vrijdag 30 november 2012

'Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden' (1 Kron. 28)



1 Kronieken 28, 2 Petrus 2, Micha 5, Lukas 14
We merkten al eerder op dat 1 en 2 Kronieken verschillen van de boeken van Samuël en Koningen (hoewel de Kronieken in grote lijnen dezelfde periode uit de geschiedenis coveren als Samuël en Koningen) in het feit dat ze veel meer nadruk leggen op het zuidelijke koninkrijk van Juda, nadat de monarchie uiteenvalt. Zelfs op dat ogenblik echter, tijdens de periode van het verenigde koninkrijk, gaan 1 en 2 Kronieken in veel ruimere mate in op alles wat te maken heeft met de tempel.

In dit kader onthult 1 Kronieken 28 wat meer details, niet alleen rond de machtsoverdracht van David naar Salomo, maar ook rond het ontstaan van de plannen voor de tempel. Wat het eerste punt betreft, draagt David het volk op om Salomo goed te dienen; hij draagt Salomo op de Here God te dienen met zijn hele hart: ‘want de HERE doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen. Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; doch indien gij Hem verlaat, zal Hij u voor eeuwig verwerpen’ (28:9b). David gelast Salomo met de bouw van de tempel waarvoor hij, David, al zoveel voorzieningen getroffen heeft (29:10, 20-21).

Er wordt niets geschreven over de poging van Davids zoon Adonia om zich meester te maken van de troon vooraleer Salomo gekroond kon worden, of over Batseba’s strategische bescherming van haar zoon Salomo (1 Kon. 1); er wordt niets vermeld over de waaier aan andere taken die David aan Salomo gaf (1 Kon. 2). Al de aandacht ligt hier op de machtsoverdracht daar waar die invloed heeft op de bouw van de tempel.

Er is een nieuw element van het grootste belang. Er wordt ons verteld dat David Salomo ook het ontwerp gaf ‘van alles wat hij in zijn geest had bedacht: voor de voorhoven van het huis des HEREN, voor alle vertrekken in het rond, voor de schatkamers van het huis Gods en voor die van de geheiligde voorwerpen’ (28:12) – net als voor de indeling van de priesters en Levieten, het gewicht aan goud of zilver dat voor het diverse gerei moest gebruikt worden, enzovoort (28:13-17).

Bovenal gaf hij hem ook het plan voor ‘de wagen, de cherubs, die met uitgespreide vleugels de ark van het verbond des HEREN moesten bedekken’ (28:18) in het heilige der heiligen. ‘Alles staat’, aldus David, ‘in een geschrift, ontvangen uit de hand des HEREN, waarin Hij mij onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp’ (28:19).

Hier is de tegenhanger voor de voortdurende nadruk in Exodus op het feit dat Mozes en zijn tijdgenoten de tabernakel bouwden in precieze overeenstemming met het plan dat Mozes getoond werd op de berg. Dit wordt dan ook weer vermeld in Hebreeën 8:5: het toont aan dat de tabernakel maar een afbeelding was van een groter origineel (zie de overdenking van 14 maart). Impliciet wordt dezelfde zorg besteed aan de bouw van de tempel, met David en niet Mozes die nu fungeert als de middelaar.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 29 november 2012

Zijn goddelijke macht schonk ons alles wat nodig is voor een vroom leven (2 Petr. 1)



1 Kronieken 26-27, 2 Petrus 1, Micha 4, Lukas 13
2 Petrus 1:5-9 toont een opmerkelijke opeenvolging van stappen. Petrus weet dat zijn lezers gelovigen zijn. Nu vermaant hij hen om iets aan hun geloof toe te voegen.

(1) Voeg deugd bij het geloof (1:5): waarschijnlijk is het soort geloof dat Petrus niet wil zien het soort geloof dat Jakobus 2 verwerpt: geloof dat louter intellectueel is, louter bevestigend, maar ontdaan is van transparant vertrouwen en gewillige gehoorzaamheid. Waarachtig geloof mondt uit in gehoorzaamheid – maar zoals gewoonlijk zijn gelovigen verantwoordelijk voor het volgen van die route en worden ze ontmoedigd door zuivere passiviteit. Voeg dus de deugd bij het geloof.

(2) Voeg kennis bij de deugd (1:5): Bepaalde kennis is noodzakelijk voor het geloof, maar Petrus is dat punt al voorbij. Elders wordt Timotheüs aangemoedigd te volharden in zijn ‘leer’ (1 Tim. 4:16); hier worden christenen op een gelijkaardige manier vermaand om kennis te voegen bij de deugd. Niets biedt zoveel vastheid en motivatie als een groeiend begrip van de gedachten van God.

(3) Voeg zelfbeheersing bij de kennis (1:6): louter kennis kan iemand gewoon opgeblazen maken (1 Kor. 8:1-3) en onvoldoende blijken om iemand te veranderen. Maar als zelfbeheersing overvloedig aanwezig is, dan is het potentieel tot het goede immens.

(4) Voeg volharding bij de zelfbeheersing (1:6): het is één ding om je te beheersen in een crisis, of voor een korte tijd, of wanneer dingen goed gaan. Er is echter volharding nodig op lange termijn om zelfbeheersing ten volle te laten schitteren.

(5) Voeg godsvrucht bij de volharding (1:6): anders kan volharding uiteindelijk verworden tot weinig meer dan een bijzondere inspanning van gewoon de menselijke wil. Godgerichtheid, een zuiver religieus element in elke deugd, verandert de zuiver stoïcijnse beslistheid in een transparante godsvrees.

(6) Voeg broederliefde bij de godsvrucht (1:7): iedereen haat de eigengerechtige mensen. Zelfbeheersing en volharding, zelfs godsvrucht, staan erom bekend dat ze strikte en onvergevende Farizeeërs voortbrengen. Voeg broederliefde toe.

(7) Voeg liefde bij de broederliefde (1:7): dat is nog beter. Want dan weerspiegelen we, hoe zwak of hortend en stotend ook, het karakter van de Meester zelf.

Let goed op wat aan het begin en het einde van deze zeven stappen vermeld staat.

Ten eerste draagt Petrus ons aan het begin op dat we ons ‘om deze reden’ ‘met alle inzet’ op het nastreven van die lijst zouden toeleggen (1:5).
‘Om deze reden’ wordt uiteengezet in de daaraan voorafgaande verzen (1:3-4). Gods heerlijkheid en goedheid hebben ons grote en kostbare beloften geschonken, zodat we daardoor kunnen deelhebben aan de goddelijke natuur en kunnen ontkomen aan het verderf van de wereld. Om deze reden moeten we alle ijver betonen om de zeven stappen na te streven.

Ten tweede, aan het eind, bevestigt Petrus ons dat deze kwaliteiten ons ervoor zullen behoeden dat we doelloos en onvruchtbaar zouden zijn in de kennis van onze Heer Jezus Christus (1:8-9).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 november 2012

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25, 1 Petrus 5, Micha 3, Lukas 12

Meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage biedt 1 Petrus 5:1-4 ons een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten. Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en zijn lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, omdat ze de groep niet mogen teleurstellen, of omdat ze niet de scholing kregen om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze weg te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk betaald wordt; ook is het geen beroepsgroep gekend voor zijn hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers antwoorden met ernstig materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier is er een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten uitgesloten worden). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag. Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 november 2012

Flexibiliteit en trouw zijn even onmisbaar (1 Kron. 23)


1 Kronieken 23, 1 Petrus 4, Micha 2, Lukas 11
In bepaalde opzichten veranderde de structuur van het leven van de Israëlieten, inclusief bepaalde facetten van het religieuze leven, toen het volk het Beloofde Land binnentrok en niet langer een nomadisch bestaan leidde. De eerste veranderingen waren voor de hand liggend. De Heer zette de dagelijkse voorziening van het manna stop: het volk moest voor zichzelf voedsel verzamelen en kweken. De verstedelijking ving aan. De sabbatswetten werden in toenemende mate zowel in handel en economie als in het landbouwleven toegepast.

Met de instelling van de monarchie en de aanstaande bouw van de tempel, drong heel wat meer organisatie en centralisatie zich op. Meer bepaald legt David zich niet alleen toe op het voorzien van allerlei middelen voor Salomo om de tempel te kunnen bouwen, maar ook op het leggen van de basis voor de nieuwe organisatiestructuren die noodzakelijk zullen zijn om het geheel te laten draaien. Dergelijke zaken staan centraal in 1 Kronieken 23-26.

Reeds in 1 Kronieken 23 denkt David zelf na over de veranderingen die op komst zijn. Een van de taken van de Levieten uit het verleden nam een aanvang tijdens de woestijnjaren, en bestond uit het oppakken en vervoeren van de tabernakel op de voorgeschreven manier, telkens de Heer aangaf dat het tijd was om in beweging te komen. David denkt na over het feit dat de Heer nu zijn volk ‘rust’ gegeven heeft: ze zijn in het Beloofde Land.

Bovendien heeft Hij gekozen om ‘in Jeruzalem’ te ‘wonen tot in eeuwigheid’ (23:25), dus moeten bepaalde taken van de Levieten veranderen: ‘nu behoeven de Levieten de tabernakel en al zijn dienstgerei niet meer te dragen’ (23:26).

Ondertussen worden nieuwe taken ingevoerd: meer aandacht gaat naar tempelkoren en dus naar muziekscholen en –training. Zo worden de Levieten gereorganiseerd. Ze worden onderverdeeld in grote families, kleinere clans enzovoort. Er zal over gewaakt worden dat niet alle aandacht gaat naar de tempel en zijn behoeften.

De volgende hoofdstukken focussen inderdaad wel op het soort taken waarvan zij die de tempel dienen zich zullen moeten kwijten – niet alleen de directe priesterlijke taken en de duidelijke huishoudelijke taken die verbonden zijn met de tempel, maar de grootste verantwoordelijkheden van in stand houden, onderhoud, financiën en beheer.

Maar vanaf het begin moesten de priesters het volk uit de wet kunnen onderwijzen en dienen als ‘opzieners en rechters’. David stelt voor die laatste taken zesduizend Levieten aan (23:4).

Uit dit alles leiden we betekenisvolle lessen af. Maar de belangrijkste is een les in contextualisatie in de canon – dit wil zeggen, hoe je de oude ‘gegevens’ van openbaring moet zien en hoe je ze aan een nieuwe context kunt aanpassen zonder de gegevens op te offeren.

Toen de kerk zich naar nieuwe culturele contexten uitbreidde, moest telkens opnieuw met dergelijke vragen afgerekend worden. De ene groep zal zich vastklampen aan louter traditionalisme uit een andere cultuur; de andere groep begint los te laten wat de Schrift eigenlijk zegt. Wat we echt nodig hebben is trouw en flexibliteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 november 2012

'Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God' (1 Kron. 22)


1 Kronieken 22, 1 Petrus 3, Micha 1, Lukas 10
De overgang tussen het verslag van Davids volkstelling (1 Kron.21) en het verslag van Davids geweldige voorbereidingen voor de constructie van de tempel die zijn zoon Salomo zou bouwen (1 Kron. 22) beslaat één vers, het eerste vers van hoofdstuk 22, dat geen parallel krijgt in 2 Samuël: ‘Toen zeide David: Dit is het huis van de HERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël’ (1 Kron. 22:1).

Zo is de plaats waar de tempel werd gebouwd ook de plaats waar David een altaar bouwde voor de Heer, terwijl hij Hem aanriep met offerandes (21:25-27), en waar de verderfengel zijn zwaard weer in de schede stak.

Op die manier legde David aanzienlijke voorraden bouwmaterialen aan en bereidde hij het volk voor om zijn zoon Salomo te helpen bouwen aan de beloofde tempel. ‘Zet nu uw hart en uw ziel erop, de HERE, uw God, te zoeken. Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God, opdat men de ark van het verbond des HEREN en de heilige voorwerpen Gods naar het huis kan brengen, dat voor de naam des HEREN gebouwd wordt’ (22:19).
We kunnen een aantal lessen trekken uit deze situering van de tempel.

(1) De plaats die gekozen wordt voor de tempel is de plaats waar een offer werd gebracht en de toorn van God over de zonde werd afgewend. Natuurlijk dat het ontwerp van de tabernakel en tempel zelf bedoeld was om het volk eraan te herinneren dat er verzoening moest bewerkt worden over de zonde, dat je niet gewoon maar in de tegenwoordigheid van de heilige God kon flaneren, dat de offeranden die God zelf had voorgeschreven een keer per jaar moesten gebracht worden door de aangewezen hogepriester, eerst voor zijn eigen zonden en dan voor de zonden van het volk.

Maar de situering van de tempel op deze locatie versterkt de les nog. Aanbidding en godsdienst gaan niet in de eerste plaats over het aan God aanbieden van iets dat we lofprijs noemen, iets dat God liever niet wil missen. Aanbidding en godsdienst gaan in de eerste plaats over Godgerichtheid – en omdat we opstandig zijn, betekent dit dat aanbidding en religie in eerste instantie gaan over verzoend worden met deze God, onze Schepper en Verlosser, van wie we geheel bewust vervreemd zijn. Het hart van de tempel bestaat niet uit zijn koren, zijn reukwerk, zijn diensten. Het hart van de tempel gaat over het afwenden van de toorn van God, via de middelen waarin Hij zelf voorzag.

(2) De situering van de tempel is ook een mix van priesterlijke en Koninklijke gezagslijnen. Oorspronkelijk waren alleen de priesters en Levieten verantwoordelijk voor de tabernakel; de wolkkolom bepaalde wanneer ze in beweging zou komen. Maar hier is het de koning die de plaats bepaalt – zo wordt vooruitgegrepen naar de ambten van koning en priester die worden verenigd in één persoon: Jezus Christus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 25 november 2012

'Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen' (1 Kron. 21)



1 Kronieken 21, 1 Petrus 2, Jona 4, Lukas 9
2 Samuel 24, dat grotendeels parallel loopt met 1 Kronieken 21, zegt dat de toorn van de Heer ontbrandde tegen Israël en dat Hij David ertoe aanzette om het volk te tellen, een daad die strikt verboden was – en dan bracht die daad de toorn van God over het volk (24:1). Het gedeelte dat we nu voor ons hebben zegt dan weer ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen’ (1 Kron. 21:1).

De twee standpunten hoeven elkaar natuurlijk niet uit te sluiten, en hoeven zelfs niet bijzonder te botsen. In Gods universum is het onmogelijk om zelfs de meest afgelegen grenzen van Gods soevereiniteit te overschrijden. Of zijn voorzienige wil over de Duivel nu neergezet wordt als permissief (zoals in het geval van Job), of iets meer directief, God heeft steeds de touwtjes in handen.

Wat nu de morele dimensies van de kwestie betreft, is het belangrijk dat we ons herinneren dat zelfs binnen het raamwerk van 2 Samuel 24, God David niet arbitrair of onvoorspelbaar verleidt om kwaad te doen, om hem er dan eerder hatelijk voor af te ranselen. Wat God ook maar als strafmaatregel geeft, wordt neergezet als Gods antwoord op voorafgaande zonde: Gods toorn ontbrandt tegen Israël, wordt ons gezegd, zodat bepaalde dingen plaatsgrepen.

Vergelijk het met de tekenen van Gods toorn over het volk Israël die tijdens de kwijnende jaren van de regering van het Davidische koningshuis ook bestonden uit de meedogenloze zondigheid op de troon en onder de regerende elite, met natuurlijk als resultaat dat er meer zonde kwam in het land en dat Gods bedreiging van oordeel ook weer dichterbij kwam.

Niettemin is het gevoel van deze twee hoofdstukken, 2 Samuel 24 en 1 Kronieken 21, nogal verschillend. In beide gevallen wordt David verantwoordelijk gehouden om de Schriften van het verbond te volgen, ongeacht de verleiding of de complexiteit waarmee hij te maken krijgt. Maar de duidelijke vermelding van Satan in 1 Kronieken 21 onderstreept de dimensie van het kosmisch gevecht tussen goed en kwaad. Drie andere perspectieven worden ook benadrukt:

(1) Joab wordt altijd geportretteerd als een aanzienlijk militair leider, maar niet als een buitengewoon geestelijk of zelfs moreel mens. Hier staat hij op met godvrezend advies voor de koning, maar wordt naar hem niet geluisterd (21:3-4). Godvruchtige raad kan via tal van bronnen komen. Ongetwijfeld moet je naar allemaal luisteren – maar uiteindelijk moet elke raad beproefd worden aan de hand van het Woord van God.

(2) Bepaalde daden hebben immense gevolgen voor anderen. Dit was in het bijzonder waar onder het oude verbond, waarin koningen, profeten en priesters als vertegenwoordigers optraden voor het volk. Hoewel het nieuwe verbond anders is ingericht, blijft het nog altijd waar, bijvoorbeeld, dat de zonden van de vaders bezocht worden aan de kinderen tot in het derde of vierde geslacht.

(3) God is barmhartiger dan mensen. Het is beter in zijn handen te vallen, op rechtstreekse wijze en dus zonder menselijke tussenpersonen, dan in welke andere handen ook.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 24 november 2012

'De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld' (1 Petr. 1)



1 Kronieken 19-20, 1 Petrus 1, Jona 3, Lukas 8
Een van de grote pretenties van het menselijk bestaan is dat onze sterfelijke levens eeuwig duren. Hoewel jonge mensen theoretisch wel weten dat er een einde komt een elk menselijk leven, handelen ze alsof de dood hen nooit zal treffen. Decennia later weten ze wel beter, maar zelfs dan handelen de meesten alsof hun families beslist zullen voortbestaan, of alsof minstens hun cultuur of land toch zullen overleven.

De meest vooruitzienden weten dat het niet zo is. Mensen sterven, familiebanden doen dat ook. Misschien met uitzondering van wie heel erg bezig zijn met genealogische archeologie, weten we niet veel over onze families als ze meer dan drie of vier generaties in het verleden liggen – en ook wijzelf zullen niet herinnerd worden enkele generaties verder.

Machtige koninkrijken vallen. Ze worden verdeeld, verzinken tot een vazallenstatus als derde- of vierderangsmachten, of gaan op in de vergetelheid.

We mogen dan een onsterfelijke bestemming hebben, toch is niets dat strikt verbonden is met dit leven veilig, niets is onveranderlijk, niets blijft duren. ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af’ (1 Petr. 1:24).

Maar er volgt nog een zin in dit citaat uit Jesaja 40:6-8: ‘maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid’ (1 Petr. 1:25). Hieruit volgt dan dat menselijke wezens die hongeren naar het transcendente niets beters kunnen doen dan zichzelf op één lijn brengen met Gods onveranderlijke en blijvende woord. En er staan diverse aanwijzingen in dit hoofdstuk met betrekking tot wat dit betekent in termen van de praktijk.

(1) ‘Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is’ (1:25): precies het evangelie dat verklaard werd voor Petrus’ lezers is het woord van de Heer dat voor altijd blijft. Gehecht zijn aan het Evangelie is gehecht zijn aan wat voor eeuwig blijft. Hetzelfde kan niet gezegd worden van gehecht zijn aan een politiek systeem of een economische theorie of professionele vooruitgang.

(2) Christenen zijn meer concreet ‘wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1:23). Dit wat ons veranderd heeft en nieuw leven schonk van God zelf, was niet fysieke bevruchting, maar geestelijke wedergeboorte, tot stand gebracht door het blijvende woord van God.

(3) Het woord dat voor Jezus’ komst werd doorgegeven door profeten, blikte vooruit naar de openbaring die exclusief in Hem kwam (1:10-12). Dit betekent dat het allemaal één was: dit was altijd het plan, wat ook die Oudtestamentische profeten er nu wel of niet van begrepen hadden.

(4) De ‘wedergeboorte’ (1:3) die we mochten ervaren door de werking van het blijvende woord van God, opent voor ons ‘een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof’ (1:4-5).


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 23 november 2012

'Oefent ook gij geduld … want de komst des Heren is nabij' (Jak. 5)


1 Kronieken 18, Jakobus 5, Jona 2, Lukas 7
Het is één ding om op de komst van de Heer te wachten, het is iets anders om op een goede manier te wachten. We kunnen eerlijk en rustig wachten op de komst des Heren, terwijl we niet alleen erkennen dat de Tweede Komst een noodzakelijk onderdeel is van onze geloofsbelijdenis, maar zelfs tot op zekere hoogte uitzien naar de Parousia (de glorieuze verschijning, JL) en hopen dat die tijdens ons leven zal plaatsvinden – om dan te ontdekken, als we er langer over nadenken, dat de manier waarop we leven slechts weinig verandert onder dit perspectief.

In feite kan dit wachten op de wederkomst van de Heer niets meer zijn dan een stokpaardje in onze lectuur of in ons onderwijs, een netjes afgewerkte kaart van de toekomst die ons onderscheidt van andere gelovigen, eerder dan een vast punt in ons wereldbeeld dat resoluut ingrijpt op ons gedrag.

Natuurlijk is er een element in het wachten op de wederkomst van de Heer dat gewoon maar dat is – wachten. Zoals ‘de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands’ (Jakobus 5:7), zo moeten ook wij ‘geduld hebben’ en ‘ons hart sterken’ (5:8).

Maar zoals alle vergelijkingen is ook deze niet volmaakt (dat is ook de bedoeling niet), en Jakobus laat ze ook snel achter zich. Uiteindelijk wacht de landman geduldig omdat hij min of meer weet wanneer de oogst er komt; wij weten niet wanneer Jezus’ wederkomst zal plaatsvinden.

Er zijn nog andere verschillen. De landman wacht op vruchten; wij wachten op de Rechter die ‘voor de deur staat’ (5:9). Dit betekent dat hetgeen waar we op wachten een onmiddellijke weerslag heeft op hoe we leven: ‘zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt’ (5:9) van precies die Rechter.

Bovendien wordt het wachten van de landbouwers op de oogst, hoewel ze misschien wel hard moeten werken terwijl ze wachten, in normale omstandigheden toch niet gekenmerkt door lijden en vervolging. Christenen die wachten op het Einde krijgen met beide ervan te maken, zo benadrukt Jakobus – en met dit in gedachten, zou je ons wachten beter kunnen vergelijken met het geduld van de profeten (5:10) dan met de kalmte van de landman.

Zij ‘spraken in de naam des Heren’ en werden er meer wel dan niet voor verguisd. Dit lijden kon hun trouwe verkondiging niet tegenhouden. Maar wij moeten de voorbeelden waar we naar zoeken niet beperken tot de profeten. Denk maar aan Job, een rechtvaardig man, die te maken kreeg met catastrofale tegenslagen en niettemin volhardde – en u ‘hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming’ (5:11).

Dit perspectief is belangrijk: uiteindelijk overwint niet alleen Gods gerechtigheid maar ook zijn barmhartigheid en ontferming. De focus op Jezus’ wederkomst en op het Einde vormt niet alleen ons huidige leven, maar zal ook volmaakte rechtvaardiging met zich brengen in de onbeperkte goedheid van de eindvervulling.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 22 november 2012

'Nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn' (1 Kron. 17)


1 Kronieken 17, Jakobus 4, Jona 1, Lukas 6
1 Kronieken 17 loopt aardig parallel met 2 Samuel 7. In beide passages drukt David zijn verlangen uit om een ‘huis’ te bouwen voor God. De profeet Nathan keurt het project aanvankelijk goed, maar houdt, nadat hij een specifieke openbaring van God ontvangt, David een heel ander plaatje voor. In plaats dat David God een ‘huis’ zou bouwen, zal God voor David een ‘huis’ bouwen – dit wil zeggen, een ‘huishouden’ (het origineel woord is tweeslachtig, het woordspel met de betekenis bewust). Het ‘huis’ of ‘huishouden’ dat God voor David zal bouwen is niets anders dan het Davidisch koningshuis.

De lijn van David zal nooit het lot ondergaan van Saul en zijn lijn. Wanneer de lijn van David zondigt, zullen Gods oordelen tijdelijk zijn (17:12-14); de lijn zal niet uitgeroeid worden. David beantwoordt met een bewogen gebed (17:16-27) dat overloopt van dankbaarheid. Het gebed is heerlijk Godgericht; David is zich ten volle bewust dat als zijn lijn zo anders wordt behandeld dan die van Saul, het uiteindelijke verschil genade is.

Zo zijn de slotwoorden van het gebed ronduit treffend en onthullend: ‘Nu dan, HERE, Gij zijt God en Gij hebt dit goede aangaande uw knecht gesproken; nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’ (17:26-27).

Je mag echter niet vergeten dat deze woorden moeten gelezen worden als onderdeel van een tweedelig werk – 1 en 2 Kronieken – waarvan de verhaallijn eindigt met niets minder dan een ramp voor de Davidische lijn – los van de twee laatste verzen van 2 Kronieken, die een sprankel hoop bieden.

Vandaag plaatsen we ze automatisch binnen het grotere raamwerk van de verhaallijn van de Bijbel, en zien we waar ze passen in het patroon dat leidt tot Jezus, de ultieme Davidische koning. Maar de eerste lezers genoten dit perspectief niet; de onbekende samensteller die de hofverslaggeving verzorgde en andere bronnen, die ongeveer 500 jaar geschiedenis dekken, en dit in de vorm goten van onze ‘1 en 2 Kronieken’, genoten niet hetzelfde perspectief als wij.

Zuiver cynisme of de brutaliteit van hun ervaring onder de ballingschap hadden kunnen maken dat ze de woorden die we hier in 1 Kronieken 17:27 vinden hadden afgezwakt: ‘nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’.

In plaats daarvan vormen de woorden voor hen een stabiliserende belofte wanneer al hun recente ervaringen ze leken tegen te spreken. Kortom, ze tonen ons wat het betekent te wandelen door geloof in de beloften van God, en niet door het aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 21 november 2012

De tong: een klein vuur dat een grote hoop hout aansteekt (Jak. 3)



1 Kronieken 16, Jakobus 3, Obadja, Lukas 5

Waarschijnlijk is Jakobus 3 een van de bekendste passages uit alle literatuur met betrekking tot de tong.

(1) De boodschap van 3:3-6 is dat, hoewel de tong een heel klein lichaamsdeel is, zij in veel opzichten de rest van ons menselijk lichaam controleert of – in het slechtste geval – in brand steekt. Elk van de gelijkenissen die Jakobus maakt, werpt een nieuw licht op het onderwerp. Een bit is zeer klein vergeleken met de rest van het paard, toch stuurt het het paard aan. Iets gelijkaardigs kan gezegd worden over het roer met betrekking tot het schip, alleen maakt het nu deel uit van het schip in plaats van er los van te staan. Een vonk is heel klein vergeleken met de brand die hij veroorzaakt – maar in dit geval ligt de focus niet alleen op de relatieve grootte maar op de vreselijke schade die de tong kan aanrichten.

(2) Het volgende gedeelte (3:7-8) wijzigt de laatste van deze drie vergelijkingen, en onderscheidt zich doelbewust van de eerste. De idee van een bit in de mond van het paard kan misschien in je gedachten de verwachting oproepen van controle en discipline. De realiteit, zo benadrukt Jakobus, ligt dichter bij de brand. We slagen erin ‘alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren’ te bedwingen (3:7), maar niemand kan de tong temmen. ‘Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn’ (3:8).

(3) Het is vooral de wilde onberekenbaarheid van de tong die zo weerzinwekkend is. De vergelijkingen die Jakobus maakt suggereren dat, als we met die ene tong God loven en Gods beelddragers vervloeken, de lof die we God brengen onmogelijk meer kan zijn dan religieus gewauwel. Eén stroom kan niet zowel zoet als bitter water voortbrengen.

(4) Dit is allemaal met het gevaar misbegrepen te worden. De focus op de tong is qua retoriek krachtig, natuurlijk, maar we weten allemaal dat de tong niet los staat van de persoon. Misschien is dit een van de redenen waarom Jakobus verder gaat met het contrasteren van twee soorten wijsheid (3:13-18). Het gaat om wie we zijn als persoon.

Als we in onze harten ‘bittere naijver en zelfzucht’ hebben (3:14), dan zal dit doorklinken in ons spreken. We sturen onze eigen tong – en wat we nodig hebben is ‘de wijsheid van boven’ (3:17), zo beeldend beschreven in de laatste twee verzen van het hoofdstuk.

(5) Tegelijk kunnen de twee openingsverzen van het hoofdstuk niet losgemaakt worden van wat Jakobus zegt over de tong. Deze twee verzen zijn beangstigend voor iedere bedachtzame leraar van de Schrift: ‘U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat’ (3:1, NBV). Dit is onderdeel van een Bijbels axioma: verantwoordelijkheid wordt gezien als een onderdeel van kennis. Maar leraars weten dat hun prestatie verbonden is met wat ze zeggen (3:2). We zijn teruggekeerd tot de tong – of, met slechts de kleinste uitbreiding, tot de gedrukte bladzijden en de cd-rom.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 20 november 2012

God bracht ons een zware slag toe omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd (1 Kron. 15)



1 Kronieken 15, Jakobus 2, Amos 9, Lukas 4
In 1 Kronieken 15 vinden we elementen uit Davids gedachtegang die we niet vinden in het parallelle gedeelte in 2 Samuel 6.

Nadat hij Jeruzalem had veroverd besliste David uiteindelijk om de ark van het verbond naar de nieuwe hoofdstad te halen. Onderweg strekte Uzza zijn hand uit om de ark tegen te houden, toen de wagen waarop die vervoerd werd zich een weg schokte over de hobbelige wegen – en meteen werd hij gedood. David was zowel boos op God als bevreesd voor Hem (1 Kron. 13:11-12), en hij liet zijn plan varen.

De ark werd ondergebracht in het huis van Obed-Edom de Gethiet. Gedurende het drie maanden durende verblijf van de ark daar, werd het gezin van Obed-Edom zodanig overvloedig gezegend dat het iedereen opviel. Dus ondernam David na verloop van tijd een nieuwe poging om de ark naar Jeruzalem over te brengen.

Zoveel kon je afleiden uit zowel 2 Samuel als uit 1 Kronieken. Wat 1 Kronieken 15:1-24 toevoegt is iets van Davids redenering en schikkingen. Ik zal me toeleggen op één punt.
Blijkbaar ontnuchterd na het schokkende verlies van Uzza, keert David terug naar de Schriften.

Het is waar, Uzza had de ark nooit mogen aanraken. Maar hadden David en zijn volk enig ander wetsvoorschrift overtreden in de manier waarop ze hier handelden? Davids lectuur van de Bijbel herinnert er hem aan dat het alleen de Levieten toegestaan was de ark te vervoeren, en hoe ze dit moesten doen. Dus draagt hij de Levieten op zich klaar te maken voor de taak, en legt hij zijn gedachtegang uit: ‘Want daar gij (de Levieten, JL) het de vorige keer niet gedaan hebt, heeft de HERE, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat wij Hem niet hadden geraadpleegd, zoals het behoorde’ (15:13).

David besluit met andere woorden dat Gods toorn in de zaak van Uzza’s onnadenkendheid de manifestatie was van Gods diepere ongenoegen. Het vervoeren van de ark mocht niet beschouwd worden als een kleinigheid. God verwachtte gehoorzaamheid, en het symbool van zijn tegenwoordigheid moest behandeld worden volgens de voorschriften van het verbond.

Dus is dit wat de Levieten doen: ‘De Levieten nu droegen de ark Gods, met draagbomen op hun schouders, gelijk Mozes naar het woord des HEREN geboden had’ (15:15).
Hier vinden we een belangrijke les. Aan de ene kant neemt God ongetwijfeld kinderlijke lofprijs en enthousiaste ijver aan. Maar Hij verwacht van hen die gezag voeren onder zijn volk dat ze weten wat zijn Woord zegt en dat ze dit gehoorzamen. Er is geen bepaalde mate van enthousiasme of ijver die opweegt tegen een dergelijk gebrek. IJver die in de verkeerde richting gaat bereikt nooit zijn doel. Ofwel moet die ijver bijgestuurd worden in de richting die wordt uiteengezet in Gods Woord, of ze is nog altijd verkeerd en gaat de slechte kant uit.

Er bestaat geen vervangmiddel voor geloof dat gestalte krijgt in weldoordachte gehoorzaamheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 19 november 2012

'Houdt het voor enkel vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt' (Jak. 1)


1 Kronieken 13-14, Jakobus 1, Amos 8, Lukas 3
Volgens Jakobus 1:2-4, 12, zijn er twee redenen waarom christenen zich zouden moeten verheugen wanneer ze te maken krijgen met allerlei verzoekingen. Andere redenen worden elders gegeven, maar deze twee zijn van een opmerkelijke diepgang.

Ten eerste moeten we ons verheugen omdat we weten dat wanneer ons geloof beproefd wordt, het resulteert in volharding (1:2-3). Zoals een atleet volhardt om uithouding op te bouwen, zo volhardt een christen onder moeiten om volharding op te bouwen. Volharding voegt iets belangrijks toe aan ons karakter.

Maar ‘die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet’ (1:4). Het alternatief is een persoonlijkheid die misschien de Heer wel liefheeft wanneer dingen goed gaan, een karakter dat onvervaard en blij is op heldere dagen in de lente, maar weinig afweet van standvastigheid onder spanning, van tevredenheid wanneer fysieke gemakken ontzegd worden, van stil vertrouwen in de levende God in het zicht van vervolging, van stabiliteit bij een stokkend tempo of een grote teleurstelling.

In een gevallen wereld voegt volharding met andere woorden volwassenheid en stabiliteit toe aan ons karakter – en beproevingen bouwen volharding op. Dus is Jakobus heel rechtuit: we moeten het ‘voor enkel vreugde’ houden, zegt hij, wanneer we te makken krijgen met allerlei verzoekingen.

Dit is niet een perverse vorm van christelijk masochisme, maar een volkomen gepaste reactie wanneer we de doelen van de christen in gedachten houden. Indien onze hoogste doelen bestaan uit het comfort van de schepping, dan is dit Schriftgedeelte niet te begrijpen; omvatten onze hoogste doelen echter ook groei in christelijk karakter, dan is de overweging van Jakobus juist uiterst zinvol.

Ten tweede is de christen die volhardt onder beproevingen gezegend ‘want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben’ (1:12). Volharding is met andere woorden een noodzakelijk bestanddeel van het pure christendom. Op de lange termijn houdt een christen vast: hij of zij volhardt. Er kunnen dan wel ups en downs zijn, hoogtepunten en dieptepunten, er kunnen bijzondere overwinningen zijn of tijdelijke nederlagen, maar precies omdat Hij die in ons een goed werk begonnen is, dit ook zal volmaken (Fp. 1:6), houden ware christenen vast (vgl. Hebr. 3:14).

Zij blijven degenen ‘die Hem liefhebben’. Christenen die te maken krijgen met een beproeving moeten dus niet alleen de bedreiging of het ongemak of de teleurstelling zien, maar ook de uitdaging waarvoor Gods genade ons toerust: verder te gaan - altijd verder te gaan – in het volle besef dat de uiteindelijke beloning, uitgedeeld door genade, bestaat uit ‘de kroon des levens’ – de kroon die het leven is, het leven in zijn volmaakte pracht, het leven van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de erfenis van alle christenen.

Dus is Jakobus opnieuw volkomen realistisch als hij opmerkt dat de persoon die volhardt onder verzoeking ‘gezegend’ (of ‘zalig’) is. Het is een eenvoudige afweging, mits we de doelen van een christen in gedachten houden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 18 november 2012

De God van de vrede moge u toerusten tot elk goed werk (Hebr. 13)


1 Kronieken 11-12, Hebreeën 13, Amos 7, Lukas 2
De zegenbede van Hebreeën 13:20-21 nodigt ons uit om er langer over na te denken.

Enkele opmerkingen:

(1) De teneur van het gebed is tweevoudig: ten eerste, dat God 'u' (de christen lezers) bevestige (HSV gebruikt het werkwoord ‘toerusten’) ‘in alle goed, om zijn wil te doen’; en ten tweede is het gebed dat ‘Hij aan ons doe, wat in zijn ogen welbehagelijk is’ (13:21, eigen cursief – merk op: HSV vermeldt in tegenstelling tot NBG en NBV niet de tegenstelling u/ons, maar gebruikt twee keer ‘u’, JL).

Er ligt met andere woorden een geweldige nadruk op het doen van Gods wil, op het leven op een wijze die Hem welgevallig is. Hoewel het gebed voor christenen is, ligt de volledige focus op God en op wat Hem behaagt. Het belangrijkste gebed voor christenen is dat ze Gods wil doen, dat God in hen zal bewerken wat Hem behaagt.

(2) De verandering in persoon van ‘u’ naar ‘ons’ betekent niet dat de eerste voorbede alleen voor de lezers is en de tweede alleen voor de auteur. De ‘ons’ is bijna zeker inclusief, d.w.z. dat die zowel op de auteur als zijn lezers slaat, en dus impliciet ook op christenen overal. De switch van ‘u’ naar ‘ons’ kan wel verklaard worden, althans gedeeltelijk, door de wens niet de indruk te wekken dat de auteur voor anderen bidt dat ze de wil van God zouden doen, zonder het zelfde te bidden voor hemzelf.

(3) Er wordt naar God verwezen als ‘de God van de vrede’ (13:20). De verwijzing is niet in de eerste plaats naar psychologische vrede. De fundamentele vrede waarvan sprake (zoals de hoofdstukken 9—10 vooropstellen) is vrede met God – de verzoening van schuldige rebellen met hun Schepper en Verlosser. De auteur bidt tot de God die zondaars verzoent dat Hij hen zou toerusten zodat ze op één lijn zouden komen met de wil van God.

(4) Van deze God staat geschreven dat Hij ‘onze Here Jezus (…) heeft teruggebracht uit de doden’ (13:20). Aan de ene kant is dit een nagenoeg aanhoudend Nieuwtestamentisch thema: God heeft Jezus uit de dood opgewekt. Maar deze passage vermeldt dat God dit deed ‘door het bloed van een eeuwig verbond’ (13:20). De verwijzing is naar Jezus’ bloed, naar Jezus’ dood, die het nieuwe verbond inluidt (zoals de hoofdstukken 8-10 duidelijk maken) – en dit nieuwe verbond is niet een bepaald tijdelijk instrument, maar is eeuwig in zijn bindende gezag.

Eerst lijkt het vreemd te denken dat God Jezus opwekt door Jezus’ bloed, door Jezus’ dood. Maar het punt is waarschijnlijk dat het eeuwige verbond, ingeluid door Jezus’ succesvolle dood, zijn volbrachte offer, zijn volmaakte verzoening, en uitgedrukt in zijn overwinningskreet ‘Het is volbracht!’, het verbondsfundament vormt dat aanduidt dat het goed is voor God om Jezus op te wekken en Hem te rechtvaardigen.

(5) Jezus zelf is ‘de grote Herder van de schapen’. Veel beelden komen bij je op. God zelf beloofde dat Hij zijn volk zou ‘weiden’ als herder; Hij zou zelfs de Davidische koning zenden om deze rol te vervullen (Ez. 34). Bovenal geeft de Goede Herder zijn leven voor de schapen (Joh. 10, zie de overdenking van 20 maart). Het is dan nauwelijks verwonderlijk dat het gebed wordt gebracht ‘door Jezus Christus, aan wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid’ (13:21).


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 17 november 2012

'U bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God' (Hebr. 12)



1 Kronieken 9-10, Hebreeën 12, Amos 6, Lukas 1:39-80
De inspanningen van de auteur van de brief aan de Hebreeën om zijn lezers het transcendente belang van Jezus en het nieuwe verbond te doen vatten, in vergelijking met het oude verbond dat God gaf bij Sinaï, brengen ons snel bij een nieuw en interessant contrast in Hebreeën 12:18-24.

Aan de ene kant zijn christenen ‘niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur (12:18) – de verwijzing gaat duidelijk naar de berg Sinaï wanneer God er neerdaalde en Mozes ontmoette. De angst van die theofanie wordt uiteengezet in zeer grafische bewoordingen. God zelf verklaarde ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’ (12:20). Zelfs Mozes gaf blijk van diepgaande vrees (Deut. 9:19; Hebr. 12:21). Christenen zijn niet genaderd tot die specifieke berg.

Aan de andere kant zijn christenen tot een andere berg genaderd. Maar hier zet de auteur ons even op het verkeerde been. Eerst klinkt het alsof hij wil zeggen dat de berg die we naderen niet Sinaï is, verbonden met de woestijn en de wetgeving, maar de berg Sion, de plaats waar de tempel werd gebouwd in Jeruzalem, de troon van het koningshuis van David. Maar dan wordt het plots duidelijk dat de tekst niet focust op het geografische en historische Sion, maar op zijn tegenbeeld: ‘de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (12:22).

Je kunt heel wat zeggen over deze typologie, maar ik zal me beperken tot twee opmerkingen.

Ten eerste strekt ze zich uit naar andere Bijbelboeken. De typologie zelf is gebaseerd op de terugkeer uit de ballingschap. De hoop van de bannelingen was dat ze naar Jeruzalem zouden terugkeren. Jeruzalem werd het symbool van alles wat hersteld kon worden. Al in de literatuur van het Judaïsme uit de tweede-tempelperiode spreken Joden soms over ‘het nieuwe Jeruzalem’ of iets vergelijkbaars dat hemels, volmaakt is. Zo ook in het Nieuwe Testament. Paulus kan spreken over ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26). Het laatste boek van de Bijbel ziet het Nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdalen (Opb. 21).

Ten tweede, als christenen tot dit ‘hemelse Jeruzalem genaderd’ zijn, wat betekent dit dan in feite? Het betekent dat we door christen te worden nu toegetreden zijn tot de gemeenschap van hen die ‘vergaderd’ zijn in de tegenwoordigheid van de levende God. Ons burgerschap is in de hemel; onze namen zijn ingeschreven in de hemel.

We sluiten aan bij de vreugdevolle bijeenkomst van tienduizendtallen van engelen rond de troon. Kortom, we zijn gekomen ‘tot God, de Rechter over allen’; we hebben ons aangesloten bij de ‘geesten van rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben’ (Heb. 12:23).

Bovenal zijn we gekomen ‘tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond’ (12:24). Hier is de ultieme visie van wat het betekent om de ‘feestelijke en plechtige vergadering (of: ‘gemeenschap’, NBV) van eerstgeborenen’ te zijn (Heb. 12:23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 16 november 2012

Vertrouw je God op zijn woord? (Hebr. 11)


1 Kronieken 7-8, Hebreeën 11, Amos 5, Lukas 1:1-38
Geloof heeft veel facetten. Sommige ervan duiken op in Hebreeën 11 – en ook wat geloof niet is.

(1) Niet een keer neemt ‘geloof’ de moderne betekenis aan van ‘religieuze voorkeur’ of ‘geloof zonder dat dit een basis vindt in feiten of waarheid’. Sciëntisme heeft onze wereld op dit vlak zodanig gebrainwasht dat we gemakkelijk over ‘geloof’ denken in deze zuiver subjectieve betekenis. Als je anderen vertelt wat je gelooft, dan vragen ze je niet naar wat je redenen zijn om te bepalen of je geloof al dan niet goed gefundeerd is. Er wordt automatisch aangenomen dat dergelijk geloof niet meer kan zijn dan religieuze voorkeur, waarvoor er per definitie geen nuttige criteria zijn.

(2) In dit hoofdstuk is geloof integendeel een bekwaamheid om waar te nemen wat objectief waar is. De auteur trekt de voorstelling niet in twijfel ‘dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is’ (11:3). Eerder betekent het voor hem dat we geen kant-en-klare manier hebben om het aan te tonen; we kunnen het waarheidsgehalte van zijn voorstelling alleen erkennen als de enige Persoon die erbij was ontsluiert wat er gebeurde – en wij Hem geloven.

Evenmin vind je bij de auteur enige twijfel over het feit of de christelijke vervulling, ‘alles waarop we hopen’ (11:1, NBV), eraan komt. Maar we kunnen het niet meten of inblikken of het bewijzen. We hebben heel goede redenen om de beloften te geloven met betrekking tot wat zal komen. Ons ‘geloof’ is zo een heerlijk, door God geschonken bekwaamheid die ons in staat stelt om zekerheid te hebben over de ‘dingen, die men hoopt’, en ‘bewijs der dingen, die men niet ziet’ (11:1).

(3) In bepaalde opzichten dan is dit geloof als het geloof van ‘de ouden’ (11:2). Want aan velen onder hen werden beloften gedaan over dingen die ze in hun leven niet zagen. Omdat ze de beloften van God geloofden en ernaar handelden, werden ze geroemd voor hun geloof. Zo handelde Abraham naar de belofte dat zijn nakomelingen overvloedig zouden toenemen en het land Kanaän zouden beërven. Hij maakte het in zijn leven niet mee, maar hij handelde ernaar.

De twaalf aartsvaders geloofden de belofte, Jozef zelfs zo sterk dat hij de Israëlieten instructies gaf om zijn lichaam mee te nemen wanneer ze uit Egypte trokken, hoewel dat vertrek nog eeuwen verder lag. Veel van deze beloften zijn al in vervulling gegaan; moeten wij - naar analogie hiermee - niet met vreugdevol geloof uitzien naar de vervulling van de beloften van God die nog openstaan?

(4) Dergelijk geloof krijgt niet alleen gestalte in hen die gauw gezien worden als overwinnaars (bijv. 11:32-35a) maar ook in hen die beschouwd worden als slachtoffers (11:35b-38). Of we nu behoren tot hen die geroepen zijn om koninkrijken te onderwerpen, gerechtigheid te oefenen, aan het scherpe zwaard te ontkomen of doden uit de opstanding terug te ontvangen, of anderzijds tot hen die gefolterd worden, hoon en geselslagen te verduren krijgen, of gevangenschap, armoede en een smadelijke dood, is helemaal van secundair belang. De vraag waar het om draait is of we God op zijn woord vertrouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 15 november 2012

5 keer 'Laten wij ...' (Hebr. 10)



1 Kronieken 5-6; Hebreeën 10, Amos 4, Psalmen 148-150
Hebreeën 10 brengt veel van de eerdere thema’s uit dit boek samen, terwijl het een aantal nieuwe naar voren schuift. Het hoofdstuk duidt ook een overgang aan: vanaf 10:19 verandert de balans tussen uitleg en vermaning. Nu is er meer van het laatste en minder van het eerste.

De samenvatting van het voorgaande onderricht wordt gevonden aan het begin van het hoofdstuk: ‘Want daar de wet [waarmee de auteur het volledige wetsverbond bedoelt, vooral zijn tabernakel, priesterlijke ordening en offeranden] slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken’ (10:1).

Integendeel, wij bezitten ‘volle vrijmoedigheid (…) om in te gaan in het heiligdom [niet het heilige der heiligen van de oude tabernakel of tempel, maar zelfs de tegenwoordigheid van de levende God] door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel’ (10:19-20). Dit is de aanzet voor een opeenvolging van vijf ‘laten wij’-uitspraken.

(1) Laten wij toetreden (10:22 in NBG; of ‘laten we God dan naderen’ in NBV). Omdat een offer voor ons is gebracht dat zodanig volmaakt en finaal is, laten we het dan gebruiken, en naderen tot deze heilige God ‘met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs’, precies omdat ons geweten is gereinigd.

(2) Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden (10:23). Wat Christus heeft verwezenlijkt op het kruis is de vervulling van de voorbeelden en voorzeggingen uit het Oude Testament, maar de climax van wat het inluidt is nog altijd toekomstig. Onze ultieme rechtvaardiging en verandering liggen nog voor ons. Maar deze hoop is zo zeker als de triomf van Christus effectief was, ‘want Hij, die beloofd heeft, is getrouw’ (10:23).

(3) En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken (10:24). We zijn niet op zoek naar de vervulling als geestelijke individualisten, als ‘lone rangers’; christenen leven nu in de gemeenschap van de kerk en zullen dan leven in de gemeenschap van de hemelse stad.

(4) Verwoord in negatieve zin, laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten (10:25). Gewoon omdat sommigen vervallen in patronen van zich terugtrekken of onttrekken, is dit nog geen reden voor ons om hetzelfde te doen, als we werkelijk de grootheid van de redding vatten waaraan we deel kregen en de heerlijkheid die nog geopenbaard moet worden.

(5) Met andere woorden, laten we elkaar aansporen – zelfs zoveel te meer ‘naarmate gij de Dag ziet naderen’ (10:25). Iedereen zal van tijd tot tijd vermoeid raken, of vervallen in onrust of zelfgerichtheid. Als alle gelovigen zich daartoe verbinden dat ze elkaar zullen bemoedigen in het evangelie en in alles wat het schenkt en belooft, dan zal er veel minder individueel falen zijn, waartegen de auteur waarschuwt in de overblijvende verzen van het hoofdstuk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 14 november 2012

Het bloed en de as van dieren: geen definitief antwoord (Hebr. 9)

1 Kronieken 3-4, Hebreeën 9, Amos 3, Psalmen 146-147
Het rijke betoog van Hebreeën 9 zou ons verder kunnen voeren dan wat deze overdenking toelaat. Hier zal ik slechts enkele contrasten verduidelijken die de auteur schildert tussen de dood van talloze offerdieren in het Oude Testament, en de dood van Jezus die centraal staat in het nieuwe verbond.

Ten eerste steunt een deel van zijn betoog op wat hij tot hiertoe heeft gezegd. Als de tabernakel en het Levitische priesterschap al van in het begin slechts bedoeld waren als tijdelijke instellingen die het verbondsvolk enkele belangrijke lessen leren en vooruitwijzen naar de realiteit die zou komen met Christus, dan geldt hetzelfde voor de offers.

Dus somt de auteur zijn standpunt op tot hiertoe: het volledige systeem was ‘een zinnebeeld voor de huidige tijd: er worden daar gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaakte zuiverheid kunnen brengen; het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassingen, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot aan de nieuwe orde’ (9:9-10, NBV).

Ten tweede bewijst de herhaling van de offerandes zelf – bijvoorbeeld de offers gebracht op Grote Verzoendag –dat geen van deze offers een definitieve oplossing voor de zonde betekent. Er zal altijd meer zonde zijn, die ook weer meer offers vergt, met de priester die er altijd weer is om nog eens een dier te doden en nog meer bloed te brengen. Vergelijk dit met Christus’ offer, dat één keer geofferd werd (9:6, 9, 25-26; 10:1 e.v.).

Maar het derde en meest belangrijke punt is de aard van het offer. Hoe kon het bloed van stieren en bokken werkelijk een oplossing brengen voor de zonde? De dieren zelf dienden zich niet vrijwillig aan voor deze slachtpartij; ze werden naar het altaar getrokken door hun eigenaars. De dieren verloren hun leven, maar ze waren maar zelden gewillige slachtoffers. Wat de ‘bereidheid’ betreft, waren het de mensen die eigenaar waren van de slachtofferdieren die iets verloren. Natuurlijk was het offersysteem door God zelf bepaald. Hij leerde daarmee dat zonde de dood eist – en in de hele Bijbelse verhaallijn, dat een beter ‘lam’ zou nodig zijn. De zonden van het volk werden op die manier bedekt tot een dergelijk offer zou verschijnen. Maar het bloed en de as van dieren boden geen definitief antwoord.

Hoe anders is dan het offer van Jezus Christus! Van Hem staat geschreven dat Hij ‘door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft’ – dit wil niet zeggen ‘door de Heilige Geest’, maar ‘door [zijn eigen] eeuwige Geest’, een daad van de wil, een opperste daad van vrijwillige opoffering, de Zoon die instemt met het plan van de Vader. Daar was inderdaad een offer van ongeziene waarde, van onschatbaar belang. Dit is waarom zijn bloed, zijn leven dat met geweld en bij wijze van offer wordt gebracht, in staat is om ons bewustzijn te ‘reinigen van dode werken’, werken die leiden tot de dood, ‘om de levende God te dienen’ (9:14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 13 november 2012

Audio Henk Binnendijk over 'Eén ding' (Dag van Ontmoeting in Menen)

Zaterdag jl. (10 november 2012) vond in Menen een Dag van Ontmoeting plaats. Henk Binnendijk verzorgde er twee toespraken rond het thema 'Eén ding':

Eén ding ontbreekt u

Eén ding is nodig


Daarnaast was er gedurende een halfuur gelegenheid om vragen te stellen:

Vragenbeantwoording

De geluidskwaliteit is jammer genoeg zeer matig, maar ik hoop toch dat je er met je hoofdtelefoon nog voldoende van kunt beluisteren om ook wat zegen mee te rapen.

Binnenkort hopen de organisatoren van 'De Weg' ook de video's van deze ontmoetingsdag online te kunnen plaatsen op www.de-weg.be





'Wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning' (Hebr. 8)



1 Kronieken 1-2, Hebreeën 8, Amos 2, Psalm 145
Er is een thematisch verband tussen de eerste twee van bovenstaande Bijbelverwijzingen (afkomstig uit het Bijbelleesrooster van de negentiende-eeuwse Schotse predikant Robert Murray McCheyne, JL). 1 Kronieken 1 en 2 begint met lange hoofdstukken van becommentarieerde genealogische informatie. Dit is niet het soort materiaal waar we ons meteen toe aangetrokken voelen. Toch bewerken geslachtsregisters veel dingen naast het voor de hand liggende optekenen van genealogische afstamming.

Mocht je de Bijbel helemaal doorlezen, zouden de namenlijsten op dit punt deels dienen als een terugblik: de beginjaren tot aan David, met 1 en 2 Kronieken die de lezer vervolgens meenemen tot aan het einde van het Davidische koningshuis. De geslachtsregisters zetten in kort bestek enkele van de zijpaden uiteen die je anders makkelijk uit het zicht verliest wanneer je de verhalen gewoon op zich leest.

Hoe zijn de afstammelingen van Abraham verbonden met Noach? Abraham zelf had kinderen bij drie vrouwen: Hagar, Ketura en Sara. Waar eindigden zij? Natuurlijk is de genealogie niet bedoeld om volledig te zijn. Het is de weg wijzen naar Juda, naar het Davidische koningshuis.

En dit is de les: er is beweging en verandering, er zijn ontwikkelingen en nieuwe verbonden, maar vanaf het begin is de verhaallijn van de Bijbel een eenduidig verslag dat evolueert in de richting van de Davidische lijn, en uiteindelijk in de richting van ‘de grotere Zoon van de grote David’ (zie de overdenkingen van 17 mei en 10 september).

In genre en nadruk is Hebreeën 8 zeer verschillend van de geslachtsregisters van de openingshoofdstukken van 1 Kronieken. Toch overlapt een deel van de argumentatie in dit hoofdstuk met lessen uit 1 Kronieken. Op dit punt in Hebreeën betoogt de auteur dat de tabernakel (en, in principe, de tempel) ingevoerd bij het verbond bij Sinaï, niet moet gezien worden als de finale uitdrukking van Gods wil voor de eredienst van zijn volk. Anders begrijpen we zijn doel verkeerd in de ontwikkeling van de heilsgeschiedenis.

De auteur heeft al uitgebreid betoogd voor de superioriteit van het priesterschap van Jezus over het Levitische priesterschap (Heb. 5-7) – dit superieure priesterschap was zelfs al aangekondigd door de Oudtestamentische geschriften zelf.
Nu vestigt hij de aandacht op het feit dat het ‘heiligdom’ dat, of de ‘tabernakel’ die in de woestijn wordt opgericht exact het ‘ontwerp’ (NBV) of ‘voorbeeld’ (NBG en HSV) volgde dat Mozes kreeg op de berg (8:5).

De reden hiervoor, zo betoogt de auteur, is dat het slechts een schaduw vormde van de realiteit. Er de ultieme realiteit van maken, zou betekenen dat je het verkeerd interpreteert. Bovendien zouden lezers van de Hebreeuwse canon dit moeten weten. Deze tabernakel was verbonden met het Mozaïsche verbond. Maar eeuwen later, ten tijde van Jeremia, beloofde God dat er een nieuw verbond zou komen (8:7-12).

‘Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning’ (8:13). Het inluiden van het nieuwe verbond verwijst niet enkel de tabernakel van het oude verbond naar het verleden, maar spreidt ook de eenheid van de Bijbelse verhaallijn tentoon, hoe divers ook de stromen – want de verschillende stromen komen bijeen in Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 12 november 2012

De gevolgen van de zonde zijn verpletterend, maar nog gloort er hoop (2 Kon. 25)


2 Koningen 25, Hebreeën 7, Amos 1, Psalm 144
In dit laatste hoofdstuk van 2 Koningen (2 Koningen 25), dwaalt Jeruzalem richting schaamte en nederlaag. Maar er zit een wending aan het verhaal.

Het verslag zelf is duister. De interim-koning Sedekia was zwak en corrupt. Jeremia predikte onderdanigheid: God had verordend dat Juda op deze manier zou gestraft worden, en daarom moet het volk zich niet verzetten tegen Babylon. 1.100 kilometer verder predikte Ezechiël nagenoeg hetzelfde: hij benadrukte dat Juda en Jeruzalem veel slechter waren dan de meeste mensen dachten, en God had oordeel over hen beschikt.

Verscheidene jaren voor de uiteindelijke verwoesting voorspelde Ezechiël dat de heerlijkheid van God Jeruzalem zou verlaten en de stad vernietigd zou worden (Ez. 8-11) – een desastreus bericht voor de bannelingen, want voor hen betekende het dat er geen thuis meer was waar ze naar konden terugkeren, en ze hadden nauwelijks categorieën om te begrijpen wat het betekende om zo helemaal van God verlaten te worden.

Maar Sedekia kwam toch in opstand. De Babylonische vergelding was al even gewelddadig als onvermijdelijk. Tegen 588 v.C. stond het machtige Babylonische leger terug aan Jeruzalems poorten. De stad werd ingenomen in 587 v.C. Sedekia trachtte te ontkomen, maar werd gevangen genomen dichtbij Jericho en meegenomen naar Nebukadnessars hoofdkwartier in Ribla. Daar werden zijn zonen voor zijn ogen gedood – en dan werden hem de ogen uitgestoken. Het grootste deel van de stad werd verbrand en de muren werden steen voor steen neergehaald. Iedereen van enig gewicht werd meegevoerd naar Babylon.

Over de armen die in het land bleven om de wijngaarden te verzorgen stelde Nebukadnessar Gedalja aan als bestuurder. Hij maakte van Mispa zijn administratief centrum, aangezien Jeruzalem zo radicaal verwoest was. Niet meer dan zeven maanden later werd Gedalja vermoord door dwaze hardelijners van koninklijken bloede: blijkbaar waren ze beledigd dat een bestuurder was aangeduid van buiten de Davidische lijn. Uiteindelijk realiseerden ze zich wat ze gedaan hadden.

Omdat ze vergelding vreesden vanwege de Babyloniërs, vluchtte de resterende bevolking naar Egypte.

Mocht dit zijn hoe 2 Koningen eindigt, dan zouden de thema’s van gerechtigheid en oordeel gediend worden, maar de lezer zou achterblijven met de twijfel of er nog enige hoop restte voor de lijn van David en de vergaande messiaanse beloften die ermee verbonden waren.

Maar in feite eindigen de boeken met een wending in het verhaal. De paar laatste verzen (25:27-30) brengen rustig verslag uit van het feit dat Koning Jojakin in het zevenendertigste jaar van zijn ballingschap vrijgelaten werd uit zijn gevangenschap. Voor de rest van zijn leven werd in zijn levensonderhoud voorzien door de Babylonische staat: ‘hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen’, en zolang hij leefde at hij geregeld aan de tafel van de koning.

Het verhaal van verlossing is nog niet afgelopen, de lijn van David nog niet uitgestorven. Midden de verpletterende zonde en het snijdende oordeel gloort nog steeds hoop.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 11 november 2012

'Ja, naar het bevel van de HEERE gebeurde dit in Juda, om hen van voor Zijn aangezicht weg te doen' (2 Kon. 24)


2 Koningen 24, Hebreeën 6, Joël 3, Psalm 143
Het finale uiteenvallen van de Davidische dynastie was niet mooi om zien. De laatste hervormende koning, Josia, maakte een grove vergissing toen hij onnodig de strijd aanging met Farao Neko van Egypte. Josia verlóór niet alleen in 609 v.C., hij verloor ook zijn leven (1 Kon. 23:29) terwijl hij nog een relatief jonge man was.

Zijn zoon Joachaz werd koning op zijn drieëntwintigste, maar diens regering duurde slechts een goede drie maanden, tot Farao Neko hem liet oppakken en uiteindelijk wegvoerde naar Egypte, waar hij stierf. Farao Neko zette een andere zoon van Josia op de troon, meer bepaald Jojakim. Hij ging elf jaren mee. 2 Koningen 24 pikt daar de draad van het verslag op.

Het Juda van Jojakim zat gekneld tussen Egypte in het zuiden en westen en Babylon in het noorden en oosten. Dit laatste rijk had de bovenhand. Jojakim zelf was corrupt, verdorven op religieus vlak en hij had verheven gedachten over zichzelf. Hij voerde heidense cultussen terug in; geweld floreerde.

In het vierde jaar van zijn regering, in 605 v.C., werd Farao Neko verpletterd door de Babyloniërs in de slag van Karkemis aan de noordelijke Syrische grens; de macht van Egypte kon zich in bijna driehonderd jaar niet weer oprichten. Jojakim en het kleine landje Juda werden tot een vazalstaat die schatplichtig was aan het Babylonische rijk.
Maar in 601 v.C. kwam Jojakim in opstand. Nebukadnessar stuurde contingenten van zijn gewapende strijdkrachten om Juda te stropen. In december 598 v.C. zette hij zijn machtige leger in om Jeruzalem te belegeren. Jojakim stierf. Zijn achttien jaar oude zoon Jojakin regeerde drie maanden.

Geconfronteerd met een ongelooflijk moeilijke beslissing, gaf hij op 16 maart 597 v.C. het verzet op en gaf zich over. Koning Jojakin, de koningin-moeder, het koninklijke gevolg, de edelen, de mannen van waarde, de leidende ambachtslieden en de priesterlijke aristocratie (inclusief Ezechiël) werden meer dan 1.100 kilometer ver weggevoerd naar Babylon – in een tijd waarin een dergelijke afstand nog een heel, heel lange weg was.

Jojakin bleef in de gevangenis en onder huisarrest gedurende zevenendertig jaar vooraleer hij werd vrijgelaten; maar zelfs dan keerde hij nooit terug naar huis, zag hij Jeruzalem nooit meer terug. De Babyloniërs beschouwden hem nog altijd als de wettige koning (net als de bannelingen), maar ondertussen installeerden ze een interim-koning ver weg in Juda – zijn oom Sedekia, ook nog altijd maar eenentwintig jaar oud (24:18). Zijn einde hoort bij het volgende hoofdstuk.

‘Waarlijk, dit overkwam Juda naar het woord des HEREN, die het van zijn aangezicht wilde wegdoen, wegens alle zonden die Manasse gedaan had, en ook wegens het onschuldige bloed dat hij vergoten had; hij had immers Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed. De HERE wilde dat niet vergeven … Zo kwam het door de toorn des HEREN zover met Jeruzalem en Juda, dat Hij hen van zijn aangezicht verwierp’ (24:3-4, 20).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 10 november 2012

'Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt' (Hebr. 5:5)



2 Koningen 23, Hebreeën 5, Joël 2, Psalm 142
De woorden van Psalm 2:7, ‘Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt’ (in het Engels staat er ‘You are my Son; today I have become your Father’, dus leest het tweede deel dan ‘ik ben heden uw vader geworden’) worden drie keer geciteerd in het Nieuwe Testament:
(a) in Handelingen 13:33, waar hij dient als een soort bewijstekst om de opstanding van Jezus te rechtvaardigen;
(b) in Hebreeën 1:5, waar de auteur eruit afleidt dat omdat Jezus alleen de Zoon van God is, Hij superieur is aan de engelen; en
(c) in Hebreeën 5:5, waar hij wordt geciteerd om te bewijzen dat zoals Aäron het hogepriesterschap niet zelf kon opnemen maar door God geroepen werd tot de taak, zo ook Jezus door God was aangewezen voor zijn hogepriesterschap.

Zo wordt Psalm 2:7 afwisselend gebruikt om de opstanding van Jezus te ondersteunen, om bewijs aan te dragen voor Jezus’ superioriteit over de engelen, en om aan te tonen dat toen Jezus hogepriester werd hij niet zelf de taak op zich nam, maar daartoe aangesteld werd door God.

Op het eerste gezicht is geen van deze toepassingen van Psalm 2:7 zeer voor de hand liggend. Het helpt om twee dingen in gedachten te houden.

Ten eerste is Psalm 2:7 een psalm voor de troonsbestijging. De psalm viert het aanstellen van de volgende Davidische koning voor zijn taak. Op dat punt wordt de man ‘Gods zoon’. In de oude wereld was het meestal zo dat zoons uiteindelijk ook aan de slag gingen in wat hun vaders deden. God regeert met rechtvaardigheid en onpartijdigheid; de koning, die dan optreedt als Gods ‘zoon’, moest doen wat God doet: naast andere dingen moest hij regeren met rechtvaardigheid en onpartijdigheid. En deze Davidische lijn eindigt uiteindelijk in iemand die bij uitstek de ‘Zoon’ is.

Ten tweede, met het risico de zaken te eenvoudig voor te stellen, valt de christologie van het Nieuwe Testament uiteen in twee patronen.

In het eerste begint het verslag van Christus in de voorbije eeuwigheid, om dan neer te dalen in vernedering tot deze wereld en tot de schande en schaamte van het kruis, en vervolgens gaat het opwaarts doorheen de opstanding en verheerlijking van Christus tot de triomf. We kunnen dit zien als het ‘op-neer-op’-model. Filippenzen 2:6-11 en Johannes 17:5 zijn gedenkwaardige voorbeelden.

In het tweede is er geen sprake van Jezus’ herkomst in de voorbije eeuwigheid: het is een ‘neer-op’-model. De focus ligt volledig op zijn overwinning door dood, opstanding, hemelvaart en verheerlijking. Deze grote heilsgebeurtenis is van cruciaal belang, het moment waarop Jezus aangesteld wordt als koning, het moment dat zijn priesterlijke rol een aanvang neemt, het moment waarop Hij verklaard wordt ‘Gods Zoon te zijn in kracht’ (Rom. 1:4).

Dit wil niet zeggen dat Jezus niet in bepaalde zin de Zoon is, of de koning, of dat Hij geen priesterlijke taken zou opnemen, voor het kruis en de opstanding. Maar dit model van christologie laat er geen twijfel over bestaan waar het grote keerpunt van de geschiedenis ligt.

Dit zijn de vooronderstellingen die achter de drie verschillende manieren van gebruik van Psalm 2:7 liggen. Het is een nuttige oefening om ze opnieuw te overdenken, met deze structuren in gedachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 9 november 2012

Alleen genade biedt bescherming tegen afvalligheid (2 Kon. 22)


2 Koningen 22, Hebreeën 4, Joël 1, Psalmen 140-141
De laatste ernstige poging tot een morele en theologische hervorming in het koninkrijk van Juda wordt weergegeven in 2 Koningen 22. Hierna volgt alleen nog het finale afglijden naar de ballingschap.

Koning Hizkia, wiens regering grotendeels een positief effect had, werd opgevolgd door zijn zoon Manasse. Hij regeerde een lange tijd, vijfenvijftig jaar, maar zijn regering was berucht, want ‘Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, naar de gruwelen der volken die de HERE voor de Israëlieten uit had verdreven’ (21:2).

Er was geen actuele vorm van afgoderij die hij niet overnam. Volgens 2 Kronieken 33 bekeerde hij zich tegen het einde van zijn leven, maar de religieuze en institutionele schade kon niet eenvoudig ongedaan gemaakt worden. Hij werd opgevolgd door zijn zondige zoon Amon, die slechts twee jaar standhield voor hij werd vermoord (21:19-26).

Toen kwam Josia, een jongen van acht toen hij op de troon belandde (22:1). Hij regeerde eenendertig jaar – wat natuurlijk betekent dat hij vroegtijdig stierf aan de leeftijd van negenendertig. Initieel zal hij onder de leiding en controle gestaan hebben van anderen. Maar in het achttiende jaar van zijn regering nam Josia, dan midden de twintig, het initiatief voor de reiniging en het herstel van de tempel – en ‘het wetboek’ werd teruggevonden. Dit verwijst wellicht naar het boek Deuteronomium. (Geleerden van sceptische signatuur uit de negentiende en twintigste eeuw beweren dat dit in feite het moment was waarop Deuteronomium en andere delen van de Pentateuch geschreven werden, zodat deze geschiedenis van ‘herontdekking’ van de wet eigenlijk werd opgezet om deze nieuwe ontwikkelingen te rechtvaardigen. Deze theorie wordt in toenemende mate verworpen; ze is op weinig meer gefundeerd dan op grove speculaties.)

De hervormingen die Josia doorvoerde waren omvangrijk. Op elk terrein, waar hij ook maar verandering kon bewerken, bracht Josia het volk in lijn met de Wet van God. Hij erkende volkomen de vreselijke dreiging van oordeel die boven het verbondsvolk hing, en hij nam zich voor te doen wat recht was, terwijl hij de uitkomst aan God overliet. Als de oordeelsdag niet finaal kon afgewend worden, kon die op zijn minst toch uitgesteld worden.

Van alle belangrijke lessen die we hier kunnen leren, zal ik me toeleggen op één. Sommige mensen vinden het moeilijk te geloven dat het volk zo snel kon afglijden naar volledige onwetendheid omtrent de bijbel. Uiteindelijk was Hizkia Josia’s overgrootvader: de hervorming die hij leidde was toch niet zo lang geleden. Inderdaad – maar wel lang genoeg. De tussenliggende driekwart eeuw waren begonnen met de lange en zondige regering van Manasse.

De geschiedenis van de twintigste eeuw getuigt daarvan hoe snel mensen onwetend kunnen worden op het vlak van de Schrift – en wij leven dan nog aan deze zijde van de gedrukte pers, om nog maar te zwijgen over het internet. De kerk is nooit meer dan één of een tweetal generaties verwijderd van afvalligheid en de vergeethoek. Alleen genade vormt een afdoende bescherming.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 8 november 2012

Jezus is meer dan Mozes (Hebr. 3)



2 Koningen 21, Hebreeën 3, Hosea 14, Psalm 139
Veel mensen hebben gesuggereerd dat het thema van Hebreeën goed kan samengevat worden als ‘Jezus is beter’.

In de hoofdstukken 1-2 is Hij beter dan de engelen; in hoofdstuk 3 is Hij beter dan Mozes. In Hebreeën 4 is de rust waarin Hij voorziet beter dan de rust die je krijgt in het beloofde land. In de hoofdstukken 5 en 7 is zijn hogepriesterschap beter dan het Levitische priesterschap; in hoofdstuk 8 is het nieuwe verbond waarvan Hij de Middelaar is beter dan het oude verbond. In de hoofdstukken 9 en 10 treedt Hij aan over een beter heiligdom dan de tabernakel, oefent Hij een betere dienst uit, en biedt Hij een beter offerande.

Kortom, ‘Jezus is beter’. De boodschap is bedoeld om de harten en het denken van Joodse christenen te sterken die, hoewel ze in het verleden bereid waren te lijden voor Christus, op dat moment in de verleiding komen terug te keren tot de Joodse rituelen en praktijken die ze erfden.

De schrijver van Hebreeën vreest dat ze hun exclusieve vertrouwen op Christus zullen loslaten, en enigszins zullen bezwijken voor de verleiding te denken dat, hoewel Jezus wel prima is, je toch nog wat meer inhoud kunt verkrijgen, of geestelijkheid of historische diepte of aanvaarding door je volksgenoten of wat ook – waardoor je afglijdt naar een impliciete ontkenning dat ‘Jezus beter is’.

Niets van dit alles betekent dat het oude verbond slecht was; het betekent eenvoudigweg dat het niet blijvend was. Zo wordt ons in de korte vergelijking tussen Mozes en Jezus in Hebreeën 3:1-6 verteld dat Mozes getrouw was ‘in geheel zijn huis’ (3:2). Hij was trouw ‘als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden’ (3:5).

Je hoort geen enkel woord van verwijt. Maar Jezus is beter. Het helpt ons om te verstaan dat zowel in het Hebreeuws als het Grieks ‘huis’ ook ‘huisgezin’ kan betekenen. Zoals Mozes, verklaart de schrijver van Hebreeën, is Jezus getrouw ‘jegens Hem, die Hem heeft aangesteld’ (3:2). Niettemin werd Jezus ‘groter eer waardig geacht dan Mozes’. Waarom? Omdat ‘de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis’ (3:3).

Dit lijkt te suggereren dat Jezus’ rol met betrekking tot Gods ‘huis’ of ‘huisgezin’ radicaal verschilt met die van Mozes. Mozes was trouw als dienaar binnen het huishouden, en zijn meest belangrijke rol was getuigen van wat nog moest komen. Jezus is ‘trouw als Zoon’ over Gods huis (3:6) – en dit huishouden is de gemeenschap van gelovigen (3:6).

Mozes verschijnt als één dienaar binnen het huisgezin, die naar de toekomst kijkt; Jezus verschijnt als Gods Zoon over het huisgezin, die dit huisgezin bouwt (3:3) en bewijst dat hij precies het wezen uitmaakt van dat waarnaar Mozes verwijst in de toekomst. Hoe belangrijk de gelijkenissen tussen de twee mannen, de verschillen zijn het meest treffend.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.