zaterdag 22 december 2012

Niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken heeft (Opb. 13)


2 Kronieken 26, Openbaring 13, Zacharia 9, Johannes 12
Het blijkt dat Satan twee onheilige beesten heeft om hem bij te staan, een die uit de zee komt (Opb. 13:1-10), en de andere die uit de aarde komt (13:11-18). Samen vormen ze een onheilig triumviraat dat in bepaalde opzichten de Drieëenheid naäapt.

Toegegeven, veel van de apocalyptische beelden in dit hoofdstuk zijn door verschillende gedachtestromingen op even veel verschillende manieren geïnterpreteerd. Het gaat deze korte meditaties ver te boven om een van de indelingen te verdedigen.

Naar mijn mening, echter, staan deze beesten voor weerkerende historische manifestaties van de boze – in het ene geval de boze in de gedaante van regelrechte tegenstand tegen het volk van God, en in het andere geval in zijn gedaante van religieuze misleiding. (Het is niet voor niets dat het beest uit de aarde later wordt beschreven als ‘de valse profeet’: bijv. in 19:20) Satan zet niet alleen vertegenwoordigers in die openlijk en boosaardig gelovigen aanvallen, maar ook vertegenwoordigers wiens opdracht eruit bestaat de uitverkorenen zelf zo mogelijk te verleiden en te misleiden.

Let maar op een van de bijzondere elementen in de beschrijving van het eerste beest. Het heeft een dodelijke slag gekregen, maar de wonde is genezen. Dit lijkt met elkaar in tegenstelling: indien de wonde genezen is, dan was ze natuurlijk niet dodelijk, en als ze dodelijk was, dan kon ze vanzelfsprekend niet genezen worden.

Maar deze symboliek is bedoeld om de herhaalde historische manifestaties van dit monster te beschrijven. Hij verschijnt in een Nero, in het Romeinse Rijk, in Innocentius III, in een Hitler. In elk geval wordt het monster neergehaald. Veel mensen denken dat de boze in zijn ergste vorm eindelijk uitgeroeid is. Het duizend-jaar Rijk (dat de Nazi’s nastreefden, JL) duurde anderhalf decennium: dit zou vast een einde maken aan alle oorlogen. Maar dan start de genocide opnieuw – in het Oostblok, in China, in Cambodja, in Rwanda. Het beest krijgt een fatale wonde, maar altijd komt het beest terug tot leven.

Let op sommige beelden die gebruikt worden om de valse profeet te beschrijven. Hij ziet eruit als een lam, maar hij spreekt als een draak (13:11): dit betekent waarschijnlijk niet dat hij brult als een draak en iedereen afschrikt, maar dat hij er onschuldig uitziet, zelfs al spreekt hij zoals de draak spreekt – de ‘grote draak’ van 12:9, niemand anders dan de Satan zelf. Dit ‘lam’ blijkt Satans spreekbuis.

Hij vertoont wondertekenen en misleidt daarmee de bewoners van de aarde (13:14). Er is geen suggestie dat de tekenen maar louter trucs zijn; wondermacht getuigt niet noodzakelijk van Goddelijke macht.

Uiteindelijk gebruikt hij de autoriteit die hij krijgt van het eerste beest als een stap naar een exclusieve identiteit voor zijn eigen volgelingen, waarbij hij alle anderen uitsluit met harde economische sancties (13:16-17). Zelfs met weinig historische kennis kun je je manifestaties van dergelijke misleidende onderdrukking herinneren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 21 december 2012

De aanklager van onze broeders is neergeworpen (Opb. 12)



2 Kronieken 25, Openbaring 12, Zacharia 8, Johannes 11
Het gezicht van Openbaring 12 biedt de uiteindelijke reden voor de voortdurende verdrukkingen van het volk van God. Die reden is niets minder dan de razernij van Satan.

De vrouw in dit hoofdstuk is niet Maria, maar een personage die het volk van God voorstelt. Uit haar komt Jezus voort, de zoon die ‘alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf’ (12:5). Toch is zij niet gewoon Israël, want nadat Jezus opvaart naar God, wordt de vrouw achtergelaten met ‘de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben’ (12:17). De vrouw stelt dan het collectieve volk van God voor, zowel uit het oude als het nieuwe verbond.

Satan faalt in dit hoofdstuk niet alleen in zijn boosaardige poging om Jezus uit te schakelen (12:4-5), maar hij wordt ook verslagen door Michaël en uit de hemel geworpen (12:7-9). Hij wordt op de aarde gegooid (12:9). In razernij omwille van deze beperking (12:13), en ook in woede ‘omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft’ (12:12) voor zijn totale nederlaag, is hij vervuld met woede tegen de vrouw en haar nageslacht.

Veel van de rest van het hoofdstuk beschrijft zijn aanval tegen de vrouw en haar kinderen – tegen ons, christenen! – in symbolisch geladen taal afgeleid uit het Oude Testament.

Bij zijn aanvallen vind je beschuldigingen, die zowel bedoeld zijn om ons vertrouwen te vernietigen als om Gods toorn op te wekken tegen zijn volk, zondig als we zijn: Satan is ‘de aanklager van onze broeders’ (12:10). Maar in een cruciaal vers (12:11) vertelt Johannes ons hoe deze gelovigen de duivel overwinnen.

(1) ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam’. Het voorzetsel vertaald met ‘door’ zou moeten weergegeven worden als ‘op grond van’. Wanneer al zijn beschuldigingen tegen ons naar voren gebracht worden – zoveel ervan volkomen terecht, wanneer we dingen alleen afwegen aan de hand van de kwaliteit van onze trouw – wordt Satan tot zwijgen gebracht wanneer we erop staan dat onze aanvaarding voor God niet op onszelf is gegrond, maar op de dood van Jezus Christus. ‘wie zal veroordelen?’, vraagt Paulus jubelend. ‘Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit’ (Rom. 8:34). We hebben geen andere grond voor onze vrijspraak, en hebben die ook niet nodig.

(2) ‘Zij hebben hem overwonnen … door het woord van hun getuigenis’. Dit betekent niet dat ze regelmatig hun getuigenis gaven. Eerder betekent het dat ze voortdurend getuigenis aflegden van Jezus Christus; kortom, ze verkondigden voortdurend het evangelie. Dit is wat Satans nederlaag duidelijk stelt. Zwijg, en Satan wint.

(3) ‘Zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood’. Je kunt geen vijand verslaan die niet alleen bereid is te sterven, maar voor wie de dood winst betekent (Fil. 1:21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 20 december 2012

'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde' (Opb. 11)


2 Kronieken 24, Openbaring 11, Zacharia 7, Johannes 10
Doorheen het boek Openbaring vind je regelmatig gezichten van het einde of van de troonzaal van God die vooruitgrijpen op de laatste twee hoofdstukken. De manier waarop de verhaallijn zich ontwikkelt is met andere woorden niet altijd lineair. De verwachting van overwinning, heerlijkheid en het perspectief van de Almachtige worden soms in de context geplaatst van de meest donkere scènes van oordeel: zo bijvoorbeeld Openbaring 14:1-5, in de context van de hoofdstukken 12-14.

Wanneer de zevende bazuin klinkt (Opb. 11:15-19) wordt de sluier een beetje weggeschoven om ons een glimp te schenken van precies een dergelijke scène – in dit geval niet van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, maar van de regering van God over deze taferelen van verschrikkelijk oordeel.

Ik wil de aandacht vestigen op twee elementen.

Ten eerste is het begrip ‘koningschap van God’ een dynamisch begrip dat van precieze betekenis verandert naargelang de context. Hier verkondigen luide stemmen in de hemel: ‘Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden’ (11:15). Dit suggereert dat er daarvoor een tijd was waarin dit goddelijke ‘koningschap’ over deze gevallen wereld nog niet begonnen was.

Waar het hier dus om gaat is zeker niet het universele koningschap van Gods voorzienige regering. Ook is het niet het begin van Jezus’ regering, zoals ingeluid door zijn opstanding en verheerlijking. Het is waar, op dat moment kreeg hij alle gezag in hemel en aarde (Matt. 28:18). Niettemin wordt die regering zo uitgeoefend dat ze nog steeds gecontesteerd is.

Het volgende vers suggereert dat God nu zijn grote kracht opneemt met de bedoeling hen te verderven die voorheen zijn volk hebben verdorven. De tijd is gekomen ‘voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven’ (11:18).

Dit kondigt aan dat de uiteindelijke uitoefening van het gezag nabij is, dat alle resterende oppositie zal wegvegen en allen met een volmaakt oordeel zal oordelen.
Ten tweede hebben we al gezien dat gemengde metaforen kenmerkend zijn voor apocalyptische literatuur. Hier in 11:19 is Gods tempel in de hemel geopend - binnen in de tempel zien we de ark van het verbond – en dit gaat gepaard met een ontzagwekkende storm.

Vreselijke stormen die Gods grote daden van zelfopenbaring vergezellen stammen uit hetgeen plaatsvond bij Sinaï; iets vergelijkbaars vinden we in het gezicht van 4:5. De les van de tempel, ark en storm in dit vers is, dat God zelf aanwezig is en regeert.
In het gezicht van de hoofdstukken 21-22 is er daarentegen geen tempel in de hemel nodig, want de Heer God Almachtig en het Lam zijn de tempel (21:22). Alleen een kniesoor zal dit beschouwen als met elkaar in tegenspraak.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 19 december 2012

'Neem het boek en eet het op, en het zal uw buik bitter maken …' (Opb. 10)


2 Kronieken 22-23, Openbaring 10, Zacharia 6, Johannes 9
Veel beelden uit het boek Openbaring zijn afkomstig uit het Oude Testament. Het tegenbeeld voor de boekrol die Johannes eet (Opb. 10:8-11) bestaat uit een gelijkaardig beeld in Jeremia 15:16 en Ezechiël 2:8-3:3.

Elk van deze 3 schriftgedeeltes ontwikkelt het begrip van het eten van Gods woorden een klein beetje anders.

Jeremia contrasteert zichzelf met zijn vervolgers en treiteraars, met een ‘kring van lachers’ (Jer. 15:17) met wie hij nooit gemene zaak maakte. Hoe zou hij ook kunnen? Hij zat alleen omdat de hand van God op hem was. Hij nam de zonde in het land en het dreigende oordeel waar, en hij was vol verontwaardiging. Wat was het dat hem tot dit standpunt bracht? ‘Telkens als ik uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde, want ik behoor u toe, o HEER, God van de hemelse machten’ (Jer. 15:16, NBV).

In zijn visioen krijgt Ezechiël een boekrol te zien die aan beide zijden beschreven is met ‘klaagliederen, zuchten en weeklachten’ (Ez. 2:10, HSV). God draagt hem op zijn mond te openen en de boekrol te eten, en dan heen te gaan en tot het huis van Israël te spreken (Ez. 3:1). ‘Toen at ik die op, en zij was in mijn mond zoet als honig’ (Ez. 3:3).

Het verband maakt de betekenis duidelijk. Zelfs al was de boodschap die Ezechiël overbracht vol oordeel en geklaag, zelfs al legde hij de zonden van Jeruzalem uit aan de ballingengemeenschap en voorspelde hij de catastrofale val van zowel stad als tempel, toch moest Ezechiël dermate op één lijn staan met Gods perspectief dat hij Gods woorden zoet vond. Hoe hard de boodschap ook, Ezechiël zal Gods woorden van oordeel, als ze echt Gods woorden zijn, zoeter vinden dan alle woorden van de algemene opinie onder zichzelf rechtvaardigende zondaars.

In zijn visioen krijgt Johannes de ziener de opdracht een boekrol te nemen en die te eten. Er wordt hem verteld dat het zoet als honing zal smaken, maar dat het in zijn buik bitter zal worden (Opb. 10:9-10). De inhoud is opnieuw oordeel: Johannes ‘moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen’ (10:11). Maar hier ontwikkelt de symboliek zich lichtelijk anders.

Het is nog altijd belangrijk voor deze boekrol dat ze zoet smaakt in Johannes’ mond, d.w.z. dat hij zichzelf zodanig vereenzelvigt met God en diens waarheid dat hij Gods wegen en woorden zoet vindt. Maar nu wordt een extra laag toegevoegd: hoe belangrijk en goed het ook is om aan de kant te staan van Gods perspectief, hoe vitaal het ook is ‘Amen!’ te zeggen op Gods goede en noodzakelijke oordeel, toch is oordeel nog steeds oordeel. Er kan uiteindelijk geen genoegen bestaan bij het vooruitzicht van de toorn van God, hoe volkomen gerechtvaardigd die toorn ook is, want de zonde die eraan ten grondslag ligt is buitengewoon tragisch, zowel wat betreft de feiten op zich als wat betreft de gevolgen die eruit voortvloeien.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 18 december 2012

'Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds' (Opb. 9)


2 Kronieken 21, Openbaring 9, Zacharia 5, Johannes 8
Wat ook de achterliggende verwijzingen mogen zijn bij de vreselijke beelden uit Openbaring 9, de gezichten van dood en verderf laten niets aan de verbeelding over. In oorlog en plagen worden talloze miljoenen mensen afgeslacht, een derde van de mensheid, sommigen met een grote doodsstrijd.

Vandaag wil ik focussen op de slotverzen van het hoofdstuk, terwijl we deze massale vernietiging in een bepaald kader plaatsen.

(1) Aan de ene kant is deze vernietiging het werk van de hel – meer precies van ‘de engel des afgronds; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon’ (9:11), de vernietiger. Er bestaat geen twijfel over dat dit ook Satan is, de duivel zelf (vgl. 12:7-9; 20:10). Met al zijn inspanningen om mensen weg te lokken van de God die hen gemaakt heeft en wiens beelddragers ze zijn, zijn Satans langetermijndoelstellingen met mensen nooit onschuldig. Hij mag dan tijdelijk macht of voordeel geven aan hen die zichzelf verkopen aan de zonde of die met hem een Faustiaans pact aangaan, maar zijn uiteindelijke doel is de vernietiging van alle mensen, of toch zoveel mogelijk ervan kwaad doen, zo meedogenloos en zo pijnlijk mogelijk.

(2) Hoezeer Satan zelf achter deze vernietiging zit, in het grotere verhaal van het boek heeft God zelf de vernietiging bewerkt als onderdeel van zijn rechtvaardige oordeel. Satan is zondig en machtig, maar hij is niet almachtig. Zelfs op zijn boosaardigst kan hij niet ontsnappen aan Gods controlerende macht – en God is in staat om zelfs Satans zondigheid te gebruiken om zijn plannen van rechtvaardig oordeel te brengen over degenen die volharden in hun rebellie tegen God.

(3) Zozeer verdorven zijn mensen dat zelfs het meest vernietigende oordeel regelmatig onvoldoende is om hun aandacht te trekken of hen tot berouw aan te zetten. ‘En wie van de mensen overgebleven waren, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen, om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, noch horen of gaan; en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen’ (9:20-21).

Slechts weinig mededelingen zijn meer ontmoedigend. Wat moet God doen? Wanneer Hij orde en stabiliteit geeft, drijven zijn beelddragers van Hem af, onverschillig voor zijn zegeningen.

Wanneer God daarentegen antwoordt in oordeel, komen zijn beelddragers met de beschuldiging dat God oneerlijk is of schrijven ze deze dingen toe aan blind toeval, of uitsluitend aan de duivel, of aan vreemde goden die moeten gesust worden.

Los van de tussenkomst van het overtuigende werk van de Geest, denken maar weinigen dieper na over hoe deze rampen in profetische termen een appèl aan ons doen.

Welke rampen zijn het ras van Gods beelddragers niet allemaal overkomen in de twintigste eeuw? Wat is hun boodschap? Hoe hebben de meeste mensen gereageerd?


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 17 december 2012

'Omdat gij u verbonden hebt met Achazja, verbreekt de HERE uw werken' (2 Kron. 19-20)



2 Kronieken 19-20, Openbaring 8, Zacharia 4, Johannes 7
Eerder waren we getuige van een koning die goed begin en slecht eindigde (Asa, zie 13 en 14 december); nog vroeger waren we getuige van een halfhartige hervormer (Rechabeam; zie 11 december). Nu komen we bij iemand anders, koning Josafat, die niet helemaal ontaardt en ook niet naar een grijze zone afglijdt tussen goed en kwaad, maar eerder bewijst dat hij zeer goed is op bepaalde terreinen en niet zeer onderscheidend en zelfs dwaas in andere – zijn leven lang (2 Kron. 19-20).

De twee voorafgaande hoofdstukken (2 Kron. 17-18) kunnen in twee delen worden ingedeeld. Hoofdstuk 17 toont ons de sterktes van Josafat – de man die toegewijd de Heer zoekt en het volledige zuidelijke koninkrijk versterkt. Hoofdstuk 18 daarentegen toont de dwaze Josafat, verstrikt in een nodeloze alliantie met de zondige koning Achab van Israël, wat een compromis betekent, en waarbij hij bijna zijn leven laat in een strijd die de zijne niet was.

In de hoofdstukken die we nu voor ons hebben, komt de profeet Jehu. Deze zoon van de profeet Chanani, die nog op oudere leeftijd door Asa in de gevangenis werd gezet , confronteert Josafat: ‘Moogt gij de goddeloze helpen en bevriend zijn met hen die de HERE haten? Hierom rust er toorn op u van de zijde des HEREN. Toch is er wel iets goeds bij u gevonden, want gij hebt de gewijde palen uit het land weggedaan en uw hart erop gezet God te zoeken’ (19:2-3).

Dan herhaalt het patroon zich. Josafat werkt nauwgezet om de rechtspraak te zuiveren van corruptie (19:4-11). Wanneer hij te maken krijgt met nog een militaire crisis - dit keer zijn het de volken van Moab en Ammon die tegen hem samenspannen - keert hij zich tot God voor hulp. Het hoogtepunt van zijn gebed is heel aangrijpend: ‘Onze God, zult Gij over hen niet gericht houden? Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd’ (20:12).

In zijn genade zendt God zijn Geest op Jachaziël, de zoon van Zekarja, die een profetisch woord krijgt om Josafat en het volk van Juda en Jeruzalem te versterken en bemoedigen (20:15 e.v.).

De overwinning die ze behalen is klinkend, en de Heer laat genadig ‘de schrik Gods’ op de omringende koninkrijken vallen, en geeft daarmee Josafat en Juda vrede.
Dus wat doet Josafat? Hij gaat opnieuw een dwaze en onnodige alliantie aan, deze keer met Achazja, de nieuwe koning van Israël, en hij wordt stevig terechtgewezen door een ander profetisch woord (20:35-37). Zal de man het dan nooit leren?

Vandaag zouden we waarschijnlijk dergelijke zeer verontrustende herhalingen bestempelen als ‘karaktergebreken’. Ze kunnen voorkomen bij mensen van wie het leven op zoveel terreinen volkomen prijzenswaardig is. Aan de ene kant is het volkomen terecht dat we God danken voor het goede dat deze mensen doen. Maar ware het niet veel beter geweest indien Josafat had geleerd uit zijn eerste fouten?
Zou het ongepast zijn te vragen of jij en ik leren uit onze fouten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 16 december 2012

'Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon' (Opb. 7)



2 Kronieken 18, Openbaring 7, Zacharia 3, Johannes 6
Er zijn veel geschilpunten als het gaat over de uitleg van Openbaring 7. Wie zijn bijvoorbeeld de 144.000 (7:4)? Zijn ze dezelfde mensen als de grote menigte die niemand kon tellen (7:9), zoals in hoofdstuk 5 de Leeuw ook het Lam is? Wat of wanneer is de ‘grote verdrukking’ (7:14)? Is het een korte periode? En indien dit het geval is – in het jaar 70 n.C., of tegen het einde der tijden? Of is het een manier om te verwijzen naar de volledige periode tussen Jezus’ eerste en zijn tweede komst?

Maar hier zal ik mijn aandacht beperken tot drie elementen in Johannes’ beschrijving van de ‘grote schare die niemand tellen kon’.

Ten eerste komen zij voort ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’ (7:9). Er is zelfs geen vleugje van racisme hier. Dit thema blijft overigens opduiken in het boek. Bijvoorbeeld al in Openbaring 5:9 zingen de oudsten een nieuw lied voor het Lam: ‘Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie’.
Gods uiteindelijke gemeenschap is transnationaal, transtribaal, transraciaal en translinguïstisch (of overstijgt volken, stammen, rassen en talen).

In die zin grijpt Los Angeles beter vooruit op de hemel dan Tulsa, Oklahoma (omdat de bevolking er demografisch veel meer varieert. Je kunt het in België vergelijken met bijvoorbeeld Antwerpen of Brussel, tegenover een stad als Brugge, JL). Laat de kerk, gesterkt door Gods genade, nu al zo ruimhartig mogelijk uitleven wat ze op een dag zal zijn.

Ten tweede draait alles wat aan deze mensen belangrijk is om het werk van God, verwezenlijkt door het Lam – het draait kortom om het evangelie van God. Zo staan ze ‘voor de troon en voor het Lam’ (7:9); ze roepen ‘met luider stem en zeiden: De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam!’ (7:10).

Terwijl de engelen God aanbidden (7:11-12), wordt aan Johannes over deze mensen verteld: ‘zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams’ (7:14). Kortom, wat er ook nog allemaal aan andere zaken gevonden wordt in Openbaring, dit boek vloeit over van het evangelie.

Ten derde ligt het ultieme vooruitzicht voor de grote schare niet in dit leven. Zij zijn ‘voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel’ (7:15). Niets slechts zal hen ooit nog overkomen (7:16). ‘Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen’ (7:17).

Het boek Openbaring wakkert de vlam aan van moed en trouw in dit leven, zelfs in de klauwen van de meest venijnige tegenstand, door de meest heerlijke vooruitzichten voor te houden met betrekking tot het leven dat nog komt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 15 december 2012

'Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet ... ' (Opb. 6)


2 Kronieken 17, Openbaring 6, Zacharia 2, Johannes 5
Openbaring hoofdstuk 4 en 5, waar we hier niet uitgebreider hebben bij stil gestaan, vormen een belangrijk gezicht dat ons voorbereidt voor veel van de rest van het boek – inclusief Openbaring 6.

Hoofdstuk 4 is voor hoofdstuk 5 wat een setting is voor een theaterstuk, een drama. Openbaring 4 schildert ons de troonzaal van de almachtige God in apocalyptische symbolen. De nadruk ligt op het ontzagwekkende van God, op zijn heiligheid, zijn transcendente en indrukwekkende heerlijkheid.

Zelfs de engelen met de hoogste rang bedekken hun gezicht wanneer ze buigen in aanbidding en God verheerlijken voor zijn heiligheid. In Openbaring 5 begint dan het drama. In de rechterhand van God rust een boekrol, die alle raadsbesluiten voor verlossing en oordeel blijkt te bevatten.

De boekrol is verzegeld met zeven zegels. In de symboliek van dit boek betekent het openen van de zegels hetzelfde als alle raadsbesluiten van God tot stand brengen voor verlossing en oordeel. Indien het boek ongeopend blijft, dan zullen Gods besluiten onvervuld blijven.

Een machtige engel houdt het hele universum een uitdaging voor: is iemand waardig om die geweldige en ronduit angstaanjagende God te benaderen, de boekrol te nemen, en de zegels te openen – met andere woorden, om te dienen als Gods afgezant die zijn besluiten ten uitvoer zal brengen? Niemand wordt waardig bevonden, en Johannes weent wanhopig.

Dan beveelt een van de oudsten dat hij niet langer zou wenen. De leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen. Johannes kijkt op doorheen zijn tranen, en ziet – een Lam.
Dit is geen dier bijkomend bij de Leeuw. Getrouw aan de gemengde aard van apocalyptische metaforen, is de Leeuw het Lam – en Hij daagt op uit het midden van de troon. Vanaf dan in het boek Openbaring wordt lof gebracht aan Hem die zit op de troon, en aan het Lam.

In Openbaring 6 zien we het Lam de zegels openen. Na verloop van tijd introduceert het zevende zegel zeven bazuinen (Opb. 8), die op hun beurt gevolgd worden door de zeven schalen van Gods toorn (Opb. 16). Zo wordt het volledige drama van het boek Openbaring ingeleid door het gezicht van Openbaring 4-5.

Met betrekking tot Openbaring 6 zal ik slecht op twee punten focussen.

(1) De martelaren die ‘onder het altaar’ zijn riepen met luide stem ‘Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen?’ (6:9-10). Het is een grote troost te weten dat gerechtigheid zal bewerkt worden, en dat erop zal toegezien worden dat die gebeurt; het is zelfs een nog grotere troost te weten dat God nog meer geduld heeft dan christenen.

(2) Maar wanneer dat oordeel dan komt, is er geen ontkomen aan, is er geen uitstel. Al wie opstandig waren tegen hun Schepper en nooit verzoend zijn met Hem, of het nu gaat om slaven of om de machtigen en krachtigen, roepen tot de bergen en de rotsen dat ze hen zouden verbergen ‘voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam’ (6:16). Maar wie kan zich verbergen voor de troon van God?

Eigen vertaling van de overdenking bij 15 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 14 december 2012

Wie is de nummer één: jij of God? (2 Kron. 16)



2 Kronieken 16, Openbaring 5, Zacharia 1, Johannes 4
Goed beginnen betekent niet hetzelfde als goed eindigen. Judas Iskariot begon als een apostel, Demas begon als apostolische helper. We weten hoe het met hen afliep. Asa begon als hervormend koning die ijverig was voor God, een man die geweldig geloof en moed vertoonde toen de Kusieten aanvielen (zie de overdenking van gisteren) – maar het is ronduit verontrustend hoe hij eindigt in 2 Kronieken 16.

De crisis kwam in een stroomversnelling toen Basa, de koning van Israël, een aantal van Juda’s afgelegen dorpen en steden aanviel. In plaats van hetzelfde vaste geloof te vertonen als vijfentwintig jaar eerder, toen hij te maken kreeg met de meer indrukwekkende Kusieten, opteert Asa voor een dure politieke schikking.

Hij haalt zowel de rijkdom uit de tempel als uit zijn eigen paleis, en zendt die naar Benhadad, die regeert over de opkomende regionale macht Aram, met centrum in Damascus. Asa wil dat Benhadad Israël van aan de noordkant aanvalt, waardoor hij Basa zou dwingen zijn troepen terug te trekken uit de aanval in het zuiden en zichzelf te beschermen in het noorden. De list werkt.

Dit linkte Juda op een gevaarlijke manier met Aram. Nog belangrijker: de profeet Chanani legt de vinger op het slechtste element in deze strategie: Asa vertrouwt op politiek en geld, en niet op de Here God. ‘Waren de Kusieten en de Libiërs niet een groot leger met zeer veel wagens en ruiters? Toch heeft de HERE hen in uw macht gegeven, omdat gij op Hem gesteund hebt. Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Gij hebt hierin dwaas gehandeld, want van nu af zult gij oorlogen hebben’ (16:8-9).

Zelfs dan had de situatie gekeerd kunnen worden: God luistert zo regelmatig naar wie waarlijk berouw vertoont. Maar Asa wordt alleen maar boos, zo verontwaardigd dat hij Chanani in de gevangenis zet. Zijn dictatoriale driften worden talrijker, en Asa begint wreedheden te begaan tegen zijn volk (16:10).

Vier jaar later loopt hij een ernstige ziekte op, maar in plaats van de Here om hulp te vragen (om nog te zwijgen over vergeving), wentelt hij zich in bitterheid en zoekt hij alleen maar hulp bij de heelmeesters. Twee jaren van ziekte later sterft hij.

Wat dan met al die jaren van godvruchtige hervormingen?We zijn natuurlijk niet in de positie om een finaal oordeel te vellen: dit komt alleen God toe. Maar mensen kunnen om allerlei andere redenen dan de liefde van God kiezen voor goedheid of hervorming; fenomenologisch gezien kunnen mensen een lange tijd een hart voor God hebben (15:17), maar wegkwijnen nog vooraleer ze definitieve volharding vertonen.

Bij een gedisciplineerd mens kan het een tijd duren vooraleer de waarheid uitkomt. Maar wanneer dit gebeurt, is de test zoals altijd fundamenteel: ben ik nummer één, of God?


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 13 december 2012

'Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; maar indien gij Hem verlaat …' (2 Kron. 14-15)

2 Kronieken 14-15, Openbaring 4, Haggai 2, Johannes 3

De regering van koning Asa van Juda is op verschillende vlakken leerzaam en krijgt zowel vandaag (2 Kron. 14-15) als morgen onze aandacht.

Asa’s lange regeerperiode begon met tien jaren rust (14:1), ‘daar de HERE hem vrede gegeven had’ (14:6). Gedurende die tijd beval Asa ‘de Judeeërs, de HERE, de God hunner vaderen, te zoeken en de wet en het gebod te volbrengen’ (14:4). Het volk zocht de Here, ‘en Hij heeft ons aan alle kanten vrede gegeven. En zij bouwden voorspoedig’ (14:7). Aan het eind van de tien jaren kreeg Asa te maken met de verwoestende macht van de troepen van de Kusieten (van de boven-Nijl). Asa kon onmogelijk vergeten zijn hoe zijn grootvader Rechabeam geknecht werd door Sisak van Egypte (2 Kron. 12).

Asa’s eigen gedrag is voorbeeldig, een voorproef van hoe zijn nakomeling Hizkia eeuwen later zou handelen wanneer hij tegenover de Babyloniërs zou staan: hij riep de Heer aan, terwijl hij ronduit zijn eigen volkomen machteloosheid tegenover dergelijke machten erkende. ‘Help ons, HERE, onze God, want op U steunen wij en in uw naam zijn wij opgetrokken tegen deze menigte. HERE, Gij zijt onze God, laat toch tegen U geen sterveling iets vermogen’ (14:11).

Op welke manier dan ook (de tekst specifieert het niet), de Heer antwoordt, en Asa’s relatief nietige leger verplettert de menigte Kusieten.

Dan verschijnt Azarja, de zoon van Oded, op het toneel, een profeet met een boodschap van bemoediging voor Asa en voor geheel Juda en Benjamin (15:1-2). Terwijl hij herinnert aan de vreselijke jaren van anarchie in de eindjaren van de richteren en in de beginjaren van de monarchie, toen het gevaarlijk was om te reizen en handel te drijven en toen de Levieten onvoldoende discipline en organisatie bezaten om het volk te onderwijzen, bemoedigt Azarja de koning en mensen als hem om de Heer te zoeken, want dan ‘zal Hij Zich door u laten vinden; maar indien gij Hem verlaat, zal Hij u verlaten’ (15:2).

Een dergelijke boodschap versterkt Asa’s vastberadenheid. Hij treedt verder op tegen de overblijvende afgoderij en voorziet middelen voor het onderhoud van de tempel. Dit is de verbondsgemeenschap, en onder Asa begint die te handelen volgens zijn status.

‘Met geheel hun wil hadden zij de HERE gezocht en Hij had Zich door hen laten vinden; Hij gaf hun vrede aan alle kanten’ (15:15) voor de volgende kwarteeuw, tot in het vijfendertigste jaar van Asa’s regering (15:19).

De ‘offerhoogten’ werden niet weggedaan (15:17) – een restant van concurrentie met de tempel – maar voor het grootste deel was Asa rechtlijnig.

We zouden niet mogen in verlegenheid gebracht worden door de zegen van God over oprechtheid en gerechtigheid. Gerechtigheid verheft een volk: het tilt het op en versterkt zijn handen. Dit is niet louter een sociologische gevolgtrekking: het is de manier waarop God de dingen heeft georganiseerd, de manier waarop hij voorzienig regeert. Onrecht daarentegen roept Gods toorn op, en vroeg of laat zal het een volk te gronde richten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 12 december 2012

'Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop' (Opb. 3)



2 Kronieken 13, Openbaring 3, Haggai 1, Johannes 2
De zeven gemeenten van Klein-Azië (in grote lijnen het westerse derde deel van het actuele Turkije) verschillen nogal wat van elkaar (Opb. 2-3). In de meeste gevallen weerspiegelen ze iets van de steden waarin ze gesitueerd zijn, ofwel door het weerspiegelen van de gebreken ervan, of door het verdragen van hun verdrukking.

Twee van de zeven gemeenten, in Smyrna en Filadelfia, zijn klein en worden aangevallen, en zij krijgen geen kritiek. De andere vijf zijn in verschillende mate in gevaar.

De gemeente die het minst bemoediging ontvangt en de meeste veroordeling, is de gemeente in Laodicea (Opb. 3:14-22), een gemeente die zijn omgeving maar al te zeer weerspiegelt.

Laodicea was een bankencentrum. Wie naar het Oosten trok wisselde hier zijn geld, zoals ook Cicero deed, de beroemde Romeinse redenaar, toen hij over de grenzen van het Rijk naar het Oosten trok.

De geldbusiness maakte de stad rijk. Die stond ook bekend als een centrum voor oogheelkunde. Ooginfecties waren niet ongewoon, en in Laodicea hadden dokters een zalf ontwikkeld die velen doeltreffend vonden.

De schapen in dit gebied produceerden een bijzonder sterke, zwarte wol – de ‘jeans’-stof van de antieke wereld. Het enige echte minpunt aan de stad was zijn systeem voor waterbevoorrading.

Het nabijgelegen Kolosse had de enige koudwaterbron in de Lycusvallei; bij Hiërapolis ontsprongen heetwaterbronnen, en de plaats stond bekend als ‘kuuroord’. Laodicea moest van kilometers ver zijn water invoeren via stenen buizen, en dit water was vuil. Het liet in de buizen dikke resten achter van calciumcarbonaat en in de antieke wereld was het berucht voor zijn walgelijke smaak.

Johannes pikt deze punten op. De gemeente denkt dat ze rijk is, maar realiseert zich haar geestelijke bankroet niet. Ze gelooft dat ze kan ‘zien’, d.w.z. dat ze inzicht heeft, terwijl ze in feite blind is. Ze denkt van zichzelf dat ze goed gekleed is, volkomen presentabel, terwijl God ze aanziet als naakt. Deze gemeente is zelfvoldaan en trots geworden, op alle manieren waarop de stad zelfvoldaan en trots is geworden.
De verheerlijkte Jezus dringt er bij deze gemeente op aan ‘goud te kopen’, dat alleen Hij hen kan geven, de ogenzalf die Hij alleen kan leveren, en klederen, witte klederen (die spreken van zuiverheid) die alleen Hij hun kan geven (3:18).

Want naar zijn beleving zijn ze in hun huidige toestand voor Hem als het water van Laodicea: noch koel en verfrissend (zoals het water uit Kolosse), noch heet en medicinaal (zoals het water uit Hiërapolis), het is ronduit misselijkmakend. Ze zijn noch koud en nuttig, noch heet en nuttig; ze zijn louter walgelijk en laten Hem braken.

Heel wat gemeenten in het Westen bevinden zich in een vergelijkbare positie. Luister naar het Woord van de Heer: ‘Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij’ (3:19-20).


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 11 december 2012

'Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten' (2 Kron. 11-12)


2 Kronieken 11-12, Openbaring 2, Zefanja 3, Johannes 1
De kroniekschrijver biedt ons een aantal fascinerende inzichten in de regering van Rechabeam, de eerste koning van Juda na het einde van de verenigde monarchie (2 Kron. 11-12). We stippen er twee aan.

(1) Zoals te verwachten viel trokken veel Levieten die in het noorden woonden, naar het zuiden (11:11-17). Hun volledige leven was op de tempel gericht en dit was de verbinding die Jerobeam, koning over de tien noordelijke stammen, wilde verbreken. Niet alleen daarom voerde hij zijn eigen afgoden in, maar hij ontsloeg ook alle Levieten. Het effect, althans toch aanvankelijk, was dat Rechabeam versterkt werd (11:17). Soms wordt het principe van de ‘niet-bedoelde gevolgen’ stilletjes door Gods voorzienigheid gebruikt om zegen voort te brengen uit wat eerst een volslagen ramp schijnt. Het meest uitnemende voorbeeld hiervan is natuurlijk het kruis.

(2) Rechabeam blijkt maar een middelmatige koning wiens uiteindelijke effect slecht is. Bepaalde vroege elementen in Rechabeams regering waren goed. Hij koos de juist zoon, Abia, ‘tot een vorst over zijn broeders’ (11:22), waarmee hij hem wilde voorbereiden op de troon.

Rechabeam had geleerd uit de dwaasheid van de vroegere beslissing die hem het eengemaakte koninkrijk had gekost (10:8; zie 1 Koningen 12:8), en hij werkte hard aan het onderhouden van de contacten met het volk, door zijn vele zonen te verspreiden over de landstreken en versterkte steden van Juda. Helaas, eenmaal hij wat geruster wordt en zijn koninkrijk min of meer veilig weet, wijkt hij af van de Wet des Heren, en zijn volk met hem (12:1).

God antwoordt door koning Sisak van Egypte los te laten op deze kleine natie. De profeet Semaja buldert ‘Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Sisak’ (12:5).

Koning Rechabeam en de leiders van Israël verootmoedigen zich (12:6, 12). Het resultaat is dat God de Egyptenaren niet toestaat dat ze Juda te gronde richten. Niettemin zegt God van zijn volk: ‘Zij zullen hem echter tot knechten zijn, zodat zij mijn dienst en de dienst van de koninkrijken der landen leren kennen’ (12:8).

Deze ontwikkeling herinnert ons aan Gods reactie toen het volk Israël het beloofde land binnentrok en meteen zijn trouw compromitteerde. Het resultaat was dat ze in plaats van met een schone lei te kunnen staan, ze generaties lang gemoeid waren in smoezelige schermutselingen.

Er is een soort kwaad dat niet zeer slecht en niet zeer goed is, niet al te vreselijk opstandig maar ook niet hongerig naar gerechtigheid, een standpunt dat naar afgoderij neigt en haastig terugtrekt bij de dreiging met oordeel. Wat ontbreekt is het hart van David, het hart van een man die, ondanks falen, zich ertoe zet God te zoeken met passie en vreugde.

Het finale verdict over Rechabeams regering legt uit wat het probleem is: ‘Hij deed wat kwaad is, want hij had er zijn hart niet op gezet de HERE te zoeken’ (12:14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 10 december 2012

Hij heeft ons gemaakt tot koningen en priesters voor God, zijn Vader (Opb. 1)


2 Kronieken 10, Openbaring 1, Zefanja 2, Lukas 24
Voor het openingsvisioen van Openbaring 1, die ons de verheerlijkte Jezus toont in apocalyptische symbolen die herinneren aan de beeldtaal van de Oude van Dagen uit Daniël 7 (Opb. 1:12-16), geeft Johannes ons een korte lofzang: ‘Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed – en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen’ (1:5-6).

(1) Nog voor al de verrassende en zelfs angstaanjagende beelden van God en van het Lam in dit boek, nemen we een opstap met een verklaring van Jezus’ liefde, zijn bijzondere liefde voor het volk van God: ‘Hem, die ons liefheeft … Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden!’ Er is niets dat onze dankbaarheid en ons ontzag meer inspireert dan de liefde die ons betoond wordt door de eeuwige Zoon van God aan het kruis.

Ik geloof dat het T. T. Shields was die de volgende zinnen neerpende: ‘Was ever a heart so hardened, / And can such ingratitude be, / That one for whom Jesus suffered / Should say, ‘It is nothing to me’?’ (Vrij vertaald: ‘Was ooit een hart dermate verhard, / En hoe kan dergelijke ondankbaarheid bestaan, / Dat iemand voor wie Jezus leed / Zou zeggen, ‘het zegt me helemaal niets’)

(2) Jezus Christus heeft ‘ons uit onze zonden verlost … door zijn bloed’ (of ‘bevrijd’ i.p.v. ‘verlost’, zie NBV). Andere vertalingen hebben ‘van onze zonden gewassen’ (zie HSV). Het verschil tussen ‘verlost’ en ‘gewassen’ is in het Grieks maar één letter; de NBG is bijna zeker juist. Door zijn bloed, d.w.z. door zijn offerdood en verzoenend sterven, heeft Jezus onze zonden verzoend en ons daardoor verlost (of bevrijd) van hun vloek.

En dit niet alleen, maar alle zegeningen die we ontvangen – de gave van de Heilige Geest, de beloften van Gods blijvende bescherming, eeuwig leven, de finale opstanding – zijn verzekerd door Jezus’ dood, en ze werken allemaal samen om ons te verlossen van onze zonden – hun schuld, hun kracht, hun gevolgen.

(3) Christus ‘heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt’. In een bepaald opzicht zijn wij in het koninkrijk – de invloedssfeer van zijn reddende regering. Er is een ander opzicht waarin Christus nu regeert over alles in onvoorwaardelijke soevereiniteit (Matt. 28:18; 1 Kor. 15:25), en in die betekenis zijn dan iedereen en alles in zijn koninkrijk. Maar voor zover christenen de specifieke kern vormen van de verloste gemeenschap en de voorsmaak van de aanstaande verlossing die het hele universum zal transformeren, kunnen we ook onszelf zien als zijn koninkrijk.

Bovendien heeft hij ons tot priesters gemaakt. Christenen hebben geen andere priesters dan Jezus, hun grote hogepriester: er is slechts één middelaar tussen God en mensen (1 Tim. 2:5). Maar in een ander opzicht, zijn we wel priesters: alle christenen zijn tussenpersonen tussen God en deze gebroken, zondige wereld. We zijn de tussenpersonen die God brengen aan mede-zondaars, door trouw het evangelie te verkondigen en uit te leven, en we dragen hun noden in onze voorbede tot onze hemelse Vader.

Jezus Christus heeft ons gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters om zijn God en Vader te dienen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 9 december 2012

'Stricken, smitten and afflicted' (video en songtekst)



Vorige week leren kennen via een toespraak van Fernando Ortega: 'Stricken, Smitten, and Afflicted'. Het nummer is niet oorspronkelijk van Ortega, maar is eigenlijk een Schotse traditional van Thomas Kelly (1769-1854).
Ik ben me niet bewust van een Nederlandstalige versie, ik hou me dan ook warm aanbevolen voor wie er wel een kent.

Stricken, smitten, and afflicted

Stricken, smitten, and afflicted,
See Him dying on the tree!
'Tis the Christ by man rejected;
Yes, my soul, 'tis He, 'tis He!
'Tis the long-expected prophet,
David's Son, yet David's Lord;
By His Son, God now has spoken
Tis the true and faithful Word.

Tell me, ye who hear him groaning,
Was there ever grief like his?
Friends thro' fear his cause disowning,
Foes insulting his distress;
Many hands were raised to wound him,
None would interpose to save;
But the deepest stroke that pierced him
Was the stroke that Justice gave.

Ye who think of sin but lightly,
Nor suppose the evil great
Here may view its nature rightly,
Here its guilt may estimate.
Mark the sacrifice appointed,
See who bears the awful load;
'tis the Word, the Lord's Anointed,
Son of Man and Son of God.

Here we have a firm foundation,
Here the refuge of the lost;
Christ's the Rock of our salvation,
His the name of which we boast.
Lamb of God, for sinners wounded,
Sacrifice to cancel guilt!
None shall ever be confounded
Who on him their hope have built.

En nog een muzikale variant:


Dringende noodzaak: een oproep om te strijden voor het geloof (Judas)


2 Kronieken 9, Judas, Zefanja 1, Lukas 23
‘Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over de gemeenschappelijke zaligheid, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ (Judas 3, HSV).

Merk op:

(1) Soms is het goed te strijden voor het geloof. Dit is natuurlijk niet altijd de juiste weg: vaker moet de nadruk eerst liggen op verkondiging, waarbij we de hele raad Gods uitdragen en opnieuw uitdragen. Soms blijkt een vriendelijk antwoord of ernstige smeekbede de wijzere koers. Maar hier roept Judas zijn lezers op te strijden voor het geloof.

(2) Dat waarvoor we moeten strijden is het geloof dat eens voorgoed werd toevertrouwd aan de heiligen. De plaats waar het geloof in dergelijke gevallen wordt aangevallen is verbonden met een bepaald standpunt dat zichzelf omschrijft als ‘progressief’, ‘eigentijds’ of ‘avant-gardistisch’ – maar ook een standpunt dat onvermijdelijk bereid is om iets op te offeren dat ‘eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’.

Natuurlijk is dat laatste soms niets meer dan een appèl aan ongegronde traditie, maar dit is niet wat er in dit geval gaande is. Hier offeren de ‘progressieven’ iets op dat al van helemaal in het begin essentieel was aan het evangelie.

(3) In bepaalde gevallen is strijden voor het geloof (wat niet mag verward worden met lichtgeraakt zijn over het geloof) wat we prioritair moeten doen. Dat is waarom Judas openlijk kan toegeven dat hij gehoopt had iets anders te kunnen schrijven, maar zich genoodzaakt voelde zich aan die dringender taak te wijden. Hoe storend ook, wanneer essentiële waarheden ontkend worden, en de ontkenning door steeds meer mensen geloofd wordt, gaat strategische wijsheid tijdelijk voor op ander dienstwerk en focust die op het onmiddellijke dringende gevaar.

(4) De noodzaak om het felst te strijden doet zich meestal voor wanneer er stemmen van dwaalleer opgaan in de kerk. Wanneer zij die de waarheid tegenstaan zich buiten de kerk bevinden, dan is er geen haast bij de strijd voor het geloof dat eenmaal aan de gelovigen werd overgeleverd - hoewel sommige christenen de diverse argumenten moeten weerleggen (misschien voor evangelisatiedoeleinden).

Eenmaal dergelijke mensen echter de kerk binnensluipen, zodat heel wat naïeve christenen hun leer aannemen zonder dat ze doorhebben dat die schadelijk is, dan is vastberaden strijd onvermijdelijk. Dergelijke mensen moeten niet alleen weerlegd worden, maar ook onder tucht gebracht – en dit laatste kan niet bereikt worden zonder het eerste.

(5) De specifieke goddeloosheid die Judas in dit geval ontkracht is een bepaalde verdorven lezing van het evangelie, die het evangelie vervormt tot ‘voorwendsel voor losbandigheid’ (vers 4, NBV). Elke lezing van het evangelie die immoraliteit aanmoedigt of de effectiviteit van Jezus’ redding ontkent, moet wel verkeerd zijn en als goddeloos worden afgewezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 8 december 2012

'Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet' (3 Joh.)


2 Kronieken 8, 3 Johannes, Habakuk 3, Lukas 22
De situatie achter 3 Johannes lijkt ongeveer als volgt. De schrijver, de ‘oudste’ (1:1), wellicht de apostel Johannes, heeft geschreven naar een bepaalde gemeente in zijn bevoegdheidsgebied, blijkbaar met de vraag of die kerk zou doen wat ze kon om enkele ‘broeders’ (1:5) te helpen die waren uitgestuurd met een evangelisatietaak.

Spijtig genoeg was deze gemeente gekaapt door ene Diotrefes, die, naar het oordeel van de apostel, veel meer geïnteresseerd was in de ‘eerste’ zijn, d.w.z. in zichzelf profileren en in autocratische controle, dan hij dat was in de voortgang van het evangelie (1:9). Aangestuurd door dergelijke waarden, was Diotrefes maar al te bereid om de aanpak van de apostel te verwerpen.

Van op een afstand kon de apostel maar weinig doen. Wanneer hij niettemin toch zal opdagen, zal hij de aandacht vestigen op wat Diotrefes aan het doen is, en hem ontmaskeren voor de kerk (1:10). Blijkbaar vertrouwt Johannes erop dat hij de autoriteit en geloofwaardigheid bezit om te zegevieren.

Ondertussen stapt de apostel af van de geijkte gezagskanalen en schrijft hij zijn dierbare vriend Gajus aan (1:1); die blijkbaar tot dezelfde kerk behoort en blijk geeft van een heel andere geest dan Diotrefes.

Na een aantal voorafgaande woorden (1:2-4) prijst Johannes Gajus enthousiast voor de manier waarop hij zijn huis heeft opengesteld voor deze rondreizende ‘broeders’ (1:5). Sommigen onder hen hebben zelfs getuigd over de buitengewone gastvrijheid van Gajus (1:6).

Gajus doet er goed aan dit prachtige dienstwerk verder te zetten, en hen verder op weg te helpen op ‘een voor God waardige manier’(1:6, HSV) – een verbazingwekkende maatstaf die we ook vandaag moeten vertonen wanneer we zendelingen uitsturen en hen ondersteunen die werkelijk trouw zijn.

Kortom, stoutmoedige vrijgevigheid onder christenen, hier verpersoonlijkt door Gajus, moet altijd zendingsgericht zijn; koppige machtshonger, verpersoonlijkt door Diotrefes, zal qua visie veel sneller bekrompen en enggeestig zijn.

Let op de doordringende helderheid van de openingsopmerkingen (1:2-3).

Ten eerste bidt Johannes dat het met de gezondheid van Gajus goed zal gaan, zoals ook met zijn ziel. Merk op welk van beide de standaard vormt voor de andere!

Ten tweede geeft de apostel aan wat hem grote blijdschap gebracht heeft – namelijk het verslag van Gajus’ trouw aan de waarheid, zijn wandel in waarheid.

Ten derde veralgemeent Johannes dit laatste punt: ‘Groter blijdschap ken ik niet, dan dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen’ (1:4). In een wereld waarin veel christenen hun diepste vreugde vinden in voorspoed, gemak, promoties, financiële veiligheid, goede gezondheid, populariteit, en een pak andere dingen, is het verblijdend, om niet te zeggen uitdagend, om een apostel te horen getuigen dat niets hem meer vreugde bezorgt, dan te horen dat zijn ‘kinderen’ wandelen in lijn met het evangelie. Dit vertelt ons alles wat we moeten weten over zijn hart – en ook over waarin wij onze blijdschap zouden moeten vinden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 december 2012

'De heerlijkheid des HEREN vervulde het huis' (2 Kron. 7)



2 Kronieken 7, 2 Johannes, Habakuk 2, Lukas 21
Toen Salomo ophield met bidden, was er meer dan stilte en een opvallende eerbied. Vuur daalde neer uit de hemel om de brandoffers te verteren, ‘en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis’ (2 Kron. 7:1). God zelf verbond zijn goedkeuring aan zowel de tempel als aan Salomo’s inwijdingsgebed. De duizenden aanwezige Israëlieten begrepen het in elk geval op die manier (7:3) en ze zongen opnieuw ‘Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (7:3). Het vieringsfeest dat in de volgende verzen (7:4-10) wordt beschreven is ongeëvenaard.

Er is meer. Net zoals de Here persoonlijk was verschenen aan Abraham, Isaäk en Jakob – en aan Salomo’s eigen vader David – zo verschijnt Hij nu – op welke manier ook, aan Salomo. Merk op:

(1) ‘Ik heb uw gebed gehoord en deze plaats voor Mij tot een huis der offeranden verkoren’ (7:12; vgl. 7:16 en de overdenking voor 26 november, nadruk toegevoegd). God zelf beschouwt het offersysteem als het hart van de tempel. Dan vat hij opnieuw zijn bereidheid samen om zijn volk te antwoorden wanneer ze afdwalen en dan bidden; want deze tempel institutionaliseert, in lijn met Gods genadige openbaring van zichzelf, de verschillende offeranden voor de zonde, die de middelen zijn waardoor schuldige zondaars verzoend kunnen worden met God, door de offers die Hij zowel zelf heeft geboden als zelf gegeven.

(2) Veel van de rest van Gods woorden aan Salomo lopen langs een van volgende twee lijnen.

Ten eerste zegt God, met geruststellende woorden, dat zijn ogen inderdaad altijd op deze plaats zullen zijn, en Hij zal de gebeden horen van degenen die zich bekeren.

Ten tweede is deze verschijning aan Salomo ook een waarschuwing, zelfs een bedreiging. God zegt aan Salomo dat als het volk (de ‘u’ uit vers 19; ‘indien gij u afkeert’ staat in het meervoud) zwicht voor rebellie en afgoderij, dat dan de tijd zal komen dat God in oordeel over hen zal neerdalen, zijn volk uit het beloofde land zal wegdrijven, en zo Jeruzalem en deze tempel vernietigen, zodat mensen geschokt zullen zijn; ze zullen als enige mogelijke verklaring horen dat God zelf al deze rampspoed over hen heeft gebracht omwille van hun zonde (7:19-22).

Vanuit Gods perspectief krijgt het volk de nodige waarschuwing; vanuit het perspectief van de kroniekschrijver, wordt de weg gebaand voor het tragische slot van zijn boek; vanuit het perspectief van de canon, worden christen lezers eraan herinnerd dat alle systemen en structuren, zelfs degene die heenwijzen naar Christus, niet anders konden dan mislukken in deze gebroken wereld, tot de verschijning van die Ene naar wie ze verwezen.

(3) De belofte van 7:14 wordt vaak geciteerd als een universele sleutel tot opwekking. Maar je zou de gerelateerde thema’s van verbondsvolk, land en tempel moeten opmerken – allemaal specifiek in de context, in deze vorm, voor het oude verbond. Maar er is een legitieme uitbreiding, gebaseerd op de realiteit dat gerechtigheid een volk verheft, maar zonde voor ieder volk een blaam is. God roept alle volken op om zich te bekeren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 december 2012

'Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis' (2 Kron. 6)



2 Kronieken 6:12-42, 1 Johannes 5, Habakuk 1, Lukas 20
Salomo’s inwijdingsgebed (2 Kron. 6:12-42) is een van de grote momenten uit de Oudtestamentische geschiedenis en theologie. Veel van de kenmerken ervan verdienen dat we er langer over nadenken. Hier kunnen we slechts een paar hoofdlijnen oppikken.

(1) Zowel in het begin als aan het einde van het gebed vind je God als een God die zich aan het verbond houdt, de originele ‘promise keeper’, die zijn beloftes nakomt. Salomo’s interesse gaat in het bijzonder (en begrijpelijkerwijs) uit naar Gods belofte aan David, waar het gaat om het feit dat zijn lijn zou verdergaan, zijn koningshuis zou in stand gehouden worden (6:14-17). Vandaar de finale doxologie: ‘HERE God, wijs uw gezalfde niet af, gedenk de gunstbewijzen aan uw knecht David’ (6:42).

(2) Hoewel de tempel ongetwijfeld een geweldig bouwwerk was, en hoewel Salomo begrijpelijkerwijs een bepaalde terechte trots kon voelen bij de voltooiing van de bouw, is zijn begrip van de grootheid van God voldoende sterk om hemzelf met memorabele woorden te laten uitdrukken dat er geen tempel is die God ook maar zou kunnen ‘bevatten’, de God voor wie zelfs de hemel der hemelen te klein is (6:18). Geen spoor van een tribale God die zich zou laten beteugelen.

(3) De belangrijkste gebedslast in wat Salomo vraagt, kan tamelijk eenvoudig samengevat worden. Wanneer in de toekomst ofwel een individuele Israëliet zondigt of het volledige volk verzinkt in een of andere zonde, en zij zich dan bekeren en zich in gebed naar de tempel wenden, vraagt Salomo dat God zelf uit de hemel zou horen en hun zonde zou vergeven (6:21-39). Er zijn vier opmerkelijke elementen in deze smeekbeden.

Ten eerste is er een verbazend realistische inschatting van de neiging van het volk om te zondigen, om zelfs zo erg te zondigen dat ze op een dag uit het land kunnen verbannen worden. Een man van minder kaliber zou bij dergelijke gelegenheid in de verleiding komen om uit te pakken met heel wat sentimenteel, Pollyanna-achtig gebazel over eindeloze trouw en dergelijke. Maar niet Salomo. Hij was een wijs man en hij weet dat zondaars zondigen.

Ten tweede, hoezeer de tempel ook centraal mag staan in de gebedsfocus van het volk (zeker wanneer zij zondigen), dan zal God hun gebeden niet vanuit de tempel verhoren maar vanuit de hemel, zijn woonplaats. Nog maar eens kan God niet herleid worden tot de status van de stammengoden die door de omringende heidenen aanbeden worden. De verwoording van dit herhaalde verzoek voor vergeving maakt de rol van God cruciaal – de God die de hemelen vervult, niet de tempel.

Ten derde, in zoverre de tempel cruciaal is, wordt die gezien als het middelpunt van de godsdienst en de aanbidding die de vergeving van zonde aanpakt en op die manier zondaren met God verzoent. Het hart van de tempel wordt niet gevormd door de koren en erediensten, maar door de vergeving van zonde. In onze tijd van vage spiritualiteit is het van het grootste belang dat we dit punt in gedachten houden.

Ten vierde strekt Salomo’s visie zich ver genoeg uit om ook vreemdelingen te omvatten (6:32-33) – een missionaire boodschap.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 december 2012

'Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor mijn naam' (2 Kron. 5-6:11)



2 Kronieken 5:1-6:11, 1 Johannes 4, Nahum 3, Lukas 19
Eenmaal de tempel gebouwd, bestaat de laatste stap voor de inwijding van de tempel uit het halen van de ark van het verbond uit de oude tabernakel, die zich nu in Sion bevindt, de stad van David (deel van Jeruzalem), naar zijn nieuwe woonplaats in het heilige der heiligen van de tempel.

2 Kronieken 5:1-6:11 geeft niet alleen die overgang weer, maar ook Salomo’s inwijdingswoorden voor het volk, voorafgaand aan zijn inwijdingsgebed (zie de overdenking van morgen).

Zowel de verhuis van de ark als Salomo’s openingswoorden blijken belangrijk.
De verhuis zelf volgt op de voorschriften van de Wet: alleen de Levieten mogen de ark aanraken. Maar de verhuis is desondanks een nationaal evenement. De oudsten van Israël en de familiehoofden komen van overal in Israël bijeen voor deze grote viering. De verhuis gaat gepaard met dermate rijkelijke offeranden dat het aantal dieren dat gedood werd niet geteld kan worden (5:6).

Uiteindelijk wordt de ark geplaatst onder de vleugels van de cherubim in het heilige der heiligen. Als nevenopmerking vermeldt de kroniekschrijver dat op dat ogenblik alleen de tafels van de Wet zich nog in de ark van het verbond bevinden. Wellicht waren de kruik met manna en Aärons staf die gebloeid had, uit de ark gehaald toen die veroverd was door de Filistijnen.

In elk geval geven de orkesten en koren het beste van zichzelf, inclusief een trompetsectie van 120 personen. De zangers prijzen God in het welbekende refrein: ‘Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (5:13).

Twee details verdienen speciale commentaar.

(1) In het verleden bestond het bewijs van Gods tegenwoordigheid in de tabernakel uit een wolk. Nu vult dezelfde wolk de tempel; de heerlijkheid van de Heer vult de tempel zelfs in die mate dat de priesters niet konden blijven staan om dienst te doen (5:13-14). Dit toont aan dat God behagen schept in de tempel, dat Hijzelf de verhuis van de tabernakel naar de tempel geboden heeft; en bovenal dat, als de tempel zijn tempel is, die niet gedomesticeerd kan worden louter door rites, hoe uitgebreid die ook zijn. De heerlijkheid van zijn tegenwoordigheid is wat telt.

(2) Salomo’s inleidende opmerkingen dragen ook bij tot het besef van continuïteit. Misschien kwamen sommige puristen in de verleiding te zeggen dat het beter ware geweest bij de tabernakel te blijven: uiteindelijk was dit toch wat God bevolen had op de berg Sinaï. Daarom blikt Salomo terug op de voorafgaande stappen in het verhaal tot hiertoe: Gods beloften aan David, Gods keuze voor Jeruzalem en voor deze tempellocatie, Gods verkiezing van Salomo boven David om in te staan voor de eigenlijke bouw, enzovoort.

Zo is de tempel helemaal geen bedenkelijke innovatie, maar de volgende stap in de heilsgeschiedenis en de vervulling van Gods beloften (6:10-11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 december 2012

'Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft' (1 Joh. 3)



2 Kronieken 3-4, 1 Johannes 3, Nahum 2, Lukas 18
‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook)’ (1 Joh. 3:1). Elk van ons behoorde ooit tot de wereld; om de taal van Paulus te gebruiken, allemaal waren we ‘van nature, (…) kinderen des toorns’ (Ef. 2:3). De liefde van de Vader die de transformatie bewerkt heeft is rijkelijk, precies omdat ze onverdiend is. Bovendien:

(1) ‘En wij zijn het ook!’. Deze sterke uitroep kwam waarschijnlijk in eerste instantie voort uit het feit dat degenen die de kerk verlaten hadden (2:19) meesters waren in het manipuleren van de gelovigen. Ze beweerden dat alleen zij een binnenweg kenden tot God, dat alleen zij werkelijk de ware kennis (gnosis) verstonden, dat alleen zij de ware zalving genoten. Als gevolg daarvan werden de gelovigen onderuit gehaald. Johannes benadrukt dat zijn lezers de ware zalving ontvangen hebben (2:27), dat hun goede wandel aantoont dat zij uit God geboren zijn (2:29), dat ze rijkelijk overgoten zijn met de liefde van God en dus kinderen van God geworden zijn – ‘En wij zijn het ook!’.

Hetzelfde punt moet gemaakt worden in het belang van gelovigen in elke generatie die zich bedreigd voelen door de buitensporige maar misleidende beweringen van de ‘over-geestelijke’ massa die hun bedenkelijke manipulatie beoefenen door een soort geestelijk haantjesgedrag. ‘Wij zijn de kinderen van God’, bevestigen christenen rustig – en dat is genoeg. Indien anderen dit feit niet erkennen, kan dit alleen maar betekenen dat zij zelf God niet kennen (3:1b).

(2) Hoewel we nu al de kinderen van God zijn, moeten we stellen ‘het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen’ (3:2). Aan de ene kant mogen we alles wat we al ontvingen niet minachten of minimaliseren: wij zijn nu kinderen van God. Aan de andere kant zien we uit naar de voleinding en onze eigen ultieme verandering (3:2).

(3) In feite kun je stellen dat elk kind van God dat leeft met dit vooruitzicht, ‘een ieder, die deze hoop op Hem heeft [in het Engels staat er ‘in him’, of dus ‘in hem’; wat dus wellicht (met hoofdletter) betekent ‘in Christus’ of ‘in God’, wat het voorwerp van de hoop specifieert, eerder dan ‘in hem’ (met kleine letter), wat dan louter slaat op degene die de hoop koestert – Merk op: zowel NBG als NBV en HSV gaan voor de eerste optie] zich reinigt, ‘gelijk Hij rein is’ (3:3).

De christen kijkt naar wat hij of zij zal worden in de voleinding en is meteen geïnteresseerd zo te worden. Wij ontvangen de liefde van de Vader; we weten dat we op een dag rein zullen zijn; dus streven we al om nu rein te worden. Dit is perfect conform de manier waarop hoofdstuk 2 eindigt: ‘Als u weet dat Hij rechtvaardig is, dan weet u dat ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is’ (2:29, HSV).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 december 2012

'Hebt de wereld niet lief' versus 'God had de wereld lief' (1 Joh. 2)


2 Kronieken 2, 1 Johannes 2, Nahum 1, Lukas 17
Je kunt je afvragen waarom God zou moeten geprezen worden omdat Hij de wereld heeft lief gehad (Joh. 3:16), wanneer het christenen net verboden wordt die lief te hebben (1 Joh. 2:15-17).

De wereld, zoals gewoonlijk het geval is in Johannes en 1 Johannes, is de morele orde in rebellie tegen God. Wanneer ons verteld wordt dat God de wereld liefheeft, moet zijn liefde bewonderd worden omdat de wereld zo slecht is. Gods liefde is de oorsprong van zijn verlossingswerk. Terwijl zijn heiligheid leidt tot zijn toorn (Joh. 3:36), bewerkstelligt zijn karakter als liefde (1 Joh. 4:8, 16) zijn reddingsmissie.

Wat God verbiedt in 1 Johannes 2:15-17 is echter iets heel anders. God heeft de wereld lief met de heilige liefde van de redding; Hij verbiedt ons de wereld lief te hebben met de verwerpelijke liefde van participatie. God heeft de wereld lief met de zelfopofferende liefde die de Zoon zijn leven kost; wij mogen de wereld niet liefhebben met de zelfzuchtige liefde die wil proeven van al de zonden van de wereld.

God heeft de wereld lief met de reddende kracht die personen zodanig kan veranderen dat ze niet langer tot de wereld behoren; ons wordt verboden de wereld lief te hebben met de morele zwakheid die het aantal wereldse mensen wil vermeerderen door er zelf volledig aan deel te nemen.

Gods liefde voor de wereld moet bewonderd worden voor zijn unieke combinatie van zuiverheid en zelfopoffering; de onze wekt afgrijzen en weerzin voor zijn onzuiverheid en hebberige boosheid.

De wereld die Johannes in deze verzen beschouwt is niet mooi. Hij wordt gekenmerkt door alle begeerten van onze zondige natuur (‘de begeerte van het vlees’, 2:16), alle dingen die ons van buiten uit aanvallen en ons weglokken van de levende God (‘de begeerte van de ogen’, 2:16), alle hoogmoed van bezit, dominantie en controle (‘de hoogmoed van het leven’, 2:16, HSV; ‘pronkzucht’, NBV). Niets daarvan is afkomstig van de Vader, wel van de wereld.

Maar christenen maken hun afwegingen in het licht van de eeuwigheid. ‘En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17). Hij is te betreuren wiens zelfbeeld en hoop op vergankelijke dingen rusten.

Tien miljoen jaren verder in de eeuwigheid zal het een beetje gek lijken jezelf te beroemen op de auto waarmee je nu rijdt, de som geld die je bezit of de opleiding die je kreeg, het aantal boeken dat je bezit, het aantal keren dat je naam vermeld werd in de krantenkoppen.

Of je nu al dan niet een Academy Award gewonnen hebt, zal dan minder belangrijk blijken dan de vraag of je wel of niet oprecht geweest bent tegenover je echtgenote. Of je nu een basketbalvedette was of niet, zal van minder betekenis zijn dan hoeveel je van je rijkdom vrijgevig weggeschonken hebt. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 december 2012

'Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u' (1 Joh. 1)



2 Kronieken 1, 1 Johannes 1, Micha 7, Lukas 16
De openingsparagraaf van 1 Johannes 1 bevat vele schatten. Ik wil focussen op vers 3, met een zijdelingse blik naar vers 4.

Terwijl we aannemen dat de apostel Johannes de auteur is, is de ‘wij’ die hier instaat voor de verkondiging, hoogstwaarschijnlijk een editoriale ‘wij’, of een wij die zelfbewust spreekt vanuit de kring van apostolische getuigen. In dit verband moet die dus onderscheiden worden van de ‘wij’ van alle christenen; het verschilt in het bijzonder van de ‘u’ die de lezers omvat: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

De twee voorafgaande verzen specifiëren wat Johannes en de andere getuigen gezien en gehoord hebben. Het is niets minder dan de incarnatie: ‘Hetgeen was van den beginne’ (1:1), van den beginne een met God, was niets anders dan wat in de echte geschiedenis gebeurde en bij herhaling gehoord, gezien en aangeraakt werd.

Het eeuwige Woord werd mens (1:14 in het evangelie van Johannes); hier is het ‘Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is’ (1:2, NBV). Zo herhaalt Johannes: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

Er is geen christendom zonder de incarnatie. Bovendien is de incarnatie niet een soort vage notie van het goddelijke dat zich identificeert met het menselijke. Het is onverminderd concreet: het Woord dat bij God was en dat God was werd vlees (zoals Johannes elders schrijft, 1:1, 14 in het evangelie van Johannes).

Dat is fundamenteel in de tijd van Johannes, wanneer hij hen bestrijdt die veronderstellen dat hetgeen werkelijk geestelijk is wel menselijk vlees kan ààndoen, maar niet een mens kan wórden; het is fundamenteel vandaag wanneer we een filosofische naturalist bestrijden die beweert dat de enige realiteit bestaat uit hetgeen het geheel van ruimte en tijd beslaat.

Johannes vertelt zijn lezers dat hij hen deze waarheid verkondigt, ‘opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’ (1:3). Gemeenschap in het Nieuwe Testament is meer dan warme wolligheden. Het is toegewijd partnerschap, waarin persoonlijke belangen ondergeschikt zijn aan de gezamenlijke missie.

De eerste getuigen traden toe tot de gemeenschap ‘met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’. De lezers van Johannes kunnen toetreden tot deze gemeenschap door de gemeenschap met de apostelen binnen te treden. Dat is waarom Johannes verkondigt wat hij heeft gezien en gehoord. De apostelen geven het evangelie aan anderen door. Wij kunnen niet intreden in de gemeenschap met God en met zijn Zoon Jezus Christus, zonder in gemeenschap te komen met de apostelen die de eerste getuigen waren van de incarnatie

Niets van dit alles bewerkt bedompte religie. Johannes schrijft om ‘onze’ of ‘uw’ blijdschap volkomen te maken (1:4): welk van beide nu de originele versie is, ze vertelt op dit punt de waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 december 2012

'Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand' (1 Kron. 29)



1 Kronieken 29, 2 Petrus 3, Micha 6, Lukas 15
Het verslag van de dood van David door de kroniekschrijver wordt voorafgegaan door het verhaal van de rijkelijke giften die de bouw van de tempel moeten financieren na Davids overlijden en door het gebed dat David in dit verband uitsprak (1 Kron. 29). Niet zozeer de grootte van de som geld die David en anderen schonken is zo treffend, maar de theologie van Davids gebed. De hoogtepunten omvatten onder andere het volgende:

(1) In de openingslofzang (29:10-13) erkent David dat alles van God is (29:11). Als wij mensen iets ‘bezitten’, dan moeten we eerlijk bekennen ‘rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles’ (29:12). Vandaar dat David in het midden van zijn gebed zegt ‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’ (29:14); en opnieuw, met betrekking tot alle rijkdom die bijeengebracht werd, die ‘komt uit uw hand; U behoort het alles’ (29:16).

Een dergelijk standpunt vernietigt elke notie van wij die in absolute termen iets zouden ‘geven’ aan God. Het wordt een lust om aan God te geven, niet alleen omdat we Hem liefhebben, maar omdat we met vreugde erkennen dat alles wat wij ‘bezitten’ sowieso van Hem is.

(2) Het hoeft dan ook weinig te verwonderen dat het gebed begint met uitbundige uitingen van lof (29:10).

(3) David erkent dat alle menselijke bestaan vergankelijk is. God zelf verdient geprezen te worden ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (29:10), maar wat ons betreft, ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (29:15).

Dit is een bijzonder gedeelte. De Israëlieten bevinden zich in het Beloofde Land, in ‘rust’; maar, zoals in Psalm 95 en Hebreeën 3:6-4:11 en 11:13 kan dit niet de finale rust zijn, want ze zijn nog steeds ‘vreemdelingen en bijwoners’. David is koning, het hoofd van een machtige en blijvende dynastie.

Individueel echter moeten zowel de monarch als de boer op gelijke wijze erkennen dat hun dagen op aarde ‘als een schaduw zijn’ (29:15). Hier zie je een man van geloof die weet dat hij gegrond moet zijn in Hem die de eeuwigheid bewoont, of anders staat hij nergens.

(4) David legt geweldige nadruk op integriteit: ‘Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid (…) nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht’ (29:17). Het succes van deze fondsenwerving wordt niet gemeten in monetaire waarde, maar in de integriteit waarmee de rijkdom werd gegeven.

(5) In de slotanalyse erkent David ronduit dat aanhoudende toewijding en levensintegriteit onmogelijk zijn zonder het ingrijpen van Gods genade (29:18). Op die manier verdwijnt elke kans op persoonlijke hoogmoed die gebaseerd is op het geldbedrag dat geschonken wordt, en verandert ze in een dankbaar erkennen van Gods genadige soevereiniteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.