maandag 30 september 2013

Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël (Ez. 33)


1 Koningen 2; Galaten 6; Ezechiël 33; Psalmen 81-82
Ezechiël 33 vormt een keerpunt in het boek. De hoofdstukken 33-37 brengen verslag uit over profetieën die gerelateerd zijn aan de val van Jeruzalem. Hoewel de waarschuwingen en oproepen tot bekering doorgaan, hoor je nu een opkomende noot van vertroosting.

Zo lang de ballingen moeilijk konden geloven dat Jeruzalem zou vallen, was Ezechiël een en al waarschuwing. Eens de val plaatsgevonden, geeft God Ezechiël in zijn genade woorden die de ballingengemeenschap zullen vertroosten, hun geloof zullen voeden en hun begrip en wil zullen sterken.

Vooraleer we dit keerpunt bereiken, keert de eerste helft van het hoofdstuk terug naar een thema dat het eerst werd ingeleid in 3:16-21: Ezechiël als wachter. Het thema keert terug omdat Ezechiël nu een nieuwe fase in zijn bediening begint. In zekere zin wordt hij opnieuw aangesteld.

Tegelijk biedt het nieuws dat hij moet overbrengen over de val van Jeruzalem het volk een nieuwe kans om zich te bekeren en God te vertrouwen. Zo valt de eerste helft van het hoofdstuk (33:1-20) op een natuurlijk manier uiteen in deze twee thema’s.

Aan de ene kant herinnert God de profeet aan zijn vreselijke verantwoordelijkheid als wachter (33:1-9). Hij is vastbesloten om een beetje afgezonderd te blijven van zijn medeballingen. Hij moet de wacht houden, naar God luisteren en trouw verkondigen wat God hem opdraagt, terwijl hij waarschuwt voor de oordelen die komen en oproept tot geloof in Gods trouw.

Aan de andere kant is het volk geroepen om gehoor te geven aan de waarschuwingen van de wachter (33:10-20). Ze mogen niet vertrouwen op hun eigen gerechtigheid en mogen niet vervallen in fatalisme.

De gepaste reactie is altijd om acht te geven op Gods wachter, want God zelf is degene die verklaart: ‘Zo waar ik leef (…) de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft. Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om, want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?’ (33:11).

Zo komt het nieuws: Jeruzalem is gevallen (33:22). Ezechiël wordt nu vrijgelaten uit de stilte die God hem eerder had opgelegd: hij kan openlijk converseren en andere dingen zeggen dan wat hem als profeet gegeven was. Maar alles wat hij in de rest van dit hoofdstuk zegt zijn nog meer woorden van de Heer.
Hij heeft twee thema’s.

(a) Wat de mensen betreft die bij de ruïnes van Jeruzalem zijn achtergebleven, zij zijn altijd de optimisten. Zij denken dat ze zichzelf weer zullen oprichten, hoewel ze hun zonden niet hebben afgezworen. Dus zal God doorgaan hen te tuchtigen tot er alleen nog maar woestenij is, zodat ze zullen leren dat Hij de Heer is (33:23-29).

(b) Wat de ballingen betreft tot wie Ezechiël zich rechtstreeks richt, zij hebben geleerd om met plezier naar hem te luisteren, zoals iemand luistert naar een begaafd redenaar – maar ze hebben niet geleerd om berouw te tonen.

Waar vinden we vandaag de nauwste overeenkomsten met dergelijke standpunten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 29 september 2013

O God der heerscharen, herstel ons (Ps. 80)

1 Koningen 1; Galaten 5; Ezechiël 32; Psalm 80
Waarschijnlijk werd Psalm 80 geschreven door Asafietische zangers, weer in een tijd van nationale rampspoed – toen de Assyriërs het noordelijke koninkrijk veroverden, zijn hoofdstad verwoestten, en velen uit zijn bevolking in ballingschap gestuurd werden.

De schok die gevoeld werd door het godvrezende overblijfsel in Juda moet aanzienlijk zijn geweest. Het verklaart het refrein, ‘O God, herstel ons’ (80:4, 8, 20, vgl. vers 15).

Misschien is het meest treffende kenmerk van deze psalm het specifieke gebruik dat er gemaakt wordt van het uitgebreide wijnstok-beeld (80:9-19):

(1) We hebben Israël vaak geportretteerd gezien als een wijnstok: kijk bijvoorbeeld naar de overdenking voor 7 mei (over Jes. 5). In de meest dramatische van deze gedeeltes, is Israël een wijnstok die God zorgvuldig heeft geplant en verzorgd, maar jammer genoeg bracht hij alleen slechte vruchten voort. De wijnstok bleek uiteindelijk zodanig teleurstellend dat God na verloop van tijd besloot hem te vernietigen.

(2) Maar hier ligt de klemtoon niet op de vreselijke kwaliteit van de vrucht van de wijnstok (hoewel dit wordt verondersteld), maar op de belabberde staat van de wijnstok nu de Heer zelf de beschermende muur die Hij er rond had gebouwd heeft neergehaald. God zelf bracht de wijnstok uit Egypte, plantte hem, verzorgde hem en zag hoe hij zich uitstrekte van aan de (Middellandse) zee tot aan de Rivier (de Eufraat) (80:9-12). ‘Waarom hebt Gij zijn muren doorbroken, zodat ieder die langs de weg voorbijgaat, ervan plukt?’ (80:13). Zelfs de wilde dieren uit het woud vertreden hem en vreten hem af (80:14).

(3) Dus is hier de smeekbede dat God erbarmen zou hebben over zijn eigen wijnstok. Zonder verder stil te staan bij waarom God die beschermende muur neerhaalde – hoewel Asaf erkende dat het Gods brandende toorn is (80:5), Gods dreigende aanblik (80:17) – doet de psalmist een ronduit emotioneel beroep op God om de wijnstok te beschermen die Hij zelf verzorgd en beschermd heeft: ‘sla acht op deze wijnstok, de stek die uw rechterhand heeft geplant’ (80:15-16).

(4) Verweven met dit thema is de verwijzing naar de ‘zoon’ die God voor zichzelf had grootgebracht (80:16). Het Hebreeuwse woord kan verwijzen naar een tak of een boog (zoals in Gen. 49:22), maar in dit gedicht vormt het ook een inleiding op 80:18.

Waarschijnlijk moeten we hier in de eerste plaats een verwijzing zien naar Israël, een verwijzing die voortkomt uit Exodus 4:22: ‘daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene’. De psalmist bidt voor erbarmen over Gods ‘zoon’.

Zelfs in vers 18 doelen de uitdrukkingen het ‘mensenkind’ (HSV: ‘de Mensenzoon’) en ‘de man van uw rechterhand’ in eerste instantie op Israël. Aan de wijdere horizon zou het ultieme antwoord op deze smeekbeden van Asaf komen, wanneer de ware wijnstok (Joh. 15), de ultieme Mensenzoon, uit Israël zou voortkomen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 28 september 2013

Uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet, want wij zijn zeer verzwakt (Ps. 79)


2 Samuël 24; Galaten 4; Ezechiël 31; Psalm 79
Op het eerste gezicht schetst Psalm 79 de afschuw verbonden met de val van Jeruzalem in 587 v.C. Vooraleer we nadenken over enkele thema’s eruit, moeten we even stilstaan bij de vraag hoe zowel Psalm 78 als Psalm 79 kunnen beweren van Asaf te komen.

Psalm 78 werd duidelijk geschreven aan het begin van het Davidisch koningshuis; Psalm 79 blijkbaar vierenhalve eeuw later, bij de verwoesting van Jeruzalem. Dus hoe kunnen ze allebei psalmen van Asaf zijn? De Asaf die we kennen als een tijdgenoot van David.

De beste suggestie is dat het dozijn psalmen dat wordt toegeschreven aan Asaf afwisselend geschreven werd door ofwel hemzelf of door het koor dat hij oprichtte. Net zoals sommige psalmen toegeschreven worden aan de ‘zonen van Korach’ (wellicht ook weer een muzikaal gezelschap), zo is het ook in dit geval.

Hier stelt Asaf de rechtvaardigheid van Gods brandende ‘naijver’ niet in vraag (79:5), maar (zoals in Ps. 74; zie de overdenking voor 23 september) de duur ervan: ‘Hoelang nog, o HERE? – Zult Gij voortdurend toornen’ (79:5).

Merk op hoe sommige van Asafs thema’s zich vermengen met wat we vinden in de profeten.

(1) ‘Stort uw grimmigheid uit over de volken die U niet kennen, en over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen’ (79:6). Maar de grote profeten benadrukken, zoals we herhaaldelijk zagen, dat de heidense volkeren aansprakelijk zullen worden gehouden door God. Ze krijgen geen vrijbrief.

Ondertussen zouden gelovigen altijd Gods woorden aan zijn volk via Amos (3:2) goed moeten in gedachten houden: ‘U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken’ (cursief toegevoegd).

In een wereld onder de vloek, moeten ook christenen verstaan dat straf die ons tot bekering brengt alleen maar een goede zaak kan zijn (vgl. Hebr. 12:4-13).

(2) ‘Reken ons de ongerechtigheid der voorvaderen niet toe’ (79:8): bekijk opnieuw Ezechiël 18 (zie de overdenking van 15 september).

(3) ‘Uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet, want wij zijn zeer verzwakt’ (79:8). Een dergelijke smeekbede vraagt tegelijk om de enige hulp die ons kan redden, en weerspiegelt de houding van afhankelijkheid en vertrouwen die zo volkomen ontbreken in de koppige rebellie en het vertrouwen op zichzelf die het oordeel in de eerste plaats opriepen.

(4) ‘Help ons, o God van ons heil, om de heerlijkheid van uw naam; red ons en doe verzoening over onze zonden om uws naams wil’ (79:9). Nog maar eens wordt er niet gepoogd de zonden te bedekken. Het appel is aan Gods heerlijkheid, zodat heidense volkeren niet zullen besluiten dat God te zwak of wispelturig is om zijn volk te redden (79:10). Hoeveel van de drijvende kracht achter het hedendaagse evangelische bidden komt voor uit een passie voor de heerlijkheid van God?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 27 september 2013

Hij verkoos David, zijn knecht, en nam hem weg van de schaapskooien (Ps. 78)


2 Samuël 23; Galaten 3; Ezechiël 30; Psalm 78:40-72
De overdenking van 25 mei in het eerste deel van deze voorlopig tweedelige set focuste op Psalm 78:40-72, in het bijzonder op de verzen 40-41: ‘Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn, griefden Hem in de wildernis, en verzochten God wederom, en krenkten de Heilige Israëls’ (zie. ook 78:56).

Het herhaaldelijke falen van de verbondsgemeenschap was bij elkaar opgeteld een minachting van God die Hem beproefde, tot Hij in toorn reageerde: Hij ‘was verbolgen op zijn erfdeel’ (78:62). Dit is een krachtig thema in de psalm. Maar er zit nog een andere kant aan dit thema waar we ook aan moeten denken.

De slotverzen van de psalm (78:65-72) schetsen de Heer als ontwakend, ‘Toen ontwaakte de Here als een slapende’ (78:65), terwijl Hij zijn vijanden terugslaat. Wat deed Hij? Hij verkoos ‘de tent van Jozef’ niet (hoewel Jozef de bestuurder van Egypte was geweest).

Maar ‘Hij verkoos de stam van Juda’. ‘Hij verkoos David, zijn knecht, en nam hem weg van de schaapskooien’ (78:70). Hij verkoos zelfs ‘de berg Sion, die Hij liefheeft. Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen, als de aarde, die Hij voor altoos grondvestte’ (78:69). ‘Deze [=David] weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand’ (78:72).

Maar jij en ik lezen vandaag deze zinnen terwijl we tegelijk Ezechiël lezen en we weten dat de geslachtslijn van David weinig blijvende stabiliteit bood. Binnen de twee generaties had het Davidische koningshuis de noordelijke tien stammen verloren, en zijn geschiedenis vanaf dit punt tot aan de ballingschap bleek zo wispelturig en verwerpelijk slecht als wat beschreven wordt in deze psalm, die de periode overschouwt vanaf de Exodus tot aan het begin van het Davidisch koningshuis.

Deze psalm blikt met andere woorden terug op het puin van het falen en de welverdiende toorn van God, maar ziet de aanstelling van David en de keuze voor Sion als geweldige tekenen van Gods genade en goedheid, een bemoedigende basis voor stabiele trouw in de jaren die voor hen liggen.

Maar wanneer we terugkijken vanuit het perspectief van Ezechiël of Jeremia, vinden we een nog langere lijst van falen en nog veel meer verdiende toorn. Is Psalm 78 dan gewoon naïef?

In elke fase van de verhaallijn van de Bijbel, midden de toorn, grijpt God in genade in. Het menselijke ras gleed af naar een sfeer van zonde, dus koos God Abraham. In de teugelloosheid van de twaalf zonen, koos God Jozef. In de hel van Israëlische slavernij, koos God Mozes. In wanhopige cycli van opstand, wekte God de Richteren op.

Elke stap markeerde heerlijke hoop. En nu wekt God David op. Maar als je zoals wij drieduizend jaar later leeft dan David, kijk je terug en druk je gemeende dank uit voor hoe God zichzelf ‘in het laatst der dagen’ (Hebr. 1:1-4) geopenbaard heeft - in de finaliteit van zijn Zoon.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 26 september 2013

En Ik zal een keer brengen in het lot der Egyptenaren (Ez. 29)


2 Samuël 22; Galaten 2; Ezechiël 29; Psalm 78:1-39
In bepaalde opzichten is de profetie tegen Egypte (Ez. 29) verwant aan de profetieën tegen andere volkeren die vermeld worden in dit deel van Ezechiël (hfdst. 25-32). De herhaling van thema’s zou een signaal voor ons moeten zijn van hoe belangrijk God ze acht, bijv. de zondigheid van arrogant zelfvertrouwen en de hoogmoed van onafhankelijkheid (29:3, 9).

Maar daarbovenop zijn hier diverse nieuwe elementen het overdenken waard.

(1) Egypte wordt ervan beschuldigd een ‘rietstaf’ te zijn die niet de steun kon bieden die hij beloofd had. Wanneer mensen probeerden erop te leunen, dan knakte hij en reet hun vlees open (29:6; vgl. Jes. 36:6 = 2 kon. 18:21). Noch individuele personen, noch landen zouden mogen beloven wat ze toch niet kunnen bieden.

(2) Net als Israël (en heel wat andere landen, wat dat betreft), zou Egypte verslagen worden en een aanzienlijk deel van zijn bevolking zou in ballingschap gaan (29:12). Net zoals het de Israëlieten zou toegestaan worden terug te keren tot hun vaderland onder het toegeeflijker beleid van de Perzen, zo zou het ook heel wat andere ballingen toegestaan worden terug te keren naar hun respectievelijke vaderland.

Onder hen zouden vooral ook Egyptenaren zijn (29:13). Dit is het werk van Jahweh: ‘Ik [zal] de Egyptenaren bijeenverzamelen uit de volken, in wier land zij verstrooid zijn’.

(3) Niettemin benadrukt God dat Egypte nooit meer een grootmacht zal zijn (29:14-16). Indien Hij de God is die naties kan laten opkomen en terug kan afzetten, dan heeft Hij alle recht om deze opdrachten te geven.

Sommige oude machten zijn bijna of helemaal verdwenen: de Hittieten, de Assyriërs, de Babyloniërs. De Egyptenaren zijn er nog, maar God zegt dat Hij het zwak zal maken, ‘zodat het zich niet meer boven de volken verheffen kan’ (29:15) – en dan zal het ook nooit meer het vertrouwen kunnen uitmaken van naties als Israël (29:16).

(4) Een van de meest intrigerende redeneringen ‘van achter de schermen’ vinden we in 29:17-20. Nebukadressar van Babylon zal Tyrus overwinnen, maar het zal een harde campagne zijn met slechts weinig winst. Dus zal God Egypte aan Babylon geven, gedeeltelijk om Babylon te betalen voor zijn lange en dure jaren tegen Tyrus.

‘Als vergoeding voor zijn dienst zal Ik hem het land Egypte geven, want zij hebben voor Mij gewerkt, luidt het woord van de Here HERE’ (29:20). We mogen helemaal niet denken dat er ook maar een van de naties handelde uit bewuste gehoorzaamheid aan de Heer (vgl. Jes. 10:5 e.v.!). Maar de Heer blijft niemand iets schuldig, en dit zijn de regelingen die de Almachtige God treft.

Zonder openbaring zouden we natuurlijk geen van deze dingen weten. Maar ze waarschuwen ons tegen het al te luid roepen over wat er in onze tijd gebeurt, wanneer we zo weinig zien van het grote plaatje van wat God zelf aan het doen is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 25 september 2013

Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten (Ez. 28)

2 Samuël 21; Galaten 1; Ezechiël 28; Psalm 77
De lange profetie tegen de stad-staat Tyrus bereikt haar hoogtepunt in deze profetie tegen de koning van Tyrus (Ezech. 28:1-19). Historisch gezien was de koning in kwestie Ithobal II. Maar er blijkt duidelijk uit het hoofdstuk voor ons, dat de focus niet zozeer op een specifieke monarch ligt, als wel op al hetgeen hij vertegenwoordigt.

De aanklacht die voortdurend herhaald wordt is dat de koning van Tyrus in zijn hart zegt ‘ik ben een god’ (28:2, 6, 9). De context toont aan dat de kwestie niet is dat de individuele monarch een of andere monsterlijke persoonlijke en ontologische aanspraak maakt, als wel dat de koning, die het gedrag van Tyrus op zijn geheel typeert, een ontzettende eigendunk heeft, trots op geweldige commerciële successen en, daardoor, uiterst onafhankelijk.

Er is geen besef van persoonlijke zwakheid of nood, nog minder een sluimerend besef van afhankelijkheid tegenover de God die hen gemaakt heeft en voorzienig over hen regeert. De kern van de zaak is eenvoudig samen te vatten: ‘door uw wijs beleid bij de handel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart is trots geworden op uw vermogen’ (28:5).

De zeer ongepaste dimensies van de hoogmoed worden onderstreept door de vele allusies naar Genesis 2-3 (duidelijker in het Hebreeuws dan in de Nederlandse vertaling). Ze waanden zichzelf in Eden, de hof van God (28:13), ze beschouwden zich Gods beschuttende cherub (28:14), maar ze zullen verdreven worden (28:16). Met andere woorden: hun zonde staat op een lijn met die van Adam en Eva. Ook zij wilden als God zijn, onafhankelijk, zelf goed en kwaad kennende zonder dat iemand hen dit moest vertellen (zelfs niet hun Schepper!).

In beide gevallen is het resultaat hetzelfde: desastreuze rampspoed, dood en catastrofaal oordeel. Er is slechts één God, en terecht duldt Hij geen concurrenten. Dit is een nogal voor de hand liggende samenvatting van het gedeelte. Maar we moeten goed nadenken over wat dit zegt aan elke cultuur of kerk of land die vandaag vasthangen aan rijkdom.

Natuurlijk kunnen zeer arme mensen ook materialistisch zijn, in die zin, dat hetgeen ze het meest van al willen, materiële bezittingen zijn. Materialisme is niet exclusief voorbehouden aan de rijken. Maar de focus ligt hier op de rijken, wiens bezittingen hen hoogmoedig gemaakt hebben.

Ze staan boven de gewone mensen, boven andere naties die verarmd zijn of verstrooid. Op welk punt treft ons de bekende zin van de Heer Jezus hard: ‘gij kunt niet God dienen èn Mammon’ (Mt. 6:24)?

Het feit dat Amerika de enige overblijvende supermacht is heeft meer dan een klein beetje hoogmoed met zich gebracht. Talloze specialisten hebben met reden betoogd, dat de morele onverschilligheid over presidentiële leugens, in de eerste plaats moet toegeschreven worden aan een sterke economie. Dus hoe ver en hoe lang zal God ons laten gaan als er geen sprake is van een brede en diepe bekering?


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 24 september 2013

Gij, geducht zijt Gij; wie kan bestaan voor uw aangezicht (Ps. 76)


2 Samuël 20; 2 Korintiërs 13; Ezechiël 27; Psalmen 75-76
De structuur van Psalm 76 is van een elegante eenvoud, met een theologische les die ik aan het slot van deze overdenking zal uiteenzetten.

De eerste zeven verzen (in de Engelse vertalingen de eerste zes) herinneren aan een grote verlossing, een concrete historische gebeurtenis; de laatste zes verzen schilderen een beeld op kosmische schaal, met het vaste vooruitzicht dat God op dit terrein net zo goed zal triomferen.

De historische bijzonderheid van de eerste zeven verzen wordt duidelijk in de eerste verzen: ‘God is bekend in Juda, zijn naam is groot in Israël; in Salem [een alternatieve naam voor Jeruzalem, Gen. 14:18; Heb. 7:2] was immers zijn tent, en op Sion [de burcht op de heuveltop die David innam] zijn woning’ (76:1-2).

De focus ligt dus op Jeruzalem, waar God zich openbaarde. De verwijzing naar ‘tent’ kan suggereren dat de tabernakel er nog stond en de tempel nog niet was gebouwd. Of anders was de tempel al gebouwd, maar werd de ‘tabernakel’-taal er nog altijd voor gebruikt omdat het de terminologie was die gebruikt werd in het Mozaïsch verbond. Deze stad was in elk geval waar God ‘de vurige schichten’ (76:4, letterlijk ‘bliksemflitsen’, vgl. 78:48 HSV) en andere oorlogswapenen verbrak.

De verzen 5-7 suggereren een dramatische en plotse redding zoals toen Sanheribs leger ’s nachts door de engel van de Heer geslagen werd (Jes. 37:36; zie de overdenking voor 5 juni). God zelf verklaarde, ‘hij zal in deze stad niet komen; hij zal geen pijl daarin schieten’ (Jes. 37:33). Vergelijk: ‘niemand van de dapperen vond zijn kracht’.

De rest van de psalm wordt beschreven met bredere pennenstreken. Nu regeert God niet vanuit Jeruzalem, maar vanuit de hemel (76:9). De lessen uit de eerste zeven verzen worden universeel: ‘Gij, geducht zijt Gij; wie kan bestaan voor uw aangezicht, wanneer uw toorn ontbrandt?’ (76:8).

Vers 11 is bijzonder moeilijk te vertalen. De woede uit de eerste zin kan ofwel bij God liggen (zoals in de Engelstalige NIV-vertaling, ‘Surely your wrath against mankind brings you praise’) of bij de mensen (volgens de NIV-voetnoot, ‘Surely the wrath of mankind brings you praise’).

De twee versies liggen niet zo ver uiteen. Indien het de ‘razernij van de mens’ is (Coverdale) die zich overgeeft aan de lof van God, dan doet ze dit in deze context omdat God het laatste woord heeft en antwoordt met gericht – hoewel het ook waar is dat God opereert met zulke voorzienige wijsheid dat Hij de woede van mensen kan omkeren om Hem zelfs onder de meest buitengewone omstandigheden te dienen (Hd. 2:23). Wat duidelijk is uit de slotverzen is dat God over alles regeert en niemand tegen Hem kan opstaan.

Zo weerspiegelt de structuur van de psalm in bepaalde opzichten de structuur van de hele Bijbelse verhaallijn, wat de hedendaagse lezers toelaat om in verhalen van genade en oordeel onder het oude verbond portretten te zien van de uiteindelijke openbaring van God in genade en oordeel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 23 september 2013

Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos (Ps. 74)


2 Samuël 19; 2 Korintiërs 12; Ezechiël 26; Psalm 74
Het is gepast om na te denken over Psalm 74 in deze fase van onze lezing van de grote profeten. Het klinkt alsof deze psalm geschreven werd ten tijde van een nationale ramp, mogelijk de verwoesting van 587 v.C. (vgl. Ps. 79 en 137; Klaagl. 2:5-9). De ergste klap van allemaal is dat alle profeten zwijgen (74:9). Dan is er plotseling midden in de somberheid en chaos een zucht van lofprijs (74:12-17), vooraleer de duisternis opnieuw neerdaalt (74:18-23).

De onderbreking is dramatisch, en wordt versterkt door een plotselinge omschakeling van de eerste persoon meervoud (‘wij’, ‘ons’) naar de eerste persoon enkelvoud: ‘Toch is God mijn Koning van oudsher’ (74:12).

Opvallende kenmerken zijn ondermeer:

(1) De kwelling van dit hoofdstuk komt voort uit geloof, niet uit scepticisme, en nog minder uit cynisme. Deze mensen kennen God, maar kunnen niet zien wat Hij aan het doen is. Ze protesteren niet zozeer tegen hun straf door Hem, maar wel over de duur: ze handelen alsof ze weten dat de straf verdiend is, maar is het einde ervan open? Is er geen verlichting? ‘Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos?’ (74:1). ‘Richt uw schreden naar wat voorgoed in puin ligt’ (74:3). ‘Ja, hoelang nog zal de tegenstander honen, o God; zal de vijand uw naam voor altijd versmaden?’ (74:10).

(2) Er ligt een sterke nadruk op Gods ‘gedenken’ – of, preciezer gesteld, op het smeken tot God om te gedenken. Het is niet alsof de psalmist denkt dat er iets uit Gods gedachten gegaan is, en dat Hij aan een aantal beginselen moet herinnerd worden, die onder de druk van het besturen van het universum per abuis over het hoofd werden gezien.

Het pleiten bij God om te gedenken is expliciet in 74:2, 18, 22 en vaak impliciet – bijv. ‘Aanschouw het verbond’ (74:20). Deze passages bieden enig inzicht in wat dit ‘gedenken’ betekent: het is een smeekbede tot God om te handelen in het licht van zijn oude verbondsrelatie met zijn volk, het volk dat Hij ‘van ouds’ heeft ‘verworven’ (74:2), de stam die Hij als zijn erfdeel heeft verlost (74:2). Het is een smeekbede dat Hij, midden de toorn, zou ‘denken aan’ ontferming.

(3) De verzen 4-8 klinken alsof ze komen van een ooggetuigenverslag van de tempel die verwoest wordt, van een herinnering die onuitwisbaar omgeven is door smart. Dit was de plaats, zo vertelt de psalmist God, waar Hij hen ontmoette, ‘uw vergaderplaats’ (74:4). De volgende verzen lopen over van verdriet.

(4) Nu zijn we misschien beter geplaatst om na te denken over de rol van de verzen 12-17 in de psalm. Precies wanneer er maar weinig hoop lijkt, is het voor individuele gelovigen uiterst belangrijk om de kracht van God te gedenken in zowel de schepping (74:16-17) als in de verlossing (74:13-15).

Hoe zou een dergelijk standpunt in ons leven gestalte krijgen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 22 september 2013

Zeg tot de Ammonieten: hoort het woord van de Here HERE (Ez. 25)

2 Samuël 18; 2 Korintiërs 11; Ezechiël 25; Psalm 73

Ezechiël 25-32 is gewijd aan Ezechiëls profetieën tegen de volken. Indien Jahweh de God van de hele aarde is, dan hoeft het niet te verrassen als hij dingen te zeggen heeft aan afzonderlijke naties buiten Israël, die ook nogal verschillen van alles wat Hij zonder onderscheid tegen alle volkeren te zeggen heeft.

Er is zeker uitgebreid bewijs dat God alle volkeren verantwoordelijk houdt voor de zonden die zij op grote schaal begaan hebben – al houdt Hij hen dan niet aansprakelijk voor de details van de Wet van Mozes, Hij is zeker in staat om oordeel te brengen waar er sprake is van hoogmoed, wreedheid, geweld, overspeligheid en hebzucht. Deze spreuk geldt altijd: ‘Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek der natiën’ (Spr. 14:34).

Vier meer inleidende opmerkingen zullen ons naar deze hoofdstukken brengen.

(a) Het aantal behandelde volkeren is zeven: Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, Sidon en Egypte. Hetzelfde aantal volkeren verschijnt in Amos. Deze profetieën kunnen uitgesproken zijn over een langere periode van Ezechiëls bediening, maar het feit dat ze op deze manier tot zeven verzameld zijn, en slechts zeven, suggereert dat het getal zelf symbolisch is: God spreekt tot alle volkeren.

(b) Intrigerend genoeg is Babylon er niet bij. Mogelijk is dit omdat Babylon Gods uitvoerder is bij het verpletteren van al deze volkeren.

(c) Het overgrote deel van de ruimte wordt gebruikt voor de veroordeling van Tyrus, op dat moment een krachtige stad-staat die heel veel rijkdom vergaarde door haar handel. Nadat Nebukadnessar klaar was met Jeruzalem, was Tyrus de volgende stad die hij met succes belegerde – en die belegering duurde dertien jaar. Ongetwijfeld waren de ballingen zeer geïnteresseerd om te horen of een stad als Tyrus al dan niet op dezelfde manier aansprakelijk werd gehouden als Jeruzalem.

(d) Vanuit een literair gezichtspunt, heeft het bundelen van deze profetieën tot één groep, samengebald tussen hoofdstuk 24 en 33 (wanneer het nieuws over Jeruzalems val in Babylon wordt vernomen), het effect van een verhoogde dramatische spanning. De eerste twee dozijn hoofdstukken van Ezechiël specifiëren op kleurrijke manier wat God zal doen. Dan, vooraleer de uitkomst te onthullen, verhaalt dit boek dat Gods gerechtigheid zal worden opgelegd aan alle volkeren. En dan volgt het verslag van wat Jeruzalem is overkomen.

De last van Ezechiël 25, met zijn profetieën tegen de eerste vier volkeren (elk ervan kleine staten rond Juda), bevat een nuttige les. Wanneer het machtige Babylonische leger uiteindelijk Jeruzalem aanviel en verwoestte, namen deze nabijgelegen staten deel aan de finale aanval. Waarschijnlijk poogden ze voor een deel in de gunst van Babylon te komen. Ze probeerden ook Juda te slopen.

Hun harteloze begerigheid en hoogmoedige wraak is een gruwel voor de Heer, en daarvoor zullen ze betalen. Denk na over de implicaties.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 21 september 2013

Des morgens nu sprak ik tot het volk, des avonds stierf mijn vrouw (Ez. 24)


2 Samuël 17; 2 Korintiërs 10; Ezechiël 24; Psalm 72
Het tweede deel van Ezechiël 24 (Ezech. 24:15-27) is mogelijk het meest hartverscheurende gedeelte van het hele boek. Elders vangen we glimpen op van Ezechiël de trouwe profeet, Ezechiël de volhardende getuige van de waarheid van God, Ezechiël de man die bereid is te handelen vanuit bijzonder symbolische parabels. Hier lezen we over Ezechiël de echtgenoot.

Een paar opmerkingen:

(1) Een kleine hint naar hoe Ezechiël zijn vrouw zag komt naar boven in de uitdrukking die God gebruikt: ‘de lust van uw ogen’ (24:16). Als Ezechiël dertig jaar was in het vijfde jaar van de ballingschap (1:1-2), dan kan hij nu in het negende jaar (24:1) niet meer dan vier- of vijfendertig geweest zijn, en vermoedelijk was zijn vrouw niet ouder.

Ezechiël is niet de enige leider van Gods volk die te lijden krijgt onder verwoestend persoonlijk verlies. Hier wordt hem al op voorhand gezegd dat de klap zal komen (vooraf al weten is zowel een zegen als een beklemming), maar hij krijgt ook de opdracht niet te rouwen: zijn stilte bij een dergelijke aangelegenheid, in een maatschappij die bekend staat voor zijn ongehinderde uitingen van rouw, wordt opnieuw een symbolische profetische actie.

(2) Je kunt bijna de enorme zelfbeheersing voelen in de beknopte woorden: ‘Des morgens nu sprak ik tot het volk, des avonds stierf mijn vrouw. En op de volgende morgen deed ik, zoals mij bevolen was’ (24:18, cursief toegevoegd).

Zijn stilzwijgen kan verkeerd begrepen worden als ongevoeligheid, maar in dit geval niet voor lang. De mensen weten welk soort man hij is, en bemerken dat zijn volkomen zelfbeteugeling een boodschap voor hen bevat (24:19).

(3) Ezechiël onthult aan het volk de betekenis van zijn stilte (24:20-24). De lust van hun ogen, het verlangen van hun hart, dat waarop ze nog altijd hun hoop vestigen, is de stad Jeruzalem. Vanaf die plaats, zo dachten ze, zal God uitbreken en hen redden. Maar Jeruzalem zal weggenomen worden, net zoals Ezechiëls vrouw weggenomen werd. En wanneer dit gebeurt, mogen ze niet meer wenen dan Ezechiel heeft gerouwd over de dood van zijn vrouw.

Wat betekent dit?

(a) Sommigen denken dat dit een veroordeling is van het volk: ze zijn zodanig hard en ongevoelig dat het rouwen over de val van de stad hen niets zegt. Deze verklaring past helemaal niet in het boek in zijn geheel. (b) Anderen denken dat de tragedie van Jeruzalems vernietiging zodanig diep gaat dat er geen enkele uitdrukking van rouw gepast is. Dit is mogelijk, maar Ezechiël is niet stil omwille van de diepte van zijn verlies, maar omwille van Gods bevel.

(c) Het kan dus zijn dat het volk hier de opdracht krijgt niet te rouwen over de val van de stad, omdat het oordeel zo volkomen verdiend is (vgl. 14:22-23; 1 Sam. 16:1).

Denk in het licht van 24:25-27 na over 3:26-27 en 33:21-22.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 20 september 2013

Wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten (Ps. 71)


2 Samuël 16; 2 Korintiërs 9; Ezechiël 23; Psalmen 70-71

Hoge ouderdom. Het is niet iets waar onze generatie graag heel veel over spreekt, althans niet in realistische bewoordingen. We spreken over voorbereidingen treffen voor ons pensioen (de VUT in Nederland), maar slechts met de grootste tegenzin bereiden we ons voor op krachteloosheid en de dood.

Heel weinig mensen spreken openlijk en vrijuit over deze zaken – zonder aan de ene kant, er te blijven op terugkomen (wat aantoont dat ze er bevreesd voor zijn), of, aan de andere, ze te onderdrukken (wat opnieuw aantoont dat ze er bevreesd voor zijn).

Het toont veel meer verantwoordelijkheidszin om te leren hoe je trouw ouder wordt, om te leren hoe je goed sterft. Dit is wat de psalmist wilde: ‘Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms, begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat… wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid, o God, niet verlaten, totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’ (Ps. 71:9, 18). Van zijn jeugd aan, zo wist hij, had God hem onderwezen (71:17). Nu bidt hij tegen verlating op hoge ouderdom.

Aan de ene kant vraagt de psalmist in de eerste plaats dat God hem zal beschermen tegen aanvallen van buitenaf wanneer hij te oud en te zwak is om zich te verzetten (71:10 e.v.). Dit zou een bijzondere zorg zijn indien de auteur van deze specifieke psalm David is of een andere Davidische koning. Een nabijgelegen natie die Israël niet durfde aanvallen wanneer hij veertig was, kon stoutmoediger worden wanneer David de zeventig naderde.

Hoewel de meesten van ons geen koningen zijn, is het juist en goed om God voor speciale bescherming te bieden wanneer we zo bejaard en zwak worden dat het gemakkelijk wordt voor anderen om van ons te profiteren.

Maar Davids visie is verstrekkender dan louter bescherming. Hij wil zo leven in zijn ouderdom dat hij zijn getuigenis doorgeeft aan de volgende generatie. Zijn doel is niet om comfortabel te leven in zijn pensionering, maar om zijn jaren als senior te gebruiken ‘totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig, aan ieder die komt, uw sterkte’.

Dit is een gebed dat bij uitstek waard is om gebeden te worden. Zouden heiligen in hun ouderdom niet moeten bidden voor genade om aan een volgende generatie door te geven wat ze geleerd hebben? Misschien in een situatie van één op één, of in kleine groepen.

Misschien zal iemand van hen een jonge christen of verlaten dakloze onder zijn of haar vleugels nemen. Misschien zal een ervaren gebedsstrijder een jonge christen leider leren hoe hij moet bidden.

En wanneer er zelfs voor deze dingen te weinig kracht is, moeten we bidden dat Gods genade zo in onze zwakheid zal werken dat God verheerlijkt wordt door ons heen: misschien zullen we jongere christenen leren hoe ze onder lijden moeten volharden, hoe ze temidden de pijn kunnen vertrouwen, en hoe ze in de genade van God kunnen sterven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 19 september 2013

Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die op de bres zou kunnen staan (Ez. 22)


2 Samuël 15; 2 Korintiërs 8; Ezechiël 22; Psalm 69

Mijn roeping tot de bediening was verbonden met Ezechiël 22:30-31: ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen – luidt het woord van de Here HERE.’

We moeten eerst nadenken over dit gedeelte in zijn eigen tekstuele en historische context. Ezechiël 22 veroordeelt de zonden van Jeruzalem, die stad ‘berucht om […] onreinheid en vol van wanorde!’ (22:5). Het gedeelte focust in het bijzonder op de zonden van de leiders – de koningen en vorsten, de priesters, de profeten – en toont de manier waarop hun zonden het volk in zijn geheel schade toegebracht hebben.

In elke cultuur in verval wordt veel van dit verval veroorzaakt door de leiders en predikers die handelen uit eigenbelang of zelfs hebzuchtig zijn, corrupt en mogelijk valsaardig, mensen die veel meer interesse hebben in macht verwerven dan in dienen, mensen die meer aandacht schenken aan de ‘draai’ die ze kunnen geven aan publieke antwoorden dan aan het waarheidsgehalte van hun antwoorden.

Al snel rafelt het volledige weefsel van de cultuur uit. Corruptie wordt gauw getolereerd, en vervolgens verwacht. Cynisme is aan de orde van de dag. Meer en meer mensen doen meer en meer datgene waarmee ze denken weg te komen. Integriteit wordt zodanig zeldzaam dat het nieuwswaardig wordt.

Dit is wat er het oude koninkrijk van David overkwam. Wanneer God zegt dat Hij naar een man zocht om de muur op te bouwen en in de bres te staan voor Hem ten behoeve van het land opdat Hij het niet zou moeten vernietigen (22:30), dan pikt Hij voor een deel de beeldtaal op die al gebruikt wordt in hoofdstuk 13 met betrekking tot de valse profeten (zie de overdenking voor 10 september).

Maar Hij is ook op zoek naar een middelaar, een leider als Mozes die kan voorbede doen voor het volk wanneer het zondigt (Ex. 32-33), een leider die geroepen en toegerust is om gerechtigheid en recht te vestigen.

In Israël, aan het begin van de zesde eeuw, vond Hij er geen. Natuurlijk had God Jeremia in Jeruzalem en Ezechiël onder de ballingen. Maar deze mannen moesten Gods woord verkondigen in tijden van verval. Het was niet hun taak om de muur te herbouwen, of in de bres te staan, om de toorn van God af te wenden.

Oppervlakkig bekeken zou je natuurlijk kunnen zeggen dat Nehemia de muur herbouwde, en dat Ezra terug gerechtigheid bracht. Maar uiteindelijk zou er maar één Middelaar volstaan om in de bres te staan.

En mijn roeping, meer dan drieëndertig jaar geleden? Het was ingewikkeld. Ik verstond dit gedeelte niet al te goed. Maar de Geest van God trof me er hard mee, en ik wist alleen dat ik in de bres wilde staan voor Hem en zijn volk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 18 september 2013

Zingt Gode, psalmzingt zijn naam (Ps. 68)


2 Samuël 14; 2 Korintiërs 7; Ezechiël 21; Psalm 68

Psalm 68 is een van de meest uitbundige en uitgelaten psalmen in het psalter. De openingszinnen vermengen lofprijs en gebed dat focust op Gods gerechtigheid en ontferming (68:2-7). De volgende verzen (68:8-19) schetsen het voortschrijden van God zelf vanuit Sinaï – waarschijnlijk naar Jeruzalem als de plaats waar de tabernakel zou gevestigd worden.

Sommigen hebben gesteld dat deze psalm geschreven werd om gezongen te worden voor de vreugdevolle optocht die de ark terugbracht van het huis van Obed-Edom naar de stad van David (2 Sam. 6:12).

Waarschijnlijk beschrijven de verzen 25-28 de stoet van deelnemers aan de optocht wanneer ze in zicht komen, terwijl ze de ark naar Jeruzalem terugbrengen (vergelijk de lijst met 1 Kron. 13:8; 15:16-28). Zo groot is de heerlijkheid van de Heer die regeert in Jeruzalem, dat al de andere naties worden gezien als naderend om Hem hulde te brengen.

De psalm eindigt met een uitbarsting van aanzwellende lofprijs (68:33-36): ‘Geducht zijt Gij, o God, uit uw heiligdom; Hij, Israëls God, verleent sterkte en volheid van kracht aan zijn volk’ (68:36).

Maar hier wil ik wat dieper nadenken over 68:12: ‘De Here deed het machtwoord weerklinken; de boodschapsters van goede tijding waren een grote schare’. In de context van deze psalm, is het ‘machtswoord’ dat de Heer aankondigde, het woord van overwinning.

We moeten ons iets voorstellen als het tafereel uit 2 Sam. 18:20 e.v., waar een triomferende generaal zijn overwinning aankondigt - alleen behoort hier de overwinning aan de Heer, en Hij is Degene die het woord aankondigt.

Het gevolg is als in 1 Samuel 18:6-7: de straten lopen vol met mensen die dansen en zingen van vreugde bij de overwinning. Toen de Heer het woord aankondigde, waren de boodschapsters van goede tijding (…) ‘een grote schare’ – en wat ze verkondigen wordt gevonden in de volgende verzen.

Elk van de overwinningen van de Heer verdient onze lof en onze verkondiging. Dit is waarom de overwinningen die hier in beeld zijn een patroon vormen voor dingen die nog moeten komen. Wanneer de Heer aankondigt dat Hij de sancties die aan Israël waren opgelegd, zal omkeren, moet het goede nieuws verkondigd worden tot aan de einden der aarde: de schare boodschappers die dergelijk goed nieuws brengen hebben liefelijke voeten (Jes. 52:7; zie de overdenking van 20 juni).

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat Paulus Jesaja 52:7 citeert met betrekking tot het evangelie (Rom. 10:15): het ultieme einde van de ballingschap, de ultieme triomf van God, ligt in het evangelie zelf.

Zoals het geval is met de liefelijke voeten die door de bergen rennen om het goede nieuws te brengen, en zoals het geval met het gezelschap van hen die het woord verkondigen dat de Heer aankondigde, zo is het ook met ons (en zoveel te meer nog!): de enige juiste respons op het woord van de glorieuze overwinning van God in het kruis van Jezus Christus is dat er een grote menigte is om die te verkondigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 17 september 2013

Maar Ik heb gehandeld ter wille van mijn naam (Ez. 20)

2 Samuël 13; 2 Korintiërs 6; Ezechiël 20; Psalmen 66-67
Net als in Ezechiël 8, waar de oudsten van de ballingengemeenschap de profeet gaan raadplegen, doen ze dit ook in Ezechiël 20. Zoals bij die eerdere gelegenheid geeft God Ezechiël ook nu iets om te zeggen aan de oudsten en de gemeenschap die ze vertegenwoordigen.

Een deel van wat Ezechiël doorgeeft is al eerder gezegd. De soevereine Heer is niet al te happig om zich te laten beraden wanneer hij ziet dat hun harten zo ver van Hem verwijderd zijn (20:2-4, 31; vgl. Ez. 13-14).

Er volgt een overzicht van Israëls geschiedenis van rebellie. Maar er zijn twee of drie thema’s in dit hoofdstuk, die ofwel nog niet eerder aan bod kwamen of nog maar weinig werden vermeld.

Het eerste is de zuivere heerlijkheid van God: dit is een van de bekommernissen die God drijft tot de oordelen die al zijn uitgestort en die nog voor de deur staan. Ter wille van zijn naam heeft God aldus gehandeld, ‘om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid’ (20:14; vgl. 20:22).

Dit thema wordt verder ontvouwd in de hoofdstukken 36 en 39. Het is zo fundamenteel in de Schrift dat we gevaar lopen het over het hoofd te zien, juist omdat het zo vertrouwd is. We zijn bijvoorbeeld gewoon geraakt om te denken, wanneer Jezus naar het kruis gaat, aan Gods liefde voor ons door het zenden van een zo verbijsterend geschenk, of aan Jezus’ liefde voor ons dat Hij onze schuld en straf op zich nam in zijn eigen lichaam aan het kruis.

Allemaal waar. Maar de Schrift benadrukt ook dat de verhoging van Christus het gevolg is van de wil van de Vader dat allen de Zoon zouden eren zoals zij ook de Vader eren (Joh. 5:23; vgl. Joh. 12:23).

Wanneer Jezus naar het kruis gaat, handelt Hij deels uit pure liefhebbende gehoorzaamheid aan zijn Vader (vgl. Joh. 14:31; vgl. 15:9-11). Gods geweldige heilsplan is tot lof van zijn heerlijkheid (Ef. 1:3-14). Dit moet ook ons begrip van God vormen – en dus ons gebedsleven en onze prioriteiten.

Dit is ook waarom, in de tweede plaats, God zijn volk niet zal toestaan dat ze zich goed voelen in hun zonde. De wet werd gegeven zodat degene die ze gehoorzaamt ‘daardoor zou leven’ (20:11, 21, 25; vgl. Lev. 18:5) – in deze context betekent dit dat degene die de wet gehoorzaamt voorspoedig zal zijn. Wanneer het volk ongehoorzaam is en wil ‘aan de volken gelijk worden, zweert God dat wat hen in de zin is gekomen, ‘geenszins zal geschieden’ (20:32).

In plaats daarvan zal God over zijn naam waken, hen ‘in de band van het verbond’ brengen (20:37) en zijn grimmigheid uitstorten (20:33) zodat het volk niet zal ‘leven door’ de zondige inzettingen die zij verkiezen: zij zullen niet voorspoedig zijn.

Jaren van lankmoedigheid van Godswege (of het nu gaat om toen of nu) moeten uiteindelijk uitmonden in ofwel transformatie, of in oordeel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 16 september 2013

Hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël (Ez. 19)


2 Samuël 12; 2 Korintiërs 5; Ezechiël 19; Psalmen 64-65
Het klaaglied over Israëls vorsten (Ez. 19) is op zeker vlak nogal rechtuit. De leeuwin in de openingsverzen van de psalm is de natie in haar geheel, die het leven schonk aan de koningen. Net als nu was de leeuw toen ook de koning van de dieren, en zo dient hij gauw als een symbool voor de koninklijke Davidische lijn (bijv. Gen. 49:9; Micha 5:8). In 19:10-14 is het land de wijngaard.

De koningen waar Ezechiël in elk onderdeel aan denkt zijn duidelijk. Joachaz is de eerste die in beeld komt. Hij werd gevangen genomen en naar Egypte gebracht in 609 v.C. (19:4). Jojakim wordt overgeslagen, maar het lot van Jojakin wordt duidelijk gemaakt in 19:5-9. Hij werd naar Babylon meegenomen in 597 (19:9). Het lot van Zedekia wordt uitgewerkt in 19:10-14.

Indien dit gedicht rond dezelfde tijd geschreven werd als de hoofdstukken er omheen (d.w.z. rond 592 of 591), dan was Zedekia natuurlijk nog niet verslagen (587). In dat geval is dit gedeelte van het gedicht voorspellend. Anders kan het dat Ezechiël het klaaglied vervolledigde na de gebeurtenissen van die dagen.

Het is opmerkelijk dat de woorden niet gewoon maar de omverwerping van een kleinere macht door een superieure macht schetsen, maar de neergang van de lijn en zelfs de achteruitgang van de natie. Dit maakt deel uit van het beeld van de wijngaard in 19:12-14. Het land zelf werd ziekelijk zwak: ‘Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf tot heersen!’ (19:14).

De ergste ironie is dat het vuur dat de vruchten van de wijngaard verteerde, uitging van een van zijn sterkste takken: dit alludeert naar Zedekia’s rebellie, die op haar beurt de strafexpeditie van de Babyloniërs over zich uitriep.

Dit maakte niet alleen een einde aan de Davidische lijn, maar betekende gedurende vele jaren ook nagenoeg de vernietiging van Israëls nationale identiteit.

Binnen de theologie van Ezechiëls profetie op haar geheel, was God, die in oordeel handelt, natuurlijk de ultieme oorzaak van Israëls omverwerping. Maar hier is het duidelijk dat de oorzakelijke rol voor de vernietiging van de natie bij haarzelf lag.

Het is niet voor het eerst en niet voor het laatst dat een natie of een instituut van binnenuit vernietigd werd. Lezers van de geschiedenis zullen denken aan het Romeinse Rijk, de Russische jaren onder het communisme, diverse plaatselijke gemeenten, christelijke universiteiten, confessionele seminaries, en ga zo maar door.

Ze weten dat menselijke instituten nooit zo veilig opgebouwd zijn dat de uitkomsten zeker kunnen zijn. Want het hart van het menselijke dilemma is zodanig diep geworteld in persoonlijke zonde dat geen structuur het finaal kan veranderen.

Het klaaglied over Israëls vorsten wordt een klaaglied over het mensengeslacht, dat wanhopig een oplossing nodig heeft die veel dieper gaat en effectiever is dan prinsen, presidenten en structuren ze ooit kunnen bieden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 15 september 2013

De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden (Ez. 18)

2 Samuël 11; 2 Korintiërs 4; Ezechiël 18; Psalmen 62-63
Het pleidooi voor individuele verantwoordelijkheid klinkt waarschijnlijk nergens in de Bijbel sterker dan in Ezechiël 18. Maar het is belangrijk het gedeelte te verstaan binnen zijn historische en theologische context, vooraleer te pogen het toe te passen op onze eigen tijd.

De spreuk die geciteerd wordt in vers 2, ‘de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden’, vinden we ook in Jeremia 31:29, dus moet ze zowel in Jeruzalem als onder de ballingen zijn rondgegaan.

Blijkbaar gebruikten sommige mensen het gezegde als een gemakkelijke uitvlucht: er was maar weinig dat zij konden doen aan hun ellendige lot, zo zeiden ze, aangezien ze leden onder de zonden van hun vaderen, waaraan zij niets konden doen.

Dus in plaats van gerechtigheid en verbondshernieuwing na te streven gebruikten ze het gezegde als een excuus voor morele onverschilligheid en vermoeid fatalisme. Maar als het niet op dergelijk droevig slot uitdraait, leert het gezegde in feite wel enige waarheid. Op verschillende manieren overschrijdt gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wel degelijk de generatiegrenzen.

Bij het geven van de Wet verklaart God zelf dat Hij de kinderen straft voor de zonden van hun vaderen tot in het derde en vierde geslacht van wie Hem haten – hoewel dit natuurlijk veronderstelt dat die latere generaties voortgaan met Hem te haten.

De prediking van Jesaja, van Jeremia en van Ezechiël zelf dreigt met lijden en ballingschap omwille van de aanhoudende rebellie en afgoderij van zowel voorgaande generaties als van de huidige generatie Israëlieten.

Wijzelf weten dat zonde vaak sociaal is in zijn gevolgen: bijvoorbeeld kinderen met een achtergrond van misbruik worden vaak zelf misbruikers, kinderen uit arrogante families worden vaak zelf arrogant, of worden op de duur gebroken en bitter. Zonde is slechts zelden volledig privaat en individueel. Het gezegde is niet volledig verkeerd.

Wanneer Jeremia dit gezegde weerlegt, is het alternatief dat hij presenteert eschatologisch – dit wil zeggen, het gezegde zal in de laatste dagen verdwijnen, met het aanbreken van het nieuwe verbond (zie de overdenking voor 3 augustus).

Ezechiëls punt is een beetje anders. Gods is bekommerd om elke individuele persoon: ‘Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij’ (18:4). Welke sociale gevolgen er bovendien ook aan zonde vasthangen, je mag het gezegde nooit als een excuus gebruiken om huidige zonde te bedekken. Individuele verantwoordelijkheid blijft altijd staan: ‘de ziel die zondigt, die zal sterven’ (18:4).

Dit is het belang van de voorbeelden van gedragsverandering in dit hoofdstuk. Ze zetten niet enkele eenvoudige blauwdrukken neer van gerechtigheid door werken. Eerder benadrukken ze dat ware godsdienst transformeert, en geen excuus zal toereikend zijn (misschien achter een gezegde verborgen). De praktische conclusie vinden we in 18:30-32, een gedeelte dat verdient om uit het hoofd geleerd te worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 14 september 2013

Leid mij op een rots die mij te hoog zou zijn (Ps. 61)


2 Samuël 10; 2 Korintiërs 3; Ezechiël 17; Psalmen 60-61

Een collega-voorganger van me, Dr. Roy Clements, heeft vanuit een aantal psalmen gepredikt onder de reekstitel ‘Liederen van ervaring’ (Songs of Experience). De titel is verhelderend. Hoewel de psalmen vol lering staan, zijn ze geen samenvattingen van lering. Veel van de Psalmen zijn, nogal letterlijk, liederen van ervaring.

In de Psalmen worden niet weinig leerstellingen stevig verankerd in onze gedachten, of hun implicaties worden uitgewerkt in onze levens, precies omdat ze aan de kook gebracht worden in de pot van ervaring.

Om de zaak anders te stellen, de bestaansreden van veel leerstellingen wordt best gezien in de manier waarop ze gestalte krijgen in mensenlevens. Zo zijn er psalmen van hoop, van angst, van twijfel, van exuberante vreugde, van vergeving, van teleurstelling, van boosheid, van wanhoop, van eenzaamheid, van contemplatie. Veel psalmen springen van de ene gemoedsgesteldheid naar de andere.

Een van de psalmen die we voor onze aandacht hebben, Psalm 61, toont ons David terwijl hij hunkert naar de veiligheid die alleen God kan geven. Wanneer de psalm aanvangt, lijkt David te lijden onder uitputting of depressie (61:3). Misschien is hij, wanneer deze zinnen neergeschreven worden, ver van huis: ‘Van het einde des lands roep ik tot U’ (61:3).

Aan de andere kant kan dit gewoon een dichterlijke manier zijn om uit te drukken hoe vervreemd hij zich voelt, hoe veraf van de levende God. Wat hij dan wil, is een ‘schuilplaats’ (61:4), ‘een sterke toren tegen de vijand’ (61:4) – of hij smeekt God met de zin die in veel liederen verwerkt werd, ‘leid mij op een rots die mij te hoog zou zijn’ (61:3).

Dit roept tegenstrijdige beelden op: een rots die een schuilplaats biedt aan iemand die neergeslagen wordt door de zon, een rots die een grillige verschansing vormt - iets veel veiliger dan de man zelf kan zijn.

Maar de daaropvolgende verzen tonen dat de veiligheid waarnaar David verlangt nooit herleid kan worden tot fysieke kracht, ‘een sterke toren’ – een Maginotlinie, een nucleaire afschrikking, een carrier task force of gevechtseenheid. ‘Laat mij in uw tent voor altoos vertoeven, laat mij schuilen, geborgen onder uw vleugelen’ (61:5).

Het gebed voor veiligheid is ontzettend persoonlijk geworden: David hunkert bovenal naar de aanwezigheid en bevestiging van God zelf. Deze God beschermt de zijnen – en de zijnen zijn degenen die God het heerlijke erfdeel geschonken heeft zijn naam te vrezen (61:6).

Het is bijna alsof de precieze aard van de veiligheid die God biedt langzaam tot David doordringt. Elk vers voegt een steeds dieper begrip toe van de ware grond van de veiligheid van de gelovige, culminerend in dit gebed voor de koning: ‘moge hij voor altoos tronen voor Gods aangezicht, beschik goedertierenheid en trouw, dat zij hem behoeden’ (61:8). Er is geen grotere veiligheid mogelijk. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat David zijn bespiegeling besluit in ongebreidelde lof (61:8) – zoals ook ons past.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 13 september 2013

Mensenkind, doe Jeruzalem haar gruwelen kennen (Ez. 16)

2 Samuël 8-9; 2 Korintiërs 2; Ezechiël 16; Psalmen 58-59

Waar Ezechiël 15 Jeruzalem voorstelt als een nutteloze wijnstok (een beeld dat ook elders opduikt, bijv. Ps. 80; Jes. 5), daar stelt Ezechiël 16 Jeruzalem voor als een hoer.

De taal is schokkend, vreselijk – en dit is bewust zo gedaan. De lange analogie begint als een eerder vreemde versie van ‘My Fair Lady’: absoluut alles waar deze vrouw van geniet, het meest nog het leven zelf, is het directe gevolg van Gods genadige tussenkomst.

Maar heel anders dan in ‘My Fair Lady’, waarin de man zich een onbedachtzame en zelfgerichte manipulator betoont tot op het ogenblik dat de dame, de ‘lady’, die hij gevormd heeft uit een kind van de straat hem terechtwijst, is het hier God die zich onwrikbaar toont in zijn trouw.
Bovendien wordt Hij gekwetst door de ondankbaarheid en het verraad, inherent aan het continu achterna lopen door deze vrouw van andere minnaars – d.w.z. andere goden. Ze blijkt niet alleen ‘door hartstocht verteerd’ maar ook ‘brutaal’ (16:30).

Erger nog, terwijl hoeren loon krijgen voor hun diensten, betaalt deze vrouw anderen zodat ze met hen kan slapen. Israël werd niet zozeer verleid tot afgoderij en werd niet op een of andere manier betaald om zich in afgoderij te storten, maar veeleer nam ze een actieve rol op en heeft ze nogal wat betaald om te kunnen zwelgen in afgoderij, precies omdat dit hetgeen is dat ze wil doen.

De analogie wordt uitgebreid om te praten over de oudere zuster (de noordelijke stammen, die meer dan een eeuw eerder in gevangenschap gingen omwille van hun geestelijke overspel). De Judeëers lijken zichzelf superieur te achten tegenover plaatsen als Sodom (spreekwoordelijk voor zijn zonde), maar ook over de noordelijke stammen; God zegt dat Juda zo slecht is dat de andere twee ‘zusters’ in vergelijking met haar onschuldig lijken (16:49-52).

Er zijn vier redenen waarom de analogie werkt.

(a) Het brengt de emotionele verschrikking van afval aan het licht. Afval zoals ontucht wordt gezien als het verraderlijk, verachtelijk, pijnlijk, zelfzuchtig gedrag dat het in werkelijkheid is.

De kwestie draait niet om vrijheid van religie (net als overspel geen vrijheid is van seksuele kortzichtigheid), maar om eigenliefde en onberekenbaarheid.

(b) Het huwelijk kan gezien worden als een verbondsrelatie. Het huwelijksverbond op die manier breken is duidelijk een weerspiegeling van het breken van het verbond tussen God en het volk dat hij bevrijdde uit de slavernij van Egypte. In beide gevallen is de afval/ het overspel een flagrante verachting van plechtige beloften.

(c) De voorstelling boort een groot bijbels-theologisch thema aan dat bijna door de hele Schrift loopt: Jahweh is de bruidegom van de gemeente; de ultieme vervulling is het bruiloftsmaal van het Lam.

(d) Alle verbondstrouw vereist de juist manier van ijverig gedenken: herlees 16:43, 60, 61, 63 en denk na over 1 Korintiërs 11:23-26.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 12 september 2013

Nieuwe reeks Bijbellezingen Menen: Geloven in de 21e eeuw



Zaterdag 21 september e.k. vangt een nieuw seizoen Bijbellezingen aan. Zoals je in de afbeelding ziet zijn er in totaal 6 lezingen voorzien onder de hoofdtitel 'Geloven in de 21e eeuw'. Of anders verwoord: welke invloed, welke praktische gevolgen heeft het geloof op diverse levensterreinen?

De eerste lezing wordt verzorgd door Gerard Hoddenbagh en heeft als titel 'De gelovige en zijn/haar God'. Hoe ziet een gezond geloofsleven eruit? Wat betekent het te leven met God? Denk maar aan Paulus die aan de Filippenzen schrijft 'Te leven is voor mij Christus en te sterven is winst' (1:21).

De lezing vindt plaats in CC De Steiger, Waalvest 1 in 8930 Menen. Aanvang: 19.30 u.
(Merk op: 2 lezingen uit de reeks staan gepland op vrijdagavond in plaats van op de gebruikelijke zaterdagavond.)

Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die het voor mij voleindigt (Ps. 57)

2 Samuël 7; 2 Korintiërs 1; Ezechiël 15; Psalmen 56-57
Het opschrift van Psalm 57 verduidelijkt dat deze psalm geschreven werd toen David ‘voor Saul in de spelonk vluchtte’ (vgl. 1 Sam. 22:1; 24:3). Wat we dan krijgen is iets van de emotionele en geestelijke toon van de man op een ogenblik dat hij eigenlijk kon zeggen dat er ‘slechts één schrede’ was tussen hem en de dood’ (1 Sam. 20:3).

Enkele gedachten:

(1) Zelfs wanneer hij om genade schreeuwt, drukt David zijn vertrouwen uit in Gods soevereine macht. De taal is verbijsterend: ‘Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die het voor mij voleindigt’ (57:3). De titel ‘Allerhoogste’ is niet zeer gebruikelijk in de Psalmen. Misschien denkt David aan een andere man zonder huis, Abraham, die meer vertrouwd was met deze manier om God aan te spreken.

David denkt zeker niet dat de omstandigheden deze God op een of andere manier uit de hand zijn gelopen. Hij smeekt om genade, maar hij erkent dat God, de machtige God, zijn plannen in hem vervult.

Deze mengeling van nederig pleiten en rustig vertrouwen op Gods soevereine macht komt heel vaak terug in de Schrift. Nergens bereikt het een hoger niveau dan in het gebed van de Heer Jezus in de hof Getsemane: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Mt. 26:39). Elke volgeling van Jezus Christus zal in zekere mate de beklemming en de vreugde van dit soort gebed willen leren.

(2) Het refrein in 57:6 en 12 – ‘Verhef U boven de hemelen, o God; uw heerlijkheid zij over de ganse aarde’ – toont ons David niet alleen in eerbiedige aanbidding, maar bevestigt iets wat gelovigen makkelijk vergeten, zeker wanneer ze onder spanning staan. Misschien dat het duidelijkste Nieuwtestamentische equivalent wel in het gebed ligt dat de Heer Jezus ons leerde: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd’ (Mt. 6:9).

Hier overdenkt David niet Gods soevereine macht, maar Gods soevereine belang. Nog belangrijker voor David dan of hij nu wel of niet uit de grot ontkomt, is dat God verheerlijkt wordt boven de hemelen.

Het bewogen gebed dat gewillig dringende persoonlijke belangen onderwerpt aan Gods heerlijkheid ademt vreugde en stabiliteit uit: ‘Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust; ik wil zingen, ja psalmzingen’ (57:8).

(3) Eerder treffend is Davids blik op de ruimte waar hij van plan is te getuigen: ‘Ik zal U loven, o Here, onder de volken, ik zal U psalmzingen onder de natiën; want hemelhoog is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw’ (57:10-11).

Geen beperkte blik, hier. En vandaag, wanneer ontelbare miljoenen deze woorden zingen, is Davids gelofte veel uitgebreider vervuld dan hij zich ooit kon voorstellen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 11 september 2013

Mensenkind, deze mannen dragen hun afgoden in het hart (Ez. 14)


2 Samuël 6; 1 Korintiërs 16; Ezechiël 14; Psalm 55

Drie opmerkingen vanuit Ezechiël 14:

Ten eerste ruikt de bijzondere uitdrukking ‘dragen hun afgoden in het hart’, die diverse malen met minieme variaties wordt herhaald in 14:1-8, naar dubbelhartigheid. Publiek kan er nog aardig wat verbondstrouw gevonden worden, maar er is gewoon geen hartsloyaliteit. Afgoden oprichten in je hart staat gelijk met afvallig worden van de levende God (14:7).

Dit gevaar is vandaag niet minder verraderlijk dan in Ezechiëls tijd. We kunnen er ergens wel in slagen om ons aan onze geloofsbelijdenis te houden, maar als er iets misgaat, dan toont onze ongecontroleerde woede dat we weinig echt vertrouwen in de levende God bezitten: onze geheime afgod is comfort en fysiek welzijn.
We bezoeken de kerk, maar in de privésfeer bidden we zelden of lezen we het Woord van God weinig zorgvuldig. We zingen lustig op zendingsconferenties, maar hebben al jaren het evangelie niet meer met iemand gedeeld. En diep vanbinnen zijn we meer geïnteresseerd in onze reputatie, of in seks, of in reizen, dan vol te worden van de schitterende glans en majesteit van God.

Denk goed na over 14:8 en vraag vergeving en genade om meer vasthoudend te worden.

Ten tweede zijn degenen die afgoden in hun hart oprichten precies die mensen die het makkelijkst een profeet of prediker opzoeken om de schijn op te houden en zich van een beetje hulp voor onderweg te verzekeren.

Maar God zegt, ‘Ik, de HERE, zal hem bij zijn komst van antwoord dienen met zijn vele afgoden’ (14:4). Hij zal de profeten ‘verdwazen’ (14:9-11) – het woord kan hier beter weergegeven worden als ‘misleiden’. Gods ‘misleiding’ van de profeten maakt deel uit van zijn justitiële straf. Maar het is een specifieke ‘misleiding’, want Gods openbaring is daar al aanwezig in publieke Schrift die kan gelezen en bestudeerd worden; bovendien vertelt Hij de profeten nu openlijk over zijn justitiële hand over hen.

Bezaten ze ook maar een jota geestelijke fijngevoeligheid, dan had de waarschuwing hen tot zelfonderzoek en berouw aangezet. Maar nee: de straf is uitgesproken, en zij zijn misleid. Dergelijke profeten liegen tegen het volk, en het volk houdt van de leugens en luistert er naar (vgl. 13:19).

Ten derde wordt het oordeel soms zo onvermijdelijk dat zelfs de aanwezigheid van de meest rechtvaardige niet meer voor enig uitstel kan zorgen (14:12-23). De redenering veronderstelt de theologie van Genesis 18: God kan een zondige stad of zondig volk sparen ter wille van de rechtvaardige die er woont.

Maar waar de zonde welig tiert, zal zelfs de aanwezigheid van Noach (gespaard uit de zondvloed), Job (‘vroom’ en ‘oprecht’ verklaard, Job 1:1), en Daniël
(Ezechiëls tijdgenoot, die dienst doet aan het Babylonische hof en bekendstaat om zijn vroomheid), de ramp niet tegenhouden die God beveelt. Wanneer de ballingen de weerzinwekkende wandel van de nieuwe vluchtelingen zullen opmerken, zullen ze zich zelfs realiseren hoezeer God het bij het rechte eind had (14:22-23).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 10 september 2013

Wee de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen (Ez. 13)

2 Samuël 4-5; 1 Korintiërs 15; Ezechiël 13; Psalmen 52-54
In bijna elke generatie zijn er zowel ware stemmen als valse. Hoe kun je het onderscheid maken tussen beide?

De vraag kan niet uitvoerig beantwoord worden door slechts te verwijzen naar één Schriftgedeelte. Deuteronomium 13 bijvoorbeeld biedt een kader dat we zorgvuldig moeten doordenken, maar het is niet het enige. Hier in Ezechiël 13 wordt de kwestie niet zozeer opgeworpen als een lijst met punten om de rechtvaardigen te helpen onderscheid maken tussen ware en valse profeten, maar als een veroordeling van al wat vals is. Op die manier biedt God minstens een gedeeltelijk profiel van alle valse profeten.

(1) Valse profeten spreken vanuit hun eigen geest, uit hun eigen verbeelding. Ze kunnen wel denken dat ze iets van de Heer hebben, maar dit is niet zo. ‘Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd’ (13:6).

Dit is niet zozeer een principe dat de toeschouwer kan gebruiken, als wel een waarschuwing voor de valse profeten zelf. Valse profeten kunnen dan misschien wel andere mensen misleiden; God misleiden ze nooit. En het is aan God dat ze op een dag rekenschap zullen afleggen (13:8-9).

(2) Ze hebben het niet over de fundamentele kwesties van zonde, verdorvenheid, ongerechtigheid en verbondsverachting. Gebruiken we de metafoor van een ommuurde stad, dan kun je stellen dat ze in plaats van de ‘muur’ te herstellen, die slechts met kalk bedekken, zodat hij stevig genoeg lijkt voor de oppervlakkige waarnemer, zelfs al is hij hopeloos aangetast. ‘Gij zijt niet op de bressen gaan staan en gij hebt geen muur opgetrokken om het huis Israëls, opdat het op de dag des HEREN zou kunnen standhouden in de strijd’ (13:5), schrijft Ezechiël.

Een stevige storm haalt er de kalk af en brengt de vreselijke zwakheid aan het licht. De valse profeten komen aandraven met tekens en eindtijdgedachten en beloften van opwekking, maar ze getuigen niet van de heiligheid van God en de verdorvenheid van zonde; ze brengen geen mensen tot berouw, geloof en gehoorzaamheid.

(3) Ze zijn meer geïnteresseerd in voortekenen, in het voorspellen van persoonlijk geluk, in het dienen als persoonlijke spinners van ‘profetische’ hoop, dan in het overbrengen van het woord van de Heer. Ze zijn niet echt ernstige mensen – behalve dan als het gaat om hun ernst om betaald te worden (13:17-19).

(4) Een van de bredere gevolgen van de valse profeten is dat ze het ware volk van God ontmoedigen. Te veel valse stemmen in een cultuur en veel mensen raken in de war, gedesoriënteerd of worden ontmoedigd. In plaats van een morele standaard te handhaven die de nadruk legt op gerechtigheid en het karakter vormt en godsvrucht aanmoedigt, spreken deze mensen hun vervloekingen en taboes uit over mensen die God zelf niet veroordeeld heeft, en ze pleiten de zondaars vrij zodat die zich niet van hun boze wegen bekeren om hun leven te redden (13:20-23).

Waar in onze cultuur gedijen deze karakteristieken? Waar gedijen ze in de belijdende kerk?


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 9 september 2013

De tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit (Ez. 12)


2 Samuël 3; 1 Korintiërs 14; Ezechiël 12; Psalm 51
De betekenis van Ezechiël 12 is makkelijk te begrijpen.

Je kunt je de kracht in Ezechiëls symbolisch geladen acties voorstellen. Goed zichtbaar voor alle ballingen, pakt hij zijn schamele bezittingen op precies dezelfde manier als hij zou doen wanneer hij een Jeruzalemmer was die zich klaarmaakte voor een tocht van meer dan 1000 km om in ballingschap te gaan. Wat hij kon meenemen zou hij moeten dragen op zijn schouders.

’s Nachts graaft hij door de kleimuren van zijn eigen huis. Dit symboliseert waarschijnlijk de futiele poging van Zedekia en degenen uit zijn onmiddellijke omgeving om uit te breken (2 Koningen 25:4; Jer. 39:4): ze vluchtten, maar konden niet ontkomen.

Ezechiël doet het allemaal zonder een woord uit te brengen, en dan komt hij de volgende morgen met zijn boodschap: ‘ik ben voor u een zinnebeeld; zoals ik gedaan heb, zo zal aan hen geschieden: in ballingschap, in gevangenschap zullen zij gaan’ (12:11) – daarna volgt verdere uitleg (12:12-16).

De tweede symbolisch geladen actie voegt een laag toe aan iets dat er al is. Wat zijn publiek eten betreft, staat Ezechiël nog altijd op zijn verhongeringsporties, opgelegd in 4:9-17. Nu hij ze opeet, beeft hij en toont hij kommer en smart (12:17-20).

En dan de verbijsterende toepassing. De mensen hebben veel gehoord van profeten, en ze zijn zodanig cynisch geworden dat ze onder elkaar spreekwoorden uitwisselen: ‘de tijd verstrijkt, maar geen enkel gezicht komt uit’ (12:22); ‘het gezicht dat hij schouwt, heeft betrekking op een verwijderde toekomst, en hij profeteert aangaande verre tijden’ (12:27).

Uiteindelijk kom je er niet alleen valse profeten tegen, maar zelfs de ware profeten als Ezechiël en (in Jeruzalem) Jeremia blijven maar beloven dat de verwoesting van de stad komt, terwijl de jaren voorbijgaan en haar machtige muren intact blijven. Jeremia is er al decennialang.

Ongetwijfeld ziet God het lange uitstel als een krachtig bewijs van zijn lankmoedigheid en genade, waarbij hij diverse gelegenheden biedt tot berouw; het volk wordt er gewoon cynisch onder. Dus zal het oordeel zeker komen, zegt Ezechiël – en de populaire zegswijzen zullen eraan geloven.

Petrus past dezelfde les toe op christenen, waarbij hij zich baseert op een ander Oudtestamentisch verslag. Nadat de waarschuwingen begonnen, was de zondvloed decennialang op komst, en niemand was er klaar voor, behalve Noach en zijn gezin.

Het hoeft dus niet te verbazen dat in de ‘laatste dagen’ – de dagen tussen de eerste en tweede komst van Christus, de tijd waarin wij leven – nieuwe generaties van spotters komen en van hetzelfde wrange cynisme hun handelsmerk maken: ‘Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is’ (2 Pet. 3:3-4). Maar de zondvloed kwam. En zo zal ook het vuur komen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 8 september 2013

En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, naar wiens inzettingen gij niet gewandeld hebt (Ez. 11)

2 Samuël 2; 1 Korintiërs 13; Ezechiël 11; Psalm 50
Er zijn twee uiterst symbolische acties in Ezechiël 11, waarvan er één begint in Ezechiël 10 en de andere volledig in het hoofdstuk dat we voor de aandacht hebben:

(1) Alhoewel het moeilijk is om de beweging van de heerlijkheid des Heren helemaal te achterhalen, is het tamelijk duidelijk dat deze heerlijkheid, eens verbonden met de tempel – in het bijzonder met het Heilige der Heiligen en de ark van het verbond waarover de cherubim hun vleugels uitspreidden – de tempel verlaat en boven de mobiele troon zweeft.

Dezelfde mobiele troon als Ezechiël had gezien in Babylon staat nu stil bij de zuidelijke ingang van de tempel. De vier levende wezens, nu geïdentificeerd als cherubs, transporteren de heerlijkheid van de Heer naar de Oostpoort (10:18-19), en dan naar de berg ten oosten van de stad (11:23).

Zo verlaat de tegenwoordigheid van God justitieel de tempel en de stad. Niets staat hun verwoesting nu nog in de weg.

(2) Het beeld van de kookpot (11:3-12) roept het vals gevoel van veiligheid op dat een sterke, ommuurde stad zijn inwoners kon geven. De bewoners van Jeruzalem zagen zichzelf als het goede vlees in de ‘pot’ van de ommuurde stad, goed omgeven en beveiligd. Maar God zelf zal hen uitdrijven (11:7). Deze stad zal helemaal geen ‘pot’ voor hen zijn (11:11).

In werkelijkheid is het zo dat de Jeruzalemmers, die de ballingen geneigd waren te beschouwen als helden omdat ze nog altijd in Jeruzalem waren, buitengewoon arrogant waren. Terwijl de ballingen hun hoop op hen stelden, zagen de Jeruzalemmers de ballingen als afval, als mensen die door God verworpen waren en ver weg van het land en de tempel gebracht waren (11:14-15).

God zegt dat er nu zelfs een machtige ommekeer zal komen. God verspreidde de ballingen inderdaad onder de volkeren. Maar terwijl zij weg waren, is God zelf hun heiligdom geweest (11:16) – wat aantoont dat de tempel niet strikt noodzakelijk is voor God om te kunnen aanwezig zijn onder zijn volk, om hen tot een ‘heiligdom’ of ‘burcht’ te zijn.

Dus terwijl de bewoners van Jeruzalem zullen omgebracht worden (zelfs al verwerpen zij de ballingen als van geen belang), dan zal God een overblijfsel van onder hen bijeenbrengen (11:17). Uiteindelijk zal Hij een nieuw verbond instellen dat hen zal transformeren (11:18-20). Deze thema’s worden later in het boek meer in detail uitgewerkt (bijv. hoofdst. 36).

Het visioen van de hoofdstukken 8-11 eindigt met Ezechiël die teruggebracht wordt naar Babylon, waar hij het volk alles vertelt dat hij gezien en gehoord heeft. De eerste sprankeltjes hoop in dit boek zijn er, maar niet op de verwachte manier. Jeruzalem zal verwoest worden, en Gods plannen voor de toekomst draaien om de ballingen zelf. Hoe vaak in de Schrift bewerkt God zijn uitredding, zijn heil, door de zwakken en de verachten!


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 7 september 2013

Toen ging de heerlijkheid des HEREN weg van de dorpel van de tempel (Ez. 10)



2 Samuël 1; 1 Korintiërs 12; Ezechiël 10; Psalm 49
In het licht van het vreselijk oordeel dat tegen Jeruzalem wordt uitgesproken in Ezechiël 8-11, met het begin van het terugtrekken van de heerlijkheid van de Heer in Ezechiël 10, moeten we het dragen van dergelijke zonden in ons eigen kader doordenken:

Waarom kiezen we wat slechts een ogenblik kan standhouden
alvorens we het moeten achterlaten?
Waarom oefenen bezittingen zoveel brute kracht uit
Dat ze ons hard en onvriendelijk maken?
Waarom hebben gewone dingen de verlokking van een bloem
Waarvan de geur ons egoïstisch en blind maakt?
De waterbakken raken leeg, en we ademen bitterheid;
We wonen in de doodsvallei.

Waarom is bedrog aantrekkelijk voor ons
Die vaak gekwetst en bedrogen worden?
Waarom ruilen we trouwe toewijding voor begeerte,
En vergooien we onze integriteit?
Waarom smeken onze dromen, dan onze daden, om vertrouwen,
Terwijl onze schuld veel te zwaar is om te kunnen betalen?
De waterbakken raken leeg, en we ademen bitterheid;
We wonen in de doodsvallei.

Waarom spelen we koppig onze rol,
En proberen we de wereld ervan te overtuigen dat we winnaars zijn?
Terwijl we alleen maar voor winst onze ziel verkopen,
Om maar nummer 1 te kunnen zijn?
Waarom schroeien we ons geweten dicht, zodat wij de touwtjes in handen hebben –
Wanhopig over wat we geworden zijn?
De waterbakken raken leeg, en we ademen bitterheid;
We wonen in de doodsvallei.

O Jezus –

Waarom belooft U al onze dorst te laven,
Terwijl we al uw wegen veracht hebben?
Waarom redt U de verdoemden en vervloekten,
Door onze dood te sterven in onze plaats?
Waarom verandert u onze harten tot ze haast barsten
van levendige uitingen van lof?
De wel ontspringt met leven – en we worden gelaafd –
De bron die stroomt vanuit uw zijde.


Oorspronkelijke tekst:

Why do we choose what can last but an hour
Before we must leave it behind?
Why do possessions exert brutal power
To render us harsh and unkind?
Why do mere things have the lure of a flower
Whose scent makes us selfish and blind?
The cisterns run dry, and sour is our breath;
We dwell in the valley of death.

Why is betrayal attractive to us
Who often are hurt and betrayed?
Why barter faithful devotion for lust,
Integrity cast far away?
Why do our dreams, then our deeds, beggar trust,
Our guilt far too heavy to pay?
The cisterns run dry, and sour is our breath;
We dwell in the valley of death.

Why do we stubbornly act out a role,
Convincing the world that we’ve won?
Why for mere winning will we sell our soul,
In order to be number one?
Why sear our conscience so we’re in control—
Despairing of what we’ve become?
The cisterns run dry, and sour is our breath;
We dwell in the valley of death.

O Jesus —

Why do you promise to quench all our thirst,
When we have despised all your ways?
Why do you rescue the damned and the cursed,
By dying our death in our place?
Why do you transform our hearts till they burst
With vibrant expressions of praise?
The well flows with life—and we’re satisfied—
The fountain that flows from your side.

Eigen vertaling van de overdenking bij 7 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.