zaterdag 31 maart 2012

'Here, maar wat zal met deze gebeuren?' (Joh. 21)


Leviticus 2-3, Johannes 21, Spreuken 18, Colossenzen 1

Na het opmerkelijke gesprek waarin Petrus hersteld wordt voor de dienst, vertelt Jezus hem rustig dat dit discipelschap hem op een dag zijn leven zal kosten: ‘wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt’ (Joh. 21:18). Heeft de voorzegging op zich misschien iets onduidelijks, dan is die tegen de tijd dat Johannes alles opschrijft al helemaal verdwenen: ‘En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij God verheerlijken zou’ (21:19).

Waarschijnlijk is de overlevering juist dat Petrus als martelaar omkwam in Rome, rond dezelfde tijd dat Paulus werd terechtgesteld, beiden onder Keizer Nero, in de eerste helft van de jaren zestig. Petrus ziet dan ‘de discipel volgen, dien Jezus liefhad’ – niemand anders dan Johannes de evangelieschrijver – terwijl hijzelf met Jezus langs het strand loopt (20:20). De beschrijving ‘de discipel dien Jezus liefhad’ moet niet zo verklaard worden alsof dit wil zeggen dat Jezus een vuil spel speelt van willekeurige favorieten.

Kleine aanwijzingen lijken aan te geven dat veel mensen die Jezus volgden zich bijzonder geliefd voelden door Hem. Zo ook toen Lazarus ernstig ziek lag, stuurden zijn zussen Maria en Martha een boodschap naar Jezus waarin ze zegden ‘Here, zie, die Gij liefhebt, is ziek’ (11:3). Zelfs na de opstanding en hemelvaart hebben volgelingen zich verblijd in zijn liefde, zijn persoonlijke liefde voor hen. Zo hoeft Paulus slechts Jezus en het kruis te vermelden en hij barst al spontaan uit in lofprijs met een toegevoegde ondergeschikte zin: ‘die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’ (Gal. 2:20).

Hoe het ook zij, in dit geval is er nog altijd iets van de oude Petrus over. Ongetwijfeld was hij blij om hersteld te worden, om de opdracht te krijgen om Jezus’ lammeren en schapen te weiden (Joh. 21:15-17). Aan de andere kant was het vooruitzicht van een smadelijke dood minder aantrekkelijk. Dus wanneer Petrus Johannes ziet, vraagt hij: ‘Here, maar wat zal met deze gebeuren?’ (21:21).

We bevinden ons niet in de positie om Petrus te bekritiseren. De meesten van ons vergelijken voortdurend de dienstcijfers van anderen. Groen is geen ongewone kleur onder dienstknechten van het Evangelie. Iemand anders heeft het iets makkelijker, dus kunnen we het makkelijk wegverklaren als hij of zij meer vrucht voortbrengt.
Hun kinderen lijken beter te belanden, hun kerk is wat voorspoediger, hun evangelisatie meer effectief. Aan de andere kant, bereiken wij dan weer zelf een bepaalde mate van ‘succes’, dan ontdekken we dat we al gauw over onze schouders neerkijken naar hen die achterop lopen, en we maken daarbij stekelige opmerkingen over hen die ons spoedig zullen verdringen. Maar uiteindelijk hadden zij wel meer voordelen dan wij, is het niet?

Het is allemaal zo kleinzielig, zo zelfgericht, zo zondig. Jezus vertelt aan Petrus: ‘Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan?’ (21:22).
De verscheidenheid aan begaafdheden en genadegaven is enorm; de enige Meester die we moeten behagen is Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 30 maart 2012

In het voetspoor van de moedige Thomas (Joh. 20)


Leviticus 1, Johannes 20, Spreuken 17, Filippenzen 4

Thomas krijgt heel wat negatieve commentaren – ‘Ongelovige Thomas’, noemen we hem. Maar de reden voor zijn twijfel of Jezus was opgestaan uit de dood, had mogelijk meer te maken met het feit dat hij niet aanwezig was toen Jezus voor het eerst verscheen aan de groep apostelen (Joh. 20:19-25). Is het niet voor de hand liggend dat geen van de anderen het er beter vanaf zou brengen, waren zij op die bewuste dag afwezig geweest?

In elk geval heeft Thomas geen gebrek aan moed. Wanneer Jezus zich voorneemt om vanuit Galilea naar Judea terug te keren om Lazarus uit de doden op te wekken, zijn de discipelen zich bewust van het politieke klimaat en erkennen ze het gevaar van een dergelijke koers. Maar dan is het Thomas die rustig zijn collega’s bemoedigt: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’ (11:16).

Bij een andere gelegenheid formuleert Thomas de vraag die de hele groep wil stellen. Dus, wanneer Jezus benadrukt dat Hij weggaat en dat ze nu echt wel de weg al kennen, spreekt Thomas niet alleen voor zichzelf wanneer hij stil tegenwerpt ‘Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?’ (14:5).
Maar hier in Johannes 20, als hij degene is die door zijn afwezigheid is gepakt, bij de tweede verschijning van de opgewekte Jezus aan de groep apostelen, geeft Thomas aanleiding tot een dialoog die van ontzettend groot belang is.

Wanneer Jezus opdaagt, door de gesloten deuren heen, wendt Hij zich specifiek tot Thomas en toont hem de tekens van zijn wonden: ‘Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig’ (20:27). Thomas vraagt geen verder bewijs.

Hij barst uit in een van de grote christologische belijdenissen van het Nieuwe Testament: ‘Mijn Here en mijn God!’ (20:28). Jezus antwoordt met een uitspraak die de aard van het christelijk getuigenis van vandaag verheldert: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven’ (20:29). Jezus werpt hier zijn schaduw vooruit op de vlakten van de geschiedenis, terwijl Hij zich de ontelbare miljoenen voorstelt die op Hem zullen vertrouwen zonder Hem ooit in het vlees gezien te hebben, zonder de littekens in zijn handen, voeten en zijde te hebben nagegaan. Hun geloof is niet minder. Ja, in de bijzondere voorzienigheid van God is het verslag van Thomas’ ervaring een van de dingen die de Geest van God zal gebruiken om hen tot geloof te brengen.

Genadig voorziet Jezus de visuele en tastbare bewijzen aan die ene persoon, zodat het geschreven verslag van Thomas’ geloof en belijdenis de bekering zou bewerken bij hen die slechts toegang hebben tot de tekst. Zowel Thomas als wie na hem kwamen geloven in Jezus en hebben leven in zijn naam (20:30-31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

donderdag 29 maart 2012

'De heerlijkheid des HEREN vervulde de tabernakel' (Ex. 40)


Exodus 40, Johannes 19, Spreuken 16, Filippenzen 3

De slotgedachten van Exodus 40 verbinden verschillende belangrijke thema’s die al geïntroduceerd werden en grijpen vooruit naar diverse andere. Hier is de bouw van de tabernakel af, samen met de gewaden en uitrustingsstukken voor de priesterdienst. ‘En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des HEREN vervulde de tabernakel’ (40:34).

Dit moet de wolkkolom zijn (overdag) en de vuurkolom (gedurende de nacht) dit hen vanaf het begin vergezeld heeft. Het gaf de loutere tegenwoordigheid van God aan en gaf hen richting met betrekking tot wanneer en waarheen ze moesten optrekken.

Nu rust de wolk op de nieuw opgerichte tabernakel of tent der samenkomst (of ontmoetingstent), terwijl ze er zich in vestigt en ze vervult. Ja, bij dit inaugureel vervullen is de tegenwoordigheid van de Heer zo intens dat zelfs Mozes niet kan binnengaan, laat staan iemand anders (40:35).
Bovendien rust van nu af aan de wolk van heerlijkheid op de tabernakel wanneer het volk ter plekke moet blijven, en verheft ze zich en leidt ze het volk wanneer ze moeten optrekken (40:36-38).

Zes opmerkingen:

(1) Als de wolk- en vuurkolom op de tabernakel rust, dan is dat om deze constructie te verbinden met het zichtbare symbool van de voortdurende krachtige tegenwoordigheid van God die hen leidt.

(2) Op een punt, na de ellendige opstand die resulteerde in het maken van een gouden kalf, had God geweigerd om in het midden van deze verbondsgemeenschap op te trekken. Mozes deed voorbede (Ex. 32-34). Hier is de vrucht van zijn gebeden. De tabernakel is nu opgericht, de tegenwoordigheid van God zweeft erboven in de symbolische vorm waarmee het volk ondertussen vertrouwd is geworden, en dit allemaal in het midden van de twaalf stammen.

(3) Deze focus op de tabernakel aan het slot van Exodus bereidt de weg voor de openingshoofdstukken van Leviticus, in het bijzonder voor de specificaties met betrekking tot de slachtoffers en offerandes die gebracht moeten worden in verbinding met de tabernakeldienst.

(4) Die tabernakel grijpt vooruit naar de tempel. In feite is het een soort mobiele tempel. In de dagen van Salomo, wanneer het permanente bouwwerk afgewerkt is, daalt de heerlijkheid van de Heer daar op vergelijkbare wijze neer. Zo legt ze de link met de tabernakel en met de wolk- en vuurkolom van de jaren in de woestijn.

(5) Om al op de toekomst vooruit te grijpen: er is geen krachtiger symbool voor de aanstaande vernietiging van Jeruzalem dan het visioen van het vertrek van de heerlijkheid van God (Ez. 10-11).

(6) Er is geen krachtiger getuigenis van de unieke openbarende en bemiddelende rol van Jezus Christus dan de nadruk dat Hij de ware tempel is (Joh. 2:19-22); en er is geen krachtiger portret van de loutere heerlijkheid van de hemel dan de verklaring dat er daar geen tempel is, want de Heer God Almachtig en het Lam vormen zijn tempel (Opb. 21:22).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

woensdag 28 maart 2012

Bijbelse taferelen in Legoblokjes



Vaste volgers van deze blog zagen al af en toe een van de bijbelse taferelen in Legoblokjes.
Nu is ook de krant De Standaard het concept op het spoor gekomen. Ze wijdt er een kleine fotospecial aan.

Klik op de titel: Fotospecial Bijbelse taferelen in Legoblokjes

Bij The Brick Testament vind je nog meer Lego-scènes

'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld' (Joh. 18)


Exodus 39, Johannes 18, Spreuken 15, Filippenzen 2

Wanneer Pilatus Jezus vraagt of Hij ‘de koning der Joden’ is of niet (Joh. 18:33), dan interesseert hem vooral of Jezus al dan niet een bepaalde politieke bedreiging vormt. Is Hij een van die nationalistische en zelfverklaarde ‘messiassen’ die voornemens zijn de autoriteit aan de Romeinse supermacht te ontroven? Is dit het geval, dan moet Hij de doodstraf krijgen.

Wanneer Jezus uiteindelijk antwoordt, valt zijn antwoord met niets te vergelijken van wat Pilatus al ooit hoorde: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier’ (Joh. 18:36).

Je kunt heel lang en tot je voordeel over dit antwoord nadenken. Wij zullen op vier punten focussen:

(1) De betekenis van het koninkrijk kan hier niet dezelfde statische betekenis hebben als in ‘het koninkrijk Jordanië’ of ‘het koninkrijk Saoedi-Arabië’. Zijn betekenis ligt iets dichter bij de dynamische betekenis van Koninklijke heerschappij of koningschap, want Jezus focust op waar zijn ‘koninkrijk’ ‘van’ is, of ‘vandaan’, d.w.z. wat de bron is van zijn koninklijke heerschappij. Dit betekent niet dat er geen grondgebied is in dit koningschap, geen rijk dat ermee verbonden zou zijn; dit is wel zo, zoals we zullen zien. Maar het is niet de focus als de term hier gebruikt wordt.

(2) Jezus zegt dat zijn koninkrijk ‘niet van deze wereld’ is; het is ‘niet van hier’. Met andere woorden: al de koninkrijken en centra van politieke macht die mensen kunnen oprichten halen hun gezag uit de realiteiten van deze wereld. Niet Jezus. Zijn koninkrijk, zijn gezag om te heersen, is ‘niet van hier’ – en lezers van dit evangelie weten dat dit betekent van de hemel, van God zelf.

(3) Dit is waarom zijn dienaars niet zullen vechten. Zijn koninkrijk groeit niet en wordt niet een imperium zoals de koninkrijken in deze wereld hun succes bereiken, in dit geval onvermijdelijk met een flinke dosis militaire actie. Het koninkrijk van God groeit niet door menselijke legers en letterlijke soldaat-heiligen. Je zou wel wensen dat zij die aan de basis lagen van de kruistochten wat langer over deze tekst hadden nagedacht. Blijkbaar geloofde Pilatus minstens dit deel van wat Jezus zei, en daarom zag hij Hem niet als een politieke bedreiging (18:38).

(4) Maar dit betekent niet dat Jezus geen enkele aanspraak maakt met betrekking tot de koninkrijken van deze wereld. Hij benadrukt dat Hij Koning Jezus is, zelfs al ligt de bron van zijn gezag dan niet in deze wereld, en zullen zijn dienaars Hem niet verdedigen door naar de wapens te grijpen. Niettemin zal de tijd komen dat allen zullen erkennen dat Hij alleen Here der heren is en Koning der koningen (Opb. 17:14; 19:16), en alle koninkrijken zijn bestemd om Hem toe te behoren (Opb. 11:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

dinsdag 27 maart 2012

'Laat hen één zijn' (Joh. 17)


Exodus 38, Johannes 17, Spreuken 14, Filippenzen 1

Johannes 17 wordt voortdurend geciteerd in oecumenische kringen. Jezus bidt: ‘voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u (…) opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden’ (17:20-21). Dit betekent dan dat door volledige steun aan de oecumenische beweging men de vervulling van Jezus’ gebed bewerkt.

Het is een belangrijk gebed. Maar merk op waar Hij nog voor bidt in dit hoofdstuk:

(1) Jezus bidt dat God zijn eerste discipelen zal bewaren voor ‘de boze’, in het bijzonder nu Hijzelf van het aards toneel wordt weggenomen (17:11, 15). Misschien denkt Hij in het bijzonder aan de vreselijke klappen die hun geloof zal krijgen wanneer hun Meester wordt gekruisigd en begraven.

(2) Jezus bidt dat zijn discipelen geheiligd zullen worden door de waarheid – goed begrijpend dat Gods woord waarheid is en dat het loutere doel van zijn eigen heiliging (d.w.z. Hij ‘heiligt’ zichzelf – zet zichzelf apart voor de heilige doeleinden van de Vader – door zijn Vader te gehoorzamen en naar het kruis te gaan) is, dat zij geheiligd zouden worden (17:17-18).

(3) Jezus bidt dat zowel deze eerste discipelen als zij die uiteindelijk door hun verkondiging zullen geloven, ‘in Ons’ zullen zijn (t.t.z.: ‘in’ de Vader en de Zoon), ‘opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden’ (17:21).

(4) Jezus verklaart dat Hij wil dat allen die de Vader Hem gaf, zullen zijn waar Hij is, en uiteindelijk zijn heerlijkheid zullen zien, de heerlijkheid die de Vader Hem gaf omdat Hij Hem liefhad ‘vóór de grondlegging der wereld’ (17:24). Daarenboven bidt Jezus natuurlijk dat zijn discipelen allen één zullen zijn. Het zou mooi zijn als allen die deze voorbede benadrukken dit niet minder zouden doen met de andere gebeden – of, evengoed, dat allen die, laten we zeggen, het tweede gebed in het bovenstaande lijstje benadrukken net zoveel het gebed voor eenheid zouden benadrukken.
De vraag die we ons echter moeten stellen, is of Jezus’ gebeden verhoord zijn. Verklaart Jezus niet elders dat Hij weet dat de Vader Hem altijd ‘verhoort’ (11:42)?

De Vader beschermde zeker allen van de eerste discipelen, uitgezonderd natuurlijk van Judas Iskariot, van wie Jezus in zijn gebed erkent dat hij ‘de zoon des verderfs’ (NBG)’ is, of ‘hij die verloren moest gaan’ (NBV) (17:12).

De andere gebeden zijn evenzeer verhoord en zullen finaal verhoord worden bij de voltooiing van alle dingen. Dit geldt ook voor Jezus’ gebed voor eenheid: ware christenen geven blijk van een diepgaande eenheid, een ware eenheid, ongeacht hiërarchische structuren en vaak ondanks oecumenische initiatieven, in antwoord op Jezus’ gebed. Dit trekt vaak anderen tot het Evangelie. We moeten hongeren naar en streven voor de vervulling van al Jezus’ gebeden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 26 maart 2012

Mp3 lezing: 'Het gezicht van het einde' (Dan. 12:5-13)


Zaterdag jl. gaf Raymond Hausoul een lezing in CC De Steiger in Menen, binnen de reeks 'Profetische vergezichten van het boek Daniël'.
Titel van deze studie was 'Het gezicht van het einde', met als behandelde schriftplaats Daniël 12:5-13.

Raymond stelde de tekstfile die hij als basis gebruikte beschikbaar in pdf-formaat:

- pdf 'Het gezicht van het einde' door Raymond Hausoul


Ook de bijbehorende powerpointpresentatie kun je downloaden:

- powerpoint 'Het gezicht van het einde' door Raymond Hausoul


De mp3-file van deze lezing kun je hier online beluisteren (door op de playknop ofte het kleine pijltje te drukken) of opslaan op je eigen computer via rechtermuisknop en de keuze 'opslaan als' of 'save as':

Het gezicht van het einde - Raymond Hausoul over Daniël 12:5-13

De Geest focust op Jezus (Joh. 16)


Exodus 37, Johannes 16, Spreuken 13, Efeziërs 6

De komst van de Heilige Geest, de Pleitbezorger of Parakleet, de Trooster, is afhankelijk van het ‘heengaan’ van Jezus, d.w.z. van zijn kruisdood, zijn daaropvolgende opstanding en zijn verheerlijking (Joh. 16:7; vgl. 7:37-39). Dit roept belangrijke vragen op over de relatie tussen de rol van de Geest onder het Oude Verbond, voor het kruis, en zijn rol aan deze kant van het kruis. Het is het waard om zorgvuldig te onderzoeken. Hier echter moet de nadruk die Johannes legt op het werk van de Geest verduidelijkt worden.

Aan het eind van Johannes 15 wordt ons gezegd dat de Pleitbezorger zal getuigen van Jezus; een taak waar ook de discipelen van Jezus hun stem aan zullen verlenen (15:26-27). De eerste getuigenis is voor de Geest. In Joh. 16:8-11 overtuigt de Pleitbezorger de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij doet dit omdat Jezus terugkeert naar de Vader en niet langer zelf de rol vervult van het overtuigen van mensen.

Als de Heilige Geest getuigt van Jezus in 15:26-27 en mensen overtuigt door het werk van Jezus in 16:8-11 voort te zetten, brengt Hij in 16:12-15 heerlijkheid aan Jezus door Hem te verkondigen aan wie het Laatste Avondmaal bijwoonden (de ‘u’ uit vers 12 kan moeilijk anders begrepen worden, en bepaalt ook de ‘u’ in de rest van de paragraaf; vgl. ook 14:26). Zoals Jezus niet onafhankelijk is van zijn Vader, maar slechts spreekt wat de Vader Hem opdraagt te zeggen (5:16-30), zo is de Geest niet onafhankelijk van de Vader en de Zoon: ‘Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken’ (16:13). Zijn focus is Jezus: ‘Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (16:14).

En natuurlijk is zelfs hier hetgeen Jezus toebehoort afkomstig van de Vader: ‘Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen’ (16:15). De reden waarom Jezus niet zelf alles aan zijn discipelen onthulde over zichzelf en zijn opdracht, is dat ze nog niet klaar zijn om het te dragen (16:12). Zelfs zo ver in hun discipelschap kunnen ze het begrip van een Koning-Messias in hun verstand nog niet echt rijmen met het begrip van een Lijdende Messias. Tot dit punt stevig wordt neergezet, zal de manier waarop ze de Schriften lezen – wat wij het Oude Testament noemen – zodanig vertroebeld worden door politieke en koninklijke aspiraties dat ze het niet goed op een rijtje krijgen.

Hoeveel van het werk van de Geest legt toch de focus op Jezus Christus: van Hem getuigen, diverse aspecten van zijn dienst verderzetten, zijn belang verklaren!


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 25 maart 2012

Toch liefde onder voorwaarden? (Joh. 15)


Exodus 36, Johannes 15, Spreuken 12, Efeziërs 5


Er wordt in de Bijbel op tal van manieren over Gods liefde gesproken.

In sommige passages gaat Gods liefde uit naar zijn uitverkorenen. Hij heeft hen lief en niet anderen (bijv. Deut. 4:37; 7:7-8; Mal. 1:2). Maar als we denken dat de liefde van God zonder uitzondering slechts tot zijn uitverkorenen wordt beperkt, zullen we al snel andere thema’s verdraaien: zijn genadige voorzienigheid van ‘algemene genade’ (Is Hij niet de God die het laat regenen over bozen en goeden? Zie Matt. 5:45), zijn machtige verdraagzaamheid (bijv. Rom. 2:4), zijn pleidooi tot opstandelingen om zich te bekeren en berouw te tonen opdat ze niet zouden sterven, want Hij heeft geen behagen in de dood van de goddeloze (bijv. Ez. 33:11).

Als dit anderzijds alles zou zijn wat de Bijbel zegt over de liefde van God, zou God snel gereduceerd worden tot een onmachtige, gefrustreerde aanbidder die alles deed wat hij kon, de arme kerel. Dit is echter nooit hoe we het liefdevolle initiatief van effectieve kracht mogen zien, dat vervat zit in de passages die we eerst citeerden of in andere, gelijkaardige teksten.

Maar er zijn andere manieren waarop de Bijbel spreekt over de liefde van God. Eén ervan domineert in Johannes 15:9-11. Hier is de Vaders liefde voor ons verbonden aan de voorwaarde van gehoorzaamheid. Jezus draagt zijn discipelen op om Hem op precies dezelfde manier te gehoorzamen als Hij zijn Vader gehoorzaamt, opdat ze mogen in zijn liefde blijven: ‘Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde’ (15:10).

Het verband toont dat dit ons niet vertelt hoe mensen volgelingen van Jezus worden. Eerder, ervan uitgaand dat zijn publiek bestaat uit volgelingen, beklemtoont Jezus dat er een relationele liefde op het spel staat die moet gevoed en onderhouden worden. Op precies dezelfde manier zegt de liefde van de Vader voor de Zoon niets over hoe die relatie ontstond (!), het weerspiegelt slechts de aard van de relatie.

Van de liefde van de Vader voor de Zoon wordt elders gezegd dat ze gedemonstreerd wordt door de Zoon alles te ‘tonen’, opdat de Zoon alles doet wat de Vader doet en dezelfde eer ontvangt als de Vader (Joh. 5:19-23); de liefde van de Zoon voor de Vader wordt getoond door gehoorzaamheid (14:31). Zoals mijn kinderen in mijn liefde blijven door me te gehoorzamen en me niet te tarten, zo blijven ook Jezus’ volgelingen in zijn liefde. Natuurlijk is er een manier waarop ik altijd van mijn kinderen zal houden, ongeacht van wat ze doen. Maar er is een relationeel element in die liefde dat afhankelijk is van hun gehoorzaamheid.

Zo brengt Jezus de liefde van de Vader aan ons over (15:9), en het resultaat van onze gehoorzaamheid is grote vreugde (15:11). ‘Bewaart uzelf in de liefde Gods’ (Judas 20).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 24 maart 2012

‘Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven’ (Joh. 14)


Exodus 35, Johannes 14, Spreuken 11; Efeziërs 4


Het afscheidsgesprek dat begint in Johannes 14 bevat buitengewoon rijk materiaal over de Heilige Geest. Een paar hoogtepunten:

(1) In het Grieks wordt elk zelfstandig naamwoord grammaticaal aangeduid als mannelijk, vrouwelijk of neutraal. Het woord voor ‘geest’ is neutraal. Wanneer een bijvoeglijk naamwoord verwijst naar ‘geest’, dan zou het ook neutraal moeten zijn. In dit hoofdstuk is het gebruikte bijvoeglijk naamwoord soms mannelijk, waarmee het de grammaticale vorm doorbreekt, een manier om zacht te bevestigen dat de Heilige Geest persoonlijk is.

(2) Bij deze titels staat ook ‘Raadgever’ of ‘Trooster’ of ‘Helper’ (in het Engels: ‘Counselor’, ‘Comforter’ of ‘Helper’). Wanneer ‘Trooster’ gebruikt werd, kwam het van Latijnse woorden die iets betekenden als ‘versterken’ of ‘versterken samen met’. Vandaag is een trooster (‘comforter’) ofwel een dikke deken (althans in het Engels) of iemand die de bedroefden helpt, en daarom is het woord te beperkend om te schetsen wat hier bedoeld wordt. Het Griekse woord draagt een heleboel nuanceverschillen in zich, dus zijn sommige van de gekozen woorden geen vertaling maar eerder een vertolking ervan, een transliteratie (t.t.z. wanneer omgezet naar de Nederlandstalige spelling), wanneer ze het woord ‘Pleitbezorger’ (Eng.: Paraclete’) gebruiken. Hij is zeker iemand die erbij geroepen wordt om te helpen en te versterken. Soms is de hulp op wettelijk vlak: hij kan bijvoorbeeld dienen als vervolgende procureur (16:7-11), en hij kan onze wettelijke ‘Raadgever’ zijn. (Het woord moet geen beelden oproepen van kampraadsman of psychologisch raadgever).

(3) Hij is volgens Jezus’ woorden ‘een andere Trooster’ (14:16). In ouder Grieks heeft het woord dat gebruikt wordt voor ‘andere’ meestal een ondertoon van ‘een andere van dezelfde soort’. In de tijd van het Nieuwe Testament was die betekenis al eerder zeldzaam; ze kan niet verondersteld worden, maar moet uit het verband aangetoond worden. In dit geval belooft Jezus duidelijk iemand te sturen die in zijn plaats zal staan. Intrigerend genoeg wordt, uitgezonderd van zijn gebruik bij dit afscheidsgesprek, het woord dat vertaald wordt als ‘Voorspraak’ of ‘Pleitbezorger’ in het Nieuwe Testament nog slechts op één andere plaats gebruikt, nl. 1 Johannes 2:1 (NBV: ‘een pleitbezorger bij de Vader’). Jezus is dus de eerste Pleitbezorger. Bij zijn aanstaande vertrek, belooft Hij de Heilige Geest te zenden, een andere Pleitbezorger, tot en voor zijn volgelingen.

(4) Hij wordt ook genoemd ‘de Geest der waarheid’ (14:17). Dit betekent niet slechts dat Hij de waarheid vertelt, als tegengesteld aan leugens, maar dat Hij de ware Geest is, Degene die de loutere tegenwoordigheid van de Vader en de Zoon tot de gelovigen brengt (14:23).

(5) De Geest, zo belooft Jezus, ‘zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb’ (14:26). Aangezien hier sprake is van ‘u’, die te binnen gebracht (of herinnerd) zullen worden wat Jezus gezegd heeft, moet het hier in eerste instantie om de eerste discipelen gaan. De Geest zal hen in staat stellen om zich te herinneren wat Jezus leerde, en zijn belang duidelijk maken meteen na het kruis en de opstanding. Hoe betrouwbaar zouden de overdrachten gebeurd zijn zonder zijn werk?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 23 maart 2012

God, groot van goedertierenheid en trouw (Ex. 34)


Exodus 34, Johannes 13, Spreuken 10, Efeziërs 3

Wanneer Mozes aan het eind van het voorgaande hoofdstuk vraagt om Gods heerlijkheid te mogen zien, krijgt hij (zoals we zagen) de belofte dat God iets van zijn goedheid zal vertonen (33:19). Maar niemand, zelfs Mozes niet, kan Gods aangezicht zien en leven (33:20). Dus maakt de Heer het mogelijk om iets op te vangen, als het ware, van de achterrand van de nagloed van de heerlijkheid van de Heer – en deze merkwaardige ervaring wordt beschreven in Exodus 34.

Wanneer de Heer voorbijkomt bij de rotskloof waar Mozes veilig geborgen zit, heft de Heer aan: ‘HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw’ (34:6). De Hebreeuwse woorden die vertaald worden als ‘goedertierenheid’ en ‘trouw’ zijn een weerkerend koppel in het Oude Testament. Het eerste wordt regelmatig verbonden met Gods verbondstrouw, zijn verbondsgenade; het tweede is gegrond in zijn betrouwbaarheid, zijn verbondstoewijding om zijn woord te houden, te doen wat Hij belooft, trouw te zijn of waarachtig.

Wanneer Johannes Jezus introduceert als het Woord van God (Joh. 1:1-18),vertelt hij de lezers dat wanneer het Woord van God vlees werd (1:14), Hij onder ons ‘tabernakelde’, woonde, en we zijn heerlijkheid zagen, de heerlijkheid van een eniggeborene die kwam van de Vader, vol van ‘genade’ en ‘waarheid’. Er zijn goede redenen te denken dat Johannes deze twee woorden koos om de gekoppelde uitdrukking uit het Oude Testament weer te geven.

Hij dacht duidelijk aan deze hoofdstukken: Exodus 32-34. Als hij de echo van Exodus 33 laat klinken, herinnert hij ons ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (1:18). Maar nu Jezus Christus gekomen is, heeft dit vleesgeworden Woord ons de Vader bekendgemaakt, door op een unieke manier ‘genade en waarheid’ te vertonen.
De wet werd ons door Mozes gegeven – dat was al wonderlijk genoeg, zeker een genadegeschenk van God. Maar ‘genade en waarheid’ kwamen pas voluit hun heerlijkheid uitstralen met Jezus Christus (1:17).

Zelfs de openbaring van een lagere orde die genadig vertoond werd tot zegen van Mozes, brengt wonderlijke resultaten. Het gaat vooraf aan een vernieuwing van het verbond. De Heer antwoordt op Mozes’ gebed: ‘Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk des HEREN zien, want ontzagwekkend is wat Ik met u doe’ (34:10).

Van Gods kant bevestigt dit hun binnengaan in het Beloofde Land, want de Heer zelf zal alle tegenstand verdrijven (34:11); van de kant van de verbondsgemeenschap, is gehoorzaamheid vereist, dit behelst ook zorgvuldige afscheiding van de omringende heidenen en afgodendom. ‘Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de HERE, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God’ (34:14).

Hoe zou het anders kunnen? Deze God is goedertieren, maar Hij is tegelijk ook trouw.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

donderdag 22 maart 2012

'Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?' (Ex. 33)


Exodus 33, Johannes 12, Spreuken 9, Efeziërs 2

Men kan Exodus 33 niet verstaan zonder twee dingen te begrijpen:
(1) De tabernakel was nog niet gebouwd. De ‘tent der samenkomst’ die buiten de legerplaats werd opgeslagen (33:7) en waar Mozes ging om het aangezicht van God te zoeken, moet daarom een tijdelijke regeling geweest zijn.
(2) Het thema van oordeel volgt verder uit de ellendige episode met het gouden kalf. God zegt dat Hij niet zal meegaan met zijn volk; Hij zal hoogstens een engel meesturen om hen te helpen (33:1-3).

Dus vervolgt Mozes zijn dienst als bemiddelaar (33:12-13). Terwijl hij zich verder beroept op het feit dat deze natie het volk van de Heer is, wil Mozes nu weten wie er met hem zal gaan. (Aäron is zo vreselijk gecompromitteerd). Mozes zelf wil nog steeds Gods wegen kennen en die volgen.

God antwoordt: ‘Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’ (33:14). Maar hoe past dit met het dreigement van de Heer om niet meer dan een engel mee te sturen, om afstand te houden van het volk zodat Hij hen in zijn toorn niet zou verdelgen? Dus gaat Mozes door: ‘Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken’ [engel of niet!] (33:15). Wat anders onderscheidt uiteindelijk deze prille natie van alle andere volkeren, dan de tegenwoordigheid van de levende God (33:16)? En de Heer belooft: ‘Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt, want ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen’ (33:17).

Hoewel Mozes op de ingeslagen weg blijft verder bidden in het volgende hoofdstuk (34:9), is er het heerlijke feit dat God er niet langer van spreekt zijn volk te verlaten. Wanneer de tabernakel wordt opgericht, wordt die in het midden van de twaalf stammen geplaatst.

Drie korte overdenkingen:

(1) Deze hoofdstukken zijn voorbeelden van de waarheid dat God een naijverig God is (Ex. 20:5; 34:14). Voor een mens is jaloers zijn op een ander zondig: wij zijn sterfelijk en zijn geroepen om rentmeesters te zijn van wat we ontvingen, niet om jaloers te zijn op elkaar. Maar voor God zou het een geweldige mislukking zijn als Hij niet jaloers zou zijn over zijn eigen soevereine heerlijkheid en recht: Hij zou zijn eigen unieke betekenis als God tekortdoen en daarmee impliciet toegeven dat zijn beelddragers het recht op onafhankelijkheid hebben.

(2) Er wordt meer dan veertig keren in het Oude Testament over God gezegd dat het Hem ‘berouwde’. Dergelijke Schriftplaatsen tonen zijn persoonlijke bemoeienissen met andere mensen. Wanneer alle veertig de passages samen worden gelezen, vertonen zich verschillende patronen – waaronder de integratie van Gods ‘berouwen’ met zijn soevereine wil.

(3) Wonderlijk genoeg belooft God zijn goedheid te vertonen wanneer Mozes vraagt om Gods heerlijkheid te mogen zien (33:18-19). Het is geen toeval dat de hoogste vertoning van de heerlijkheid van God in het Johannesevangelie gezien wordt in het kruis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

woensdag 21 maart 2012

Mozes, een buitengewoon middelaar (Ex. 32)


Exodus 32, Johannes 11, Spreuken 8, Efeze 1

Exodus 32 is tegelijk een van de dieptepunten en een van de hoogtepunten in de geschiedenis van Israël.
Slechts maanden na de bevrijding uit de slavernij in Egypte, tonen de Israëlieten zich zo onberekenbaar dat het wegblijven van Mozes op de berg (slechts veertig dagen) hen voldoende excuus biedt voor een nieuw rondje klagen. Mozes’ uitblijven zet hen niet aan tot bidden, maar wekt gevoelloze ondankbaarheid en doelloos syncretisme of vermenging. Zelfs de toon is snerend: ‘deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet, wat er van hem geworden is’ (32:1).

Van Aäron blijkt dat hij een watje zonder ruggengraat is, onbekwaam of onwillig om enige tucht op te leggen. Het ontbreekt hem aan theologische ruggengraat – zelfs om een consequent heiden te zijn, aangezien hij de naam van de Heer blijft gebruiken terwijl hij zelf een gouden kalf maakt (32:4-5).
Hij is nog altijd een watje wanneer hij, uitgedaagd door zijn broer, eerder belachelijk blijft volhouden ‘Wie heeft goud? (…) Zij gaven het mij en ik wierp het in het vuur, en dit kalf kwam eruit’ (32:24).

Ondanks de verbondsbeloften (24:7) die velen uit het volk maakten, wilden ze alle zegeningen die ze van God konden krijgen, maar dachten ze maar weinig na over de aard van hun eigen verplichtingen onder ede tegenover hun Maker en Verlosser.

Het was een dieptepunt van nationale schaamte – niet het laatste wat hen betreft, en niet het laatste wat de belijdende kerk betreft.

Het hoogtepunt? Wanneer God ermee dreigt om het volk van de kaart te vegen, treedt Mozes op als middelaar. Niet een keer suggereert hij dat het volk niet verdient om weggeveegd te worden, of dat ze niet zo slecht zijn als men wel zou denken. Hij beroept zich daarentegen op de heerlijkheid van God. Waarom zou God op een manier handelen die de Egyptenaren toelaat om te spotten en te zeggen dat de Heer niet sterk genoeg is om deze redding te voleindigen (32:12)?

Is God daarenboven niet verplicht zich te houden aan zijn eden tegenover de aartsvaders Abraham, Isaak en Israël (32:13)? Hoe kon God van zijn plechtige geloften afwijken? Uiteindelijk vraagt hij eenvoudig om vergeving (32:30-32), en als God niet zoveel genade kan bewijzen, dan wil Mozes niet meer aan een nieuw volk beginnen (hoe boos hijzelf ook is, 32:19). Hij verkiest om zelf met de rest van het volk weggeveegd te worden.

Hier is een buitengewoon middelaar, een man die zo meevoelt met God en zijn genadige redding en openbaring, een man die geen excuses zoekt voor het volk dat hij geroepen is te leiden, maar die zich niettemin zodanig met hen identificeert dat, wanneer het oordeel over hen zal komen, hij smeekt om met hen te lijden. Hier is een man die ‘op de bres staat’ (Ezech. 13:3-5; 22:29-30).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

dinsdag 20 maart 2012

Jezus is de goede herder (Joh. 10)


Exodus 31, Johannes 10, Spreuken 7, Galaten 6


In de uitgebreide gelijkenis van de herder in Johannes 10 blijft Jezus de breedte en toepassingen van de gelijkenis uitwerken terwijl Hij talrijke punten langsgaat. We kunnen er een aantal van oppikken:

(1) Voor de bijbelkenner is het moeilijk om niet aan Ezechiël 34 te denken. Daar kondigt God de valse herders van Israël aan. Herhaaldelijk zegt Hij er dat er een dag komt waarop Hijzelf de herder van zijn volk zal zijn, waarbij Hij hen zal voeden, leiden en tuchtigen. Jezus’ nadruk dat, zover als herders gaan, zij die voor Hem gekomen zijn ‘dieven en rovers’ zijn (Johannes 10:8), zou zeker herinneringen moeten oproepen aan Ezechiël 34. Dan zegt God, bijna aan het einde van dat hoofdstuk uit het Oude Testament, dat Hij een herder over zijn kudde zal stellen – zijn knecht David. Nu is de Goede Herder hier één met God (1:1), maar afstammend van David.

(2) Als Jezus zichzelf beschrijft als de ‘goede herder’, dan zegt Hij: ‘De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen’ (10:11). Dit rekt de gelijkenis tot het uiterste. In het echte leven kan een goede herder zijn leven wagen voor zijn schapen, en kan hij het ook verliezen. Maar hij offert zijn leven niet vrijwillig op voor de schapen. Om te beginnen: wie zou dan op de andere schapen passen? En in elk geval zou het ongepast zijn: je leven op het spel zetten voor vee is een ding, maar echt kiezen om ervoor te sterven is buiten proportie. Een menselijk leven is meer waard dan een kudde schapen.

(3) Maar voor het geval we de ongerijmdheid van Jezus’ aanspraak nog niet gevat hebben, maakt Hij die nog wat duidelijker. Het is niet dat Hij gewoon zijn leven waagt. Ook is Hij niet slechts de pion in wrede omstandigheden: niemand kan Hem het leven ontnemen. Hij legt het uit zichzelf af (10:18). Ja, de reden dat zijn Vader Hem blijft liefhebben, is dat de Zoon volmaakt gehoorzaam is – en het is de Vaders goede opdracht dat zijn Zoon zijn leven zou afleggen (10:17, vgl. Fp. 2:6-8).

(4) Jezus’ schapen luisteren naar zijn stem, de andere verwerpen Hem. De impliciete uitverkiezing is alomtegenwoordig in het gedeelte (bijv. 10:27-28).

(5) Jezus’ taak omvat niet slechts schapen onder de Israëlieten, maar ook andere schapen ‘die niet van deze stal zijn’ (10:16). Maar als ze Jezus’ schapen zijn, of het nu Joden zijn of heidenen, dan staat er van hen: ‘ze zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder’ (10:16). Hier is de vervulling van de belofte dat in Abrahams nageslacht al de volkeren op aarde gezegend zullen worden. En dit is ook waarom er in de laatste analyse, nooit meer dan één hoofd van de kerk kan zijn – Jezus Christus zelf.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 19 maart 2012

Zaterdag lezing in Menen: Daniël 12:5-13


Komende zaterdag 24/03 vindt in CC De Steiger in Menen de afsluitende lezing plaats in de reeks over Daniël en de profetische vergezichten uit dit gelijknamige Bijbelboek.

Deze keer spreekt Raymond Hausoul (Ieper) over Daniël 12:5-13, met als titel 'Het gezicht van het einde'.
De lezing begint om 19:30, toegang is vrij. Iedereen is welkom.

Wij zien! (of toch niet)


Exodus 30, Johannes 9, Spreuken 6, Galaten 5

Zoals de spijziging van de vijfduizend voorafgaat aan de uiteenzetting over het brood des levens, zo gaat Jezus’ genezing van de blindgeborene in Johannes 9 vooraf aan enkele kortere commentaren over de aard van geestelijke blindheid en geestelijk zien.

Sommige van de autoriteiten vonden het moeilijk te geloven dat het slachtoffer werkelijk blind geboren was. Als dit het geval zou zijn, en als Jezus hem werkelijk had genezen, dan zou dit iets zeggen over Jezus’ kracht dat ze liever niet wilden horen. Net zoals nu waren er ook toen talrijke ‘geloofsgenezers’ in het land, maar de meeste van hun werken waren niet erg indrukwekkend: de minst lichtgelovigen konden gemakkelijk de meeste bewijzen van hun succes weerleggen. Maar het zicht teruggeven aan een blindgeboren man – wel, daar was op dat moment nog niet eerder van gehoord in kringen van geloofsgenezing (9:32-33). Niet in staat om het onomwonden getuigenis van deze man te beantwoorden, zochten de autoriteiten hun toevlucht tot stereotypen en persoonlijke belediging (9:34).

Jezus zoekt hem opnieuw op, openbaart meer van zichzelf aan hem, nodigt hem uit te geloven en aanvaardt zijn aanbidding (9:35-38). Dan maakt Hij twee belangrijke opmerkingen:

(1) ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden’ (9:39). Op een bepaalde manier is dit de zaken volledig omkeren, zoals bij de rijke man en Lazarus (Lukas 16:19-31),of de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lukas 18:9-14) - een gebruikelijk thema in de evangeliën. Maar deze omkering vindt nu plaats in de sfeer van het zien. Zij die ‘zien’, met al hun principes van ingewikkeld onderscheid, zijn verblind door wat Jezus zegt en doet; zij die ‘blind’ zijn, de morele en geestelijke equivalenten van de man in het hoofdstuk die blindgeboren is, aan hen betoont Jezus wonderlijk mededogen, en geeft hen zelfs het zicht.

Sommige Farizeeërs die Jezus’ commentaar hoorden en zichzelf beroemen over hun onderscheidingsvermogen, zijn geschokt. Het doet hen zelfs vragen of Jezus hen dan ook rangschikt onder de blinden. Dit is de aanleiding voor zijn tweede uitspraak.

(2) ‘Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde’ (9:41). Natuurlijk had Jezus eenvoudig hun vraag met ‘Ja!’ kunnen beantwoorden. Maar dat zou de ernst van hun probleem niet aan het licht hebben gebracht. Door subtiel de beeldspraak te wijzigen, maakt Jezus zijn punt op een andere manier duidelijk. In plaats van te benadrukken dat zijn tegenstanders blind zijn, geeft Jezus aan dat ze zelf beweren dat ze zien – beter dan anderen, overigens. Maar dat is het probleem: zij die van zichzelf vertrouwen dat ze bekwaam zijn om te zien, vragen niet om te zien. Zo blijven ze (impliciet) blind, met de schuldige blindheid van zelfgenoegzame zelfvoldaanheid. Niemand is zo blind als zij die niet weten dat ze blind zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 18 maart 2012

'Omdat Ik u de waarheid zeg - Mij gelooft gij niet' (Joh. 8)


Exodus 29, Johannes 8, Spreuken 5, Galaten 4

Twee opmerkingen over Johannes 8:12-51.

(1) Reeds in Johannes 7:7 zei Jezus tegen zijn broers: ‘U kan de wereld niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn’. Zowel in eigen persoon als in zijn compromisloze woorden is Jezus zo aanstootgevend dat de wereld Hem haat. Hij is de zuivere belichaming van 3:19-21, dat ‘het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos’.

Johannes 8 gaat nu verder. Jezus benadrukt dat wanneer de duivel liegt, hij spreekt ‘naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen’ (8:44). Dan voegt Jezus eraan toe: ‘Maar omdat Ik u de waarheid zeg – Mij gelooft gij niet’ (8:45).

Dat is verbazingwekkend. Het eerste van de twee zinsdelen is niet ondergeschikt, alsof Jezus zou gezegd hebben: ‘Hoewel ik u de waarheid zeg, Mij gelooft gij niet’. Dat zou al erg genoeg geweest zijn. Maar Jezus zegt: ‘omdat Ik u de waarheid zeg – Mij gelooft gij niet’ Welke opties laat dit Hem? Moet Hij goedverpakte leugens vertellen die geruste mensen willen horen? Dit had Hem best meer publiek kunnen opleveren, maar het is ondenkbaar dat Jezus een dergelijke koers zou kiezen. Dus blijft Hij de waarheid vertellen, en precies omdat Hij de waarheid vertelt, wordt Hij niet geloofd. De waarheid vertellen tegen zodanig verblinde mensen, is precies wat hun hart verhardt. Het wakkert de verterende haat aan die uitmondt in de vuurzee van het kruis.

(2) Jezus beklemtoont het volgende over Abraham: ‘Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien’ (8:56): waar Jezus waarschijnlijk aan dacht is de belofte die God deed en ook hernieuwde tegenover Abraham, dat in zijn nakomelingschap alle volkeren van de aarde gezegend zouden worden (Gen. 12). Het is onwaarschijnlijk dat Jezus beweert dat Abraham een bepaald visioen kreeg dat het leven en de tijd van Jezus in een soort visionaire vooruitblik uitpakte. Wat Hij eerder bedoelt is dat Abraham God kende, Gods beloften over het nakomelingschap geloofde en in geloof de vervulling van die beloften overdacht, terwijl hij zich verblijdde in het vooruitzicht van wat hij nu nog niet ten volle kon vatten: ‘hij heeft die gezien en zich verblijd’ (8:56).

Maar op zijn minst betekent het dat Jezus het onderwerp en de vervulling van Gods belofte aan Abraham is, waardoor Hij hem overstijgt in belangrijkheid. Meer nog: als het eeuwige Woord (Joh. 1:1) altijd bij God was, en altijd God was, dan was zelfs Abrahams in geloof gevormde overdenking van God niets meer dan een overdenking van Hem die Jezus van Nazareth werd.

‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u’ antwoordde Jezus, ‘Eer Abraham was, ben Ik’ – precies de verbondsnaam van God (Ex. 3:14).

Wanneer zijn tegenstanders stenen oprapen om Jezus te vermoorden omwille van die tweede opmerking, bewijzen ze zijn eerste opmerking.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 17 maart 2012

Waardigheid en aanzien voor de priester (Ex. 28)


Exodus 28, Johannes 7, Spreuken 4, Galaten 3

De priesterkleren die God voorschrijft (Ex. 28) zijn vreemd en kleurig. Misschien dat sommige van de details ervan niet bedoeld waren om symbolisch gewicht te dragen, maar dienden ze mee het doel van het ensemble op zijn geheel: Aäron en zijn zonen ‘waardigheid en aanzien’ geven (28:2, 40, zie Herziene Statenvertaling).

De symboliek is voor een gedeelte wel duidelijk. Het borstschild van de hogepriesters’ kleding moest twaalf edelstenen of semi-edelstenen bevatten, gezet in vier rijen van drie, ‘De stenen moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd’ (28:21).

Het borstschild wordt ook genoemd ‘het borstschild der beslissing’ (28:29). Dit is waarschijnlijk omdat ze de Urim en Tumim draagt. Mogelijk waren dit twee stenen, de ene wit en de andere zwart. Ze werden gebruikt om beslissingen te nemen, maar hoe ze precies werkten weet niemand helemaal zeker. Bij belangrijke zaken zocht de priester de tegenwoordigheid en zegen van God in de tempel. Dan werkten de Urim en Tumim, wat in de ene of de andere richting uitkwam en dus onder Gods soevereine zorg, leiding bood.

Dus droeg de priester tegelijk de namen van de twaalf stammen op zijn hart ‘tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht des HEREN’, en de Urim en Tumim ‘wanneer hij in het heiligdom komt’, dus altijd zal de priester zo ‘de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE’ (28:29-30).

Vooraan op zijn tulband moet Aäron een plaat van louter goud bevestigen. Daarop zullen de woorden gegraveerd staan ‘Den HERE heilig’ (28:36). ‘Zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, en Aäron zal de schuld dragen, gelegen in de heilige dingen die de Israëlieten heiligen bij al de gaven van hun heilige dingen; ja, zij zal voortdurend op zijn voorhoofd wezen, zodat zij welgevallig zijn vóór het aangezicht des HEREN’ (28:38).
Dit veronderstelt dat ‘de heilige dingen die de Israëlieten heiligen’ in de eerste plaats diverse soorten zondoffers waren, geofferd om voor hun schuld te betalen. De priester brengt dan, zelfs belichaamd in de symboliek van de priesterkleding, de schuld in de tegenwoordigheid van de heilige God, die er als enige genoegdoening kan aan geven. De tekst impliceert dat als de priester die rol niet vervult, de offers die de Israëlieten brengen niet aangenaam zullen zijn voor de Heere. De structuur van priester/offer/tempel hangt als een volledig systeem aaneen.

Te gelegener tijd zullen we met deze overdenkingen dieper ingaan op passages die de aanstaande opheffing van dit systeem aankondigen, wat daarmee een profetische aankondiging wordt van de ultieme priester, de ultieme verbondsgemeenschap, de ultieme autoriteit voor het geven van leiding en richting, het ultieme offer en de ultieme tempel.

Zijn ‘waardigheid en aanzien’ zijn onbegrensd (Opb. 1:12-18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 16 maart 2012

Hemels brood (Joh. 6)


Exodus 27, Johannes 6, Spreuken 3, Galaten 2

Jezus verklaart dat Hij het ‘brood des levens’ is (Johannes 6:35), het ‘brood van God’ (6:33).

De taal is natuurlijk beeldspraak. Dit wordt duidelijk gemaakt door Johannes 6:35, waar de metafoor een beetje wordt uitgelegd: ‘Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten’. Normaal gezien eet je brood; je ‘komt’ niet gewoon tot brood of ‘gelooft’ niet louter in brood. Dus wat Jezus bedoelt met het eten van dit brood des levens moet in grote lijnen gelijklopend zijn met wat het betekent tot Jezus te komen en in Hem te geloven.

Deze ‘brood des levens’-toespraak zoals we ze kunnen noemen, volgt op de spijziging van de vijfduizend (6:1-15). Daar voorziet Jezus brood en vis voor de hongerige menigten. Dit was de hoofdvoeding van Galilea; Hij voorzag wat nodig was om het leven in stand te houden. Maar in dit evangelie wijst de evangelist erop dat Jezus’ wonderen niet louter gebeurtenissen zijn van kracht, maar betekenisvol zijn: ze wijzen over zichzelf heen, als tekenen. Dit wonder wijst naar het feit dat Jezus niet slechts in brood voorziet, maar correct begrepen eigenlijk brood ís. Hij is de hoofdvoeding zonder dewelke er helemaal geen echt leven is.

Bovendien is Hij het ultieme ‘manna’ (6:30-33). Zijn gesprekspartners herinneren Hem eraan dat Mozes manna voorzag, ‘brood uit de hemel’ (Ex. 16), en ze willen dat Hij hetzelfde doet. Uiteindelijk had Hij dit toch de dag daarvoor ook gedaan toen Hij de vijfduizend te eten gaf. Als Jezus dit wonder één keer kon doen, waarom dan niet opnieuw – en opnieuw en opnieuw? Is dit niet wat Mozes deed?

Maar Jezus beklemtoont dat de uiteindelijke bron van het ‘brood uit de hemel’ niet Mozes was maar God, en het uiteindelijke ‘brood uit de hemel’ was niet het manna uit de woestijnjaren, maar Degene die van de hemel kwam – Jezus zelf. Want iedereen die van het manna in de woestijn at, was uiteindelijk toch gestorven. Wie eten van het ultieme brood uit de hemel, het tegenbeeld van het manna, sterven nooit.

Mensen in een agrarische cultuur verstaan dat bijna alles wat je eet, bestaat uit iets dat gestorven is. Wij denken aan voedsel als verpakte dingen. De realiteit is dat wanneer je een hamburger eet, je een dode koe eet, dode tarwe, dode sla, dode tomaten, dode uien, enzovoort. De belangrijkste uitzondering is het eigenaardige mineraal, zoals zout.

Jezus’ publiek en Johannes’ lezers begrepen dat andere dingen sterven opdat wij zouden kunnen leven; als die andere dingen niet sterven, dan doen wij dat. Jezus geeft zijn leven opdat wij zouden leven; ofwel sterft Hij, ofwel sterven wij. Hij is het ware brood des hemels die zijn leven geeft ‘voor het leven van de wereld’ (6:51).


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

donderdag 15 maart 2012

De Zoon doet alles wat de Vader doet (Joh. 5)


Exodus 26, Johannes 5, Spreuken 2, Galaten 1

Een van de meest treffende Bijbelse passages in verband met wat het betekent om te belijden dat Jezus Christus de Zoon van God is, vind je in Johannes 5:16-30.
In een voorindustriële cultuur doet de meerderheid van de zonen wat hun vader doet. Een bakkerszoon wordt bakker, een boerenzoon wordt boer. Dit standpunt –zo vader, zo zoon – laat Jezus bij gelegenheid verwijzen naar zijn eigen volgelingen als ‘zonen Gods’. Zo verklaart Jezus ‘Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden’ (Matt. 5:9, in het Eng. ‘they will be called sons of God’). Met andere woorden: God zelf is de ultieme vredestichter; daarom handelen mensen die vredestichters zijn in dit opzicht als God, en daarom kunnen ze op dit vlak ook bestempeld worden als ‘zonen van God’.

Het is het soort functionele categorie waarmee Jezus begint in Johannes 5:17. Wanneer om uitleg gevraagd over zijn ‘werken’ op de Sabbat, biedt Hij geen andere verklaring voor wat ‘Sabbat’ betekent, of suggereert Hij ook niet dat wat Hij deed geen ‘werk’ was maar een daad van ontferming of voorzien in een behoefte. Nee, veeleer rechtvaardigt Hij zijn ‘werken’ met te zeggen dat Hij slechts doet wat zijn Vader doet. Zijn Vader werkt (zelfs op de Sabbat, of de voorzienigheid zelf zou ophouden!), en dit is wat Hij ook doet.

Zijn gesprekspartners zien dat dit een impliciete aanspraak is aan God gelijk te zijn (5:18). Maar het is bijna zeker dat ze Jezus misverstaan in een opzicht. Ze denken dat de aanspraak godslasterlijk is, want het zou Jezus tot een andere God maken –en ze hebben het beste wel bij het rechte eind als ze eraan vasthouden dat er slechts één God is. Jezus antwoordt met twee opmerkingen.

Ten eerste benadrukt Hij dat Hij functioneel afhankelijk is van zijn Vader: ‘de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen’ (5:19). Jezus is niet een ander ‘God-centrum’: Hij is functioneel ondergeschikt aan zijn Vader.

Maar ten tweede is deze functionele ondergeschiktheid zelf gegrond in het feit dat deze Zoon alles doet wat ook maar de Vader doet (5:19).

Christenen mogen dan in zekere zin ‘zonen Gods’ zijn; Jezus is de unieke Zoon, omdat ‘wat deze doet (de Vader, JL), dat doet ook de Zoon evenzo’. Als de Vader schept, dan doet de Zoon dit ook: ja, de Zoon is de Vaders vertegenwoordiger in het scheppen (1:2-3).
In de volgende verzen wekt de Zoon, zoals de Vader, mensen op uit de dood, en is Hij de Vaders vertegenwoordiger in het laatste oordeel.

Moslims die slechts weinig weten van de christelijke theologie denken dat de christelijke Drievuldigheid bestaat uit God, Maria en Jezus: God had omgang met Maria en verwekte Jezus. Ze beschouwen de idee als belachelijk en lasterlijk en gelijk hebben ze. Maar dit is niet waar wij aan vasthouden, noch wat de Schrift leert. Ik wenste dat ze Johannes 5 konden bestuderen. Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

woensdag 14 maart 2012

Ware aanbidding (Ex. 25 en Joh. 4)


Exodus 25, Johannes 4; Spreuken 1; 2 Korinthiërs 13

Exodus 25 en Johannes 4 zijn canoniek met elkaar verbonden.

De eerste begint met de instructies voor de bouw van de tabernakel en zijn toebehoren (Ex. 25-30). De tabernakel is de voorloper van de tempel, gebouwd ten tijde van Salomon. Herhaaldelijk zegt God in deze hoofdstukken ‘Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is’ (25:40) of ‘Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd’ of iets vergelijkbaars.

De brief aan de Hebreeën haakt in op dit punt. De tabernakel en de tempel waren geen willekeurige ontwerpen; ze weerspiegelden een hemelse realiteit. ‘zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: ‘Let erop,’ staat er immers, ‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is’’ (Hebr. 8:5).

Johannes 4 toont ons Jezus in gesprek met een Samaritaanse vrouw. Samaritanen geloofden dat de gepaste plaats om God te aanbidden niet Jeruzalem was, waar de tempel staat, maar op de bergen Gerizim of Ebal, aangezien dit de laatste plaatsen waren die voor dergelijke aanbidding werden aangeduid toen het volk het land binnenkwam (Deut. 11:29; Joz. 8:33). Ze aanvaardden de teksten betreffende de monarchie niet als Schrift.

De vrouw wil weten wat Jezus denkt: zijn deze bergen de geschikte plaats voor aanbidding, dichtbij waar ze stonden, of Jeruzalem (Joh. 4:20)?
Jezus benadrukt dat de tijd komt dat geen van deze plaatsen zal voldoen (4:21). Dit betekent niet dat Jezus het Samaritaanse alternatief ziet als over gelijkwaardige adelbrieven beschikkend als Jeruzalem. Ver van dat: in dit debat staat Hij in het kamp van de Joden, aangezien zij degenen zijn die de volle breedte van de Oudtestamentische Schrift volgen, inclusief de verhuis vanuit de tabernakel naar de tempel in Jeruzalem (4:22). ‘Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders’ (4:23).

Dit betekent:
(1) Met de komst van Christus Jezus en het aanbreken van het nieuwe verbond, zal gepaste aanbidding niet langer verbonden zijn met een specifieke geografische plaats. Impliciet kondigt dit het opheffen aan van de tempel. Aanbidding zal geografisch even uitgestrekt zijn als de Geest, als God zelf die geest is (4:24).

(2) Aanbidding zal niet slechts ‘in geest’ zijn, maar ook ‘in waarheid’. In de context van dit evangelie betekent dit niet dat aanbidding gemeend moet zijn (‘oprecht’ in die betekenis); maar wel dat het in lijn moet zijn met wat ultiem gezien waar is, de loutere manifestatie van waarheid, Jezus Christus zelf. Hij is het ‘ware licht’ of ‘waarachtige licht’ (1:9), de ware tempel (2:19-22), het ware brood uit de hemel (6:25 e.v.), en meer. Ware aanbidders aanbidden in geest en in waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

dinsdag 13 maart 2012

‘Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen’ (Ex. 24)


Exodus 24, Johannes 3, Job 42, 2 Korinthiërs 12

Het is niet eenvoudig wat zicht te krijgen op de volgorde van gebeurtenissen in deze hoofdstukken van Exodus. Wel duidelijk is dat God in zijn genade voldoende voorziet van de openbaring van zijn verbond dat het instemt met zijn voorwaarden (Ex. 24). Meerdere bepalingen worden gepreciseerd in de volgende hoofdstukken, in het bijzonder in verband met de tabernakel en de priesterlijke regelingen.

De lange afwezigheid van Mozes op de berg begint rond deze tijd en verhaast de merkwaardige rebellie die de afgod van het gouden kalf voortbrengt (Ex. 32). Dit doet Mozes van de berg afdalen en de tafelen met de Tien Geboden verbrijzelen. Te zijner tijd zullen we deze gebeurtenissen overwegen. Hier moeten we nadenken over verschillende elementen van deze verbondssluiting.

(1) De Israëlieten moeten al vertrouwd zijn geweest met verdragen of verbonden met een soeverein, ze waren niet ongebruikelijk in de oude wereld. Een regionale macht of een supermacht zou een dergelijk verdrag opleggen aan kleinere landen. Beide zijden stemmen dan in met bepaalde verplichtingen. De mindere macht stemt in zich te houden aan de regels die de sterkere macht oplegt, bepaalde belastingen te betalen en een zekere trouw in stand te houden. Van zijn kant belooft de grotere macht bescherming, verdediging en loyaliteit. Vaak was er een inleiding die de voorbije geschiedenis preciseert, en een naschrift die straffen en oordelen behandelt voor de zijde die het verbond verbrak.

(2) Delen van Exodus en Deuteronomium weerspiegelen in het bijzonder die verbonden. Enkele elementen in dit hoofdstuk zijn uniek. Wat echter duidelijk is, is dat het volk zelf instemt met de verbondsvoorschriften die Mozes zorgvuldig uitschrijft: ‘Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen’ (24:7). De latere rebellie weerspiegelt dus niet slechts een lichtzinnige, onafhankelijke geest, maar het verbreken van een eed, het met voeten treden van een verbond. Ze minachten dus duidelijk het verdrag van de grote koning.

(3) Om de trouw van de verbondsgemeenschap te versterken vertoont God zich niet alleen genadig aan Mozes maar ook aan Aäron en zijn zonen en aan zeventig oudsten. Wanneer schrijvers van het Oude Testament zeggen dat sommige mensen ‘God zagen’ (24:10-11) of iets dergelijks, zijn er onvermijdelijk kwalificaties, want zoals dit boek elders zegt, kan niemand het aangezicht van God zien en leven (33:20). Wanneer ons dus wordt verteld dat de oudsten de God van Israël zagen, dan is de enige beschrijving ‘alsof onder zijn voeten een plaveisel lag’ (24:10). God blijft op afstand. Toch is dit een heerlijke tentoonspreiding, genadig gegeven om de trouw te verdiepen, terwijl een bijzondere bemiddelende rol is voorbehouden voor Mozes, die als enige de hele weg bergop aflegt.

(4) Het verbond wordt verzegeld met het sprengen van het bloed (24:4-6).

(5) De veertig dagen dat Mozes op de berg blijft wordt de heerlijkheid van de Heer zichtbaar tentoongespreid (24:15-18). Dit grijpt vooruit naar ontwikkelingen in latere hoofdstukken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

maandag 12 maart 2012

'Breekt deze tempel af en binnen drie dagen … (Joh. 2)


Exodus 23, Johannes 2, Job 41, 2 Korinthiërs 11

Wanneer de Joodse leiders Jezus’ recht in vraag stellen om de tempel te reinigen zoals Hij deed en eisen dat Hij het gezag achter zijn actie bekendmaakt, dan antwoordt Hij: ‘Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen’ (Johannes 2:19).

Alleen het Johannesevangelie geeft dit vroege gesprek weer. Volgens de synoptische evangeliën wordt deze uitspraak vaag vermeld op Jezus’ proces, door hen die Hem uit de weg wilden met de hoofdaanklacht van tempelontwijding. Dat hun herinneringen van het gebeuren wat wazig waren stemt goed overeen met het feit dat Jezus deze woorden sprak bij het begin van zijn dienst, mogelijk twee jaren of meer voor zijn arrestatie en proces. Maar wat bedoelde Jezus met die woorden?
Zijn tegenstanders dachten dat Hij verwees naar de letterlijke tempel en beoordeelden zijn aanspraak als belachelijk (2:20). Volgens Johannes verstonden zelfs de discipelen op dat moment niet waarover Hij sprak.

Natuurlijk wist Johannes beter toen hij zijn evangelie schreef en Hij verbindt er zijn conclusie aan: ‘Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams’ (2:21). Maar hij noteert ook getrouw: ‘Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had’ (2:22).

Diverse zaken volgen hieruit.

1) Johannes wordt vaak beschuldigd van anachronisme, van gebeurtenissen en geloofsuitingen die pas later ontwikkelden terug te lezen in de tijd. Dit is wel zeer onwaarschijnlijk. Geen evangelist is constanter dan Johannes (minstens zestien keren) in het zorgvuldig onderscheid maken tussen wat de discipelen destijds begrepen (tijdens Jezus’ dienst) en wat ze slechts later begrepen.

2) Het keerpunt in hun verstaan van de woorden van Jezus was de combinatie van zijn opstanding uit het graf en een hernieuwd begrijpen van en geloof in de Schrift (2:22). Omdat Jezus stierf en weer verrees werden ze gedwongen in meer dan louter koninklijke of triomferende categorieën over Jezus de Messias te denken. Zowel de gebeurtenissen als Jezus’ onderricht errond, leerden hen dat de Messias niet slechts de Davidische Koning zou worden, maar ook de Lijdende Dienstknecht. De verordening van het oude verbond voor een priesterlijk systeem, offers, een verzoendag, een Paaslam, een bijzondere tempel geconstrueerd volgens een specifiek door God zelf gegeven ontwerp – alle dwongen ze hen te erkennen dat hun vroegere lezen van de Schrift (van wat wij het Oude Testament noemen) vreselijk reductionistisch of beperkend was. Nu konden ze zien dat de tempel uit het Oude Testament, de ontmoetingsplaats tussen God en zijn verbondsvolk, verwees naar de ultieme ‘ontmoetingsplaats’, de ultieme Bemiddelaar. Jezus zou deze rol innemen krachtens zijn dood en opstanding – de ‘tempel’ zou afgebroken en weer opgebouwd worden.

3) Jezus zelf is de bron voor deze ‘hermeneutiek’, deze manier om de Oudtestamentische Schrift te lezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zondag 11 maart 2012

Dieven moeten meer betalen dan ze stalen (Ex. 22)


Exodus 22, Johannes 1, Job 40, 2 Korinthiërs 10
We doen er goed aan om stil te staan bij iets van de rechtspraak die in de Pentateuch wordt gevonden – te beginnen met enkele van de restitutie- of teruggavewetten in Exodus 22:1-15.

Dieven moeten niet slechts terugbetalen wat ze stalen, maar ook iets extra betalen (22:1, 4). Dit bijkomend bedrag is niet slechts een straf voor hen, maar compenseert het slachtoffer voor het gevoel geweld aangedaan te zijn, of voor het ongemak te hebben moeten missen wat er ook maar gestolen was.

Zacheüs verstond het principe en zijn bekering wordt getoond door zijn vastbeslotenheid de terugbetaling viervoudig te maken en genereus aan de armen te geven (Lukas 19:1-10). Als een dief niet kan terugbetalen wat hij heeft gestolen, dan legt de wet hem op dat hij als slaaf moet worden verkocht om voor zijn diefstal te betalen (22:3).

Slavernij had in deze cultuur economische wortels. Er waren geen moderne faillissementswetten, dus kwam het voor dat iemand zich als slaaf moest verkopen om uitstaande schulden te kunnen aflossen.

Maar in Israël had die toestand van slavernij normaal gezien geen open einde: hij was bedoeld om te worden beëindigd in cyclussen van 7 jaar (21:2-4).
De volgende verzen leggen de terugbetaling uit die moet gebeuren bij verschillende vergrijpen, met de voorziene uitzonderingen om de wet flexibel genoeg te maken om de moeilijke of gevoelige gevallen te behandelen (bijv. 22:14-15).

Bij sommige gelegenheden moeten tegenovergestelde aanspraken voor een rechter worden gebracht, die de taak heeft om te onderscheiden wie de waarheid spreekt. Als bijvoorbeeld iemand zijn zilver of goederen bij zijn naaste in bewaring geeft, en die naaste beweert vervolgens dat ze hem door een dief ontstolen werden, dan moet een rechter bepalen of de naaste de waarheid vertelt of misschien zelf een dief is. Wordt de dief gevat, dan moet hij dubbel terugbetalen. Bepaalt de rechter dat de naaste een leugenaar is, dan moet de naaste zelf het bedrag dubbel terugbetalen (22:7-9).


Wanneer de misdaad een diefstal is, dan zorgt terugbetaling op de meest directe manier dat de notie van gerechtigheid bewaard blijft. Waar dieven eenvoudig in de gevangenis gezet worden, dan zal het niet lang duren voor experten debatteren of het doel van de gevangenschap remediërend is, therapeutisch, opvoedend, bewarend (voor de bescherming van de maatschappij), of wraakgierig.

Een straf die rechtstreeks in verband staat met de misdaad beschermt de voorrang die gerechtigheid geniet. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de vaak verguisde lex talionis, de oog-om-oog-wet (21:23-25) die geen excuus mocht zijn voor een persoonlijke vendetta, maar een manier om de rechtbanken straffen aan te reiken die exact bij de misdaad pasten.

Dit gevoel van gerechtigheid waaraan moet worden voldaan doordringt de Oudtestamentische behandelingen van zowel zonde als overtredingen, en bereidt uiteindelijk de weg voor ons verstaan van het kruis als het offer dat voldoet aan de vereisten van gerechtigheid (vgl. Rom. 3:25-26).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

zaterdag 10 maart 2012

Waarom zoekt u de levende onder de doden? (Lk. 24)


Exodus 21, Lukas 24, Job 39, 2 Korinthiërs 9
De eerste twee verzen van het volgende gedicht zijn gedeeltelijk een overdenking van Lukas 24:1-8, 13-25. De laatste twee verzen zijn gebaseerd op andere verslagen van de opstanding (Joh. 20:24-29; Heb. 2:14-15; 1 Kor. 15:50-58). Het kan gezongen worden op de melodie ‘Londonderry Air’ ((later gebruikt voor het lied, JL) ‘Danny Boy’). (Beluister een fragment van het lied 'They Came Alone', tekst: D.A. Carson, muziek: Rob Smith)

(vrije vertaling van de Engelstalige liedtekst: zie onderaan)


They came alone: some women who remembered him,
Bowed down with spices to anoint his corpse.
Through darkened streets, they wept their way to honor him—
The one whose death had shattered all their hopes.

“Why do you look for life among the sepulchers?
He is not here. He’s risen, as he said.
Remember how he told you while in Galilee:
The Son of Man will die—and rise up from the dead.”

The two walked home, a study in defeat and loss,
Explaining to a stranger why the gloom—
How Jesus seemed to be the King before his cross,
How all their hopes lay buried in his tomb.

“How slow you are to see Christ’s glorious pilgrimage
Ran through the cross”—and then he broke the bread.
Their eyes were opened, and they grasped the Scripture’s truth:
The man who taught them had arisen from the dead.

He was a skeptic: not for him that easy faith
That swaps the truth for sentimental sigh.
Unless he saw the nail marks in his hands himself,
And touched his side, he’d not believe the lie.

Then Jesus came, although the doors were shut and locked.
“Repent of doubt, and reach into my side;
Trace out the wounds that nails left in my broken hands.
And understand that I who speak to you once died.”

Long years have passed, and still we face the fear of death,
Which steals our loved ones, leaving us undone,
And still confronts us, beckoning with icy breath,
The final terror when life’s course is run.

But this I know: the Savior passed this way before,
His body clothed in immortality.
The sting’s been drawn: the power of sin has been destroyed.
We sing: Death has been swallowed up in victory.


Ze kwamen alleen: enkele vrouwen die Hem eerden,
Ze bogen neer met specerijen om zijn lichaam te zalven.
Ze trokken wenend door de donkere straten om hem te eren -
Hem, wiens dood al hun dromen aan diggelen sloeg.

‘Waarom zoek je de levende tussen de graven?
Hij is niet hier. Hij is opgestaan, zoals Hij gezegd heeft.
Herinner je hoe Hij gezegd heeft terwijl je in Galilea was:
De Zoon des Mensen zal sterven – en uit de dood opstaan.’

De twee wandelden naar huis, een les in verslagenheid en verlies,
Verklaarden hun somberheid aan een vreemde -
Hoe Jezus de Koning leek voor het kruis,
Hoe al hun hoop nu begraven lag in zijn graf.

‘Hoe traag ben je om te zien dat Christus’ glorieuze reis
Over het kruis liep’ – en toen brak Hij het brood.
Hun ogen werden geopend en ze vatten de waarheid uit de Schrift:
De man die hen had geleerd was uit de dood verrezen.

Hij was een skepticus: niet voor hem dat makkelijke geloof
Dat de waarheid inruilt voor sentimenteel gezucht.
Tenzij hij zelf in de handen de tekenen van de nagels zag,
En zijn zijde zou aanraken, zou hij de leugen niet geloven.

Toen kwam Jezus, hoewel de deuren dicht en op slot.
‘Bekeer je van je twijfel, en voel maar in mijn zijde;
Bespeur de wonden die de nagels lieten in mijn gebroken handen.
En verstaat dat ik die met je spreek eens stierf.’

Vele jaren gingen voorbij, en nog steeds zien we de vrees voor de dood,
Die onze geliefden wegrooft, het laat ons ontsteld achter,
En confronteert ons, smekend met ijzige adem,
Met de finale verschrikking wanneer de levensloop ten einde is.

Maar dit weet ik: de Redder ging al voor op deze weg,
Zijn lichaam bekleed met onsterfelijkheid.
De prikkel van de dood is weggenomen: de macht van de zonde is gebroken.
We zingen: de dood is verzwolgen in de overwinning.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org

vrijdag 9 maart 2012

Vrees Hem opdat je niet zondigt (Ex. 20)


Exodus 20, Lukas 23, Job 38, 2 Korinthiërs 8

In de Westerse wereld werden de Tien Geboden (Ex. 20) ooit op school aan elk kind aangeleerd. Ze slepen diep ingewortelde principes van goed en verkeerd in en die droegen bij tot het vormen van de Westerse beschaving. Ze werden niet gezien als tien aanbevelingen, optionele aardigheden voor welopgevoede mensen. Zelfs velen van wie niet geloofden dat ze door God zelf gegeven waren (‘God sprak al deze woorden’, 20:1) zagen de Tien Geboden toch als de hoogste korte samenvatting van de soort private en publieke moraliteit die nodig was voor een goede orde in de maatschappij.

Het belang van de Tien Geboden is nu snel aan het verdwijnen in het Westen. Zelfs veel kerkleden kunnen er niet meer dan drie of vier van opnoemen. Het is ondenkbaar dat een verstandig christen ze niet zou memoriseren.

Maar het is de setting waarin ze eerst gegeven werden die aanleiding geeft tot deze overdenking. De Tien Geboden werden door God aan de Israëlieten gegeven via Mozes in de derde maand na hun redding uit Egypte.

Vier opmerkingen:

1) De Tien Geboden zijn in de eerste plaats de hoogtepunten van het verbond dat door Mozes werd overgebracht (vgl. 19:5), door God gegeven in de Sinai (Horeb). Zonder die geboden is de rest van het verbond nogal zinloos; de Tien Geboden zelf worden ondersteund door de rest van de verbondsbepalingen. Hoe tijdloos ze ook zijn, ze zijn niet louter abstracte principes, maar worden neergezet in de concrete termen van die cultuur: bijv. het verbod om je naaste zijn os of ezel te begeren.

2) De Tien Geboden worden ingeleid met de herinnering aan het feit dat God zijn gemeenschap uit de slavernij heeft verlost: ‘Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb’ (20:2). Ze zijn niet slechts zijn volk omwille van de schepping, niet slechts omwille van het verbond met Abraham, maar omdat God hen redde uit Egypte.

3) God gaf hen de Tien Geboden met een geweldige tentoonspreiding van kracht. In de tijd voor de nucleaire Holocaust bestond de meest angstaanjagende ervaring van kracht uit het loslaten van de krachten van de natuur. Het geweld van de storm, het beven van de aarde, de bliksem, het geluid en de rook (19:16-19; 20:18) benadrukken niet slechts de ernst van de gebeurtenis, maar leren het volk ook om ernstig te vrezen (20:19-20). De vreze des Heren is niet slechts het begin van de wijsheid (Spr. 1:7), maar weerhoudt mensen er ook van te zondigen (Ex. 20:20). God wil dat ze weten dat Hij hen gered heeft, Hij wil ook dat ze weten dat Hij niet een huisgodheid is die vrolijk zegen uitdeelt binnen een stamvolk. Hij is niet slechts een goede God, maar een angstaanjagende, ontzagwekkende God.

4) Aangezien God zo angstaanjagend is, dringt het volk er bij Mozes op aan dat hij zou bemiddelen tussen Hem en hen (20:18-19). En dit bereidt de weg voor een andere, finale Middelaar (Deut. 18:15-18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org