donderdag 27 december 2012

'Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon' (Opb. 18)



2 Kronieken 32, Openbaring 18, Zacharia 14, Johannes 17
Wanneer Openbaring 17 de gruwelen van ‘Babylon’ aan de kaak stelt, dan kondigt Openbaring 18 haar naderende val aan. Veel van de taal is afkomstig uit gedeeltes van het Oude Testament die de val aankondigen van het historische Babylon of bepaalde andere heidense steden die gekenmerkt worden door corruptie, geweld en afgoderij.

Lees het hoofdstuk opnieuw, traag en overwegend. Het is goed in herinnering te houden dat hoewel Rome in de daaropvolgende driehonderd jaren te maken kreeg met diverse belangrijke omwentelingen, de stad toch pas in de tijd van Augustinus ernstig geplunderd werd door de barbaren van het noorden. Zo werd veel uit de beschrijving uit dit hoofdstuk nogal gewelddadig en letterlijk vervuld.

Maar rond die tijd was het christendom zelf de staatsgodsdienst geworden, en veel christenen vonden daarom de val van de stad moeilijk te aanvaarden, laat staan dat ze die konden verklaren.

Het was Augustinus die een boek schreef waarin hij de val van Rome in een theologisch kader zette dat de christenen hielp de zin van dit alles te vatten. Zijn werk ‘De stad van God’ herkent twee steden, de stad van God en de stad van de mens. (Zie de overdenking van 9 januari).

Voor hem worden deze categorieën de bepalende typologie, niet alleen voor zijn beknopte overzicht van de bijbelse geschiedenis, maar ook voor zijn analyse van goed en kwaad binnen de geschiedenis. Het werk is meesterlijk en verdient zelfs vandaag met aandacht te worden gelezen.

Bovenal waarschuwt Augustinus tegen een te nauwe verwevenheid van de kerk en van het evangelie met de steden en koninkrijken van deze wereld, steden die allemaal tijdelijk en eindig zijn en tot vernietiging opgeschreven zijn, hopeloos gecompromitteerd als ze zijn.

Christenen zouden zich integendeel moeten identificeren met het nieuwe Jeruzalem, de stad van de grote Koning, het Jeruzalem dat boven is, waarvan God bouwmeester en schepper is. Deze zaken goed vatten is nooit makkelijk of eenvoudig. ‘Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (18:4).

In de context van het boek Openbaring is dit een dwingende vermaning om met geen van ‘Babylons’ vergankelijke rijkdommen en verdorven waarden te conformeren. Je moet ‘uitgaan’ en de vervloekte stad ‘verlaten’ die onder het oordeel ligt van de almachtige God.

Maar deze woorden werden al gebruikt om onrechtstreekse derdegraads afscheiding te rechtvaardigen, alsof dit is wat de Apocalyps ons leert. Waar sommigen zodanig genieten van Babylon dat ze uiteindelijk met haar ten val komen, verwachten anderen hun eigen centra te kunnen bouwen die volledig afgescheiden zijn van Babylons knagende invloed, zonder dat ze doorhebben dat het volk van God tot de terugkeer van Jezus voortdurend in verschillende richtingen moet getrokken worden door de stad van God en door de stad van de rebellerende beelddragers van God.

Onze ultieme hoop ligt in God zelf, die niet alleen het nieuwe Jeruzalem introduceert (Opb. 21-22), maar die in zijn eigen soevereine oordeel ook deze ‘moeder van de hoeren’ ten val brengt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten