koning heeft ingewilligd. De hele natie merkt van Salomo ‘dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen’ (3:28). Ongetwijfeld zouden de meeste Westerse landen vandaag best wat meer mensen kunnen gebruiken die op eenzelfde manier begiftigd zijn.

Hoezeer God hem ook prijst voor zijn keuze, dit betekent niet dat dergelijke wijsheid het enige is dat Salomo nodig heeft om te wandelen in trouw aan het verbond. Want los van de wijsheid, rijkdom en eer die Hij zal verlenen, zegt God hem ‘En indien gij op mijn wegen wandelt en mijn inzettingen en geboden bewaart, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw leven verlengen’ (3:14).

Daar dreigen meteen al wolken: om zijn zuidelijke grens te beschermen, huwt Salomo met een Egyptische prinses (3:1). Omdat ze populair zijn, schaft hij de verboden ‘hoogten’ niet af, maar neemt hij deel aan de offerdienst die daar plaatsvindt (3:2-4).

God schenkt soms wonderlijke gaven van wijsheid – technische, sociale, bestuurlijke of rechterlijke vaardigheden – maar tenzij we ook van Hem een hart krijgen dat er is op afgestemd Hem waarlijk lief te hebben en Hem volkomen te gehoorzamen, kunnen onze wegen rampzalig eindigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.